Brieven mystiek

De stilte voorbij; correspondenties over mystiek en niet-weten. Extase en rust, spreken en zwijgen, mystieke en premystieke ervaringen, levensgeluk en zielsgeluk, goddelijke mystiek en lege mystiek.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Mystiek / Brieven > Brieven mystiek

Tip: De mystiek van alledag


Tussen sst en sst

De wegdenkweg; mystiek voor leeghoofden


‘Ik zeg niet dat het onuitsprekelijke bestaat, ik zeg niet dat het niet bestaat, ik zeg niet dat het bestaat en niet bestaat, ik zeg niet dat het bestaat noch niet bestaat, ik zeg niet dat het voorbij bestaan en niet bestaan is, ik zeg niet dat het eraan voorafgaat.’

‘Ik leg het onuitsprekelijke niets op, zelfs geen zijn of niet-zijn of zijnde niet-zijn, ik leg mezelf niets op, zelfs geen weten of niet-weten of wetend niet-weten, ik speculeer niet over een eventuele relatie tussen een eventuele ik of geest of ziel en het eventuele onuitsprekelijke, noch wil ik met deze manier van denken, spreken en schrijven een voorbeeld stellen voor anderen. Is dat relaxed of niet?’

‘Mijn denken is voor zover ik kan nagaan helemaal vrij van vaste zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden en schrikbeelden; zo leeg als een katholieke kerk na de Beeldenstorm, zo leeg als een mysticus in de donkere nacht van de ziel.’

‘Als een bad zonder stop.
Als een piek zonder top.
Als een grap zonder mop.
Van een kip zonder kop.’

Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet. Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke niet rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet.’

‘Tegenwoordig voel ik me nooit meer twee (in de zin van afgescheiden) en nooit meer één. Niet twee en niet één, waarmee ik niet verwijs naar een non-dualistisch niet-twee of een non-monistisch niet-één of een overstijgend niet-twee-en-niet-één, maar naar de totale irrelevantie van dit soort metafysische rekenarij voor mijn dagelijks leven en welzijn.’

‘Ervaringen van het uiteindelijke, bewijzen uiteindelijk niets over het uiteindelijke, voor mij tenminste niet, net zomin als redeneringen over het uiteindelijke, die uiteindelijk allemaal op onberedeneerde postulaten en ongedefinieerde begrippen en een ongefundeerde logica berusten.’

‘Sowieso weiger ik categorisch mij nog te identificeren met of te distantiëren van bepaalde ervaringen ten koste van andere. Evenzo weiger ik categorisch mij te identificeren met distantiëren of te distantiëren van identificeren, of het nou categorisch is of niet.’

‘Het is alsof mijn hersenen klotsen in laxatief in plaats van liquor. Dronkenschap is er niks bij. Gedachten racen ongehinderd door mijn brein als diarree door mijn darmen. Ze krijgen geen tijd om in te dikken, ikke geen tijd om in te kakken. Deze gedachten ook niet.’


Beste Hans,
Hoe denk jij als beroepsstamelaar over het Onuitsprekelijke?


Beste X,
Sst.


Beste Hans,
Dat kun je zelfs geen stamelen meer noemen.


Beste X,
Over het Onuitsprekelijke wil ik zwijgen.


Beste Hans,
‘Zwijgen doet men best met woorden’, schrijf je ergens. Hoe zwijgt men met woorden over het Onuitsprekelijke?


Beste X,
Ik zeg niet dat het onuitsprekelijke bestaat, ik zeg niet dat het niet bestaat, ik zeg niet dat het bestaat en niet bestaat, ik zeg niet dat het bestaat noch niet bestaat, ik zeg niet dat het voorbij bestaan en niet bestaan is, ik zeg niet dat het eraan voorafgaat.

Ik zeg niet dat het onuitsprekelijke onuitsprekelijk is, ik zeg niet dat het uitsprekelijk is, ik zeg niet dat het uitsprekelijk en onuitsprekelijk is, ik zeg niet dat het uitsprekelijk noch uitsprekelijk is, ik zeg niet dat het voorbij uitsprekelijk en onuitsprekelijk is, ik zeg niet dat het eraan voorafgaat.

Ik zeg niet dat het het Onuitsprekelijke is (met een hoofdletter), ik zeg niet dat het het onuitsprekelijke is (met een kleine letter), ik zeg niet dat het hét onuitsprekelijke is (een kracht, wil, bron, principe, natuur, ding, alomtegenwoordigheid, grond of ongrond), ik zeg niet dat het dé onuitsprekelijke is (een wezen, wereldgeest, bewustzijn, intelligentie, vader, zoon, heilige geest, drieëenheid of godheid).

Noem dit desnoods een expressie van het onuitsprekelijke.
Zelf zeg ik liever niets.


Beste Hans,
Waarom zo krampachtig?


Beste X,
Dat voel je niet goed aan.
Ik zeg dit met een totaal ontspannen geest en ik hoop iets van die totale ontspanning over te dragen door deze manier van zwijgen.


Beste Hans,
Waarin zit die ontspanning voor jou?


Beste X,
Ik leg het onuitsprekelijke niets op, zelfs geen zijn of niet-zijn of zijnde niet-zijn, ik leg mezelf niets op, zelfs geen weten of niet-weten of wetend niet-weten, ik speculeer niet over een eventuele relatie tussen een eventuele ik of geest of ziel en het eventuele onuitsprekelijke, noch wil ik met deze manier van denken, spreken en schrijven een voorbeeld stellen voor anderen.
Is dat relaxed of niet?

Een en ander geldt niet alleen voor het onuitsprekelijke, al komt dat voor jou misschien op de eerste plaats.
Mijn denken is voor zover ik kan nagaan helemaal vrij van vaste zelfbeelden, mensbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden en schrikbeelden, zo leeg als een katholieke kerk na de Beeldenstorm, zo leeg als een mysticus in de donkere nacht van de ziel, en ‘het’ (‘mijn’ ‘denken’) heeft niets anders te doen dan alles en iedereen te laten zijn en niet-zijn et cetera wat hij/zij/het is of niet is, inclusief het denken zelf, inclusief deze gedachten en welke gedachten dan ook.
Daardoor heb ik niets te bevestigen, niets te ontkennen, niets te bewijzen, niets te ontkrachten, niets vast te houden, niets los te laten, niets aan te prijzen en niets af te raden.
Dit ook niet.
Is dat relaxed of niet?


Beste Hans,
Je bevestigt niets, dus dit is niet de via positiva. Je ontkent niets, dus dit is niet de via negativa. Wat is het dan wel?


Beste X,
Geen idee. De via via? De via mia? De via invia? De via diluvia?


Beste Hans,
Pardon?


Beste X,
Potjeslatijn van een pottenbreker.
Via via: de omweg
Via mia: my way
Via invia: onbegaanbare weg
Via diluvia: wegspoelen met veel water

stilte water
De via diluvia

Of zal ik het gewoon de denkweg noemen.
De denk-wég, de wegdenkweg?


Beste Hans,
Maar hoe kom je dan van hier naar daar? Of in de mystieke beeldtaal, hoe kom je van beneden naar boven?


Beste X,
Zeker weten dat er een boven is? Zeker weten dat er een weg naar boven is? Zeker weten dat jij die weg kunt gaan? Zeker weten dat het boven beter is dan beneden? Zeker weten dat je niet al boven bent? Zeker weten dat er een beneden is? Zeker weten dat je bent?


Beste Hans,
Toe nou.


Beste X,
Waarom zou je hier weg willen?


Beste Hans,
Jij hebt het hier prima naar je zin.


Beste X,
Als een meer zonder min.


Beste Hans,
Dat klinkt bijna als een piekervaring – of ten minste een warm bad.


Beste X,
Als een bad zonder stop.
Als een piek zonder top.
Als een grap zonder mop.
Van een kip zonder kop.


Beste Hans,
Zie jij jezelf als een mysticus?


Beste X,
Ik kan me niet voorstellen dat ik een mysticus zou zijn.


Beste Hans,
Want je wilt jezelf niets opleggen.


Beste X,
Ik kan me niet voorstellen dat ik geen mysticus zou zijn.


Beste Hans,
Want je wilt jezelf niets opleggen.


Beste X,
Wilniet, doeniet, gaatniet, weetniet, zei de zegniet.


Beste Hans,
Maar heb jij nou een rechtstreekse ervaring gehad van de of het Onuitsprekelijke of niet? Dat is namelijk de gebruikelijke definitie van mystiek.


Beste X,
Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet.
Nooit heb ik de of het onuitsprekelijke niet rechtstreeks ervaren, niet dat ik weet.
Waar een en ander de definitie van is, weet ik niet.


Beste Hans,
Ik doel op de eenheidservaring.


Beste X,
Soms voel ik me één, dan weer geen of twee of veel, maar de meeste van mijn ervaringen zijn zonder tal.
Ze komen allemaal even echt en onecht over.
Waarom zou ik de ene ervaring verkiezen boven de andere?
Trouwens, waarom zou de of het onuitsprekelijke enkelvoudig zijn of maar op één manier ervaren kunnen worden?
Wie zegt dat de of het onuitsprekelijke überhaupt ervaren kan worden, als Hij, Zij of Het al ís?
Wie zegt dat concrete ervaringen van de of het onuitsprekelijke werkelijk ingegeven worden door de of het onuitsprekelijke en niet door, bijvoorbeeld, een onderprikkeld, oververmoeid, ischemisch of anorectisch brein of door een duivelse bedrieger?
Omgekeerd, wie zegt dat er ooit iets anders ervaren kan worden dan de of het onuitsprekelijke?

Ik zei daarnet wel dat ik me nu eens één voel, dan weer twee et cetera, maar dat is meer iets van vroeger.
Tegenwoordig voel ik me nooit meer twee (in de zin van afgescheiden) en nooit meer één.
Niet twee en niet één, waarmee ik niet verwijs naar een non-dualistisch niet-twee of een non-monistisch niet-één of een overstijgend niet-twee-en-niet-één, maar naar de totale irrelevantie van dit soort metafysische rekenarij voor mijn dagelijks leven en welzijn.

Sowieso weiger ik categorisch mij nog te identificeren met bepaalde ervaringen ten koste van andere.
Waarom zou ik en op grond waarvan?
Laat maar komen allemaal, laat maar gaan.
Evenzo weiger ik categorisch mij nog te distantiëren van bepaalde ervaringen ten koste van andere.
Waarom zou ik, en op grond waarvan?
Laat maar komen allemaal, laat maar gaan.
Evenzo weiger ik categorisch mij te identificeren met distantiëren of te distantiëren van identificeren, of het nou categorisch is of niet.
Waarom zou ik, en op grond waarvan?
Laat maar komen allemaal, laat maar gaan.

Ervaringen van het uiteindelijke, bewijzen uiteindelijk niets over het uiteindelijke, voor mij tenminste niet, net zomin als redeneringen over het uiteindelijke, die uiteindelijk allemaal op onberedeneerde postulaten en ongedefinieerde begrippen en een ongefundeerde logica berusten, net als deze gedachte.
Tot overmaat van ramp heb ik niets meer dat bewezen of ontkracht wil worden: niet over het eindelijke en niet over het uiteindelijke, niet over weten en niet over niet-weten of wat dan ook.
Kijk eens aan, drie keer niks.
Nada, nada, nada.
Is dat relaxed of niet?
Niet te geloven.
Het is alsof mijn hersenen klotsen in laxatief in plaats van liquor.
Dronkenschap is er niks bij.
Gedachten racen ongehinderd door mijn brein als diarree door mijn darmen.
Ze krijgen geen tijd om in te dikken, ikke geen tijd om in te kakken.
Deze gedachten ook niet.
Knetter, kwetter, tetter, spetter.
Doortrekken maar weer.


Beste Hans,
Aldus sprak de beroepsstamelaar over het Onuitsprekelijke.


Beste X,
God ja, het onuitsprekelijke.


Beste Hans,
Wou je daar misschien nog iets over zeggen?


Beste X,
Wis en zeker.


Beste Hans,
Ga je gang.


Beste X,
Sst.

tussen stilte
Tussen sst en sst

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

uitgesproken, van Grote Vrees naar Grote Vrede, apofase, via negativa, neti neti


Lachgas

De een zijn rust is de ander zijn roes. Over het verschil tussen onuitsprekelijk en uitgesproken; niet-weten als het toppunt van mystiek.


‘Stel je voor dat je je telkens wanneer je wat denkt of hoort of leest of zegt, afvraagt of je daarvoor je hand in het vuur zou steken; of je er vergif op zou innemen; of je je leven ervoor zou geven, of alles wat je dierbaar is. En dat je dan zonder eerst allerlei boeken of autoriteiten of vrienden of je innerlijke goeroe of je geweten of je hart te raadplegen, spontaan ‘Nee!’ roept. Zonder meer, keer op keer. Maar niet met zoveel woorden, ook niet met minder woorden, helemaal niet met woorden maar voorbewust, impliciet, zonder enige inspanning, intentie of regie jouwerzijds, net als spijs verteren of menstrueren of (re)laxeren of het circuleren van het bloed dat jou in leven houdt maar niet door jou in leven gehouden hoeft te worden. Zoiets moet je je voorstellen bij het levende niet-weten dat ten grondslag ligt aan het levende niet-spreken dat ogenschijnlijk niets inhoudt en toch niets achterhoudt.’

‘Misschien vind je dit wat overdreven, maar de vraag of woorden corresponderen met iets reëels is een fundamentele, die in het boeddhisme inspireerde tot de sleutelbegrippen sunyata en afhankelijk ontstaan, in de scholastiek tot het nominalisme en in de twintigste eeuw tot de analytische wijsbegeerte en het postmodernisme.’

‘Een zuiver negatieve theologie kan nooit mystiek zijn, precies omdat ze zich zo compleet mogelijk uitspreekt over god, al is het dan maar apofatisch. Een zuivere dwaaltekst kan nooit theologisch zijn, precies omdat hij zich nergens over uitspreekt, ook niet over god. In mijn beleving zijn dwaalteksten echter net zo mystiek als het leven zelf, in de zin van zonderling en wonderlijk, volledig ondoorgrondelijk. Mystieker kan eigenlijk niet, omdat ze werkelijk alles te raden overlaten – net als de dingen en de levende wezens, net als het leven zelf.’

Wat mij betreft is een radicaal niet-weten niets anders dan mystiek in de oorspronkelijke zin van het woord. De mystiek van niet-weten of een mystiek niet-weten of een niet-wetende mystiek of gewoon een lege mystiek, zonder God, zonder niet-God en zelfs van leegte ontledigd. Of dit een verrijking dan wel een verarming is van mystiek in de conventionele zin van het woord, of van niet-weten in de conventionele zin van het woord, mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

‘Positieve theologie staat tot negatieve theologie staat tot lege mystiek als ja staat tot nee staat tot tja of als uitspreken staat tot tegenspreken staat tot vrijspreken of als these staat tot antithese staat tot parenthese (de wereld tussen haakjes).’

‘Geen enkele uitspraak doen met alle woorden die nou eenmaal nodig zijn om een voorafgaande gedachte, uitspraak of tekst compleet te ontmantelen – dat is wat ik onder stilte versta. Op die manier het vanzelfsprekende weer vanzelfzwijgend maken. Herraadselen.’

‘Alles helemaal uitschrijven doe ik niet om te overtuigen of te overdonderden, maar om iets van de kick, de roes, de trance, de vreugde, de gelukzaligheid, de zielsverrukking – iets van het gevoel van oneindige ruimte en lichtheid en luchtigheid en vrijheid en vrede op te wekken waarmee een almaar niet uitspreken als uitdrukking van een almaar niet weten gepaard gaat. In mijn beleving bestaat de wolk van niet-weten voor honderd procent uit lachgas.’


Beste Hans,
Het is alweer even geleden dat ik iets van me heb laten horen. Een van de dingen die is blijven hangen uit onze vorige correspondentie is jouw suggestie dat christelijke mystici misschien niet ver genoeg gingen in het uithollen van hun God. Ik vermoed dat je na zorgvuldige lezing van capita IV en V van Over Mystieke Theologie van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (Ben Schomakers 2002, p19-21) wel anders zult piepen:

IV.
En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V.
En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest, en zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft, en zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; en zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; en ook niet dat zij vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; en dat zij niet leeft en niet leven is; en zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; en dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis, en zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid, en niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; en dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; en zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; en dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

Ik zie niet in hoe je dit nog zou kunnen overtreffen, Hans. Bovendien lijkt deze tekst in stilistisch opzicht sprekend op een dwaaltekst.


