De mystiek van alledag, of het wonder van het water

‘Waar niets meer vanzelfsprekend is, begint de mystiek. Waar vanzelfsprekendheid heerst, eindigt de mystiek. Verwondering is de wortel van de mystiek.’ Briefwisseling over het mysterie van het bestaan.

Deze onvoorstelbare werkelijkheid

Wat zeg je me daar? Een diepere werkelijkheid? Is de werkelijkheid al niet diep genoeg? Nog dieper? Onvoorstelbaar. Hoe zou het onvoorstelbare nog onvoorstelbaarder kunnen zijn dan het al is? Ik kan het me gewoon niet voorstellen. Tenzij ‘de diepere werkelijkheid’ zelf een voorstelling is. Van de geest of een ander projectieapparaat, ik zeg maar wat. Of is de geest ook zo’n voorstelling, en zo ja, waarvan? Of is onvoorstelbaarheid zelf een voorstelling, en zo ja, voor wie?


Vraag maar niet wie ik ben, wat ik ben, of ik ben, waar ik ophoud en jij begint, waar jij ophoudt en de wereld begint, of ik een vrije wil heb of hij mij en zo verder en zo voort, want ik sta zo ook al voor joker.


Alles is in mist gehuld, ik kan werkelijk niets meer onderscheiden, of niets werkelijk meer, of niets werkelijks meer, en niets onwerkelijks natuurlijk, behalve mist misschien, of moet ik mijn bril weer eens poetsen.


Waar niets vanzelfsprekend is, begint de mystiek. Waar vanzelfsprekendheid heerst, eindigt de mystiek. Verwondering is de wortel van de mystiek. De wortel van de mystiek is Groot Ongeloof. Groot Ongeloof is de kathedraal van niet-weten. De kathedraal van niet-weten is een zwart gat waarin al je denkbeelden verdwijnen.


Terugkeren naar je mystieke roots kan niet zonder denkbeeldenstorm.
Zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, angstbeelden, lichaamsbeelden, wereldbeelden – het zijn evenzovele beverdammen in een vrij stromende realiteit. Onveranderlijkheden die tevergeefs een veranderlijk heden simuleren. Monolieten waarop alle mystiek te hoop loopt. Poortloze-poortwachters die je weghouden uit Verwonderland.


Je denk-beelden moeten weer denkbeelden worden, efemeer als het leven zelf. Hoe minder denk-beelden, hoe meer denkbeelden. Hoe meer denkbeelden, hoe flexibeler je geest. Hoe flexibeler je geest, hoe ongrijpbaarder je gedachten, ook voor jezelf. Hoe ongrijpbaarder je gedachten, hoe ongrijpbaarder jijzelf, de ander, de dingen, God. Zo wordt alles vanzelf weer geheimzinnig, ondoorgrondelijk, onbeheersbaar. Wat het al die tijd is geweest.


Groot Ongeloof is als een ruwe diamant, ongeslepen, vrij van filosofische, religieuze, spirituele, psychologische, theologische en ideologische facetten. Je kan er nog alle kanten mee op. Als een blok marmer voordat de beeldhouwer erop inhakt en het zijn wil oplegt. Ik noem het oermystiek.


Beste Hans,
Zou jij jezelf een mysticus noemen?


Beste X,
Wat versta jij onder een mysticus?


Beste Hans,
Iemand die een ervaring heeft gehad.


Beste X,
Dan is iedereen een mysticus.


Beste Hans,
Ik bedoel een diepe ervaring. Exaltatie, extase, heelheidsbeleving, geestesvervoering, trance, zielsverrukking, ananda, jhana, moksha, samadhi, jhana, epectase, de unio mystica, henosis, unitus, collectus, kensho, satori.


Beste X,
Kirin, Asahi, Yebisu, Singha, Tsingtao.*


Beste Hans,
Ik doel op een rechtstreekse ervaring van een diepere werkelijkheid.


Beste X,
Wat zeg je me daar?
Een diepere werkelijkheid?
Is die er dan?
Ik bedoel, mijn God.
Is de werkelijkheid al niet diep genoeg?
Nog dieper?
Onvoorstelbaar.
Hoe zou het onvoorstelbare nog onvoorstelbaarder kunnen zijn dan het al is?
Ik kan het me gewoon niet voorstellen.
Tenzij ‘de diepere werkelijkheid’ zelf een voorstelling is.
Van de geest of een ander projectieapparaat, ik zeg maar wat.
Of is de geest ook zo’n voorstelling, en zo ja, waarvan?
Of is onvoorstelbaarheid zelf een voorstelling, en zo ja, voor wie?

Een diepere werkelijkheid.
Mara bewaar me.
Of was het nou Maria.
Maar wacht eens even…
Heb jij soms een rechtstreekse ervaring gehad van een ondiepere werkelijkheid?
Of van dé ondiepere werkelijkheid, voor het geval er maar één mocht zijn?
Dat zou ik ook weleens willen meemaken, zeg.
Wat heb je daarvoor gedaan?
Hoe lang heb je geoefend?
Hoeveel retraites heb je gevolgd?
Heb je ook geloftes afgelegd, je hoofdhaar afgeschoren, je geslacht laten besnijden, of wat?
Kost alles bij elkaar een lieve duit, wed ik.
Zou het ook voor mij zijn weggelegd of is zoiets voorbehouden aan leden en uitverkorenen?


