Armando

‘Ik zeg het je midden in je smoel: ik ben op de wereld gekomen om me te verbazen.’ Verhaaltjes van schrijver, dichter en kunstenaar Armando (1929).

Redactie Hans van Dam; titels origineel.

Dwaalgids > Belletrie > Armando


Uit Eindelijk, Armando, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2009:


Nooit

Alles wat ik mee moet maken, gebeurt buiten mij om. Soms wil ik ingrijpen, maar dan ben ik al te laat. Ik vind dat tamelijk hopeloos, ik vind dat ongepast. Niet dat ik zinnige dingen te berde te brengen heb, dat niet, maar het zou wel zo voorkomend zijn als mij het een en ander gevraagd werd. Nee, men besluit. Het gebeurt. Ik heb het nakijken, en dat is niet altijd even prettig.
Het enige wat mij te doen staat is de gebeurtenissen te aanvaarden. Het zal mij eigenlijk een rotzorg zijn. Op die manier. (12)


Dorst

Het was een afmattende rit. De paarden struikelden. Ze waren doodvermoeid en wij versmachtten bijkans van de dorst. Toch reden we verder, tegen beter weten in. We wisten dat we onze ondergang tegemoet gingen, maar we hielden vol.
We hebben het overleefd, ja. Bij toeval. Het begon namelijk plotseling te regenen, zodat we weer volop water hadden.
Op zichzelf is dit nauwelijks een weergaloze gebeurtenis te noemen, maar wat ik me nu afvraag is het volgende: was het wel de moeite waard om te overleven? Waarom hebben we niet berust en ons lot, dat wil zeggen de dood aanvaard? Waarom zijn we niet van de honger, de hitte en de dorst omgekomen? Vanwaar deze merkwaardige drang tot volharden? Dat vraag ik me af, als ik er nu over peins.
Vind je het vreemd dat ik zo denk? (16)


Jong

Weet je wat het is, als je jong bent, word je ouder en je wordt zelfs oud. Heel vervelend. Tenminste, als alles normaal verloopt. Ik kan uit eigen ervaring spreken, want vroeger was ik jong en dartel, ik kan het me nog goed herinneren, al is het eindeloos lang geleden. En nu ben ik oud en der dagen zat. Hoe kan dat nou. En toen was ik jong, ik hoop dat je het nog weet. Ineens ben je oud. Ik heb een sterk vermoeden dat het vanzelf gaat, anders zou ik het niet weten. Ik begrijp er toch niets van. (18)


Kerfstok

‘Mag ik me bij u verbergen?’
Ik had niet zo snel een antwoord, hij overviel me met zijn vraag. Waarom vroeg hij dat? Had ie iets op zijn kerfstok? Werd hij achtervolgd? Zaten ze hem op z’n hielen? Ik aarzelde.
‘Weet u wat,’ stelde ik voor, ‘ik zet een stoel buiten neer, daar kunt u op zitten en dan ga ik binnen nadenken of u zich bij mij mag verbergen.’
Ik dacht na. M’n eerste gedachte was dat ie iets op z’n kerfstok had. Dat was een foute gedachte, want kerfstokken waren al geruime tijd afgeschaft, geen mens wist nog wat een kerfstok voorstelde. Vervolgens: werd hij achtervolgd? Er was in geen velden of wegen iemand te bekennen. Dus het leek erop dat ie niet achtervolgd werd.
Ik begaf me naar buiten en zei: ‘Nee.’
‘Ik mag me dus niet bij u verbergen?’ vroeg hij hoopvol.
‘Nee’, herhaalde ik.
Hij lachte. ‘Ik ben heel tevreden over u,’ zei hij, ‘ik zou hetzelfde gezegd hebben.’
Ik keek hem na. Had ik juist gehandeld? Eigenlijk zei ik maar wat. (21)


Opdracht

Ik zeg het je midden in je smoel: ik ben op de wereld gekomen om me te verbazen. Ik heb kennelijk een opdracht meegekregen en die luidt: verbaas je en zet die verbazing om in kunst.
Want kun je met uitleggen waarom ik me dan zo druk heb gemaakt, m’n leven lang? Ik vraag me dat op neerslachtige momenten af. Nee, ik heb die idiote opdracht maar te aanvaarden.
Met tegenzin, dat wel, laten we elkaar goed begrijpen. Ik vind dat juk, want het is een juk, soms net een schrikbewind, maar vertel het niet verder alsjeblieft, want dan krijg ik de grootste last.
Ondanks alles zing ik een kwiek lied. (23)


Waarom

Ik heb ze zien lopen, in uniform. Binnenkort heeft niemand ze meer zien lopen.
Die? Waren die er dan?
Ja, die waren er en dat had grote gevolgen.
Maar dat is toch heel lang geleden en waarom moet ik daarvan op de hoogte zijn?
Ja, waarom eigenlijk. (34)


Goud

Ze was een breedgeschouderde zwemster. Op een dag verliet ze in haar zwempak het ouderlijk huis en zwom door de grachten. Bij de zee aangekomen hield ze even stil om adem te halen. Ze wilde naar de overkant, want ze had gelezen dat daar het goud voor het oprapen lag. Ze begaf zich in zee en bereikte de overkant. De schriftgeleerden hadden gelijk: het goud lag overal te prijken en te glinsteren. Ze bekeek nauwkeurig het edelmetaal en snoot haar neus.
O ja, ze moest weer naar huis, want ze kreeg het koud, ze rilde. Ze stapte in het water van de zee en zocht, via de grachten, haar dorp op.
‘En? Heb je het gezien, het goud?’ vroeg haar moeder.
‘Ja’, antwoordde ze.
‘Hoe zag het goud eruit?’
‘Nou, gewoon’, zei de dochter.
‘Daar had ik al zo’n vermoeden van,’ merkte de moeder op, ‘kleed je maar gauw aan, anders vat je kou.’ (38)


Gelijk

Hij redeneerde en redeneerde, hij bezwoer, hij zwetste, hij leuterde. Ofschoon ik met een half oor luisterde, gaf ik heb gelijk, want mijn ondervinding is dat iedereen gelijk heeft. Ik soms ook. (41)


Onvindbaar

Hij verborg zich achter de vlierstruiken, hij was niet te zien. Maar volgens mij had het geen enkele zin om je te verstoppen als er niemand langskwam. Hij zat urenlang, soms dagenlang achter de struiken: tevergeefs.
De schaarse momenten waarop hij gewoon rondliep in ons dorp heb ik hem op de man af gevraagd waarom hij zich verstopte.
‘Daarom’, was zijn antwoord.
‘Ja maar,’ riep ik, ‘er is geen mens die daar voorbijloopt, geen mens.’
‘Ik doe het ook niet voor andere mensen, wat denk je wel’, zei hij.
‘Maar voor wie doe je het dan?’ vroeg ik.
‘Voor mezelf,’ verklaarde hij, ‘als ikzelf voorbijloop ben ik onvindbaar. Kun je me een beetje begrijpen?’
Ik deed net alsof ik het begreep. (59)


Een vraag

‘Wat doe ik hier?’
Hij, ik dus, sprak me als volgt toe: ‘Ik kan me voorstellen dat je je dat afvraagt. Maar wordt deze vraag niet altijd door jou gesteld, waar je ook bent? En weet je waarom? Omdat je je nergens en overal thuis voelt.’
Ik moest hem, mij dus, daar gelijk in geven. Soms heeft ie, ik dus, een beter inzicht dan ik.
Wie ben ik eigenlijk? En waar bevind ik mij? (64)


Het gebeuren

Ik neem het woord nooit ofte nimmer in de mond, maar als ik om me heen kijk en keek, wat er zoal gebeurt en gebeurde, zou ik, als ik iemand anders was, het woord verbijsterend gebruiken. Ik herhaal: verbijsterend.
Zoals gezegd: ik kan dat woord niet uit m’n strot krijgen. Maar hoe moet ik het dan benoemen?
Misschien moet ik het helemaal niet benoemen. Wat gaat het me eigenlijk aan. Niks toch? (73)