Beste X,
Ja, dit is een schoolvoorbeeld van negatieve theologie, maar een dwaaltekst is het nie.
Ik zal uitleggen waarom.
Kenmerkend voor een dwaaltekst is dat hij zich niet uitspreekt, tenzij om tegenwicht te bieden.
Om te voorkomen dat een dwaaltekst bezwijkt onder zijn eigen tegenwicht biedt hij ook daaraan tegenwicht tot de zaak weer in balans is en er per saldo niets uitgesproken blijft.
Mijn dwaalteksten lijken daarom hoogstens zwijgend maar zeker niet sprekend op de negatieve theologie van Dionysius.

Om te kunnen zien wat de negatieve theologie van Dionysius inhoudt, moet je vooral op de beginregels van hoofdstuk IV en V letten.
Daar staat: ‘En zo spreken wij uit dat…’ respectievelijk ‘En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat…’
Dionysius is zich aan het uitspreken over ‘de oorzaak van alles’.
Om dit uitspreken te benadrukken, zal ik het inlassen in de originele tekst na iedere puntkomma:

IV.
En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; we spreken uit dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; we spreken uit dat zij niet op een plaats is; we spreken uit dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; we spreken uit dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; we spreken uit dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; we spreken uit dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; we spreken uit dat zij niet licht ontbeert; we spreken uit dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V.
En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest; we spreken uit dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; we spreken uit dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; we spreken uit dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; we spreken uit dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; we spreken uit dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; we spreken uit dat zij niet leeft en niet leven is; we spreken uit dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; we spreken uit dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; we spreken uit dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; we spreken uit dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; we spreken uit dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; we spreken uit dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; we spreken uit dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

zwervelingen 446 1

Zie je nu hoeveel er uitgesproken wordt door Dionysius?


Beste Hans,
Maar hij spreekt toch ontkenningen uit? Hij neemt bepalingen weg. Uiteindelijk beweert hij niets behalve dat de volmaakte en enige oorzaak boven alle bepaling en zelfs boven alle wegneming is.


Beste X,
Ontkenningen zijn net zo goed bepalingen.
Ze drukken nog altijd een weten uit.
Als ik zeg ‘Mijn haarkleur is boven alle bepaling’, zeg ik misschien niet veel maar toch wel iets, bijvoorbeeld dat mijn haar niet duidelijk zwart of bruin of rood of blond is.
Als ik zeg ‘Mijn haar is niet zwart’, zeg ik zo mogelijk nog minder, maar nog altijd meer dan niets.
In ieder geval meer dan wanneer ik zeg ‘Ik spreek niet uit welke kleur mijn haar heeft’.
Ook deze laatste zin is informatiever dan je op het eerste gezicht zou denken.
Zo suggereert hij dat er een bestendige ik is die haar heeft met een kleur waarover voornoemde ik om niet nader genoemde redenen weigert te spreken.

Om van hoofdstuk IV en V een dwaaltekst te maken in plaats van een graaltekst (een tekst die naar een heilige graal graait) of een praaltekst (een tekst die een heilige graal of de auteur verheerlijkt), moeten we om te beginnen de mantra ‘We spreken uit dat…’ vervangen door ‘We spreken niet uit dat…’
En omdat ik niet voor een ander kan spreken, maak ik ervan: ‘Ik spreek niet uit dat…’
En omdat ik dat wat plechtig vind, maak ik ervan: ‘Ik zeg niet dat…’

Waarom zeg ik niet?
Omdat ik niet weet.
Wanneer weet ik niet?
Op het moment van zeggen (in dit geval schrijven) niet.
Hoe stel ik dat vast?
Eerlijk gezegd stel ik het helemaal niet vast, dat gebeurt vanzelf.
Maar hoe dan?
Stel je voor dat je je telkens wanneer je wat denkt of hoort of leest of zegt, afvraagt of je daarvoor je hand in het vuur zou steken; of je er vergif op zou innemen; of je je leven ervoor zou geven, of alles wat je dierbaar is.
En dat je dan zonder eerst allerlei boeken of autoriteiten of vrienden of je innerlijke goeroe of je geweten of je hart te raadplegen, spontaan ‘Nee!’ roept.
Zonder meer, keer op keer.
Maar niet met zoveel woorden, ook niet met minder woorden, helemaal niet met woorden maar voorbewust, impliciet, zonder enige inspanning, intentie of regie jouwerzijds, net als spijs verteren of menstrueren of (re)laxeren of het circuleren van het bloed dat jou in leven houdt maar niet door jou in leven gehouden hoeft te worden.
Zoiets moet je je voorstellen bij het levende niet-weten dat ten grondslag ligt aan het levende niet-spreken dat ogenschijnlijk niets inhoudt en toch niets achterhoudt.

Waar was ik. O ja:

IV.
En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; ik zeg niet dat zij niet op een plaats is; ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert; ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V.
En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest; ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is; ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

zwervelingen 446 3

Je ziet, ik beweer hier al heel wat minder dan Dionysius met zijn negatieve theologie ooit zou kunnen of willen.
Het wordt steeds negatiever en steeds minder theo-logisch.
Of met een toespeling op de titel van Dionysius’ tractaatje: het wordt steeds mystieker (in de etymologische zin van geheimzinniger, verborgener) en steeds minder theologisch.
Maar een dwaaltekst is het nog niet.

Om te beginnen bevalt het me niks dat ik door het parafraseren van Dionysius gedwongen wordt halve uitspraken te doen.
De zin ‘Ik zeg niet dat mijn haar zwart is’ wekt bij de lezer wellicht het vermoeden dat mijn haar niet zwart is.
Om die gedachte in de kiem te smoren, maak ik ervan: ‘Ik zeg niet dat mijn haar zwart is; ik zeg ook niet van niet.’
Verder eindigt de ene zin van hoofdstuk V met de verklaring ‘want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.’
Deze verklaring valt buiten het bereik van Dionysius’ ‘spreken wij uit dat…’ uit de beginregel van V, dus ook buiten het bereik van mijn parafrase ‘ik zeg niet dat…’, en moet daarin expliciet opgenomen worden.

Ziehier het resultaat van deze twee ingrepen:

IV.
En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet op een plaats is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit; ik zeg ook niet van niet.

V.
En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat de volmaakte en enige oorzaak van alles boven alle bepaling is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al boven alle wegneming is; ik zeg ook niet van niet.

zwervelingen 446 2

Is het nu eindelijk een dwaaltekst?
Op zinsniveau wel, op woordniveau nog niet.
Op zinsniveau al wel omdat mijn laatste parafrase geen stellingen meer bevat (anders dan het ont-stellende performatief ‘Ik zeg niet dat…’).
Op woordniveau nog niet, omdat door de woordkeus aan het begin van IV en het eind van V de indruk wordt gewekt dat er wel degelijk zoiets is als ‘de oorzaak van alles, die boven alles is’ (eerste regel van IV), oftewel ‘de volmaakte en enige oorzaak van alles’ en ‘dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al’ (eerste regel van V).
Zou ik daarvoor mijn rechterhand in het vuur steken?
Ik kijk wel linker uit.
Of voor het tegendeel?
Mij niet gezien.
Daarom moet ik ten minste aan het eind van V nog een ontzegging toevoegen van de volgende strekking:

Ik zeg niet dat er zoiets is als de oorzaak van alles die boven alles is, of de volmaakte en enige oorzaak van alles; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er iets is dat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al; ik zeg ook niet van niet.

Dan nóg ben ik niet tevreden, want mijn laatste parafrase zit tjokvol Dionysische hypostasen – denk-beelden waarvan het bestaan en de aard voor mij geenszins vaststaan, zoals oorzaak, zijndheid, lichaam, geest, houding, vorm, kwaliteit, kwantiteit, massa, plaats, zintuig, ordeloosheid, aandoening, licht, verandering, vergaan, deling, beroving, vervloeiing, ziel, voorstelling, mening, woord, begrip, aantal, ordening, grootte, kleinheid, gelijkheid, ongelijkheid, gelijkendheid, ongelijkendheid, rust, beweging, vermogen, leven, eeuwigheid, tijd, kennis, waarheid, majesteit, wijsheid, eenheid, godheid, goedheid, Geest, zoonschap, vaderschap, zijnde, dwaling, bepaling, en wegneming.
Misschien vind je dit wat overdreven, maar de vraag of woorden corresponderen met iets reëels is een fundamentele, die in het boeddhisme inspireerde tot de sleutelbegrippen sunyata en afhankelijk ontstaan, in de scholastiek tot het nominalisme en in de twintigste eeuw tot de analytische wijsbegeerte en het postmodernisme.
Om de gevaren van ongefundeerd substantialistisch denken te bezweren, zou ik nog meer ontzeggingen aan mijn parafrase moeten toevoegen in de trant van: ‘ik zeg niet dat er zoiets is als oorzaak, ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er zoiets is als zijndheid; ik zeg ook niet van niet’, enzovoort.
Je snapt de bedoeling dus ik zal je de moeite van het lezen en mezelf de moeite van het schrijven besparen.

zwervelingen 446 4

Ik hoop dat ik met deze demonstratie (transformatie, deconstructie) het verschil tussen een negatief theologische tekst en een dwaaltekst een beetje duidelijk heb kunnen maken.
Uitspreken of uitgesproken zijn, daar komt het op neer.
‘Hé, moet je horen!’ of ‘Stil eens.’
‘Pst’ of ‘Sst’.


Beste Hans,
Wat is volgens jou de relatie tussen negatieve theologie, mystiek en niet-weten?


Beste X,
Een zuiver negatieve theologie kan nooit mystiek zijn, precies omdat ze zich zo compleet mogelijk uitspreekt over god, al is het dan maar apofatisch.
Een zuivere dwaaltekst kan nooit theologisch zijn, precies omdat hij zich nergens over uitspreekt, ook niet over god.
In mijn beleving zijn dwaalteksten echter net zo mystiek als het leven zelf, in de zin van zonderling en wonderlijk, volledig ondoorgrondelijk.
Mystieker kan eigenlijk niet, omdat ze werkelijk alles te raden overlaten – net als de dingen en de levende wezens, net als het leven zelf.
Wat mij betreft is een radicaal niet-weten niets anders dan mystiek in de oorspronkelijke zin van het woord.
De mystiek van niet-weten of een mystiek niet-weten of een niet-wetende mystiek of gewoon een lege mystiek, zonder God, zonder niet-God en zelfs van leegte ontledigd.
Of dit een verrijking dan wel een verarming is van mystiek in de conventionele zin van het woord, of van niet-weten in de conventionele zin van het woord, mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

Als we de positieve, beschrijvende theologie (‘God is groot, God is goed, God is liefde’) er ook nog even bij halen dan kan ik de verschillen bondig uitdrukken met een drietal triaden:

Positieve theologie : negatieve theologie : lege mystiek =

  • ja : nee : tja
  • uitspreken : tegenspreken : vrijspreken
  • these : antithese : parenthese

Lees: positieve theologie staat tot negatieve theologie staat tot lege mystiek als ja staat tot nee staat tot tja of als uitspreken staat tot tegenspreken staat tot vrijspreken of als these staat tot antithese staat tot parenthese (de wereld tussen haakjes).


Beste Hans,
Jemineetje zeg. Moet alles dan echt helemaal uitgeschreven worden? Is dit wat je onder stilte verstaat?


Beste X,
Geen enkele uitspraak doen met alle woorden die nou eenmaal nodig zijn om een voorafgaande gedachte, uitspraak of tekst compleet te ontmantelen – dat is wat ik onder stilte versta.
Op die manier het vanzelfsprekende weer vanzelfzwijgend maken.
Herraadselen.
Daarbij geldt: hoe woordiger het origineel, hoe woordiger de weerspraak.
Had je maar niet over Pseudo-Dionysius moeten beginnen.
En dan kom je nog goed weg; als zenboeddhist had je van jezelf misschien mijn diamantsoetra moeten lezen.


Beste Hans,
Ik héb je diamantsoetra gelezen. Als het je bedoeling was te overtuigen of te overdonderen dan is het niet gelukt.


Beste X,
Alles helemaal uitschrijven doe ik niet om te overtuigen of te overdonderden, maar om iets van de kick, de roes, de trance, de vreugde, de gelukzaligheid, de zielsverrukking – iets van het gevoel van oneindige ruimte en lichtheid en luchtigheid en vrijheid en vrede op te wekken waarmee een almaar niet uitspreken als uitdrukking van een almaar niet weten gepaard gaat.
In mijn beleving bestaat de wolk van niet-weten voor honderd procent uit lachgas.

wolk
De wolk van niet-weten

Heb je er ten minste een vleugje van opgesnoven of was het voor jou allemaal even slaapverwekkend?
In het laatste geval is het nog altijd goede bedlectuur, troost ik mezelf.

Welterusten.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.


De Wolk van niet-weten


Schoon van verre maar verre van schoon

Hoe ver moet je gaan? Het voorbijgaan voorbij.


Beste Hans,
In Over Mystieke Theologie I.3 schrijft Dionysius de Areopagiet:

‘En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is.’

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.


Beste X,
En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van het duister en de kennisloosheid, van het werkelijk mystieke, van het tot zwijgen brengen van zijn kennend grijpen, van het volledig onaanraakbare en onzichtbare en van degene die aan alles voorbij is en waaraan hij geheel en al zou toebehoren.

Ik denk dat dit jou niet zal aanspreken.


Doorreisgids voor lunatics


Ultimatissimum

Een proeve van dwijsheid


Beste Hans,
Het uiteindelijk object van de metafysica is hetzelfde als dat van de mystiek: de ingrond, de boeddhanatuur, het ware zelf, je oorspronkelijke gezicht, het ongeborene, het absolute, het zijn, de non-dualiteit, het ene, de leegte – de ultieme werkelijkheid. Alleen de weg is anders. De metafysicus gaat de weg van de rede of de weg van het hoofd (jnana), de mysticus gaat de weg van niet-weten of de weg van het hart (bhakti). Hoe kijkt een dwijze hier tegenaan?


Beste X,
Misschien ben ik niet de uitgelezen persoon om deze vraag aan te stellen.
Of misschien ben ik wel uitgelezen, maar zijn de antwoorden uitgebleven.
Of misschien zijn de antwoorden niet uitgebleven, maar heb ik ze niet als zodanig herkend.
Sowieso is het object van niet-weten niet de ultieme werkelijkheid, want niet-weten heeft geen object.
Niet-weten is gewoon niet weten.
Je weet wel: dat je het niet weet.
Over de ultieme werkelijkheid weet ik dan ook niets te zeggen, niet dat er zoiets is, niet dat er niet zoiets is, niet dat je dat niet kunt weten.
Ook over de gewone werkelijkheid weet ik trouwens niets te zeggen, niet dat er zoiets is, niet dat er niet zoiets is, niet dat je dat niet kunt weten.
Ook over mezelf weet ik niets te zeggen, niet dat er zo iemand of zoiets is, niet dat er niet zo iemand of zoiets is, niet dat je dat niet kunt weten.
Ook over de relaties tussen mezelf en de gewone werkelijkheid, tussen mezelf en de ultieme werkelijkheid en tussen de gewone werkelijkheid en de ultieme werkelijkheid weet ik niets te zeggen, niet dat ze er zijn, niet hoe ze zijn, niet dat ze er niet zijn en niet dat je dat niet kunt weten.

Misschien denk je nu: ‘Wat een nitwit’, en gelijk heb je.
Toch zou het best eens kunnen dat een radicaal niet-weten dichterbij komt dan de meest doorwrochte metafysica en de meest intense mystieke ervaring.
Dichter bij wat?
Die vraag schept afstand.
Voor je het weet heb je het over de ultieme werkelijkheid en ben je nog verder van huis.
Mijn schuld natuurlijk.
Had ik maar niet moeten zeggen dat niet-weten dichterbij komt.

Maar wat had ik dan moeten zeggen.
Dat niet-weten het al is?
Wat al is?
Die vraag schept afstand.
Voor je het weet heb je het over de ultieme werkelijkheid en ben je nog verder van huis.
Mijn schuld natuurlijk.
Had ik maar niet moeten zeggen dat niet-weten het al is.

