Byron Katie voor Workaholics

‘Je kunt je gedachten onderzoeken – is dat waar? Kun je dat wel weten? Wat gebeurt er als je dat gelooft? Wie zou je zijn zonder die gedachte? Keer het om.’ Werk maken van het Werk. (Alleen voor Workaholics)

Lees ook: Denken, denken, denken, De dans ontsprongen, Vrede sluiten met je onvrede, Zeg maar tja tegen het leven, Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken, Liefde voor dummy’s, De bodhisattvagelofte voor niemand.

Het Werk

Byron Katie houdt niet van moeilijk.
Vandaar dat haar weg of methode gewoon het Werk (the Work) of het Onderzoek heet.
Het Werk bestaat uit vier standaardvragen en een zogeheten omkering, waarmee je je eerst van vooroordelen over anderen ontdoet en later ook van vooroordelen over jezelf.
De standaardvragen luiden:

  1. Is het waar?
  2. Kun je dat wel weten?
  3. Wat gebeurt er als je dat gelooft?
  4. Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Een omkering verkrijg je bijvoorbeeld door in je vooroordeel (‘X moet eens ophouden mij te bekritiseren’) de personen te verwisselen (‘Ik moet eens ophouden X te bekritiseren’), of door een bevestigende zin (‘Mensen moeten altijd lief zijn voor elkaar’) ontkennend te maken (‘Mensen hoeven niet altijd lief te zijn voor elkaar’, en omgekeerd.
In feite is iedere grammaticale variatie op het oorspronkelijke vooroordeel goed.
Hoe meer omkeringen, hoe beter.
Vervolgens probeer je aan de hand van drie voorbeelden uit je eigen leven voor iedere omkering aan te tonen dat deze minstens even waar is als het oorspronkelijke vooroordeel.
Het Werk kan gegeneraliseerd worden naar alle typen oordelen, verhalen, theorieën, concepten, ideeën, leefregels en overtuigingen over anderen, jezelf, je lichaam en de wereld.

Wie nu meent dat hem aan het eind van het Werk iets moois wacht – vrede, vreugde, dankbaarheid, wijsheid, onbevreesdheid, overgave, verlichting, vriendelijkheid, universele liefde, onbegrensd mededogen – veronderstelt een individu, een wereld, een vrije wil, een doel en een weg.
Maar bestaan die wel?
Kun je dat weten?
Wat gebeurt er als je dat gelooft?
Wie zou je zijn zonder die gedachte?
Keer het om.

Wie meent dat het individu, de wereld, de vrije wil, het doel en de weg illusoir zijn, is meteen Werkeloos.
Maar zijn ze dat wel?
Kun je dat weten?
Wat gebeurt er als je dat gelooft?
Wie zou je zijn zonder die gedachte?
Keer het om.

Het halve werk

Het Werk van Byron Katie is een methode van zelfonderzoek om onaangename gedachten onschadelijk te maken.
Omdat de aangename gedachten buiten schot blijven, zou je het eigenlijk het Halve Werk moeten noemen.
Deze website, niet-weten.nl, maakt geen onderscheid tussen aangename en onaangename gedachten.
Dwaalteksten verkennen de grondslagen van al onze gedachten, hoe ze ook voelen.

Wie geen tegenstrijdigheid verdraagt is geneigd zijn wereld in tweeën te delen.
Het positieve gedeelte noemt hij de hoogste werkelijkheid, het negatieve een illusie.
Kennis van de hoogste werkelijkheid noemt hij de hoogste waarheid, het geloof in de illusie onwetendheid.
Daarna is het alleen nog een kwestie van ontwaken, realiseren, ontledigen, overstijgen, verenigen, keuzeloos gewaarzijn, geef het kind maar een naam, om van de illusie naar de werkelijkheid, van de hel naar de hemel, van de dwaaltuin naar de hof van Eden, van samsara naar nirwana, van deze zijde naar gene, van gespletenheid naar eenheid, van dualiteit naar non-dualiteit te migreren.
Uit de ambivalentie in de eenduidigheid.
Uit de menigvuldigheid in de eenheid.
Uit de vaagheid in de helderheid.
Uit de tegenstelling in de geruststelling.
Of zoals de Engelsen zeggen:
Out of the frying pan into the fire.

Wie niet weet, halveert niet.
Niet omdat hij met ware doodsverachting de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid nastreeft, of belichaamt, of verdedigt, maar gewoon omdat hij de wereld geen kopje kleiner weet te maken.
Zijn bijl is te bot.
Hij kan geen vaste grond onder de voeten vinden.
Zijn verstand schiet tekort.
Hoe hij zich ook inspant, hij komt er maar niet achter wat ‘alles’ nou ‘eigenlijk’ is, wat ‘wij’ ‘ten diepste’ ‘zijn’, wat ‘onze’ ‘natuurlijke’ ‘staat’ is, enzovoort.
Al dan niet tot zijn verdriet – in mijn geval beide – is hij een héél mens in een héle wereld die alleen maar het héle verhaal kan vertellen.

Bij het begin beginnen

‘Waarvoor dient het Werk?’
‘Om je negatieve gedachten te onderzoeken, Hans.’
‘Waarom zou je je negatieve gedachten willen onderzoeken?’
‘Omdat je eronder lijdt natuurlijk.’
‘Is dat een positieve gedachte of een negatieve?’
‘O… eh… een negatieve?’
‘Dan zou ik daar maar eens mee beginnen.’
‘Ik bedoel, dat weet ik eigenlijk niet.’
‘Dan zou ik daar maar eens mee beginnen.’

Precies op tijdbom

‘Alles komt precies op tijd, Hans.’
‘Is dat een positieve gedachte of een negatieve?’
‘Een positieve natuurlijk.’
‘Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn?’
‘Fijn.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik me dan nergens meer druk over hoef te maken.’
‘Hoe voelt het als die gedachte onwaar zou zijn?’
‘Naar.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik me dan toch weer overal druk om moet maken.’
‘Dus de ene keer krijg je er een fijn gevoel van, de andere keer een naar gevoel?’
‘Gek eigenlijk.’
‘Afhankelijk van de vraag of je er wel of niet in gelooft.’
‘Daar komt het wel op neer.’
‘Wie bepaalt of je er wel of niet in gelooft?’
‘Ik in ieder geval niet.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Anders zou ik er wel steeds in geloven.’
‘Waarom?’
‘Vanwege dat lekkere gevoel natuurlijk.’
‘Is ‘alles komt precies op tijd’ nou een positieve gedachte of een negatieve?’
‘Op zichzelf beschouwd?’
‘Nou?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Moet je er dan mee aan het Werk of niet?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Goed Werk.’

Door dik en dun

‘Het Werk kan je bijvoorbeeld verlossen van de gedachte dat je te dik of te dun bent, Hans.’
‘Hoezo?’
‘Het leert je immers om je met de realiteit te verzoenen.’
‘Is denken dat je te dik of te dun bent soms niet de realiteit?’
‘Jawel, maar…’
‘Wat valt er dan te verzoenen?’
‘Maar die gedachte is toch…’
‘Waarom zou je er dan nog van verlost willen worden?’

Yom Kippur

‘Het Werk zorgt ervoor dat je je kunt verzoenen met de realiteit, Hans.’
‘Het is de realiteit dat ik mij er niet mee kan verzoenen.’
‘Dan moet je juist het Werk gaan doen.’
‘Heb jij iets tegen de realiteit?’

‘Het Werk zorgt ervoor dat je je kunt verzoenen met de realiteit, Hans.’
‘Ook als het de realiteit is dat het Werk niet werkt?’

Keerzijden

‘Als je niet oordeelt kun je niet falen, Hans.’
‘Als je niet oordeelt kun je ook niet slagen.’

‘Het denken is van nature oneindig. Het kan schoonheid vinden in alle dingen.’
‘Het denken is van nature oneindig. Het kan lelijkheid vinden in alle dingen.’

‘Als je mislukking als een vorm van succes kunt zien, hoef je nooit meer te falen.’
‘En als je het niet als een vorm van succes kunt zien?’

‘Als je mislukking als een vorm van succes kunt zien, hoef je nooit meer te falen.’
‘En als je succes als een vorm van mislukking kunt zien?’

‘Als er geen verzet is, vloeken de kleuren niet meer en klinkt ieder woord als poëzie.’
‘Als er geen verzet is, mogen de kleuren en woorden weer vloeken.’

Vrijer

‘Vrijheid is nergens aan gebonden zijn, Hans.’
‘Vrijheid is ook gebonden mogen zijn.’

‘Vrijheid is nooit een moment van angst, woede of verdriet meemaken.’
‘Vrijheid is alles mogen meemaken.’

Vrijheidsvrij

‘Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.’
‘Voor jou misschien.’
‘Wat is vrijheid voor jou, Hans?’
‘Niet weten wat vrijheid is.’
‘Wat is daar vrij aan?’
‘Wie de vrijheid niet kent, weet zich nooit gebonden.’
‘Waaraan niet, bijvoorbeeld?’
‘Aan vriendelijkheid niet, bijvoorbeeld.’
‘Waaraan nog meer niet, bijvoorbeeld?’
‘Aan vrijheid niet, bijvoorbeeld.’
‘Jij bent toch zeker gebonden aan niet weten?’
‘Niet dat ik weet.’

Verloren

‘Als je de strijd aangaat met de realiteit, verlies je altijd, Hans.’
‘Is dit nog de strijd of de realiteit?’

Voor de poes

‘De strijd aangaan met de realiteit is als een kat leren blaffen – hopeloos.’
‘Wou jij de strijd aangaan met de strijd met de realiteit?’
‘Wat?’
‘Miauw.’

Vergezocht

‘Het ergste wat je kan overkomen is een niet onderzochte gedachte.’
‘Een typisch geval van een niet onderzochte gedachte.’

Misvattingen

‘Wij lijden aan onze opvattingen over het leven, nooit aan het leven zelf.’
‘Een opvatting die al heel wat leed veroorzaakt heeft.’
‘Bedoel je dat we lijden aan het leven zelf?’
‘Een opvatting die al heel wat leed veroorzaakt heeft.’

Werkvoorbereiding

‘Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus.’
‘Wie zegt dat er een keus is?’

‘Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus.’
‘Geloof je dat of heb je het onderzocht?’

