Advaita pedanta; de film van het doek

‘Helaas is non-dualisme voor velen toch weer filosofie en wijsheid geworden.’ De ziener doorzien; dwaalgesprekken over kosmische pedanterie.

Liefhebber

Je zou het soms niet zeggen maar ik ben een groot liefhebber van de advaita vedanta, in elk geval in zijn intentie om het oeverloos filosoferen te doorbreken en de myriaden aannames van het zogenaamd gezond verstand boven tafel te krijgen.
Juist daarom gaat het me aan het hart dat het non-dualisme zich in het westen in het algemeen en in de lage landen in het bijzonder steeds sterker manifesteert als een filosofie in plaats van een anti-filosofie, met een canon van hardgebakken doctrines die zelf-evident zouden zijn en geen nader onderzoek behoeven.
Een gesloten systeem in plaats van een non-systeem.
Een verklaring voor alles in plaats van het einde van iedere verklaring.
Iets om je hand voor in het vuur te steken in plaats van je stokpaardjes.

Deze doctrinaire variant van non-dualisme noem ik (pedant) pseudo-advaita of, als de olijke stelligheid waarmee de onbetwijfelbare clichés door zelfbenoemde leraren aan de man en de vrouw gebracht worden mij al te zeer tegenstaat, advaita pedanta.
Onderstaande dwaalteksten dienen als tegenwicht voor deze trend, niet als volgende filosofie of zelfs maar anti-filosofie.
Natuurlijk hoop ik dat hetgeen ik tot uitdrukking wil brengen maar woorden noch stilte verdraagt, hier en daar tussen de regels door schemert.
Of dat hetzelfde is als wat hier en daar tussen de regels van bijvoorbeeld de upanishads door schemert, mag iedereen zelf uitmaken.
Of niet-zelf; ook goed.

Het einde van de wijsheid

De term advaita vedanta is opgebouwd uit vier componenten: a, dvaita, veda en anta, wat respectievelijk niet, twee, wijsheid en einde betekent.
Advaita vedanta is etymologisch gezien een dubbele ontkenning, ten eerste van filosofieën die zich baseren op een fundamentele tweedeling, bijvoorbeeld tussen geest en lichaam, vorm en leegte, kennen en het gekende of eenheid en veelheid, en ten tweede van de gedachte dat deze ontkenning de hoogste wijsheid zou zijn.
Niet-twee, niet-wijsheid, zou je de uitdrukking advaita vedanta kunnen parafraseren, en dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
De uitstekende naamgeving ten spijt is non-dualisme, zoals advaita vaak vertaald wordt, voor velen toch weer filosofie en wijsheid geworden, en wel een monistische variant, die het universum voorstelt als een ondeelbare eenheid, de non-dualiteit geheten.
Onze Indiase rolmodellen, van oudsher onverbeterlijke filosofen, hebben het er zelf naar gemaakt.
Zijn zij het niet die behalve met advaita vedanta ook op de proppen kwamen met dvaita vedanta, dvaitadvaita vedanta en advaitadvaitadvaita vedanta?
Evenzovele pogingen om een einde aan alle godbezeten en godvergeten wijsheid van de veda’s te maken.
Tevergeefs.

Drie aanbevelingen

‘Wat weet jij eigenlijk van advaita, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van vedanta?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van het bewustzijn?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

Waarin verschijnt het bewustzijn? De film van het doek.

Fundamenteel

‘Bewustzijn is fundamenteel, Hans.’
‘Hoezo?’
‘Zonder bewustzijn zouden er nooit gedachten opkomen.’
‘Gedachten zijn fundamenteel.’
‘Hoezo?’
‘Zonder gedachten zou nooit het idee van bewustzijn opkomen.’
‘Daar zeg je me wat.’
‘Zonder gedachten zou nooit het idee van een fundament opkomen.’
‘Inderdaad, zeg.’
‘Zonder gedachten zou nooit het idee van gedachten opkomen.’
‘Dus gedachten zijn fundamenteel?’
‘Of is dat is ook maar een gedachte.’

Fundamenteler

‘Golven verschijnen in het water, niet andersom. Net zo verschijnen gedachten in bewustzijn, niet andersom.’
‘Wat is fundamenteler, het licht of de ether?’
‘Die vraag heeft geen betekenis, Hans.’
‘Waarom niet?’
‘Ether bestaat niet.’
‘Kijk eens aan.’
‘Licht heeft helemaal geen ether nodig.’
‘Waarom gedachten dan wel bewustzijn?’

‘Nou?’
‘Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen.’
‘Dat noem ik pas fundamenteel.’

Fundamenteelst

‘Bewustzijn is fundamenteler dan niet weten.’
‘Hoezo?’
‘Niet weten verschijnt in bewustzijn en niet andersom, Hans.’
‘Wie zegt dat niet weten ergens in verschijnt?’
‘Zonder bewustzijn zou ik niet bewust zijn.’
‘Zonder welzijn zou ik niet wel zijn.’
‘Het feit van bewust zijn bewijst het bewustzijn.’
‘Zonder bijzijn zou er geen bij zijn.’
‘Wou jij beweren dat niet weten nergens in verschijnt?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Dat is geen argument.’
‘Dat wou ik ook niet beweren.’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Zeker weten?’
‘Wat zou jouw conclusie zijn?’
‘Bewustzijn, gesteld dat er zoiets is, is fundamenteler dan niet weten, gesteld dat er zoiets is, of omgekeerd, of beide, of geen van beide, of nog iets anders, bijvoorbeeld.’
‘Noem dat maar een conclusie.’
‘Noem het dan maar fundamenteel.’

Vooronderzoek

‘Volgens de advaita vedanta moet ik onderzoeken wie ik ben, Hans.’
‘Staat er ook bij hoe?’
‘Ik moet alles afwijzen wat veranderlijk is.’
‘Waarom?’
‘Aangezien ik me steeds dezelfde voel, kan ik onmogelijk iets veranderlijks zijn.’
‘Waarom zou iets veranderlijks zich niet steeds dezelfde kunnen voelen?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Onderzoek dat dan eerst maar eens.’

