Byron Katie

‘Wat is de duisternis in de duisternis? Het is het denken dat niets weet.’ Citaten van spiritueel begeleidster en cognitief therapeute Byron Katie.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Goeroes > Byron Katie

Tip: Byron Katie voor Workaholics


uit Katie’s Tao; Doe niets, laat niets ongedaan, Byron Katie en Stephen Mitchell, Forum, Amsterdam 2006:


uit hoofdstuk 1:


Inhoud

Duisternis in de duisternis

Wat is de ‘duisternis in de duisternis’? Het is het denken dat niets weet. Het niet-wetende denken is het middelpunt van het universum; het ís het universum; daarbuiten is niets. De reden dat deze duisternis de poort is naar alle begrip, is dat als je haar begrijpt, weet je dat niets van jou is afgezonderd. Uiteindelijk kan geen enkele naam, geen enkele gedachte waar zijn. Het is allemaal tijdelijk, alles verandert. De duisternis, het naamloze, het ondenkbare – dat is waarop je echt kunt vertrouwen.


Uit hoofdstuk 2:


In jouw ogen

Goede dingen, slechte dingen; goede mensen, slechte mensen. Deze tegengestelden ontlenen hun geldigheid alleen maar aan het contrast. Zou het kunnen zijn dat wat in jouw ogen slecht is, gewoon iets is wat je nog niet helder genoeg hebt gezien? In de realiteit – zoals ze in wezen is – ontstijgt ieder ding, iedere persoon, verreweg ons beoordelingsvermogen.


Niemand die het doet

Als je je eigen gedachten niet meer gelooft, handel je zonder dat je iets doet, omdat er geen andere mogelijkheid is. Je ziet dat alle gedachten over jezelf als handelend persoon gewoon niet waar zijn. Ik kijk hoe de hand die de mijne noem naar het theekopje reikt. Hij is zo intelligent, beweegt zo doelgericht door de lucht, komt aan bij het kopje, vingers sluiten zich om het oor, hand tilt kopje op, brengt het naar de lippen, kantelt het, thee stroomt in de mond, aahh. En al die tijd is er niemand die het doet.


Heeft het eigenlijk wel een seconde geduurd?

Dingen lijken te verschijnen en de Meester laat ze los omdat ze niet bestaan. Dat schijnbare loslaten is niet een heilige daad van overgave. Ze doet het alleen maar omdat ze nooit iets heeft bezeten. Ze heeft alleen maar wat ze denkt dat ze heeft, dus ze heeft niets, ze heeft niets nodig. Ze handelt en wacht op het wonder van wat is, ze verwacht niets wat de verrassing zou verpesten. Als haar werk af is vergeet ze het omdat er niets te onthouden is. Het is af. Het is voorbij. Ze kan niet zien wat niet bestaat. Was haar werk goed of slecht? Belachelijk! Drong het diep door of had het geen enkel effect? Alsof dat haar zaak is! Zal het eeuwig duren? Heeft het eigenlijk wel een seconde geduurd?


Uit hoofdstuk 3:


Leven vanuit niet-weten

De meester … probeert niet het denken van anderen leeg te maken. Dat hoeft ze niet te doen (als dat al mogelijk was). Ze helpt mensen door te leven vanuit het niet-weten, het niet-kunnen-weten, het niet-hoeven-te-weten, het onmogelijk-te-weten, het niets-te-weten. Mensen worden aangetrokken door een leven met zoveel gewichtloosheid, met zo’n licht hart.


Wie heeft ze daar neergelegd?

Waar zijn je handen op dit moment? Wie heeft ze daar neergelegd? Heb jij dat gedaan? En dan, wat je ook denkt, beweeg je – beweegt het – opnieuw. Misschien beweegt het je voet. Misschien slikt het of knippert het met je ogen. Merk het alleen maar op. Zo treedt je binnen in het niet-weten waar alles vanzelf op zijn plek valt.


Uit hoofdstuk 4:


Het denken

We kunnen de Tao de ‘realiteit’ noemen. We kunnen de Tao ook ‘het denken’ noemen. Het denken is een natuurlijke bron die nooit uitgeput raakt. Als het zijn gedachten niet meer gelooft is het binnengetreden in de dimensie van het onbegrensde. Het is als een bodemloze put waaraan je je kunt laven, en het zal je altijd het water van het leven geven. Omdat het volledig open is en ziet dat niets waar is, is het gevuld met meer mogelijkheden dan wij ons ooit kunnen voorstellen.


Uit hoofdstuk 5:


En zelfs dat niet

De Meester kán geen partij kiezen. … Ze vindt alles in zichzelf: alle misdaden, alle heiligheid. Ze ziet heiligen niet als heiligen en zondaars niet als zondaars; het zijn gewoon mensen die wel of niet lijden, die wel of niet hun gedachten geloven. Ze ziet geen enkel verschil tussen verschillende bewustzijnstoestanden. Wat wij extase noemen is identiek aan wat wij het gewone denken noemen; het ene is niet hoger dan het andere. Er is niets om naar te streven, niets om achter je te laten. Er is maar één geheel, en zelfs dat niet.


Uit hoofdstuk 6:


Gewoon een geweldige film

Het verhaal van de aarde is het enige wat bestaat van de aarde en alles daarbuiten. Als je ’s nachts droomloos slaapt, is er dan een wereld? Er is pas een wereld als je wakker wordt en zegt: ‘Ik’. Als het ik verrijst, welkom in de film van wie je denkt te zijn. Maar als je het onderzoekt is er geen gehechtheid, dan is het gewoon een geweldige film. Pak de popcorn, hij begint!


Het weet-niet-denken

Ik weet niets. Ik hoeft niets te ontsnappen. Ik heb drieënveertig jaar denken dat nergens toe leidde opgegeven en nu besta ik als het weet-niet-denken.


Uit hoofdstuk 9:


Niets behoort mij toe

Ik doe mijn werk en hoef er niet eens afstand van te nemen, omdat het nooit van mij is geweest. Niets behoort mij toe. Alles komt en gaat. Kalmte is een openstaande deur.


