Angelus Silesius

‘De afgrond van mijn geest roept aldoor met geschrei / de afgrond aan van God: welk is het diepst van bei?’ Koppelrijmen van de katholieke mystieke dichter Angelus Silesius (1624-1677).

Redactie en titels Hans van Dam.

De koppelrijmen (disticha) van Angelus Silesius beslaan oorspronkelijk twee regels, maar zijn door mij over vier regels verdeeld om het metrum te benadrukken.

Dwaalgids > Mystiek > Angelus Silesius


Uit Angelus Silesius, zwerver tussen hemel en aarde, een bloemlezing uit de Cherubinische Wandersmann, ingeleid en vertaald door Jacques Benoit, Kluwer, Deventer 1971:


Noch hier noch nu

God is een louter niets
hij kent noch hier noch nu.
Hoe meer gij naar hem grijpt
hoe meer ontglipt hij u.
(pagina 37)


Waar niets gezien wordt

Wat cherubijnen zien
kan mijn geest niet bedriegen.
Hij wil nog boven hen
waar niets gezien wordt vliegen.
(37)


Evengoed

Het kwak-kwak van de eend
bevalt God evengoed
als dat de leewerik
met tierelieren doet.
(40)


Geen waarom

De roos kent geen waarom
zij bloeit omdat zij bloeit.
Zij acht zich niet noch vraagt
of men zich met haar moeit.
(41)


Ik weet niet wat

Wat is de eeuwigheid?
Ze is noch dit noch dat.
Noch nu noch iets noch niets.
Ze is ik weet niet wat.
(43)


Het eeuwig woord

Als gij het Eeuwig Woord
in u wilt horen spreken
laat dan het mensenwoord
de stilte niet verbreken.
(44)


Abyssus abyssum invocat

De afgrond van mijn geest
roept aldoor met geschrei
de afgrond aan van God:
welk is het diepst van bei?
(45)


Ruimte

De wereld is te eng
de hemel mij te klein.
Waar zal er voor mijn geest
nog ergens ruimte zijn?


Een kind

De wijsheid toeft graag daar
waar zij haar kinderen vindt.
Waarom? Het antwoord luidt:
zij zelve is een kind.
(49)


Goed voorbeeld

Ik weet, de nachtegaal
misacht de koekoek niet
maar zing ik niet als jij
dan spot je met mijn lied.
(50)


Een schat

De armoe is een schat
met geen te vergelijken.
Wie arm is naar de geest
heeft meer dan alle rijken.
(51)


Verloren

O onbegrijpelijkheid!
God heeft zichzelf verloren.
Daarom wil hij opnieuw
in mij worden geboren.
(51)


Eenvoud

Zoveel is eenvoud waard
dat zou zij God ontbreken
bij hem noch van zijn licht
noch wijsheid viel te spreken.
(56)


De hoogste wijsheid

Verhef u niet, o mens:
wees in uw ogen klein.
De hoogste wijsheid is
niet al te wijs te zijn.
(57)


Vrijheid

Der armoe eigendom
is vrijheid allermeest.
Daarom geen vrijer mens
dan die arm is van geest.
(58)


God af

Verlangt gij iets van God
dan weet ik dit gewis
hoe heilig gij ook zijt
dat hij uw afgod is.
(62)


Uzelf in u

Voorwaar het eeuwig Woord
wordt heden nog geboren.
Waar dan? In u hebt gij
uzelf in u verloren.
(63)


Stom

Wilt gij het wezen, mens
der eeuwigheid uitspreken
zo moet toch allereerst
u elke taal ontbreken.
(65)


Louteren

Ik wil een feniks zijn
en mij in God verschroeien
opdat geen enkel ding
mij vastklemt in zijn boeien.
(66)


In de woestijn

Kunt gij u in de geest
niet tot de Heer verheffen
weet dan, in de woestijn
zult gij hem zeker treffen.
(67)


Onwil

Wij bidden: Vader, mij
geschiedde naar uw wil.
En zie: God heeft geen wil
voor eeuwig blijft hij stil.
(70)


Volkomen zwijgen

Zwijg, allerliefste, zwijg:
kunt gij volkomen zwijgen,
veel meer dan gij verlangt,
zult gij van God verkrijgen.
(76)


Gerust

Veel hebben maakt niet rijk,
het is een wijze man
die alles wat hij heeft
gerust verliezen kan.
(80)


Voorbereid

Waarom de wijze man
niet onder onheil lijdt?
Hij heeft zich lang daarvoor
al op die gast bereid.
(81)


Meer

Genieten van Gods kus
en zich daarin vergeten
is meer dan zonder dat
van alles hier te weten.
(90)


Minder

God is een eindeloos niets
en minder nog dan niets
wie niets in alles ziet
aanschouwt daarvan toch iets.
(92)


Een goede verstaander

Ziet wat gij niet kunt zien
ga waar gij niet kunt gaan
aanhoor wat stemloos is
en gij zult God verstaan.
(93)


Niets

Wat is Gods wezenheid?
Zich in zijn werk vergeten.
Altijd dezelfde zijn.
Niets hebben, willen, weten.
(94)


Zijn instrument

God is alles bijeen.
Hij slaat de snaren aan.
Hij zingt en speelt in ons:
heb ik dan iets gedaan?
(95)


Laat Hem

Gelatenheid vindt God:
God echter zelf te laten
is een gelatenheid
die men niet aan kan praten.
(96)


Mateloos

Onmetelijk is God
en toch valt hij te meten:
vergeet ik eigen maat
ik zal zijn grootheid weten.
(97)