Op zoek

Ik kwam terecht in een broeinest van gelukzoekers. Oho. Ze waren blij met me, omdat ik me vriendelijk en bescheiden voordeed, maar ze wisten niet dat ik in werkelijkheid een onhebbelijk persoon was.
We zochten dus het geluk. Niemand had zich ooit afgevraagd wat het geluk eigenlijk inhield, ik ook niet, maar we gingen wel op zoek naar het geluk. Om een lang verhaal kort te maken, want ik merk dat je je alweer begint te vervelen: we hebben het geluk niet gevonden. Dat wil zeggen, het geluk liet zich niet vinden, het had zich verstopt. Het geluk keek wel uit.
Het ligt voor de hand dat ik en de andere lieden af en toe dachten het geluk gevonden te hebben. Een jammerlijk misverstand. Het bleek niet te zijn wat wij zochten, het geluk.
We zoeken verder, we laten ons niet ontmoedigen. Waarschijnlijk zullen we het nooit vinden, maar dat hindert niet, we blijven zoeken, daar kun je van op aan.
Weet je wat ook mogelijk is? Dat door ons of door mij het geluk allang gevonden is, zonder dat we ons ervan bewust zijn. Heb je daar wel eens aan gedacht? We tasten zogezegd in het duister. (78)


Heten

‘Ik geloof dat ik vijf heet.’
‘Waarom denk je dat?’
‘Omdat ik altijd opkijk als ze vijf zeggen.’
‘Ja, dan heet je waarschijnlijk vijf.’
‘Hoe heet jij eigenlijk?’
‘Ik? Ik heb geen naam.’
‘Heet jij niet dan?’
‘Nee.’
‘Hoe weet je dat nou?’
‘Omdat ik nooit opkijk.’
‘Misschien komt dat nog.’
‘Nee, want ik wil niet heten.’
‘Waarom niet.’
‘Omdat ze je vastpakken als je heet.’ (92)


Licht

Het kind zocht het licht, het ging op het licht af. Ik vroeg aan het kind of ze iets zocht. ‘Ja,’ sprak het kind, ‘ik zoek het licht.’ Zie je wel, dacht ik, ze zoekt het licht.
Ik heb het kind terzijde genomen en ernstig ontraden het licht te zoeken, want zij die het licht zoeken keren onverrichter zake terug: het licht laat zich niet vinden.
Het kind luisterde aandachtig. Net toen ik dacht dat mijn woorden tot haar doordrongen, fluisterde ze: ‘En toch ben ik op zoek naar het licht.’
Twintig jaar later kwam ik haar tegen, ze was een vrolijk schepsel geworden. Ik herinnerde haar aan het feit dat ze indertijd het licht zocht. ‘Het licht? Ik? En welk licht dan wel?’ Ze schaterde het uit.
Dat was het. Ze had kennelijk het licht niet gevonden. (93)


Blauw

‘Heef de sta het hoofgemeu hal overguberne dasser hanke, de jaanki pover baaf?’
Bovenstaande werd met nadruk gezegd, en dat nog wel tegen een blauwe achtergrond. Ik begrijp niets van deze woorden. Begrijp jij ze? En wat wordt ermee bedoeld? Ik sta voor een raadsel. (97)


Trots

De bladeren liggen op de grond, oftewel de bladeren liggen nu op de grond. Eens prijkten ze trots aan de takken en twijgen van het struikgewas en het geboomte.
Ho, daar maak ik alweer een fout, want ze prijkten niet trots, ik moet hun geen menselijke eigenschappen toedichten, ze zaten gewoon vast aan de takken: de natuur gaat z’n eigen gang, zonder iemand om uitleg te vragen. Maar de mens bemoeit zich ermee en uiteraard heeft de mens een verklaring, stel je voor dat ze geen verklaring hebben. Dus zeggen ze dat het herfst is, dat het onherroepelijk seizoenen zijn. Zo. Het is dus herfst.
Ondertussen liggen de bladeren nog steeds op de grond, en dat is erg genoeg. En de wolken raken de aarde, ook dat is bedenkelijk. (99)


Naam

De telefoon rinkelt. Moet ik opnemen? Moet ik m’n naam noemen? Maar ik weet niet wie ik ben, wat moet ik zeggen. Weet jij wie ik ben? Jij ook al niet. Zeg maar dat ik niet weet wie ik ben. Ben jij d’r eigenlijk? Wie is er dan wel, niemand? (100)


Kletspraat

Ze zijn op zoek. Ze weten het meestal zelf niet, maar ze zijn naarstig op zoek. Naar een houvast, naar een helder licht, want ze worden, ook daarvan zijn ze zich niet bewust, omgeven door duisternis, soms door donkerte.
En intussen zwaaien ze met hun handen, ze maken zichzelf wijs dat ze avonturen beleven, ze koesteren zich in lawaai en ze klagen dat ze veel te veel omhanden hebben.
Af en toe dringt zich iemand naar voren en bezweert een ieder die het horen wil, dat zijn leer het houvast biedt waarnaar ze op zoek zijn, dat zijn leer eindelijk het licht brengt waarnaar zij hunkeren. Ze heffen hun hoofdjes op en gehoorzamen, ze worden volgelingen.
Steeds duiken deze figuren in de geschiedenis van het mensdom op en ze worden gezegend en geroemd, men beschouwt ze als bovenmaatse persoonlijkheden tot ze een angstaanjagende puinhoop achterlaten.
Wat volgt is de vrijheid, maar de vrijheid doet pijn, zodat het wachten is op de volgende heerser met zijn onverdraagzame leer van de waarheid. Welkom.
Uit het voorgaande valt op te maken dat ik ook tot een ernstige overpeinzing in staat ben. Ik geloof overigens niet dat je het horen wilt, want je hoofd staat er niet naar, je hebt wel wat anders te doen dan deze onsmakelijke kletspraat te beluisteren.
Wat ben je eigenlijk aan het doen? O, dat. (103)


Willen

‘Ik wou dat ik…’
‘Wat wil je?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Ik weet wel wat je wilt.’
‘Wat dan?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Maar hoe kan ik dan weten wat ik wil?’
‘En je zegt dat je het weet.’
‘Ja, maar ik ben vergeten wat ik wil.’
‘Ik weet het ook niet meer.’
‘Maar hoe moet ik dan verder?’
‘Het gaat niet verder, was dat maar waar.’ (115)


Leven

Hij vroeg naar mijn papieren. Ik zei dat ik geen papieren had. ‘Maar,’ was zijn verbaasde reactie, ‘u leeft toch?’ Ik wist niet wat ie bedoelde. ‘Ik bedoel,’ hernam hij, ‘als u leeft, hebt u toch papieren?’ Ik antwoordde dat ik dan waarschijnlijk niet in leven was. ‘O,’ zei hij, ‘ik dacht dat u leefde, neemt u mij niet kwalijk.’ Ik verzekerde hem dat ik hem niets kwalijk nam, dat vergissen heel menselijk was en ik drukte hem nogmaals op het hart dat ik me niet in het land der levenden bevond. We gaven elkaar een hand en namen afscheid. (117)


Gehijg

In de verte vindt het plaats: geschiet en geschreeuw, branden en gejammer. Soms komt het nader, speelt het zich vlak voor m’n neus af, gevloek en gehijg. Slachtoffers.
Dolende mensen? Ze zijn op zoek, maar ze weten niet waarnaar. Eerst met elkaar vechten, dan zien ze later wel waarnaar ze zoeken. Of niet. Of wel.
Voor mij strekt zich een onafzienbare vlakte uit, aan de horizon beginnen de bossen, maar daar kan ik niets aan doen, je moet me niet overal de schuld van geven.
Het gebeurt. (124)


De stelregel

Ik zou zo graag zeggen hoe mijn stelregel luidt, maar dat lukt me niet, het lukt me niet. Laatst kwam ik ‘m tegen, de stelregel, waarvan ik dacht dat het de mijne was, en ik sprak ‘m aan, maar hij liep door, hij wilde niets van me weten, dus ik heb nog steeds geen stelregel. Iedereen heeft een stelregel, of een leidraad of een maatstaf, en ik niet, en het ziet ernaar uit dat ik er nooit een zal krijgen. Zouden ze aan me merken dat ik iemand zonder zoiets ben? Ik hoop van niet, want als ze het merken worden je handen afgehakt en daar schiet je ook niets mee op. Weet je wat, ik doe net alsof ik er een heb, dan merken ze niks. Slim van mij, hè? (141)


Meteen

Waar ga je heen? Waar of je heengaat. Geef je geen antwoord? Ik zou wel es willen weten waarom niet. O, je bent er niet. Zeg dat dan meteen. (148)


Uit Soms, Armando, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2007:


De troepen

De bediende meldde dat er iemand was die mij wilde spreken. Laat ‘m maar binnenkomen.
‘Waar kan ik u mee van dienst zijn?’
‘Nou, dat ze in aantocht zijn.’
‘Wie zijn “ze”, wie zijn in aantocht.’
‘Ja, de troepen.’
‘Welke troepen.’
Ik kreeg geen antwoord, want de persoon in kwestie was verdwenen. En hoe ik mijn hersens ook pijnigde, ik wist niet welke troepen bedoeld werden. Ik ben ervan overtuigd dat er troepen in aantocht zijn, wanneer dan ook, maar welke troepen, dat is de vraag.
Het staat nog niet geheel vast dat ik weerstand bied omdat ik mij verdedig of dat ik mij niet verzet omdat ik geen last wil veroorzaken. Daar kan ik geen mededelingen over doen. Zodra de troepen er zijn zal ik het zeggen, dat beloof ik. Voorlopig blijf ik hier wonen. (5)


Standvastig

Men weet niet veel over de rotsen, maar men neemt aan dat ze van steen zijn. Als de lichtval gunstig is stelt men vast dat ze een eenheid vormen met hun blauwe en groene omgeving. In de verte rijzen de rotsen op, dichtbij trouwens ook. Ze geven hun geheim niet prijs. Hebben ze een geheim? Ze zien eruit alsof ze geheimen hebben en daar heb je maar rekening mee te houden.
Nog meer over rotsen. Ze zijn standvastig, onverschrokken en opblaasbaar. Ja, opblaasbaar. Soms worden ze namelijk opgeblazen, omdat de mensen dwars door ze heen willen lopen. De rotsen laten het oogluikend toe.
Rotsen zijn kalm en waardig. Ze hebben nooit kiespijn of iets dergelijks. Men denkt zelfs dat ze geen gevoelens hebben, maar dat is tot nu toe niet bewezen. In ieder geval moeten ze niet onderschat worden.
Rotsen zijn hardvochtig. Wist je dat? Maar ze gedragen zich doorgaans rechtschapen. In ieder geval zijn ze, en dat weet men zeker, niet lichtzinnig, verre van dat.
Met deze woorden eindig ik voorlopig mijn schamele onderzoek van het rotsgebergte en wat dies meer zij. (10)


Een vraag

Hij doolde rond, af en toe ontmoette hij iemand en die sprak hij aan.
‘Gaat u wel eens als een razende tekeer?’ vroeg hij dan.
‘Nooit’, luidde het antwoord.
”t Is maar een vraag.’
‘Daar heb ik alle begrip voor.’
‘Hij vroeg het aan iedereen en hij kreeg hetzelfde antwoord. Tot hij iemand trof die iets anders zei. Hij vroeg:
‘Gaat u wel eens als een razende tekeer.’
‘Ja,’ was het antwoord, ‘nu bijvoorbeeld, sodemieter op met je stomme vragen.’
Zie je wel, dacht de vragensteller, het is een stomme vraag, had ik ‘m maar niet gesteld, ik heb er nu al spijt van.
‘Moet je een ram voor je kop hebben?’ vroeg de gevraagde nog.
‘Nee,’ zei de vragensteller, ‘liever niet.’
‘Nou, waarom stel je dan zulke vragen, eikel.’
Ja, dacht hij, waarom eigenlijk, dat zou ik ook wel eens willen weten.
Hij doold verder, voorlopig zonder vragen. (15)


De engel

Er verscheen een bovenaards licht en een engel gaf hem met heldere stem een opdracht.
Juist, een opdracht.
Hij ging aan het werk.
Toen hij doende was dacht hij plotseling: ja, ze hebben gemakkelijk praten, een opdracht van een engel nota bene, da’s niet mis, maar wat betekent die opdracht, wat moet ik eigenlijk doen. Hij keek vertwijfeld om zich heen, hij vroeg het aan deze en gene, maar niemand wist iets, niemand wist een oplossing. Ja, een van hen zei: als ik jou was zou ik het nog es vragen. Dat zou hij doen.
Maar wat moest hij doen als de engel met de heldere stem niet meer verscheen, laat staan het bovenaardse licht.
Er bleef hem niets anders over dan wachten, wachten op de stem van de engel. En hij wacht nog steeds. In geen velden of wegen een engel te zien. Hij wacht. Hoe lang nog. (23)


Ver

Wat gebeurt er in de verte. Niet alleen de bomen hebben beslag gelegd op de verte, ook de rotsen, het struikgewas, de weilanden, de bergen, de rivieren. En de horizon probeert het een en ander bij elkaar te houden. Als de wind het wil kan men de horizon horen mopperen.
Hoe ver is de verte. Waar ligt de verte. Waar liggen de grenzen. Waar begint de verte, waar eindigt ie. De verte ligt dwars. De verte zwijgt. De verte wenkt.
In de verte zijn mensen. Ze doen en ze laten. Wat doen ze daar, wat laten ze daar: men zal het nooit te weten komen.
En eenmaal in de verte aangekomen, dan verbaast men zich: achter de verte blijkt weer een verte te liggen. De verte is ver weg. (45)


Leven

‘Het lijkt wel of ik leef.’
‘Hoe weet u dat?’
‘Nou, ik haal adem.’
‘Dat zegt niks’
‘En ik beweeg’
‘Beweegt u, zegt u?’
‘Ja, vaak.’
‘U haalt adem en u beweegt: het ziet er naar uit dat u leeft inderdaad.’
‘Maar wat moet ik dan in hemelsnaam doen.’
‘Verder leven, d’r zit niets anders op.’
‘Ja, maar dat wil ik waarschijnlijk niet.’
‘U moet.’
‘Van wie.’
‘Dat weet ik niet, u moet.’
‘En als ik leef, leef ik dan?’
‘Buigt u es naar rechts. Ja. Ik zie het al: u leeft.’
‘O, ik was even bang dat ik niet leefde.’
‘U leeft.’
‘Voorwaar, een opluchting.’
(51)


Een schurk

Hij sprong van de wagen af en riep mij bij zich. ‘Hoe moeten we verder?’ vroeg de wagenmenner.
‘Rechtuit, voorlopig rechtuit.’
Hij liep weer naar z’n wagen, maar hij keerde zich plotseling om.
‘Wie ben je eigenlijk dat je het zo goed weet,’ merkte hij op.
‘Ik ben uw gids,’ zei ik naar waarheid, ‘ik ben door enkele heren, ook door u, aangenomen, weet u dat niet meer.’
‘Nee, dat weet ik niet meer, dat is mij ontschoten.’
”t Is toch echt waar,’ zei ik, ‘want daarom vroeg u aan mij hoe we verder moesten.’
‘Vroeg ik dat?’
‘Ik geloof van wel,’ ik begon ook te aarzelen, ‘ik meen dat u het was die me vroeg hoe u verder moest rijden.’
‘In dat geval,’ zei hij, moet ik m’n licht opsteken bij de andere heren. Wacht u even?’
‘Heren,’ riep hij naar de wagen, waar de anderen hun middagdutje deden, ‘heren, wordt es wakker, heb ik deze man naar de weg gevraagd?’
‘Wij weten zeker dat u het niet gevraagd hebt’, zeiden ze eensluidend.
‘Ziet u wel,’ zei de wagenmenner, ‘de heren weten ook van niks.’
Ik reed zonder een woord te zeggen weg, ik was gekwetst. Wat verbeeldde hij zich wel. En ze hadden nota bene mij als gids gehuurd, of hadden ze dat niet. Het had er nu alle schijn van dat ik een of andere schurkenstreek wilde uithalen. Ja, je weet het nooit met mij, ik ben tot alles in staat, dat is nou juist het vervelende. (55)


Staan

Ze staan. Ze drentelen soms. Af en toe praten ze wat met elkaar. Ze staan.
Ze wachten. Waarop wachten ze. Op wie. Op niets en niemand. Ze wachten.
’s Avonds gaan ze naar huis om te slapen. En de volgende morgen staan ze er weer. En als het regent schuilen ze.
Ze wachten tot er iets gebeurt, maar ze weten ook dat er niets gebeurt.
Ze worden oud en iemand komt ze halen. Ze gaan dood. (62)


Luisteren

‘Nou moet u es goed naar me luisteren.’ Hij tikte op m’n trui.

‘Ik ben een en al oor’, zei ik.

‘Luistert u werkelijk?’