Uit hoofdstuk 10:


Onnodig

Wat is de oorspronkelijke eenheid? Stoel-hand-kopje-raam-hemel. Vóór ‘stoel’, ‘hand’, ‘kopje’, ‘raam’, ‘hemel’. Je hoeft er niet naar terug te gaan, want je hebt het nooit verlaten. Hoe zou je het ooit kunnen verlaten? Waar zou je naartoe moeten? Het middelpunt van het universum ligt waar jij nu bent, en dat is overal. Het is de oorsprong en het eindpunt, de schoonheid van de duisternis, de verrukking van het niets. En alleen het middelpunt is echt. Als je dat begrijpt, besef je dat zelfs eenheid onnodig is.


Uit hoofdstuk 11:


Een grote open ruimte

Als het denken inzicht krijgt in zichzelf, identificeert het zich niet meer met zijn eigen gedachten. Dan ontstaat er een grote open ruimte. Een volgroeid denken kan alle ideeën koesteren; het voelt zich nooit bedreigd door verzet of conflicten, omdat het weet dat het niet belemmerd kan worden. Als het geen standpunt heeft dat verdedig moet worden of een identiteit die beschermd moet worden, kan het gaan waar het wil. Het heeft nooit iets te verliezen omdat het niet bestaat.


Uit hoofdstuk 13:


Van moment tot moment

Mensen denken dat ze ‘verlicht’ moeten zijn om vrij te zijn, maar niemand weet wat verlichting is. Ja, het staat in de heilige teksten, en ja, deze goeroe of die lama zegt dat hij verlicht is, maar dat is slechts een concept; het is het verhaal van een verleden. De waarheid is dat er niet zoiets bestaat als verlichting. Niemand is voorgoed verlicht; dat zou het verhaal zijn van een toekomst. Je kunt alleen verlicht zijn van moment tot moment. Geloof je een stressvolle gedachte? Dan ben je verward. Zie je in dat die gedachte niet waar is? Dan ben je verlicht voor zover het die gedachte betreft. Zo simpel is het. En dan komt de volgende gedachte en misschien raak je ook wel verlicht over die gedachte, maar misschien ook niet.


Uit hoofdstuk 14:


Verliefd op het onbekende

Uiteindelijk ontdekt het denken dat het vrij is, dat het oneindig onbeheersbaar is en oneindig vreugdevol. Uiteindelijk wordt het verliefd op het onbekende. Daarin kan het tot rust komen. En omdat het niet meer gelooft wat het denkt blijft het altijd vredig, waar het ook is of niet is.


Uit hoofdstuk 16:


De oceaan leeg scheppen

Je kunt je hoofd niet leeg maken van gedachten. Je kunt net zo goed proberen de oceaan leeg te scheppen. Gedachten blijven gewoon terugkomen, zo lijkt het. Dat is de weg der dingen.


De ruimte van het niet-weten

Een gedachte wordt uit het niets geboren en gaat onmiddellijk terug naar waar ze vandaan komt. Als je vóór, tussen en achter je gedachten kijkt zul je zien dat er een weidse open ruimte is. Dat is de ruimte van het niet-weten. Het is wie we werkelijk zijn. Het is de bron van alles, het omvat alles: leven en dood, begin, midden en einde.


Uit hoofdstuk 17:


De nachtmerrie niet, de droom niet

Het enige wat ik te bieden heb zijn de vier vragen en de omkering. Ik bied ze aan zodat jij je eigen identiteit uit elkaar kunt nemen. Mensen zeggen: ‘Ik ben zo en zo, ik ben concreet, ik ben echt,’ en hoewel ik dat respecteer kan ik het nooit geloven. Ik weet wat ik ben, ik weet wat ik niet ben en ik kan dat alleen projecteren als alles. Als mensen de vragen beantwoorden beginnen ze alles uit elkaar te nemen wat deel uitmaakt van wie ze denken te zijn, al het angstaanjagende van hun bestaan zoals zij denken dat het is, en in de loop van dat proces, terwijl ze de nachtmerrie ontrafelen, gaan ze zien dat zelfs de droom van wat schoonheid is niet waar is.


Niets anders dan de vragen

Ik vind het heerlijk als mijn baan wordt opgeheven! Waarom zou ik gezien willen worden als een wijze of heilige? Wat zou mij dat opleveren behalve een verhaal? Ieder inzicht dat ik heb gehad is voor mij; ik kan het onmogelijk aan jou geven. En zelfs als ik jou mijn inzicht kon geven, zou ik daarmee zeggen: ‘Jij kunt het niet. Ik zal het voor je doen.’ Ik zou lesgeven in afhankelijkheid en jou vertellen dat de antwoorden ergens buiten jezelf liggen. Ik heb voor jou niets anders dan de vragen.


Uit hoofdstuk 18:


De enige manier om te weten

Persoonlijk heb ik geen regels. Ik heb ze niet nodig. Er is een besef van orde dat altijd standhoudt terwijl dingen bewegen en veranderen en ik ben die harmonie, en jij ook. Niet weten is de enige manier om te weten. Zo ontdek ik wat mijn volgende stap is, mijn richting, als het leven dat geleefd wordt.


Uit hoofdstuk 22:


Wat heeft dat met hem te maken?

Als je zegt dat je van je man houdt, wat heeft dat dan met hem te maken? Je vertelt hem alleen maar wie jij bent. Je vertelt het verhaal over hoe knap en fascinerend en sexy hij is en je houdt van dat verhaal over hem. Je projecteert jouw verhaal op hem. En als hij je dan niet geeft wat je wilt vertel je misschien het verhaal over hoe gemeen, overheersend, hoe egoïstisch hij is – en wat heeft dát dan met hem te maken?


Wat heeft dat met mij te maken?

Als mijn man zegt: ‘Ik aanbid je,’ dan denk ik: mooi. Ik vind het geweldig dat hij denkt dat ik zijn zoete droom ben. Wat moet dat hem gelukkig maken! Als hij naar me toe zou komen om te zeggen: ‘De ergste dag van mijn leven was de dag dat ik met jou trouwde,’ wat zou dat dan met mij te maken hebben? Hij leeft op dat moment gewoon in een akelige droom en misschien zou ik denken: ‘Och, arme schat, hij heeft een nachtmerrie. Ik hoop dat hij snel wakker wordt.’


Niemand zal je ooit begrijpen

Niemand zal je ooit begrijpen. Dat besef geeft je je vrijheid. Niemand zal je ooit begrijpen – zelfs niet één keer, nooit. Zelfs als we vol begrip zijn kunnen we alleen ons verhaal over wie jij bent begrijpen.


