Brieven mystiek; de stilte voorbij

‘Indien je zwijgt, zwijg dan uit niet weten; als je spreekt, spreek uit niet weten; waar je vergeeft, vergeef je uit niet weten.’ Voorbij de stilte; brieven over mystiek en niet-weten.

Dwaalgids > Mystiek > Brieven mystiek; de stilte voorbij

Wat offer jij aan God?

Lees ook: Wat is mystiek?, Lege mystiek op de hoogste piek: ‘nada, nada, nada!’, Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten

God is een diep verblindend duister waarin ik tastend leven mag

Nieuwe maan

Beste Hans,

Niet lang geleden heb ik je interview Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd gelezen. Grasduinend in de Encyclopedie van de Mystiek en de Mysteriegodsdiensten van John Ferguson (Het Wereldvenster, Baarn, 1979, p296) vond ik vanmorgen een gedicht van Henry Vaughan dat je vast wel mooi zult vinden:

‘Er is in God, zegt men,
Een diep verblindend duister; zoals men hier
Zegt het is laat en schemerig, omdat zij
Niet alles helder zien.
O om die nacht! waar ik in Hem
Zou mogen leven onzichtbaar en zwak!’

Beste Larissa,

Dank voor het gedicht, ik kende het niet. De beeldspraak is mij uit het hart gegrepen. Of er om dat diep verblindend duister heen inderdaad een God is, kun je van daaruit natuurlijk niet zien, kan ik van hieruit natuurlijk niet zien:

God is een diep verblindend duister!
O eindeloze nacht!
Waarin ik tastend leven mag!
Onzichtbaar en zwak!

Larissa: Ook mooi. Waarom onzichtbaar en zwak?

Hans: Vanwege dat diep verblindend duister. In niet-weten kun je niet anders zijn dan onzichtbaar en zwak. Onderdeel van de achtergrond als een wandelende tak in het lover. Onderdeel van de voorgrond als het lover rond een wandelende tak. Onderdeel van de grond die zonder grond is. Figuur die niet spreekt en niet zwijgt.

Larissa: Hoezo niet spreekt en niet zwijgt?

Hans: In het diep verblindend duister kun je niet zeggen dat God er is, je kunt niet zeggen dat Hij er niet is. Je kunt niet zeggen dat Hij in jou is, je kunt niet zeggen dat Hij niet in jou is. Je kunt niet zeggen dat je in Hem bent, je kunt niet zeggen dat je niet in Hem bent. Je kunt niet zeggen dat je Hem bent, je kunt niet zeggen dat je Hem niet bent. Je kunt niet zeggen dat je bent, je kunt niet zeggen dat je niet bent. Je kunt niet zeggen dat er duisternis heerst, en niet dat het licht is. Je kunt zelfs niet zeggen dat je niets kunt zeggen.

Larissa: Vanwaar die uitroeptekens in je gedicht?

Hans: Je kunt niet zeggen, en je hoeft niet te zeggen! Dat mag je zeggen en dat maakt je gelukkig (geen fluit)!

Wat offer jij aan God?

Goud of God?

Beste Hans,

In Where are you going (1994) vertelt swami Muktananda het volgende verhaal:

Een yogi, een priester en Nasruddin vertelden elkaar wat ze voor God over hadden. De yogi trok een cirkel op de grond en zei: Alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. Wat binnen de cirkel valt is voor God, wat erbuiten valt is voor mij. De priester trok een cirkel op de grond en zei: Alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. Wat buiten de cirkel valt is voor God, wat erbinnen valt is voor mij. Nasruddin zei: Ik doe niet aan cirkels. Alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. God neemt wat hij hebben wil; wat op de grond valt is voor mij. (p157)

Nu mijn vraag. Wat offer jij aan God?

Hans: God.

Souhaila: Hè?

Hans: Iets groters heb ik niet.

Souhaila: Jij offert God aan God?

Hans: En aan iedereen die hem hebben wil.

Souhaila: Is dit een verwijzing naar niet-God?

Hans: Ook opgeofferd.

Souhaila: Misschien moest je jezelf maar eens opofferen.

Hans: Ik doe al niet anders.

Souhaila: Aan God?

Hans: En aan iedereen die me hebben wil.

Souhaila: Is dit een verwijzing naar niet-zelf?

Hans: Ook opgeofferd.

Souhaila: Zo blijft er niets over.

Hans: Ook opgeofferd.

Souhaila: Hét niets of gewoon niets?

Hans: Of gewoon alles.

Souhaila: Het enige wat overblijft is offeren?

Hans: Ook opgeofferd.

Souhaila: Jij liever dan ik.

Hans: Zeker weten.

Souhaila: Jij was toch van niet-weten?

Hans: Ook opgeofferd.

Souhaila: Tja.

Hans: Wat offer jij allemaal aan God?

Verder lezen: Wat is soefisme? De derwisj en de dwaas

Mystiek voor leeghoofden

Ik kan me niet voorstellen dat ik geen mysticus zou zijn

Gerhard: Hoe denk jij als beroepsstamelaar over het Onuitsprekelijke?

Hans: Sst.

Gerhard: Dat kun je zelfs geen stamelen meer noemen.

Hans: Over het Onuitsprekelijke wil ik zwijgen.

Gerhard: ‘Zwijgen doet men best met woorden’, schrijf je ergens. Hoe zwijgt men met woorden over het Onuitsprekelijke?

Hans: Ik zeg niet dat het onuitsprekelijke bestaat. Ik zeg niet dat het niet bestaat. Ik zeg niet dat het bestaat én niet bestaat. Ik zeg niet dat het bestaat noch niet bestaat. Ik zeg niet dat het voorbij bestaan en niet bestaan is. Ik zeg niet dat het eraan voorafgaat.

Ik zeg niet dat het onuitsprekelijke onuitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het uitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het uitsprekelijk en onuitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het uitsprekelijk noch uitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het voorbij uitsprekelijk en onuitsprekelijk is. Ik zeg niet dat het eraan voorafgaat.

Ik zeg niet dat het het Onuitsprekelijke is (met een hoofdletter). Ik zeg niet dat het het onuitsprekelijke is (met een kleine letter). Ik zeg niet dat het hét onuitsprekelijke is (een kracht, wil, bron, principe, natuur, ding, alomtegenwoordigheid, grond of ongrond). Ik zeg niet dat het dé onuitsprekelijke is (een wezen, wereldgeest, bewustzijn, intelligentie, vader, zoon, heilige geest, drieëenheid of godheid).

Noem dit desnoods een expressie van het onuitsprekelijke; zelf zeg ik liever niets.

Gerhard: Waarom zo krampachtig?

Hans: Dat voel je niet goed aan. Ik zeg dit met een totaal ontspannen geest en ik hoop iets van die totale ontspanning over te dragen door deze manier van zwijgen.

Gerhard: Waarin zit die ontspanning voor jou?

Hans: Ik leg het onuitsprekelijke niets op, zelfs geen zijn of niet-zijn of zijnde niet-zijn. Ik leg mezelf niets op, zelfs geen weten of niet-weten of wetend niet-weten. Ik speculeer niet over een eventuele relatie tussen een eventuele ik of geest of ziel en het eventuele onuitsprekelijke, noch wil ik met deze manier van denken, spreken en schrijven een voorbeeld stellen voor anderen. Is dat relaxed of niet?

Een en ander geldt niet alleen voor het onuitsprekelijke, al komt dat voor jou misschien op de eerste plaats. Sinds mijn denkbeeldenstorm is mijn denken voor zover ik kan nagaan helemaal vrij van vaste zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden en schrikbeelden, zo leeg als een katholieke kerk na de Beeldenstorm, zo leeg als een mysticus in wat Jan van het Kruis de donkere nacht van de ziel noemt.

Daardoor heeft ‘het’ (‘mijn’ ‘denken’) niets anders te doen dan alles en iedereen te laten zijn en niet-zijn et cetera wat hij/zij/het is of niet is, inclusief het denken zelf, inclusief deze gedachten of welke gedachten dan ook.

Hans van Dam heeft niets te bevestigen, niets te ontkennen, niets te bewijzen, niets te ontkrachten, niets vast te houden, niets los te laten, niets aan te prijzen en niets af te raden. Dit ook niet.

Is dat relaxed of niet?

Gerhard: Je bevestigt niets, dus dit is niet de via positiva. Je ontkent niets, dus dit is niet de via negativa. Wat is het dan wel?

Hans: Geen idee. De via via? De via mia? De via invia? De via diluvia?

Gerhard: Pardon?

Hans: Potjeslatijn van een pottenbreker.

Via via: de omweg
Via mia: my way
Via invia: onbegaanbare weg
Via diluvia: hersenspoeling voor licht-gelovigen

Hersenspoeling voor licht-gelovigen

Of zal ik het gewoon de denkweg noemen? De denk-wég? De wegdenkweg?

Gerhard: Maar hoe kom je dan van hier naar daar? Of in de mystieke beeldtaal, hoe kom je van beneden naar boven?

Hans: Zeker weten dat er een boven is? Zeker weten dat er een weg naar boven is? Zeker weten dat jij die weg kunt gaan? Zeker weten dat het boven beter is dan beneden? Zeker weten dat je niet al boven bent? Zeker weten dat er een beneden is? Zeker weten dat je bent?