‘Ja.’

‘Luistert u nog steeds?’

‘Natuurlijk.’

‘Welnu…’

Hij zweeg lang. Toen zei ik ten einde raad: ‘Ik ben benieuwd of u het verder weet.’
‘Verder weet ik het niet.’
‘Dan luister ik niet meer.’
‘Nee, luistert u maar niet meer’, zei hij. (64)


Het antwoord

Mij kwam ter ore dat men zich afvroeg waar de klepel hing, dat vraagt men zich nog steeds af. Welnu, daar heb ik een antwoord op: je moet je gewoon niet afvragen waar de klepel hangt, want de klepel hangt niet, dus heeft het ook geen zin om te vragen waar de klepel hangt.
Vroeg jij niet naar de klepel? Niet? Jij was het niet die naar de klepel vroeg? Dan heb ik mij vergist. Wie was het dan die naar de klepel vroeg. O, die.
Nou, zeg maar dat niemand iets over welke klepel dan ook te vertellen heeft. Ik heb nog nagevraagd of men weet had van een zekere klepel, maar de klepel werd met name hardnekkig ontkend. Nee, er is geen enkele reden om aan te nemen dat er een klepel bestaat en zeker niet dat ie ergens hangt. Nee hoor, die hangt allang niet meer. Dat zou ie wel willen. Ik ken de klepel door en door, dus ik weet wat ie wil.
‘Hé, wacht es even, nu zeg je dat je de klepel goed kent en net zei je dat de klepel niet bestaat.’
‘Zei ik dat? Zei ik dat werkelijk? Je moet niet alles geloven wat ik zeg. Ik ben niet geheel toerekeningsvatbaar.’ (73)


Warboel

Natuurlijk heb ik me steeds verdiept in ’s mensens ongerijmdheden en liefhebberijen, hun geschriften en hun beweegredenen, wat dacht je dan, wat moet ik anders doen. Maar ik kan er nog steeds geen touw aan vastknopen. Ik begrijp er niets van, en dat is, denk ik, nou juist de bedoeling. Het valt niet te begrijpen. En dan kun je wel een systeem ontwikkelen en jezelf wijsmaken dat je alles onder één noemer gebracht hebt: maak jezelf niets wijs, beken het maar eerlijk, rondom heerst een grote warboel. Gelukkig bestaan er nog raadsels, al denkt men van niet. Men stelt alles in het werk om de raadsels op te lossen, maar er blijven steeds raadselachtigheden in het leven.
Ik heb geschoven en geduwd, ik heb gedaan wat ik kon, wat ik bij machte was, ik heb het volk zelfs vanaf m’n balkon toegesproken, maar niemand luisterde. Niemand luisterde. (81)


Viool

Vorige week is mijn viool gestolen. Gelukkig maar, want ik speel toch nooit meer. Jammer dat ik nooit meer speel, jammer eigenlijk dat ie gestolen is. Hoe moet ik nu verder? Gelukkig maar. Jammer. (84)


Denken

‘Denkt u?’
‘Natuurlijk.’
‘O, maar dan hebben we hier met iets akeligs te maken, misschien zelfs met iets heel akeligs.
‘Denkt u dan nooit?’
‘Nee.’
‘Ik dacht van wel.’
‘Nou denkt u alweer.’
‘Neemt u mij niet kwalijk.’
‘Houdt u toch es op met dat verderfelijke denken.’
‘Ik doe mijn best, al valt het niet mee.’
‘Ik heb er zo’n hekel aan.’
‘Waaraan.’
‘Aan het denken in het algemeen.’
‘Laten we elkaar dan plechtig beloven dat we niet meer denken.’
‘We kunnen elkaar plechtig beloven om niet meer te denken, maar plotseling is er weer iets wat wij bedacht hebben.’
‘Voor men het weet is er weer iets wat wij bedacht hebben. Beroerd, hè.’
‘Zeer beroerd.’ (92)


Niets

‘Laatst, tijdens een lange wandeling, heb ik zo het een en ander gezien.’
‘Wat heeft u gezien?’
‘Dat doet er niet toe.’
‘O, doet dat er niet toe.’
‘Nee. Stelt u zich eens voor dat wij elkaar voortdurend zouden vertellen wat wij onderweg gezien hebben.’
‘Dat zou vreselijk zijn, vreselijk.’
‘Daarom vertel ik niets.’
‘Dat kan ik heel goed begrijpen.’
‘Niets.’
‘Niets?’
‘Niets.’ (100)


Een gebeurtenis

Zij die meenden een omwenteling teweeggebracht te hebben, keken met genoegen op die woelige tijd terug.
Met genoegen, maar ook een beetje zelfgenoegzaam, heel zelfgenoegzaam zelfs. Ze hadden er weinig reden toe: het was in veler ogen helemaal geen omwenteling. Ze denken nog steeds dat ze een omwenteling van heb-ik-jou-daar hebben veroorzaakt, maar dat hebben ze geenszins.
Ze zijn nu oud. Men kent hun namen niet meer, laat staan dat men weet heeft van de zogenaamde omwenteling. Waar het op neerkomt is dat er lang geleden een gebeurtenis heeft plaatsgevonden die geen gebeurtenis was, dat er dus niets gebeurd is.
Nou moet je es goed naar me luisteren: mogen die mensen misschien met genoegen en voor mijn part zelfgenoegzaam terugkijken op hun leven als opstandeling. Laat ze toch. Ze hebben al zo weinig om over na te denken.
Is het werkelijk zo? Zeg ik de waarheid? Welnee. Wat wil ik eigenlijk zeggen. (101)


Het bevel

Ik zuchtte. ‘Wat wordt er van mij verwacht?’
Je denkt zeker dat ik geen antwoord kreeg. Ik kreeg wel degelijk antwoord, ik werd zelfs van repliek gediend.
‘Je moet de grasmat verzorgen.’
‘Zei je de grasmat?’
‘Of iets anders, ik weet niet meer wat ik zei.’
Ik zuchtte weer. ‘Er wordt iets van mij verwacht.’
Het antwoord was ditmaal: ‘Maar wat er verwacht wordt is nog onbekend.’
‘Wordt er iets van mij of van ons verwacht’, vroeg ik.
‘Van ons, denk ik.’
‘Er wordt in ieder geval verwacht dat we ons best doen’, vond ik.
‘Doe het dan.’ Het klonk als een bevel.
Ik dacht na en kwam met het volgende voorstel: ‘Laten we in de rij lopen.’
De ander was het daar na enig aarzelen mee eens en we gingen in de rij lopen. We zijn aan de horizon verdwenen en ze hebben ons nooit meer teruggezien.
Wat was ons doel? Volgden wij een bevel op? (102)


Een booswicht

Als soldaat had hij z’n tegenstanders levend en staand begraven, met hun hoofd boven het zand, en hij had tegen hun hoofden getrapt.
Nee, dat kan niet waar zijn, zei z’n dochter, nee, dat doet en deed m’n lieve vader niet, hij heeft mij als kind nooit geslagen, nooit, nee, dat moet een vergissing zijn.
Het was geen vergissing, hij was degene die de daad begaan had. Natuurlijk was hij geen booswicht, hij was gewoon iemand, meer niet. En dat wil wat zeggen. Het wordt tijd dat hij in dekking gaat. (110)


Het tafeltje

Zo. Ik haalde een tafeltje tevoorschijn en zei trots: ‘Dat heb ik zelf gemaakt.’
‘Mooi’, antwoordde mijn kamergenoot.
‘En dat niet alleen, ik heb ook nog…’
Hij viel me in de rede. ‘Ga nou niet opnoemen wat je allemaal zelf gemaakt hebt, dat heb je al gedaan.’
‘Wat heb ik al gedaan.’
‘Opsommen wat je zelf gemaakt hebt. Bovendien is het niet waar.’
‘Wat is niet waar.’
‘Dat je het zelf gemaakt hebt, het is door anderen gemaakt, lang geleden.’
‘Wat gek, ik zou zo zweren dat ik het zelf gemaakt heb’, zei ik.
‘Nee, het is door anderen gemaakt.’
Misschien had ie wel gelijk. Of ik, dat kan ook. (112)