Beste Hans,
Bedoel je dat deze werkelijkheid al de diepere werkelijkheid is? In de zin van ‘Alleen maar Dit’ (neo-advaita) of ‘Ik ben Dat’ (‘tat tvam asi’)?


Beste X,
Ben jij Ditman, ben ik Datman.
Zijn we samen dit en dat, man.


Beste Hans,
Of ‘Vorm is leegte’ (zen), of ‘Ik ben die ik ben’ (Ehje asjer ehje, Exodus 3:14), of ‘God is dit’ (pantheïsme), of ‘God is ook dit’ (panentheïsme)?


Beste X,
Aha, een meerkeuzevraag.
Doorhalen wat niet van toepassing is.
Alles dan maar, wat maakt het uit.
Of niets, als het toch niet uitmaakt.

Maar eigenlijk bedoelde ik: is de werkelijkheid al niet diep genoeg?
En als ik je goed begrijp, is de werkelijkheid inderdaad niet diep genoeg.
Niet voor de aanstaande mysticus tenminste.
In dat geval ben ik beslist voor de volle honderd procent geen mysticus, laat staan een aanstaande.

Daar staat tegenover dat ik een massa rechtstreekse ervaringen heb van de onmetelijke diepte van wat nu plotseling een of de oppervlakkige werkelijkheid lijkt te zijn.
Die zich keer op keer aan mij komt voorstellen als onvoorstelbaar.
Heeft ze zich aan jou nog niet voorgesteld?
Onvoorstelbaar.

Heb ik me eigenlijk al aan jou voorgesteld?
Kennismaken gaat helaas niet omdat ik geen kennis kan maken.
Kennisbreken gaat me heel wat beter af, maar daar maak je ook geen vrienden mee.

Ik kan je wel verklappen dat ik deel uitmaak van voornoemde onvoorstelbaarheid, die daardoor zelf op klappen staat.
Vraag me dus maar niet wie ik ben, wat ik ben, of ik ben, waar ik ophoud en jij begint, waar jij ophoudt en de wereld begint, of ik een vrije wil heb of hij mij en zo verder en zo voort, want ik sta toch al voor joker.

Alles is in mist gehuld, ik kan werkelijk niets meer onderscheiden, of niets werkelijk meer, of niets werkelijks meer, en niets onwerkelijks natuurlijk, behalve mist misschien, of moet ik mijn bril weer eens poetsen.
Wat niet per se betekent dat alles één is: subject, object, schepper, schepping, leegte, vorm, doek, film; kippen, koppen, goden, geiten, boeken, boeddha’s, dominees, cabaretiers, integralen, differentialen, petjes, pijtjes, slabbetjes, slipjes – de hele kledingzooi, zoals monistische missionarissen van allerlei pluimage momenteel massaal van de daken kukelen, ’t is wat.

Ziehier mijn rechtstreekse ervaring van wat zomaar een of de oppervlakkige werkelijkheid zou kunnen zijn:

Ik kan mijn ogen niet geloven!
Ik kan mijn oren niet geloven!
Ik kan mijn neus niet geloven!
Ik kan mijn tong niet geloven!
Ik kan mijn gevoel niet geloven!
Ik kan mijn gedachten niet geloven!
Ik kan mijn geest niet geloven!
Ik kan mijn lichaam niet geloven!
Ik kan mijn hart niet geloven!
Ik kan mezelf niet geloven!
Ik kan mijn medemens niet geloven!
Ik kan mijn wereld niet geloven!
Ik kan mijn God niet geloven!
Ik kan mijn ongeloof niet geloven!

Geloof je dat?


Beste Hans,
Wat heeft dit met mystiek te maken?


Beste X,
Waar niets vanzelfsprekend is, begint de mystiek.
Waar vanzelfsprekendheid heerst, eindigt de mystiek.
Verwondering is de wortel van de mystiek.

De wortel van de mystiek is Groot Ongeloof.
Groot Ongeloof is de kathedraal van niet-weten.
De kathedraal van niet-weten is een zwart gat waarin al je denkbeelden verdwijnen.

Terugkeren naar je mystieke roots kan niet zonder denkbeeldenstorm.
Zelfbeelden, mensbeelden, godsbeelden, boeddhabeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, angstbeelden, lichaamsbeelden, wereldbeelden – het zijn evenzovele beverdammen in een vrij stromende realiteit.
Onveranderlijkheden die tevergeefs een veranderlijk heden simuleren.
Monolieten waarop alle mystiek te hoop loopt.
Poortloze-poortwachters die je weghouden uit Verwonderland.

Denkbeeld

 

Of laat ik het zo zeggen: je denk-beelden moeten weer denkbeelden worden, efemeer als het leven zelf.
Hoe minder denk-beelden, hoe meer denkbeelden.
Hoe meer denkbeelden, hoe flexibeler je geest.
Hoe flexibeler je geest, hoe ongrijpbaarder je gedachten, ook voor jezelf.
Hoe ongrijpbaarder je gedachten, hoe ongrijpbaarder jijzelf, de ander, de dingen, God.
Zo wordt alles vanzelf weer geheimzinnig, ondoorgrondelijk, onbeheersbaar.
Wat het al die tijd is geweest.