Onmogelijk

‘Volgens de advaita vedanta kan ik onmogelijk iets veranderlijks zijn.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik me steeds dezelfde voel.’
‘Als je niets veranderlijks bent, wat ben je dan wel?’
‘Datgene waarin al het veranderlijke verschijnt en verdwijnt.’
‘Pardon?’
‘Bewustzijn. Gewaarzijn. Het kennen. De getuige. Het ware zelf.’
‘Wat zijn de eigenschappen van dat bewustzijn?’
‘Bewustzijn heeft geen eigenschappen.’
‘Hoe weet je dan dat het onveranderlijk is?’
‘Wat geen eigenschappen heeft kan niet veranderen.’
‘Wat geen eigenschappen heeft kan ook niet hetzelfde blijven.’
‘Daar zeg je me wat.’
‘Wat geen eigenschappen heeft kan ook niet bestaan.’
‘Eigenlijk niet, nee.’
‘Wat geen eigenschappen heeft kan zelfs niet vergaan.’
‘Bewustzijn stijgt uit boven bestaan en vergaan, zou ik zeggen.’
‘Wat geen eigenschappen heeft kan ook nergens bovenuit stijgen.’
‘Maar waar hebben we het dan nog over?’
‘Dat zou ik ook weleens willen weten.’

Waarin daarin

‘Ik ben dat waarin gedacht wordt.’
‘Dit is wat daarin gedacht wordt.’

Een laatste vraag

‘Ik ben het kennen, niet het gekende.’
‘Wat is het verschil?’
‘Het kennen is realiteit, het gekende illusie.’
‘Waartoe behoort deze gedachte?’

Echte fictie

‘De werkelijkheid bestaat niet.’
‘O nee?’
‘Er bestaan alleen maar verhalen over de werkelijkheid.’
‘En die verhalen dan?’
‘Wat is daarmee?’
‘Zijn die werkelijk of onwerkelijk?’
‘O.’
‘Nou?’
‘Werkelijk, zou ik zeggen.’
‘Dus de werkelijkheid bestaat toch?’
‘Eh…’
‘In de vorm van verhalen over de werkelijkheid?’

‘Mooi verhaal.’

Knettergek

Verhaal(tjes) voor in de haard; vraaggesprek van Huangsu Fuan Dangu met meester Wu Fou.

Huangsu: ‘Zijn wij naar uw mening vrij of onvrij?’

Wu Fou: ‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent.’

‘Bedoelt u dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan.’

‘Maar ben ik nou iemand of niemand?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent.’

‘Bedoelt u dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent.’

‘Bedoelt u dat de waarheid voorbij de woorden is?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is.’

‘Bedoelt u dat alles een uitdrukking van het ene is?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is.’

‘Bedoelt u dat je nooit achter de verhalen kunt kijken?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken.’

‘Bedoelt u dat het allemaal maar verhalen zijn?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn.’

‘Bedoelt u dat er geen verhaal is?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is.’

‘Is er iets?’

‘Wat valt er nog te zeggen?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt.’

‘Bedoelt u dat ook stilte geen recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt en het verhaal dat ook stilte geen recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid.’

‘Bedoelt u dat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt en het verhaal dat ook stilte geen recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid en het verhaal dat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent.’

‘Bedoelt u dat je consequent iedere formulering moet weigeren?’

‘Ik zie het verschil niet.’

‘Waartussen niet?’

‘Tussen het verhaal dat je vrij bent en het verhaal dat je onvrij bent en het verhaal dat je voorbij vrijheid en onvrijheid moet gaan en het verhaal dat je iemand bent en het verhaal dat je niemand bent en het verhaal dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent en het verhaal dat de waarheid voorbij de woorden is en het verhaal dat alles een uitdrukking van het ene is en het verhaal dat je nooit achter de verhalen kunt kijken en het verhaal dat het allemaal maar verhalen zijn en het verhaal dat er geen verhaal is en het verhaal dat er niets te zeggen valt en het verhaal dat ook stilte geen recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid en het verhaal dat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent en het verhaal dat je consequent iedere formulering moet weigeren.’

‘Volgens mij bent u knettergek.’

‘Ik zie het verschil niet.’

(Vertaald uit het Mandarijn door Huangsu Fuan Dangu)

Dit vraaggesprek kreeg nog een staartje toen Huangsu de meester na afloop van obscurantisme beschuldigde. Wu Fou antwoordde glimlachend:

‘Een obscurantist is iemand die alle boeken wil verbranden behalve zijn eigen. Verbrand het obscurantisme en je gunt ieder zijn boek. Zelfs de obscurantist. Vuurtje?’

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

het regressieprobleem

Metaforenmelkers

‘Jij bent geobsedeerd door de film van niet weten, Hans.’
‘En jij door de film van het doek.’

Filmfans

‘Ik ben niet de acteur.’
‘Die film ken ik.’
‘O?’
‘Hij heet ‘Ik ben de film.’

‘Ik ben niet de film.’
‘Die film ken ik.’
‘O?’
‘Hij heet ‘Ik ben het doek.’

‘Ik ben niet het doek.’
‘Die film ken ik.’
‘O?’
‘Hij heet ‘Ik ben Dát.’

‘Ik ben niet Dát.’
‘Die film ken ik.’
‘O?’
‘Hij heet ‘Alleen maar Dit.’

‘Ik ben dit noch dat.’
‘Die film ken ik.’
‘O?’
‘Hij heet: ‘Ik bén.’

‘Ik ben niet.’
‘Die film ken ik.’
‘O?’
‘Hij heet ‘Niemand hier.’

‘Er is niets wat ik niet ben.’
‘Die film ken ik.’
‘O?’
‘Hij heet ‘Alles over niets.’

‘Ik weet niet wie ik ben.’
‘Die film ken ik niet.’
‘Het is een boek.’
‘Ik ben niet de auteur.’

De achterste stoel

‘Als je naar een spannende film zit te kijken, besef je soms ineens: het is niet echt. Het is maar een film. Dan kun je ontspannen achterover zitten en met des te meer genoegen naar die film kijken.’

‘Tja.’

‘Zo is het ook met het leven.’

‘Het leven is een film?’

‘En nog een slechte ook.’

‘Moonraker.’

‘Hou op, schei uit.’

‘En daar zit jij naar te kijken?’

‘Ik zit te kijken naar een tachtig jaar durende film met mezelf in de hoofdrol. Ik identificeer me met de acteur maar eigenlijk ben ik de toeschouwer.’

‘Alleen de toeschouwer is echt?’

‘Precies.’

‘Mooie film.’

‘Wat?’

‘Je hebt zojuist het scenario geschreven van een film over iemand die naar een film over zichzelf zit te kijken en zich identificeert met de toeschouwer.’