Misschien

Er werd weer aan mijn deur geklopt, ik hoorde iemand vragen: ‘Ben je daar?’
Mijn antwoord loog er niet om, ik antwoordde: ‘Misschien.’
‘Misschien?’
‘Ja, misschien, omdat ik het zelf niet weet of ik er ben.’
‘O.’
‘Als ik tijd heb zal ik proberen er achter te komen of ik er ben.’
Het was even stil. Toen vroeg hij: ‘Hoe lang kan dat duren, hoeveel tijd neemt het in beslag voordat je te weten komt of je er bent of niet?’
‘Hoe lang dat duurt? O, dat kan jaren duren.’
‘Dat is langer dan ik dacht.’
‘Er komt ooit het moment dat ik er zeker van ben dat ik er niet ben, omdat ik er niet meer ben.’
‘In dat geval wacht ik tot je de zekerheid hebt dat je er niet meer bent.’
Hij heeft sindsdien niet meer aan m’n deur geklopt. (115)


Daar

Zet dat daar maar neer. Of daar. Nee, daar. Goed. Nu nog het belangrijkste. Wat is eigenlijk het belangrijkste. Weet je dat niet? Hoe moet ik het dan weten. (117)


Boeken

Hij zat op de grond in zijn boeken te bladeren, zijn benen naar voren, z’n rug recht. Dat deed hij uren- en urenlang: op het tapijt voor z’n boekenkast. Af en toe haalde hij een fraai gebonden exemplaar tevoorschijn, want hij liet ze stuk voor stuk opnieuw inbinden met opvallende letters op de omslag, en hij keek er met bewondering naar. Hij sprak niet. Hij genoot. Dat deed hij alleen op zondag, want hij moest alle dagen werken, uiteraard ook op zaterdag. En hij droomde bij z’n boeken: o, als hij ooit had mogen studeren, dat zou hij nu een geleerde zijn.
Toen hij dood was, want hij ging dood, werden z’n boeken zo gauw mogelijk verkocht. Zo, dat was dat. (118)


Waarheen

Hij sloop langs het jaagpad. Het vervelende was dat hij altijd sloop. Ineens stond hij voor m’n neus. Ik schrok op.
‘Gaan we,’ vroeg hij.
‘Waarheen,’ was mijn wedervraag. Ik wilde tijd rekken.
‘Dat weet ik niet,’ zei hij.
‘Natuurlijk weet je het niet, ik geef toe dat ik een domme vraag stel.’
‘Juist,’ antwoordde hij, ‘je moet niet altijd vragen stellen.’
‘Daar heb je volkomen gelijk in.’
We gingen samen op pad. Waar we heen gingen weet ik dus niet. Zodra ik het weet zal ik het zeggen. (119)


Bedelen

Op het plein liep een vrouw die bedelde. Ze was klein en dun, men sprak van ‘een vrouwtje’. Iedereen vroeg ze hetzelfde: ‘Heeft u een kwartje voor mijn.’ Ze kreeg niet altijd wat ze wilde, maar soms gaf iemand een kwartje, waarop zij zei: ‘dank u wel, krijg de klere.’
Ik kon het daar wel mee eens zijn, wat zij zei strookte met mijn geloofsovertuiging.
Zei ik dat van die geloofsovertuiging, was ik degene die het woord ‘geloofsovertuiging’ in de mond nam? Wat verbeeld ik me wel. (122)


U

‘Wie bent u eigenlijk?’
‘Bedoelt u mij?’
‘Ja.’
‘U bent de eerste die mij dat vraagt.’
‘Nou?’
‘Ik zou niet weten wie ik ben.’
‘U weet het niet?’
‘Nee. Wie bent u dan wel.’
‘Hè?’
‘U.’
‘Wie ik ben?’
‘Ja.’
‘Waarom vraagt u mij dat?’
‘Daarom.’
‘O, daarom.’
‘Maar ik weet nog steeds niet wie u bent.’
‘U denkt toch niet dat ik weet wie ik ben.’
‘Nee, dat denkt ik niet.’
‘Nou dan.’ (129)


Innerlijk

‘Het regent.’
‘Nee, de zon schijnt, het regent niet.’
‘Volgens mij regende het.’
‘Nee, de zon schijnt.’
‘Ik denkt dat het mijn innerlijk is dat steeds regent, dat steeds regen ziet.’
‘Spreekt u over een innerlijk?’
‘Ja, zelfs een innerlijk wezen.’
‘Gadverdamme, een innerlijk wezen, dat heb ik allang niet meer.’
‘Gaan zielenroerselen vanzelf weg?’
‘Meestal wel.’
‘Geneest dat als je ouder wordt?’
‘Niet altijd.’
‘Ik hoop dat het vergroeit.’
‘Dat moet u afwachten.’
‘Heeft het bij u lang geduurd?’
‘Niet zo lang, een jaar of wat, maar ik ben volkomen genezen, ik heb geen innerlijk meer, laat staan een innerlijk wezen.’
‘In dat geval hoop ik dat het ook bij mij overgaat.’
‘Dat hoop ik ook. Gadverdamme nog es aan toe.’ (133)


Schuldig

Ik heb net gelezen over mensen die men schuldig acht, maar die zichzelf, uiteraard zou ik haast zeggen, niet schuldig vinden. Natuurlijk, ze willen hun leven rekken. De vraag luidt: waarom willen ze hun leven rekken, waarom toch.
Zeg je ‘daarom’? Ja, daar zou je misschien wel es gelijk in kunnen hebben. (134)


De boodschap

Er kwam een vogel langsvliegen. Hij keek me even aan en zei: ‘Ik heb een boodschap voor je.’
‘Wat voor boodschap’, vroeg ik.
‘Een boodschap’, antwoordde hij.
‘Wat houdt die boodschap dan in’, hield ik vol.
‘Die boodschap houdt niks in, ik heb een boodschap voor je’, zei de vogel.
‘Een boodschap gaat toch ergens over, bijvoorbeeld dat ik daar en daar moet komen, of dat er dan en dan een vergadering is waar ik bij moet zijn, of dat ik binnenkort doodga, ik noem maar wat.’
‘Het kan me niet schelen wat je zegt, ik heb een boodschap voor je’, herhaalde de vogel en vloog weg.
Wat bedoelt hij nou met ‘een boodschap’. Ik begreep de vogel niet. (137)


Uit Gedoe, Armando, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2006:


Ik

Waar bevond ik mij. Ik was in een hotel en ik sliep.
Plotseling werd er op de deur geklopt. ik wilde het eerst niet geloven, ik dacht dat ik het in m’n droom hoorde, maar er werd nog eens geklopt. Ik riep: ‘Wie is daar.’ ‘Ik’, was het antwoord.
Ik stond op en keek op mijn uurwerk, het was middernacht. Ik trok enige kledingstukken aan en opende de deur. Er was niemand.
Misnoegd ging ik in m’n bed liggen.
Even later werd er weer geklopt, en weer was het antwoord: ‘Ik.’ Ik keek, wederom was er niemand.
Dat herhaalde zich vele malen, ik deed geen oog meer dicht.
De volgende ochtend noemde ik m’n naam, betaalde de rekening en verdween. Waar ging ik heen? (7)


Onrust

Rustig? Rustig? Natuurlijk ben ik niet rustig. Ik ben onrustig, dat weet je toch. Wat blijft me anders over dan onrustig te zijn, ik moet toch schilderijen maken en boeken schrijven.
Beroepshalve is het voor mij een noodzaak om onrustig te zijn. Dus rustig ben ik nooit, mag ik niet zijn.
Maar er is één belangrijk ding: ik ben rustig onrustig. Mijn onrust gaat niet met me op de loop.
Zo sprak iemand die schilderijen maakte en boeken schreef. Ik wist niet wat ik hoorde. (11)


Brandlucht

Wat kom je doen, joh. Heb je iets verkocht? Niet? Het tafelzilver ook niet? Dat stelt me teleur.
Als je wilt kun je je benen laten bengelen. Ga in ieder geval zitten. Zo. Steek maar van wal.
Hé, ik ruik brandlucht. Speelt het zich binnen of buiten af. Binnen, geloof ik. Dat zullen ze wel gauw geblust hebben. Men heeft het al geblust. Des te beter.
Vertel verder. O, je hebt niets te vertellen. O. Hou dan je mond maar. Ik ga ondertussen wat zitten mijmeren, tenminste als het jouw goedkeuring wegdraagt.
Ik heb geen mening, dus ik vind dan es dit en dan es dat, ik vind van alles door elkaar, waarschijnlijk ben ik niet goed bij m’n hoofd, over een tijdje weet ik meer. (12)