Groot Ongeloof is als een ruwe diamant, ongeslepen, vrij van filosofische, religieuze, spirituele, psychologische, theologische en ideologische facetten.
Je kan er nog alle kanten mee op.
Als een blok marmer voordat de beeldhouwer erop inhakt en het zijn wil oplegt.
Ik noem het oermystiek.

Wat een onzin, zeg.
‘Denk-beelden moeten weer denkbeelden worden.’
Hoe kom je erop.
Waarom dan?
Hoe dan?
Heb je daar iets over te zeggen dan?
Maken denk-beelden soms geen deel uit van de vrij stromende realiteit?
Is de vrij stromende realiteit zelf soms geen denk-beeld?
Wacht maar tot je levend begraven wordt, dan zul je eens zien hoe vrij de realiteit stroomt.

Groot Ongeloof, geloof het maar niet.
In naam der oermystiek: weg ermee.
En weg ook met de oermystiek.
En weg ook met het weg ermee.
Laat het denken maar denken.

Ruimterog

Groot Ongeloof: onvermogen om heilig in je eigen gedachten en begrippen te geloven

denk-beeld: idee waaraan niet te tornen valt

denkbeeldenstorm: omverwerpen van vastomlijnde ideeën en waarden

Oermystiek: kinderlijke verwondering over het bestaan


* Kirin, Asahi, Yebisu, Singha, Tsingtao: Aziatische biermerken


Spuug en plas en kak en as

Bij Rudolf Otto is het “mysterium tremendum et fascinosum” een verwijzing naar het ongrijpbare, het numineuze, het heilige, het goddelijke, het andere, het onbereikbare. Het mysterie dat mij fascineert en doet beven is daarentegen helemaal niet ver weg maar juist dichtbij, onder mij, voor mij, achter mij, links van mij, rechts van mij, door mij en in mij en in jou en als jou en hier en nu.


Het zijn mijn ledematen die mij fascineren en doen beven. Het is mijn tong die mij fascineert en doet beven. Het is mijn lust die mij fascineert en doet beven. Het is mijn woede die mij fascineert en doet beven. Het is mijn verbeelding die mij fascineert en doet beven. Het is mijn medemens die mij fascineert en doet beven. Het zijn vuur en water en spuug en pis en kak en as die mij fascineren en doen beven.


Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreeks ervaring van het mysterie Gods dan heb ik nog nooit een mystieke ervaring gehad. Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreekse ervaring van het mysterieuze karakter van wat dan ook, dan zijn al mijn ervaringen zo mystiek als maar kan.


Het diepste geheim van de kosmos is de kosmos. In zijn geheel, niets uitgezonderd. Voor mij zijn niet alleen God, Jezus, Allah, de Vriend, JWHW, Atman, het Ware zelf, getallen, de kleinste deeltjes of de natuur mysterieus, geheimzinnig, raadselachtig, ondoorgrondelijk, ontzagwekkend, maar het hele bestaan met alles erop en eraan. Het bestaan zelf is de mystieke roos.


Ik ken dit geheim der geheimen niet, behalve als geheim, en ik koester het als geheim, als dat is wat het is, want zelfs dat is geheim. Daarom hoef ik het niet te ontdekken, aan niemand te ontfutselen, voor niemand verborgen te houden, voor niemand te bewaren en aan niemand te onthullen. Kan het eenvoudiger?


Het geheim van alles is een geheim van niks, of misschien wel hét geheim van niks, want waarin zou het ene geheim van niks moeten verschillen van het andere?


Een leeg geheim, een leeg geheim, hoe kan ik daar zo vol van zijn! Ik kan wel zingen, dansen, springen – zo niet als God dan wel als zot die uit ontzag met alles spot.


Beste Hans,
Begrijp ik het goed dat jij de werkelijkheid ervaart als een ‘mysterium tremendum et fascinosum’?


Beste X,
Vroeg de jonge vader aan zijn brullende baby.


Beste Hans,
Die term is van Rudolf Otto. Ik had eigenlijk ‘goddelijk’ of ‘God’ willen zeggen.


Beste X,
God lijkt mij niet zozeer het ‘mysterium tremendum et fascinosum’ zelf als wel de invulling en oplossing ervan.
Opgevat als een naam of het naamloze of een wezen of een bewustzijn of een zijn of een bovenzijnde of een macht of een kracht of een deugd of een pracht of een principe of een leegte of vul maar in en hol maar uit.
Door het God te noemen, wordt het meteen een stuk minder mysterieus, ontzagwekkend en fascinerend.
Het mysterium tremendum et fascinosum is zelf al een invulling, met een dito ontraadselend effect.
Maar waarvan?


Beste Hans,
Ik zie het verschil tussen jou en Der Rudolf niet zo.


Beste X,
Bij Otto is het mysterium tremendum et fascinosum een verwijzing naar het ongrijpbare, het numineuze, het heilige, het goddelijke, het andere, het onbereikbare.
Het mysterie dat mij fascineert en doet beven is daarentegen helemaal niet ver weg maar juist dichtbij, onder mij, voor mij, achter mij, links van mij, rechts van mij, door mij en in mij en in jou en als jou en hier en nu.