Gerhard: Toe nou.

Hans: Waarom zou je hier weg willen?

Gerhard: Jij hebt het hier prima naar je zin.

Hans: Als een meer zonder min.

Gerhard: Dat klinkt bijna als een piekervaring – of ten minste een warm bad.

Hans:

Als een bad zonder stop.
Als een piek zonder top.
Als een grap zonder mop.
Van een kip zonder kop.

Gerhard: Zie jij jezelf als een mysticus?

Hans: Ik kan me niet voorstellen dat ik een mysticus zou zijn.

Gerhard: Want je wilt jezelf niets opleggen.

Hans: Ik kan me niet voorstellen dat ik geen mysticus zou zijn.

Gerhard: Want je wilt jezelf niets opleggen.

Hans: Wilniet, doeniet, gaatniet, weetniet, zei de zegniet.

Gerhard: Maar heb jij nou een rechtstreekse ervaring gehad van de of het Onuitsprekelijke of niet? Dat is namelijk de gebruikelijke definitie van mystiek.

Hans: Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet. Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke niet rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet. Waar een en ander de definitie van is, weet ik niet.

Gerhard: Ik doel op de eenheidservaring.

Hans: Soms voel ik me één, dan weer geen of twee of veel, maar de meeste van mijn ervaringen zijn zonder tal. Ze komen allemaal even echt en onecht over. Waarom zou ik de ene ervaring verkiezen boven de andere?

Trouwens, waarom zou de of het onuitsprekelijke enkelvoudig zijn of maar op één manier ervaren kunnen worden?

Wie zegt dat de of het onuitsprekelijke überhaupt ervaren kan worden, als Hij, Zij of Het al ís?

Wie zegt dat concrete ervaringen van de of het onuitsprekelijke werkelijk ingegeven worden door de of het onuitsprekelijke en niet door, bijvoorbeeld, een onderprikkeld, oververmoeid, ischemisch of anorectisch brein of door een duivelse bedrieger?

Omgekeerd, wie zegt dat er ooit iets anders ervaren kan worden dan de of het onuitsprekelijke?

Gerhard: Toch voel je je soms twee en soms één, zeg je.

Hans: Eigenlijk is dat meer iets van vroeger. Tegenwoordig voel ik me nooit meer twee (in de zin van afgescheiden) en nooit meer één. Niet twee en niet één – waarmee ik niet verwijs naar een non-dualistisch niet-twee of een non-monistisch niet-één of een overstijgend niet-twee-en-niet-één, maar naar de totale irrelevantie van dit soort metafysische rekenarij voor mijn dagelijks leven en welzijn.

Gerhard: Een ervaring is een ervaring, ook een herinnerde ervaring.

Hans: Een ervaring is een ervaring, maar wat is een ervaring? Illusies zijn oog ervaringen. Dromen zijn ook ervaringen. Hallucinaties zijn ook ervaringen. Ervaringen bewijzen op zichzelf genomen niets. Het ontbreken van ervaringen bewijst ook al niks, vraag maar aan een blinde.

Sowieso weiger ik categorisch mij nog te identificeren met bepaalde ervaringen ten koste van andere. Waarom zou ik en op grond waarvan? Laat maar komen allemaal, laat maar gaan.

Evenzo weiger ik categorisch mij nog te distantiëren van bepaalde ervaringen ten koste van andere. Waarom zou ik, en op grond waarvan? Laat maar komen allemaal, laat maar gaan.

Evenzo weiger ik categorisch mij te identificeren met distantiëren of te distantiëren van identificeren, of het nou categorisch is of niet. Waarom zou ik, en op grond waarvan? Laat maar komen allemaal, laat maar gaan.

Gerhard: Ik heb het over ervaringen van het uiteindelijke.

Hans: Ervaringen van het uiteindelijke, bewijzen uiteindelijk niets over het uiteindelijke, voor mij tenminste niet. Net zomin als redeneringen over het uiteindelijke, die uiteindelijk allemaal op onberedeneerde postulaten en ongedefinieerde begrippen en een ongefundeerde logica berusten. Net als deze gedachte.

Bovendien heb ik niets meer dat bewezen of ontkracht wil worden: niet over het eindelijke en niet over het uiteindelijke, niet over weten en niet over niet-weten of wat dan ook.

Gerhard: Dat is dan drie keer niks.

Hans: Nada, nada, nada. Is dat relaxed of niet?

Gerhard: Het is wel érg relaxed.

Hans: Het is alsof mijn hersenen klotsen in laxatief in plaats van liquor. Dronkenschap is er niks bij. Gedachten racen ongehinderd door mijn brein als diarree door mijn darmen. Ze krijgen geen tijd om in te dikken, ikke geen tijd om in te kakken. Deze gedachten ook niet. Spetter, pieter, pater, het wonder van het water.

Gerhard: Aldus sprak de beroepsstamelaar over het Onuitsprekelijke.

Hans: God ja, het onuitsprekelijke.

Gerhard: Wou je daar misschien nog iets over zeggen?

Hans: Wis en zeker.

Gerhard: Ga je gang.

Hans: Sst.

Tussen sst en sst

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad als ‘Tussen sst en sst’.

Wederopstanding in het openluchtklooster

Vrije val

Beste Hans,

In Leven met de Beminde schrijft Agnes Holvast op pagina 159:

‘Op de vraag: ‘Wat doen jullie in het klooster?’ antwoordde een woestijnvader: ‘Wij vallen en staan weer op, wij vallen en staan weer op, wij vallen en staan weer op.’ Ikzelf doe niet anders. Ik val en sta weer op. Met andere woorden: ik ga de weg.’

Herken jij jezelf hierin? Wat doe jij in het leven?

Beste Rumo,

Ik val alleen nog maar.

Ende hier omme seghic sachte

Zo zweeg ik dan
en rustte ik
met niet-weten
tot de tijd
dat het mij spreken deed

Beste Hans,

Vergeleken met de bruidsmystiek van een Hadewijch of een Ruusbroeck is niet-weten.nl wel een beetje, hoe zal ik het zeggen, onderkoeld. Vergelijk jouw eigen teksten maar eens met onderstaand fragment van Hadewijch uit haar Achtentwintigste Brief:

Tussen
God
en de zalige ziel
die God geworden is met God,
is een geestelijke liefde.
En wanneer God
deze geestelijke liefde openbaart in de ziel,
zo rijst in haar
een innige vriendschap.
Dat betekent:
zij voelt in zich
hoe God haar een vriend is
voor alle smart
en in alle smart
en boven alle smart,
ja, boven alle smart
tot in de trouw aan Zijn Vader.
In deze innige vriendschap
rijst
een groot vertrouwen.
In dit hoog vertrouwen
rijst
een oprechte zoetheid.
In deze gerechte zoetheid
rijst
een waarachtige blijdschap.
In deze waarachtige blijdschap
rijst
een goddelijke klaarheid.

(uit Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2002)

Mooi hè?

Beste Beatrice,

In haar negenendertigste lied, couplet 6, zingt Hadewijch:

Wat mij betreft, ik laat de minne wezen
wat ze van haar kant wezen wil.
Deze of gene waant in haar zijn vonnissen te lezen,
maar door haar toedoen valt zijn ijver spoedig stil,
en even vlug zijn lofgezang,
waaraan hij zich had opgetild.
Als ze dat wil, kan ze
goed strijden onder ’t schild;
al wordt niemand daar beter van.

(bron: Het boek der liederen I, Hadewijch, tekst en vertaling: Herman Vekeman, Uitgeverij DAMON, Budel 2005)

In dezelfde brief waaruit jij citeert (al dan niet toevallig net een brief waarvan de authenticiteit omstreden is; zie De beeldspraak van Hadewijch, J. Reynaert, 1981, p425), schrijft Hadewijch of wie dan ook:

Sinds de heiligheid van God mij zwijgen deed,
sindsdien heb ik veel gehoord.
En sinds ik veel gehoord heb,
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zwijg ik dan
en rust ik
met God
tot de tijd
dat God mij spreken doet.
Ik heb
al mijn verdeeldheid geheeld,
en ik heb mij
al mijn heelheid eigen gemaakt,
en ik heb
al mijn eigenheid besloten gehouden in God
tot de tijd dat er iemand komt
met een onderscheid makende geest,
die mij vraagt
wat het is dat ik bedoel,
en hoe ik dit voel
met God in God.
Ik ben des te meer onderscheiden
als ik moet spreken.
En hierom zwijg ik zacht.

(ook uit Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, 2002)

Zelf heb ik jarenlang gezocht naar een manier om ‘alles in te houden’ zónder ‘zacht te zwijgen’. Of ik die gevonden heb mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

Los van die vraag, en afgezien van al hun tekortkomingen, vind ik mijn dwaalteksten prachtig. Zoiets hoor je niet te zeggen, nee, naar ik ga er ook niet om liegen.

Omdat ze op mijn eigenfrequentie zijn afgestemd, resoneer ik mee met mijn dwaalteksten, of zij met mij. Zelfs na de honderdste lezing. Ik min ze zoals ik niet-weten min en ik min niet-weten zoals Hadewijch de Minne mint. Niet vanwege hun literaire waarde, die hebben ze niet. Ook niet omdat ze het niet-weten zo treffend omschrijven, dat kunnen anderen beter dan ik. Wel omdat ze het zo duidelijk demonstreren. Je ziet het voor je ogen gebeuren.