Kinderen

De ouders werden verzameld, en toen ze allen bijeenstonden, werden hun kinderen tevoorschijn gehaald en voor hun ogen doodgeschoten. Dat was dat.
Natuurlijk heeft bovenstaand gebeuren plaatsgevonden, en het vindt nog steeds plaats. Jij hebt liever dat het niet gebeurd is, nu, dan is het niet gebeurd. Ik zal er niet meer over spreken. Dat wil je toch? (13)


Verbazing

Ik bevond mij op een onbekende planeet. Ze waren daar tot mijn grote verbazing bezig met het begin van wat op een schepping leek. Dus ook deze planeet zou binnenkort bevolkt zijn met levende wezens: schepelingen, sprookjesvertellers en andere schimmen. Je begrijpt dat ik er maar kort was. Allemachtig, wat een gedoe, waar beginnen ze aan. (14)


Gauw

Hij was nooit te bereiken. Dan had ie nascholing, dan was hij in staking, dan had ie een vergadering over de wereld die omvergeworpen moest worden; hoe vaak ik hem ook belde, er was altijd wat, op die manier was er geen lol meer aan.
Zijn secretaresse deelde me op een dag mee dat hij met mij spreken wilde. Ik was bijna vergeten wat ik vragen wou. ‘Eh, hoe staat het met de wereld?’ begon ik.
‘Hoezo’, vroeg hij. Intussen spoedde zich een zwaan van hier naar daar.
‘Nou, met de omverwerping van deze verfoeide wereld.’
‘O dat. Ja, die zal binnenkort omvergeworpen worden, zeer binnenkort zelfs, ja hoor.’
‘Wanneer zal dat plaatsvinden?’
‘Zeer binnenkort, dat zei ik al, laten we zeggen binnen een week.’
‘Binnen een week?’ vroeg ik verbaasd. Ik had niet gedacht dat het zo gauw zou gebeuren.
‘Ja, persoonlijk denk ik dat de omverwerping binnen enkele dagen zal plaatsvinden.’
‘Dat is inderdaad heel snel.’
‘Ja, we vergaderen en vergaderen, maar er zijn nog steeds meningsverschillen en misverstanden, maar die worden opgelost, dat beloof ik je.’
Dit gesprek is van jaren terug, ik heb sindsdien niets meer van hem vernomen. De omverwerping laat op zich wachten. (22)


Medelijden

Wat dacht zij. Ik kon geen wijs uit haar worden. Dacht zij aan iets onbeduidends, was zij overmand, zoals ik, door een wirwar van gedachten en gevoelens. Ik had plotseling medelijden met haar, ondanks dat ze een mens was, een mens met alle onvolkomenheden van dien. Ik had medelijden met haar, mede omdat ik zag dat zij haar best deed en ik besloot haar als ze terugkwam, hartelijk te verwelkomen, en misschien te omhelzen.
Ik geloof dat je nieuwsgierig bent hoe het afgelopen is. Welnu, ze kwam niet terug.


Niks

Ik had net m’n schrijfgerei ter hand genomen toen er gescheld werd. Ik opende de deur en vroeg wat of ie wilde.
‘Niks’, zei de bezoeker.
Ik was sprakeloos.
‘Dat is het toppunt,’ antwoordde ik ten slotte, ‘u gelooft toch niet dat ik niets te doen heb, dat kan toch niet waar zijn, ik wilde net beginnen met…’
‘Windt u zich niet op,’ onderbrak hij, ‘in plaats van boos te worden moet u blij zijn dat ik niks mee te delen heb, eindelijk es iemand die niks mee te delen heeft. Natuurlijk heb ik het een en ander mee te delen, maar dat doe ik niet, ik deel u niks mede.’
‘Nou ja, dan deelt u maar niks mede, u wilt dat met alle geweld, welnu, dan heeft u dat nu gedaan’, was mijn antwoord.
‘Eigenlijk wel,’ zei de bezoeker, ‘wilt u daarmee zeggen dat ik nu kan gaan?’
‘Ja, u kunt gaan.’
Hij keek mij even doordringend aan en maakte zich toen uit de voeten. Ik nam mijn schrijfgerei niet nogmaals ter hand, ik had geen zin meer. Vreemd. (35)


Stuurloos

Nadat we enige dansen ten beste hadden gegeven kregen we behalve bijval ook versnaperingen.
Ik zal die avond nooit vergeten, want na afloop van de voorstelling was ik de evenaar kwijt, tenminste dat dacht ik. Anderen vroegen mij of ik iets verloren had. Ze waren een en al medeleven dus ik antwoordde naar waarheid dat ik de evenaar kwijt was. Ze schrokken.
‘Dat kan niet’, zeiden ze.
‘Waarom niet’, antwoordde ik.
‘De evenaar uit het oog verliezen is onmogelijk.’
‘Ja, maar ik ben stuurloos, stuurloos zwalk ik over de wereldzeeën.’
Weet je wat het antwoord was? ‘Stuurloos zijn we allemaal. Jij bent heus niet de enige, denk dat maar niet.’
‘O, dan ben ik gerustgesteld’, verzuchtte ik. (56)


Niemand

Wanneer kom je weer. Of moet ik dat niet vragen.
Ik weet nooit of ik iets vragen mag, je bent zo in jezelf gekeerd.
Ik vat moed en ik stel de vraag hardop: wanneer kom je weer. Geen antwoord. Ik stel de vraag nog eens. Weer geen antwoord.
Ik kijk es goed en wat zie ik: er is niemand die mij antwoord geven kan, er is niemand. Gek, ik zou zweren dat er iemand was, er blijkt niemand te zijn.
Nou, dan maar niemand. Ook goed. (71)


Werken

Men prees hem, men verafgoodde hem. En hij? Hij deed wat men van hem verlangde, hij deed zelfs datgene wat hij van zichzelf verlangde, dus was er niets te mopperen. Dat deed hij ook niet, hij mopperde niet. Ik heb hem gadegeslagen, hij mopperde niet.
Wat deed hij dan wel. Hij werkte. Hij werkte. Door veel te werken kwamen de ingevingen vanzelf, en zonder ingevingen was weinig mogelijk, dat had hij allang in de gaten.
Waarom werkte ie eigenlijk. Ik weet het niet. Weer iets dat ik niet weet. Ik weet eigenlijk nooit iets, merk je dat? (75)


Paddestoelen

Ik zag hem vaak scharrelen tussen het gebladerte en de witte klaver. Wat deed ie daar toch. Later bleek dat ie paddestoelen zocht. Stom, want in dit seizoen groeiden er geen paddestoelen. Dat kon hem niet deren, als hij maar het een en ander omhanden had. En dat had ie: uren- en urenlang zocht hij zonder iets te vinden. En hij wist ook dat hij niets zou vinden, hij was daar vreemd genoeg van op de hoogte.
Wat waren in hemelsnaam z’n beweegredenen. Waarom deed ie het. Weet ik het. Moet je mij nodig vragen. Omdat ie was zoals ie was: dat lijkt mij het enige juiste antwoord. (85)


Op zoek

Bij het schaarse licht van een olielamp begon ik het boek te lezen. Ik was verbaasd. Men had mij erop gewezen dat in genoemd boek datgene stond waarnaar ik op zoek was. Maar waar stond dat dan.
Ik las en herlas, maar ik vond niet wat ik zocht.
Later ontmoette ik mensen die het boek prezen en ze zeiden dat het iets voor mij was. Ik las het opnieuw, ik vond nog steeds niets.
Weet je wat ik me uiteindelijk afvroeg? Naar wat ik op zoek was. Meer vroeg ik me niet af.
Ik vroeg me eigenlijk nooit meer iets af. (91)


Hoeveel

Ik hoop dat het langzaam tot je doordringt: het komt op de hoeveelheid aan. Welke hoeveelheid heb je nodig, daar gaat het om.
Hoeveel licht, hoeveel duisternis.
Vraag ik te veel?
Nee. Destijds tastten we in het duister, maar nu menen we het te weten: wij mensen kiezen voor het licht.
En de duisternis dan? Wat is het licht zonder de duisternis? Niet veel. Genoeg? Nee, niet genoeg.
Hebben wij mensen er eigenlijk wel weet van? Ik denk van niet. Licht en duisternis: wie houdt zich daar nog mee bezig. Bestaan ze wel?
Mij moet je zulke dingen niet vragen. Ik ben waarschijnlijk geen mens. Wat of ik dan wel ben? Ik hou me niet bezig met onbenulligheden. (119)