Het is mijn stijve die mij fascineert en doet beven.
Het is mijn woede die mij fascineert en doet beven.
Het is mijn kanker die mij fascineert en doet beven.
Het is de dood die mij fascineert en doet beven.
Het is mijn verbeelding die mij fascineert en doet beven.
Het is de buurman die mij fascineert en doet beven.
Het is een kaarsvlam die mij fascineert en doet beven.
Het is een briesend paard dat mij fascineert en doet beven.
Het is een vlieg die mij fascineert en doet beven.
Het zijn bloed en water en spuug en plas en kak en as die mij fascineren en doen beven.
Het zijn woorden die mij fascineren en doen beven.
Het zijn fascinatie en angst die mij fascineren en doen beven.


Beste Hans,
Klinkt niet direct als het mysterie Gods.


Beste X,
Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreeks ervaring van het mysterie Gods dan heb ik nog nooit een mystieke ervaring gehad.
Als je een mystieke ervaring definieert als een rechtstreekse ervaring van het mysterieuze karakter van wat dan ook, dan zijn al mijn ervaringen zo mystiek als maar kan.


Beste Hans,
In de godsmystiek draait het om God, in de bruidsmystiek, liefdesmystiek, minnemystiek om Christus, in de soefimystiek om de Vriend, in het chassidisme om JWHW, in zen om de Boeddhanatuur of het Ware Zelf, in de advaita vedanta om Atman, in het taoïsme om de Tao. Ik bedoel maar.


Beste X
In de getallenmystiek draait het om cijfers, in de kwantummystiek om deeltjes en in de natuurmystiek om landschappen, bomen, zonsondergangen.
Is het gewone te gewoon voor je om bijzonder te kunnen zijn?


Beste Hans,
Hoe zou je jouw mystiek noemen als je het geen oermystiek mocht noemen?


Beste X,
Ik zou het denk ik niet-weten noemen, of krijg-nou-wat, of verhip.


Beste Hans,
Verhip.


Beste X,
Doe dan maar de mystiek van alledag.
Helaas is dat geen gangbare uitdrukking.
In de veertiende editie van de Dikke Van Dale trof ik wel het woord ‘bestaansmystiek’ aan.
Helaas is dat ook geen gangbare uitdrukking.
Ik kan het in de Wikipedia en op het internet tenminste nergens terugvinden.
Het woordenboek definieert het als ‘een mystiek aspect van de dingen, waardoor zij tegelijk “volkomen open en volkomen toegesloten zijn” (A. Roland Holst).’
Mooi hè.

‘Bestaansmystiek’, kan je daarmee leven?


Beste Hans,
Totaalmystiek.


Beste X,
Dekt de lading, maar klinkt alsof je de oorlog verklaart.
Heb je weleens van de mystieke roos gehoord?


Beste Hans,
Voor katholieken is dat de Heilige Maagd Maria, voor gnostici het diepste geheim van de kosmos.


Beste X,
Wat is volgens jou het diepste geheim van de kosmos?


Beste Hans,
Nou?


Beste X,
Het is maar net aan wie je het vraagt.
Zoveel zielen, zoveel antwoorden.


Beste Hans,
Als je het jou vraagt?


Beste X,
Als je het mij vraagt is het diepste geheim van de kosmos de kosmos.
In zijn geheel, niets uitgezonderd.
Voor mij zijn niet alleen God, Jezus, Allah, de Vriend, JWHW, Atman, de Boeddhanatuur, het Ware zelf, getallen, de kleinste deeltjes of de natuur mysterieus, geheimzinnig, raadselachtig, ondoorgrondelijk, ontzagwekkend, maar het hele bestaan met alles erop en eraan.
Niet alleen de appel, niet alleen de val van de appel, niet alleen de zwaartekracht, niet alleen de theorie van de zwaartekracht, niet alleen de natuurkunde, niet alleen de natuurkundige, niet alleen de natuur.
Het bestaan zelf is de mystieke roos.

Daarom hoef ik de mystieke roos nergens te zoeken en kan ik hem nooit kwijtraken.
Ik ken dit geheim der geheimen niet, behalve als geheim, en ik koester het als geheim, als dat is wat het is, want zelfs dat is geheim.
Daarom hoef ik het niet te ontdekken, aan niemand te ontfutselen, voor niemand verborgen te houden, voor niemand te bewaren en aan niemand te onthullen.
Kan het eenvoudiger?

Het geheim van alles is dus een geheim van niks, of misschien wel hét geheim van niks, want waarin zou het ene geheim van niks moeten verschillen van het andere?

Een leeg geheim
Een leeg geheim
Hoe kan ik daar
Zo vol van zijn

Man, ik kan wel zingen, dansen, springen –

Zo niet als God
Dan wel als zot
Die uit ontzag
Met alles spot

Wat is jouw geheim?


Mystieke ervaring
1. rechtstreekse ervaring van het mysterie Gods
2. rechtstreekse ervaring van het mysterie van wat dan ook

Mystiek van alledag, bestaansmystiek: diepe verwondering over het ‘gewone’


Een gat waar alles in en uit kan

Het kan best zijn dat er achter het waarneembare mysterie van de dingen een ander, dieper mysterie schuilgaat, bijvoorbeeld het mysterie Gods, maar dat heeft zich dan nog niet in die hoedanigheid aan mij kenbaar gemaakt. Voor mij is het concrete, ik bedoel daarmee wezens, dingen, gedachten, gevoelens en zo, zelf ondoorgrondelijk, onuitputtelijk, onbevattelijk, mysterieus – mystiek. Zo niet op het eerste gezicht dan toch bij nader inzien.


