Arthur Schopenhauer

‘Er is geen potscherf, ook al is ze nog zo waardeloos, die niet volledig is samengesteld uit louter onverklaarbare eigenschappen.’ Citaten van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860).

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Arthur Schopenhauer

Schopenhauer, Arthur


Uit De wereld als wil en voorstelling 1, Arthur Schopenhauer, 1997:


Geen zon en geen aarde

De wereld is mijn voorstelling – dit is een waarheid die voor elk levend en kennend wezen geldt, of schoon alleen de mens haar in het reflexieve, abstracte bewustzijn kan brengen; doet hij dit dan is bij hem het stadium van de filosofische bezinning ingetreden. Dan wordt het hem duidelijk en staat het voor hem vast, dat hij geen zon kent en geen aarde, maar altijd alleen maar een oog dat een zon ziet, een hand die een aarde voelt; dat de wereld om hem heen er alleen is als voorstelling, dat wil zeggen uitsluitend en alleen in relatie tot iets anders, namelijk iets dat voorstelt – en dat is hij zelf. (57)


Zelfs ons lichaam

We mogen dus alle gegeven objecten, zonder uitzondering, ja zelfs ons eigen lichaam … slechts als voorstelling beschouwen en ze alleen met de term voorstelling aanduiden. (59)


Het subject

Datgene wat alles kent en door niets gekend wordt, is het subject. Het is de drager van de wereld, de algemene, altijd veronderstelde voorwaarde van al wat verschijnt, van al wat object is; want alles wat bestaat, bestaat enkel voor het subject. (59)


Veelheid noch eenheid

Zoals alle objecten van de aanschouwing is het [lichaam] ingebed in de vormen van al het kennen, namelijk tijd en ruimte, waardoor er veelheid is. Maar het subject, het kennende en nooit gekende, ligt niet binnen die vormen, integendeel, het wordt altijd al door die vormen zelf vooropgesteld. Aan het subject komt dus geen veelheid toe noch het tegendeel ervan, namelijk eenheid. We kennen het nooit, maar het is nu juist datgene wat kent, in alle gevallen waarin sprake is van kennis. (60)


Materie

Want het verstand voegt ruimte en tijd samen tot de voorstelling van materie, dat wil zeggen van activiteit. Deze wereld als voorstelling bestaat slechts voor het verstand, zo goed als ze slechts door het verstand. (69)


Droom

“Wij hebben dromen; zou het hele leven wellicht een droom zijn?”, of preciezer geformuleerd: “Is er een onfeilbaar criterium dat bepaalt of iets een droom is of werkelijkheid, of iets een hersenschim is of een reëel object?” (74)


Door een slaap omringd

De veda’s en de purana’s weten voor de totale kennis van de werkelijke wereld, die ze de sluier van Maya noemen, geen betere metafoor te bedenken dan die van de droom, en ze gebruiken deze dan ook veelvuldiger dan welke andere ook. Plato zegt bij herhaling dat de mensen slechts in een droom leven en dat alleen de filosoof ernaar streeft om wakker te blijven. Pindarus zegt: “de mens is de droom van een schaduw”, en Sophocles: “Blijkbaar zijn wij levenden niets anders dan bedrieglijke gestalten en een vluchtig schaduwbeeld.” In dit gezelschap neemt Shakespeare een zeer prominente plaats in: “Van dezelfde stof / Zijn wij als dromen; en ons kleine leven / Is door een slaap omringd.” (76)


Het eerste oog

Er waren dus eerder dieren dan mensen, eerder vissen dan landdieren, eerder planten dan vissen, en het anorganische was er eerder dan het organische. De oermassa moet dus een lange reeks van veranderingen hebben doorgemaakt voordat het eerste oog open kon gaan. En toch blijft het bestaan van die hele wereld altijd afhankelijk van dat eerste oog dat openging, ook al was het maar het oog van een insect. Want zo’n oog is het noodzakelijke medium van het kennen, en uitsluitend door en voor het kennen bestaat de wereld; zonder het kennen is ze niet eens denkbaar. (92)


Geen tijd

Maar zonder dag oog, dat wil zeggen zonder het kennen, was er ook geen ‘tevoren’, geen tijd. Dat wil overigens niet zeggen dat de tijd een begin kent; veeleer ligt elk begin altijd al binnen de tijd. (94)