‘Verdraaid.’

‘Een film over het zien van een film

‘Dan zou het leven dus het zien van een film over het zien van een film zijn?’

‘Jij zegt het.’

‘Niet te geloven.’

‘En dit gesprek over het zien van een film over het zien van een film?’

‘Wat is daarmee?’

‘Is dat echt?’

‘Verdraaid.’

‘Nou?’

‘Dat is dan een film over het zien van een film over het zien van een film.’

‘Je zou er duizelig van worden.’

‘Vreemd hoor.’

‘Wat?’

‘Je gaat maar één rij naar achteren en denkt meteen in de achterste stoel te zitten.’

‘De achterste stoel?’

‘Het ultieme perspectief op de hoogste werkelijkheid.’

‘Dat er een ultiem perspectief op een hoogste werkelijkheid zou zijn is gewoon weer de volgende film.’

‘De vraag is dus, hoe ontsnap je aan de illusie van de achterste stoel.’

‘Dat je aan de illusie van de achterste stoel zou kunnen ontsnappen is gewoon weer de volgende film.’

‘Bedoel je dat er niet aan te ontsnappen valt?’

‘Dat er niet aan te ontsnappen valt is gewoon weer de volgende film.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Wat ik zou zeggen is gewoon weer de volgende film.’

‘Bedoel je dat er niets te zeggen valt?’

‘Dat er niets te zeggen valt is gewoon weer de volgende film.’

‘Omdat de waarheid voorbij de woorden is?’

‘Dat de waarheid voorbij de woorden is, is gewoon weer de volgende film.’

‘Wat je ook zegt, het is gewoon weer de volgende film.’

‘Dit ook.’

‘Moeten we dan maar een potje gaan zwijgen?’

‘Dat we dan maar een potje moeten gaan zwijgen is gewoon weer de volgende film.’

‘Enzovoort.’

‘Nou, vóórt.’

Een doekje voor het bloeden

‘Wat is een non-dualist?’
‘Iemand die niet in de film gelooft.’
‘Waar gelooft hij wel in?’
‘Het doek.’
‘Is het doek soms niet de film?’
‘Jawel.’
‘Maar?’
‘Dat wil er gewoon niet in.’
‘Wat doet een non-dualist in zijn vrije tijd?’
‘Filmpjes kijken.’
‘Waarover?’
‘Non-dualisme.’
‘En anders?’
‘Boekjes lezen.’
‘Waarover?’
‘Non-dualisme.’
‘En anders?’
‘Praatjes maken.’
‘Waarover?’
‘Non-dualisme.’
‘Zijn filmpjes en boekjes en praatjes soms niet de film?’
‘Om over non-dualisme nog maar te zwijgen.’
‘Maar?’
‘Dat wil er ook niet in.’

Part en deel

‘Wat is een non-dualist?’
‘Iemand die zich de kenner weet, niet het gekende.’
‘Klinkt meer als een dualist.’
‘Hoezo, Hans?’
‘Vanwege dat onderscheid tussen de kenner en het gekende natuurlijk.’
‘De kenner is het gekende.’
‘Wablief?’
‘Er is alleen maar het Ene.’
‘Monist.’
‘Voor mijn part.’
‘Maar wat is dan een non-dualist?’

Waanwijs

‘Wat is een dualist?’
‘Iemand die zich het gekende waant.’
‘Wat is een non-dualist?’
‘Iemand die zich de kenner waant.’
‘Beide verkeren in een waan?’
‘Of is dat ook een waan?’
‘Kun je ook niet in een waan verkeren?’
‘Of is dat weer een waan?’

Kansloos

‘ “Ik ben de lege ruimte waarin mijn denkbeelden en gevoelens worden ingetekend”, schrijft Patricia de Martelaere in haar boek Taoïsme, de weg om niet te volgen.’
‘Is dat waar of is het alleen maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’
‘Verhip.’
‘Een gat is geen stip.’
‘Wat zou je geantwoord hebben als ik had gezegd dat het waar was, Hans?’
‘Is dat waar of is het alleen maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’
‘En als ik had gezegd dat het alleen maar een denkbeeld ingetekend in mijn lege ruimte was?’
‘Is dat waar of is het alleen maar een denkbeeld ingetekend in je lege ruimte?’

Kierewiet

‘Wie ben jij?’
‘Ik ben de kenner van het gekende, Hans.’
‘Wie zegt dat er zoiets is?’
‘Waar gezien wordt is iets dat ziet.’
‘Waar geregend wordt is iets dat giet.’

Zwamdiploma

‘Waarin verschijnt niet weten, Hans?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Doe niet zo flauw.’
‘Waarin zwemt de zee?’
‘Wat is dat nou weer voor vraag.’
‘Zo wou ik het niet stellen.’
‘Wie ben ik?’
‘Kan jou het schelen.’
‘ ‘Wie ben ik’ is zo’n beetje de belangrijkste vraag op aarde.’
‘Pas dan maar op dat je hem niet beantwoordt.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het dan geen vraag meer is, suffie.’
‘Ben ik mijn gedachten?’
‘Wat denk jij?’
‘Ik denk van niet.’
‘Als ik het niet dacht.’
‘Gedachten komen en gaan…’
‘Was dat maar waar.’
‘Gedachten komen en gaan maar…’
‘Behalve deze zeker.’
‘Mag ik misschien even uitspreken, Hans?’
‘Laat maar komen dan.’
‘Gedachten komen en gaan, maar ik…’
‘Laat toch gaan.’
‘Gedachtenkomenengaanmaarikniet!’
‘Nou, sneller komen ze niet.’
‘Ik zei, gedachten komen en gaan maar ik niet.’
‘Maar ik wel.’
‘Hoe zou ik dan mijn gedachten kunnen zijn?’
‘Hoe zou ik dan ik kunnen zijn.’
‘Geef nou eens antwoord.’
‘Maar ik doe al niet anders.’
‘Waarin verschijnen mijn gedachten?’
‘Wie zegt dat ze ergens in verschijnen?’
‘Gesteld dat ze ergens in verschijnen.’
‘Daar zeg je wel wat bij.’
‘Toe nou.’
‘In je gedachten dan maar.’
‘In mijn bewustzijn zul je bedoelen.’
‘Bewustzijn is een gedachte.’
‘Ik ben het onvergankelijke bewustzijn waarin gedachten komen en gaan.’
‘Is dat waar of is het een gedachte die komt en gaat?’