Groot en klein

Omdat de grootste God
men hier als kleinste vindt
zij het uw grootste wens
te worden als een kind.
(98)


uit Angelus Silesius: de hemelse zwerver, ingeleid en vertaald door Hilbrandt Boschma, tweede druk, Kluwer, Deventer 1945:


Wie en wat

Hoe meer gij leeft, o mensch
in Gods erkentenis
hoe minder gij kunt zeggen
wie en wat Hij is.
(p13)


Iets in niets

God is een eind’loos niets
en minder nog dan niets
wie niets-in-alles ziet
aanschouwt daarvan toch iets.
(13)


Heen en weder denken

Mensch, God gedenkt niet
en zou Hij nog iets bedenken
dan zou Hij, zooals gij,
steeds heen en weder zwenken.
(14)


Alles schoon

Voor God is alles schoon.
Een kei glanst als robijn.
Een kikvors even heerlijk
als een serafijn.
(16)


Te groot

Mensch, wordt gij niet een kind
zoo kunt gij nimmer zijn
daar, waar Gods kind’ren zijn –
de poort is u te klein.
(19)


Een ingeving

Wenscht gij Gods kind te zijn
en smeekt g’om kinderzin
dan was God u reeds voor
en gaf dien wensch u in.
(19)


Zelfkennis

Van God wordt niets gekend.
Hij is een eeuwig Wezen.
Al wat men in Hem kent
dat moet men zelve wezen.
(21)


Alchemie

En ’t lood wordt mij tot goud,
’t verschil ken ik niet meer
als ik mijzelf mét God
dóór God, in God verkeer.
(22)


Eindeloos

God is mijn laatste eind.
Als ik Zijn aanvang zij
dan ga ik op in Hem
en Hij gaat op in mij,
(22)


Hemel noch aarde

Deez’ aarde is mij te eng
de hemel mij te klein
waar zou dan voor mijn ziel
de ware woning zijn?
(25)


De weg

Weg, weg, gij seraphim,
gij kunt geen rust mij geven!
Weg, weg, gij heiligen,
ik kan in u niet leven!
(26)


Afgerekend

Wie zich het pad ten hemel
klaar heeft voorgeteekend
heeft met de wereld
en zichzelven afgerekend.
(29)


Rijk van geen

Verlies u zelf, mijn kind,
dan wordt gij God gelijk
en vindt reeds hier op aard’
de rust van ’t hemelrijk.
(30)


Uitverkoop

Verkoop al wat gij hebt
opdat gij alles wint.
Verlies vrij wat gij straks
toch honderdvoud hervindt.
(30)


Meevaller

Wie niets meer heeft, niets weet,
niets mint en niets verwacht,
die heeft, weet, mint en wenscht
toch meer nog dan hij dacht.
(31)


In elk geluid

Geloof m’ o vriend, de ziel
die waarlijk niets meer hoort
die hoort in elk geluid
de klank van ’t eeuwig Woord.
(33)


Afgedankt

Wie waarlijk arm is wil
met niets door ’t leven gaan.
Bood God hem ook Zichzelf
hij nam ’t geschenk niet aan.
(34)


Tussen tijd en eeuwigheid

Gij zegt: verplaats u uit
den tijd naar d’ eeuwigheid.
Is tussen tijd en eeuwigheid
dan onderscheid?
(35)


Wat is tijd en plaats?

Men spreekt van tijd en plaats
van nu en eeuwigheid.
Maar wat is tijd en plaats
en nu en eeuwigheid?
(35)


Onderscheid

Tijd is als d’ eeuwigheid
en eeuwigheid als tijd.
Gij zijt het zelf, mijn vriend
die beide onderscheidt.
(35)


Gevangen

Men zegt: De tijd is snel
maar wie zag ooit hem glippen?
Hij ligt onwrikbaar vast
in wereldsche begrippen.
(35)


Ondoorgrondelijk

Hoe verder wij de zee
der eeuwigheid bevaren
hoe ondoorgrond’lijker
en donkerder de baren.
(37)


Het ware leven

‘k Erken u niet, o Dood –
sterf ik te aller stonden
zoo wordt het ware leven
pas door mij gevonden.
(40)


Door en voor

Ik leef en sterf niet zelf
God sterft in mij aldoor
en wat ik leven moet
dat leeft Hijzelf mij voor.
(41)


Uitgelezen

Mensch, acht u zelf toch niet
in wijsheid uitgelezen!
De hoogste wijsheid is:
geheel onwijs te wezen.
(44)


Zoveel

Met wat een cherub weet
ben ik nog niet gereed.
‘k Wil zoveel weten dat
ik eind’lijk niets meer weet.
(44)


Vergeten

Gods kus genieten en
in Hem zich te vergeten
is meer dan, zonder liefde
menig ding te weten.
(48)


Verlangen en begeeren

Mensch, kunt gij nog naar God
verlangen en begeeren
dan kunt gij nog niet waarlijk
met God-zelf verkeeren.
(50)


’t Beste

Bedrijvig zijn is goed
veel bidden is nog meer
maar ’t beste is: stil en stom
te staan voor God, den Heer.
(51)


Op eenzame hoogte

Een afgrond is wel God
maar wien Hij zich zal toonen
moet op den hoogsten top
der eeuw’ge bergen wonen.
(54)


In ’t donker

Het overlichte Licht
aanschouwt men in dit leven
alleen wanneer men zich
in ’t donker heeft begeven.
(61)