Uit hoofdstuk 26:


Het waren gedachten

Mijn man las me een interview voor met een bekende boeddhistische leraar waarin deze vertelt hoe ontsteld en overstuur hij was toen hij zag hoe de vliegtuigen op 11 september 2001 tegen het World Trade Center vlogen. Hoewel velen deze reactie deelden, is het niet de reactie van een open geest en hart. Het heeft niets te maken met medeleven. Het is het gevolg van de gehechtheid aan niet onderzochte gedachten. Hij geloofde, bijvoorbeeld, de gedachte ‘dit mag niet gebeuren’, of ‘dit is iets verschrikkelijks’. Het waren gedachten als deze die hem pijn deden, niet de gebeurtenis zelf. Hij maakte zichzelf overstuur met zijn onware gedachten.


Uit hoofdstuk 27:


Ondoorgrondelijk

Ik houd van mensen zoals ze zijn, of ze zichzelf nu als een heilige of als een zondaar beschouwen. Ik weet dat geen van ons in categorieën is in te delen, dat we allemaal ondoorgrondelijk zijn. Het is onmogelijk om mensen af te wijzen, tenzij je je verhaal over hen gelooft.


Uit hoofdstuk 28:


Zonder verhaal

Zonder verhaal ben ik persoonlijk, noch onpersoonlijk, noch mannelijk, noch vrouwelijk. Er bestaat geen woord voor wat ik ben. Het ‘niets’ noemen is net zo onwaar als het ‘iets’ noemen. Wat hebben we aan een naam, in het midden van het leven of de dood? Het doet wat het doet, het eet, slaapt, kookt, maakt schoon, praat met een vriend en gaat verrukt zijn eigen weg. Ik houd van wat ik denk en ik voel nooit de verleiding erin te geloven. Gedachten zijn als de wind of de bladeren aan de bomen of de vallende regendruppels.


Uit hoofdstuk 33:


Niemand weet

Niemand weet wat goed en wat slecht is. Niemand weet wat de dood is. Misschien is het niet een iets; misschien is het zelfs geen niets. Het is het pure onbekende en dat vind ik geweldig. We stellen ons voor dat dood een zijnstoestand of een toestand van niets-zijn is en we maken onszelf bang met onze concepten.


Hopeloos

Sterven is net als leven. De dood volgt zijn eigen weg en jij hebt er geen macht over. Mensen denken: ik wil bij bewustzijn zijn als ik sterf. Dat is hopeloos. Zelfs willen dat je over tien minuten bij bewustzijn bent is hopeloos. Je kunt alleen nu bij bewustzijn zijn.


Geen openbaring

Ik vertel graag het verhaal over een vriend van mij die wachtte op een openbaring vlak voordat hij zou sterven. Hij spaarde zijn energie en probeerde volledig bij bewustzijn te blijven. Uiteindelijk sperde hij zijn ogen wijd open, hij hapte naar adem en zei: ‘Katie, we zijn larven.’ Een diep inzicht op zijn sterfbed. Ik zei: ‘Is dat waar?’ En hij kreeg een lachbui. De openbaring was dat er geen openbaring wás.


Hoofdstuk 34:


Nergens

Ogenschijnlijk stroomt het denken alle kanten op, maar in feite is het onbeweeglijk; het heeft nooit bewogen. Het verschijnt in de vorm van het alles. Uiteindelijk ziet het dat de plek waar het zich bevindt, nergens is.


Wat overblijft

Zijn nooit aflatende werk is zelfrealisatie. Het voelt zich nederig, omdat het ziet dat wat niet gecreëerd is, niet als eigendom kan worden beschouwd. Wat overblijft is de schittering van nederigheid. Wat overblijft is een gevoel van dankbaarheid voor alles: voor zichzelf.


Niets om aan vast te houden

Als het denken de ene wereld na de andere doet ontstaan, doet het ook het niet-bestaan ontstaan en dus kan het zich nergens aan vasthouden. Er is niets om zich aan vast te houden en dat is zijn vrijheid. Het begint steeds opnieuw in de onbegrensde niet-woorden van het zelf – alledaags, evenwichtig, gecentreerd, het begin, het einde.


Uit hoofdstuk 35:


We worden gedacht

Je hoeft niet te denken om veilig te zijn. Wij zijn niet degene die denken; we worden gedacht. Er is niets te weten, dus je hoeft niet te doen alsof je iets weet. Je bent volkomen veilig. Je kunt niets doen om te leven en je kunt niets doen om te sterven.


Uit hoofdstuk 36:


Altijd eens

Wat zou iemand ooit tegen me kunnen zeggen waarmee ik het niet eens ben? Als iemand me vertelt dat ik verschrikkelijk ben, kijk ik in mezelf en binnen een paar seconden zie ik wanneer in mijn leven ik verschrikkelijk ben geweest; ik hoef er niet lang naar te zoeken. En als iemand zegt dat ik geweldig ben, kan ik dat ook gemakkelijk vinden.


Uit hoofdstuk 37:


Je kunt niets doen

Probeer jezelf eens niets te laten doen. Dat lukt je niet. Je wordt geademd, je wordt gedacht, je wordt bewogen, je wordt geleefd. Je kunt niets doen om te voorkomen dat je eet als het tijd is om te eten, of om te voorkomen dat je slaapt als het tijd is om te slapen. Als je alleen maar toekijkt en alles wat komt laat komen en alles wat gaat gaan, zul je ieder moment zien dat je niets anders nodig hebt dan wat je hebt.


Uit hoofdstuk 38:


Hier is een weg en daar is een weg

Ieder moment worden nieuwe mogelijkheden geboren. Het is als een vuurwerksterretje: je steekt het met een lucifer aan en de vonken vliegen alle kanten op. Zo is ieder moment als een nieuwe mogelijkheid om aangegrepen te worden. Als iemand nee zegt ziet de Meester de mogelijkheden als vonken uit het middelpunt schieten. Het nee opent de deur voor iets dat niet te voorzien was. Hier is een weg en daar is een weg.


Ctrl-Alt-Delete

Het is mijn taak om mezelf uit te wissen. Als er een bumpersticker was die mijn leven symboliseerde, zou erop staan: Ctrl-Alt-Delete: www.thework.com. Ik nodig iedereen uit mij daar te ontmoeten. Doe met me mee en wis je eigen prachtige zelf uit. Dat is de enige plek waar we elkaar kúnnen ontmoeten. Ik noem het liefde.