‘Iemand thuis?’
‘Daar moest ik even over nadenken.’
‘En?’
‘Er is geen andere conclusie mogelijk.’
‘Kijk anders eens naar je premissen.’
‘Ik ben de ene onveranderlijke getuige.’
‘En ik het mannetje in mijn hoofd.’
‘Wat?’
‘Het mannetje in het hoofd van het mannetje in mijn hoofd.’
‘Volgens mij zei je ‘En ik het mannetje in mijn hoofd’.’
‘Maar ik bedoelde ‘Ik ben het mannetje in het hoofd van het mannetje in mijn hoofd van het mannetje in mijn hoofd’.’
‘Homunculi zijn nergens voor nodig, Hans.’
‘Getuigen net zomin.’
‘Er is maar één getuige…’
‘Wie kan daarvan getuigen?’
‘Er is maar één onveranderlijke getuige van de gedachten die komen en gaan, en dat ben ik.’
‘En ik dan?’
‘En dat zijn wij.’
‘Er is maar één onveranderlijke getuige van de gedachten die komen en gaan en dat zijn wij?’
‘Tat tvam asi.’
‘Sanskriet voor spinazie.’
‘Ik ben Dát.’
‘En dit dan?’
‘Ik ben dat wat overal aan voorafgaat.’
‘Wie kan daarvan getuigen?’
‘De Eerste Getuige heeft geen getuige nodig.’
‘Waarom gedachten dan wel?’
‘Dat zeg ik toch?’
‘Dan heb ik even niet opgelet.’
‘Omdat wij nou eenmaal de onveranderlijke getuige zijn van de gedachten die komen en gaan.’
‘Dat zei je al.’
‘Dat zeg ik.’
‘En toen zei ik: Is dat waar of is het een gedachte die komt en gaat?’

‘Iemand thuis?’
‘Ik dénk.’
‘Zou je denken?’
‘Het kan gewoon niet anders.’
‘Is dat waar?’
‘Zoals de logica dicteert…’
‘Zei de logicus geleerd…’
‘Waar bewustwording is moet bewustzijn zijn.’
‘Waar het giet moet een gieter zijn.’
‘Waar gezien wordt moet een ziener zijn.’
‘Waar gevroren wordt moet een vriezer zijn.’
‘Waar gekend wordt moet een kenner zijn.’
‘Waar gezonken wordt moet een zinker zijn.’
‘Waar gedacht wordt moet een denker zijn.’
‘Waar gegolfd wordt moeten golven zijn.’
‘En dáárin verschijnen gedachten.’
‘En dáárin zwamt de zee.’

Bewustzien

‘Wat is het dat overal niet weten ziet?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Bewustzijn., Hans’
‘Wat is het dat overal bewustzijn ziet?’

‘Nou?’
‘Die zit.’
‘Zei de zot.’
‘Maar het gaat er niet om wat we zien, het gaat erom dat we zien.’
‘Je hebt van die mensen die overal zien zien.’
‘Zien is wat wij zijn en Zijn is wat wij zien…’
‘Je hebt van die mensen die overal zichzelf zien.’
‘En in dat Zijn is geen verschil.’
‘Je hebt van die mensen die overal eenheid zien.’
‘Dus wat is het dat overal niet weten ziet?’
‘Je hebt van die mensen…’

Zieners

Je hebt van die mensen die overal verschil zien.
Je hebt van die mensen die overal overeenkomst zien.
Je hebt van die mensen die overal illusie zien.
Je hebt van die mensen die overal werkelijkheid zien.
Je hebt van die mensen die overal zijn zien.
Je hebt van die mensen die overal zien zien.
Je hebt van die mensen die overal leegte zien.
Je hebt van die mensen die overal waarheid zien.
Je hebt van die mensen die overal leven zien.
Je hebt van die mensen die overal liefde zien.
Je hebt van die mensen die overal zichzelf zien.
Je hebt van die mensen die overal de duivel zien.
Je hebt van die mensen die overal god zien.
Je hebt van die mensen die overal de ene zien.
Je hebt van die mensen die overal de ander zien.
Je hebt van die mensen die overal het andere zien.
Je hebt van die mensen die overal hetzelfde zien.
Je hebt van die mensen die overal van die mensen zien die overal hetzelfde zien.
Je hebt van die mensen die overal van die mensen zien die overal van die mensen zien die overal hetzelfde zien.
Je hebt van die mensen…

Doorzien

‘Je hebt van die mensen die overal niet weten zien.’
‘Ik zou er graag eens een ontmoeten.’
‘Heb je niet genoeg aan jezelf?’
‘Ik zou mij graag eens ontmoeten.’
‘Jij ziet toch overal niet weten?’
‘Jij ziet mij overal niet weten zien.’
‘Je hebt van die mensen…’

Plaatjesmakels

‘Wie ben jij, Hans?’
‘Dat hangt ervan af.’
‘Waarvan af?’
‘Wie jij bent.’
‘Ik ben de druppel die de hele oceaan bevat.’
‘Dan ben ik wel de gloeiende plaat.’

Impel stimpel

‘Gedachten zijn rimpels aan de oppervlakte van de oceaan van liefde.’
‘Mooie gedachte.’
‘Dank je.’
‘En wat ben jij in deze beeldspraak?’
‘De oceaan van liefde, Hans.’
‘Mooie gedachte.’
‘Dank je.’

De groeten aan Descartes

‘Ik denk dus ik ben.’
‘Je denkt dat je bent.’

Quod absurdum

‘Ik denk dus ik ben.’
‘Dat betwijfel ik.’
‘Hoe zou ik kunnen denken zonder te zijn, Hans?’
‘Hoelang duurt een gedachte?’
‘Een paar seconden.’
‘Hoelang duurt zijn?’
‘Aha, ik zie het probleem.’
‘Nou, hoelang?’
‘Een heel mensenleven.’
‘Hoe kan iets wat maar een paar seconden duurt als bewijs dienen voor iets wat een heel mensenleven duurt?’
‘Zijn kent geen tijd.’
‘Hoe kan iets wat maar een paar seconden duurt als bewijs dienen voor iets waar geen eind aan komt?’

Punt uit

‘Hans, ik heb het helemaal gehad met jou.’
‘Anders ik wel.’
‘Wat?’
‘Hè?’
‘Jij ook?’
‘He-le-maal.’
‘Met mij of met jou?’
‘En met niet-mij.’
‘Hè?’
‘Kun je nagaan.’