Maar wat had ik dan moeten zeggen.
Dat ik geen woorden heb?
Dan vraag jij meteen of de ultieme werkelijkheid voorbij de woorden is en ben je nog verder van huis.
Mijn schuld natuurlijk.
Had ik maar niet moeten zeggen dat ik geen woorden heb.

Maar wat had ik dan moeten zeggen.
Aha, ik heb het.
‘Sst.’
Maar dan vraag jij meteen waarover we moeten zwijgen, en waartoe.
En dan zijn we nog verder van huis.


Dwijsheid


Met andere woorden

Beste Hans,
Ken jij het morele motto van Aurelius Augustinus, ama, et fac quod vis? Het betekent: ‘Heb lief, en doe wat je wilt’. Augustinus schrijft:

‘Het is enkel vanuit de wortel van de liefde bekeken dat men een onderscheid kan maken tussen de handelingen van de mensen. Vele dingen kunnen goed lijken maar nochtans niet uit de wereld van liefde voortkomen. Ook doornstruiken hebben bloemen: sommige handelingen kunnen hard en brutaal lijken – en toch worden ze ingegeven door het verlangen iemand op te voeden.
Ziehier een eenvoudig voorschrift dat ik je meegeef, eens en voor altijd: Heb lief, en doe wat je wilt.
Indien je zwijgt, zwijg dan uit liefde; als je spreekt, spreek uit liefde; indien je iemand terechtwijst, doe het uit liefde; waar je vergeeft, vergeef je uit liefde. Zorg ervoor dat zich in de grond van je hart de wortel van liefde bevindt: en uit die wortel kan enkel het goede bloeien.’

(uit Laat heb ik je liefgehad, Boris Todoroff 2002, p135)

Prachtig, vind je niet? Een voorschrift dat naleving verdient. Wat is de plaats van liefde in jouw spiritualiteit?


Beste X,
Liefde is wel mijn ding maar niet mijn woord.
Niet weten is niet mijn ding maar wel mijn woord.
Andere woorden heb ik niet en daarom zet ik die van Augustinus er maar omheen:

Ziehier een eenvoudig voorschrift dat ik je meegeef, eens en voor altijd: Weet niet, en doe wat je doet.
Indien je zwijgt, zwijg dan uit niet weten; als je spreekt, spreek uit niet weten; indien je iemand terechtwijst, doe het uit niet weten; waar je vergeeft, vergeef je uit niet weten. Zorg ervoor dat zich in de grond van je hart de wortel van niet weten bevindt: en uit die wortel kan enkel niet weten bloeien.

Goed genoeg.
Alleen is ‘Weet niet, en doe wat je doet’ voor mij geen voorschrift dat naleving verdient, maar een naschrift dat inleving behoeft.
Ook dat durf ik van niemand te vragen.


Spiegels van de ziel

Beste meneer Van Dam
Gisteren vond ik in een oud dagboek van zowat veertig jaar geleden een lied van J. Krishnamurti dat ik gedeeltelijk had overgeschreven. Het heet Het lied van de liefde. Krishnamurti schreef het kort na zijn verlichting, omdat zijn hart overstroomde. Op zoek naar de complete tekst kwam ik via Google op uw website terecht. En wat voor een website. Indrukwekkend, al die citaten, en vooral uw eigen ‘dwaalteksten’. Maar het mooiste vind ik toch de foto op uw autobiografische pagina. Zoals ze zeggen: de ogen zijn de spiegel van de ziel. Nu weet ik precies niet wat de ziel is, maar die foto’s zeggen mij alles. Ze doen me denken aan een prachtig gedicht van de grote soefimeester Hafiz:

The subject tonight is Love
And for tomorrow night as well,
As a matter of fact
I know of no better topic
For us to discuss
Until we all
Die!

In plaats van Love kun je ook lezen niet-weten.


Beste mevrouw X
Dank voor uw vriendelijke opmerkingen over mijn foto.
Hij is weliswaar niet geacteerd maar ik kan u verzekeren dat ik niet altijd zo kijk.
Soms zie ik er bijvoorbeeld benepen uit, of kritisch of verveeld of angstig of ongezond of moe of futloos.
Mijn ziel heeft vele facetten, maar dat maakt haar nog geen diamant.
De beste spiegel om haar te bekijken is zonder meer de lachspiegel.
Ook de aarsspiegel en de doorkijkspiegel kan ik adviseren.
U kunt natuurlijk ook gewoon zonder spiegel kijken.
Welke methode u ook gebruikt, ik hoop dat u mij niet aanziet voor weer zo’n halfmens vol onvoorwaardelijke liefde en universeel mededogen.
Er is meer in mij dan liefde alleen, en het niet weten dat daarop het meest van toepassing is, heet: dat wil je niet weten.

Hafiz is voor zover mij bekend in de eerste plaats een mysticus, een man van god, een man van de liefde voor god.
Ik heb bovenstaand gedicht overeenkomstig uw suggestie zo hertaald:

het onderwerp van vanavond is niet weten
evenals dat van morgenavond
en als het erop aankomt
weet ik niets beters
om bij stil te staan,
totdat we allen
het leven
laten

Mij klinkt dit als muziek in de oren, maar wat Hafiz ervan zou vinden?

Er zijn tegenwoordig heel wat mensen die niet weten liefde noemen, en omgekeerd.
Zelf vind ik dat te mooi.
Of niet mooi genoeg, daar ben ik nog niet uit.

Ik mag dan inzake de grote levensvragen misschien niets weten – ik sta er niet voor in – maar daarom houd ik nog niet overal van.
Ik omarm niet het hele leven, tenzij in die zin dat ik óók mijn weerstand tegen van alles en nog wat, eh, niet omarm natuurlijk maar laten we zeggen, onder ogen zie.
Die weerstand heb ik niet lief, maar ik ontken hem tenminste niet.
Niet meer.
Mijn weerstand tegen mijn weerstand ook niet.
Denk ik weleens.
Noch weet ik mij de keuzeloze waarnemer van het waargenomene, die volgens Jiddu Krishnamurti de allerhoogste liefde zou zijn; dus ook in die zin kan ik de liefde niet naar me toetrekken.
Noch weet ik mij het ene bewustzijn dat volgens de overlevering liefdevol met zichzelf speelt – ook al speel ik best weleens liefdevol met mezelf.
(En kosmisch zijn mijn grappen ook al niet.)

Enfin, u begrijpt het wel.
De oersoep van niet weten wordt al net zo lauw gegeten als ze wordt opgediend.
Niet weten is ook: niet weten wat liefde is.
Laat staan wat het verband met niet weten zou zijn.

Nou mevrouw, ik hoop dat ik u niet heb ontriefd.
Ik wil u beslist niets afnemen, aanpraten, meegeven, opspelden of in de maag splitsen.
Ik ben hier de laatste die beter weet.
Maar om dat nou liefde te noemen…


Ende hier omme seghic sachte

Beste Hans,
Vergeleken met de bruidsmystiek van een Hadewijch of een Ruusbroeck is niet-weten.nl wel een beetje, hoe zal ik het zeggen, onderkoeld. Vergelijk jouw eigen teksten maar eens met onderstaand fragment van eerstgenoemde uit haar Achtentwintigste Brief:

‘Tussen
God
en de zalige ziel
die God geworden is met God,
is een geestelijke liefde.
En wanneer God
deze geestelijke liefde openbaart in de ziel,
zo rijst in haar
een innige vriendschap.
Dat betekent:
zij voelt in zich
hoe God haar een vriend is
voor alle smart
en in alle smart
en boven alle smart,
ja, boven alle smart
tot in de trouw aan Zijn Vader.
In deze innige vriendschap
rijst
een groot vertrouwen.
In dit hoog vertrouwen
rijst
een oprechte zoetheid.
In deze gerechte zoetheid
rijst
een waarachtige blijdschap.
In deze waarachtige blijdschap
rijst
een goddelijke klaarheid.’

(uit Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 2002)

Mooi hè?


Beste X,
In haar negenendertigste lied, couplet 6, zingt Hadewijch:

‘Wat mij betreft, ik laat de minne wezen
wat ze van haar kant wezen wil.
Deze of gene waant in haar zijn vonnissen te lezen,
maar door haar toedoen valt zijn ijver spoedig stil,
en even vlug zijn lofgezang,
waaraan hij zich had opgetild.
Als ze dat wil, kan ze
goed strijden onder ’t schild;
al wordt niemand daar beter van.’

(bron: Het boek der liederen I, Hadewijch, tekst en vertaling: Herman Vekeman, Uitgeverij DAMON, Budel 2005)

In dezelfde brief waaruit jij citeert (al dan niet toevallig net een brief waarvan de authenticiteit omstreden is; zie De beeldspraak van Hadewijch, J. Reynaert, 1981, p425), schrijft Hadewijch of wie dan ook:

‘Sinds de heiligheid van God mij zwijgen deed,
sindsdien heb ik veel gehoord.
En sinds ik veel gehoord heb,
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zwijg ik dan
en rust ik
met God
tot de tijd
dat God mij spreken doet.
Ik heb
al mijn verdeeldheid geheeld,
en ik heb mij
al mijn heelheid eigen gemaakt,
en ik heb
al mijn eigenheid besloten gehouden in God
tot de tijd dat er iemand komt
met een onderscheid makende geest,
die mij vraagt
wat het is dat ik bedoel,
en hoe ik dit voel
met God in God.
Ik ben des te meer onderscheiden
als ik moet spreken.
En hierom zwijg ik zacht.’

(ook uit Ende hier omme swighic sachte, Hadewijch, vertaling: Ellen Hennink, 2002)

Zelf heb ik jarenlang gezocht naar een manier om ‘alles in te houden’ zónder ‘zacht te zwijgen’.
Of ik die gevonden heb mag iedereen voor zichzelf uitmaken.
Los van die vraag, en afgezien van al hun tekortkomingen, vind ik mijn eigen teksten prachtig.
Zoiets hoor je niet te zeggen nee.
Maar ik ga er ook niet om liegen.
Mijn dwaalteksten raken me diep.
Zelfs na de honderdste lezing.
Ik min ze zoals ik niet weten min en ik min niet weten zoals Hadewijch de Minne mint.
Niet vanwege hun literaire waarde.
Die hebben ze niet.
Niet omdat ze het niet weten zo treffend omschrijven.
Dat kunnen anderen veel beter dan ik.
Wel omdat ze het zo duidelijk demonstreren.
Je ziet het voor je ogen gebeuren.

Steeds wanneer niet-weten zélf het woord neemt, zit ik op het puntje van mijn stoel.
Inwendig jubelend.
Voor jou is niet-weten.nl onderkoeld, voor mij is het al de hoogste lyriek.
Hoger hoeft niet en hoger zal het wel niet worden.
Daarvoor is een radicaal niet weten als het mijne simpelweg te paradoxaal en de(con)structief.
Zodat je begrijpt wat ik hiermee bedoel, stuur ik onderstaande apologie mee.

De hoogste eer

Niet weten is geen God
Ik loof het door het niet te loven
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen feest
Ik vier het door het niet te vieren
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen prijs
Ik win het door het niet te winnen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen bruid
Ik min het door het niet te minnen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen geest
Ik ken het door het niet te kennen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen zelf
Ik ben het door het niet te zijn
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen ding
Ik heb het door het niet te hebben
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen werkelijkheid
Ik realiseer het door het niet te realiseren
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen plek
Ik verblijf er door er niet te verblijven
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen begrip
Ik vat het door het niet te vatten
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen verhaal
Ik vertel het door het niet te vertellen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen waarheid
Ik leer het door het niet te leren
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen principe
Ik huldig het door het niet te huldigen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen ideaal
Ik koester het door het niet te koesteren
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen recht
Ik claim het door het niet te claimen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen goeroe
Ik volg het door het niet te volgen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen weg
Ik ga het door het niet te gaan
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen doel
Ik bereik het door het niet te bereiken
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen kunst
Ik doe het door het niet te doen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen licht
Ik zie het door het niet te zien
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen maan
Ik wijs ernaar door niet te wijzen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Niet weten is geen boodschap
Ik breng het door het niet te brengen
Zo bewijs ik het de hoogste eer

Mooi hè?


Beste Hans,
Niet echt.


Beste X,
Laat ik het dan zo zeggen:

Wat mij betreft, ik laat niet weten wezen
wat het van zijn kant wezen wil.
Deze of gene waant in hem haar vonnissen te lezen,
maar door zijn toedoen valt haar ijver spoedig stil,
en even vlug haar lofgezang,
waaraan zij zich had opgetild.
Als het dat wil, kan het
goed strijden onder ’t schild;
al wordt niemand daar beter van.


Beste Hans,
Ai.


Beste X,
Of anders zo:

Sinds niet weten mij zwijgen deed
heb ik veel gehoord
en sinds ik veel gehoord heb
waarom hield ik het dan in?
Ik hield niet zonder reden in
wat ik inhield.
Ik hield alles in, ervoor en erna.
Zo zweeg ik dan
en rustte ik
met niet weten
tot de tijd
dat het mij spreken deed.
Ik heb al mijn verdeeldheid
ondermijnd
en ik heb de eenheid
afgezworen
en ik heb mijn eigenheid
besloten gehouden
in niet weten
tot de tijd dat er iemand kwam
met een wetende geest
die mij vroeg
wat het is dat ik bedoel
en hoe ik dit voel
met niet weten in niet weten.
Ik ben des te meer onderscheiden
als ik moet zwijgen
en hierom spreek ik zacht.


Beste Hans,
Mag ik hieruit concluderen dat jij jezelf als een mysticus ziet?


Beste X,
Als Hadewijch er werkelijk in geslaagd was zacht te zwijgen, zou ze zich zelfs niet bediend hebben van woorden als ‘god’, ‘ik’, ‘verdeeldheid’ en ‘heelheid’.
Of ‘mystica’, ik noem maar wat.
Omdat ook déze woorden haar ‘onderscheiden’ zouden hebben gemaakt.
Natuurlijk zou ze dit laatste ook niet meer hebben willen zeggen.
Hebben kúnnen zeggen.
Wat valt er nog te zeggen zonder woorden?


Beste Hans,
Ik meen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid te kunnen stellen dat Hadewijch het woord ‘God’ nooit opgegeven zou hebben.


Beste X,
In haar twintigste brief beschrijft Hadewijch ‘de twaalf uren van de opgang in minne’. In het elfde uur maakt de Minne

‘zijn memorie zo enig, dat hij niet vermag te denken aan heiligen of mensen, niet aan hemel of aarde, niet aan engelen, niet aan zichzelf, niet aan God, maar alleen aan de Minne die hem in bezit heeft genomen in steeds nieuwe tegenwoordigheid.’

In het twaalfde onnoembare uur ten slotte, zinkt Minne

‘terug in Haarzelf. Zij vindt alle voldoening in haar eigen natuur. Zo is Zij zelfgenoegzaam: al minde niemand de Minne, haar naam zou Haar beminnenswaardigheid genoeg geven in haar zelfheerlijke eigen natuur.’

(Hadewijch Brieven, F. van Bladel en B. Spaapen, Lannoo Tielt / Den Haag 1954, p157)

Meister Eckhart zegt in dit verband:

‘Hij bezit dan zonder gehechtheid, zonder bezitsdrang, zonder bezetenheid, doet geen enkele aanspraak gelden – noch op het eigen ik, noch op dat wat buiten hem is, zelfs niet op God.’

Als je interesse hebt: in Nada, nada, nada ga ik dieper op dit onderwerp in.


Beste Hans,
Wat is in jouw visie het verband tussen niet weten en mystiek?


Beste X,
Wie niet weet, staat inzake alle wezenlijke vragen – filosofische, existentiële, ethische, religieuze en spirituele – met lege handen.
Hij heeft geen enkel antwoord.
Zelfs niet het antwoord dat er geen antwoorden zijn.
Zelfs niet het antwoord dat je niets kunt weten.
Zelfs niet het antwoord dat je dat ook niet kunt weten.
Wie niet weet heeft ook geen vragen meer.
Zelfs de termen waarin de antwoorden en de vragen werden gesteld, zijn in rook opgegaan.

Dit is het twaalfde onnoembare uur.