De weg van de minste weerstand

‘Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze, dan laten ze mij los.’
‘Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze niet, ze laten mij niet los.’
‘Waarom laten ze jou niet los, Hans?’
‘Omdat ze mij niet vasthouden.’
‘Waarom houden ze jou niet vast?’
‘Terugkeren is makkelijker.’

Uitgezocht

‘Je kunt je gedachten niet uitzetten, maar je kunt ze wel onderzoeken, Hans.’
‘Kun je je gedachten wel aanzetten?’
‘Ook niet.’
‘O?’
‘Ze wellen spontaan in je op.’
‘Kun je ze dan misschien veranderen?’
‘Ook niet.’
‘O?’
‘Ze veranderen vanzelf, of ze veranderen niet.’
‘En uitzetten?’
‘Ze blazen op hun eigen tijd de aftocht.’
‘Wat kun je er dan wel mee?’
‘Je hebt geen enkele zeggenschap over je gedachten.’
‘Je kunt ze alleen maar onderzoeken?’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat is onderzoeken anders dan het aanzetten, bekijken en uitzetten van gedachten?’

‘Ik dacht al zoiets.’
‘Wou jij zeggen dat we onze gedachten ook niet kunnen onderzoeken?
‘Jij bent hier degene die iets wil zeggen.’
‘Maar ik heb mijn gedachten al zo vaak onderzocht.’
‘Wie zegt dat jij dat deed?’
‘Dat… dat dacht ik.’
‘Wie zegt dat er werkelijk is gebeurd wat jij denkt dat er is gebeurd?’
‘Zo herinner ik het mij.’
‘Wie zegt dat een herinnering meer is dan een loze gedachte, nu?’
‘Zo komt het mij voor.’
‘Onderzoek dat dan eerst maar eens.’

De mazzel

‘Zoeken naar geluk is vermijden wat er is, Hans.’
‘Niet zolang er zoeken naar geluk is.’

‘Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.’
‘Niet zolang er vermijden is.’

‘Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.’
‘Wat heb je aan die wijsheid?’
‘Als je dat eenmaal inziet, kun je ermee ophouden.’
‘Ophouden is het mijden van het zoeken naar geluk.’

‘Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.’
‘Wat heb je aan die wijsheid?’
‘Als je dat eenmaal inziet, kun je ermee ophouden.’
‘Maar hoe kom je tot dat inzicht?’
‘Als ik dat eens wist…’
‘Misschien wel door te zoeken naar geluk.’

‘Zoeken naar geluk is vermijden wat er is.’
‘Wat heb je aan die wijsheid?’
‘Als je dat eenmaal inziet, kun je ermee ophouden.’
‘Zie jij het in?’
‘Beslist.’
‘Waarom hou je er dan niet mee op?’

Verzetswerk

‘Geluk betekent volledige overgave.’
‘Waaraan?’
‘Aan alles wat er is, Hans.’
‘En als er verzet is?’
‘O.’
‘Nou?’
‘Dan niet natuurlijk.’
‘Wat niet?’
‘Dan moet je je juist niet overgeven.’
‘Waaraan niet?’
‘Aan je verzet niet.’
‘Geluk betekent verzet tegen je verzet?’
‘Nou…’
‘Alsof dat geen verzet is.’
‘Maar dit kan toch helemaal niet!’
‘Waarom niet?’
‘Geluk betekent immers volledige overgave.’
‘Ook aan je verzet?’
‘Dat… kan niet anders.’
‘Waarom niet?’
‘Anders is je overgave niet volledig.’
‘Wat maakt het dan nog uit?’
‘Wat?’
‘Verzet is verzet, of je je er nou aan overgeeft of tegen verzet.’
‘Ik geef me over.’
‘Maar om dat nou geluk te noemen?’

Leuk bedacht

‘Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat er een gerechtvaardigde reden is om te lijden, Hans.’
‘Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat er een reden nodig is om te lijden.’

‘Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat er een reden nodig is om te lijden.’
‘Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt.’

‘Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt.’
‘Denken maakt deel uit van de realiteit.’

‘Je keert je volledig af van de realiteit als je…’
‘Denkt dat je je van de realiteit af kunt keren.’

‘Je keert je volledig af van de realiteit als je denkt dat je je van de realiteit af kunt keren.’
‘Denken dat je je van de realiteit af kunt keren, maakt deel uit van de realiteit.’

Even goede vrienden

‘De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.’
‘Is dat de realiteit of een vriendelijk verhaal erover?’

Mentaliteit

‘Er zijn geen fysieke problemen – alleen mentale.’
‘Ik zie het verschil niet.’
‘Ik bedoel, it’s all in the mind, Hans.’
‘Dat het all in the mind is ook.’
‘De werkelijkheid IS alleen maar.’
‘De geest ook.’
‘De geest problematiseert.’
‘Jij problematiseert de geest.’
‘En jij weet geen onderscheid te maken tussen werkelijkheid en geest.’
‘Dat zeg ik.’
‘En dat is nou net het probleem.’
‘En dat is nou net de oplossing.’
‘Hoe kan ik in godsnaam tot je doordringen!’
‘Maak er toch niet zo’n probleem van.’
‘Er zijn geen fysieke problemen – alleen mentale.’

Bijstelling

‘Een probleem in de wereld is niets anders dan een verkeerde voorstelling in je eigen denken, Hans.’
‘Is dit een probleem in de wereld of een verkeerde voorstelling in je eigen denken?’

Nooit gerealiseerd

‘Alle problemen hebben maar één doel: jouw zelfrealisatie.’
‘Zelfrealisatie is het grootste probleem.’

‘Alle problemen hebben maar één doel: jouw zelfrealisatie.’
‘Doelen zijn het grootste probleem.’

‘Alle problemen hebben maar één doel: jouw zelfrealisatie.’
‘ ‘Jouw’ is het grootste probleem.’

‘Alle problemen hebben maar één doel: jouw zelfrealisatie.’
‘ ‘Probleem’ is het grootste probleem.’

Het alternatief

‘Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit, Hans.’
‘Boom zeggen is ook de realiteit.’

‘Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit.’
‘Afwenden is ook de realiteit.’

‘Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit.’
‘En als je ‘realiteit’ zegt?’

‘Als ik ‘boom’ zeg wend ik me af van de realiteit.’
‘Wat is het alternatief?’
‘Zwijgen natuurlijk.’
‘Dat is ook niet reëel.’

Linksom of rechtsom

‘Mensen die ‘boom’ zeggen, wenden zich af van de realiteit.’
‘Boom! Mens! Dier! Plant! Woord!’
‘Die durft.’
‘Mensen die zeggen dat mensen die ‘boom’ zeggen zich afwenden van de realiteit, wenden zich af van de realiteit.’

Andere woorden

‘Volkomenheid is een ander woord voor realiteit, Hans. De enige manier waarop je iets als onvolkomen kunt zien is door een gedachte erover te geloven.’
‘De enige manier waarop je iets als volkomen kunt zien is door een gedachte erover te geloven.’
‘Verdraaid.’
‘Maar of geloven een ander woord is voor realiteit?’

Ontegenzeggelijk

‘Als je je gedachten niet langer gelooft, verlies je nooit meer je kalmte, Hans.’
‘Geloof je dat?’
‘Nou moe.’
‘Wat is er?’
‘Ik verlies meteen mijn kalmte.’
‘Daar was dan weinig voor nodig.’
‘Niet te geloven.’
‘Hoe voelt dat?’
‘Niet bepaald rustig.’
‘Nee.’
‘Maar ook niet bepaald onrustig.’
‘Hoe dan wel?’
‘Niet bepaald… eh…’
‘En hoe voelt dát?’
‘Niet bepaald fijn.’
‘Nee.’
‘Maar ook niet bepaald vervelend.’
‘Hoe dan wel?’
‘Niet bepaald… eh…’
‘En dat wou jij kalmte noemen?’
‘Hoe wou jij het noemen?’
‘Niet bepaald.’

Alle dagen kermis

Maandag:
‘We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, Hans, maar onze gedachten over de realiteit.’
‘Wat is het verschil?’

Dinsdag:
‘We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.’
‘Wat is het verband?’

Woensdag:
‘We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.’
‘Is dat reëel?’

Donderdag:
‘We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.’
‘Te beginnen met deze.’

Vrijdag:
‘We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.’
‘Gedachten maken deel uit van de realiteit.’

Zaterdag:
‘We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.’
‘De realiteit maakt deel uit van je gedachten.’

Zondag:
‘We moeten niet proberen de realiteit te veranderen, maar onze gedachten over de realiteit.’
‘Je veronderstelt een vrije wil.’

Maandag:

Dát

‘Iemand die bij iedere vervelende gedachte meteen het Werk doet, ziet steeds de Realiteit onder ogen.’
‘De wát?’
‘De Realiteit zoals hij is en niet zoals ik wil dat hij is, Hans.’
‘Verklaar je nader.’
‘Het Werk zorgt zogezegd voor de juiste belichting.’
‘Waarvoor?’
‘Voor een perfecte foto.’
‘Van de Realiteit?’
‘Precies.’
‘Laat me niet lachen.’
‘Uitgelachen worden is ook de realiteit.’
‘Is dat een prettige gedachte of een vervelende?’
‘Hoe ziet jouw realiteit eruit?’
‘Welke realiteit?’
‘De realiteit van niet weten.’
‘Van wat?’
‘Doe niet zo flauw.’
‘Hartiger kan ik het niet maken.’
‘Nou?’
‘Compleet overbelicht dan maar.’
‘Blanco?’
‘Zo kun je het ook zeggen.’
‘Wat betekent blanco?’
‘Compleet onderbelicht.’
‘Onderbelicht?’
‘Zeg maar gerust onbelicht.’
‘Zwart?’
‘Als de nacht.’
‘Of je het nou overbelicht, onderbelicht of onbelicht noemt, het lijkt me niet bepaald de Realiteit die jij onder ogen ziet.’
‘Nooit van gehoord.’
‘Van de Realiteit niet?’
‘Zegt me niks.’
‘Wat ziet je dan wel onder ogen?’
‘Dát?’

Oprechter

‘Mits oprecht uitgevoerd, bevrijdt het Werk je van alle gedachten, Hans.’
‘Ook van deze.’
‘Wat?’
‘Wat?’
‘Wou jij beweren dat het Werk niet werkt?’
‘Ook van die.’

Gevangen

‘Het is uiteindelijk niet wat er gebeurt dat ons gevangen houdt, maar onze beleving ervan.’
‘Is dat wat er gebeurt of jouw beleving ervan?’