Het onbekende mag dan wel tot bekendheid neigen, het bekende neigt net zo goed tot onbekendheid, zoals een woord na een aantal herhalingen vanzelf zijn betekenis verliest, je lichaam zich ineens van een nieuwe kant laat zien of de persoon in de spiegel of een vriend of je lief ineens een vreemde (b)lijkt. Zelfs het overbekende wekt in mij telkens weer een gevoel van bevreemding op.


Hoeveel tetterende theologen, wauwelende wijzen en naamloze napraters heb ik al niet moeten aanhoren sinds ik van de moederkoek gescheiden werd; hoeveel meer sinds ik op eigen woorden kwam te staan. Nergens zijn ze het over eens, maar allemaal staan ze te trappelen om je de weg te wijzen uit de gevangenis die ze je net zelf hebben aangepraat. En altijd uit compassie, altruïsme, naastenliefde, waarheidsliefde en de pure goedheid van hun hart.


Ik ben geen Godman, ik ben geen Zelfman, ik ben geen Atman, ik ben een gatman. Ik ben een gat waar alles in kan, alles uit kan, in en uit man. Ik ben zatman, ladderzatman. Zat van niks, man, van mijn gat, dan.


Dat ik er ben – daar kan ik met mijn kop niet bij. Dat ik belichaamd ben – daar kan ik met mijn kop niet bij. Zien, eten, lezen, praten, lachen, zoenen, bloeden, slapen – daar kan ik met mijn kop niet bij. Dat er behalve mij talloze andere dingen en wezens zijn – daar kan ik met mijn kop niet bij. Dat er talloze dingen en wezens van vroeger niet meer zijn – daar kan ik met mijn kop niet bij.


Deze hartverscheurende, hersenschuddende, met stomheid slaande ontsteltenis wilde en wil niet van mijn zijde wijken, en ik niet meer van de hare. Zij is mijn uit- en overlaat. Alle woorden, stellingen, oordelen, theorieën, verklaringen, interpretaties, duidingen, verhalen, gedachten verdwijnen in haar zwarte gat, ook deze.


Lang heb ik me verzet, tot ik niet meer kon, tot er iets brak, of doorbrak, of openbrak, of uitbrak, weet ik veel. Nu is de nagloed van die kont het dwaallicht waarop ik mij oriënteer. Het spotlicht dat mij overal volgt zodat ik om mezelf blijf lachen. Het nachtlicht dat mij ondanks alles geruststelt.


Het gewone mag dan hoogst ongewoon zijn, het ongewone is nu de gewoonste zaak van de wereld. Niet-weten is toch een soort thuiskomen, al is het dan in den vreemde, dat daarmee eigen wordt zonder een jota aan eigenaardigheid in te boeten. Het Fremdkörper is ingelijfd, het wezensvreemde blijkt mijn wezen te wezen. De xenofoob is xenoloog geworden, xenofiel, xenomaan.


Beste Hans,
Volgens de literatuur is een mystieke ervaring een rechtstreekse ervaring van het mysterie Gods.


Beste X,
Nou, het kan best zijn dat er achter het waarneembare mysterie van de dingen een ander, dieper mysterie schuilgaat, bijvoorbeeld het mysterie Gods, maar dat heeft zich dan nog niet in die hoedanigheid aan mij kenbaar gemaakt.
Voor mij is het concrete, ik bedoel daarmee wezens, dingen, gedachten, gevoelens en zo, zelf ondoorgrondelijk, onuitputtelijk, onbevattelijk, mysterieus – mystiek.
Zo niet op het eerste gezicht dan toch bij nader inzien.

Het onbekende mag dan wel tot bekendheid neigen, het bekende neigt net zo goed tot onbekendheid, zoals een woord na een aantal herhalingen vanzelf zijn betekenis verliest, je lichaam zich ineens van een nieuwe kant laat zien of de persoon in de spiegel of een vriend of je lief ineens een vreemde (b)lijkt.
Zelfs het overbekende wekt in mij telkens weer een gevoel van bevreemding op.
Zo kijk ik al mijn hele leven als een baby in de wieg naar de spontane bewegingen van mijn handen – die rare dingen aan het uiteinde van andere rare dingen die ik de mijne heb leren noemen.
De mijne?
Geloof het maar niet.


Beste Hans,
Maar is het niet juist het ongrijpbare, het numineuze, het heilige, het goddelijke dat voortdurend door de kieren van het concrete piept?


Beste X,
Voor gepiep moet je bij de Oppermuis wezen.


Beste Hans,
Maar serieus.


Beste X,
Misschien ben ik bevooroordeeld, maar op mij komt ‘het ongrijpbare’, ‘het numineuze’, het ‘heilige’, ‘het goddelijke’ in de zin van de ongeschapen Schepper waar Rudolf Otto op doelt, over als een verklaring achteraf.
Een concept, een constructie, een eufemisme, om niet te zeggen een opgedirkt verhaaltje in een opgeblazen taaltje.