Wie niet weet zoals ik niet weet, is – in alle rust – aan het eind van zijn Latijn.
Aan het eind ook van zijn moedertaal, lichaamstaal en orakeltaal.
Wie niet weet zoals ik niet weet, is sprakeloos.
Hij heeft werkelijk niets meer te zeggen.
Zelfs niet dat hij niets te zeggen heeft.
Niet omdat de waarheid voorbij de woorden is.
Dat zijn opnieuw woorden.
Niet omdat alles een uitdrukking van het ene is.
Dat zijn opnieuw woorden.
Niet omdat alleen stilte recht doet aan de wijsheid voorbij alle wijsheid.
Dat zijn opnieuw woorden.
Niet omdat de hoogste werkelijkheid geen verschil kent.
Dat zijn opnieuw woorden.
Niet om een andere zegbare of onzegbare reden.
Dat zijn opnieuw woorden.
Hij is alleen maar sprakeloos.
Sprakeloos zonder reden.
Redeloos sprakeloos.
Inderdaad, dit zijn nog steeds woorden.
Leugenachtig woorden want intussen spreek ik ongehinderd verder.
Weg ermee dus.
En weg ook met het ‘weg ermee’.

Dit is het twaalfde onnoembare uur.


Beste Hans,
Niet weten is simpelweg: einde verhaal.


Beste X,
Dat geldt niet alleen voor het verhaal van god maar ook voor het verhaal van niet-god.
Het geldt voor het verhaal van ik maar ook voor het verhaal van niet-ik.
Het geldt voor het verhaal van verdeeldheid maar ook voor het verhaal van heelheid.
Het geldt voor het verhaal van onderscheid maar ook voor het verhaal van eenheid.
Het geldt voor het verhaal van weten maar ook voor het verhaal van niet-weten.
En ook voor het verhaal van de twaalf uren van de opgang in minne.
En ook voor het verhaal getiteld ‘Einde verhaal’.

Ende hier omme seghic sachte.


Vrije val

Beste Hans,
In Leven met de Beminde schrijft Agnes Holvast:

‘Op de vraag: ‘Wat doen jullie in het klooster?’ antwoordde een woestijnvader: ‘Wij vallen en staan weer op, wij vallen en staan weer op, wij vallen en staan weer op.’ Ikzelf doe niet anders. Ik val en sta weer op. Met andere woorden: ik ga de weg.’ (p159)

Herken jij jezelf hierin? Wat doe jij in het leven?


Beste X,
Ik val alleen nog maar.


Wat in geen koffer past

Beste Hans,
Als Veronica Peters na twaalf jaar uit het klooster treedt, vraagt iemand:

‘Hoe sta je nu tegenover godsdienst?’
‘Na tien jaar nadenken weet ik gewoon niets.’
‘De vraag blijft open?’
‘Dat in elk geval.’

(uit Wat in twee koffers past, p232)

Hoe sta jij nu tegenover godsdienst? Hoe sta je tegenover God? Hoe sta je tegenover het leven?


Beste X,
Ik sta er niet tegenover, ik sta er niet achter. Ik sta er niet boven, ik sta er niet onder. Ik sta er niet buiten, ik sta er niet middenin.


Beste Hans,
Waar sta je dan wel?


Beste X,
Na vijftig jaar nadenken weet ik gewoon niets.


Beste Hans,
De vraag blijft open?


Beste X,
Na vijftig jaar nadenken vraag ik gewoon niets.


Angstwekkende gronden

Beste Hans,
Ik denk dat de volgende spreuk van Marcus de Asceet jou wel zal aanspreken:

‘Een jong kalf, op zoek naar groener gras,
raakt uiteindelijk verdwaald
te midden van angstwekkende afgronden.
Zo vergaat het ook de ziel,
want gedachten brengen haar geleidelijk tot dolen.’

(uit Mystieke teksten van de woestijnvaders, John, Anthony McGuckin, p26)


Beste X,
Welke gedachten eigenlijk?


Beste Hans,
Alle gedachten, zou ik denken.


Beste X,
Dan ook deze.


Beste Hans,
Welke?


Beste X,
Dat gedachten de ziel geleidelijk tot dolen brengen.


Beste Hans,
Hm.


Beste X,
Wat?


Beste Hans,
Maar wat zeg je dan nog?


Beste X,
Ik zeg niks.


Beste Hans,
Maar wat zegt Marcus de Asceet dan nog?


Beste X,
Zeg dat wel.


Beste Hans,
Verdorie.


Beste X,
Zo vergaat het nou de ziel…


Beste Hans,
Want gedachten brengen haar geleidelijk tot dolen.


Beste X,
Welke ziel eigenlijk?


Het grote zwijgen

Beste Hans,
Ken jij het boek Naar het hart van mijn ziel van Miek Pot? Daarin beschrijft de auteur hoe ze na twaalf jaar in een kluizenaarsklooster eindelijk de felbegeerde Grote Ervaring krijgt, een ultieme, mystieke eenheidservaring. Ze schrijft daarover:

‘Naast alle moeilijkheden die mijn ervaring met zich meebracht, werd er een sterk oervertrouwen geboren in het diepst van mijn ziel. Een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen, dat je het geheel bent, ‘dat ze wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel’ (Mat. 10:28). Dat is fundamenteel en wezenlijk en verandert echt iets aan je leven. Zo’n ervaring geeft daarmee een sterk intern referentiekader. Oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen maken langzaamaan plaats voor een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader.’ (p95)

Herken je dit? Hoe verliep jouw doorbraak?


Beste X,
Niet-weten is voor mij geen oervertrouwen in het diepst van mijn ziel maar een oerwantrouwen ten opzichte van alle ervaringen, gedachten en concepten, niet alleen die van ‘oervertrouwen’ en ‘het diepst van mijn ziel’, maar ook die van ‘oerwantrouwen’, ‘ervaringen’, ‘gedachten’, en ‘concepten’.
Van ‘een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen’ is bij mij geen sprake, al was het maar omdat ook het begrip ‘goed’ op z’n ‘gat’ ligt.
Van ‘een innerlijk weten dat je het geheel bent’ is bij mij evenmin sprake, al was het maar omdat ook de begrippen ‘je’ en ‘het geheel’ op hun gat liggen, om nog maar te zwijgen over hun eventuele equivalentie.
Van ‘een innerlijk weten dat ze wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel’ is bij mij evenmin sprake, al was het maar omdat ook de begrippen ze en me, lichaam en ziel, levend en dood op hun gat liggen.
Laat staan dat zo’n ervaring ‘een sterk intern referentiekader’ geeft.

Behalve zichzelf, geven ervaringen mij helemaal niets.
Gelukkig maar, want ik heb (of krijg of onderga) er, net als iedereen neem ik aan, talloze.
Grote en kleine.
Goddelijke en duivelse.
Mooie en lelijke.
Bijzondere en banale.
Dagelijkse en nachtelijke.
Het gaat maar door!
Ervaringen geven me niets, en geven ze me toch iets dan geef ik het meteen weer terug.
Anders leren ze het nooit.

Het enige wat ik enigszins herken in het verhaal van Miek Pot is dat ‘oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen langzaamaan plaats maken’.
In mijn geval weliswaar niet langzaamaan en al helemaal niet voor ‘een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader’ of voor welk referentiekader ook, maar toch.
Waarvoor wel, vraag je?
Weet ik veel.
Misschien maken ze alleen maar plaats.
Alleen maar plaats voor plaats.

Hiermee komt je tweede vraag helaas te vervallen.
Er was en is bij mij geen sprake van een doorbraak.
Doorbreken doe je wanneer je van het ene naar het andere gaat.
Bijvoorbeeld van oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen naar een nieuw, aan de eigen ervaring getoetst referentiekader, ik noem maar wat.
In mijn geval kun je denk ik beter van een uitbraak spreken.
Ik ben uit de oude, van buitenaf (of binnenuit) opgelegde overtuigingen gebroken, en dat was dat.
Hoewel…
Zo klinkt het net alsof ik mijn hele leven ergens in vast heb gezeten.
Heb ik dat werkelijk?
Of zit ik alleen maar vast in die gedachte?

Terugdenkend aan de maanden, of jaren, of decennia, of levens, voordat ik ‘uitbrak’, komt het mij voor dat ik niet zozeer probeerde uit te breken als in te breken.
In te breken in een of andere leer of overtuiging of traditie, in een of andere gemeenschap of parochie of sangha, in een of ander heiligdom of asiel of paradijs, in een of ander gat of wat dan ook.
Maar hoezeer ik mijn best ook deed, ik kwam nergens binnen.
Niet echt.
Misschien mijn blik, misschien mijn pik, maar nooit mijn ik.
Slik.
Uiteindelijk is het inbreken mij opgebroken.
Gebroken ben ik echter niet.
Alleen al omdat ik nooit heel ben geweest.
Heel noch part noch deel.

Doorbraak noch uitbraak noch inbraak.
Wat dan wel?
Afbraak, zou ik zeggen.
Niet weten is alles afbreken.
Zelfs de afbraak.
Of als je dat te activistisch vindt, alles zien afbrokkelen.
Zelfs het afbrokkelen.
Wat ik aanraak vergaat tot stof.
Niet alleen mijn oude, van buitenaf opgelegde overtuigingen, maar ook mijn nieuwe, aan de eigen ervaring getoetste referentiekaders.
Niet alleen mijn ego, maar ook mijn zelf.
Niet alleen mijn ziel, maar ook mijn hart.
Niet alleen mijn god, maar ook mijn niet-god.
Niet alleen mijn weten, maar ook mijn niet-weten.

Alle hebben plaatsgemaakt.
Plaatsgemaakt voor plaats.

Herken je dit?
Hoe verloopt jouw doorbraak?


Beste Hans,
Volgens mij heb jij gewoon nog nooit een eenheidservaring gehad.


Beste X,
Geenheidservaringen, eenheidservaringen, niet-eenheidservaringen, tweeheidservaringen, niet-tweeheidservaringen, veelheidservaringen, je wilt niet weten wat ik allemaal al ervaren heb.
Wat dacht je van een innerlijk weten dat het altijd weer goed zal komen, dat ze wel mijn lichaam kunnen doden maar niet mijn ziel?
Wat dacht je van een innerlijk weten dat het nooit meer goed zal komen, dat mijn ziel al dood is maar niet mijn lichaam?
Zelfs de scheppersroes is mij niet vreemd.
Maar het allermooiste dat ik ooit gezien heb is toch wel een opkrullend platanenblad dat spiraalsgewijs ter aarde viel.
Daarnet nog!
Of de warme blik van mijn vrouw.
Daarnet nog!
Neem van mij aan, daar kan geen eenheidservaring tegenop.
Of was het nou andersom.
Kijk toch, mijn wijsvinger beweegt!
Op het beeldscherm verschijnt een letter.
Dit vettige uitsteeksel hier met die vochtige gaten – moet dat werkelijk mijn neus voorstellen?
Jeminee, je maakt wat mee!

Maar wat het nou allemaal te betekenen heeft?
Behalve als uitdrukking van zichzelf, zeggen ervaringen mij niets meer.
Of zei ik dat al?
Zeggen ze toch iets dan versta ik ze niet.
Versta ik ze toch dan schreeuw ik er gewoon keihard doorheen.
Net zolang tot ze eindelijk hun stomme bek houden.
Hebben ze eenmaal geleerd hun stomme bek te houden, zoals ikzelf heb geleerd mijn stomme bek te houden, al is het maar sprekenderwijs, dan kunnen we eindelijk horen wat ze me nooit hadden kunnen zeggen, wat ikzelf nooit had kunnen zeggen, omdat we er zo nodig de hele tijd doorheen moesten tetteren.
Nu ook weer.

Herken je dit?
Hoe verloopt jouw inbraak?


Beste Hans,
Wat zal ik horen als er niemand meer doorheen staat te tetteren?


Beste X,
Dat er niemand meer doorheen staat te tetteren.


Beste Hans,
Ik bedoel, waardoorheen?


Beste X,
Dat bedoel ik.


Beste Hans,
Tot mijn spijt moet ik constateren dat ook deze poging tot inbraak is mislukt.


Beste X,
Kop op. Dat scheelt straks weer een uitbraak.


Beste Hans,
Toch bedankt.


Beste X,
De nada.


Rupsje nooitgenoeg

Beste Hans,
Ik heb in dit leven al heel wat mystieke literatuur achter de kiezen. Hoewel ik niet alles begrepen heb, is het mij in ieder geval duidelijk geworden dat de wolk van niet weten, de donkere nacht van de ziel, de woestijn, algemeen wordt voorgesteld als een wachtkamer waarin je verblijft totdat God op zijn eigen tijd en wijze zijn intrede doet. Aangezien jij alleen maar over niet-weten spreekt, kunnen we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststellen dat je te vroeg bent gestopt en de cocon abusievelijk voor de vlinder hebt aangezien.


Beste X,
Helaas of gelukkig houdt mijn leven zich niet aan de mystieke literatuur of aan de spirituele literatuur of aan de filosofische literatuur of aan welke literatuur of welk stramien ook.
Ik heb ook geen zin om te doen alsof.
Liever dan mijn verhaal aan te passen aan de boeken, vertel ik recht voor zijn raap wat mij overkomen is en maar blijft overkomen.
Of dat in zijn of haar straatje past, mag ieder voor zich uitmaken.

Voor mij is niet weten geen toestand van leegte waarin god nog moet intreden.
Niet weten is al dat intreden.
Dat wil zeggen, ook god is aan niet weten ten prooi gevallen.
Evenals niet-god.
Evenals één, niet-één, twee, niet-twee, ik, niet-ik, dit, dat, deze zijde, gene zijde, weten, niet-weten, verlichting, verduistering en de hele riedel.
Hoe kan het ook anders.
Daar is het niet weten voor.

Voor mij is god een ongelukkige metafoor voor niet weten, en dat lijkt mij geen degradatie.
Voor god, bedoel ik.
Mocht ik mij hierin vergissen dan zal niet de literatuur maar persoonlijke ondervinding mij moeten overtuigen.
Als het ooit zover komt – je weet tenslotte maar nooit – dan zal ik de eerste zijn om het publiekelijk toe te geven.
Hier, op deze website.
Ik verheug me er nu al op.

Maar tot die tijd weet ik niet beter.


De Wolk van niet-weten


Mijn gebed

Beste Hans,
Ken jij de soefimystica Rabi’a? Ik las ergens dat ze al haar levensomstandigheden zag als een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor haar vond. Ze vastte wanneer ze niets te eten had, ze sliep onder een boom wanneer ze geen onderkomen had. ‘God alleen’ was Rabi’a’s gewaagde gebed. Waarvan zijn al jouw levensomstandigheden een uitdrukking?


Beste X,
Ik weet het niet.


Beste Hans,
Wat niet?


Beste X,
Waarvan al mijn levensomstandigheden een uitdrukking zijn. Of ze wel ergens een uitdrukking van zijn. Of je dat wel kunt weten.


Beste Hans,
Bedoel je dat ze nergens een uitdrukking van zijn?


Beste X,
Dan had ik dat wel gezegd.


Beste Hans,
Bedoel je dat je dat allemaal niet kunt weten?


Beste X,
Hoe moet ik dat weten?


Beste Hans,
Heb jij een gewaagd gebed?


Beste X,
Ik weet het niet.


Beste Hans,
Is dat jouw gewaagde gebed of weet je het niet?


Beste X,
Ik had het niet beter kunnen zeggen.


Beste Hans,
Wat zou jij doen als je geen eten of onderkomen kon vinden?


Beste X,
Weet ik veel. Vloeken?


Beste Hans,
Doe mij maar Rabi’a’s ‘God alleen’.


Beste X,
Misschien is vloeken wel een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor mij vindt.


Beste Hans,
Jij zegt misschien. Rabi’a zág haar levensomstandigheden als een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor haar vond.


Beste X,
Misschien alleen maar omdat de Geliefde dat goed voor haar vond.


Beste Hans,
Niet omdat het waar is, bedoel je.


Beste X,
Weet jij veel.


Beste Hans,
En misschien is ‘misschien’ alleen maar een directe uitdrukking van wat de Geliefde goed voor jou vindt.


Beste X,
Misschien vindt de Geliefde wel helemaal niets goed voor mij.


Beste Hans,
Best mogelijk.


Beste X,
Misschien vindt de Geliefde wel helemaal niets goed.


Beste Hans,
Dat kan ook nog.