Buikspreker

‘Het denken dat niet weet staat volledig open voor alles wat het leven brengt.’
‘Zei het denken dat weet.’

Verbeurd

‘Vergeving is je realiseren dat wat jij dacht dat er gebeurde, nooit gebeurd is.’
‘Realisatie is jezelf vergeven dat je nooit weet wat er gebeurd is.’

Verhaal halen

‘Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal, Hans.’
‘Wat zou je zijn zonder dat verhaal?’

‘Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.’
‘Zonder verhaal is er geen dankbaarheid.’

‘Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.’
‘Dankbaarheid is een verhaal.’

Categorisch

‘Ik weet zeker dat iedereen van mij houdt, maar niet iedereen realiseert het zich, Hans.’
‘Ik niet.’
‘Weet je niet zeker dat iedereen van mij houdt of weet je niet zeker dat niet iedereen het zich realiseert of weet je niet zeker dat iedereen van jou houdt of weet je niet zeker dat niet iedereen het zich realiseert of weet je niet zeker dat jij van mij houdt of weet je niet zeker dat je je het niet realiseert of wat?’
‘Ik niet.’

Alles of niets

‘Als je je gedachten niet gelooft, ben je álles, Hans.’
‘Geloof het maar niet.’

‘Als je je gedachten niet gelooft, ben je álles.’
”Alles’ is ook maar een gedachte.’

Voice dialogue

‘Ikzélf ben het antwoord, Hans.’
‘Dan ben ik wel de vraag.’
‘Nee, laat mij dan maar de vraag zijn.’
‘Dan ben ik wel Oost-Indisch doof.’
‘Nee, laat mij dan maar Oost-Indisch doof zijn.’
‘Dan ben ik wel het antwoord.’
‘Maar dan kan ik het niet horen.’
‘Dan ben ik wel weer de vraag.’

Petitio principii

‘De enige autoriteit ben je zelf.’
‘Wie zegt dat?’

Goede raad is goedkoop

‘Nooit naar anderen luisteren!’
‘Je kan me nog meer vertellen.’

Hartfalen

‘Je hoeft alleen maar naar je hart te luisteren.’
‘En als het nou tegenstrijdige dingen roept?’
‘Daar vraag je me wat, Hans.’
‘En als het zwijgt?’

‘Daar heb je het al.’

Wilsbeschikking

‘Als ik helemaal helder ben wil ik wat er is, Hans.’
‘Of je nou helder bent of niet, willen is wat er is.’
‘Maar de vraag is, welk willen?’
‘Willen wat er is, willen wat er niet is, niet willen wat er is en niet willen wat er niet is.’
‘Ik wou dat er alleen maar willen wat er is was.’
‘Een typisch voorbeeld van willen wat er niet is.’
‘Ik wil niet willen wat er niet is.’
‘Een typisch voorbeeld van niet willen wat er wel is.’
‘Stel dat ik voortaan alleen nog maar wil wat er is.’
‘Dan zul je nog steeds willen wat er niet is en niet willen wat er wel is.’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Dat is nou eenmaal wat er is.’

Maling

‘Ik wil wat er is.’
‘Hoe merk je dat?’
‘Ik ben overal toe bereid, Hans. Ik zie overal naar uit.’
‘O?’
‘Vooral naar het allerergste.’
‘Waarom?’
‘Omdat iedere tegenslag een uitnodiging is om aan het Werk te gaan en het Werk uiteindelijk tot Zelfrealisatie leidt.’
‘Waarom zie je vooral uit naar het allerergste?’
‘Hoe groter de tegenslag, hoe effectiever het Werk.’
‘Geef eens een voorbeeld van wat voor jou het allerergste zou zijn.’
‘Even denken…’
‘ ‘Ik ben bereid…’ ‘
‘Ik ben bereid failliet te gaan. Ik ben bereid uitgelachen te worden. Ik ben bereid vervolgd te worden. Ik ben bereid…’
‘Ergens niet toe bereid te zijn?’
‘Wát?’
‘ ‘Ik zie ernaar uit…’ ‘
‘Ik zie ernaar uit borstkanker te krijgen. Ik zie ernaar uit mijn kleinkind te verliezen. Ik zie ernaar uit…’
‘Ergens niet naar uit te zien?’
‘Zit je mij in de maling te nemen?’
‘Waarom geef je geen antwoord?’
‘Geef eerst zelf maar eens antwoord.’
‘Waarop?’
‘Op de vraag of je mij in de maling zit te nemen.’
‘Niet dat ik weet.’
‘Waar ben je dan mee bezig?’
‘Ik stel alleen maar vragen.’
‘Hm.’
‘Maar of jij ook bereid bent antwoord te geven?’

‘Ik ben bereid het hierbij te laten.’

Een uitnodiging

‘Ik hou van tegenslag, Hans.’
‘Waarom?’
‘Iedere tegenslag is een uitnodiging om het Werk te doen.’
‘Is dat waar?’
‘Nou en of.’
‘Kun je dat absoluut zeker weten?’
‘Niet absoluut zeker.’
‘Hoe voelt het als die gedachte waar zou zijn?’
‘Heerlijk.’
‘Waarom?’
‘Omdat tegenslag dan ergens goed voor is.’
‘Kun je een neutrale of stressvolle reden vinden om aan die gedachte vast te houden?’
‘Niet één.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Ik zou het veel moeilijker vinden om met tegenslag om te gaan.’
‘Dat zou nog eens een tegenslag zijn.’
‘Een grotere is nauwelijks denkbaar.’
‘Des te beter.’
‘Waarom?’
‘Iedere tegenslag is een uitnodiging om het Werk te doen.’

Valsspeler

‘Ik ben een liefhebber van de realiteit, Hans. Ik wil wat er is.’
‘Waarom doe je dan het Werk?’
‘Om een einde te maken aan mijn lijden natuurlijk.’
‘Ben je daar dan geen liefhebber van?’

Monnikenwerk

‘Lijden is goed want het zet me aan het Werk, Hans.’
‘En het Werk?’
‘Het Werk is goed want het maakt een einde aan mijn lijden.’
‘Dus lijden is goed want het maakt een einde aan mijn lijden.’
‘Wat is daar mis mee?’
‘Pijn is goed want dan neem je een aspirientje?’

‘Brand is goed want dan komt de brandweer?’

‘Oorlog is goed want dan kunnen we vluchten?’

‘Zwijgen is goed want dan zeg je niks verkeerd?’

‘Byron Katie is goed want ze houdt me aan het Werk.’

Van eigen deeg

‘Hoe weet ik dat ik wat ik wil, niet nodig heb?’
‘Nou?’
‘Ik heb het niet!’
‘Hoe weet ik of ik wat ik wil, niet nodig heb?’
‘Nou?’
‘Ik weet het niet!’

‘Hoe weet ik dat ik wat ik niet wil, nodig heb?’
‘Nou?’
‘Ik heb het!’
‘Hoe weet ik of ik wat ik niet wil, nodig heb?’
‘Nou?’
‘Ik weet het niet!’

Het is wat

‘Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?’
‘Als je niets meer weet, waarom niet?’

‘Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?’
‘Omdat dat er ook is?’
‘Omdat wat er ook is?’
‘Iets anders willen dan wat er is?’

Willekeur

‘Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?’
‘Wie zegt dat weten de grondslag van willen is?’
‘In plaats van?’
‘Onwetendheid, het onbewuste, genen, zenuwen, hormonen, reflexen, instincten, behoeften, drugs, drank, emoties, je moeder, de context, de omstandigheden, het geheel, God.’
‘Allemaal grondslagen van willen?’
‘Geen idee.’
‘Wat ligt er volgens jou ten grondslag aan de wil, Hans?’
‘Waarom zou er iets ten grondslag liggen aan de wil?’
‘Bedoel je dat er niets ten grondslag ligt aan de wil?’
‘Welke wil?’
‘Bedoel je dat er geen wil is?’
‘Geen idee.’

Verkeerd verbonden

‘Als je niets meer weet, waarom zou je dan nog iets anders willen dan wat er is?’
‘Vraag dat maar aan iemand die niets meer weet.’
‘Maar zo iemand ben jij toch?’
‘Als ik zo iemand was dan kon ik dat niet weten.’
‘En als je het toch wist?’
‘Dan was ik niet zo iemand.’

Ja

‘Ik zeg altijd ja tegen de realiteit, Hans.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik wil alleen maar wat er is.’
‘Willen wat er niet is en niet willen wat er wel is, hoe is het daarmee gesteld?’
‘Daar zeg ik altijd nee tegen.’
‘Waarom?’
‘Dat is niet de realiteit.’
‘Waarom zeg je dan wat terug?’

Ja en nee

‘Ik zeg altijd ja tegen de realiteit, Hans.’
‘Heb je weleens hoofdpijn?’
‘Ja.’
‘Neem je weleens een pijnstiller tegen de hoofdpijn?’
‘Ja.’
‘Nou dan.’
‘Ik zei toch twee keer ja?’
‘Ja zeggen tegen hoofdpijn is nee zeggen tegen een pijnstiller.’
‘Hm.’
‘Ja zeggen tegen een pijnstiller is nee zeggen tegen hoofdpijn.’
‘Ja zeggen tegen dit is nee zeggen tegen dat.’
‘Ja.’
‘En daar is niets aan te doen?’
‘Nee.’

Tja

‘Ik zeg altijd ja tegen de realiteit.’
‘Waar zeg je dan nee tegen?’
‘Mijn gedachten over de realiteit.’
‘Geef eens een voorbeeld van zo’n gedachte.’
”Mensen mogen niet liegen.’
‘Daar zeg je nee tegen?’
‘Ja, want mensen liegen.’
‘ ‘Mensen liegen’ is de realiteit en ‘mensen mogen niet liegen’ is een gedachte?’
‘Ja.’
‘Hoe weet je dat ‘mensen liegen’ de realiteit is?’
‘In plaats van?’
‘Een gedachte.’
‘Nou…’
‘Wat is realiteit?’
‘Een… concept?’
‘En mensen?’
‘Een concept?’
‘En liegen?’
‘Een concept?’
‘Mensen liegen is de realiteit. Is dat waar?’
‘Eh…’
‘Dus waar zeg je nou eigenlijk ja tegen?’
‘Tja.’
‘Wat is een gedachte?’
‘Een concept?’
‘Mensen mogen niet liegen is een gedachte – is dat de realiteit of is het een gedachte?’
‘Tja.’
‘Dus waar zeg je nou eigenlijk nee tegen?’