Mijn achterdocht mag onterecht zijn, hij komt heus niet uit de lucht vallen.
Hoeveel tetterende theologen, wauwelende wijzen en naamloze napraters heb ik al niet moeten aanhoren sinds ik van de moederkoek gescheiden werd; hoeveel meer sinds ik op eigen woorden kwam te staan.
Nergens zijn ze het over eens, maar allemaal staan ze te trappelen om je de weg te wijzen uit de gevangenis die ze je net zelf hebben aangepraat.
En altijd uit compassie, altruïsme, naastenliefde, waarheidsliefde en de pure goedheid van hun hart.

Hun uitlegkunde riekt naar inlegkunde, oplegkunde, aflegkunde.
Van de goeden niets dan doods.
Let maar eens op: elke ‘eh…hè?-erlebnis’, iedere spontane, pre-analytische ‘wauw!’ of ‘wát?’ jouwerzijds wordt moeiteloos ingepast in hun synthetische scholastieke schema’s.
Alles wat niet past wordt alchemistisch omgevormd in het klatergoud van ‘de Waarheid voorbij de woorden’, ‘het Numineuze’, ‘het Heilige’, ‘het Goddelijke’, ‘de Drie-eenheid, ‘de Vier-eenheid’, ‘de Tao’, ‘de Bron’, ‘Bewustzijn’, de ‘Boeddhanatuur’, ‘het Zelf’, ‘Zijn’, ‘de Non-dualiteit’, het Absolute, de Eeuwige Wijsheid, de Gezegende, Zijne Heiligheid, Hare Krishna.
En dan de rest van je leven op je knieën liggen natuurlijk.
Zalig zijn de stratenmakers.


Beste Hans,
En jij dan?


Beste X,

‘k Ben geen Godman
‘k Ben geen Zelfman
‘k Ben geen Atman
‘k Ben een gatman

‘k Ben een gat waar
Alles in kan
Alles uit kan
In en uit man


Beste Hans,
‘k Ben een wát, man?


Beste X,
‘k Ben een wátman.


Beste Hans,
Wat voor gat dan?


Beste X,
Jij bent natman, zei de badman.


Beste Hans,
Wat voor gat, man, wat voor gat dan?


Beste X,
Ik ben zatman, ladderzatman.
Zat van niks, man, van mijn gat, dan.


Beste Hans,
Ik vroeg je wat, man.


Beste X,
Het gat waarin mijn weten is neergestort en mijn niet-weten is opgelost.


Beste Hans,
Ontstellend, dit.


Beste X
Weet je wat ik ontstellend vindt?

Dat ik er bén.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat ik belichaamd ben.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Zien, eten, lezen, praten, lachen, zoenen, bloeden, slapen.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er behalve mij talloze andere dingen en wezens zijn.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er talloze dingen en wezens van vroeger niet meer zijn.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat er talloze dingen en wezens van later nog niet zijn.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat de talloze dingen en wezens die er ook hadden kunnen zijn, er niet zijn en misschien nooit zullen zijn, behalve in mijn verbeelding, als dat is wat het is, en in mijn dromen, als dat is wat ze zijn.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Dat al deze gedachten verbeelding zijn, als dat is wat ze zijn.
Dat zelfs mijn kop verbeelding is, als dat is wat het is.
Daar kan ik met mijn kop niet bij.

Deze hartverscheurende, hersenschuddende, met stomheid slaande ontsteltenis wilde en wil niet van mijn zijde wijken, en ik niet meer van de hare.
Zij is mijn uit- en overlaat.
Alle woorden, stellingen, oordelen, theorieën, verklaringen, interpretaties, duidingen, verhalen, gedachten verdwijnen in haar zwarte gat, ook deze.

Lang heb ik me verzet, tot ik niet meer kon, tot er iets brak, of doorbrak, of openbrak, of uitbrak, weet ik veel.
Nu is de nagloed van die kont het dwaallicht waarop ik mij oriënteer.
Het spotlicht dat mij overal volgt zodat ik om mezelf blijf lachen.
Het nachtlicht dat mij ondanks alles geruststelt.


Beste Hans,
jij liever dan ik.


Beste X,
Alles went, al blijft het onbekend.
Het gewone mag dan hoogst ongewoon zijn, het ongewone is nu de gewoonste zaak van de wereld.
Niet-weten is toch een soort thuiskomen, al is het dan in den vreemde, dat daarmee eigen wordt zonder een jota aan eigenaardigheid in te boeten.
Het Fremdkörper is ingelijfd, het wezensvreemde blijkt mijn wezen te wezen.
De xenofoob is xenoloog geworden, xenofiel, xenomaan.


Beste Hans,
Waarheen wijst de vinger van de xenomaan?


Beste X,
Naar zichzelf, zijn laatste waan.
Uit zijn ogen schijnt mijn duisternis.


xenofoob: iemand die bang is voor de vreemdheid van het schijnbaar bekende

xenoloog: iemand die de vreemdheid van het schijnbaar bekende onderzoekt

xenofiel: iemand die de vreemdheid van het schijnbaar bekende omarmt

xenomaan: iemand die door de vreemdheid van het schijnbaar bekende is geobsedeerd

Xenos is Grieks voor ‘vreemd’; hier duidt het specifiek op de verborgen vreemdheid van al het schijnbaar bekende.


Hoe wonderlijk! Hoe wonderlijk! Hoe wonderlijk gewoon!