Qualitas occulta

Elke verklaring die niet terugleidt naar een verhouding waaraan men niet meer de vraag naar het “waarom” kan stellen, blijft staan bij een geaccepteerde qualitas occulta: zulk een qualitas occulta is ook elke oorspronkelijke natuurkracht. Elke natuurwetenschappelijke verklaring moet uiteindelijk bij een dergelijke qualitas occulta stoppen, dus bij iets dat volkomen duister blijft. Zij moet dan ook het diepste wezen van een steen net zo onverklaard laten als dat van een mens; ze kan net zomin rekenschap afleggen van de zwaarte, de cohesie, de chemische eigenschappen van de steen als van het kennen en het handelen van de mens. (162)


Relatief

Maar elke verklaring [is] slechts relatief: zij verklaart de dingen slechts in zoverre ze met elkaar in betrekking staan en laat altijd iets onverklaard, iets wat stilzwijgend wordt vooropgesteld. In de wiskunde is dit bijvoorbeeld ruimte en tijd; in de mechnica, in de natuurkunde en in de scheikunde is dat de materie, de kwaliteiten, de oorspronkelijke krachten, de natuurwetten; in de plantkunde en in de dierkunde is dat de variatie in de species en in het leven zelf; in de geschiedwetenschap is dat de mensenlijke soort met al zijn eigenaardigheden wat betreft het denken en willen … .(163)


Vreemd en problematisch

De filosofie heeft de eigenaardigheid dat ze helemaal niets als bekend vooropstelt: alles is haar even vreemd en problematisch, niet alleen de onderlinge verhoudingen tussen de verschijnselen maar ook de verschijnselen zelf, ja, zelfs de wet van de toereikende grond waartoe de andere wetenschappen alles met een gerust gemoed herleiden. Overigens zou de filosofie met een dergelijke herleiding geen stap verder komen, omdat elke schakel van de keten haar even vreemd is en ook omdat de aard van die samenhang voor haar net zo problematisch is als wat erdoor wordt verbonden – of dit verband nu is aangetoond of niet, het blijft hoe dan ook problematisch. (163)


Niet de verschijnselen zelf

Bovendien is de filosofie het meest algemene weten, waarvan de hoofdprincipes geen afleidingen kunnen zijn uit een ander, nog algemener principe. Het principe van de tegenspraak regelt alleen de overeenstemming van begrippen; het produceert zelf geen begrippen. De wet van de toereikende grond verklaart alleen relaties tussen verschijnselen, niet de verschijnselen zelf. Daarom mag het de filosofie niet te doen zijn om het vinden van een causa efficiens of een causa finalis die de wereld als geheel zou verklaren. (164)


Illusie

Want telkens wanneer een mens op enigerlei wijze van zijn stuk wordt gebracht, door een ongeluk ten gronde wordt gericht, of wanneer hij vertoornd raakt of de moed verliest, dan bewijst hij daarmee dat hij tot het besef komt dat de dingen anders zijn dan hij had verwacht, dat hij dus met een illusie leefde, de wereld en het leven niet kende, dat hij niet wist dat de levenloze natuur door middel van het toeval, en de levende natuur door middel van tegengestelde doeleinden en ook door kwaad opzet, de wil van het individu op elk moment doorkruist. (172)


Geheimzinnig

Want ofschoon de etiologie tot dusverre haar doel op de meest volmaakte wijze in de mechanica heeft bereikt en op de meest onvolmaakte in de fysiologie, blijft desondanks de kracht, waardoor een steen op de grond valt of het ene lichaam het andere wegstoot voor ons in wezen niet minder vreemd en geheimzinnig als de kracht die verantwoordleijk is voor de bewegingen en de groei van het dier. (182)


De verschijnselen en hun ordening

Bijgevolg zou ook de meest complete etiologische verklaring van de gehele natuur eigenlijk nooit meer zijn dan een register van onverklaarbare krachten en een betrouwbare opgave van de regels, op grond waarvan de verschijnselen van die krachten zich in tijd en ruimte voordoen, elkaar opvolgen en voor elkaar plaatsmaken. Maar het innerlijk wezen van de zich aldus manifesterende krachten zou ze altijd onverklaard moeten laten, omdat de wet die zij volgt niet verder reikt; ze zou dus nooit verder komen dan de verschijnselen en hun ordening. (183)