Lees ook: Zeg maar tja tegen het leven.

Ja maar nee

‘Als ik beweer dat mensen niet moeten liegen, wend ik mij af van de realiteit, Hans.’
‘Van welke realiteit?’
‘Van de realiteit dat mensen nu eenmaal liegen.’
‘Als je op straat je rug recht als je bedreigd wordt, is dat liegen?’
‘Ja, want je doet je groter voor dan je bent. Ik bedoel nee, want je probeert er alleen maar zonder kleerscheuren af te komen.’
‘Als je make-up gebruikt, is dat liegen?’
‘Ja, want je doet je mooier voor dan je bent. Ik bedoel nee, want je verwijt een schilder ook niet het gebruik van verf.’
‘Als iemand je in het voorbijgaan vraagt hoe het met je gaat en je zegt goed terwijl het slecht gaat, is dat liegen?’
‘Ja, want je draait eromheen. Ik bedoel nee, want het is geen echte vraag.’
‘Als je Sinterklaas viert met je kinderen, is dat liegen?’
‘Ja, want Sinterklaas bestaat niet. Ik bedoel nee, want het is gewoon een traditie.’
‘Als je iemand eeuwig trouw beloofd en een paar jaar later een echtscheiding aanvraagt, is dat liegen?’
‘Ja, want je breekt een belofte. Ik bedoel nee, als je het destijds meende.’
‘Als je voor de kerk trouwt omdat je partner godsdienstig is terwijl jij dat niet bent, is dat liegen?’
‘Ja, want je doet alsof. Ik bedoel nee, zo betuig je je liefde.’
‘Als je bidt en je hebt je aandacht er niet bij, is dat liegen?’
‘Ja, want je bidt alleen maar voor de vorm. Ik bedoel nee, dat kan de beste overkomen.’
‘Als je je keppeltje afdoet wanneer je een moslimwijk binnengaat of je hoofddoekje bij het betreden van een synagoge, is dat liegen?’
‘Ja, want je verloochent je geloof. Ik bedoel nee, zo voorkom je problemen.’
‘Als je aardig doet bij de groenteboer terwijl je hem niet mag, is dat liegen?’
‘Ja, want je draait hem een rad voor ogen. Ik bedoel nee, je wilt gewoon goede waar.’
‘Als je zegt dat mensen niet moeten liegen terwijl je nauwelijks onderscheid weet te maken tussen waarheid en leugen, is dat liegen?’
‘Ja, want het is een vereenvoudigde voorstelling van zaken. Ik bedoel nee, zolang je het niet beseft.’
‘Hoe zit het dan met de realiteit dat mensen nou eenmaal liegen?’
‘Dat is niet de realiteit.’
‘Dan kun je je er ook niet van afwenden.’
‘Wat is dan de realiteit?’
‘Dat is dan de realiteit.’

Waargeest

‘Mensen liegen, dat is de realiteit.’
‘Wat is liegen?’
‘Niet de waarheid spreken.’
‘Wat is waarheid?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘De waarheid bestaat – is dat waar?’
‘Eh…’
‘Kun je dat absoluut weten?’
‘Nou…’
‘Hoe voelt het als ‘de waarheid bestaat’ waar zou zijn?’
‘Prettig.’
‘Waarom?’
‘Dat geeft houvast.’
‘Wat zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Stuurloos. Overgeleverd aan willekeur.’
‘Zonder waarheid ben ik stuurloos – is dat waar?’
‘Je maakt me helemaal dol.’
‘Je maakt me helemaal dol – is dat waar?’
‘Begrijp ik het goed dat de waarheid niet bestaat?’
‘De waarheid bestaat niet – is dat waar?’
‘Ik geef me over.’
‘Echt waar?’

Mijneveld

‘Dé waarheid bestaat niet, Hans.’
‘O nee?’
‘De enige waarheid is mijn waarheid.’
‘Geldt dat ook voor mij?’
‘Vanzelfsprekend.’
‘Dan is het niet jouw waarheid.’
‘Wat niet?’
‘Dat de enige waarheid jouw waarheid is.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het ook de mijne is.’
‘Verdraaid.’
‘Dus is het ook niet waar.’

Nee kun je krijgen

‘Ik zeg altijd ja, Hans. Zelfs een uitgesproken nee is een innerlijk ja.’
‘Er is geen groter nee dan een ja.’
‘Wat?’
‘Ja zeggen tegen iets is nee zeggen tegen al het andere.’
‘Kan ik niet alleen maar ja zeggen?’
‘Nee.’
‘Maar ik wil helemaal geen nee zeggen.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik ja wil zeggen tegen wat er is.’
‘Nee is ook wat er is.’
‘Nee zeggen tegen iets is toch ja zeggen tegen al het andere?’
‘Nee zeggen tegen iets is alle andere mogelijkheden open houden.’
‘Maar daarvoor heb ik wel eerst nee moeten zeggen.’
‘Ja.’
‘Dus er is geen enkele manier om alleen maar ja te zeggen?’
‘Nee.’
‘En er is ook geen enkele manier om alleen maar nee te zeggen?’
‘Nee.’
‘Is er dan tenminste een manier om alle mogelijkheden open te houden?’
‘Nee.’
‘Als ik ja én nee zeg, hou ik toch alle mogelijkheden open?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat je dan niet alleen ja of alleen nee kunt zeggen.’
‘En als ik geen ja en geen nee meer zeg?’
‘Wat dan?’
‘Hou ik dan alle mogelijkheden open?’
‘Nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat je dan niet alleen ja of alleen nee of alleen ja en nee kunt zeggen.’
‘Dus wat ik ook zeg, ik sluit altijd iets uit?’
‘Ja.’
‘En als ik zwijg?’
‘Dan sluit je het spreken uit.’
‘Wat moet ik dan?’
‘Tja.’
‘Tja?’
‘Wat je altijd hebt gedaan.’
‘Wat heb ik altijd gedaan?’
‘Wat iedereen altijd doet.’
‘Wat doet iedereen altijd?’
‘Ja zeggen, nee zeggen, ja en nee zeggen, ja noch nee zeggen, en je mond houden.’
‘Tja.’
‘Net zo het uitkomt.’
‘Ja.’
‘Een groter ja bestaat niet.’
‘Nee.’
‘En een kleiner nee bestaat niet.’
‘Mwah.’

Lees ook: Meester Tja en de tao van tja.

Proefwerk

‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is een constante staat van dankbaarheid, Hans.’
‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een lakmoesproef voor zelfrealisatie.’

‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is een constante staat van dankbaarheid.’
‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een constante staat.’

‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in een constante staat.’
‘Waarin dan wel?’
‘In de waarheid van het eeuwige hier en nu.’
‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in de waarheid van het eeuwige hier en nu.’

‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in de waarheid van het eeuwige hier en nu.’
‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in zelfrealisatie.’

‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven in zelfrealisatie.’
‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven.’

‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is niet geloven.’
‘Gezakt.’

Van langer hand

‘Zolang je nog ergens verdrietig, bang of boos over bent, is het Werk niet gedaan, Hans.’
‘Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.’
‘Zolang je nog iets gelooft, is het Werk niet gedaan?’
‘Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.’
‘Zodra je niets meer gelooft, is het Werk gedaan?’
‘Zolang je dat nog gelooft, is het Werk niet gedaan.’

Overwerk

‘Op een kwade dag stapte mijn moeder in de auto en verliet voor altijd haar gezin.’
‘Wat vind je daarvan?’
‘Mijn moeder moet zich verontschuldigen omdat ze me in de steek heeft gelaten!’
‘Is dat waar?’
‘Nee, maar die gedachte blijft maar terugkomen, Hans.’
‘Keer het om.’
‘Ik moet mij verontschuldigen omdat ik mijn moeder in de steek heb gelaten.’
‘Is dat even waar of meer waar?’
‘Zeker, want sindsdien wil ik niets meer van haar weten.’
‘Weet je nog een omkering?’
‘Ik moet mij verontschuldigen omdat ik mezelf in de steek heb gelaten.’
‘Is dat even waar of meer waar?’
‘Zeker, omdat ik mezelf steeds maar kwelde met de gedachte dat mijn moeder zich moest verontschuldigen.’
‘Je denken heeft je in de steek gelaten.’
‘Precies.’
‘Dus je moeder moet zich verontschuldigen omdat ze jouw in de steek heeft gelaten en jij moet je verontschuldigen omdat je haar en jezelf in de steek hebt gelaten?’
‘Ik denk het.’
‘Hoe voel je je nu?’
‘Graag zou ik zeggen: opgelucht…’
‘Maar?’
‘Ik voel me nog bedrukter dan voorheen.’
‘Hoe komt dat, denk je?’
‘Misschien omdat de schuldenlast eerder groter is geworden dan kleiner.’
‘Dat heb je er nou van met al die waarheden.’
‘Wat zou jij gezegd hebben?’
‘Wanneer?’
‘Toen ik zei dat mijn moeder zich moet verontschuldigen.’
‘Je veronderstelt dat je moeder iets over haar gedrag te zeggen heeft.’
‘Wou jij soms zeggen van niet?’
‘Ik niet.’
‘Maar?’
‘Of ik daar iets over te zeggen heb?’
‘En toen ik zei dat ik me bij mijn moeder en bij mezelf moet verontschuldigen?’
‘Je veronderstelt dat je iets over je eigen gedrag te zeggen hebt.’
‘Wou jij soms zeggen van niet?’
‘Ik niet.’
‘Maar?’
‘Of ik daar iets over te zeggen heb?’
‘Ik denk dus nog steeds verkeerd.’
‘Je veronderstelt dat je iets over je eigen gedachten te zeggen hebt.’
‘Wou jij soms zeggen van niet?’
‘Ik niet…’
‘Maar of je daar iets over te zeggen hebt?’
‘Jij zegt het.’

Misschien…

‘We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid.’
‘Je veronderstelt dat je daar invloed op hebt.’
‘Wou jij soms zeggen van niet, Hans?’
‘Wat weet ik daarvan?’
‘Waarom zeg je het dan?’
‘Misschien wel om je gedachten over de werkelijkheid te veranderen.’
‘Waarom zeg je misschien?’
‘Misschien wel omdat ik geen idee heb waarom ik het zeg.’
‘Waarom zeg je opnieuw misschien?’
‘Misschien wel omdat ik geen idee heb of dat zo is.’