Steeds wanneer niet-weten zélf het woord neemt, zit ik op het puntje van mijn stoel, inwendig jubelend. Voor jou is niet-weten.nl onderkoeld, voor mij is het de hoogste lyriek. Hoger hoeft niet en hoger zal het wel niet worden. Daarvoor is een radicaal niet-weten als het mijne simpelweg te paradoxaal en te subversief. Begrijp je wat ik bedoel?

Beatrice: Niet echt.

Hans: Laat ik het zo zeggen,

Wat mij betreft, ik laat niet-weten wezen
wat het van zijn kant wezen wil.
Deze of gene waant in hem haar vonnissen te lezen,
maar door zijn toedoen valt haar ijver spoedig stil,
en even vlug haar lofgezang,
waaraan zij zich had opgetild.
Als het dat wil, kan het
goed strijden onder ’t schild;
al wordt niemand daar beter van.

Beatrice: Ai.

Hans: Of anders zo,

Sinds niet-weten mij zwijgen deed
heb ik veel gehoord
en sinds ik veel gehoord heb
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zweeg ik dan
en rustte ik
met niet-weten
tot de tijd
dat het mij spreken deed.
Ik heb al mijn verdeeldheid
ondermijnd
en ik heb de eenheid
afgezworen
en ik heb mijn eigenheid
besloten gehouden
in niet-weten
tot de tijd dat er iemand kwam
met een wetende geest
die mij vroeg
wat het is dat ik bedoel
en hoe ik dit voel
met niet-weten in niet-weten.
Ik ben des te meer onderscheiden
als ik moet zwijgen
en hierom spreek ik zacht.

Beatrice: Mag ik hieruit concluderen dat jij jezelf als een mysticus ziet?

Hans: Als Hadewijch zacht had gezwegen, zou ze zich zelfs niet bediend hebben van woorden als ‘God’, ‘ik’, ‘verdeeldheid’ en ‘heelheid’. Of ‘mystica’, ik noem maar wat. Omdat ook déze woorden haar ‘onderscheiden’ zouden hebben gemaakt.

Natuurlijk zou ze dit laatste ook niet meer hebben willen zeggen. Hebben kúnnen zeggen. Wat valt er nog te zeggen zonder woorden?

Beatrice: Is dat een bevestiging of een ontkenning?

Hans: Ik zie mezelf niet als een mysticus en niet als een niet-mysticus, en dat is mijn mystiek.

Beatrice: Ik meen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen stellen dat Hadewijch het woord ‘God’ nooit opgegeven zou hebben.

Hans: In haar twintigste brief beschrijft Hadewijch ‘de twaalf uren van de opgang in minne’. In het elfde uur maakt de Minne

‘zijn memorie zo enig, dat hij niet vermag te denken aan heiligen of mensen, niet aan hemel of aarde, niet aan engelen, niet aan zichzelf, niet aan God, maar alleen aan de Minne die hem in bezit heeft genomen in steeds nieuwe tegenwoordigheid.’

In het twaalfde onnoembare uur ten slotte, zinkt Minne

‘terug in Haarzelf. Zij vindt alle voldoening in haar eigen natuur. Zo is Zij zelfgenoegzaam: al minde niemand de Minne, haar naam zou Haar beminnenswaardigheid genoeg geven in haar zelfheerlijke eigen natuur.’

(Hadewijch Brieven, F. van Bladel en B. Spaapen, Lannoo Tielt / Den Haag 1954, p157)

Meister Eckhart zegt in dit verband:

‘Hij bezit dan zonder gehechtheid, zonder bezitsdrang, zonder bezetenheid, doet geen enkele aanspraak gelden – noch op het eigen ik, noch op dat wat buiten hem is, zelfs niet op God.’

In Lege mystiek op de hoogste piek ga ik dieper op dit onderwerp in.

Beatrice: Wat is in jouw visie het verband tussen niet-weten en mystiek?

Hans: Wie niet weet, staat inzake alle wezenlijke vragen – filosofische, existentiële, ethische, religieuze en spirituele – met lege handen. Hij heeft geen enkel antwoord. Zelfs niet het antwoord dat er geen antwoorden zijn. Zelfs niet het antwoord dat je niets kunt weten. Zelfs niet het antwoord dat je dat ook niet kunt weten.

Wie niet weet heeft ook geen vragen meer. Zelfs de termen waarin de antwoorden en de vragen werden gesteld, zijn in rook opgegaan.

‘Dit is het twaalfde onnoembare uur.’

Beatrice: Geen antwoorden meer en geen vragen meer.

Hans: Wie niet weet, is – in alle rust – aan het eind van zijn Latijn. Aan het eind van zijn moedertaal, zijn lichaamstaal, zijn orakeltaal. Wie niet weet, is sprakeloos. Hij heeft werkelijk niets meer te zeggen. Zelfs niet dat hij niets te zeggen heeft.

Beatrice: Omdat de waarheid voorbij de woorden is.

Hans: Nee, niet omdat de waarheid voorbij de woorden is. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat alles een uitdrukking van het ene is. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat alleen stilte recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet omdat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent. Dat zijn opnieuw woorden.

Niet om een andere zegbare of onzegbare reden. Dat zijn opnieuw woorden.

Wie niet weet, is alleen maar sprakeloos. Sprakeloos zonder reden. Redeloos sprakeloos.

Inderdaad, dit zijn nog steeds woorden. Leugenachtig woorden want intussen spreek ik ongehinderd verder. Weg ermee dus. En weg ook met het ‘weg ermee’.

‘Dit is het twaalfde onnoembare uur.’

Beatrice: Niet-weten is simpelweg einde verhaal.

Hans: Dat geldt niet alleen voor het verhaal van God maar ook voor het verhaal van niet-God.

Het geldt voor het verhaal van ik maar ook voor het verhaal van niet-ik.

Het geldt voor het verhaal van verdeeldheid maar ook voor het verhaal van heelheid.

Het geldt voor het verhaal van onderscheid maar ook voor het verhaal van eenheid.

Het geldt voor het verhaal van weten maar ook voor het verhaal van niet-weten.

Het geldt ook voor het verhaal van de twaalf uren van de opgang in minne.

Het geldt zelfs voor het verhaal getiteld ‘Einde verhaal’.

Beatrice: ‘Ende hier omme swighic sachte.’

Hans: Ende hier omme seghic sachte.

Thuis in de ruis

Babbelen zonder babbels als een beekje in een bos

Wie de stilte niet verdraagt, zoals ik, stemt af op een zender. Sommigen willen hun leven lang dezelfde zender horen, anderen steeds een andere, maar dat dondert niet. Wij zijn ontvangers, die zorgvuldig de stilte mijden.

Zelf voel ik me tegenwoordig het meeste thuis in de ruimte tussen de zenders. In de tussenruimte. Ik stem af op de ruis. Op het ruisen van de kosmos, het ruisen van de ether, het ruisen van de zee, het ruisen van de bomen, het ruisen van het verkeer, het ruisen van mijn hart, het ruisen van mijn bloed, het ruisen van mijn adem. Maar bovenal op het ruisen van mijn geest. Het ruisssen van mijn geesst. Agnose. Stiltesurrogaat, welluidender dan het origineel.

Komt er een zender bij die de ruis overstemt dan stem ik opnieuw af op de ruis. Ruis uit de onmetelijke tussenruimte die iedere nieuwe zender moeiteloos overstemt. Er komen steeds meer zenders bij, dus ik blijf afstemmen om de stemmen te overstemmen. Zender, ruis, zender, ruis, zender, ruis.

In de ruis hoor je allemaal stemmen, maar ze zijn niet te verstaan. Als je veel naar ruis luistert leer je de stemmen niet te ontcijferen. Integendeel, je begint onwillekeurig mee te babbelen. Onverstaanbaar, zonder iets of niets te zeggen. Je begint mee te ruisen. Als vanzelf. Resonerend met jezelf.

Je wordt een zender, afgestemd op je eigenfrequentie. Een zender in de tussenruimte. Een zender van ruis. Woordgeworden ruis in mijn geval, maar – ruis. Stiltesurrogaat in de vorm van een dwaaltekst genaamd Thuis in de ruis. Stiltesurrogaat in de vorm van een website, een boek, stukjes in een tijdschrift of een krant, meanderende gesprekken zonder kop of staart, zonder premissen of conclusies. Ik geef ze prijs zonder spijt aan de vergetelheid. Ik ben een zender die ruis uitzendt.

De ene ruis is de andere niet. De ruis van mijn lief is de mijne niet, de mijne is de jouwe niet. Wie zelfruisend is geworden, klinkt alleen nog als zichzelf. Hij resoneert met zichzelf. Hij hoeft nergens meer op af te stemmen. Hij hoeft niemand meer te overstemmen. Hij babbelt zonder babbels als een beekje in een bos.

Stem voor de verandering eens af tussen de zenders, maakt niet uit waar. Ergens in die kakofonie van gelijkaardige onklanken sist je eigen ruis. Witte ruis, bruine ruis, roze ruis, ruis in alle kleuren van de regenboog, ruis in vijftig tinten grijs – het maakt niet uit. Ruis is ruis. Ruis is pluis. Ruis is thuis.