Onbekend gezelschap

Of, als ik me een komische vergelijking mag permitteren, omdat ze zoveel treffender is, – wanneer een filosofisch onderzoeker geconfronteerd zou worden met een complete etiologie van de gehele natuur, zou het hem te moede zijn als iemand die op een voor hem onverklaarbare wijze in een volstrekt onbekend gezelschap verzeild raakt, waarvan de leden hem ieder op hun beurt een ander lid voorstellen als hun vriend en neef, totdat hij volkomen in het gezelschap is ingevoerd; hem zal echter telkens wanneer hij zijn genoegen uitspreekt over de kennismaking, de vraag op de lippen branden: “Maar hoe kom ik toch in godsnaam in dat hele gezelschap terecht? (183)


Uit De wereld als wil en voorstelling 2, Arthur Schopenhauer, 1997:


Een zijden draadje

Want pas nadat men het milennia lang met objectief filosoferen had geprobeerd, kwam men tot de ontdekking dat van de vele dingen die de wereld zo raadselachtig en problematisch maken, het meest opvallende dit is, dat, hoe onmetelijk en massief ze ook mag zijn, haar bestaan slechts aan één zijden draadje hangt, namelijk het toevallige bewustzijn waarin ze existeert. (14)


Uit dezelfde vorm

Deze eigenaardigheid waarmee het bestaan van de wereld onherroepelijk behept is, voorziet haar – al haar empirische realiteit ten spijt – van het stempel van de idealiteit en dus van de loutere verschijning, zodat ze tenminste in dit opzicht moet worden beschouwd als verwant met de droom, ja zelfs als vallend binnen één en dezelfde klasse. Want de hersenfunctie die ons tijdens het slapen een volmaakt objectieve, aanschouwelijke en zelfs tastbare wereld voortovert, moet een even groot aandeel hebben aan de presentatie van de objectieve wereld tijdens het waken. Hoewel ze in hun materie verschillen, zijn beide werelden uit één en dezelfde vorm gegoten. Deze vorm is het intellect, het functioneren van de hersenen. (14)


In abstracto

Dat de objectieve wereld ook zou bestaan, wanneer er geen enkel kennend wezen zou existeren, lijkt op het eerste oog zo zeker als wat, omdat het zich in abstracto laat denken zonder dat de tegenspraak die het in zich draagt aan de dag treedt. Maar wanneer we deze abstracte gedachte willen realiseren, dat wil zeggen wanneer we haar willen herleiden tot aanschouwelijke voorstellingen, waaraan ze immers (net als al het andere abstracte) haar inhoud en waarheid moet ontlenen; wanneer we dus proberen ons een objectieve wereld zonder kennend subject voor te stellen, dan zullen we tot het besef komen dat wat we ons voorstellen in feite het tegendeel is van wat we oorspronkelijk bedoelden, namelijk niets anders dan het proces in het intellect van een kennend wezen dat een objectieve wereld aanschouwt, dus uitgerekend dat wat we wilden uitsluiten. (16)


Het lichaam als object

Als object, dat wil zeggen als iets wat uitgebreid is, ruimte in beslag neemt en actief is, ken ik mijn lichaam alleen in de aanschouwing van mijn hersenen. Deze aanschouwing komt tot stand via de zintuigen en op de gegevens van de zintuigen past het aanschouwende verstand zijn functie toe – het zoeken van de oorzaak bij het gevolg; terwijl het oog het lichaam ziet of de handen het betasten, construeert mijn verstand de ruimtelijke figuur, die zich in de ruimte manifesteert als mijn lichaam. (17)


Tegenwicht

Door de objectieve wereld afhankelijk van ons te maken biedt het idealisme het nodige tegenwicht tegen de afhankelijkheid van de objectieve wereld waarin wij door de natuur worden geplaatst. De wereld die ik bij mijn dood verlaat, is tevens alleen maar mijn voorstelling. Het zwaartepunt van de existentie komt weer in het subject te liggen. Wat bewezen wordt is niet – zoals in het spiritualisme – de onafhankelijkheid van het kennend wezen van de materie, maar de afhankelijkheid van alle materie van hem. (26)