‘Waarom vraag je niet door?’
‘Misschien wel omdat ik het doorheb.’
‘Misschien valt er wel niets door te hebben.’
‘Misschien is dat wel wat ik doorheb.’
‘Waarom zeg je misschien?’
‘Misschien wel omdat ik geen idee heb waarom ik het zeg.’
‘Waarom zeg je opnieuw misschien?’
‘Misschien wel omdat ik geen idee heb of dat zo is.’

‘Waarom vraag je niet door?’
‘Misschien…’

Helderder

‘Als mijn denken helder is dan is mijn leven dat ook.’
‘Als mijn denken helder is dan niets.’
‘En als mijn denken troebel is?’
‘Dan van alles en nog wat.’
‘Wat dan?’
‘Wat niet?’
‘Bijvoorbeeld?’
‘Waarheden, zekerheden, helderheden, troebelheden, standpunten, overtuigingen, dilemma’s, impasses, geloof, geloften, geboden, hellen, hemelen, ongeloof, activisme, fatalisme, zendingsdrang, beelden, beeldenstormen, heilige huisjes, heilige oorlogen, geweldloos verzet en noem maar op.’
‘Dus helder denken leidt niet tot helder leven?’
‘Helder denken leidt tot niets.’
‘Kun jij…’
‘Wie?’
‘Aan mij uitleggen…’
‘Aan wie?’
‘Waarom helder denken…’
‘Waarom wat?’
‘Niet tot helder leven leidt?’
‘Tot wat?’


‘Helder.’

Jantje van Lijden

‘Volgens Jan van Delden zijn gedachten onze vijanden. Alleen door ze te negeren vinden we bevrijding.’
‘En?’
‘Wat moet ik met die gedachte?’
‘Negeren.’
‘Volgens Byron Katie zijn gedachten onze vrienden. Alleen door ze kritisch te onderzoeken vinden we bevrijding.’
‘En?’
‘Wat moet ik met die gedachte?’
‘Kritisch onderzoeken.’
‘Maar wie heeft er nou gelijk?’
‘Wie denk jij?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Dan valt er ook niets te negeren of te onderzoeken.’

Machtgedachten

‘Volgens mij kunnen we onze gedachten zelf bepalen, Hans.’
‘Is dat waar?’
‘Misschien kunnen we ze niet zelf bepalen maar wel voorkomen.’
‘Is dat waar?’
‘Misschien kunnen we ze niet voorkomen maar wel negeren.’
‘Is dat waar?’
‘Misschien kunnen we ze niet negeren maar wel loslaten.’
‘Is dat waar?’
‘Misschien kunnen we ze niet loslaten maar wel onderzoeken.’
‘Is dat waar?’
‘Misschien kunnen we ze niet onderzoeken maar wel afleiding zoeken.’
‘Is dat waar?’
‘Misschien kunnen we geen afleiding zoeken en ze alleen maar lijdzaam ondergaan.’
‘Is dat waar?’
‘Wat denk jij?’
‘Wat is waar.’

Werkonderbreking

‘Ik doe het Werk, Hans.’
‘Werk aan de winkel!’
‘Ik bedoel, het Werk doet mij.’
‘Werk aan de winkel!’
‘Ik bedoel, het Werk maakt mij ongedaan.’
‘Werk aan de winkel!’
‘Ik bedoel, het Werk is nooit gedaan.’
‘Werk aan de winkel!’
‘Ik bedoel, deze vulkaan is uitgewerkt.’
‘Werk aan de winkel!’
‘Dan zeg ik wel niks meer.’
‘Werk aan de winkel!’
‘Kopje koffie?’
‘Ik dacht dat je het nooit zou zeggen.’

The incredible shrinking man

‘Hoe lang doe jij het Werk nou al?’
‘Een jaar, Hans.’
‘Wat heeft het je opgeleverd?’
‘Ik krijg steeds meer ruimte terwijl ik zelf steeds verder ineenschrompel.’
‘Waar is die ruimte?’
‘Hè?’
‘Wat schrompelt er precies ineen?’
‘Nou…’
‘Wat als je over vijf minuten ineens denkt dat je steeds minder ruimte krijgt?’
‘Dan is… een van beide gedachten onwaar.’
‘Waarom niet beide?’
‘Omdat de waarheid van de ene de onwaarheid van de andere impliceert.’
‘Je veronderstelt dat gedachten logisch samenhangen.’
‘Anders kun je wel ophouden.’
‘Je veronderstelt dat gedachten waar kunnen zijn.’
‘Wou jij zeggen van niet?’
‘Waarom zou ik?’
‘Misschien omdat je denkt van niet?’
‘Maar als ik nou niet weet of gedachten waar kunnen zijn?’
‘Dan kun je je de moeite besparen.’
‘Tenzij ik het niet voor het zeggen heb.’
‘Dat is ook weer waar.’
‘Tenzij gedachten niet waar kunnen zijn.’
‘Stel dat gedachten niet waar kunnen zijn, wat betekent de gedachte ‘ik krijg steeds meer ruimte terwijl ik steeds verder ineenschrompel’ dan nog?’
‘Misschien wel niets.’
‘Niets?’
‘Misschien bevindt de enige ruimte die je krijgt zich wel in de gedachte dat je steeds meer ruimte krijgt.’
‘Op die manier.’
‘Als dat zo is, wat gebeurt er dan als die gedachte het veld ruimt?
‘Dan ruimt die ruimte ook het veld.’
‘Evenals ‘ik’ en ‘krijgen’ en ‘steeds meer’.’
‘Bestaat het ineen schrompelen dan ook alleen maar in de gedachte dat ‘ik’ ‘steeds verder’ ‘ineenschrompel’?’
‘Wat als die gedachte ineenschrompelt?’
‘Want gedachten zijn natuurlijk zo voorbij.’
‘Wat als die gedachte ineenschrompelt?’
‘En als de werkelijkheid in werkelijkheid alleen maar bestaat uit vluchtige gedachten over de werkelijkheid…’
‘Wat als die gedachte ineenschrompelt?’
‘Dan moet ik me niet meer laten verleiden door welke gedachte dan ook.’
‘Wat als die gedachte ineenschrompelt?’
‘Ik denk dat ik dan in niet weten of in de stilte of in de eeuwige vrede of in de bron zelf terecht kom.’
‘Wat als die gedachte ineenschrompelt?’
‘Tja.’
‘Goed Werk.’

Ontspoord

‘Ik ga ervandoor, Hans.’
‘Waarheen?’
‘Naar Byron Katie.’
‘Wat doen?’
‘Het Werk natuurlijk.’
‘Wat verwacht je ervan?’
‘Een leven zonder lijden, angst, verdriet of woede. Een leven van onvoorwaardelijke liefde. Een leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.’
‘Toe maar.’
‘Waarom ga je niet mee?’
‘Voor mij ontbreekt er iets.’
‘Wat dan?’
‘De grondslag die het Werk mogelijk maakt.’
‘Pardon?’
‘Zonder rails kan een trein niet rijden.’
‘Wat heb je nodig voor het Werk behalve pen en papier?’
‘O, alleen maar een ik met een vrije wil, die tegen het lijden kan kiezen en iets kan bewerkstelligen. Een wereld waarbinnen iets bewerkstelligd kan worden. Een lineair tijdsbesef dat blijvende resultaten mogelijk maakt. Kennis van en geloof in concepten als leven, werken, denken, innerlijke waarheid, persoonlijke integriteit, overtuigingen, angst, verdriet, woede, lijden, onvoorwaardelijke liefde en vriendelijkheid. Kortom, alle zaken die voor jou vanzelf sprekend zijn, maar tegen mij zwijgen als het graf.’
‘Wou jij beweren dat de wereld met alles erop en eraan een illusie is?’
‘Dat zou nog steeds een grondslag zijn.’
‘Wou je Byron Katie soms een leugenaar noemen?’
‘Ook daarvoor ontbreekt iedere grondslag.’

Consequenter

‘En als je nou ineens zelf het Werk gaat doen, Hans?’
‘Dan ga ik zelf ineens het Werk doen, gesteld dat ik het al niet deed.’
‘Zou dat niet inconsequent zijn?’
‘Waarom zou ik consequent willen zijn?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Dat lijkt maar zo.’
‘Als er geen gronden zijn om het Werk te doen en je doet het toch, dan klopt er volgens mij iets niet.’
‘Tenzij er ook geen gronden zijn om het Werk te laten.’
‘Daar heb jij weer gelijk in.’
‘Het is al lang geleden dat ik gelijk heb gehad.’
‘Bedoel je dat je ongelijk hebt?’
‘Het is al lang geleden dat ik ongelijk heb gehad.’
‘Bedoel je dat gelijk en ongelijk niet bestaan?’
‘Jij met je bedoelingen.’
‘Doe mij maar Byron Katie.’
‘Ik kan je geen ongelijk geven.’
‘En ook geen gelijk, zeker.’
‘Ook daarvoor moet je bij Katie wezen.’

Een goed gesprek

‘Wat is volgens jou een goed gesprek?’
‘Een gesprek waar je iets van leert, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat is volgens jou een goed gesprek?’
‘Een gesprek waar je niets van leert.’
‘Wat is volgens jou een beter gesprek?’
‘Een gesprek waar je iets van afleert.
‘Wat is volgens jou het beste gesprek?’
‘Een gesprek waar je in verdwaalt.’
‘Ik vond dit een goed gesprek, Hans.’
‘Volgende keer beter.’

Kinderwerk

‘Kun je mij het Werk aanraden?’
‘Och.’
‘Bedoel je dat ik het beter niet kan doen?’
‘Ach.’
‘Volgens Tony Parsons bestendigt het Werk het geloof in de illusie van afgescheidenheid.’
‘Misschien bestendigt Tony Parsons wel het geloof in de illusie van eenheid.’
‘Wat vind jij trouwens van Tony Parsons?’
‘Een intrigerende man, denk ik weleens, en nog lief ook.’
‘Denk je ook weleens wat anders?’
‘Dat gaat maar door.’
‘Kun je hem aanbevelen?’
‘Och.’
‘Wat vind je van Byron Katie?’
‘Een intrigerende vrouw, denk ik weleens, en nog lief ook.’
‘Denk je ook weleens wat anders?’
‘Dat gaat maar door.’
‘Kun je haar aanbevelen?’
‘Ach.’
‘Jij geeft de voorkeur aan je eigen niet weten.’
‘Niet weten is van niemand.’
‘Of van iedereen.’
‘Maar niet van mij.’
‘Wat is er wel van jou?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Los daarvan?’
‘Wat was de vraag?’
‘Of jouw voorkeur uitgaat naar niet weten.’
‘Och.’
‘Waarom help je me nou niet!’
‘Ik doe mijn stinkende best.’
‘U zegt alleen maar och en ach en zo.’
‘Zo.’
‘Nou doe je het weer!’
‘Dat is zogezegd mijn Werk.’
‘Kinderwerk, als je het mij vraagt.’
‘Als dat geen aanbeveling is.