Ssssssssssssssssssssssssssssst.

Ontvang je mij?

Deze tekst is ook gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Verder lezen: Apologie voor mijn apologie van niet-weten

De Heilige Geessssssssst

Wie de sstilte niet verdraagt, zoalsss ik, sssstemt af op een zender. Sssssommigen willen hun leven lang dezelfde zender horen, anderen ssssssteeds een andere, maar dat dondert niet. Wij zijn ontvangersssssss, die zorgvuldig de sssssssstilte mijden.

Zelf voel ik me tegenwoordig het meeste thuisssssssss in de ruimte tussssssssssssen de zenderssssssssss. In de tusssssssssssenruimte. Ik sssssssssssstem af op de ruisssssssssssss. Op het ruissssssssssssssen van de kosssssssssssssssmossssssssssssssss, het ruisssssssssssssssen van de ether, het ruissssssssssssssssen van de zee, het ruisssssssssssssssssen van de bomen, het ruissssssssssssssssssen van het verkeer, het ruissssssssssssssssssen van mijn hart, het ruisssssssssssssssssssen van mijn bloed, het ruissssssssssssssssssssen van mijn adem. Maar bovenal op het ruisssssssssssssssssssssen van mijn geessssssssssssss sssssssssssssssssssssssss sssssssssss ssssss sssssssssssssssssssss ssssssssssss ssssssss ssss ssssssssss sssssssssssssssssss ss ssssss sssssssssssss sssssssssssssssssssssss sssssssssssssss…

Na vijftig jaar nadenken vraag ik gewoon niets

Wat in geen koffer past

Beste Hans,

Als Veronica Peters na twaalf jaar uit het klooster treedt, vraagt iemand:

‘Hoe sta je nu tegenover godsdienst?’
‘Na tien jaar nadenken weet ik gewoon niets.’
‘De vraag blijft open?’
‘Dat in elk geval.’

(uit Wat in twee koffers past, p232)

Hoe sta jij nu tegenover godsdienst, Hans? Hoe sta je tegenover God? Hoe sta je tegenover het leven?

Hans: Ik sta er niet tegenover, ik sta er niet naast. Ik sta er niet boven, ik sta er niet onder. Ik sta er niet buiten, ik sta er niet in.

Terese: Waar sta je dan wel?

Hans: Na vijftig jaar nadenken weet ik gewoon niets.

Terese: De vraag blijft open?

Hans: Na vijftig jaar nadenken vraag ik gewoon niets.

Gedachten brengen de ziel tot dolen, deze ook

Angstwekkende gronden

Beste Hans,

Ik denk dat de volgende spreuk van Marcus de Asceet jou wel zal aanspreken:

‘Een jong kalf, op zoek naar groener gras, raakt uiteindelijk verdwaald te midden van angstwekkende afgronden. Zo vergaat het ook de ziel, want gedachten brengen haar geleidelijk tot dolen.’

(uit Mystieke teksten van de woestijnvaders, John, Anthony McGuckin, p26)

Hans: Welke gedachten eigenlijk?

Marieken: Alle gedachten, zou ik denken.

Hans: Dan ook deze.

Marieken: Welke?

Hans: Dat gedachten de ziel geleidelijk tot dolen brengen.

Marieken: Hm.

Hans: Wat?

Marieken: Maar wat zeg je dan nog?

Hans: Ik zeg niks.

Marieken: Maar wat zegt Marcus de Asceet dan nog?

Hans: Zeg dat wel.

Marieken: Tja.

Hans: Zo vergaat het nou de ziel.

Marieken: Want gedachten brengen haar geleidelijk tot dolen.

Hans: Jij zegt het.

Marieken: Wat zeg jij?

Hans: Welke ziel eigenlijk?

Lees ook: De nodeloze angst voor een grondeloos bestaan

Piekervaringen zijn zo voorbij

Maar het allermooiste dat ik ooit gezien heb is toch wel een opkrullend platanenblad dat spiraalsgewijs ter aarde viel. Daarnet nog! Of de blik van mijn lief, nu, terwijl ik dit tik! Piekervaringen, zonder meer, maar wat ik ervan leer?

Beste Hans,

Ken jij het boek Naar het hart van mijn ziel van Miek Pot? Daarin beschrijft de auteur hoe ze na twaalf jaar in een kluizenaarsklooster eindelijk de felbegeerde Grote Ervaring krijgt, een piekervaring, een ultieme, mystieke eenheidservaring. Ze schrijft daarover:

Naast alle moeilijkheden die mijn ervaring met zich meebracht, werd er een sterk oervertrouwen geboren in het diepst van mijn ziel. Een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen, dat je het geheel bent, ‘dat ze wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel’ (Mat. 10:28). Dat is fundamenteel en wezenlijk en verandert echt iets aan je leven. Zo’n ervaring geeft daarmee een sterk intern referentiekader. Oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen maken langzaamaan plaats voor een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader. (p95)

Herken je dit? Hoe verliep jouw doorbraak?

Beste Lidewij,

Niet-weten is voor mij geen oervertrouwen in het diepst van mijn ziel, maar een oerwantrouwen ten opzichte van alle ervaringen, gedachten en concepten, niet alleen die van ‘oervertrouwen’ en ‘het diepst van mijn ziel’, maar ook die van ‘oerwantrouwen’, ‘ervaringen’, ‘gedachten’, en ‘concepten’.

Van ‘een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen’ is bij mij geen sprake, al was het maar omdat ook het begrip ‘goed’ op z’n ‘gat’ ligt.

Van ‘een innerlijk weten dat je het geheel bent’ is bij mij evenmin sprake, al was het maar omdat ook de begrippen ‘je’ en ‘het geheel’ op hun gat liggen, om nog maar te zwijgen over hun eventuele equivalentie.

Van ‘een innerlijk weten dat ze wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel’ is bij mij evenmin sprake, al was het maar omdat ook de begrippen ze en me, lichaam en ziel, levend en dood op hun gat liggen. Laat staan dat zo’n ervaring ‘een sterk intern referentiekader’ geeft.

Lidewij: Wat geven bijzondere ervaringen jouw wel?

Hans: Behalve zichzelf, geven ervaringen mij helemaal niets. Gelukkig maar, want ik heb (of krijg of onderga) er, net als iedereen neem ik aan, talloze. Grote en kleine, goddelijke en duivelse, mooie en lelijke, bijzondere en banale, dagelijkse en nachtelijke – het gaat maar door.

Lidewij: Bijzondere ervaringen geven jou niets?

Hans: Ze geven me niets, en geven ze me toch iets dan geef ik het meteen weer terug. Anders leren ze het nooit.

Lidewij: Is er iets wat je wél herkent in het verhaal van Miek Pot?

Hans: Het enige dat ik enigszins herken, is dat ‘oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen langzaamaan plaats maken’. In mijn geval weliswaar niet langzaamaan, en al helemaal niet voor ‘een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader’, of voor welk referentiekader dan ook, maar toch.

Lidewij: Waarvoor dan wel?

Hans: Geen idee. Misschien maken ze alleen maar plaats.

Lidewij: Plaats waarvoor?

Hans: Plaats voor plaats?

Lidewij: Hoe verliep jouw doorbraak?

Hans: Er was en er is bij mij geen sprake van een doorbraak. Doorbreken doe je wanneer je van het ene naar het andere gaat. Bijvoorbeeld van oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen naar een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader, ik noem maar wat.

In mijn geval kun je denk ik beter van een uitbraak spreken. Ik ben uit de oude, van buitenaf (of binnenuit) opgelegde overtuigingen gebroken, en dat is alles. Hoewel… zo klinkt het net alsof ik mijn hele leven ergens in vast heb gezeten. Heb ik dat werkelijk of is dat ook maar een gedachte?

Terugdenkend aan de maanden, of jaren, of decennia, of levens, voordat ik ‘uitbrak’, komt het mij voor dat ik niet zozeer probeerde uit te breken, als wel in te breken. In te breken in een of andere leer of overtuiging of traditie, in een of andere gemeenschap of parochie of sangha, in een of ander heiligdom of asiel of paradijs, in een of ander gat of wat dan ook.

Maar hoezeer ik mijn best ook deed, ik kwam nergens binnen, niet echt. Misschien mijn blik, maar nooit mijn ik. Slik.

Uiteindelijk is het inbreken mij opgebroken. Gebroken ben ik echter niet. Alleen al omdat ik nooit heel ben geweest. Niet dat ik weet. Heel noch part noch deel.

Lidewij: Geen doorbraak, geen uitbraak, geen inbraak – wat dan wel?

Hans: Afbraak, zou ik zeggen. Niet-weten is alles afbreken. Zelfs de afbraak. Of als je dat te activistisch vindt, alles zien afbrokkelen. Zelfs het afbrokkelen. Wat ik aanraak vergaat tot stof, doet mij tot stof vergaan.