De materialist

Ook al meent de materialist dat hij verder niets postuleert dan deze materie – bijvoorbeeld atomen – ; toch voegt hij er onbewust niet alleen het subject aan toe, maar ook ruimte, tijd en causaliteit, die berusten op speciale bepalingen van het subject. (28)


Mijn hoofd in de ruimte

Ondanks alle transcendentale idealiteit behoudt de objectieve wereld haar empirische realiteit. Het object is weliswaar geen ding-op-zichzelf, maar als empirisch object is het toch reëel. Weliswaar is de ruimte alleen aanwezig in mijn hoofd, maar in empirische zin bevindt mijn hoofd zich in de ruimte. (32)


Waar doet het zeer?

Zoals we ons namelijk inbeelden dat we de dingen direct waarnemen op de plaats waar ze zich bevinden, terwijl het zich allemaal toch heus in de hersenen afspeelt – zo denken wij ook de pijn van een lichaamsdeel te voelen in het lichaamsdeel zelf, terwijl ook de pijn in de hersenen wordt gevoeld, de plek waar ze door de zenuw van het aangedane lichaamsdeel naartoe wordt geleid. (40)


Fantoompijn

Daarom ten slotte voelt degene die een arm of been heeft verloren, toch nog bij tijd en wijle pijn in dat lichaamsdeel, omdat de zenuwen die naar de hersenen lopen nog intact zijn. (40)


Naar buiten

Kortom, in beide gevallen wordt dat wat zich afspeelt in de hersenen, waargenomen alsof het zich buiten de hersenen bevindt: bij de aanschouwing door tussenkomst van het verstand dat zijn voelsprieten naar de buitenwereld uitsteekt, en bij het gewaarworden van de ledematen door tussenkomst van de zenuwen. (40)


Blinde vlek

… moeten we constateren dat alle religies op hun hoogtepunt uitmonden in mystiek en mysterie, dat wil zeggen in duisternis en verborgenheid, die voor het kennen slechts de betekenis hebben van een blinde vlek, namelijk het punt waar alle kennis onherroepelijk ophoudt. In het denken kan dit punt alleen maar uitgedrukt worden door negaties; in de zintuiglijke aanschouwing wordt het aangeduid door symbolische tekens, in de tempels door duisternis en zwijgen, en in het brahmanisme zelfs door de eis tot het stilzetten van al het denken en aanschouwen, ten behoeve van de diepste inkeer in de grond van het eigen zelf, onder het in gedachten uitspreken van het mysterieuze Om. (761)


Negatie

Dit is ook de reden waarom mijn leer, wanneer ze op haar culminatiepunt is aangekomen, een negatief karakter krijgt, en waarom ze dus met een negatie eindigt. Ze kan hier namelijk alleen spreken van dat wat ontkend, wat opgegeven wordt; wat in plaats daarvan gewonnen wordt, wat daarmee bereikt wordt, kan ze … niet anders aanduiden dan met “niets”, en ze kan alleen de hoop uitspreken dat het slechts een relatief, en geen absoluut “niets” is. (763)


De mirabili divina ignorantia

Bovendien is het op zijn minst waarschijnlijk dat het niet aan ons ligt dat wij geen antwoorden op deze vragen krijgen, maar dat zo’n antwoord per definitie onmogelijk is, waar of wanneer dan ook; dat deze dingen niet alleen relatief maar ook absoluut ondoorgrondelijk zijn; dat niet alleen niemand ze kan begrijpen maar dat ze op zichzelf onbegrijpelijk zijn, aangezien ze met geen mogelijkheid passen in de vormen van onze kennis. (Dit is in overeenstemming met wat Scotus Eriugena zegt: “de mirabili divina ignorantia, qua Deus non intelligit quid ipse sit” [over de wonderbaarlijke goddelijke onwetendheid, op grond waarvan God niet eens weet wat hijzelf is]. (800)


Land waarop men niet kan staan

Maar wanneer we ons van de wereld losmaken om de bovengenoemde vragen te beantwoorden, dan hebben we ook de enige bodem verlaten waarop niet alleen het leggen van oorzakelijke verbanden mogelijk is, maar ook kennis als zodanig: dan is alles “instabilis tellus, innabilis unda” [land waarop men niet kan staan, water waarin men niet kan zwemmen]. (801)