Het Halve Werk

‘Byron Katie heeft mij van al mijn negatieve gedachten verlost, Hans.’
‘Nou de positieve nog.’

Het Hele Werk

‘Het Werk leidt tot volmaakte helderheid, Hans.’
‘Nee, het halve werk leidt tot volmaakte helderheid.’
‘En het hele werk?’
‘Dat leidt tot niets.’
‘Is dat iets goeds of iets slechts?’
‘Nou heb je het weer over het halve werk.’

Workaholic

‘Waartoe leidt het halve werk, Hans?’
‘Volgens Byron Katie tot een bestaan zonder angst, verdriet of woede. Een leven vol liefde, vreugde, vriendelijkheid, verwondering en dankbaarheid.’
‘Lijkt me geweldig.’
‘Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.’
‘Jij bent toch een ervaringsdeskundige?’
‘Eerder een workaholic.’
‘Wat voor werk doet u?’
‘Het hele werk.’
‘Waartoe leidt het hele werk?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Waarom zou je de klus dan klaren?’
‘Wat zal ik daar eens op zeggen.’
‘Ik kan maar één reden verzinnen.’
‘Ik wel honderd.’
‘Dat je het niet kunt laten.’
‘Misschien is het geen kwestie van doen.’
‘Misschien is het wel een kwestie van niet-doen.’
‘Misschien is het wel een kwestie van laten.’
‘Ja, is het nou een kwestie van doen of van laten?’
‘Een kwestie van niet weten?’
‘Is dat een vraag of een antwoord?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Dus dáártoe leidt het hele werk.’
‘Waartoe?’
‘Hiertoe.’
‘Dat kan ik niet bevestigen of ontkennen.’

Het Dubbele Werk

‘Hans, wat is het Werk volgens jou?’
‘Iets wat je later weer ongedaan moet maken.’

Dooie diender

‘Hans, wat is jouw taak in dit leven?’
‘Wie zegt dat ik een taak heb?’
‘Stel dat jij een taak had, welke zou dat dan zijn?’
‘Het niet weten dienen.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Wie zegt dat ik ben?’
‘Maar…’
‘Bovendien was het jouw gedachte.’
‘Waarom kom je mij niet eens een beetje tegemoet?’
‘Wie zegt dat ik je niet een beetje tegemoet kom?’
‘Je maakt me helemaal in de war.’
‘Nou dan.’
‘Waar ben je toch mee bezig!’
‘Het niet weten dienen?’
‘Ik dacht dat jij geen taak had?’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’

De makelaar

‘Hoe is het om niets te weten, Hans?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Wat weet je wel?’
‘Niks, dat is het hem nou juist.’
‘Wat zou je zeggen met het mes op de keel?’
‘Moet dat?’
‘Vandaar dat mes.’
‘Dat ik de deur niet meer uit hoef?’
‘Niet weten betekent voor jou dat u de deur niet meer uit hoeft?’
‘Klinkt belachelijk.’
‘Doordat je niet meer weet?’
‘Weet ik veel waardoor.’
‘Nergens meer voor?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Nooit meer?’
‘Voor zolang het duurt.’
‘Mag ik zo vrij zijn dat thuis te noemen?’
‘De deur niet meer uit hoeven?’
‘Wat is het dat je thuis gevonden hebt?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Of het moest niet-weten zijn.’
‘Tja.’
‘Zou jij thuis omschrijven als blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, universeel mededogen, innerlijke vrede of grenzeloze vreugde?’
‘Dan nog liever niet-weten.’
‘Wat kan er mooier zijn dan blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, universeel mededogen, innerlijke vrede of grenzeloze vreugde?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Is thuis voor jou misschien nog ruimer dan blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, universeel mededogen, innerlijke vrede of grenzeloze vreugde?’
‘Ik zie niet in wat er ruimer aan zou zijn.’
‘Dat het ruimte biedt aan al wat is, en niet alleen aan de mooie dingen?’
‘Ik vind een onbegrensde ruimte niet mooier dan een begrensde.’
‘Mag ik dit opvatten als een poging om ook ruimte te scheppen voor begrensdheid?’
‘Opvatten is niet mijn forte.’
‘Zou je niet-weten kunnen uitleggen als totale openheid?’
‘Wat valt er uit te leggen aan niet weten?’
‘Geef nou eens antwoord!’
‘Ik heb niets tegen geslotenheid.’
‘Zo groot is jouw openheid.’
‘Zeg, ben jij voor jezelf begonnen?’
‘Pardon?’
‘Eerst dwing je me te zeggen dat ik de deur niet meer uit hoef; dan bouw je achter die deurloze deur een knus huisje met de tijdloze naam niet-weten; vervolgens prijs je die fictieve bouwval aan als een paleis van blijvend geluk, onvoorwaardelijke liefde, universeel mededogen, innerlijke vrede en grenzeloze vreugde; en als ik niet toehap, begin je over de ruimte, openheid en onbegrensdheid van het omringende landschap.’
‘Neem me niet kwalijk.’
‘Je had makelaar moeten worden.’
‘Ik bén makelaar.’
‘Maar ik geen klant.’
‘Je woont al ergens.’
‘Ik woon al nergens.’
‘Leg het dan eens uit in je eigen woorden.’
‘Heb ik al gedaan.’
‘Dat is me dan ontgaan.’
‘Ik snap het zelf ook niet.’
‘Wat niet?’
‘Begin je nou weer?’
‘Ik moet het weten!’
‘Weten is niet de weg.’
‘Je weet alleen maar dat je de deur niet meer uit hoeft?’
‘Dat neem ik terug.’
‘Dat weet u ook al niet?’
‘Je ziet wat er van komt.’
‘Hoe is het om niets te weten?’

Blijspel

‘Als je niets meer weet, hoef je nooit meer depressief te zijn, Hans.’
‘Wou jij beweren dat depressiviteit wordt veroorzaakt door negatieve gedachten?’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Misschien worden negatieve gedachten wel veroorzaakt door depressiviteit.’
‘Verdraaid.’
‘Of misschien worden beide wel veroorzaakt door een onderliggende factor.’
‘Zoals?’
‘Een lage suikerspiegel, een overdosis stresshormoon, slaapgebrek, incest, geen-incest, het weer, auto-immuniteit, een allergie, overprikkeling, een combinatie van factoren, zeg hij het maar.’
‘Hm.’
‘Misschien moet het hele universum wel precies in de huidige constellatie verkeren om precies op dit moment precies deze combinatie van depressiviteit en negatieve gedachten in jou te bewerkstelligen.’
‘Dan kan ik het wel schudden.’
‘Dan moet het zogezegd zo zijn.’
‘Moet het zogezegd zo zijn?’
‘Wat weet ik daarvan?’
‘Dus niet weten biedt geen enkele garantie?’
‘Dat kan ik niet garanderen.’
‘Deprimerend hoor.’
‘Ik word er zelf wel blij van.’

Liefdewerk oud papier

‘Gaat niet weten gepaard met een bepaalde gemoedstoestand?’
‘Het een heeft met het ander niets uit te staan.’
‘Volgens sommigen is niet weten zuivere liefde.’
‘Niet weten is gewoon niet weten.’
‘Volgens anderen is het redeloze vreugde.’
‘Denk je soms dat niet weten je immuun maakt voor verdriet?’
‘Daar reken ik op.’
‘Niet weten is nergens op rekenen.’
‘Niet weten is nergens op rekenen?’
‘Daar zou ik maar niet op rekenen.’
‘In jouw ervaring is niet weten geen zuivere liefde of redeloze vreugde?’
‘Wat heb je nou aan ervaring.’
‘Wat?’
‘Resultaten behaald in het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.’
‘Voel jij liefde voor al wat is?’
‘Al wat is omvat heel wat meer dan liefde.’
‘Aanvaard jij alles wat er op je pad komt onvoorwaardelijk?’
‘Ook afwijzing komt op mijn pad.’
‘Voorwaardelijk of onvoorwaardelijk?’
‘Net zo het komt.’
‘Maar wat heb je er dan aan?’
‘Waaraan?’
‘Aan niet weten.’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Bedoel je dat je er niets aan hebt?’
‘Vraag dat maar aan iemand die weet.’
‘Waar doen we dan zo ons best voor?’
‘Wie doet er hier zijn best?’
‘Wou jij beweren dat we niet ons best doen?’
‘Probeer maar eens niet je best te doen.’
‘Nu?’
‘Toe dan.’

‘En?’
‘Het lukt niet.’
‘Doe je daar nou zo je best voor.’
‘Wat is niet weten voor jou?’
‘Niet langer je best doen?’
‘Waarom niet?’
‘Waarom wel.’
‘Waarvoor niet?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Erg inspirerend ben je niet.’
‘En een moeite dat het kost.’

Niet te kort

‘Weet je wat ik ben?’
‘Daar gaan we weer.’
‘De liefde zelve.’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Waar heb je het over?’
‘Haat.’
‘Wou jij zeggen dat ik de haat zelve ben?’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Ik ben liefde én haat, wou je zeggen.’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Liefde noch haat dan?’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Ik weet niet wat ik ben.’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Dan zeg ik wel niks meer.’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Ik doe mezelf toch alleen maar tekort.’
‘Niet als je het niet kunt laten.’
‘Pardon?’
‘Dan doe je het niet zelf.’
‘Hoe voorkom ik dat ik mezelf tekort doe?’
‘Waarom zou je jezelf niet tekort mogen doen?’
‘Omdat ik mezelf niet tekort wil doen.’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Omdat ik niet wil lijden?’
‘Je doet jezelf tekort.’
‘Weet jij wat ik ben?’
‘Daar gaan we weer.’