Dat geldt niet alleen voor mijn oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen, maar ook voor mijn nieuwe, aan de eigen ervaring getoetste referentiekaders. Het geldt niet alleen voor mijn ego, maar ook voor mijn zelf. Niet alleen voor mijn ziel, maar ook voor mijn hart. Niet alleen voor mijn God, maar ook voor mijn niet-God. Niet alleen voor mijn weten, maar ook voor mijn niet-weten. Alle hebben plaatsgemaakt. Plaatsgemaakt voor plaats.

Herken je dit?

Lidewij: Volgens mij heb jij gewoon nog nooit een eenheidservaring gehad.

Hans: Geenheidservaringen, eenheidservaringen, niet-eenheidservaringen, tweeheidservaringen, niet-tweeheidservaringen, veelheidservaringen, je wilt niet weten wat ik allemaal al heb meegemaakt. Het is nauwelijks te benoemen en niet te bevatten.

Wat dacht je van een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen, dat ze wel mijn lichaam kunnen doden maar niet mijn ziel? Wat dacht je van een innerlijk weten dat het nooit meer goed zal komen, dat mijn ziel al dood is maar niet mijn lichaam? Zelfs de scheppersroes is mij niet vreemd.

Maar het allermooiste dat ik ooit gezien heb is toch wel een opkrullend platanenblad dat spiraalsgewijs ter aarde viel. Daarnet nog! Of de blik van mijn lief, nu, terwijl ik dit tik! Piekervaringen, zonder meer, maar wat ik ervan leer? Kijk toch eens, mijn wijsvinger beweegt! Op het beeldscherm verschijnt een letter! Dit vettige uitsteeksel hier met die vochtige gaten, hoe komt dat op mijn gezicht? Jeminee, ik maak wat mee.

Lidewij: Het gaat er niet om wat je meemaakt, het gaat erom wat het betekent.

Hans: Ik heb eerlijk gezegd geen idee meer wat het allemaal te betekenen heeft. Natuurlijk komen er nog steeds betekenissen in me op. Talloze, en dat is nou net het probleem. Hoe kies je de juiste eruit? Of zijn ze allemaal even juist? Of zijn ze allemaal even onjuist?

Nee, behalve als uitdrukking van zichzelf, zeggen ervaringen mij niets meer. Zeggen ze toch iets dan versta ik ze niet. Versta ik ze toch dan schreeuw ik er gewoon keihard doorheen. Net zolang tot ze eindelijk hun grote waffel houden.

Hebben ervaringen eindelijk geleerd hun grote waffel te houden, zoals ikzelf eindelijk heb geleerd mijn grote waffel te houden, al is het maar sprekenderwijs, dan kunnen we eindelijk horen wat ze ons nooit hebben kunnen zeggen doordat we er zo nodig de hele tijd doorheen moesten tetteren. Nu ook weer.

Lidewij: Wat zal ik horen als er niemand meer doorheen zit te tetteren?

Hans: Dat er niemand meer doorheen zit te tetteren.

Lidewij: Ik bedoel, waardoorheen?

Hans: Die vraag behoort nog tot het tetteren.

Lidewij: Shit.

Hans: Een ander woord voor sst.

Lidewij: Weer een inbraakpoging mislukt.

Hans: Kop op, dat scheelt straks weer een uitbraak.

Lidewij: Toch bedankt.

Hans: De nada.

Piekervaringen zijn zo voorbij

Absoluut zeker (van absoluut niets)

Wat is het verschil tussen levensgeluk en zielsgeluk? Over de zaligheid van niet weten en hoe je dat in vredesnaam onder woorden moet brengen.

Beste Hans,

In een van je correspondenties, ik weet niet meer welke, zeg je dat je absoluut zeker bent van absoluut niets. Op een of andere manier is dat zinnetje in mijn hoofd blijven hangen. Bedoel je dat je nergens helemaal zeker van kunt zijn? Volgens mij komt dat neer op een bestaande filosofie: het probabilisme. Dat maakt jou dus tot een filosoof, een probabilist, in plaats van de ‘filasoof’, de ‘dwijze’ die je zo graag zou willen zijn.

Beste Rafaël,

Met ‘absoluut zeker van absoluut niets’ bedoelde ik niet dat ik nergens zeker van ben, laat staan dat ‘je’ (in zijn algemeenheid) nergens zeker van kunt zijn, wat inderdaad probabilistisch zou zijn. Ik bedoelde ermee dat mijn absolute zekerheid geen object heeft en geen rechtvaardiging kent of zoekt of behoeft.

Rafaël: Het is dus niet dat je nergens absoluut zeker van bent?

Hans: Het is dus niet dat ik ergens absoluut zeker van ben of overal absoluut zeker van ben of absoluut zeker ben dat je nergens absoluut zeker van kunt zijn of zoiets. Het is alleen maar dat ik absoluut zeker ben, punt.

Rafaël: Wat is dat dan voor zekerheid?

Hans: Het is de zekerheid van een antwoordloos, vragenloos, begrippenloos denken (zijn, bestaan), van een denken (zijn, bestaan) waarin antwoorden, vragen en begrippen spontaan voor hun loosheid uitkomen, hoe zal ik het zeggen.

In die grondeloze, redeloze, absolute zekerheid is geen weten, geen twijfel en geen onwetendheid. In die grondeloze, redeloze, absolute zekerheid is ook geen God of niet-God, geen Hans of niet-Hans, geen dualiteit of adualiteit, geen veelheid of eenheid, geen Bron, geen Boeddhanatuur, geen Leegte en geen vorm, geen Bewustzijn, geen Zijn, geen niet-zijn, geen Tao en geen Tê of hoe het allemaal ook mag hê ten.

Rafaël: Omdat die zaken niet bestaan?

Hans: Hoe moet ik dat wê ten? Ze hebben er alleen niets te zoeken, die zaken, daar in die absolute zekerheid over absoluut niets. Daar niet en in mij niet. Waarom niet? Daarom niet. Misschien zijn ze mij een maatje te groot, misschien ben ik hun een maatje te klein, hoe dan ook, ik heb ze er nooit gezien.

Rafaël: Volgens mij bedoel je met ‘absoluut zeker van absoluut niets’ gewoon dat je zelfverzekerd bent.

Hans: Nee, zelfverzekerdheid is heel wat anders. In de omgang met mijn medemens ben ik, behalve bij mijn lief, nog even onhandig en onzeker als vroeger, meer nog, zou ik haast zeggen, en het lijkt er niet op dat daar nog veel verandering in zal komen.

Rafaël: Als ik mij een voorstelling probeer te maken van absolute zekerheid over absoluut niets dan krijg ik een voorgevoel van absolute rust, absolute vrede en absoluut geluk.

Hans: Deze termen zijn op hun beurt misleidend omdat mijn bestaan en mijn gemoed nou niet bepaald vrij van woelingen zijn. Maar wat er ook gebeurt, diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen.

Rafaël: Ingewikkeld hoor.

Hans: Het probleem is juist dat het zo eenvoudig is. Het is net als met niet-weten: wat valt er uit te leggen aan de lege leer? Wat valt er uit te leggen aan de lege zekerheid? Wat valt er uit te leggen aan de lege rust? Wat valt er uit te leggen aan de lege vrede? Wat valt er uit te leggen aan het lege geluk?

Rafaël: De dwijze heeft niets uit te leggen.

Hans: Dat zou je aan de dwijze moeten vragen.

Rafaël: Het is je eigen woord.

Hans: Dwijze is niet bedoeld als een nieuwe spirituele eretitel of een nieuwe spirituele identiteit, maar als een ‘tja’ tegen iedere spirituele eretitel en iedere spirituele identiteit. Al kan ik natuurlijk nooit uitsluiten dat ik mezelf hiermee nog steeds voor de gek zit te houden.

Rafaël: Misschien had je niet moeten spreken van ‘absoluut zeker van absoluut niets’. Dan had ik je ook niet voor een probabilist aangezien.

Hans: Heb jij een beter idee?

Rafaël: Zekerheid-zonder-zekerheid? Net als look-zonder-look, zeg maar (een kruid dat sterk naar knoflook ruikt).

Hans: Of zekerheid zonder zekerheden. Of zekerheden zonder zeker heden. Of zekerheid in een onzeker heden. Of onzekerheid in een zeker heden enzovoort. Een of andere paradox. Een magisch woord dat voor iedere zoeker onmiddellijk de poortloze poort ontsluit.

En dan meteen door naar de ongenadige genade van de heilloze heiland. Luisterend als een levende dode naar de stilte zonder stilte, doende niet-doend tot het einde van het eeuwige heden. Vervuld van de rust-zonder-rust en de vredeloze vrede en het geluk-bij-een-ongeluk.

Het oxymoron: hangijzer en breekijzer van de dwaze wijze. Absoluut zeker van absoluut niets. En een misverstanden dat het geeft!

Verder lezen: Dwaaltaal: de kunst van welsprekend niet-spreken

Diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen

Maanden later

Rafaël: Graag wou ik je een stukje voorleggen uit een interview met Eugène Ionesco, de absurdistische Franse toneelschrijver. Ik vond het in Wat is mystiek van Paul Mommaers, 1977, op bladzijde 36:

‘Mij zijn momenten van zekerheid te beurt gevallen. Op dat stuk heb ik een ervaring gehad. Ik was zeventien jaar. Op een dag wandelde ik door een provinciestad, in de maand juni, ’s morgens. Plots kwam de wereld mij voor als verheerlijkt, zó dat een overweldigende vreugde me aangreep en ik tot mezelf zei: wat er ook nog gebeurt, nu wéét ik. En ik zal me dat moment altijd blijven herinneren. Ik zal dan ook nooit meer helemáál wanhopig zijn.