Uit hoofdstuk 41:


Als de wind

Je kunt geen beslissingen nemen. Je kunt alleen in een verhaal leven over hoe je een beslissing hebt genomen. Beslissingen nemen zichzelf; het zijn gebeurtenissen; ze komen als het moment daar is. Ik stel graag de vraag: ‘Haal je zelf adem?’ Nee? Nou misschien denk je ook niet zelf en neem je ook niet zelf beslissingen. Misschien beweegt de realiteit tot ze niet beweegt, als een adem, als de wind.


In de afgrond van de realiteit

Als je op geen enkele manier vooruitgang boekt, begrijp ik dat de illusie waaraan je vasthoudt je te dierbaar is en dat is wat ik wil. En als het tegenovergestelde gebeurt en de antwoorden op de vragen de grond onder je voeten wegslaan en alles wat je dacht te weten wegvalt zodat je in de afgrond van de realiteit valt, vind ik het geweldig dat je dat aan jezelf hebt gegeven; ik houd van de polariteit die je bent binnengegaan, het weet-niet-denken, waar alles verrassend, fris en schitterend is en jij als een klein kind voor het eerst het leven ontdekt. Maar dat is niet mijn voorkeur, tenzij het jouw voorkeur is.


Allemaal kinderen

We zijn allemaal kinderen, ook de meest wijzen onder ons. We zijn allemaal vijfjarigen die nog maar net aan het leren zijn hoe we dat ding dat we leven noemen moeten aanpakken. Als iemand zegt dat ik wijs ben, laat ik onmiddellijk alle wijsheid die ik heb achter me en lach ik bij de gedachte dat ik zo beperkt zo leven. Het onbegrensde denken rent altijd voor zichzelf uit en laat de wereld achter in een stofwolk. Het overtreft altijd zijn eigen genialiteit. Het is een kind en het is leeftijdloos. Het leeft in het onbekende, het gedijt in het onbekende.


Uit hoofdstuk 43:


Het open denken

Het open denken is het zachtmoedigste op aarde. Omdat het zijn eigen denken niet gelooft, is het flexibel, poreus, biedt het geen tegenstand, verdedigt het zich niet. Niets kan het onder controle krijgen. Niets kan het weerstaan. Zelfs het hardvochtigste op aarde – een gesloten denkwijze – kan de kracht van de openheid niet weerstaan. Uiteindelijk stroomt de waarheid naar binnen, als water dat door steen sijpelt.


Geen doel

Als het denken echt open is, heeft het geen doel en probeert het niet iets anders te zijn dan het is. Het hecht zich niet aan concepten over het zelf of over anderen. Het beseft dat er uiteindelijk geen mensen zijn, dat er geen denken is. Als het denken zich opent, verlies je alles en ben je daar dankbaar voor.


Iets onpeilbaars

Ik kan niet weten hoe de wereld eruit zal zien. Mijn lichaam is nooit twee keer hetzelfde. Het is moe, het is dik en onmiddellijk daarna is het dun. Ik herken het nooit. Ik zie het als een oud lichaam en geniet daarvan. En dan verandert het weer voor mijn ogen en wordt het het lichaam van een jong meisje. Het is alsof je ergens een glimp van opvangt, nog een keer kijkt en ziet dat het iets heel anders was dan je dacht, dan verandert het in iets onpeilbaars. Ik weet niet wat het is of van wie het is of waarom het is.


Fascinerend

En wat het doet is fascinerend. Zijn eigen hand begint zijn eigen been te strelen, alleen maar om lotion op een huid te smeren die het helemaal niet nodig heeft. En dan houdt het een kopje vast met iets erin en drinkt het op, een vloeistof die ik thee noem, bijvoorbeeld, maar ook dat kan ik niet weten.


Niets waarop ik kan rekenen

Mijn wereld is er een van constant veranderende vormen. In die wereld is er niets waarop ik kan rekenen, niet mijn leeftijd, niet mijn lichaam, niet degene die bij me is, niet de eeuw, niet de planeet waarop ik leef.


Stilte

Het denken verschijnt, als het al verschijnt, alleen om zichzelf te beëindigen. De geprojecteerde wereld gaat eerst, dan het denken dat die wereld heeft geprojecteerd. Er blijft geen spoor achter. Stilte is het enige wat mogelijk is – de openheid van iets wat niet eens bestaan heeft. Dat is waar ik leef. Als het voorbij is, is het voorbij. Je kunt het niet creëren of tenietdoen. Dat zou je ook niet willen.


Uit hoofdstuk 44:


Succesvol in niet-ademen

Succes is het verhaal dat je ergens bent aangekomen, op weg vanuit een ingebeeld verleden naar een ingebeelde toekomst. Ik heb er niet eens een referentiepunt voor. Voor mij is alles wat ik doe een succes; het is het ultieme succes. De hele wereld behoort mij toe, omdat ik in de eenvoud leef van wat is: vrouw zit in stoel. Daarbuiten is niets, geen enkele gedachte. Deze kamer is de hele wereld. Ik ben heel succesvol in zitten. Ik ben heel succesvol in ademen. Als ik nu stierf zou ik heel succesvol zijn in niet-ademen. Waar zou ik ooit in kunnen falen? Als het denken helder is, kun je onmogelijk fouten maken.


Allesverterende verwondering

Als je jezelf begint wakker te schudden uit je dromen over de hel of het vagevuur, opent de hemel zich voor je op een manier die je verbeelding te boven gaat. En dan, als je je overtuigingen blijft onderzoeken, besef je dat ook de hemel slechts een begin is. Er is iets wat nog beter is dan de hemel. Dat is het eeuwige, betekenisloze, oneindig creatieve denken. Het kan niet stoppen voor de tijd of de ruimte of zelfs voor de vreugde. Het is zo stralend dat het alles wat er van je over is in de diepten van de allesverterende verwondering zal storten.