Slokop (advaitaversie)

‘Zou je kunnen zeggen dat jouw persona is opgeslokt door het Ene, Hans?’
‘Zeker, net als het Ene.’
‘Wat is daarmee?’
‘Ook opgeslokt.’
‘Misschien had ik moeten zeggen, door de non-dualiteit?’
‘Ook opgeslokt.’
‘Door Essentie, God, de Bron, het Ware, het Absolute, het Eeuwige Heden?’
‘Allemaal opgeslokt.’
‘Ruimte, Openheid, Neutraliteit, Beschikbaarheid, Tegenwoordigheid?’
‘Opgeslokt.’
‘Niet weten dan?’
‘Opgeslokt en uitgekakt.’
‘O, ik snap het al.’
‘Nou ik nog.’
‘Je bedoelt natuurlijk de concepten.’
‘In tegenstelling tot?’
‘De geleefde werkelijkheid.’
‘Ook opgeslokt.’
‘Zo blijft er niets… aha… Het Niets. Leegte. Bewustzijn!’
‘Opgeslokt.’
‘Is opslokken dan het enige wat overblijft?’
‘Burp.’

Over de vedanta van niet-weten en niet weten van advaita.

Tegen woordigers

‘Wat vind jij van de advaita vedanta, Hans?’
‘Welke advaita vedanta?’
‘Je weet wel, het non-dualisme.’
‘Is me dat een isme.’
‘Ik doel op het Engelse neo-advaita dat hier te lande inmiddels vele vertegenwoordigers telt.’
‘Stelletje vertegenwoordigers.’
‘Pardon?’
‘En maar tellen.’
‘Ja.’
‘Ze ruilen de identiteit van de persoon in voor de identiteit van de getuige en verkopen dat als de hoogste waarheid.’
‘Iemand voor niemand.’
‘Allen voor één.’
‘Vedanta!’
‘Vedanta?’
‘De hoogste waarheid.’
‘Welnee.’
‘Niet?’
‘Het einde van de wijsheid.’
‘Vedanta betekent het einde van de wijsheid?’
‘De anta van de veda.’
‘Echt?’
‘Een neo-misverstanda.’
‘Ik sta perplex.’
‘Ik sta altijd perplex.’
‘Maar wat is nou de hoogste waarheid?’
‘Dat is nou de hoogste waarheid.’
‘Zie dat maar eens te verkopen.’
‘Wat ben ik, een vertegenwoordiger?’

De wijsheid voorbij

‘Ben jij een beetje bekend met de Indiase filosofie?’
‘Met de nadruk op een beetje.’
‘Wat is wijsheid?’
‘Dvaita vedanta, zou ik denken.’
‘Wat is hogere wijsheid?’
‘Advaita vedanta, zou ik denken.’
‘Wat is de hoogste wijsheid?’
‘Dvaitadvaita vedanta, zou ik denken.’
‘Wat is de allerhoogste wijsheid?’
‘Advaitadvaitadvaita vedanta, zou ik denken.*
‘Enzovoort?’
‘Zou ik denken.’
‘Wat hebben al deze wijsheden gemeen?’
‘Vedanta, zou ik denken.’
‘Wat betekent vedanta?’
‘De anta van de veda.’
‘Wat betekent anta?’
‘Het einde.’
‘Wat betekent veda?’
‘Wijsheid.’
‘Vedanta betekent het einde van de wijsheid?’
‘Ik kan het ook niet helpen.’
‘Zelfs de allerhoogste wijsheid is onwetendheid?’
‘Als je het maar niet hardop zegt.’
‘Hoe moet ik het dan noemen?’
‘De kennis zonder leraar?’
‘Jakkes.’
‘Een weten zonder woorden?’
‘Gatsie.’
‘De wijsheid zonder wijsheid?’
‘Bah.’
‘De wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Prachtig!’
‘Ik heb het niet van mezelf.’
‘Geeft niks.’
‘Je hebt het niet van mij.’
‘Afgesproken.’
‘Anders nog iets?’
‘Eh… ja.’
‘Nou?’
‘Wat is de wijsheid voorbij alle wijsheid?’

* Sanskriet voor respectievelijk dualisme, non-dualisme, dualistisch non-dualisme en non-dualistisch dualistisch non-dualisme. Dit is geen grap.’

De tiende dan

‘Ik ben een non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualistisch dualistisch non-dualist. Jij?’

‘Doel jij op de advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-advaita-dvaita-vedanta van de Indiase grootmeester Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan?’

‘Precies, Hans.’

‘Nou, als dat geen wijsheid is…’

‘Wat dan?’

‘Precies.’

Uitslovers

‘Ik ben blij dat jij onder je eigen naam schrijft, Hans. Al die uitslovers met hun aangenomen Aziatische namen. Ik zeg: doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Wat jij?’

‘Voor jou heet ik Shankara Sharanka Karansha Rakansha Kakaran Shakaran Rashan.’

‘Nou moe.’

‘Noem me dan maar Aba Heidschi Bumbeidschi Bum Bum.’

‘Waar slaat dat nou weer op.’

‘Ik zeg: doe maar gek, dan doe je al gewoon genoeg.’

‘Ik dacht dat jij er geen motto’s op nahield.’

‘Weg met de mottopolitie.’

‘Dwarsligger.’

‘Weg met het spoor.’

Een softenonfeest

‘Heb jij een spirituele naam, Hans?’
‘Ik heb er wel honderd.’
‘Noem er eens een.’
‘Noem maar een taal.’
‘In het Sanskriet?’
‘Vedantananda.’
‘Wat betekent dat?’
‘Veda betekent wijsheid. Anta betekent het einde. Ananda betekent heerlijkheid of zaligheid.’
‘Wijsheid is het einde, wat een heerlijkheid? Wijsheid is het einde van de heerlijkheid?’
‘De heerlijkheid van het einde van de wijsheid.’
‘Hè?
‘Niets zo fijn als niet wijs te zijn.’
‘Dwaas.’
‘Zalig zijn de armen van geest.’
‘Hoe arm is jouw geest?’
‘Ik heb geen arm om mee te grijpen en geen been om op te staan.’
‘Een softenongeest!’
‘Geen vinger om mee te wijzen en geen maan om heen te gaan.’
‘Klaar ben je.’
‘Zo klaar als pis.’
‘Ik bedoel, wat een feest.’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat?’
‘Vedantananda.’