Beste X,
Misschien vindt de Geliefde wel helemaal niets…


Beste Hans,
Subtiel hoor.


Beste X,
En is dat het wezen van zijn liefde.


Beste Hans,
Kan best wezen.


Beste X,
Of van zijn zijn.


Beste Hans,
Kan best zijn.


Beste X,
Of misschien ben ik zelf wel de Geliefde.


Beste Hans,
Maar niet de mijne.


Beste X,
Of misschien zijn wij allemaal wel de Geliefde.


Beste Hans,
Al is het maar van de Geliefde.


Beste X,
Of misschien is er wel helemaal geen Geliefde…


Beste Hans,
Laat de Geliefde het maar niet horen.


Beste X,
En is dit alles maar beeldspraak.


Beste Hans,
Maar waarvoor?


Beste X,
Heb je het door?


Rare vogels

Beste Hans,
Ik vind jouw teksten duidelijk, maar niet dichterlijk zoals de teksten van Rumi. Ze spreken wel maar ze zingen niet.


Beste X,
Ik ben nou eenmaal geen nachtegaal.


Beste Hans,
Wat ben je wel?


Beste X,
Een haan?


Beste Hans,
Kukeleku!


Beste X,
Wakker worden!


Beste Hans,
Volgens mij kun je mensen niet wakker kukelen.


Beste X,
Doe dan maar een kraai.


Beste Hans,
Die snap ik niet.


Beste X,
Krassen, krassen, krassen.


Beste Hans,
Op die manier.


Beste X,
En wat ben jij?


Beste Hans,
Een papegaai?


Beste X,
Dan maken we evenveel lawaai.


Nieuwe maan

Beste Hans,
Niet lang geleden heb ik je interview Wijde Weetniet gelezen over verlichting versus verduistering. Grasduinend in de Encyclopedie van de Mystiek en de Mysteriegodsdiensten van John Ferguson (Het Wereldvenster, Baarn, 1979, p296) vond ik vanmorgen een gedicht van Henry Vaughan dat je vast wel mooi zult vinden.

‘Er is in God, zegt men,
Een diep verblindend duister; zoals men hier
Zegt het is laat en schemerig, omdat zij
Niet alles helder zien.
O om die nacht! waar ik in hem
Zou mogen leven onzichtbaar en zwak!’


Beste X,
Dank voor het gedicht, ik kende het nog niet.
De beeldspraak is mij uit het hart gegrepen.
Of er om dat diep verblindend duister heen inderdaad een god is, kun je van daaruit natuurlijk niet zien, kan ik van hieruit natuurlijk niet zien:

God is een diep verblindend duister
O eindeloze nacht!
Waarin ik duurzaam leven mag
Onzichtbaar en zwak!


Beste Hans,
Waarom eigenlijk dat ‘onzichtbaar en zwak’?


Beste X,
Vanwege dat diep verblindend duister natuurlijk.
In niet-weten kun je niet anders zijn dan onzichtbaar en zwak.
Onderdeel van de achtergrond als een wandelende tak in het lover.
Onderdeel van de voorgrond als het lover rond een wandelende tak.
Je kunt niet zeggen dat je er bent, je kunt niet zeggen dat je er niet bent, je kunt zelfs niet zeggen dat je het niet kunt zeggen en het maakt je gelukkig (geen fluit).


Beste Hans,
Waarom dat uitroepteken achter ‘onzichtbaar en zwak’?


Beste X,
Omdat het zo fijn is om niet aldoor iemand te hoeven zijn!
Omdat het zo fijn is om niet aldoor niemand te hoeven zijn!


Extase

Mystiek als schietstoel uit het denken (en zo weer terug erin).


Beste Hans,
Heb jij weleens mystieke ervaringen gehad?


Beste X,
Als je daarmee bedoelt een rechtstreekse ervaring van de eerste oorzaak, het ene, het zelf of een goddelijke principe of zo dan zeg ik zonder meer: Eh…


Beste Hans,
Nee hoor, zo bekrompen ben ik niet. Ik bedoelde het algemener, meer in de zin van William James: een voorbijgaande, onuitsprekelijke ervaring die diepe indruk maakt en je leven voorgoed verandert. Of nog ruimer gesteld: is er iets in jouw spiritualiteit dat je op eigen gezag een mystieke ervaring zou durven noemen?


Beste X,
Volgens mijn woordenboek betekent mystiek: raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent.
Wat is er raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent?
Het is maar net aan wie je het vraagt.
Voor de metafysicus is het de eerste oorzaak.
Voor de christen is het Jezus.
Voor de chassidim is het JWHW.
Voor de soefi is het Allah.
Voor de hindoe is het Brahman.
Voor de zenboeddhist is het de boeddhanatuur.
Voor de non-dualist is het de kenner.
Voor de daoïst is het Tao.
Voor Otto is het het numineuze.
Voor Barth is het het Ganz Andere.
Voor Levinas is het de Ander.
De eerste oorzaak, Jezus, JWHW, Allah, Brahman, de boeddhanatuur, de kenner, Tao, het numineuze, het Ganz Andere, de Ander – ze laten zich hetzij helemaal niet kennen hetzij alleen op mystieke wijze, dat wil zeggen indirect en incompleet, door niet-kennen of onbegrippelijke liefde.

Voor mij betekent mystiek: niet weten.
Niet alleen de eerste oorzaak, god, de boeddhanatuur et cetera blijven voor mij verborgen, ook de wezens en de dingen onttrekken zich voortdurend aan mijn inquisitie, evenals ikzelf.
Niets kan ik pakken, niets laat zich door mij bepalen of betrappen behalve op de meest oppervlakkige, vluchtige manier.
Zelfs het bestáán van welke zaak ook weet ik als het erop aankomt niet vast te stellen.
Wat ik maar denk of zeg, ik kan er niet voor instaan, ook hiervoor niet, ook voor mezelf niet, ook voor jou niet, voor de hele wereld niet, voor god niet, voor niemand niet – en dat is niet-weten.
Alles raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent.
Zelfs raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent is alweer teveel gezegd.
Alsof alles altijd alleen maar raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent is.
Alsof er zoiets is als ‘alles’.
Alsof ik in mijn korte leventje alles wat is, was en zal zijn van de eerste tot de laatste big bang van a tot z heb kunnen onderzoeken en daarbij met zekerheid heb kunnen vaststellen dat het voor iedere denkbare intelligentie allemaal even raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent is, was en zal zijn.
Wat een onzin, zeg.
Alles is veel te raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent om hier even tussen de bedrijven door weg te zetten als raadselachtig, geheimzinnig, verborgen, transcendent.
Nee hoor, daar waag ik mij niet aan.
Liever zeg ik: Sst.
Nou, kan het mystieker?


Beste Hans,
Ik vraag je niet wat je onder mystiek verstaat, maar of je mystieke ervaringen hebt of heb gehad.


Beste X,
Niet-weten gaat de hele dag door, dus van een ervaring kan ik eigenlijk niet spreken.
Het is een radicaal andere manier van denken: niet langer grijpend, selecterend, concluderend, onderbouwend en stellend maar tastend, inventariserend, relativerend, ondermijnend en ontstellend.
Niet vindend maar zoekend; naar de vragen achter de antwoorden, de leegte achter de woorden, de problemen achter de oplossingen, de wegen voorbij de doelen, de keerzijden van de keerzijden, de ongrond onder de grond.
Het is niet dat ik weiger te denken, of mijn gedachten voortdurend krampachtig afknijp zodat denkbeelden niet tot ontwikkeling kunnen komen.
Ik zou niet weten hoe.
Integendeel, ik denk er vrolijk op los.
Denken is een heerlijk spel voor iemand als ik, met meer smaakpapillen op zijn cortex dan een topkok op zijn tong, en meer scherpte in zijn tong dan een topkok in zijn snede.
Alles mag (en moet) gedacht en gezegd worden en aan dooddoeners heb ik een broertje dood.
Maar zodra denkbeelden denk-beelden dreigen te worden en op zoek gaan naar een voetstuk in mijn dwaaltuin, grijpt de iconoclast in mij in en slaat ze goed stuk.
Met het verbrijzelen van mijn denkbeelden (wereldbeelden, mensbeelden, zelfbeelden, godsbeelden, ideaalbeelden…), honderden malen per dag, keer ik terug van nooit weggeweest naar ground zero, dat wil zeggen, voegt mijn loopbeen zich weer bij mijn standbeen in het absolute nulpunt van mijn denken, de lege leer, de leegte van niet weten.
Daar sta ik voor zolang het duurt in een radicale extase (ek-stase) buiten alle denkbeelden, verrückt, en verrukt over


Beste Hans,
Je brief hield ineens op.


Beste X,
Dat heb je met die ek-stasen.


Beste Hans,
En als je daaruit terugkeert?


Beste X,
Waaruit?


Beste Hans,
‘Daar sta ik voor zolang het duurt in een radicale extase (ek-stase) buiten alle denkbeelden, verrückt, en verrukt over…’


Beste X,
… de grote open ruimte waarin alles en iedereen mag en kan zijn of niet-zijn wat het wil of moet zijn of niet-zijn.
Misschien is deze ‘grote open ruimte’ wel het hart van de westerse mystiek, waar Johannes van het Kruis en Meister Eckhart naar verwijzen met termen als ‘vernieten’, ‘niet-willen’ en ‘niet-weten’.
Misschien is deze ‘grote open ruimte’ ook wel het hart van de oosterse mystiek, waar zenboeddhisten naar verwijzen met termen als ‘gewone geest’ (ordinary mind), ‘grote geest’ (big mind), ‘oorspronkelijke geest’ (original mind), ‘weetnietgeest’ (don’t-know mind), ‘lege geest’ (empty mind) en ‘geen-geest’ (no mind).
Misschien is deze ‘grote open ruimte’ ook wel het zoveelste denkbeeld dat ervan droomt een denk-beeld op een voetstuk in mijn dwaaltuin te worden.
Net als ‘vernieten’, ‘niet-willen’ en ‘niet-weten’.
Net als ‘gewone geest’, ‘grote geest’, ‘oorspronkelijke geest’, ‘weetnietgeest’, ‘lege geest’ en ‘geen-geest’.
Zolang ik tenminste niet beter weet, reken ik al deze termen maar tot de beeldspraak.
Die zoals alle beeldspraak maar al te snel ontaardt in beeld-spraak.
Beeld-spraak die de ‘grote open ruimte’ sneller opvult dan ik hem uit kan ruimen, of althans zou opvullen als de ‘grote open ruimte’ zelf geen beeldspraak was geweest.


Beste Hans,
En die mystieke ervaring?


Beste X,
Ach hemeltje.
Nou, wanneer ik dan per se iets in mijn spiritualiteit moet aanwijzen als kandidaat voor een mystieke ervaring van niet-weten, dan maar die radicale ek-stase waarin


Beste Hans,
Je lijkt wel narcoleptisch.


Beste X,
Het zal de slaap der onschuldigen wezen.


Beste Hans,
‘Wanneer ik dan per se iets in mijn spiritualiteit moet aanwijzen als kandidaat voor een mystieke ervaring van niet-weten, dan maar die radicale ek-stase waarin…’


Beste X,
… ik weer een raadsel onder raadselen wordt die zich door mij niet duurzaam laten scheiden of verenigen.
Dat is dan meteen ook het belangrijkste verschil met de archetypische mystieke ervaring waarin sprake is van een aanschouwen of beminnen van of versmelten met een uiterlijke of innerlijke transcendentie.
In mijn ‘mystieke ervaringen’ (wat klinkt dat toch raar) is namelijk geen transcendentie te bekennen.
Niet-weten is bij mij geen toewenden tot, oprukken naar of bereiken van een hogere of diepere werkelijkheid, maar een retraite, een terugtrekken uit de ver-beeld-ing van mijn verbeelding – niet meer en niet minder.
Dus ook uit het denk-beeld van transcendentie.
Maar ook uit het denk-beeld dat transcendentie slechts een denk-beeld is.
En ook uit het denk-beeld van niet-weten als een retraite uit de ver-beeld-ing van mijn verbeelding.
En ook uit het denk-beeld van ‘de radicale ek-stase waarin ik weer een raadsel onder raadselen wordt die zich door mij niet duurzaam laten scheiden of verenigen’.

Me dunkt dat je dit bij gebrek aan inhoud geen natuurmystiek kunt noemen, of eenheidsmystiek of bestaansmystiek of nachtmystiek of christusmystiek of wezensmystiek (Eckhart) of bruidsmystiek (Hadewijch) of zo.
Wat dacht je van ‘bevrijdingsmystiek’ of ‘verlossingsmystiek’?


Beste Hans,
Hoe lang duurt zo’n extase eigenlijk?


Beste X,
Tot de aanvang van de volgende.


Beste Hans,
Jij staat permanent overal buiten.


Beste X,
In elk geval met mijn standbeen.
Het buitenbeentje wil nog weleens een uitstapje maken.


Beste Hans,
Zou je kunnen zeggen dat jouw mystieke ervaringen de leegte, het niets, de non-dualiteit tot object hebben?


Beste X,
Jij wilt van ‘gebrek aan inhoud’ meteen weer een nieuwe inhoud maken.
Ouwe denkbeeldhouwer.
De leegte, het niets, de non-dualiteit – ik ken ze niet en ik ervaar ze niet.
Ze zijn evenmin het object van mijn mystieke ervaringen als ik het subject.


Beste Hans,
En als ik nou zeg dat de leegte, het niets, de non-dualiteit het subject van jouw mystieke ervaringen is?


Beste X,
Subject, object, leegte, niets, non-dualiteit; zet ze maar in je eigen beeldentuin.
Kom, laten we het niet moeilijker maken dan het is.
Er gaat een denk-beeld aan gruzelementen en er is een hoera-gevoel dat rustig blijft rondzingen terwijl het denken zijn loop hervat.
Mystiek als schietstoel uit de mind.
BOEM.
En wéggedacht zijn ook de schietstoel en de mind.
Hoera!


Beste Hans,
En dat wou jij een mystieke ervaring noemen?


Beste X,
En dat wou jij een mystieke ervaring noemen.
Hoera!


Beste Hans,
Hoe lang ijlt zo’n hoera na?


Beste X,
Tot de aanvang van de volgende.


Beste Hans,
Jij leeft van hoera naar hoera.


Beste X,
In spiritueel opzicht, ja.
Ik heb altijd een lijntje lopen.
Daar kan geen coke tegenop.


Beste Hans,
En je houdt vol dat het niet de leegte is die je ervaart?


Beste X,
Niet de leegte maar het ontledigen.
Niet de stilte maar het verstillen.
Niet de ruimte maar het ontruimen.
Niet de openheid maar het openen.
Niet het niet-zijn maar het vernieten.
Niet de vrijheid maar het bevrijden.
Niet de verlossing maar het verlossen.
Niet het doorzicht maar het doorzien.
Niet het ondenkbare maar het ontdenken.
Niet het onzegbare maar het ontzeggen.
Niet het onherroepelijke maar het herroepen.
Niet het thuis zijn maar het thuiskomen.
Niet de grote dood maar het grote sterven.
Niet de zaligheid maar de zaligwording.
Niet de dans ontsprongen maar de dans ontspringen.

Keer op keer op keer.


Zielsverrukt

Wat is het verschil tussen levensgeluk en zielsgeluk? Over de zaligheid van niet weten en hoe je dat in vredesnaam onder woorden moet brengen.


Beste Hans,
In een van je correspondenties, ik weet niet meer welke, zeg je dat je absoluut zeker bent van absoluut niets. Op een of andere manier is dat zinnetje in mijn hoofd blijven hangen. Bedoel je dat je nergens helemaal zeker van kunt zijn? Volgens mij komt dat neer op een bestaande filosofie: het probabilisme. Dat maakt jou dus tot een filosoof, een probabilist, in plaats van de ‘filasoof’, de ‘dwijze’ die je zo graag zou willen zijn.