Ik kan u niet vertellen wat het was omdat het echt niet te vertellen is. Er was zoiets als een verandering in de aanblik van de stad zelf, van de wereld, van de mensen. De hemel leek me dichterbij, bijna tastbaar. Het enige wat ik zeggen kan is: intensiteit, aanwezigheid, licht. Met die woorden kan men het min of meer weergeven. Maar een definitie is niet mogelijk.

In elk geval, op dat moment zei ik tot mezelf dat ik zeker was. Had men mij gevraagd: zeker waarvan, dan had ik het niet kunnen zeggen. Ik was vervuld van een zekerheid, en ik heb bij mezelf gezegd dat ik nooit meer ongelukkig zou zijn, dat ik me op de kwaadste momenten dit ogenblik zou herinneren.

Het heeft zich, twee of drie jaar later, herhaald, met minder kracht; en daarna nooit meer. Ik ben het vergeten. Het is niet meer iets levends.’

Kun jij je een beetje vinden in deze omschrijving?

Hans: Het enige raakvlak tussen deze beschrijving van Ionesco en de mijne, zit in de derde alinea. Ionesco is vervuld van zekerheid, maar kan niet zeggen waarvan. Ik ben ook vervuld van zekerheid, en ik kan ook niet zeggen waarvan.

Ik kan daarentegen wel zeggen waarvan niet (en heb dat in onze eerdere correspondentie ook gedaan); Ionesco niet (in ieder geval doet hij het in dit interviewfragment niet).

Ionesco heeft in zijn momenten van zekerheid bij zichzelf gezegd dat hij nooit meer ongelukkig zou zijn, en nooit meer helemáál wanhopig; ik heb dat nooit bij mezelf gezegd, zou het ook niet kunnen, want uit niet weten volgt niets, niet dat ik weet, ook al is het een feit dat ik sinds ik niet meer weet nooit meer ongeremd ongelukkig ben geweest, en zelfs niet een beetje wanhopig.

Bij Ionesco doet het gevoel van redeloze zekerheid zich voor tijdens twee piekervaringen aan het begin van zijn levenspad; bij mij doet het zich onophoudelijk voor sinds ik op mijn negenenveertigste mijn roer verloor.

Ionesco spreekt van momenten van zekerheid; zelf spreek ik liever van een – ja, wat? Gemoedstoestand? Grondstemming? Achtergrondgevoel? Rode draad? Ruggengraat? Of zal ik het een onomkeerbare transformatie van mijn denken of van mijn geest, mijn gemoed, mijn hart noemen?

Ja, ik kan wel zoveel zeggen, maar het zou me niets verbazen als het van de ene op de andere dag gedaan is met mijn absolute zekerheid over absoluut niets. Je weet tenslotte maar nooit.

Rafaël: Ik snap het niet. Als je zegt dat je sinds je niet meer weet nooit meer ongeremd ongelukkig bent geweest, proef ik daaruit dat je best nog weleens ongelukkig bent, alleen niet meer zo diep als vroeger. Aan de andere kant heb je het over absoluut geluk. Absoluut betekent toch altijd en overal?

Hans: Jij leest ‘absoluut’ als een kwalificatie van ‘geluk’. Alsof ik nu voorgoed gelukkig ben in de klassieke zin van het woord, dat wil zeggen, onveranderlijk blij van zin, vrolijk, onbekommerd, levenslustig en tevreden. Alsof ik mijn geluksschuifje heb vastgeklikt op tien.

Dat heb ik niet, en ik zou ook niet weten hoe. Mijn geluksgevoel is nog steeds zo variabel als het weer en afhankelijk van allerlei omstandigheden. Geluk in deze zin van het woord zou je voorwaardelijk geluk, relatief geluk, uiterlijk geluk, werelds geluk of tijdelijk geluk kunnen noemen.

Daarnaast is er een andere vorm van geluk, en dat is het grondeloze, redeloze, objectloze geluk van niet-weten. Aangezien het geluk van niet-weten niet afhankelijk is van omstandigheden, zou je het onvoorwaardelijk geluk, absoluut geluk, innerlijk geluk, spiritueel geluk, tijdloos of blijvend geluk kunnen noemen. Ik hoef er namelijk niets voor te doen of te laten en ik kan er ook niets voor doen of laten. Het is er altijd, hoe het verder ook met mij gesteld is in relatieve zin.

Zoals ik je al eens schreef: wat er ook gebeurt, diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen. Zo kan het dus gebeuren dat ik me in de relatieve (gewone) zin van het woord ongelukkig voel (bezorgd, angstig, verveeld enzovoort) terwijl ik in de absolute zin van het woord gelukkig ben. Tegenstrijdig natuurlijk, maar zo is het gemoed.

Het valt me op dat ik zojuist voor het relatieve geluk het werkwoord ‘voelen’ gebruikte en voor het absolute geluk van niet weten het werkwoord ‘zijn’. Ik vóel me ongelukkig maar ik bén gelukkig. Zo kan je het verschil dus ook tot uitdrukking brengen.

Weer een andere formulering die nu in me opkomt is dat ik soms oppervlakkig ongelukkig ben maar tegelijkertijd diep gelukkig. Het diepe geluk verlaat me nooit, en daarom noem ik het diep.

Dit zijn de tegenstellingen die ik tot nog toe heb gebruikt:

voorwaardelijk – onvoorwaardelijk
relatief – absoluut
oppervlakkig – diep
uiterlijk – innerlijk
werelds – spiritueel
tijdelijk – tijdloos/blijvend

In combinatie met geluk:

voorwaardelijk geluk – onvoorwaardelijk geluk
relatief geluk – absoluut geluk
oppervlakkig geluk – diep geluk
uiterlijk geluk – innerlijk geluk
werelds geluk – spiritueel geluk
tijdelijk geluk – tijdloos/blijvend geluk

In combinatie met ‘zekerheid’:

voorwaardelijke zekerheid – onvoorwaardelijke zekerheid
relatieve zekerheid – absolute zekerheid
oppervlakkige zekerheid – diepe zekerheid
uiterlijke zekerheid – innerlijke zekerheid
wereldse zekerheid – spirituele zekerheid
tijdelijke zekerheid – blijvende zekerheid

In combinatie met rust:

voorwaardelijke rust – onvoorwaardelijke rust
relatieve rust – absolute rust
oppervlakkige rust – diepe rust
uiterlijke rust – innerlijke rust
wereldse rust – spirituele rust
tijdelijke rust – blijvende rust

En in combinatie met vrede:

voorwaardelijke vrede – onvoorwaardelijke vrede
relatieve vrede – absolute vrede
oppervlakkige vrede – diepe vrede
uiterlijke vrede – innerlijke vrede
wereldse vrede – spirituele vrede
tijdelijke vrede – blijvende vrede

Wat mij hindert aan deze rijtjes is dat de linkertermen een beetje geringschattend zijn. Alsof de ene vorm van geluk (zekerheid, rust, vrede) de andere overstijgt of overklast of overstraalt. Alsof je pas echt gelukkig bent als je het ‘absolute’ geluk kent. Alsof je nooit meer ongelukkig zult zijn als je het ‘blijvende’ geluk kent. Alsof je nooit meer het voorwaardelijke geluk na zult jagen als je het ‘onvoorwaardelijke’ geluk kent.

Zo werkt het dus niet. Bij mij in elk geval niet. De twee vormen van geluk (zekerheid, rust, vrede) bestaan (‘bestaan’) naast elkaar en de een stelt de ander niet in de schaduw. Ik gebruik dus niet de juiste woorden. Wat zijn wel de juiste woorden? Zijn er wel juiste woorden?

Termen die ik eerder heb gebruikt voor het geluk van niet-weten zijn ‘het lege geluk’ en ‘redeloos geluk’ en ‘grondeloos geluk’ en ‘geluk zonder object’. Dat klinkt meteen al een stuk minder exclusief. Maar wat moeten we er tegenover stellen? Het volle geluk, redelijk geluk, gegrond geluk, geluk met object? Hm.

Nog een ontsnappingsmogelijkheid uit het hiërarchische spreken over geluk is om voor het geluk van niet-weten een nieuw woord te verzinnen of een achterhaald woord een nieuwe betekenis te geven. Bij dit laatste denk ik aan ‘zaligheid’, een ouderwets woord dat bij niet-christenen in onbruik is geraakt en zich daardoor goed leent voor een nieuwe invulling. Ziel en zaligheid. Zielsgelukkig?

Nee, ik ben er nog niet uit.

Tip: Wat is mystiek?

Zielsverrukt

Een jaar later

Rafaël: Ben je er al uit?

Hans: Inderdaad, ik ben eruit. Tot mijn stomme verbazing eigenlijk. Nadat ik al zoekende op het woordje ‘ziel’ was gestoten is het hard gegaan. Op het woordkerkhof van het katholicisme lagen gratis en voor niks hele woordvelden op mij te wachten waarin ik mij binnen de kortste keren wonderbaarlijk (ook al zo’n katholiek woord) goed thuis voelde.