Doorzien

‘We hoeven alleen maar onze conditioneringen te doorzien om de Werkelijkheid onder ogen te krijgen.’
‘Heb jij je eigen conditioneringen al doorzien?’
‘Nog niet helemaal, Hans.’
‘Hoe weet je dan dat je ze helemaal kunt doorzien?’
‘Dat… hoopte ik.’
‘Hoe weet je dat je de Werkelijkheid onder ogen zult krijgen als je je conditioneringen helemaal hebt doorzien?’
‘Eh… gelezen.’
‘Iets wat je leest voetstoots aannemen, hoe zou je dat noemen?’
‘Vertrouwen?’
‘Dat lijkt mij een eufemisme.’
‘Goedgelovigheid?’
‘Dat lijkt mij een dysfemisme.’
‘Hoe zou jij het noemen?’
‘Geen idee. Conditionering?’

‘We hoeven alleen maar onze conditioneringen te doorzien om de Werkelijkheid onder ogen te krijgen.’
‘De werkelijkheid?’
‘Met een hoofdletter, Hans.’
‘In plaats van?’
‘De werkelijkheid met een kleine letter natuurlijk.’
‘Wat is het verschil?’
‘Ik dacht dat jij dat wel zou weten.’
‘Misschien is de werkelijkheid met een hoofdletter wel gelijk aan de werkelijkheid met een kleine letter.’
‘Dat zou een enorme teleurstelling zijn.’
‘En als het nou een enorme opluchting zou zijn?’
‘Dat zou pas echt een teleurstelling zijn.’
‘Over conditionering gesproken.’

Masters of the universe

‘Wat is de geest van zen?’
‘Beginners mind.’
‘Wat is de geest van advaita?’
‘Master mind.’
‘Wat is de geest van niet weten?’
‘Any mind.’
‘Nou, dan zou ik het wel weten.’
‘Nou, ik niet.’
‘Maar wat is dan het verschil?’
‘In zen blijf je tot het eind aan toe leerling.’
‘En in advaita?’
‘Ben je van meet af aan leraar.’
‘En in niet weten?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Nou, dan zou ik het wel weten.’
‘En dat is het verschil.’

De pee in

‘Hoe heet de leer zonder leerlingen?’
‘De advaita pedanta.’

Ditjes en Datjes

‘Alleen maar Dit.’
‘Nou dat weer.’

‘Ik ben Dat.’
‘En dit dan?’

Met de rapen in de pot

‘Er is geen weg. Er is geen doel. Er is geen zelf. Er is alleen maar dit.’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Wat niet?’
‘Of er een weg is. Of er een doel is. Of er een zelf is. Of er alleen maar dit is.’

Vijf jaar later:

‘Wij kunnen niet weten of er een weg is. Wij kunnen niet weten of er een doel is. Wij kunnen niet weten of er een zelf is. Wij kunnen niet weten of er alleen maar dit is.’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Wat niet?’
‘Of wij niet kunnen weten of er een weg is. Of wij niet kunnen weten of er een doel is. Of wij niet kunnen weten of er een zelf is. Of wij niet kunnen weten of er alleen maar dit is.’

Vijf jaar later:

‘Er is alleen maar niet weten.’
‘Ik zou het echt niet weten.’

Duwen en trekken

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kunt weten, Hans.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kunt weten.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kunt weten.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kunt.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kunt.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kunt.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kunt.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niet moet denken.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niet moet denken.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand zijn.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze niemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze niemand zijn.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand of niemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand of niemand zijn.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand noch niemand zijn.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat ze iemand noch niemand zijn.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kunt weten.’

‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je iets kunt weten.’
‘Er zijn blijkbaar nog steeds mensen die denken dat je niets kunt weten.’

Wat je al niet denkt

‘Je bent niet wat je denkt.*
‘Denk jij dan dat je bent?’
‘Ja en nee.’
‘Daar heb je het al.’
‘Maar niet wat ik denk.’
‘Wat ben je dan wel?’
‘Dat waarin gedacht wordt.’
‘Dat had je gedacht.’

*titel van een boek van Jan van Rossum

Ik weet niet wie ik ben

‘Ik weet niet wie ik ben.*
‘Maar dat weet je dan weer wel.’
‘Ja en nee.’
‘Leg eens uit.’
‘Ik ben het onweetbare waarin het weten verschijnt.’
‘Behoort dit nog tot het weten of reeds tot het onweetbare?’
‘Ik ben niet-weten.’
‘En dat voor iemand die niet weet wie hij is.’
‘Waar moet het weten anders vandaan komen?’
‘Waarom moet het weten ergens vandaan komen?’
‘Alles heeft een oorzaak.’
‘Behalve de eerste oorzaak zeker.’
‘En dat kan niet het weten zelf zijn.’
‘Jij kan het weten.’
‘Dus gaat er iets aan het weten vooraf.’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Dat iets moet ik zelf wel zijn.’
‘Hoe kan je dat allemaal weten?’
‘Hoe kan ik dit anders weten?’

* titel van een boek van Jan van den Oever

Diepe zwemmers, licht te grond

‘Is niet-weten niet de onkenbare grond van het gekende, Hans?’
‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is dan zullen we dat nooit weten.’
‘Maar de onkenbare grond van het gekende bestaat wel?’
‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is dan zullen we dat nooit weten.’
‘Of zou de onkenbare grond van het gekende voorbij bestaan en niet-bestaan zijn?’
‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is dan zullen we dat nooit weten.’
‘Zijn God, Brahman, Atman, Sunyata, Boeddhanatuur, Bewustzijn, Tao, Essentie, de Leegte, het Niets, de Non-dualiteit, de Onbewogen Beweger, de Eerste Oorzaak en dergelijke niet allemaal namen van de onkenbare grond van het gekende?’
‘Als de onkenbare grond van het gekende werkelijk onkenbaar is dan zullen we dat nooit weten.’
‘En als de onkenbare grond van het gekende niet werkelijk onkenbaar is?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘De Waarheid is onuitsprekelijk, wou je zeggen.’
‘ ‘Waarheid’ is uitsprekelijk.’
‘Het Onuitsprekelijke is onuitsprekelijk.’
‘ ‘Onuitsprekelijk’ is al even uitsprekelijk als ‘het Onuitsprekelijke’.’
‘Wat moet ik dan zeggen?’
‘Waarover?’
‘Vind je dat we moeten zwijgen?’
‘Waartoe?’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Wanneer?’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Is niet-weten niet de onkenbare grond van het gekende?’