Maar jij ook niet

Buiten die schittering kan ik niets vinden. Het is overal en het is altijd voorbij, nog voordat het gebeurt. Het is hoe vorm lijkt te ontstaan. En op het moment dat iets vorm krijgt is de oorspronkelijke oorzaak alweer verdwenen, dus de smaak, de geur en de uiterlijke verschijningsvorm zijn al verdwenen op het moment dat het lijkt te gebeuren, en het denken is zo verrukt dat het nooit de gevolgen ervaart. Zou jij ook niet verrukt zijn als je het geheim van het leven wist, de grote grap die altijd doorgaat? De grap is dat er niets is. Je ziet dat alle stressvolle gedachten al verdwenen zijn, je beseft dat ze leeg zijn en je voelt intense verrukking. Dan zie je dat alle mooie dingen, alle dingen waar je van houdt, alle grote kunst en muziek en literatuur, alle mensen van wie je het meest houdt, onze hele beschaving, de dierbare aarde zelf, het hele oneindige universum, ook verdwenen zijn, en dan glimlach je nog gelukzaliger, omdat je beseft dat niet alleen zij niet echt zijn, maar jij ook niet.


Uit hoofdstuk 45:


Zelfs dat niet

Het inzicht dat alles de wil van God is, is voor de meeste mensen niet het einde van de discussie maar het begin. Zelfs vrome mensen hebben er moeite mee te geloven dat alles wat er gebeurt goed is. Ze denken dat dat een oversimplificatie is. Maar hoe kan de simpele waarheid té simpel zijn? ‘God is alles, God is goed’ is niet een idee’het is de realiteit. Je weet dat het waar is omdat alles wat ermee in strijd is pijn doet. Ik noem het het laatste verhaal. Houd dat verhaal vast en leid een fantastisch leven. En als je dieper gaat blijkt zelfs dat verhaal niet waar.


Uit hoofdstuk 48:


Wat absurd!

Hoe beter ik iets bestudeer, hoe meer ik begin te merken dat ik eigenlijk niet weet wat het is. Een naam komt in mijn hoofd op en tegelijk verschijnt het woordeloze ‘Is het waar?’ vervuld van en omringd door het plezier dat voortkomt uit het niet-weten. ‘Ik ben Byron Katie’ – is het waar?’ En terwijl die vraag ieder bewijs ontkracht, blijf ik achter als niets – met andere woorden, als de vrouw die hier zit. Ik word nu geboren, op deze bank in een hotelkamer, met geen ander verleden dan de verbeelding. Wat charmant! Wat absurd!


Uit hoofdstuk 52:


Uit déze gedachte

Mensen zijn gefascineerd door de oorsprong van de dingen. ‘Wanneer is het universum begonnen?’ vragen ze. ‘Waar kom ik vandaan?’ De antwoorden op dit soort vragen liggen voor de hand als je een beetje helder bent. Wanneer is het universum begonnen? Nu, op dit moment (als het al begint). Het heldere denken ziet dat elk verleden slechts een gedachte is. Het enige wat de geldigheid van een gedachte kan bewijzen is een nieuwe gedachte, en zelfs die gedachte verdwijnt en dan is ook de gedachte ‘Die gedachte is verdwenen’ voorbij. Er is alleen het nu en zelfs ‘nu’ is een gedachte aan het verleden. Eigenlijk heeft het universum geen begin en geen einde. Het begint steeds opnieuw en het is altijd voorbij. Waar kom ik vandaan? Uit déze gedachte. Oeps, nu ben ik verdwenen.


Niets wat (niet) waar is

Dit heeft niets met mystiek te maken. Als je het moeilijk te begrijpen vindt, komt dat doordat het zo simpel en helder is dat het complexe denken het niet kan zien. ‘Mystieke ervaringen’, zoals het genoemd wordt, kunnen misschien ook heel helder zijn, maar uiteindelijk leiden ze nergens toe. Het zijn geen ervaringen om te verwelkomen of te verwerpen; het zijn alleen maar bewegingen van het denken. … Je kunt de oorsprong van het universum zien en de ultieme zin van het bestaan, alles wat iedereen altijd heeft willen zien, en het betekent niets, omdat alles in het universum uiteindelijk niets is en jij bestaat vóór alles wat je denkt te zijn. Zelfs als je binnen één gedachte alle niveaus en dimensies ervaart, alle sluiers en kronkels, heeft de diepste kennis nog geen betekenis. Iedereen kan er op elk niveau in stappen en het zou waar zijn. Er is niets wat niet waar is en niets wat waar is.


Uit hoofdstuk 58:


Ik weet het niet schat

Ik probeerde vroeger mijn kinderen moreel bewust te maken door ze te vertellen wat ze moesten doen, wat ze niet moesten doen, wat ze leuk moesten vinden, wat ze niet leuk moesten vinden. In mijn verwarring probeerde ik een goede moeder te zijn en ik dacht dat dit de manier was om goede mensen van ze te maken. Als ze niet deden wat ik wilde, gaf ik straf. Dus in werkelijkheid leerde ik ze mijn wetten te overtreden en heel goed op te passen dat ze niet betrapt werden. Ik leerde ze dat er vrede in huis heerste als ze dingen stiekem deden en logen. Veel van de dingen die ik hun probeerde af te leren had ik zelf gedaan – maar dat hield ik voor hen verborgen – en sommige van die dingen deed ik nog steeds, ook onder hun ogen. Ik verwachtte van hen dat ze deze dingen niet zouden doen, alleen maar omdat ik het zei. Dat werkte niet. Het was een recept voor een totale mislukking.
Als mijn kinderen me nu vragen wat ze moeten doen, zeg ik: ‘Ik weet het niet schat.’


Uit hoofdstuk 61:


Daarom

Nooit heeft iemand het antwoord op Waarom? geweten. Het enige ware antwoord is Omdat. Waarom stralen de sterren? Omdat ze dat doen. Waarom staat het glas op tafel? Omdat het daar staat. Dat is alles. In werkelijkheid is er geen waarom. Het is een zinloze vraag; de vraag kan nergens heen. Heb je dat niet gemerkt? De wetenschap geeft je misschien een antwoord, maar achter dat omdat zit altijd weer een waarom. Geen enkele vraag heeft een definitief antwoord. Er is niets om te weten en niemand die iets wil weten. Vermaak je met de vragen, want er zijn triljoenen antwoorden, net zoveel als er sterren aan de hemel staan, en niet een daarvan is waar. Geniet van de sterren, maar denk niet dat ze een diepere betekenis hebben. En uiteindelijk kunnen de antwoorden je niets meer schelen.