Ze klinken een beetje ouderwets, ze worden in het dagelijks leven weinig gebruikt en daardoor ontstaan er ook niet zo snel misverstanden vergeleken met evergreens als geluk, rust en vrede. Grappig genoeg beginnen veel van die woorden ook nog eens met een z – net als het woord zekerheid dus. Makkelijk te onthouden.

Dit zijn op het moment van schrijven mijn z-pillen: zaligheid (=heerlijkheid), zielenrust (-vrede, -vreugde, -geluk), zielsverrukt en zielsverrückt!

De lege vreugde van niet-weten ben ik spontaan ‘zaligheid’ en ‘heerlijkheid’ gaan noemen. Ik kraam nu dingen uit als: ‘Het is zalig om niet meer te weten’ en ‘Zalig worden betekent voor mij gered worden uit het eeuwige weten’ en ‘Niet-weten bleek voor mij zaligmakend’ en ‘Ik mag dan zalig zijn, de zaligmaker ben ik niet’ en ‘Mijn zaligmaker heet Meester Tja’ en ‘Zalig zijn de dwijzen’ en ‘De dwijze heeft van niemand een zaligverklaring nodig’ en ‘Als ik nu dood zou gaan, zou ik sterven in heerlijkheid’.

Wil ik in verband met niet-weten het woord ‘geluk’ gebruiken, dan doe ik dat nu bij voorkeur in de samenstelling ‘zielsgeluk’ (afgeleid van het bestaande woord ‘zielsgelukkig’) of de vormvariant ‘zielengeluk’.

Wil ik mijn lege zielsgeluk afzetten tegen het geluk van alledag, dan noem ik dit laatste ‘levensgeluk’.

Om te verwijzen naar de lege rust en de lege vrede van niet-weten gebruik ik de woorden zielenrust (zielsrust) en zielenvrede (zielsvrede), of ik gebruik een omschrijving die op hetzelfde neerkomt: ‘Mijn ziel heeft rust gevonden’ of ‘Mijn ziel heeft vrede gevonden’.

Wanneer het spinnen jubelen wordt, gebruik ik het woord zielenvreugde (zielsvreugde) of zielsverrukking of ik noem mezelf zielsverrukt of zielstevreden.

Nog wat zinnen met ziel: ‘Hans van Dam: een zielepiet met zielenrust’ en ‘Mijn verhaal: van zielennood naar zielenvreugd’ en ‘Hoe een dolende ziel vreemdging in het bekende en thuiskwam in den vreemde’ en ‘Ik verloor mijn geest en vond mijn ziel’ en ‘Ik verloor mijn ziel en vond mijn rust’.

Absolute favoriet onder mijn z-pillen is momenteel ‘zielsverrückt!’ Een beter woord om het dwaze van mijn dwijze ziel te benadrukken ken ik niet. Met uitroepteken, dat maakt deel uit van het woord. Zo maakte het ook zijn entree. Toen ik mezelf voor het eerst zielsverrukt noemde, begon Lucienne meteen te roepen: ‘Zielsverrückt! Je bent zielsverrückt!’ Nou ja. Toch nog een eretitel.

Behalve mijn z-pillen grijp ik regelmatig terug op ‘de lege rust’, ‘de lege vrede’ ‘de lege vreugde’ en ‘het lege geluk’, terwijl ook ‘de lege zekerheid’, ‘de lege leer’, ‘het lege weten’ en ‘de lege wijsheid’ blijven opduiken.

Rafaël: Nou, daar kan je wel even mee uit de voeten.

Hans: Privé ben ik er blij mee. Maar om die woorden ongegeneerd in het openbaar te gebruiken, is wat anders. Ieder woord waarvan ik mij bedien, oud of nieuw of oud en nieuw, is een kruis langs de weg. Geheid dat iemand mij eraan vastnagelt. Of zichzelf – weer een dooie zonder wijsheid zonder wijsheid. Dat wil ik echt niet op mijn geweten weten. Vandaar de volgende disclaimer.

Ik zeg niet dat er zoiets zou zijn als een bestendige ziel (of dat er niet zoiets zou zijn) of dat er werkelijk zoiets bestaat als zielsgeluk of levensgeluk (of dat er niet zoiets bestaat) of dat die twee geen enkel verband met elkaar hebben (of dat ze dat wel hebben, of identiek zijn aan elkaar) et cetera.

Voor mij zijn het allemaal maar woorden, geen zaken. Woorden om iets mee te doen, niet om iets mee te benoemen. Werk-woorden in de vorm van zelfstandige naamwoorden. Performatieven voor een weetnietfeest – hoera, hoera! Net als ‘niet-weten’, ‘dwijze’ en ‘tja’. Net als ‘absoluut zeker van absoluut niets’.

Woorden als pruimtabak – savoureren en uittuffen. Woorden als zetpillen – inbrengen en uitkakken. Want, om het met Meester Tja te zeggen:

In niet weten is zelfs geen niet-weten.

Rafaël: Heeft je levensgeluk dan helemaal niets te maken met je zielsgeluk?

Hans: Zie je hoe je van luchtkastelen onroerend goed maakt? Zodra ik hierop antwoord, hetzij bevestigend, hetzij ontkennend, wordt een wijze van spreken een wijze van weten; een wijze van voorstellen een wijze van zijn. Wat voor wijze wil jij zijn?

Rafaël: Een wijze van weten, ben ik bang.

Hans: Dan ben ik wel weer de dwaas van niet weten.

Rafaël: Ik vroeg me alleen maar af of je minder lijdt als je niet meer weet.

Hans: Doordat ik mijn gedachten niet meer geloof – de vorige ook niet, deze ook niet en de volgende ook niet – zit ik niet meer zo vast in mijn eigen verwachtingen of in mijn eigen gelijk. Zelfs in niet-vastzitten zit ik niet meer vast. Daardoor hoef ik vergeleken met vroeger minder te strijden en minder te lijden. Waar mogelijk mijd ik de strijd en verbeid ik mijn tijd, al ben ik geen watje of neutraliteit.

Rafaël: Dan is je levensgeluk toch toegenomen, dunkt mij.

Hans: Wegen is niet de weg. Je levensgeluk is zo weer weg. Woorden zijn instrumenten, geen monumenten. Deze ook.

In niet weten is geen niet-weten.
In niet weten is geen levensgeluk.
In niet weten is geen zielsgeluk.

Rafaël: In niet weten is geen ene f***!

Hans: Leve het lege geluk!

Verder lezen: Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten

Wie niet weet moet stamelen

Victor: De meeste leraren richten zich vooral op wat ze moeten zeggen, jij op hoe je het moet zeggen. Hoe komt dat?

Hans: Doordat ik geen leraar ben?

Victor: Afgezien daarvan.

Hans: Hoe zal ik het eens zeggen…

Victor: Neem rustig de tijd.

Hans: Wat zou ik moeten zeggen?

God is overal en voor iedereen gratis toegankelijk

Woekergeesten

Beste Hans,

Ik schrijf vanaf mijn tablet uit Oostenrijk om je te bedanken voor je gratis website. Uitkijkend over de machtige Alpen denk ik steeds: God is overal en voor iedereen gratis toegankelijk. Waarom worden er dan woekerprijzen voor gevraagd?

Beste Utse,

Omdat Hij toch niet overal is?
Omdat Hij toch niet voor iedereen is?
Omdat Hij toch niet gratis is?
Omdat Hij toch niet toegankelijk is?
Omdat Hij ook in de woekerprijzen is?
Omdat Hij ook in je ergernis is?

Ik zou het anders ook niet weten.

Grüss, Gott

Niet-weten is een metafoor voor God, of andersom

Beste Hans,

Ik heb in dit leven al heel wat mystieke literatuur achter de kiezen. Hoewel ik niet alles begrepen heb, is het mij in ieder geval duidelijk geworden dat de wolk van niet weten, de donkere nacht van de ziel, de woestijn, algemeen wordt voorgesteld als een wachtkamer waarin je verblijft totdat God op zijn eigen tijd en wijze zijn intrede doet. Aangezien jij alleen maar over niet-weten spreekt, kunnen we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststellen dat je te vroeg bent gestopt en de cocon abusievelijk voor de vlinder hebt aangezien.

Beste Jesse,

Helaas of gelukkig houdt mijn leven zich niet aan de mystieke literatuur of aan de spirituele literatuur of aan de filosofische literatuur of aan welke literatuur of welk stramien ook. Ik heb ook geen zin om te doen alsof. Liever dan mijn verhaal aan te passen aan de boeken, vertel ik recht voor zijn raap wat mij overkomen is en maar blijft overkomen. Of dat in zijn of haar straatje past, mag ieder voor zich uitmaken.

Voor mij is niet-weten geen toestand van leegte waarin God nog moet intreden. Niet-weten is al dat intreden. Dat wil zeggen, ook God is aan niet-weten ten prooi gevallen. Evenals niet-God. Evenals één, niet-één, twee, niet-twee, ik, niet-ik, dit, dat, deze zijde, gene zijde, weten, niet-weten, verlichting, verduistering en de hele riedel. Hoe kan het ook anders? Daar is het niet-weten voor.