Wijzer

‘Liefde zegt ‘Ik ben alles’, wijsheid zegt ‘Ik ben niets’.’*
‘Wat is de vraag?’
‘Ben ik nou alles of ben ik nou niets?’
‘Ik druk mij niet uit in ontologische termen.’
‘Wat?’
‘Ik zeg niet ‘Ik ben dit’of ‘Ik ben dat niet’.’
‘Hoe druk je je wel uit?’
‘In epistemologische termen.’
‘Wat?’
‘Ik zeg ‘Ik weet dit’ of ‘Ik weet dat niet’.’
‘Waarom?’
‘Omdat de epistemologie ten grondslag ligt aan de ontologie.’
‘Wat?’
‘Het zijn verschijnt in het kennen.’
‘Op die manier.’
‘Of verscheen het kennen nou in het zijn?’
‘Wat?’
‘Of de ontologie ten grondslag ligt aan de epistemologie.’
‘Dit gaat me boven mijn pet, Hans.’
‘Anders mij wel.’
‘Wat zeg je op de vraag of ik alles ben of niets?’
‘Ik zeg niets.’
‘Is dat alles?’
‘Maar om dat nou wijsheid te noemen.’

* uitspraak van Nisargadatta Maharaj

Pezen of dealen

‘Hans, maak jij bewuste keuzes of overkomt alles jou alleen maar?’
‘Ik ben een zwevende kiezer.’
‘Ik bedoel, leid jij je eigen leven of leidt het leven jou?’
‘Ik ben een kiezende zwever.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Dualisten kiezen, non-dualisten zweven.’
‘En jij bent een zwevende kiezer?’
‘En ik ben een kezende zwiever.’

De stoel ontsprongen

‘Ken jij de stoelendans van Jan van Delden?’
‘Wie niet.’
‘Zit jij al op de achterste stoel, Hans?’
‘Ik heb geen achterste stoel.’
‘Op welke stoel zit je wel?’
‘Uit welke kan ik kiezen?’
‘De stoel van het waken, de droom en de droomloze slaap.’
‘Het liefst zit ik op de grond.’
‘Niet weten is geen stoelendans?’
‘Het liefst dans ik in het rond.’
‘Hoe heet de dans van niet weten?’
‘Wat zal ik zeggen. De tja-tja-tja?’

De Jantjes

‘Je bent er als je de honderd en acht Jantjes in jezelf helemaal doorziet.’*
‘Zei Jantje honderd negen.’

‘Ik weet niets, maar dat weet ik wel verdomd zeker.’*
‘Ik weet niets en dat ook niet.’

‘Gedachten zijn e-mails die je ongeopend moet weggooien.’*
‘Behalve deze zeker.’

‘Verlichting vind je door alle verhalen in je hoofd te negeren en je aandacht volledig te richten op de aandacht zelf.’*
‘Het bekende verhaal.’

‘Je koffer met verhalen moet helemaal leeg.*’
‘O ja?’
‘Alle verhalen moeten weg.’
‘Dan ook het verhaal van de koffer.’
‘Wat?’
‘Alle verhalen moesten toch weg?’
‘Dan kan ik wel inpakken.’
‘Ook het verhaal dat je dan wel kan inpakken.’
‘Nou, dan ben je wel uitverteld.’
‘Ook het verhaal dat je dan wel bent uitverteld.’
‘En dan, Hans?’
‘ ‘Dan’?’
‘Wat is daar nou weer mee?’
‘Weg ermee.’
‘Je koffer met verhalen moet helemaal leeg.’
‘O ja?’

* Gevleugelde uitspraak van Jan van Delden

Voor niemand

‘Hans, wat vind jij van Tony Parsons?’
‘Een ontzettende nobody.’
‘Pardon?’
‘Iemand die niemand meent te zijn.’
‘Jij bent toch ook een soort nobody?’
‘Een dunnobody.’
‘Wat is dat nou weer.’
‘Iemand die niet weet of hij iemand of niemand is.’
‘Zeker weten?’
‘Zeker weten is voor nobodies.’

Opgelost

‘Wat ben jij nou aan het doen?’
‘Autolyse, Hans.’
‘Wat is dat?’
‘Zelfoplossing.’
‘Pardon?’
‘De methode van Jed McKenna om tot verlichting te komen.’
‘Wat houdt die in?’
‘Opschrijven wat je meent te weten en alles wegstrepen waarvan je niet zeker bent, tot alleen de waarheid overblijft.’
‘Wie zegt dat er wat overblijft?’
‘Jed McKenna.’
‘Wie zegt dat wat overblijft de waarheid is?’
‘Jed McKenna.’
‘Wie zegt dat de waarheid tot verlichting leidt?’
‘Jed McKenna.’
‘Wie zegt dat Jed McKenna weet waar hij het over heeft?’
‘Jed McKenna.’
‘Zeker weten dat hij gelijk heeft?’
‘Eigenlijk niet.’
‘Zou je hém dan niet wegstrepen?’
‘Hm.’
‘Wat is verlichting volgens jou?’
‘Als ik dat eens wist, Hans.’
‘Is er eigenlijk wel zoiets?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Wat is waarheid?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Is er eigenlijk wel zoiets?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Waarom stoppen bij de waarheid?’
‘Wat moet je er anders mee?’
‘Wegstrepen natuurlijk.’
‘Waarom?’
‘Je wou toch oplossen?’
‘Maar dan ben je ook klaar?’
‘Jij wilt voor een dubbeltje op de eerste rang zitten.’
‘Wat valt er dan nog meer te doen?’
‘Het wegstrepen wegstrepen.’
‘En dan?’
‘Het ‘dan’ wegstrepen.’
‘En dan ben je eindelijk klaar?’
‘Wie zegt dat je klaar komt?’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Wie zegt dat ik weet waar ik het over heb?’
‘Ik zie dat ik nog een lange weg te gaan heb.’
‘Waarheen?’
‘Zelfoplossing, dacht ik.’
‘Je veronderstelt dat er iets op te lossen valt.’
‘Waar ben ik in vredesnaam aan begonnen.’
‘Jed mag het weten.’

Autolyse

Autolyse [Grieks, auto, zelf + lusis, losmaken, oplossen] is de weg van Jed McKenna, of moet ik zeggen de ‘weg’ van ‘Jed McKenna’, waarbij je jezelf door een langdurig en intensief onderzoek naar vermeende waarheden bevrijdt van jezelf en je zekerheden, en op de koop toe de waarheid vindt.