Helluo librorum

”De hel, dat zijn de anderen.’
‘Jean-Paul Sartre.’
”De hel, dat zijn je gedachten.’
‘Byron Kathleen Reid.’
‘Wie heeft er nou gelijk, Hans?’
‘Wie zegt dat er iemand gelijk heeft?’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘De hel is ook maar een gedachte.’
‘De hel is ook maar een gedachte?’
‘Dat had je gedacht.’
‘Hè?’
‘ ‘De hel is ook maar een gedachte’ is ook maar een gedachte.’
‘Verdraaid.’
‘Wat?’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Troost je.’
‘Waarmee?’
‘ ‘ ‘De hel is ook maar een gedachte’ is ook maar een gedachte’ is ook maar een gedachte.’
‘Van kwaad tot erger.’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Geloof jij dan geen enkele gedachte?’
‘Dat komt weleens in me op, ja…’
‘Maar?’
‘Ik kan wel zoveel denken.’
‘Jij kunt geen kant meer op, hè?’
‘Zou je denken?’
‘Ik dacht dat je zou zeggen: ‘Ik kan alle kanten op’.’
‘Ik kan wel zoveel zeggen.’
‘Eén ding is me in ieder geval duidelijk geworden.’
‘Wat dan?’
‘De hel, dat is je gedachten niet geloven.’
‘Geloof je dat nou echt?’

Meesterwerk

‘Hans, wat is cognitieve therapie?’
‘Een methode om irreële gedachten te vervangen door reële.’
‘Wat is filosofie?’
‘Een methode om onware gedachten te vervangen door ware.’
‘Wat is wetenschap?’
‘Een methode om speculatieve gedachten te vervangen door empirische.’
‘Wat is religie?’
‘Een methode om aardse gedachten te vervangen door hemelse.’
‘Wat is spiritualiteit?’
‘Een methode om negatieve gedachten te vervangen door positieve.’
‘En wat is niet weten?’
‘Gewoon.’
‘Gewoon wat?’
‘Dat je het niet weet.’
‘Waaraan geef je de voorkeur?’
‘Waaruit mag ik kiezen?’
‘Cognitieve therapie, filosofie, wetenschap, religie, spiritualiteit en niet-weten dus.’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Wat voor methode is niet weten?’
‘Niet weten is geen methode.’
‘Wat is het doel van niet weten?’
‘Niet weten heeft geen doel.’
‘Wat is het verband tussen niet weten en je gedachten?’
‘Dat je niet weet of je ze moet geloven?’
‘Waar is dat goed voor?’
‘Wie zegt dat het ergens goed voor is?’
‘Bedoel je dat het nergens goed voor is?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Hoe voelt niet weten?’
‘Nu eens zus, dan weer zo.’
‘Maakt het je zacht of vredig?’
‘Niet weten maakt je niets.’
‘Maakt het je liefdevol of vriendelijk?’
‘Niet weten maakt je niets.’
‘Maakt het je mededogend of dankbaar?’
‘Niet weten maakt je niets.’
‘Wat is de weg naar niet weten?’
‘Is er een weg naar niet weten?’
‘Er is geen weg naar niet weten?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Hoe kom je er dan?’
‘Door de weg kwijt te raken?’
‘Hoe ben jij de weg kwijtgeraakt?’
‘Waar heeft opa zijn verstand verloren?’
‘Valt er dan helemaal niets over te zeggen?’
‘Hoeveel inwoners heeft Nergenshuizen?’
‘Je kunt er toch wel iets over zeggen?’
‘Links, rechts en dan schuin tegenover Café Elders het bos in.’
‘En weer sta ik met lege handen.’
‘Dan noem je het toch cognitieve therapie.’

Vlees moet zwammen

‘Is het Werk van Byron Katie eigenlijk wel spiritueel, Hans?’
‘In plaats van?’
‘Therapeutisch.’
‘Ben ik een mens of een dier?’
‘Beide, zou ik zeggen.’
‘Nou dan.’
‘Ik bedoel, geen van beide.’
‘Nou dan.’
‘Ik bedoel, ik weet het niet.’
‘Nou dan.’
‘Ik bedoel, wat heeft dat er nou mee te maken?’
‘Nou dan.’

Groen of grijs

‘Kun je het Werk zien als een voorbereiding op spiritualiteit, Hans?’
‘Zeker.’
‘Kun je het Werk ook zien als een hinderpaal voor spiritualiteit?’
‘Zeker.’
‘Kun je spiritualiteit ook zien als een ontmaskering van het Werk?’
‘Zeker.’
‘Kun je het Werk ook zien als een ontmaskering van spiritualiteit?’
‘Zeker.’
‘Wat is jouw visie op het Werk?’
‘Ik zie alles perifeer.’
‘Welke visie komt volgens jou het dichtst bij niet weten?’
‘Helikoptervisie.’
‘Hè?’
‘Doe dan maar staar.’

Uitgespeeld

‘Wat is het Werk, Hans?’
‘Een fase in Het Spel.’
‘Welk Spel?’
‘Het Grote Gedachtenspel.’
‘Hoeveel fasen kent het Grote Gedachtenspel?’
‘Het Grote Gedachtenspel kent drie fasen.’
‘Welke fasen zijn dat?’
‘Eerst spelen je gedachten met jou.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat je ze onvoorwaardelijk gelooft.’
‘En dan?’
‘Speel jij met je gedachten.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat je onvoorwaardelijk in het Werk gelooft.’
‘En dan?’
‘Is er alleen nog maar Het Spel.’
‘Wie is het die in deze fase Het Spel speelt?’
‘Het Spel.’
‘Houdt Het Spel ooit op?’
‘Dat ligt eraan in welke fase je zit.’
‘In de fase waarin jij zit?’
‘Welk Spel?’

Uitgesproken

‘Wat spreekt jou het meest aan in het werk van Byron Katie, Hans?’
‘Haar verheerlijking van het leven.’
‘Wat spreekt je het minst aan in haar werk?’
‘Haar verheerlijking van het leven.’
‘Niet weten spreekt me anders ook niet aan.’
‘Mij al evenmin.’
‘Niet weten spreekt jou ook niet aan?’
‘Niet weten spreekt niemand aan.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het niets te zeggen heeft.’
‘Dat kun je van Byron Katie in elk geval niet zeggen.’
‘Dan zal dat het verschil wel zijn.’

In een notendop

‘Wat is de essentie van het Werk?’
‘De gedachte dat je je gedachten onderzoekt.’
‘Het Werk is niet meer dan een gedachte?’
‘Ook dat is maar een gedachte.’
‘Maar wat is nou de essentie van het Werk?’
‘Dat is nou de essentie van het Werk.’

Werkeloos

‘Wie zou je zijn zonder niet-weten, Hans?’
‘Geen idee, Byron Katie?’
‘Wie zou Byron Katie zijn zonder het Werk?’
‘Geen idee, Werkeloos?’
‘Ik dacht dat je zou zeggen: Mij.’
‘Geen idee.’

Verzetswerk

‘Waarom gaat jij zo respectloos met het Werk om, Hans?’
‘Omdat het Werk dat van mij vraagt.’

Uitgewerkt

‘Wie Katie afwijst, verwerpt zichzelf, Hans.’
‘Een goed begin is het halve werk.’
‘Wie zichzelf verwerpt, verliest de liefde.’
‘Beter ten hele gedwaald dan ten halve gekeerd.’
‘Wie de liefde verliest, raakt alles kwijt.’
‘Eind goed, al goed.’

Eenheid

‘Hans, wat is eenheid volgens jou?’
‘Niets uitgezonderd.’
‘Ik dacht eigenlijk dat eenheid stond voor onvoorwaardelijke liefde.’
‘Deels.’
‘Waarvoor nog meer?’
‘Redeloze haat bijvoorbeeld.’
‘Of voor gelukzaligheid’
‘Deels.’
‘Waarvoor nog meer?’
‘Zwaarmoedigheid bijvoorbeeld.’
‘Of voor god.’
‘Deels.’
‘Waarvoor nog meer?’
‘De duivel bijvoorbeeld.’
‘Of voor essentie.’
‘Deels.’
‘Waarvoor nog meer?’
‘Bijzaak bijvoorbeeld.’
‘Of voor verlichting.’
‘Deels.’
‘Waarvoor nog meer?’
‘Verduistering bijvoorbeeld.’
‘Of voor wijsheid.’
‘Deels.’
‘Waarvoor nog meer?’
‘Dwaasheid bijvoorbeeld.’
‘Of voor innerlijke vrede.’
‘Deels.’
‘Waarvoor nog meer?’
‘Innerlijke strijd bijvoorbeeld.’
‘O.’
‘Wat?’
‘Vandaar.’
‘Vandaar.’

Halfheid

‘Wat is eenheid?’
‘Halfheid.’
‘Hè?’
‘Wat jij onder eenheid verstaat is de utopie van de halve wereld.’
‘Welke halve wereld?’
‘De hemel. Nirwana. Het paradijs.’
‘Waarom noem je dat de halve wereld?’
‘Wat versta jij onder het paradijs?’
‘Een einde aan het lijden. Onsterfelijkheid. Innerlijke vrede. Gelukzaligheid. Onvoorwaardelijke liefde. Vrijheid. Gelijkheid. Broederschap.’
‘Dat zeg ik: de halve wereld.’
‘Wat is daar mis mee?’
‘Ik zou het ook niet weten…’
‘Maar?’
‘Waar laten we de andere helft?’

Niet in het minst

‘Vind jij dat ik mijn queeste naar halfheid moet opgeven, Hans?’
‘Waarom zou je?’
‘Omdat de halve wereld een illusie is.’
‘De hele wereld soms niet?’
‘Dat weet ik eerlijk gezegd niet.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Dus je vindt het niet erg dat ik naar het paradijs verlang?’
‘Niet in het minst.’
‘Waarom niet?’
‘Dat hoort er nou eenmaal bij.’
‘Waarbij?’
‘Bij de hele wereld.’
‘En dat ik mijn halve leven verdoe met zoeken?’
‘Hoort er ook bij.’
‘Ik wou dat ik jou was.’
‘Hoort er ook bij.’
‘Ik wou dat ik dat ook vond.’
‘Hoort er allemaal bij.’
‘Het lijkt me geweldig om niet meer te hoeven zoeken.’
‘Geweldig is maar de helft van het verhaal.’
‘Vind jij dat ik mijn queeste naar halfheid moet opgeven?’