Beste X,
Met ‘absoluut zeker van absoluut niets’ bedoelde ik niet dat ik nergens zeker van ben, laat staan dat ‘je’ (in zijn algemeenheid) nergens zeker van kunt zijn, wat inderdaad probabilistisch zou zijn.
Ik bedoelde ermee dat mijn absolute zekerheid geen object heeft en geen rechtvaardiging kent of zoekt of behoeft.
Het is dus niet dat ik ergens absoluut zeker van ben of overal absoluut zeker van ben of absoluut zeker ben dat je nergens absoluut zeker van kunt zijn of zoiets, het is alleen maar dat ik absoluut zeker ben, punt.
Het is de zekerheid van een antwoordloos, vragenloos, begrippenloos denken (zijn, bestaan); van een denken (zijn, bestaan) waarin antwoorden, vragen en begrippen spontaan voor hun loosheid uitkomen, hoe zal ik het zeggen.
In die grondeloze, redeloze, absolute zekerheid is geen weten, geen twijfel en geen onwetendheid.
In die grondeloze, redeloze, absolute zekerheid is ook geen God of niet-god, geen Hans of niet-Hans, geen dualiteit of adualiteit, geen veelheid of eenheid, geen Bron, geen Boeddhanatuur, geen Leegte en geen vorm, geen Bewustzijn, geen Zijn, geen niet-zijn, geen Tao en geen Tê of hoe het allemaal ook mag hê ten.
Niet dat die zaken niet bestaan – hoe weet ik dat nou.
Ze hebben er alleen niets te zoeken, daar in die absolute zekerheid over absoluut niets.
Waarom niet?
Daarom niet.
Misschien zijn ze mij een maatje te groot, misschien ben ik hen een maatje te klein, hoe dan ook, ik heb ze er nooit gezien.

Om misverstanden te voorkomen: absoluut zeker zijn van absoluut niets is heel wat anders dan zelfverzekerdheid.
In de omgang met mijn medemens ben ik, behalve bij mijn lief, nog even onhandig en onzeker als vroeger, meer nog, zou ik haast zeggen, en het lijkt er niet op dat daar verandering in zal komen.

Absolute zekerheid over absoluut niets geeft een gevoel van absolute rust, absolute vrede en absoluut geluk.
Deze termen zijn op hun beurt misleidend omdat mijn bestaan en mijn gemoed nou niet bepaald vrij van woelingen zijn.
Maar wat er ook gebeurt, diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen.

Als ik teruglees wat ik zojuist geschreven heb, klinkt het best ingewikkeld, maar het probleem is juist dat het zo eenvoudig is.
Het is net als met niet-weten: wat valt er uit te leggen aan de lege leer?
Wat valt er uit te leggen aan de lege zekerheid?
Wat valt er uit te leggen aan de lege rust?
Wat valt er uit te leggen aan de lege vrede?
Wat valt er uit te leggen aan het lege geluk?

p.s.
‘Dwijze’ is niet bedoeld als een nieuwe spirituele eretitel of een nieuwe spirituele identiteit, maar als een ‘tja’ tegen iedere spirituele eretitel en iedere spirituele identiteit.
Al kan ik natuurlijk nooit uitsluiten dat ik mezelf nog steeds voor de gek zit te houden.


Beste Hans,
Misschien had je niet moeten spreken van ‘absoluut zeker van absoluut niets’. Dan had ik je ook niet voor een probabilist en een wannabe-dwijze aangezien.


Beste X,
Heb jij een beter idee?


Beste Hans,
Zekerheid-zonder-zekerheid zou dit misverstand hebben voorkomen. Net als look-zonder-look, zeg maar (een kruid dat sterk naar knoflook ruikt).


Beste X,
Of zekerheid zonder zekerheden.
Of zekerheden zonder zeker heden.
Of zekerheid in een onzeker heden.
Of onzekerheid in een zeker heden.
En dan pats-boem de poortloze poort door naar de ongenadige genade van de heilloze heiland.
Luisterend als een levende dode naar de stilte zonder stilte, doende niet-doend tot het einde van het eeuwige heden.
Vervuld van de rust-zonder-rust en de vredeloze vrede en het geluk-bij-een-ongeluk.
De Grote Weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is.

Het oxymoron: hangijzer en breekijzer van de dwaze wijze.
Absoluut zeker van absoluut niets.
En een misverstanden dat het geeft!


Beste Hans,
Graag wou ik je nog een stukje voorleggen uit een interview met Eugène Ionesco, de absurdistische Franse toneelschrijver. Ik vond het in Wat is mystiek van Paul Mommaers, 1977, op bladzijde 36:

‘Mij zijn momenten van zekerheid te beurt gevallen. Op dat stuk heb ik een ervaring gehad. Ik was zeventien jaar. Op een dag wandelde ik door een provinciestad, in de maand juni, ’s morgens. Plots kwam de wereld mij voor als verheerlijkt, zó dat een overweldigende vreugde me aangreep en ik tot mezelf zei: wat er ook nog gebeurt, nu wéét ik. En ik zal me dat moment altijd blijven herinneren. Ik zal dan ook nooit meer helemáál wanhopig zijn.

Ik kan u niet vertellen wat het was omdat het echt niet te vertellen is. Er was zoiets als een verandering in de aanblik van de stad zelf, van de wereld, van de mensen. De hemel leek me dichterbij, bijna tastbaar. Het enige wat ik zeggen kan is: intensiteit, aanwezigheid, licht. Met die woorden kan men het min of meer weergeven. Maar een definitie is niet mogelijk.

In elk geval, op dat moment zei ik tot mezelf dat ik zeker was. Had men mij gevraagd: zeker waarvan, dan had ik het niet kunnen zeggen. Ik was vervuld van een zekerheid, en ik heb bij mezelf gezegd dat ik nooit meer ongelukkig zou zijn, dat ik me op de kwaadste momenten dit ogenblik zou herinneren.

Het heeft zich, twee of drie jaar later, herhaald, met minder kracht; en daarna nooit meer. Ik ben het vergeten. Het is niet meer iets levends.’

Kun je je een beetje vinden in deze omschrijving?


Beste X,
Het enige raakvlak tussen deze beschrijving van Ionesco en de mijne, zit in de derde alinea.
Ionesco is vervuld van zekerheid, maar kan niet zeggen waarvan.
Ik ben ook vervuld van zekerheid, en ik kan ook niet zeggen waarvan.
Ik kan daarentegen wel zeggen waarvan niet (en heb dat hierboven ook gedaan); Ionesco niet (in ieder geval doet hij het in dit interviewfragment niet).
Ionesco heeft in zijn momenten van zekerheid bij zichzelf gezegd dat hij nooit meer ongelukkig zou zijn, en nooit meer helemáál wanhopig; ik heb dat nooit bij mezelf gezegd, zou het ook niet kunnen want uit niet weten volgt niets, niet dat ik weet, ook al is het een feit dat ik sinds ik niet meer weet nooit meer ongeremd ongelukkig ben geweest en zelfs niet een beetje wanhopig.
Bij Ionesco doet het gevoel van redeloze zekerheid zich voor tijdens twee piekervaringen aan het begin van zijn levenspad; bij mij doet het zich voor sinds ik op mijn negenenveertigste mijn roer verloor.
Ionesco spreekt van momenten van zekerheid; zelf spreek ik liever van een – ja, wat?
Gemoedstoestand?
Grondstemming?
Achtergrondgevoel?
Rode draad?
Ruggengraat?
Of zal ik het een onomkeerbare transformatie van mijn denken noemen?
Ja, ik kan wel zoveel zeggen, maar het zou me niet verbazen als het vandaag of morgen ineens gedaan is met mijn absolute zekerheid over absoluut niets.
Je weet tenslotte maar nooit.


Beste Hans,
Ik snap het niet. Als je zegt dat je sinds je niet meer weet nooit meer ongeremd ongelukkig bent geweest, proef ik daaruit dat je best nog weleens ongelukkig bent, alleen niet meer zo diep als vroeger. Aan de andere kant heb je het over absoluut geluk. Absoluut betekent toch altijd en overal?


Beste X,
Jij leest ‘absoluut’ als een kwalificatie van ‘geluk’.
Alsof ik nu voorgoed gelukkig ben in de klassieke zin van het woord, dat wil zeggen, blij van zin, vrolijk, onbekommerd, levenslustig en tevreden.
Alsof ik mijn geluksschuifje heb vastgeklikt op tien.
Dat is dus niet zo.
Mijn geluksgevoel is nog steeds zo variabel als het weer en afhankelijk van tal van omstandigheden.
Geluk in deze zin van het woord zou je voorwaardelijk geluk, relatief geluk, uiterlijk geluk, werelds geluk of tijdelijk geluk kunnen noemen.
Daarnaast is er een andere vorm van geluk, en dat is het grondeloze, redeloze, objecteloze geluk van niet weten.
Aangezien het geluk van niet weten niet afhankelijk is van omstandigheden, zou je het onvoorwaardelijk geluk, absoluut geluk, innerlijk geluk, spiritueel geluk of tijdloos/blijvend geluk kunnen noemen.
Ik hoef er namelijk niets voor te doen of te laten en ik kan er ook niets voor doen of laten.
Het is er altijd, hoe het verder ook met mij gesteld is in relatieve zin.
Zoals ik al schreef: wat er ook gebeurt, diep van binnen zit ik zachtjes te spinnen.
Zo kan het dus gebeuren dat ik mij in de relatieve (gewone) zin van het woord ongelukkig voel terwijl ik in de absolute zin van het woord gelukkig ben.
Tegenstrijdige gevoelens.
Wie heeft ze niet.

Het valt me op dat ik zojuist voor het relatieve geluk het werkwoord ‘voelen’ gebruikte en voor het absolute geluk van niet weten het werkwoord ‘zijn’; ik vóel me ongelukkig maar ik bén gelukkig.
Zo kan het dus ook.
Weer een andere formulering die nu in me opkomt is dat ik soms oppervlakkig ongelukkig ben maar tegelijkertijd diep gelukkig.
Het diepe geluk verlaat me nooit, en daarom noem ik het diep.

Dit zijn de tegenstellingen die ik tot nog toe heb gebruikt:

voorwaardelijk – onvoorwaardelijk
relatief – absoluut
oppervlakkig – diep
uiterlijk – innerlijk
werelds – spiritueel
tijdelijk – tijdloos/blijvend

In combinatie met geluk:

voorwaardelijk geluk – onvoorwaardelijk geluk
relatief geluk – absoluut geluk
oppervlakkig geluk – diep geluk
uiterlijk geluk – innerlijk geluk
werelds geluk – spiritueel geluk
tijdelijk geluk – tijdloos/blijvend geluk

In combinatie met ‘zekerheid’:

voorwaardelijke zekerheid – onvoorwaardelijke zekerheid
relatieve zekerheid – absolute zekerheid
oppervlakkige zekerheid – diepe zekerheid
uiterlijke zekerheid – innerlijke zekerheid
wereldse zekerheid – spirituele zekerheid
tijdelijke zekerheid – blijvende zekerheid

In combinatie met rust:

voorwaardelijke rust – onvoorwaardelijke rust
relatieve rust – absolute rust
oppervlakkige rust – diepe rust
uiterlijke rust – innerlijke rust
wereldse rust – spirituele rust
tijdelijke rust – blijvende rust

En in combinatie met vrede:

voorwaardelijke vrede – onvoorwaardelijke vrede
relatieve vrede – absolute vrede
oppervlakkige vrede – diepe vrede
uiterlijke vrede – innerlijke vrede
wereldse vrede – spirituele vrede
tijdelijke vrede – blijvende vrede

Wat mij hindert aan deze rijtjes is dat de linkertermen een beetje badinerend zijn.
Alsof de ene vorm van geluk (zekerheid, rust, vrede) de andere overstijgt of overklast of overstraalt.
Alsof je pas echt gelukkig bent als je het ‘absolute’ geluk kent.
Alsof je nooit meer ongelukkig zult zijn als je het ‘blijvende’ geluk kent.
Alsof je nooit meer het voorwaardelijke geluk na zult jagen als je het ‘onvoorwaardelijke’ geluk kent.
Zo werkt het dus niet.
Bij mij in elk geval niet.
De twee vormen van geluk (zekerheid, rust, vrede) bestaan (‘bestaan’) naast elkaar en de een stelt de ander niet in de schaduw.
Ik gebruik dus niet de juiste woorden.
Wat zijn wel de juiste woorden?
Zijn er wel juiste woorden?

Termen die ik in mijn eerste mail aan jou heb gebruikt voor het geluk van niet-weten zijn ‘het lege geluk’ en ‘redeloos geluk’ en ‘grondeloos geluk’, ‘geluk zonder object’ en (zojuist) ‘het geluk van niet-weten’.
Dat klinkt meteen al een stuk minder exclusief.
Maar wat moeten we er tegenover stellen?
Het volle geluk, redelijk geluk, gegrond geluk, geluk met object, het geluk van het weten?
Hm.

Nog een ontsnappingsmogelijkheid uit het hiërarchische spreken over geluk is om voor het geluk van niet-weten een nieuw woord te verzinnen of een achterhaald woord te recycleren.
Bij dit laatste denk ik aan ‘zaligheid’, een ouderwets woord dat bij niet-christenen in onbruik is geraakt en zich daardoor goed leent voor een nieuwe invulling.
Helaas klinkt het voor mij als oud-katholiek nog steeds een beetje exclusief.
Wat te denken van ‘zielsgelukkig’?
Kunnen we daar een zelfstandig naamwoord van maken, ‘zielsgeluk’, en zo ja, wat staat er dan tegenover?
Levensgeluk?
Om de rust van niet-weten te onderscheiden van ‘gewone’ rust zou ik de een zielenrust kunnen noemen en de ander, bijvoorbeeld, geestesrust.

Het heeft wel wat, levensgeluk en zielsgeluk, geestesrust en zielenrust, maar ja.
Voor je het weet gaan mensen weer aan de haal met die ziel.

Nee, ik ben er nog niet uit.


een half jaar later:

Beste Hans,
Ben je er al uit?


Beste X,
Inderdaad, ik ben eruit.
Tot mijn stomme verbazing eigenlijk.
Nadat ik al zoekende op het woordje ‘ziel’ was gestoten is het hard gegaan.
Op het woordkerkhof van het katholicisme lagen gratis en voor niks hele woordvelden op mij te wachten waar ik mij binnen de kortste keren wonderbaarlijk (ook al zo’n katholiek woord) goed bij thuisvoelde.
Ze klinken een beetje ouderwets, ze worden in het dagelijks leven nauwelijks gebruikt en daardoor ontstaan er ook niet zo snel misverstanden vergeleken met evergreens als geluk, rust en vrede.
Grappig genoeg beginnen veel van die woorden ook nog eens met een z – net als het woord zekerheid dus.
Makkelijk te onthouden!

Dit zijn op het moment van schrijven mijn ‘z-pillen’:

– Zalig
– Zaligheid (synoniem: heerlijkheid)
– Zaligmakend
– Zaligmaker
– Zaligverklaring

– Zegen
– Gezegend

– Zielenrust (zielsrust)
– Zielenvrede (zielsvrede)
– Zielenvreugde (zielsvreugde)
– Zielsgeluk (zielengeluk)
– Ziels-gelukkig
– Ziels-tevreden
– Zielstevredenheid
– Zielsverrukking
– Zielsverrukt
– Zielsverrückt!

De lege vreugde van niet weten ben ik spontaan ‘zaligheid’ en ‘heerlijkheid’ gaan noemen.
Ik kraam nu dingen uit als: ‘Het is zalig om niet meer te weten’ en ‘Zalig worden betekent voor mij gered worden uit het eeuwig weten’ en ‘Niet-weten bleek voor mij zaligmakend’ en ‘Ik mag dan zalig zijn, de zaligmaker ben ik niet’ en ‘Mijn zaligmaker heet Meester Tja’ en ‘Zalig zijn de dwijzen’ en ‘De dwijze heeft van niemand een zaligverklaring nodig’ en ‘Als ik nu dood zou gaan, zou ik sterven in heerlijkheid’ et cetera.

Wil ik in verband met niet weten het woord ‘geluk’ gebruiken, dan doe ik dat nu bij voorkeur met het neologistische ‘zielsgeluk’ (afgeleid van het bestaande woord ‘zielsgelukkig’) of de vormvariant ‘zielengeluk’.
Wil ik mijn lege zielsgeluk afzetten tegen het geluk van alledag, dan noem ik dit laatste ‘levensgeluk’.
Om aan te geven dat ik zielsgelukkig ben met mijn zielsgeluk noem ik mij op papier ziels-gelukkig (met een streepje).
‘Zielsgelukkig’ heeft in het normale spraakgebruik betrekking op levensgeluk, dus misschien moet ik mij nu afvragen op welk geluk de zinsnede ‘zielsgelukkig met mijn zielsgeluk’ betrekking heeft.
Maar waarom zou ik?