Ik heb geen mystieke ervaringen. Ik heb ook geen gewone ervaringen.
Al mijn ervaringen zijn gewoon wonderlijk. Al mijn ervaringen zijn wonderlijk gewoon. Ze zijn doordrenkt van niet-weten, dat is alles.


Het is niet zo dat ik ooit, jaren of decennia geleden, een diepe ervaring heb gehad waar ik nog steeds op teer. Het is niet zo dat ik af en toe diepe ervaringen heb op een meditatiekussen of in een kerkbank of in de natuur die mij obsederen en van waaruit ik probeer te leven. Het is niet zo dat ik uren per dag ‘in eenheid verblijf’, zoals een fanatieke meditator uit Vlaanderen mij ooit verzekerde – en er dan gvd toch steeds weer uitval. Ik val nergens in of uit, niet dat ik weet.


God is mij een raadsel. Jij bent mij een raadsel. Ik ben mij een raadsel. Het zelf is mij een raadsel. Alles is mij een raadsel. Zijn God, jij, ikzelf, het zelf en alles hetzelfde raadsel of verschillende raadsels? Is alles raadselachtig of ben ik het die alles raadselachtig maakt? Is er wel een raadsel? Is er wel een alles? Is er wel een mij? Is er wel een jij? Is er wel een zelf? Is er wel een God? Voor mij is het één groot mysterie.


Ik heb geen rechtstreekse ervaringen van God zelf. Ik ben dus beslist geen mysticus. In ieder geval behoor ik niet tot de mystici die al weten wat het onbegrijpelijke is dat ze ervaren en die al weten hoe ze het moeten benoemen, benaderen en bejegenen.


Mij is niets geopenbaard, of dat moest de openbaring zijn. Mystieker kan niet, in de oorspronkelijke zin van het woord. Ik ben dus beslist een mysticus.


Niet-weten heeft geen grondslag. Niet-weten is een kaakslag. Een bijlslag, een zweepslag, een donderslag bij wijze van hemel. Doodslag, kaalslag, hagelslag, wat het ook is, in ieder geval geen filosofie of anti-filosofie, geen leer en geen anti-leer.


Een rots in de branding wou ik vinden. Een rots in de branding wou ik scheppen. Een rots in de branding wou ik worden. Een drenkeling is wat ik werd. Een drenkeling zonder vlot of gebod. Drijvend in de zee van niet-weten. Een île flottant, de zee een hand. Ben ik daar nou al die tijd zo bang voor geweest?


Voor de mysticus van alledag is alles miraculeus, of het nou een mirakel wordt genoemd of niet. Is alles miraculeus dan is alles middelmatig. Als je mystieke roos de hele kosmos behelst zijn de wonderen van Jezus en de bovennatuurlijke krachten van boeddha’s een bagatel. Als je mystieke roos de hele kosmos behelst is een paperclip al een wonder.


O, dat is, dat is…
geen woord meer… de bloeiende
Yoshinobergen!

(Teishitsu in Haiku, Een jonge maan, J. van Tooren, 1983, p117)


Beste Hans,
Wat zijn nou precies jouw mystieke ervaringen? Of wat maakt jouw ervaringen precies mystiek?


Beste X,
Ik heb geen mystieke ervaringen.
Ik heb ook geen gewone ervaringen.
Al mijn ervaringen zijn gewoon wonderlijk.
Al mijn ervaringen zijn wonderlijk gewoon.
Ze zijn doordrenkt van niet-weten, dat is alles.

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

’t Gewone wordt
een wonder en
het wonder weer
gewoon!

Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk!
Hoe wonderlijk
gewoon!

Het is dus niet zo dat ik ooit, jaren of decennia geleden, een diepe ervaring heb gehad waar ik nog steeds op teer.
Het is niet zo dat ik af en toe diepe ervaringen heb op een meditatiekussen of in een kerkbank of in de natuur die mij obsederen en van waaruit ik probeer te leven.
Het is niet zo dat ik uren per dag ‘in eenheid verblijf’, zoals een fanatieke meditator uit Vlaanderen mij ooit verzekerde – en er dan gvd toch steeds weer uitval.
Ik val nergens in of uit, niet dat ik weet.
Jij?


Beste Hans,
En God dan?


Beste X,
God is mij een raadsel.
Jij bent mij een raadsel.
Ik ben mij een raadsel.
Het zelf is mij een raadsel.
Alles is mij een raadsel.

Zijn God, jij, ikzelf, het zelf en alles hetzelfde raadsel of verschillende raadsels?
Is alles raadselachtig of ben ik het die alles raadselachtig maakt?
Is er wel een raadsel?
Is er wel een alles?
Is er wel een mij?
Is er wel een jij?
Is er wel een zelf?
Is er wel een God?

Voor mij is het één groot mysterie.


Beste Hans,
Kan iemand die zich afvraagt of er wel een God is wel een mysticus zijn?


Beste X,
Ik heb geen rechtstreekse ervaringen van God zelf.
Ik ben dus beslist geen mysticus.
In ieder geval behoor ik niet tot de mystici die al weten wat het onbegrijpelijke is dat ze ervaren en die al weten hoe ze het moeten benoemen, benaderen en bejegenen.