Net zo goed

Als iemand met een pistool op je afkomt die zegt dat hij je gaat doodschieten en je bent bang, ren dan gewoon weg. Dat is niet minder spiritueel dan iedere andere reactie. Maar als je er geen overtuiging over hebt ben je vrij. Je kunt vluchten of blijven staan – het maakt niet uit, want wat je ook doet, je voelt je vredig. Misschien denk je: ‘O, ik geloof dat hij iemand gaat doodschieten.’ Je kunt net zo goed je nagels zitten vijlen.


Uit hoofdstuk 65:


Het wonderbaarlijke weet-niet-denken

Ik probeer mensen niet de les te lezen. Waarom zou ik dat doen? Mijn enige taak is om jou de weg terug te wijzen naar jezelf. Als je in jezelf, voorbij alles wat je denkt, het wonderbaarlijke weet-niet-denken ontdekt, staat niets je meer in de weg. Het denken dat niet weet staat volledig open voor alles wat het leven brengt. Als je dat vindt, heb je je weg gevonden.


Als niemand

Dus het verwarde denken ont-leert zijn gekwelde gedachten door het onderzoek. Het gaat niet alleen inzien dat de gedachten niet waar zijn, maar het ziet ook de gevolgen van het geloof in die gedachte, de prijs die het betaalt in woede of verdriet of wrok als het de gedachte gelooft en de vrijheid die bereikbaar wordt zonder die gedachte. Bovendien ziet het dat het tegenovergestelde van de gedachte minstens even waar kan zijn. Uiteindelijk beseft het dat de hele realiteit de vrucht is van het denken en dat de wereld verandert als de perceptie van het denken verandert. Als je de Meester open en zonder angst tegemoet treedt verlies je de hele wereld zoals je dacht dat hij was. … Als het denken ziet dat het niet meer weet waar het eerst zo zeker van was, valt het uiteen, de knopen verslappen en beginnen zichzelf los te maken. Dan is er voor de Meester niets meer te doen. Ze blijft weer achter als niemand.


Uit hoofdstuk 66:


In alle bescheidenheid

De materiële wereld is een metafoor voor het denken. Het denken verrijst in zijn projecties en moet uiteindelijk naar zichzelf terugkeren, zoals rivieren terugstromen naar de zee. Hoe briljant je denken ook is, hoe groot het ego ook is dat met de eer strijkt voor de daden van het denken, als het inziet dat het niets weet, dat het niets kan weten, stroomt het terug naar de oorsprong en ontmoet het zichzelf weer, in alle bescheidenheid.


Uit hoofdstuk 68:


Zonder reden

Deze ochtend heb ik de gedachte dat ik een douche moet nemen. En ik merk dat ik toch achter mijn computer blijf zitten om mijn e-mails te beantwoorden en dat vind ik fascinerend. Douchen was een geweldig idee. Zal ik gevolg geven aan dat idee of niet? Het is opwindend om af te wachten en het leven in zijn eigen tempo te laten stromen terwijl het doorgaat met wat het aan het doen was. Zonder reden staat het lichaam op als het klaar is met de e-mails. Waar gaat het heen? Het denkt dat het naar de douche gaat. Er is geen mogelijkheid om daar zeker van te zijn, nooit, totdat het daar in de douchecel staat en de kraan opendraait. En totdat het water eruit stroomt, is er geen mogelijkheid om zeker te weten of er inderdaad gedoucht gaat worden.


Uit hoofdstuk 69:


Het kalme denken

Het kalme denken beseft dat geen enkele overtuiging waar is. Het is onwrikbaar; geen enkele overtuiging kan het aan het wankelen brengen. Het voelt zich op zijn gemak bij alle overtuigingen.


Ik zal zien

Als mijn dochter bijvoorbeeld sterft weet ik dat er geen zelf is dat daardoor wordt geraakt. Dit gaat over haar leven, het leven van mijn kind, en ik vier haar vrijheid, omdat ik de vrijheid ken van het denken dat zich nergens mee identificeert – de niet-aflatende, lichaamloze grap voor het denken dat eindelijk zijn ogen heeft geopend voor zichzelf, het denken dat nooit heeft bestaan en nooit kan sterven. … Ik zal zien wat de kinderen van mijn kind leren als zij er niet is om ze iets anders te leren. Ik zal ontdekken of er een plek is waar ik mezelf identificeerde als een mij of haar zag als een zij. Iedere keer dat ik iets verlies, ben ik gespaard gebleven. … Ik zal zien wat de ruimte in mijn leven opvult als zij er niet meer is.


Uit hoofdstuk 70:


Voorbij

Als het denken het onderzoek voortzet begrijpt het dat het zijn eigen vijand is en dat de hele wereld zijn projectie is, dat het alleen is, dat er niemand anders is en dat dat absoluut is. … Op een gegeven moment gaat de identiteit verloren, omdat het volledig geworteld is in zichzelf. Het blijft alleen bestaan als denken en kan nooit meer iets anders zijn. Voor al het andere is het dood. … En als het denken ontdekt je dat iedere gedachte voorbij is en het enige bewijs is een gedachte die zegt dat die andere gedachte heeft bestaan en dan is ook die gedachte voorbij; alle gedachten zijn voorbij, alles is voorbij – alles.


Wonderbaarlijk

Hoe zou deze plek eruitzien als hij geen naam had? Magisch, heilig, wonderbaarlijk. Hoe ben je daar terechtgekomen? Waarom zou je een bestemming nodig hebben? Het blijkt toch alleen maar dit of dat te zijn, wat je hebt gepland of wat je niet hebt gepland.


Wonderbaarlijker

Ik begrijp dat je het geweldig vindt als jouw plan overeenstemt met de realiteit en nu ben je hier, als de toekomst waar je altijd nieuwsgierig naar bent geweest, op straat, rommelend in de vuilnisbak op zoek naar iets waar je wat aan hebt en je merkt dat het allemaal meer is dan je echt nodig hebt, meer dan wat je op dit moment al hebt, in je luxueuze huis, zittend aan de eettafel, om je heen kijkend naar de overdaad, naar alles wat je niet nodig hebt, met je denken jezelf berovend van wat je nu al volledig vult. Gaat het los van je verhaal niet heel goed met je? Is de bestemming van het leven zelf niet wonderbaarlijker dan alles wat jouw verbeelding zou kunnen creëren?