Van alle kennis verstoken

Het diepste wezen van de dingen is niet iets wat kent, geen intellect, maar iets wat juist van alle kennis verstoken is: de kennis wordt er slechts als accident aan toegevoegd, als hulpmiddel bij de verschijning van dat wezen … (801)


Uit Het nut van vrome leugens: over godsdienst, Arthur Schopenhauer, 2007; hoofdstuk 1, Over de metafysische behoefte van de mens, ontleend aan De wereld als wil en voorstelling II, 1997:


De verwondering

Alleen voor het van gedachten verstoken dier schijnen de wereld en het bestaan vanzelfsprekend te zijn; voor de mens zijn ze echter een probleem, waarvan zelfs het meest primitieve en bekrompen exemplaar van de soort zich op bepaalde heldere momenten levendig bewust wordt, en dat bij ieder des te duidelijker en vaker in het bewustzijn treedt, naarmate dat bewustzijn lucider en bespiegelender is en het zich door ontwikkeling meer stof tot nadenken heeft eigen gemaakt. In hoofden met een filosofische aanleg ontwikkelt dit zich ten slotte tot wat Plato ‘de verwondering, een zeer wijsgerige gemoedstoestand’ noemt … (26)


Het niet-zijn

In feite is het bewustzijn dat het niet-zijn van de wereld net zo goed mogelijk is als haar zijn, de onrust die het nooit aflopend uurwerk van de metafysica in beweging houdt. (27)


Nog onbekender

Ook de fysica (in de ruimste zin van het woord) houdt zich bezig met de verklaring van de verschijnselen in de wereld. Maar het ligt reeds in de aard van haar verklaringen besloten dat ze ons niet kunnen bevredigen. … Want de fysica verklaart de verschijnselen door iets wat nog onbekender is dan deze verschijnselen op zichzelf al zijn, namelijk door natuurwetten, die op hun beurt berusten op natuurkrachten, waartoe ook de levenskracht behoort. (28)


Nooit of te nimmer

De eerste onvolkomenheid is dat het begin van de alles verklarende keten van oorzaken en gevolgen, dat wil zeggen van de samenhangende veranderingen, nooit of te nimmer te achterhalen is, maar net als de grenzen van de wereld in ruimte en tijd voortdurend in een oneindige verte verdwijnt. (29)


Onbekende grootheid

De tweede onvolkomenheid is dat alle werkende oorzaken, waaruit men alles verklaart, altijd stoelen op iets volstrekt onverklaarbaars, namelijk op de oorspronkelijke eigenschappen van de dingen en de zich hierin openbarende natuurkrachten, op grond waarvan die oorzaken op een bepaalde manier werken, bijvoorbeeld zwaarte, hardheid, impuls, elasticiteit, warmte, elektriciteit, chemische krachten enzovoort, en die in elke gegeven verklaring overblijft, als een absoluut niet weg te denken onbekende grootheid in een voor de rest volmaakt opgeloste algebraïsche vergelijking. (29)


Geen potscherf

Er is geen potscherf, ook al is ze nog zo waardeloos, die niet volledig is samengesteld uit louter onverklaarbare eigenschappen. (29)


Een mysterie

Ik zeg dus: op fysische wijze is alles, maar ook niets verklaarbaar. Net zoals voor de beweging van een aan het rollen gebrachte bol, moet uiteindelijk ook voor het denken van de hersenen een fysische verklaring als zodanig mogelijk zijn, een verklaring die dit laatste net zo begrijpelijk maakt als het laatste. Maar juist dat eerste, dat we zo volledig menen te begrijpen, is ons in de grond van de zaak net zo duister als het laatste. Want wat nu precies het innerlijke wezen is van de expansie in de ruimte, van de ondoordringbaarheid, van de beweeglijkheid, van de hardheid, van de elasticiteit en van de zwaarte – dat alles blijft, ook na alle fysische verklaringen, een mysterie, net als het denken. (31)