Zelf ben ik van mening dat wie in autolyse gelooft, het proces van autolyse nog niet voltooid heeft, en dat wie al autolyserend de waarheid heeft gevonden, terug is bij af.

Hetzelfde geldt voor iedereen die mijn mening in dezen of in wat dan ook deelt of serieus neemt of integendeel zonder meer naast zich neer meent te kunnen leggen.

Uit het leven gegrepen

‘Wij zijn het Leven zelf, spanningsloos en vrij!’*
‘Gebondenheid maakt deel uit van het leven.’
‘Jezelf zijn betekent namelijk niet iemand willen zijn…’
‘Iemand willen zijn maakt deel uit van het leven.’
‘Jezelf zijn betekent iemand zijn…’
‘Niemand zijn maakt deel uit van het leven.’
‘En wel het Leven zelf, spanningsloos en vrij.’
‘Spanning maakt deel uit van het leven.’
‘Begrijp je wat ik bedoel, Hans?’
‘Onbegrip maakt deel uit van het leven.’
‘Of wil je me niet begrijpen?’
‘Onwil maakt deel uit van het leven.’
‘Ben je het er tenminste mee eens dat wij het Leven zelf zijn?’
‘De dood maakt deel uit van het leven.’
‘Wat zijn wij volgens jou, of zeg je liever niets?’
‘Meningen maken deel uit van het leven.’
‘Je kunt zeggen wat je wilt, maar op mij kom je heel vrij over.’
‘Verkeerd overkomen maakt deel uit van het leven.’
‘Je komt op mij heel vrij over omdat je durft te zeggen wat je denkt.’
‘Niet durven zeggen wat je denkt maakt deel uit van het leven.’
‘Wij zijn het Leven zelf, spanningsloos en vrij!’
‘Gebondenheid maakt deel uit van het leven.’

* uitspraak van Unmani Liza Hyde

Gebed zonder end

‘Wat is satsang?’
‘Een dwaalgesprek met je leraar.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een dwaalgesprek met jezelf.’
‘Wat is het verschil?’
‘Het eerste is eindig.’

De komiek

‘Ken jij ‘Verlichting voor luie mensen’ van Paul Smit?’
‘Nooit gelezen.’
‘Waarom niet?’
‘Te lui, denk ik.’
‘Non-dualisme in honderd bladzijden.’
‘Boek uit, licht aan.’
‘Alles draait om dat ene bevrijdende inzicht…’
‘Zei de communist tegen de kapitalist…’
‘Dat ik een illusie is.’
‘En sloeg hem de hersens in.’
‘Ik bestaat niet.’
‘Jij zegt het.’
‘Paul zegt het.’
‘Paul had cabaretier moeten worden.’
‘Paul ís cabaretier.’
‘Daar heb je het al.’
‘Ken jij de kosmische grap?’
‘Daar gaan we weer.’
‘Er is nooit een zoeker of een zoektocht geweest…’
‘En nooit een illusie.’
‘Alleen maar Bewustzijn.’
‘En nooit een grap.’
‘Wát?’
‘En nooit bewustzijn.’
‘Hè?’
‘En nooit verlichting.’
‘Nou moe?’
‘Ook niet voor luie mensen.’
‘Niet te geloven.’
‘Zo kun je het ook zeggen.’

kosmische grappen

Gouwe Ouwe

‘Hans, wat vind jij van Douwe Tiemersma1?’
‘Douwe is dood.’
‘Ik bedoel, wat vind je van zijn gedachtegoed?’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat?’
‘Om Douwe kunnen we alleen nog rouwe.’
‘Douwe mag dan dood zijn, zijn gedachten leven voort.’
‘Had hij maar geen satsang moeten geven.’
‘Wat?’
‘Had hij maar geen boeken moeten schrijven.’
‘Wat vind jij van zijn gedachtegoed?’
‘De enige goede gedachte is een dode gedachte.’
‘Meen je dat nou?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘ ‘De enige goede gedachte is een dode gedachte’ is ook maar een gedachte?’
‘Kun je nagaan.’
‘Waarom zeg je het dan?’
‘Dat is nou net het punt.’
‘Wat heeft dit met Tiemersma te maken?’
‘Douwe wou een leraar zijn die alle vormen van houvast oplost.’
‘Verwijs je naar zijn artikel, de dood van de leraar2?’
‘Een consequent mens; hij voegde de daad bij het woord.’
‘Ja, ha ha.’
‘Nu wacht ik met smart op de dood van zijn leer.’
‘Kun je lang wachten.’
‘Bij wijze van spreken.’
‘Bedoel je dat zijn leer niet alle vormen van houvast oplost?’
‘ ‘Zijn gedachten leven voort’, zei je toch?’
‘Jij wilt toch ook een leraar zijn die alle vormen van houvast oplost?’
‘Alsof ik een leraar wil zijn.’
‘Niet dan?’
‘Alsof ik geen leraar wil zijn.’
‘Hè?’
‘Bovendien heb ik niets tegen houvast.’
‘Nou moe.’
‘Dus dat kan het probleem niet zijn.’
‘Heb jij soms iets tegen leraren?’
‘Niet dat ik weet.’
‘O.’
‘Dus dat kan het probleem niet zijn.’
‘Nee.’
‘Ik heb ook niets tegen mensen die iets tegen leraren hebben.’
‘Hè?’
‘Dus dat kan het probleem ook niet zijn.’
‘Nee.’
‘Ik heb zelfs niets tegen mensen die iets tegen houvast hebben.’
‘Wie had dat gedacht.’
‘Dus dat kan het probleem ook niet zijn.’
‘Wacht maar.’
‘Waarop?’
‘Tot je zelf dood gaat.’
‘Wat dan?’
‘Dan zul je eens zien hoe weinig er van jouw gedachtegoed overblijft.’
‘Daarvoor hoef ik echt niet dood te gaan.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Wat?’
‘Om jou kunnen we alleen maar rouwe.’
‘Wat zit je dan te mauwe.’
‘Dus wat is het verschil?’
‘Dat ik nog terug kan douwe?’

  1. Advaitaleraar en filosoof, overleden in 2013.
  2. ‘De dood van de leraar’, InZicht. Wegen van radicaal zelfonderzoek 2, nr. 1 (februari 2000), p. 23