Tegenspoed

Wat is tegenspoed? Het is niets anders dan je verhaal dat niet overeenkomt met de realiteit. Stel dat mijn verhaal is: ‘Ik ben de man die zijn hele leven twee armen zal hebben: ik zal het mes in mijn rechterhand houden en de vork in mijn linker,’ terwijl in de realiteit mijn rechterarm weg is. Plotseling word ik wakker, hij is weg en ik heb niet eens afscheid kunnen nemen, hij zit in een plastic zak in de vuilnisbak in de achtertuin. Nu ben ik de man met een vork in de rechterhand en blijkt de rechterhand mijn linkerhand te zijn. Dus stemt de realiteit niet overeen met mijn verhaal, de identiteit waar ik zo op gesteld ben. De realiteit heeft zijn eigen verhaal dat geleefd moet worden. Ik kan de man zijn die plezier beleeft aan het leren van nieuwe dingen, die geen biefstuk kan snijden, en ik kan houden van de vegetariër die ik merk dat ik aan het worden ben.


Uit hoofdstuk 71:


Er is niets te weten

Denken dat je iets weet is geloven in het verhaal van een verleden. Dat is onzinnig. Iedere keer dat je denkt iets te weten doet het pijn, omdat er in de realiteit niets te weten is. Je probeert vast te houden aan iets wat niet bestaat. Er is niets te weten en er is niemand die het wil weten.


Weten wat je niet weet

Het is zoveel gemakkelijker om te weten wat je niet weet. Het is ook vriendelijker. Ik houd van het weet-niet-denken. Als je weet dat je niets weet, stel je je vanzelf open voor de realiteit en laat je je door die realiteit meevoeren waar ze wil. Je kunt je identiteit laten varen en zijn wie je echt bent, het onbegrensde, het naamloze. Mensen noemen me ‘Katie’, maar ik geloof het nooit.


Ik sta altijd versteld

Iemand zegt: ‘Ik ben om negen uur hier.’ Niemand kan weten hoe het voor iemand zonder toekomst is om de klok negen uur te horen slaan. Dat is zo’n wonderbaarlijke gebeurtenis dat ik er geen woorden voor heb. Het is een over acht, dan plotseling twee over acht, volgens een klok die altijd het nu aangeeft. En nu is het half negen en nu is het negen uur en die persoon is er, verschijnt zomaar uit het niets, uit een verleden dat niet bestaat. Ik sta altijd versteld van dat soort gebeurtenissen.


Zonder betekenis

Nu loop ik naar de woonkamer, denk ik. Ik denk dat ik op weg ben om het raam open te doen. Ik heb geen idee waar het eigenlijk heen gaat; ik weet niet eens of het raam bestaat en of er zoiets is als een woonkamer. … Op magische wijze verschijnt de woonkamer, een raam, en voel ik me opgewonden als een klein meisje, ik stroom over als borrelende artesische verwondering. Zal het naar het raam gaan? Dat is wat er lijkt te gebeuren, maar ik kan het niet weten terwijl ik de volgende stap voel, het lichaam voorwaarts beweegt, een hak tikt. Zal het het raam open doen? Is dat de weg van de dingen? Ik merk dat een hand zich uitstrekt en als de telefoon rinkelt barst ik uit in een innerlijke lachbui terwijl het lichaam zich omdraait en de andere kant op loopt. Dit is de enige manier waarop het raam dicht kan blijven en een raam dat nu dicht is is de weg van de dingen. Ik zie een hand die de telefoon opneemt, gewoon omdat hij dat doet en opnieuw geniet ik van de weg van de dingen. Lippen bewegen, een stem spreekt in de hoorn – ‘Hallo’ – en ik ben opgetogen als ik uit het niets zijn vertrouwde geluid hoor, zijn eigen stem, deze eindeloze, gedachteloze, extatische droom van wat niet is, zonder betekenis, zonder leven, zonder dood, zonder verdriet.


Wonderbaarlijk

Ik kijk toe terwijl mijn lichaam naar de keuken beweegt, naar het fornuis. Ik kijk toe terwijl mijn hand de stoompan pakt en de reis naar de gootsteen maakt. Je weet nooit wat het zal doen, tot het het doet. Zal het de pompoen uit de stoompan eten? Het pakt een bord uit de keukenkast en legt er een stuk pompoen op. En het is de pompoen, het is de stoom die er vanaf slaat, het is het lichaam, het bord, de gootsteen, het aanrecht.


Niet dat

En wat ben ik? Ik moet wel een… een wat zijn? Ik kan geen identiteit vinden want al het andere is bezig te zijn wat het is. Is het echt nodig om iets te zijn? Nee, en het is ook niet mogelijk. Kan ik doen alsof ik iets ben? Nee, te laat. Dat moment is verleden tijd, ik ben ontwaakt als niets dan vrolijkheid, innerlijke bliksemflitsen, bewust, levend in mezelf en niet dat, niet dat, niet dat.


Niets wat is of niet is

De pompoen wordt een iets, de gootsteen wordt een iets en toch kan ik nooit iets zijn hoe ik ook probeer mezelf te scheppen als een tastbare vorm. Ik kan me kleuren en geluiden inbeelden terwijl ik pompoen, aanrecht, bord schep en dan merk ik dat ook deze droom, die voortdurend verdwijnt, die steeds verdwenen is zodra ik hem opmerk, even helder is als de droom van raam of telefoon. Het leeft alleen voor zijn eigen genot, is maar een flits in de schijnbare tijd. Zal het een vork gebruiken? Zal het zijn handen gebruiken? Ik bekijk de droom, ik houd ervan. Zelfs als ik zie dat het de pompoen eet kan de pompoen niet bestaan. Smaak? Ik doe geen moeite dat te projecteren omdat het zonder mij projecteert. Het is verrukkelijk en de smaak is een droom, de pompoen is een droom, het aanrecht, het bord en de vork zijn een droom en ook de dromer is een droom. En ik merk dat dit het enige is wat ik kan zijn en dat alles uit mij wordt geboren en dat er niets is wat is of niet is. Het is allemaal één grote wonderbaarlijke grap. Als ik kon zou ik glimlachen.