Een hele gare

1. Denken

‘Zijn er bepaalde dingen die een weetniet nooit denkt?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Wat denk jij zoal, Hans?’
‘De gekste dingen. De gewoonste dingen. De mooiste dingen. De lelijkste dingen. De wildste dingen en de tamste. De wreedste dingen en de schoonste. De meest abstracte dingen en de meest concrete. Niets menselijks is mij vreemd. Niets onmenselijks is mij vreemd.’
‘Net als ik!’
‘Wat dacht je dan?’
‘Dat een weetniet alleen maar goede dingen dacht.’
‘Dan zou hij maar een half mens zijn.’
‘Een halve gare.’
‘In ieder geval geen weetniet .’
‘Wat hebben al die gedachten te betekenen?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Bedoel je dat ze niets te betekenen hebben?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Wat versta je onder niet-weten?’
‘Denken wat je denkt zonder te weten wat het allemaal te betekenen heeft.’

2. Voelen

‘Zijn er bepaalde dingen die een weetniet nooit voelt?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Wat voel jij zoal?’
‘Blijdschap, lust, weerstand, honger, verzadiging, euforie, schaamte, schuld, verveling, melancholie, pijn, boosheid, woede, ergernis, verdriet, weemoed, ontroering, medelijden, onverschilligheid, jaloezie, liefde, haat, hartstocht, lauwheid, sympathie, antipathie, ongeduld, geduld, bezorgdheid, angst, verheugenis, walging en wat al niet.’
‘Net als ik!’
‘Wat dacht je dan?’
‘Dat een weetniet alleen maar fijne gevoelens had.’
‘Dan zou hij maar een half mens zijn.’
‘Een halve gare.’
‘In ieder geval geen weetniet .’
‘Wat hebben al die gevoelens te betekenen?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Bedoel je dat ze niets te betekenen hebben?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Wat versta jij onder niet-weten?’
‘Voelen wat je voelt zonder te weten wat het allemaal te betekenen heeft.’

3. Doen

‘Zijn er bepaalde dingen die een weetniet nooit doet?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Wat doe jij zoal?’
‘Ik zing, ik klaag, ik zwijg, ik spreek, ik mopper, ik scheld, ik zoek ruzie, ik vlei, ik dreig, ik lach, ik huil, ik help, ik hinder, ik hou me aan regels, ik overtreed regels, ik confronteer, ik mijd, ik werk, ik luier, ik slaap, ik lig wakker, ik snoep, ik poep, ik laat winden en boeren, ik krab mezelf, ik maak goeie grappen, ik maak slechte, ik leef mij in, ik hoop op het ergste, ik doe mijn best, ik loop de kantjes eraf, ik help, ik laat mensen in hun sop gaarkoken en wat al niet.’
‘Net als ik!’
‘Wat dacht je dan?’
‘Dat een weetniet alleen maar positieve dingen deed.’
‘Dan zou hij maar een half mens zijn.’
‘Een halve gare.’
‘In ieder geval geen weetniet.’
‘Wat heeft al dat gedoe te betekenen?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Bedoel je dat het niets te betekenen heeft?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Wat versta jij onder niet-weten?’
‘Doen wat je doet zonder te weten wat het allemaal te betekenen heeft.’

Het hele verhaal

een half mens
1. iemand die de mens en dus zichzelf ziet als in wezen liefdevol, goed, eerlijk, open, onschuldig en van goede wil; synoniem: halfmens
2. iemand die alleen nog maar positieve gedachten en gevoelens heeft en alleen nog maar positieve dingen doet

de halve wereld: de wereld gezien door de ogen van de halfmens; synoniem: halfwereld

de halve boodschap, het halve verhaal, de halve waarheid: geruststellende, troostrijke, blijde boodschap van de halfmens over de halfmens in zijn halfwereld

halve boodschapper: iemand die maar de halve boodschap, het halve verhaal, de halve waarheid vertelt

het halve werk: cognitief-therapeutisch onderzoek naar de houdbaarheid van negatieve gedachten om je ervan te bevrijden in de hoop een half mens te worden

halve gare
1. iemand die meent een half mens te kunnen worden
2. iemand die meent een half mens voor zich te hebben
3. iemand die meent een half mens te zijn

een heel mens: mens met alles erop en eraan, in heel zijn ambiguïteit, tegenstrijdigheid en onbegrijpelijkheid

de hele wereld: de wereld met alles erop en eraan, in heel zijn ambiguïteit, tegenstrijdigheid en onbegrijpelijkheid

de hele boodschap, het hele verhaal, de hele waarheid: verhaal van een heel mens over de hele mens in de hele wereld

het hele werk: principieel onderzoek naar de houdbaarheid van AL je gedachten, inclusief de gedachte dat het mogelijk of wenselijk is om een principieel onderzoek naar de houdbaarheid van al je gedachten te verrichten en inclusief de vraag of er wel zoiets bestaat als een heel mens in een hele wereld

helen
1. onder ogen zien dat je op dit moment geen half mens bent maar een heel
2. onder ogen zien dat je dat misschien altijd zult blijven, wat je ook probeert
3. onder ogen zien dat het onderscheid tussen half en heel bij nader inzien ook geen stand houdt
4. onder ogen zien dat je e.e.a. misschien nooit onder ogen zult zien
5. onder ogen zien dat je dat misschien ook nooit onder ogen zult zien

hele gare
weetniet

Edele delen

‘Als ik geheeld ben, zal ik dan eindelijk vrede hebben met mezelf?’
‘Je hoopt nog steeds een halfmens te worden.’

‘Verschil’

‘Wat is het verschil tussen jou en mij?’
‘Dat jij overal verschil ziet.’
‘En jij?’
‘Ik zie overal verschil’.’
‘Ik dacht dat je zou zeggen ‘Ik zie overal eenheid’.’
‘Och…’
‘Bedoel je dat je overal ‘eenheid’ ziet?’
‘Nou, overal…’

‘Eenheid’

‘Wat is het verschil tussen jou en mij?’
‘Dat jij overal eenheid ziet.’
‘En jij?’
‘Ik zie hoogstens ‘eenheid’.’
‘Maar wat betekent dat dan nog?’
‘Zo kun je het ook zeggen.’
‘Dan kun je net zo goed niks zeggen.’
‘Zo kun je het ook zeggen.’

Geenheid

‘Wat is eenheid?’
‘Een woord.’
‘Is het dan niet het geheel?’
‘Waarvan?’
‘Van alles.’
‘Dat is een tautologie.’
‘Van tegendelen dan.’
‘Dat is een contradictie.’
‘Nergens van dan.’
‘Dat is een kop zonder kip.’
‘Hoezo?’
‘De uitdrukking ‘X is het geheel van’ wordt altijd gevolgd door de samenstellende delen.’
‘Bijvoorbeeld?’
‘Ruwbouw is het geheel van fundering, muren en dak. God is het geheel van natuurwetten. Een ecosysteem is het geheel van interacties in een natuurlijk milieu.’
‘En?’
‘Waarvan is eenheid het geheel?’
‘Nou, gewoon.’
‘Gewoon wat?’
‘Eenheid is het hoogste geheel.’
‘Waarvan?’
‘Nergens van.’
‘Die hebben we al gehad.’
‘Van zichzelf dan?’
‘Maar wat zeg je dan nog?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Nou, ik ook niet

Katie’s canon

‘Lijden is een keuze, Hans.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Je kunt je gedachten niet uitzetten maar je kunt ze wel onderzoeken.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Het Werk werkt altijd.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Het enige wat telt is jouw eigen wijsheid.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Alle antwoorden zitten in jezelf.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Zonder verhaal zie je de Realiteit.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Als ik denk dat jij mijn probleem bent, ben ik gek.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘God, spaar me voor het verlangen naar liefde, goedkeuring en waardering, amen.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘We moeten niet proberen de werkelijkheid te veranderen, maar onze gedachten over de werkelijkheid.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Als ik ‘boom’ zeg, wend ik mij af van de realiteit.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Gedachten zijn onze vrienden. Alleen door ze te onderzoeken vinden we bevrijding.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Vrijheid is leven in vriendelijkheid, áls vriendelijkheid.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Als je de strijd aangaat met de realiteit, verlies je altijd.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Persoonlijkheden hebben niet lief – zij willen iets.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Het ergste wat je kan overkomen is een niet onderzochte gedachte.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Het enige lijden is een niet onderzochte geest.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Of je gelooft wat je denkt, of je onderzoekt het. Er is geen andere keus.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Ik laat mijn gedachten niet los, ik onderzoek ze, dan laten ze mij los.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Je keert je volledig af van de realiteit als je gelooft dat er een gerechtvaardigde reden is om te lijden.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘De realiteit is altijd vriendelijker dan het verhaal dat we erover vertellen.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Er zijn geen fysieke problemen – alleen mentale.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘De realiteit is God, want zij bepaalt.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Als ik helemaal helder ben, wil ik wat er is.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Hoe weet ik dat ik wat ik wil, niet nodig heb? Ik heb het niet.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Vergeving is je realiseren dat wat jij dacht dat gebeurde, niet gebeurde.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Dankbaarheid is wat wij zijn zonder verhaal.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Niemand kan mij kwetsen.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Ik weet zeker dat iedereen van mij houdt, maar niet iedereen realiseert het zich.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Ik ben onvoorwaardelijke liefde.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Mijn nee tegen jou is een ja tegen het nee in mezelf.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Er zijn geen problemen.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Het universum heeft het beste met je voor.
De realiteit is je Meester.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Iedere calamiteit is een uitnodiging tot bevrijding.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Alles gebeurt voor mij, niet met mij.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Vrijheid is nooit een moment van angst, woede of verdriet meemaken.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Als er geen verzet is, vloeken de kleuren niet meer, klinkt alle muziek mooi, is geen enkele danspas uit de maat en is ieder woord poëzie.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Vrijheid is nooit een moment van angst, woede of verdriet meemaken.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Volkomenheid is een ander woord voor realiteit.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘De enige manier waarop je iets als onvolkomen kunt zien is door een gedachte erover te geloven.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘Als je je gedachten niet gelooft, ben je alles.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’

‘De lakmoesproef voor zelfrealisatie is de constante staat van dankbaarheid.’
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Kun je dat wel weten?’
‘Oei.’
‘Wat gebeurt er als je dat gelooft?’
‘Hm.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Hè?’
‘Keer het om.’
‘Eh…’