Uit Het wel en wee, Armando, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2005:


De brug

Ik sta aan de oever van een grote rivier. Naast mij verheft zich de gietijzeren brug, die het verkeer over de rivier draagt. Op de heuvels aan de overkant staan barse bolwerken, verder ziet men, waar men ook kijkt, huizen en men hoort gedruis.
Mensen, wat zijn dat voor lui.
Verderop ligt een bootje. Een bootje met plankjes en spijkers, een touw en meer van die kleinigheden, en alles is door mensen bedacht en gemaakt. Er stapt iemand, een mens dus, in het bootje. Hij verlegt iets, hij staart en stapt weer uit.
Mensen, wat zijn dat voor lui, wat doen ze toch, wat voeren ze in hun schild. Volgens mij zitten ze vol streken. (5)


De zandbak

We staan hier voor een zogenaamde zandbak. Tegenwoordig heeft een zandbak een betonnen rand, vroeger had een zandbak een houten rand.
De zandbak is een bak met zand, een zandbak is voor kinderen om in te spelen. Wat ze met zand moeten doen, is me een raadsel. Ja, vormpjes bakken. Dat vond ik als kleuter al kinderachtig gedoe. In deze zandbak is dan ook geen kind te bespeuren.
In de zandbak spelen twee jonge honden met een mensensok. Zou dat een bedoeling hebben, een diepere zin?
Zie je, de mensen vragen zich zoiets af. Honden niet. Die spelen met een sok. Mensen zoeken overal een bedoeling achter, een diepere zin. Ze vinden altijd een zin achter het verschijnsel, ook als die er niet is. Er moet een zin zijn. Samengevat: leve de zin, ook als die er niet is. (7)


Levend

Ik zit op een stoel en kijk naar buiten, ik zie de mensen voorbijgaan. Ze gaan naar links en ze gaan naar rechts. Ze gaan nergens naartoe, ze zijn onderweg, ze gaan nergens heen. Van niemand weet ik iets. Ik heb geen idee waar ze vandaan komen en waar ze heen gaan. Ik weet niets van hun verleden en van hun toekomst weet ik ook niets. Toch gaan ze voorbij. Ze zijn levend. Ze maken de indruk dat ze leven. Ze bewegen. Ik weet niet wat ik met ze aan moet. Het is zeker dat men over elke persoon een boek zou kunnen schrijven. Ik ben blij dat ik geen schrijver ben. Ik zou me geen raad weten. (25)


Mooi

Mensen hebben van alles en nog wat bedacht en verzonnen. Een voorbeeld dat ik met eigen ogen gezien heb: ze legden stenen op de aarde en daar gingen ze dan heel hard overheen rijden, in voertuigen die er oorspronkelijk niet waren, maar die ze eigenhandig bedacht hebben.
Vreemd genoeg hebben ze van het begin af aan ook dingen gemaakt die geen enkel nut hebben, waar niemand behoefte aan had. Ze maken die dingen zomaar, omdat ze het zelf nodig vinden om ze te maken, ja, omdat ze het niet kunnen laten: kunst bijvoorbeeld. Zo noemen ze dat: kunst.
Kunst wordt gemaakt door kunstenaars. Soms is kunst mooi. Toch hebben kunstenaars ook gedachtegangen, met alle gevaren van dien. Heel eigenaardig.
Dieren maken geen kunst. (26)


Ten einde raad

Ik hoor iemand het volgende zeggen: ‘Er is nog meer als je wilt want dat is het enige dat ik te berde kan brengen.’
Ik snapte er niets van, maar ik vond het een mooi gezegde. Als ik moeite doe, zou ik er iets bij kunnen verzinnen, maar dat wil ik niet, waarschijnlijk vind ik de zin mooier als ik ‘m niet begrijp. Nee, ik laat het maar zo.
Nog zo’n mooie zin. ‘Nou, dan weet ik het weer niet allemaal’, hoorde ik een vrouw uitroepen. Ik keek naar haar. Ze was ten einde raad. (39)


Dwang

De woorden ‘schuld’ en ‘onschuld’: ik heb ze dikwijls horen zeggen, maar ik had nooit veel vertrouwen in ze, ik had weinig belangstelling voor dit tweetal.
Maar ze werden zo vaak in de mond genomen dat ik er niet langer aan kon ontkomen. Ik moest aannemen dat ze bestonden, dat ze iets te betekenen hebben. Maar ik deed het min of meer onder dwang, met enige weerzin zelfs. Ook omdat ik eigenlijk geen verstand had van zulke woorden. (48)


Groeisel

Het leven heeft geen enkele zin en dat is nou juist het mooie, maar dat weet de mens niet, of hij wil het niet weten. Of hij laat zich een zin aanpraten en daar is ie dan tevreden mee.
Maar o wee als de mens ontdekt dat het leven geen zin heeft: hij zit in zak en as, hij is vertwijfeld, wil zich zelfs van het leven beroven.
Ik heb me van jongs af aan afgevraagd waarom. Waarom moet het leven toch een zin hebben? Maar het gaat er niet om wat ik ervan vind, het gaat erom wat de mensen ervan vinden en die hebben het daar moeilijk mee.
Juist het vertwijfeld naar een zin zoeken, maakt de mens gevaarlijk. Want als hij zichzelf wijsmaakt dat ie een zin gevonden heeft, is hij of zij in staat om andere mensen die niet zo denken om te brengen en dat doet ie dan ook, dat heeft ie altijd gedaan en hij zal het blijven doen, zo luiden nou eenmaal de voorschriften.
Soms lijkt de mens sprekend op een gevonden voorwerp. De mens is eigenlijk niet veel meer dan een groeisel in een wachtlokaal. (54)


De gevangene

Weet je wat het met jou is? Je bent een gevangene geweest, je was ooit een gevangene. Toch ben je al lang geleden bevrijd, maar dat is niet tot je doorgedrongen.
Ik heb het gevoel dat je je voor altijd een gevangene voelt. Maar ik zeg je: dat ben je niet meer.
Maar je voelt je nog steeds een gevangene? Zei je dat? Hoorde ik het goed? Nou, als je er zo over denkt dan ben je er een, dan ben je een gevangene en je zult altijd een gevangene blijven. Je bent en blijft een gevangene. Ik heb er verder niet mee van doen. (59)


Park

Men bevindt zich in een park.
O, park.
Men zit op een bank in het park. Men kijkt naar de grasvelden, het meertje en de dikke bomen. In de verte ziet men de huizen van de stad. Daar, in de huizen, worden en zijn ontelbare gesprekken gevoerd, daar wordt en is beraamd en beraadslaagd. Dag in, dag uit.
Waarover wordt en werd gesproken. Men heeft er geen weet van. Het is en blijft onbekend. (61)


Ik

Wie ben ik? Wie is degeen die ik mijn ik noem?
Ik weet het niet, ik heb er geen enkel benul van.
Als ik ernaar vraag stelt hij, mijn ik, mij voor raadsels, dus ik vraag er nooit naar. Nu even wel. Voor de anderen, niet voor mezelf. Op aanvraag.
Ik zeg dit: ik snap er niets van als ik erover nadenk, niets, en dat is de bedoeling.
Eerlijk gezegd, hij, mijn ik, interesseert me niet, hij interesseert me geen lor.
Hij doet maar en ik gehoorzaam. Ik heb niks te vertellen. De besluiten en de beslissingen neemt mijn ik, denk niet dat ik iets te zeggen heb. Hij gaat z’n gang maar. Ik ben tevreden over hem, over mijn ik, ik moet wel tevreden over hem zijn, maar wie is tevreden over hem? Mijn ik. Dus mijn ik is tevreden over mijn ik, heb je ooit. Het wordt ingewikkeld, zoals het hele leven.
Het heeft geen zin om erover na te denken. Maar toegegeven, het is wel geraffineerd om mij de mogelijkheid te schenken om na te denken over mijn ik. Ik doe het niet, ik weiger het, waarom zou ik. Ik stel er geen enkel belang in, geen enkel.
Ik zal een voorbeeld noemen: de lente. Ach, de lente en ik. Ik loop, bij wijze van spreken, voorop. Waarom? Daarom.
Nogmaals, ik vraag nooit naar het waarom. Ik heb mij verzoend met mijn ik, ik neem het gelaten en berustend in ontvangst. En dat is het, meer niet, al is het nog zo’n overweldigend gebeuren. Er blijft me niets anders over dan enigszins dankbaar te zijn.
‘Wat doe je?’
‘Ik doe niks. Het is mijn ik die doet.’
Dat is het enige juiste antwoord, maar ik zeg het nooit, om de doodeenvoudige reden dat het me nooit gevraagd wordt.
Bovendien spreekt niemand over ‘zijn ik’, men spreekt over ‘ik’. En dat doet men vaak en graag.
Wie vraagt mij rekenschap. Wie schetst mijn verbazing. Wie is er verantwoordelijk. (63)