Om te verwijzen naar de lege rust en de lege vrede van niet weten gebruik ik de woorden zielenrust (zielsrust) en zielenvrede (zielsvrede), of ik gebruik een omschrijving die op hetzelfde neerkomt: ‘Mijn ziel heeft rust gevonden’ of ‘Mijn ziel heeft vrede gevonden’.
Wanneer het spinnen jubelen wordt, gebruik ik het woord zielenvreugde (zielsvreugde) of zielsverrukking of ik noem mezelf zielsverrukt of zielsverrückt! (om het dwaze van mijn dwijze ziel te benadrukken) of zielstevreden.
Noem ik mij ziels-tevreden dat ben ik zielstevreden met mijn zielsvrede.
Nog wat zinnen met ziel: ‘Hans van Dam: een zielepiet met zielenrust’ en ‘Mijn verhaal: van zielennood naar zielenvreugd’ en ‘Hoe een dolende ziel vreemdging in het bekende en thuiskwam in den vreemde’ en ‘Ik verloor mijn geest en vond mijn ziel’ en ‘Ik verloor mijn ziel en vond mijn rust’ en ‘Ik vond mijn rust en verloor mijn roest’ – of hoort die laatste in dit rijtje niet meer thuis?

Wil ik mijn dankbaarheid betuigen dan kan ik daarvoor opnieuw een braakliggend woord gebruiken: ‘ik voel mij gezegend met niet weten’. In dezelfde categorie: ‘Niet weten is een zegen zonder hoop’ en ‘Niet weten is een vervloekte zegen’ (of ‘Niet weten is een gezegende vloek’).

Absolute favoriet onder mijn z-pillen is momenteel ‘zielsverrückt!’.
Met uitroepteken, dat hoort bij het woord.
Zo maakte het ook zijn entree.
Toen ik mezelf voor het eerst zielsverrukt noemde, begon Lucienne meteen te roepen: ‘Zielsverrückt! Je bent zielsverrückt!’
Nou ja.
Toch nog een eretitel.

Behalve mijn z-pillen grijp ik regelmatig terug op ‘de lege rust’, ‘de lege vrede’ ‘de lege vreugde’ en ‘het lege geluk’, terwijl ook ‘de lege zekerheid’, ‘de lege leer’, ‘het lege weten’ en ‘de lege wijsheid’ blijven opduiken.
Goed genoeg, zou je denken, maar helaas, ieder woord waarvan ik mij bedien, oud of nieuw of oud en nieuw, is een kruis langs de weg.
Geheid dat iemand zich eraan vastnagelt.
Weer een dooie zonder wijsheid zonder wijsheid.
Nee, dat wil ik echt niet op mijn geweten weten.
Daarom mijn zoveelste disclaimer:

Ik zeg niet dat er zoiets zou zijn als een bestendige ziel (of dat er niet zoiets zou zijn) of dat er iets of iemand zou zijn die of dat mij zegent of heeft gezegend (of dat er niet zo iets of iemand zou zijn), of dat er werkelijk zoiets bestaat als zielsgeluk of levensgeluk (of dat er niet zoiets bestaat) of dat die twee geen enkel verband met elkaar hebben (of dat ze dat wel hebben, of identiek zijn aan elkaar) et cetera.

Zaligheid, zegening, zielenvreugd – het is allemaal beeldspraak.
Net als ‘niet weten’, ‘dwijze’ en ‘tja’.
Net als ‘absoluut zeker van absoluut niets’.
Woorden als pruimtabak; savoureren en uittuffen.
Woorden als z-pillen; inbrengen en uitkakken.
Want, om het met Meester Tja te zeggen:

In niet weten is geen niet weten.


Beste Hans,
Heeft je levensgeluk dan helemaal niets te maken met je zielsgeluk?


Beste X,
Ja, nu vraag je me om luchtkastelen te verkopen als onroerend goed.
Wat ben ik, een makelaar?
Als ik antwoord geef, wordt een wijze van spreken weer een wijze van weten; een wijze van voorstellen weer een wijze van zijn.
Wat voor wijze wil jij zijn?


Beste Hans,
Een wijze van weten, ben ik bang.


Beste X,
Heel kort dan.
Mijn zielsgeluk heeft geen directe invloed op mijn levensgeluk.
Niet weten wel.
Doordat ik mijn gedachten niet meer geloof – de vorige ook niet, deze ook niet en de volgende ook niet – zit ik nooit meer vast in mijn eigen verwachtingen of in mijn eigen gelijk.
Zelfs in niet-vastzitten zit ik niet vast.
Daardoor hoef ik niet zo te strijden en niet zo te lijden en is mijn levensgeluk met sprongen toegenomen – ook al heb ik nog steeds mijn ups en mijn downs.

Maar nogmaals: woorden zijn instrumenten, geen monumenten.
in niet weten is geen niet weten.
In niet weten is ook geen levensgeluk.
In niet weten is ook geen zielsgeluk.
Leve het lege geluk.
(Want alles wat heel is gaat stuk.)


Hoe of wat

Beste Hans,
De meeste leraren richten zich vooral op wat ze moeten zeggen, jij op hoe je het moet zeggen. Hoe komt dat?


Beste X,
Doordat ik geen leraar ben?


Beste Hans,
Afgezien daarvan.


Beste X,
Hoe zal ik het eens zeggen.


Beste Hans,
Neem rustig de tijd.


Beste X,
Wat zou ik moeten zeggen.


Een valse stap

Beste Hans,
In een recente briefwisseling gebruikt u de term ‘zielsverrückt!’ (met uitroepteken) om het dwaze van uw dwijze ziel te benadrukken. Heeft u het idee dat uw ziel zich stapsgewijs heeft ontwikkeld van dwaas via wijs naar dwijs, of veeleer dat uw ziel is teruggekeerd naar de staat van oorspronkelijke dwijsheid uit uw vroegste jeugd of wellicht zelfs uit de tijd ‘voordat uw ouders geboren werden’, zoals de zentraditie het wil?


Beste X,
Net zomin als het woord ‘knettergek’ verwijst naar een gek die knettert, verwijst het woord ‘zielsverrückt’ naar een ziel die verrückt is.
Waarom heeft u die moord gepleegd is geen goede vraag aan iemand die de moord niet heeft gepleegd.
Voor ik mij afvraag of mijn ziel zich stapsgewijs heeft ontwikkeld of is teruggekeerd naar een of andere staat, moet ik eerst vaststellen of ik wel een ziel heb.
Nou, dat weet ik dus niet.


Woekergeesten

Beste Hans,
Ik schrijf vanaf mijn tablet uit Oostenrijk om je te bedanken voor je gratis website. Uitkijkend over de machtige Alpen denk ik steeds: God is overal en voor iedereen gratis toegankelijk. Waarom worden er dan woekerprijzen voor gevraagd?


Beste X,
Omdat Hij toch niet overal is?
Omdat Hij toch niet voor iedereen is?
Omdat Hij toch niet gratis is?
Omdat Hij toch niet toegankelijk is?
Omdat Hij ook in de woekerprijzen is?
Omdat Hij ook in je ergernis is?
Ik zou het anders ook niet weten.

Grüss,

Gott


Een ongelijke strijd

Beste Hans,
Dank voor uw website, waarin ik mij volledig herken. Levend in een onoverzichtelijke, jachtige en overvolle wereld heeft de mens de neiging
de soevereine werkelijkheid te reduceren tot een aantal simplistische categorieën, principes en verklaringen. Deze verschaffen zijn overspannen geest de broodnodige rust maar de werkelijkheid laat zich niets aan zijn sjablonen gelegen liggen en breekt keer op keer door de kieren van zijn kunstmatige orde heen. Weten is een ongelijke strijd. Het leven is een mysterie en zelfs onze grootste intellectuele inspanningen zullen – alledaagse, wetenschappelijke en technologische knowhow daargelaten – onverbiddelijk op het numineuze te hoop lopen. In het aangezicht van het totaal andere is een deemoedig niet-weten de enige houding die soelaas biedt.


Beste X,
Dank voor uw eloquente reactie, waarop ik wil antwoorden met enkele vragen.
Vertolkt u naar uw mening de waarheid of is dit úw poging om de soevereine werkelijkheid te reduceren tot een aantal simplistische categorieën, principes en verklaringen?
Behoort uw schrijven en denken reeds tot het deemoedige niet weten of maakt het nog deel uit van de ongelijke strijd?
In het laatste geval: is de werkelijkheid al vaker door de kieren van deze
kunstmatige orde heen gebroken of is dit de eerste keer?

Vriendelijke groeten,

Het totaal andere


Even afrekenen

Beste Hans,
Hierbij wil ik u hartelijk danken voor uw immer uitdijende website die, duidelijker dan welk ander Nederlandstalig egodocument ook, aantoont dat niet-weten religieus gezien een heilloze weg is.


Beste X,
Niet weten is geen weg. Het rekent af met iedere heilsverwachting.


Beste Hans,
Precies wat ik bedoel. Het leidt regelrecht naar de verdoemenis!


Beste X,
Niet weten is geen weg. Het rekent af met iedere onheilsverwachting.


Voetzoekers

Beste Hans,
Ken je die van de rabbi aan wie gevraagd werd of hij de betekenis van de Thora kon uitleggen terwijl hij op een been stond? ‘Ja hoor’, zei die rabbi, ging op één been staan en verklaarde: ‘Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden.’


Beste X,
Geldt dat ook voor masochisten?


Beste Hans,
Eh… de uitzondering bevestigt de regel?


Beste X,
Laatst vroeg iemand of ik de betekenis van de Heilige Schrift kon uitleggen terwijl ik op één been stond. ‘Ja hoor’, zei ik, en ging op één been staan.


Beste Hans,
Doet me denken aan een koan in de Poortloze Poort van Wumen:

‘Hyakujo wilde een monnik uitzenden om een nieuw klooster te openen. Hij vertelde zijn leerlingen dat degene die het meest vaardige antwoord op een vraag gaf, aangewezen zou worden. Hij zette een vaas met water op de grond en vroeg: Wie kan zeggen wat dit is zonder de naam ervan te noemen? De hoofdmonnik zei: Niemand kan het een houten schoen noemen. Isan, de kok-monnik, stootte de vaas met zijn voet om en ging naar buiten. Hyakujo glimlachte en zei: De hoofdmonnik heeft verloren. En Isan werd de meester van het nieuwe klooster.’


Beste X,
Laatst vroeg mijn neuroloog of ik op één been kon staan, waarop ik prompt uit de Heilige Schrift begon te citeren.


Beste Hans,
Zonder eerst op één been te gaan staan?


Beste X,
En toch raakte ik meteen uit balans.


In den Hoge

Beste Hans,
Wat is volgens jou het verband tussen niet weten en mystiek?


Beste X,
Je kijkt om je heen.
Je mond valt open van verbazing.
Je denkt: Wie?
Je denkt: Wat?
Je denkt: Waar?
Je denkt: Wanneer?
Je denkt: Waarom?
Je denkt: Hoe?
Je denkt: Hè?
Je denkt: ‘Eh…’
Je haalt je schouders op.
Je denkt: Wat zal ik er eens van zeggen.
Je zegt: Ik weet niets, maar dat weet ik wel verdomd zeker!
Je denkt: Weet je wat, ik maak er een leer van.
Je noemt jezelf scepticus.
Je zegt: Heil Socrates!
Socrates zegt niets terug.
Je denkt: Sterker nog, ik weet niets, en dat ook niet.
Je denkt: Weet je wat, ik maak er een leer van.
Je noemt jezelf pyrronist.
Je denkt: Sterker nog, ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet…
Je denkt: Maar om daar nou een leer van te maken?
Je denkt: Klaar ben ik.
Je denkt: Ik weet gewoon geen onderscheid meer te maken.
Je denkt: Ik weet nondeju geen enkel onderscheid hard te maken.
Je denkt: Zou het aan mij liggen?
Je moet er niet aan denken.
Dus blijf je eraan denken.
Ineens krijg je een ingeving.
Je denkt: Het ligt niet aan mij, het ligt aan de werkelijkheid.
Je denkt: Wat een opluchting.
Je zegt: Het leven is een Mysterie.
Je denkt: Wat een opluchting.
Je zegt: Er is geen onderscheid!
Je denkt: Weet je wat, ik maak er een kosmologie van.
Je spreekt van non-dualiteit.
Je denkt: Weet je wat, ik maak er een religie van.
Je noemt het non-dualisme.
Je noemt jezelf non-dualist.
Je redeneert: Als er geen onderscheid is dan is alles één.
Je denkt: Weet je wat, ik maak er een leer van.
Je noemt het monisme.
Je noemt jezelf monist.
Je redeneert: Als alles één is dan ben ik alles.
Je noemt jezelf alles.
Je redeneert: Alles is god, ik ben alles, dus ik ben God.
Je denkt niet eens: Waar kwam die hoofdletter ineens vandaan?
Je denkt: Wie zou ik zijn zonder het syllogisme.
Je roept: Heil Aristoteles.
Aristoteles zegt niets terug.
Je kijkt minzaam om je heen.
Je laat je lauweren schikken.
Je denkt Zelf-ingenomen: Ik ben van ver gekomen.
Maar zo is het wel ver genoeg.
Je prevelt: Van U wil ik zwijgen.
Je kreunt wellustig ‘Ohmmmmmmmmm’.
Terwijl het volk je voeten wast.


Beste Hans,
Mijn mond valt open van verbazing. Is dit satirisch bedoeld? Aan welke kant sta jij?


Beste X,
Hè?


Beste Hans,
Aan de kant van niet-weten dus. Zelf sta aan de kant van de mystiek. Dat durf ik best toe te geven.


Beste X,
Zelf sta ik gewoon aan de kant.
Dat durf ik best toe te geven.
Maar om dat nou niet-weten te noemen?
Of mystiek?


Drie bloemen

Beste Hans,
Ben jij bekend met het prachtige gedicht De roos zonder waarom van de mystieke Duitse dichter Angelus Silesius (1624-1677)?

‘Die Ros ist ohn warum;
sie blühet, weil sie blühet,
Sie acht nicht ihrer selbst,
fragt nicht, ob sie siehet.’

Volgens mij drukt dit gedicht precies de houding van niet-weten uit waar jij over schrijft. Een ‘leven zonder waarom’ (Meister Eckhart, 1260-1327). Een leven waarin het impertinente denken, dat zo graag grenzen trekt, maar zijn eigen grenzen niet kent, voorgoed op zijn plaats is gezet. Want, om Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) te parafraseren: niet hóe de dingen zijn is het wonder maar dát ze zijn.


Beste X,

‘Waarom’ kent geen waarom;
het bloeit omdat het bloeit.
Het gaat gewoon zijn gang,
en weet zich niet geboeid.


What goes up

Beste Hans,
In Where are you going (1994) vertelt swami Muktananda het volgende verhaal:

‘Een yogi, een priester en Nasruddin vertelden elkaar wat ze voor God over hadden.
De yogi trok een cirkel op de grond en zei: Alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. Wat binnen de cirkel valt is voor God, wat erbuiten valt is voor mij.
De priester trok een cirkel op de grond en zei: Alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. Wat buiten de cirkel valt is voor God, wat erbinnen valt is voor mij.
Nasruddin zei: Ik doe niet aan cirkels. Alles wat ik krijg gooi ik in de lucht. God neemt wat hij hebben wil; wat op de grond valt is voor mij.’
(p157)

Wat offer jij aan God?


Beste X,
God.


Beste Hans,
Hè?


Beste X,
Iets groters heb ik niet.


Beste Hans,
Jij offert God aan God?


Beste X,
En aan iedereen die hem hebben wil.


Beste Hans,
Is dit een verwijzing naar niet-god?


Beste X,
Ook opgeofferd.


Beste Hans,
Misschien moest je jezelf maar eens opofferen.


Beste X,
Ik doe al niet anders.


Beste Hans,
Aan God?


Beste X,
En aan iedereen die me hebben wil.


Beste Hans,
Is dit een verwijzing naar geen-zelf?


Beste X,
Ook opgeofferd.


Beste Hans,
Zo blijft er niets over.