Voor mij is God een metafoor voor niet-weten, en dat lijkt mij geen degradatie. Niet-weten is ook maar een metafoor. Maar waarvoor?

Mocht ik mij hierin vergissen dan zal niet de literatuur maar persoonlijke ondervinding mij moeten overtuigen. Als het ooit zover komt – je weet tenslotte maar nooit – zal ik de eerste zijn om het publiekelijk toe te geven. Hier, op deze website. Ik verheug me er nu al op. Maar tot die tijd weet ik niet beter.

Jesse: Niet-weten is een metafoor voor God.

Hans: Ook dat lijkt mij geen degradatie.

Verder lezen: Eufemismen voor niet-weten

Misschien vindt de Geliefde wel helemaal niets

En is dat het wezen van Zijn liefde

Beste Hans,

Ken jij de soefimystica Rabi’a? Ik las ergens dat ze al haar levensomstandigheden zag als een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor haar vond. Ze vastte wanneer ze niets te eten had, ze sliep onder een boom wanneer ze geen onderkomen had. ‘God alleen’ was Rabi’a’s gewaagde gebed. Waarvan zijn al jouw levensomstandigheden een uitdrukking?

Hans: Ik weet het niet.

Aïcha: Wat niet?

Hans: Waarvan al mijn levensomstandigheden een uitdrukking zijn. Of ze wel ergens een uitdrukking van zijn. Of je dat wel kunt weten.

Aïcha: Bedoel je dat ze nergens een uitdrukking van zijn?

Hans: Dan had ik dat wel gezegd.

Aïcha: Bedoel je dat je dat allemaal niet kunt weten?

Hans: Hoe moet ik dat weten?

Aïcha: Heb jij een gewaagd gebed?

Hans: Ik weet het niet.

Aïcha: Is dat jouw gewaagde gebed of weet je het niet?

Hans: Ik had het niet beter kunnen zeggen.

Aïcha: Wat zou jij doen als je geen eten of onderkomen kon vinden?

Hans: Ik weet het niet.

Aïscha: Bijvoorbeeld.

Hans: Bij de pakken neerzitten? Zoeken? Vloeken?

Aïcha: Doe mij maar Rabi’a’s ‘God alleen’.

Hans: Misschien is zoeken of vloeken wel een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor mij vindt.

Aïcha: Jij zegt misschien. Rabi’a ervoer haar levensomstandigheden als een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor haar vond.

Hans: Misschien alleen maar omdat de Geliefde dat goed voor haar vond.

Aïcha: Niet omdat het waar is, bedoel je?

Hans: Weet jij veel.

Aïcha: Volgens mij zeg jij altijd misschien.

Hans: Misschien is misschien wel een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor mij vindt.

Aïscha: Dat kan ik niet… uitsluiten.

Hans: Misschien vindt de Geliefde wel helemaal niets goed voor mij.

Aïcha: Dat kan ook nog.

Hans: Misschien vindt de Geliefde wel helemaal niets goed.

Aïcha: Best mogelijk.

Hans: Misschien vindt de Geliefde wel helemaal niets.

Aïcha: Subtiel hoor.

Hans: En is dat het wezen van zijn liefde.

Aïcha: Kan best wezen.

Hans: Of van zijn zijn.

Aïcha: Kan best zijn.

Hans: Of misschien ben ik zelf wel de Geliefde.

Aïcha: Maar niet de mijne.

Hans: Of misschien zijn wij allemaal wel de Geliefde.

Aïcha: Al is het maar van de Geliefde.

Hans: Of misschien is er helemaal geen Geliefde.

Aïcha: Laat de Geliefde het maar niet horen.

Hans: En is dit alles maar beeldspraak.

Aïcha: Maar waarvoor?

Hans: Heb je het door?

Verder lezen: Wat is soefisme? De derwisj en de dwaas

Niet iedere nacht is een nachtegaal

Rare vogels

Gideon: Ik vind jouw teksten duidelijk, maar niet dichterlijk zoals de teksten van Rumi. Ze spreken wel maar ze zingen niet.

Hans: Niet iedere nacht is een nachtegaal.

Gideon: Wat ben je dan wel?

Hans: Een haan?

Gideon: Kukeleku!

Hans: Wakker worden!

Gideon: Volgens mij kun je mensen niet wakker kukelen.

Hans: Doe dan maar een kraai.

Gideon: Hoezo?

Hans: Krassen, krassen, krassen.

Gideon: Op die manier.

Hans: En wat ben jij?

Gideon: Een papegaai?

Hans: Dan maken we evenveel lawaai.

Een deemoedig niet-weten

Beste meneer Van Dam,

Dank voor uw website, waarin ik mij volledig herken. Levend in een onoverzichtelijke, jachtige en overvolle wereld heeft de mens de neiging de soevereine werkelijkheid te reduceren tot een aantal simplistische categorieën, principes en verklaringen. Deze verschaffen zijn overspannen geest de broodnodige rust maar de werkelijkheid laat zich niets aan zijn sjablonen gelegen liggen en breekt keer op keer door de kieren van zijn kunstmatige orde heen. Weten is een ongelijke strijd. Het leven is een mysterie en zelfs onze grootste intellectuele inspanningen zullen – alledaagse, wetenschappelijke en technologische knowhow daargelaten – onverbiddelijk op het numineuze te hoop lopen. In het aangezicht van het totaal andere is een deemoedig niet-weten de enige houding die soelaas biedt.

Beste meneer Van Groenewegen,

Dank voor uw eloquente reactie, waarop ik wil antwoorden met enkele vragen.

  1. Vertolkt u naar uw mening de waarheid of is dit úw poging om de soevereine werkelijkheid te reduceren tot een aantal simplistische categorieën, principes en verklaringen?
  2. Behoort uw schrijven en denken reeds tot het deemoedige niet-weten of maakt het nog deel uit van de ongelijke strijd?
  3. In het laatste geval: is de werkelijkheid al vaker door de kieren van deze kunstmatige orde heen gebroken of is dit de eerste keer?

Vriendelijke groeten,

Het totaal andere

Afrekenen met iedere (on)heilsverwachting

Beste meneer Van Dam,

Hierbij wil ik u hartelijk danken voor uw immer uitdijende website die, duidelijker dan welk ander Nederlandstalig egodocument ook, aantoont dat niet-weten religieus gezien een heilloze weg is.

Beste meneer Opperdoes,

Niet weten is geen weg. Het rekent af met iedere heilsverwachting.

Beste meneer Van Dam,

Precies wat ik bedoel. Het leidt regelrecht naar de verdoemenis.

Beste meneer Opperdoes,

Niet weten is geen weg. Het rekent af met iedere onheilsverwachting.

Heilige geschriften uitleggen terwijl je op één been staat

Geen poot om op te staan

Beste Hans,

Ken je die van de rabbi aan wie gevraagd werd of hij de betekenis van de Thora kon uitleggen terwijl hij op één been stond? ‘Ja hoor’, zei die rabbi, ging op één been staan en verklaarde: ‘Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden.’

Hans: Geldt dat ook voor masochisten?

Abraham: Eh… de uitzondering bevestigt de regel?

Hans: Laatst vroeg iemand of ik de betekenis van de Bijbel kon uitleggen terwijl ik op één been stond. ‘Ja hoor’, zei ik, en ging op één been staan.

Abraham: Doet me denken aan een koan in de Poortloze Poort van Wumen:

‘Hyakujo wilde een monnik uitzenden om een nieuw klooster te openen. Hij vertelde zijn leerlingen dat degene die het meest vaardige antwoord op een vraag gaf, aangewezen zou worden. Hij zette een vaas met water op de grond en vroeg: Wie kan zeggen wat dit is zonder de naam ervan te noemen? De hoofdmonnik zei: Niemand kan het een houten schoen noemen. Isan, de kok-monnik, stootte de vaas met zijn voet om en ging naar buiten. Hyakujo glimlachte en zei: De hoofdmonnik heeft verloren. En Isan werd de meester van het nieuwe klooster.’

Hans: Laatst vroeg mijn neuroloog of ik op één been kon staan, waarop ik prompt uit diverse heilige geschriften begon te citeren.

Abraham: Zonder eerst op één been te gaan staan?

Hans: Inderdaad. En toch raakte ik meteen uit balans.

Tip: De Poortloze Poort

Rozen zonder waarom

Beste Hans,

Ben jij bekend met het prachtige gedicht De roos zonder waarom van de mystieke Duitse dichter Angelus Silesius (1624-1677)?

‘Die Ros ist ohn warum;
sie blühet, weil sie blühet,
Sie acht nicht ihrer selbst,
fragt nicht, ob sie siehet.’

Volgens mij drukt dit gedicht precies de houding van niet-weten uit waar jij over schrijft. Een ‘leven zonder waarom’ (Meister Eckhart, 1260-1327). Een leven waarin het impertinente denken, dat zo graag grenzen trekt, maar zijn eigen grenzen niet kent, voorgoed op zijn plaats is gezet. Want, om Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) te parafraseren: niet hóe de dingen zijn is het wonder maar dát ze zijn.

Beste Pontiaan,

‘Waarom’ kent geen waarom;
het bloeit omdat het bloeit.
Het gaat gewoon zijn gang,
en weet zich niet geboeid.

Verder lezen: Metafysica in een wezenloze wereld