Nieuw

Weer een nieuw iemand die zich aandient om wat te zeggen en hij zegt het nog hardop ook. Hij schreeuwt zelfs. Moet ik daar nou naar luisteren. Zo’n persoon heeft het ei waaruit hij komt, met z’n voetjes kapot gekrabd, hij kan nog niet eens goed op z’n beentjes staan, hij wankelt, hij valt om, maar hij kletst meteen de oren van m’n hoofd en hij eist van me dat ik naar ‘m luister. Het ergert me en ik heb geen zin om net te doen alsof ik ‘m ernstig neem. Hij heeft nog niet eens de tijd gehad om na te denken. Hij schettert z’n waarheden in m’n oren, terwijl ik weet dat hij z’n redenering over een jaar, misschien zelfs over een paar maanden, verwerpt of bijstelt. Dan heeft hij weer een andere denktrant.
Soms is het jammer dat men oren heeft. (81)


Oud

De vrouw was honderdnegentien.
Men vroeg haar wat haar geheim was, hoe wordt men zo oud, wat is het geheim. Het is de vraag die de medemens op de tong brandt. De vrouw antwoordde: vrolijk zijn en chocolaatjes eten.
Er was een man en die was ook over de honderd. Men had hem de vraag gesteld of hij, als ie zo terugkeek, iets in zijn leven had willen veranderen of hij het nu anders zou doen en zo ja, wat. Hij had ernstig nagedacht en kwam toen met z’n antwoord: als hij z’n leven mocht overdoen, zou hij z’n haar in een middenscheiding doen, geen scheiding meer opzij. (86)


Uit De haperende schepping, Armando, Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2003:


Donker

Het was nacht en het bleef nacht, de zon kwam niet op en ging niet onder. We zagen vaag dat er rechts van ons hoge bomen stonden van een onbekende soort, en aan onze linkerzijde was de zee. Wij, mijn metgezel en ik, hadden al gauw in de gaten dat we ons op een planeet bevonden, en die planeet kon niet anders dan de aarde zijn. We zagen een paal met een nummer erop, maar dat zei ons verder niet veel. Er was geen levend wezen te bekennen.
We meenden voortdurend stemmen te horen, maar dat waren geen stemmen, dat was gewoon het geluid van de golven, we lieten ons niet wijsmaken. Dagenlang liepen we zwijgend door, tot mijn metgezel een pleidooi voor het slachten der dieren hield, waarschijnlijk omdat ie honger had; hij vertelde dat vlees zo gezond was en dat het zo goed smaakte. Ik zei niet veel, ik wilde hem niet tegenspreken. Ten eerste omdat ie hoger in rang was, ten tweede, ja, waarom eigenlijk niet, ik vond vlees soms wel lekker, daar niet van, maar ik at het zelden, ik was meer een voorstander van vis.
Het bleef donker, er was geen eb en er was geen vloed.
Tussen de bomen moet een groot kwaad oog naar ons gekeken hebben, anders kan ik niet verklaren dat we eerst een tijdje op de rug te zien waren, en toen uit het oog verdwenen. Ik zou echt niet weten waar we gebleven zijn. (5)


Onheil

Men daast en daast, men zwaait het dansbeen, men daalt af in het heelal.
Men bezondigt zich. Men doet de was, men roept om hulp.
Men gaat tekeer, men raaskalt, men windt zich op.
Men treft maatregelen, men betreurt de doden, men slaat de handen ineen, men gaat langzaam ten onder.
Men spreekt opruiende taal, men bouwt bruggen en men hunkert.
Men verwacht onheil, men vreest ziekte en besmetting.
Men zucht en treurt, men hapt naar adem.
Men probeert te doorgronden, men hanteert het standrecht.
Men ontbloot het hoofd, men velt een oordeel.
Toch hoopt men altijd weer op een bloeiende boomgaard. (29)


Verleden

Er bestaan volkeren, meestal ver van ons vandaan, die geen enkel gevoel voor geschiedenis hebben, ze hebben alleen maar belangstelling voor wat er is, niet voor wat er was en ook niet voor wat er zal zijn. Gelukkig maar.
Historisch besef, het is een last. Leven met het besef dat er niet alleen is, maar ook was, is een last. De mens loopt door een straat of langs een huis en hij denkt: wat zou hier vroeger geweest zijn, wat zou hier vroeger gebeurd zijn, en de mens rust niet voor ie het weet. En als de mens het niet te weten kan komen, zakt ie machteloos in z’n stoel achterover. Mensen weten wat er is en tegelijkertijd willen ze weten wat er was. Heel vreemd. (33)


Tragisch

Men maakt plannen, men stippelt plannen uit, men organiseert, men beraamt, opdat het gaat zoals men wil. Men heeft geloof in de toekomst, men is goedsmoeds, en plotseling gebeurt er iets dat niemand verwacht had en dat alles verandert: een sterfgeval, een aanval van blinde woede, een gluiperige ziekte, een hagelbui, een vallende ster, een aardbeving, hoorngeschal, een omgevallen stoel, een kwalijke muggenbeet, gebeurtenissen waar mensen geen vat op hebben. Ziehier de tragische noot in de geschiedenis.
Het gebeurt, het is niet tegen te houden. Het is onafwendbaar en onontkoombaar. Het is onherroepelijk. Het is het noodlot, oftewel het wrede spel der schikgodinnen.
En dan kan jij wel staan blazen en rondbazuinen hoe het moet; als het lot toeslaat ben je nergens. (50)


Preken

Ik heb een groep eilandjes aan een verre kust bezocht en daar lagen de boekhandels vol met boeken over hoe men moest denken en handelen om in de hemel te komen. Het waren boeken met preken van plaatselijke predikanten. Stichtelijke boeken dus. En op de omslag stond het portret van de schrijver: een predikant, die kwaad keek. Het moeten dus woedende preken geweest zijn. Ik heb in zo’n boek gebladerd. Dreigende taal. Je moest dit en je moest dat en denk d’rom. Doe wat ik zeg, ik ben de enige die het weet.
Ik heb er nog altijd spijt van dat ik zo’n boek niet gekocht heb. Nu weet ik van niets. Ik dwaal, er is een dichte nevel om me heen. (65)


Onvast

Moet je maar es opletten: mensen zijn altijd op zoek gegaan naar wat ze noemden het volmaakte, het alomvattende, en dat schijnt een verdraaid moeilijke zoektocht te zijn. En hebben ze gezocht wat ze vonden? Ja en nee.
De mensen hebben altijd problemen gehad met de hen omringende werkelijkheid, met de veelheid der verschijnselen. Ze hebben systemen ontworpen waarin de werkelijkheid verklaard en begrepen kon worden. En als de werkelijkheid niet in het systeem paste, dan werd ie net zolang vervormd tot ie er alsnog in paste, zoals soms een lijk verbogen moet worden om in de kist te passen.
Als ik een mens was, zou ik nou juist het boeiende van de werkelijkheid vinden dat ie nergens in te passen is, dat ie niet te vatten is, niet vast te pakken. De meeste mensen vinden dat niet aangenaam. Ze willen een houvast, ze zoeken de zin van het geheel.
Dieren niet. Dieren worden geboren, ze leven een poosje, dan gaan ze dood. Dat vinden ze genoeg. Ze hebben maling aan beweegredenen en andere levensvragen.
Een krokodil bijvoorbeeld, een krokodil heeft heel veel vrije tijd, meer dan menig mens, maar als hij ligt te soezen, zal hij nooit aan het hiernamaals of wat dan ook denken. Nooit.
Ik denkt dat het zich als volgt heeft afgespeeld: de mens stond op om een mier dood te trappen, maar struikelde over een krokodil. De krokodil beet de mens een been af. Sindsdien is de mens onvast ter been. Begrijp je? (66)