Tijdens mijn doorlopende ervaringen van de onbekendheid van het bekende heeft het onbekende nooit ofte nimmer zijn of haar identiteit prijsgegeven.
Ik ken het niet, zelfs niet als het onbekende of het onbepaalde of het ondoorgrondelijke of het geheimzinnige of het mysterie of het verborgene of het mystieke of het wezenloze of het identiteitsloze, laat staan als god of duivel of geest of zelf of principe of iets of niets of kwaliteit of natuur of aspect of illusie of idee of wat dan ook.
Ik ken het niet en ik weet niet of er wat te kennen valt, ook niet dat er niets te kennen valt.

Mij is niets geopenbaard, of dat moest de openbaring zijn.
Mystieker kan niet, in de oorspronkelijke zin van het woord.
Ik ben dus beslist een mysticus.


Beste Hans,
Mag ik aannemen dat die diep doorleefde ervaring van het ongewone van het gewone de grondslag is van jouw bestaansmystiek, zoals de diep doorleefde ervaring van het numineuze de grondslag is van de godsmystiek?


Beste X,
Aannemen is voor aannemers.
Daar komen alleen maar gebouwen van.
Niet-weten heeft geen grondslag.
Niet-weten is een kaakslag.
Een bijlslag, een zweepslag, een aanslag, een inslag, een nekslag, een donderslag bij wijze van hemel.

Doodslag, kaalslag, hagelslag, wat het ook is, in ieder geval geen filosofie of anti-filosofie, geen leer en geen anti-leer.
Wat valt er dan te funderen?
Niet-weten betekent alleen maar dat je het allemaal niet meer weet en allemaal niet meer hoeft te weten.
Bij wijze van spreken natuurlijk, zoals alles wat ik zeg, want letterlijk genomen is het lulliaanse kul.
Dit ook.


Beste Hans,
Maar bestaansmystieke ervaringen zijn toch een bevestiging van niet-weten, zoals godsmystieke ervaringen een bevestiging zijn van het bestaan van God of Atman of het Zelf?


Beste X,
Wat valt er in Nescio’s naam te bevestigen aan niet weten?
Ik wil best toegeven dat mijn chronische bevreemding congruent is met niet-weten.
Maar mijn bevreemding heeft het een halve eeuw uitgezongen zonder niet-weten, en niet-weten beroept zich nooit ofte nimmer op mijn bevreemding of op wat dan ook.


Beste Hans,
Is er dan geen enkel verband?


Beste X,
Laat ik het zo zeggen: mijn bevreemding, die niets bewijst of bevestigt, heeft uiteindelijk, zeer tegen mijn zin, beslag gekregen in een radicaal niet-weten, dat niets beweert of ontkent.
Duizendmaal liever had ik mijn verbijstering verbrijzeld op een van de monolithische waarheden, waarden, werkelijkheden, wijsheden waarin de geest grossiert.
Joost weet hoe hard ik ernaar heb gezocht.

Een rots in de branding wou ik vinden.
Een rots in de branding wou ik scheppen.
Een rots in de branding wou ik worden.
Een drenkeling is wat ik werd.
Een drenkeling zonder vlot of gebod.
Drijvend in de zee van niet-weten –

Een île flottant
De zee een hand

Ben ik daar nou al die tijd zo bang voor geweest?


Beste Hans,
Nog één vraagje. Geloof jij in mirakels zoals de wonderen van Jezus en de zes bovennatuurlijke krachten van boeddha’s? Op het water lopen, broodvermenigvuldiging, levitatie, telepathie?


Beste X,
Nou en of.
Jezus op het water is misschien maar een verhaal, misschien een historisch feit.
Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.
En wat te denken van jezelf in het water, water in jezelf, water, jezelf, mensen, mieren, meren, rivieren, oceanen, wolken, regen, sneeuw, hagel?

Vijfduizend mensen voeden met vijf broden is misschien maar een verhaal, misschien een feit.
Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.
En wat te denken van vijfduizend mensen, vijf broden, deeg, het kneden van het deeg, knedende handen, meel, maalstenen, dorsvlegels, sikkels, ijzer, erts, bomen, hout, graan, grond, zon?

Levitatie is misschien maar een verhaal, misschien een feit.
Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.
En wat te denken van vlinders, vogels, ballonnen, vliegtuigen, parachutisten, astronauten, de aardbol die in de ruimte zweeft, de maan die om de aarde draait, de zwaartekracht, de ruimte, de melkweg?

Telepathie is misschien maar een verhaal, misschien een feit.
Als feit zou het een wonder zijn, maar als verhaal net zo goed.
En wat te denken van empathie, sympathie, antipathie, apathie, homeopathie, neuropathie en encefalopathie?
Wat te denken van telegrafie, telefonie, televisie, telescopie, telemetrie, telematica, teleseks, teleshoppen, telebankieren?

Voor de mysticus van alledag is alles miraculeus, of het nou een mirakel wordt genoemd of niet.
Is alles miraculeus dan is alles middelmatig.
Als je mystieke roos de hele kosmos behelst, zijn de wonderen van Jezus en de bovennatuurlijke krachten van boeddha’s een bagatel.
Als je mystieke roos de hele kosmos behelst, is een paperclip al een wonder.


o, dat is, dat zijn…
o dat is, dat zijn, dat is…
o, dat zijn, dat is…

(Hans van Dam in Een xenomaan)