Net zo geheimzinnig

Omdat echter bij [het denken] het onverklaarbare het opvallendst aan de dag treedt, maakte men hier terstond een sprong vanuit de fysica in de metafysica en werd een substantie gehypostaseerd van een heel andere aard dan al het lichamelijke, er werd een ziel in de hersenen geplant. Was men niet zo bot geweest om alleen door de opvallendste verschijning gefrappeerd te kunnen worden, dan had men ook de spijsvertering door een ziel in de maag, de vegetatie door een ziel in de plant, de chemische affiniteit door een ziel in de reagentia, ja zelfs het vallen van een steen door een ziel in deze steen moeten verklaren. Want de kwaliteit van elk anorganisch lichaam is net zo geheimzinnig als het leven in het levende. (30)


Botanica

Strikt genomen zou men kunnen beweren dat de hele natuurwetenschap in de grond van de zaak niet meer presteert dan de botanica: namelijk het bijeenbrengen van het gelijksoortige, met andere woorden het classificeren. (31)


Verschijning, niet ding-op-zichzelf

Ten tweede blijkt de ontoereikendheid van het zuivere naturalisme uit die fundamentele filosofische waarheid … dat al wat object is, zowel wat betreft zijn objectieve bestaan als zodanig maar ook wat betreft de wijze van bestaan (het formele aspect ervan) volstrekt afhankelijk is van het kennend subject, en dus verschijning is en niet ding-op-zichzelf. (34)


Labyrint

Met het naturalisme of met de zuiver fysische wijze van beschouwen zullen we dus nooit kunnen volstaan; ze zijn als een rekensom die nooit opgaat. Causale ketens zonder begin en einde, ondoorgrondelijke fundamentele krachten, oneindige ruimte, tijd zonder begin, eindeloze deelbaarheid van de materie en dit alles bovendien afhankelijk van een kennend brein, de enige plek waar het bestaat, net als een droom, en zonder welke het verdwijnt – dit alles vormt het labyrint waarin het fysicalisme ons eindeloos laat ronddolen. (35)


Zelfbewustzijn

Maar zij die denken dat smeltkroes en retort de enige bron van alle wijsheid zijn, zijn op hun manier net zo abuis, als eertijds hun antipoden, de scholastici. Zoals deze namelijke worstelden met hun abstracte begrippen, waarin ze helemaal verstrikt zaten en daarbuiten niets kenden en niets onderzochten, zo zijn die natuurvorsers volledig verstrikt in hun empirie, wijzen alles af wat ze niet met eigen ogen kunnen zien en menen daarmee tot in de diepste diepte van de dingen door te dringen, niet vermoedend dat tussen de verschijning en dat wat zich daarin manifesteert, namelijk het ding-op-zichzelf, een diepe kloof gaapt, een radicaal onderscheid dat alleen kan worden opgehelderd door de kennis en de nauwkeurige afbakening van het subjectieve element van de verschijning en door het besef dat de belangrijkste en definitieve kennis over het wezen der dingen alleen geput kan worden uit het zelfbewustzijn. (36)


Wij zijn het zelf

En ofschoon niemand door de sluier van de vormen van de aanschouwing heen het ding-op-zichzelf kan kennen, draagt ieder van ons het met zich mee, ja, wij zijn het in feite zelf. (42)


Diepe nacht

Welke fakkel we ook mogen aansteken, en welke ruimte deze ook moge verlichten, steeds zal onze horizon door diepe nacht begrensd blijven. (46)


Blaaskaken

Zij die beweren dat ze de uiteindelijke, dat wil zeggen de eerste gronden der dingen kennen en dus weet hebben van een oerwezen, een absolutum – of hoe men het verder ook moge noemen – evenals van het proces, de oorzaken, de motieven, of wat dan ook, ten gevolge waarvan de wereld ontstaat of opwelt of valt, of geproduceerd wordt, in aanzijn wordt gebracht, ‘vrijgelaten’ en naar buiten gewerkt wordt – zulke lieden hoeven we niet serieus te nemen; het zijn blaaskaken, als het al geen charlatans zijn. (46)


Het Socratische adagium

Want het noodzakelijke uitgangspunt voor elke vorm van authentiek filosoferen is dat men diep doordrongen is van het Socratische adagium: ‘Het enige wat ik weet, is dat ik niets weet.’ (48)