Beste X,
Ook opgeofferd.


Beste Hans,
Hét niets of gewoon niets?


Beste X,
Of gewoon alles.


Beste Hans,
Het enige wat overblijft is offeren?


Beste X,
Ook opgeofferd.


Beste Hans,
Nou, jij liever dan ik.


Beste X,
Zeker weten.


Beste Hans,
Jij was toch van niet-weten?


Beste X,
Ook opgeofferd.


Beste Hans,
Eenzijdig hoor.


Beste X,
Wat offer jij allemaal aan God?


De lege mystiek

Over de verschillen tussen een mystiek niet-weten en een radicaal niet-weten; een relatief niet-weten en een absoluut niet-weten; een instrumenteel niet-weten en een accidenteel niet-weten; een goddelijke mystiek en een lege mystiek.


Beste Hans,
In het tractaatje Over mystieke theologie zegt Pseudo-Dionysius de Areapagiet:

‘En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat hij het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is, en aan niets, niet aan zichzelf en niet aan iets anders, en wanneer hij zich met het volledig onkenbare door de onwerkzaamheid van al zijn kennen op de hoogste wijze vereent en door niets te kennen boven geest kent.’

En een stukje verderop:

‘In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Want dat is het werkelijk zien en kennen en het bezingen van degene die boven zijndheid is als boven zijndheid; door middel van wegneming van alles wat de zijnden toekomt, zoals degenen doen die een van nature aanwezig beeld tot stand brengen, wanneer ze al het belemmerende dat het zuiver aanschouwen van het verborgene in de weg staat wegnemen en door wegneming alleen de verborgen schoonheid laten verschijnen zoals die op zichzelf is.’

(uit Over mystieke theologie / Pseudo-Dionysisus de Areoapagiet, Ben Schomakers 2002, p15-21)

Op niet-weten.nl is duisternis een regelmatig terugkerende metafoor voor niet-weten. Zo noem je jezelf onder meer ‘een duisterling’ en ‘verduisterd’, en uitdrukkelijk niet verlicht. Doel je daarmee op hetzelfde als Dionysius de Areopagiet met ‘het duister dat meer dan licht is’? Wat is volgens jou het verschil tussen de duisternis van de mysticus en de duisternis van de dwijze, of komen ze op hetzelfde neer?


Beste X,
De beeldspraak van de duisternis loopt als een, eh… zwarte draad door de geschiedenis van de christelijke mystiek en komt in meer of minder uitgewerkte vorm voor bij onder meer Gregorius van Nyssa, Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Meister Eckhart en Johannes van het Kruis.
Simpel gezegd staat de duisternis bij hen voor een gezochte staat van begrippenloosheid, kennisloosheid, beeldloosheid ten aanzien van zelf en god, die ik hier maar even een mystiek niet-weten zal noemen; dit ter onderscheiding van een radicaal niet-weten, waarvan ik zelf slachtoffer ben en waaraan mijn website is gewijd.

In de mystieke opgang is niet-weten eerst een doel op zich, en vervolgens een middel tot het hoogste doel dat, afhankelijk van de mysticus, neerkomt op het schouwen van god, of, inniger, de vereniging met god of, voorbij schouwen en innigheid, de verening met, het opgaan in god.
Het mystieke niet-weten is dus een instrumenteel niet-weten.

Daarmee hebben we meteen het belangrijkste verschil met mijn eigen niet-weten te pakken, dat voor mij nooit een doel op zich is geweest, en nooit een middel tot een hoger of het hoogste doel.
Ik ben er geen moment op uit geweest tot niet-weten te komen, had er zelfs nog nooit van gehoord toen het me op een dag domweg overkwam.
Als vanouds naar strohalmen grijpend, viel ik pardoes in de dode zee van niet-weten, en daar dobber ik nog altijd rond.
Het hoge zoutgehalte houdt mij drijvende.
Niet-weten heeft mijn leven weliswaar volledig op zijn kop gezet, maar daar is het me nooit om te doen geweest.
Het mijne is een ongezocht, onvoorzien en, in eerste instantie, ongewenst niet-weten – een ongeluk of (bij nader inzien) een geluk bij een ongeluk, om niet te zeggen een subliem geval van serendipiteit.
Om het te onderscheiden van het instrumentele niet-weten van de mysticus zal ik het hier maar even een accidenteel niet-weten noemen.

De christelijke mysticus gaat de duisternis dus aan en in met een reden: hij hoopt op die manier toegang te krijgen tot (in termen van Dionysisus de Areopagiet) ‘de volmaakte en enige oorzaak van alles die boven alle bepaling is’, ‘de drieheid die meer dan zijndheid is en meer dan god en meer dan goed’.
Aangezien de god die de mysticus wil leren kennen boven alle bepaling is, laat hij zich niet kennen met de middelen waarmee we onszelf en de schepselen om ons heen leren kennen: de zintuigen, de rede en de verbeelding.
Integendeel; om god te leren kennen moet de mysticus zich, als eerste benadering, van al zijn godsbeelden ontdoen, zintuiglijke zowel als rationele en fantastische.
Vervolgens rest hem geen mogelijkheid dan de onkenbare van binnenuit te leren kennen door zich zoveel mogelijk aan hem gelijk maken.
Hoe maakt de mysticus zich gelijk aan de god die boven alle bepaling is?
Door zichzelf boven bepaling te stellen, in concreto door zich van alle zelfbeelden te ontdoen, net zoals hij zich van al zijn godsbeelden heeft ontdaan.
Door zichzelf te ont-kennen, leert hij de onkenbare kennen als zichzelf.
Laat ik hier maar meteen bekennen dat ik niet uit ervaring spreek; ik heb de onkenbare niet leren kennen als mijzelf, mezelf echter wel als de onkenbare.

Met deze beschrijving hebben we meteen het tweede verschil tussen een mystiek en een radicaal niet-weten te pakken; het eerste is relatief in de zin van begrensd, ingebed in een context van kennis die niet ter discussie staat, het tweede absoluut in de zin van onbegrensd, zonder inbedding of context, zonder uitzondering.
Het relatieve niet-weten van de mysticus blijft immers beperkt tot het ik en de allerhoogste; hij hoeft zich ‘alleen maar’ te ontdoen van zijn zelfbeelden en godsbeelden.
Alle andere denk-beelden in de beeldentuin van zijn geest, zoals mensbeelden, wereldbeelden en ideaalbeelden blijven in principe (en voor zover ik kan nagaan ook in de praktijk) ongemoeid.
Relatief niet-weten, waarvan mystiek niet-weten een instantie is, laat zich omschrijven als ‘dít niet weten of dat niet weten’; absoluut niet-weten, dat geen andere instanties kent dan zichzelf, laat zich zelfs niet omschrijven als ‘niets weten, dit ook niet’.

In de praktijk blijkt de mysticus zich zelfs niet van zijn zelf- en godsbeelden te ontledigen; er blijft steeds iets over, er wordt altijd iets voor in de plaats gesteld.
God mag dan wel voorbij alle bepaling zijn, en zelfs voorbij zijn en niet-zijn, maar zijn bestaan-voorbij-alle-bepaling is boven-alle-twijfel verheven.
Dit onwrikbare uitgangspunt valt buiten het oculair van het mystieke niet-weten.
Dat kan ook niet anders want zonder god kan er ook geen weg naar god zijn, waardoor de hele mystieke opgang in het water zou vallen, of God verhoede, in de zee van niet weten.

Niet alleen staat zijn bestaan buiten kijf, de onkenbare blijkt bij nader inzien nog heel wat kenmerken te hebben.
Ik ken tenminste geen enkele beschrijving van een christelijke mystieke ervaring waarin god geen eigenschappen toegedicht krijgt.
Zo blijft hij voor de meeste mystici zelfs in de peilloze diepten van de rechtstreekse ervaring de schepper, de eerste oorzaak, de ene, de allerhoogste, de oneindige, de alomtegenwoordige, de almachtige, de alwetende, de alziende, de onveranderlijke, de drieheid, de Christus, het Goede (Dionysius), het Zijn (Eckhart), de minne (Hadewijch) et cetera.
Ik ken ook geen enkele zelfbeschrijving van een mysticus waarin deze zich van alle zelfbeelden heeft ontdaan.
De godzoeker blijkt keer op keer uit een keur van onderdelen en vermogens te bestaan,
meestal de wil, het verstand, het geheugen, geest, ziel en lichaam, die op verschillende manieren worden ingezet en opgevoerd en omgeleid en uitgeschakeld omwille van de mystieke opgang.


Beste Hans,
Als ik je goed lees is het mystieke niet-weten voor jou een gemankeerd niet-weten.


Beste X,
Voor de dwijze is de nachtmysticus een gestrande pelgrim die de hypostase van de onkenbare god aanziet voor niet-weten.
Voor de mysticus is de dwijze een gestrande pelgrim die de wachtkamer van niet-weten aanziet voor de hemel.


Beste Hans,
En die dwijze, dat ben jij.


Beste X,
Ik zou het echt niet weten.


Beste Hans,
Het is nota bene je eigen woord.


Beste X,
Misschien ben ik wel een dwijze mysticus.


Beste Hans,
Wat is dat nou weer.


Beste X,
Voor veel christelijke mystici loopt de weg naar god door de wolk van niet-weten, wat niet voor niets de titel is van een mystiek tractaatje van een anonieme Engelse auteur uit de middeleeuwen.
De wolk van niet-weten gaat de mysticus in door alles wat hij over zichzelf en over god meent te weten overboord te zetten.

Welnu, dat heb ik ook gedaan, of liever, dat is mij ook overkomen.
Ik heb mijzelf en god volledig uitgehold, kon althans ten aanzien van de een noch de ander bij nader onderzoek ook maar iets vinden waarvoor ik mijn hand in het vuur durfde steken, zelfs niet ons niet-zijn.
Ik heb dus precies gedaan c.q. ondergaan wat christelijke mystici al tweeduizend jaar van harte aanbevelen, alleen niet vanwege hun aanbevelingen, want ik wist in de tijd waarover ik nu spreek hoegenaamd niets van mystiek.
Onbedoeld heb ik gedaan/ondergaan wat zij aanbevelen, en ben daarbij tot het gaatje gegaan, en erdoorheen, met dien verstande dat mijn beeldenstorm zich niet beperkte tot mezelf en god, maar meedogenloos huishield (en maar blijft huishouden) onder ál mijn denkbeelden.

Nu is het merkwaardige, als je werkelijk de wolk van niet-weten binnengaat en daarbij werkelijk al je denkbeelden over jezelf en over god achterlaat, je jezelf helemaal niet terugvindt in de wachtkamer voor de hemel, duimend en duimen draaiend tot de onkenbare god zich eindelijk een keer laat kennen.
Ik tenminste niet.
Daar, in die wolk van niet-weten, blijkt helemaal geen wachtkamer te zijn, en, bij gebrek aan denkbeelden om ze te wekken, ook geen verwachtingen; er is daar geen hans meer om ze te koesteren en geen god meer om op te wachten.
Die denkbeelden (wachtkamer, verwachtingen, hans, god) vallen allemaal weg bij het binnengaan van de wolk van niet-weten.

Waar geen hans is en geen god, is ook geen afstand tussen hans en god en ook geen overbruggen van de afstand tussen hans en god en ook geen schouwen door hans van god en ook geen innige vereniging van hans en god tot hansgod en ook geen opgaan van hans in god of een opgaan van god in hans.

In de wolk van niet-weten is geen god en geen eenheid en geen liefde en geen zijn en geen schepping, dus ook geen god die eenheid is en ook geen god die liefde is en ook geen god die zijn is en ook geen god de schepper.

In de wolk van niet-weten is geen god, dus ook geen weg naar god, dus ook geen instrumenteel niet-weten, maar ook geen accidenteel niet-weten en geen mystiek niet-weten en geen relatief niet-weten en geen absoluut niet-weten of welk niet-weten of wel-weten dan ook.

In de wolk van niet-weten is geen ziel en geen aangeraakt worden in de ziel en geen donkere nacht van de ziel en geen einde van de donkere nacht van de ziel.
In de wolk van niet-weten is zelfs geen wolk van niet-weten, dus ook geen binnengaan van de wolk van niet-weten en geen verblijven in de wolk van niet-weten en geen verlaten van de wolk van niet-weten.

In de wolk van niet-weten ben je home-free en is er niets meer te doen of na te laten.


Beste Hans,
Dit lijken mij eerder de woorden van een atheïst dan van een mysticus. Of van een agnosticus, een nihilist of een non-dualist of weet ik veel.


Beste X,
In de wolk van niet-weten is geen theïsme, geen atheïsme, geen agnosticisme, geen nihilisme en geen agnosticisme.
Er is geen god, geen niet-god en geen goddeloosheid.
Er is geen waarheid en geen ontbreken van waarheid, geen zekerheid, geen twijfel en geen onzekerheid, geen geloof en geen ongeloof.
Er is geen dualisme, geen non-dualisme, geen dualiteit, geen non-dualiteit, geen pluraliteit, geen eenheid en geen leegte.
Moet ik doorgaan?
Welke begrippen, welke postulaten, welke afleidingen, welke redeneringen, welke logica, welke rede, welk verstand, welke meningen, welke overtuigingen, welke voorstellingen, welke gedachten, welke wegen, welke doelen, wou je op welke wijze meesmokkelen de wolk van niet-weten in?


Beste Hans,
Geen atheïsme of non-dualisme dan, en ook niks anders. Maar het lijdt geen twijfel dat jij god weggooit. Dat lijkt me een essentieel, om niet te zeggen fataal verschil met Dionyisius. Die is er niet op uit zich van god te ontdoen, hij is eropuit zich van alle bepalingen van god te ontdoen teneinde hem volledig recht te doen.


Beste X,
De wolk van niet-weten ingaan is geen kwestie van god weggooien.
Het is een kwestie van godsbeelden weggooien, zonder uitzondering.
Nogmaals, dat is niet mijn idee; het is het dringende advies van een aantal gerenommeerde christelijke mystici, waaronder Pseudo-Dionysius.
Wie na het weggooien een transcendente god overhoudt, heeft zijn werk niet goed gedaan.
Hij heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Wie na het weggooien een immanente god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Wie na het weggooien een beeldloze god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Wie na het weggooien een beeld van niet-god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Zelfs het weggooien van alle godsbeelden impliceert, als weg naar god, nog steeds een beeld van god, die zich immers laat bepalen als degene die langs deze weg benaderd kan worden.
Weg ermee.


Beste Hans,
Sorry dat ik zo aandring, maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan? Is de wolk van niet-weten niet gewoon leeg? Of moet ik niet-weten soms zien als de mystiek van de lege god? Of leger nog, als een mystiek van de leegte?


Beste X,
Nee, geen mystiek van de lege god.
De lege god is nog steeds een godsbeeld.
Ook geen mystiek van de leegte.
De leegte is nog steeds een godsbeeld.
Wat dacht je van een lege mystiek?
Of liever, dé lege mystiek, want waarin zou de ene lege mystiek moeten verschillen van de andere?


Beste Hans,
Dat zou jou een lege mysticus maken. Of moet ik nu zeggen, dé lege mysticus?


Beste X,
Alleen maar bij wijze van spreken.


Beste Hans,
Niet in werkelijkheid?


Beste X,
Niet in de wolk van niet-weten.


Beste Hans,
Die ook al niet bestaat.


Beste X,
Niet in de wolk van niet-weten.


Beste Hans,
Sorry dat ik zo aandring…


Beste X,
‘Maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan?’


Beste Hans,
Ik wou het niet nogmaals vragen.


Beste X,
‘Mystiek’ is afgeleid van het Griekse mustikos: geheimzinnig.
De donkere wolk van niet-weten onttrekt alles aan het zicht.
Niet alleen god maar ook niet-god en de dingen en mijzelf en zichzelf.
Ik tast volledig in het duister en niets laat zich raden.
Kan het geheimzinniger?


Beste Hans,
De transcendentie ten top.


Beste X,
Alles inbegrepen.


Beste Hans,
En niets meer te zeggen.


Beste X,
Dit ook niet.


Beste Hans,
Sst.


Beste X,
Een ander woord voor god.


Beste Hans,
Dus toch.


Beste X,
Of andersom natuurlijk.


Beste Hans,
Sst.


Atheologie, Apofase, via negativa en neti neti, De Wolk van niet-weten