Uit hoofdstuk 74:


Niets is stabiel

Als je droomt ben je de hele droom en alles in die droom. Dat kan niet anders: jij bent de dromer, er is niet iemand anders in bed die voor jou droomt. Jij bent de lichaamloze, je bent vrij – je bent een man, een vrouw, een hond, een boom, je bent alles tegelijk, het ene moment sta je in de keuken en het volgende boven op een berg, je bent in New York en plotseling ben je op Hawaii, niets is ooit stabiel omdat je je niet kunt identificeren met een lichaam, er is geen identiteit waaraan je je kunt hechten. Zo onbegrensd is het denken als er geen specifiek lichaam is.


Uit hoofdstuk 75:


Op haar verhaal

Gisteren vertelde een jonge vrouw me vijf minuten lang hoe mooi en vriendelijk en wijs ik was. Haar gezicht straalde van blijdschap omdat ze me dat kon vertellen; ze was verliefd op haar verhaal van Byron Katie.


Alles en niets

Verwachtingen hebben en geen verwachtingen hebben is hetzelfde. Ik verwacht dat alles kan gebeuren, en die verwachting komt uit. Ik verwacht dat er niets gebeurt en in feite heb ik altijd gelijk. Er is nooit iets gebeurd, behalve een gedachte. … Het verlichte denken is zijn eigen universum, en daarbuiten is niets. (En het heerlijke is dat er binnenin ook niets is.)


Steeds feller

Het ik-weet-het-denken, het denken dat lijkt te lijden, die ontzagwekkende, dierbare, humoristische bedrieger, zal de wijsheid en gezondheid van zijn uitgebalanceerde zelf steeds feller betwisten naarmate het verder ontwaakt. … Uiteindelijk wordt het denken zijn eigen vriend.


Uit hoofdstuk 77:


De enige vrijheid

We hoeven onze eigendommen niet op te geven. Ze komen of gaan; daar hebben we geen controle over. We denken misschien dat we dat wel hebben, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Degene die begon ons te vertellen dat we ons niet aan onze bezittingen moeten hechten, dat we ze los moeten laten, was een beetje in de war. We merken dat we veel vrijer zijn als we alles kwijtraken en dus denken we dat het beter is om geen bezittingen te hebben. En dan merken we dat we niet meer vrij zijn. Maar als we met ons denken werken, is steenrijk zijn hetzelfde als niets bezitten. Dat is de enige vrijheid. Overvloed heeft niets met geld te maken. Rijkdom en armoede zijn innerlijk. Iedere keer dat je denkt iets te weten, voel je je arm.


Uit hoofdstuk 79:


Altijd voltooid

We weten niet waar we heen gaan, we beelden ons alleen graag in dat we dat wel weten. Ik geloof er nooit in. En daardoor is mijn reis altijd voltooid, waar ik ook ben en ben ik een succes, want hier ben ik!


Uit hoofdstuk 80:


Geboren in dit niet-weten

Ik sta op om vier uur ’s ochtends en ben me bewust van de warmte waaruit ik verrijs, de kussens, de verkreukelde lakens, het slapende lichaam van mijn man, dit lichaam dat zich verheft en terwijl ik naar de badkamer loop merk ik de onstoffelijkheid van alles op, de droom van de plek waar ik nu sta, voor de wastafel en ik merk dat ik nu, zoals ik hier sta, letterlijk word geboren in dit niet-weten.


uit: Gedachten die je vrijheid zullen geven, Byron Katie, Forum, Amsterdam 2008.

[Nota bene: teksten die in het origineel tussen vierkante haken stonden, zoals reacties van het publiek, zijn soms weggelaten.]


Uit hoofdstuk 1:


En toen merkte ik dat ik gedacht werd

Want het denken zegt: ‘Hij doet het met opzet, hij doet het alleen om me boos te maken.’ Zo zit het denken in elkaar. Het maakt alles persoonlijk. Maar gedachten zijn niet persoonlijk. Op een ochtend ontdekte ik dat. Ik had zo’n laag zelfbeeld dat ik altijd op de vloer sliep omdat ik vond dat ik dat verdiende. Ik was zo vervuld van zelfhaat dat ik vond dat ik niet het recht had om in een bed te slapen. En op een ochtend werd ik wakker en ik lag op de grond en zonder aanleiding merkte ik dat ik geademd werd. En eigenlijk werd hét geademd; ik was het niet eens zelf, het lichaam was niet eens van mij. Ik ving een glimp op van… niets persoonlijks. En toen merkte ik dat ik gedacht werd.


Jij bent wie je naar mijn idee bent

Misschien is hij wel een heilige en jij plakt je verhaal op hem en jouw verhaal maakt hem tot wie hij in jouw ogen is. De waarheid is dat nog nooit twee mensen elkaar echt hebben ontmoet. Jij bent wie je naar mijn idee bent. Ik geloof mijn gedachten over jou, dus dat is wie je bent.


Je gelooft wat je denkt

We geloven wat we denken. Niémand is schuldig. Ik werk in de San Quentin-gevangenis – ik werk in heel veel gevangenissen. En de gevangenen hebben mensen beroofd en vermoord omdat ze geloofden wat ze dachten, daarom zitten ze daar. Waarom ben jij waar je bent? Je gelooft wat je denkt.


Het denken is de projector, de wereld de projectie

Als ik in een akelige wereld leef, moet ik werken aan het denken dat die wereld zo ziet. Want als ik werken aan de akelige wereld, stel ik hier orde op zaken en dan ontstaat daar weer een nieuwe bende. Mijn hemel! De dag heeft niet genoeg uren! Je maakt een einde aan de oorlog in dit gebied en dan breekt er daar een nieuwe uit. Wat kunnen we als mens dan nog doen? We hebben gedaan wat we konden en we voelen schaamte en schuldgevoel… het is moeilijk. En dat leidt tot frustratie en zelfhaat en dan gaan we wild om ons heen slaan. En we doen dingen waarover we ons slecht voelen. ‘Waarom heb ik dat gedaan? Ik had mezelf beloofd dat ik het nooit meer zou doen!’ Nou, je móét het doen, omdat je gelooft wat je denkt. Maar als je het denken aanpakt, verandert de wereld. Zo gaat dat. Het denken is de projector en de wereld is de projectie. Werk aan het denken, en de wereld volgt. Het is zo simpel. We probeerden de wereld te veranderen, maar dit hebben we over het hoofd gezien.


Uit hoofdstuk 2:


Verwarring is het enige lijden

Katie: … ‘Je hebt een slaapstoornis’ – kun je absoluut zeker weten dat dat waar is?
Valerie: Het vóélt waar.
Katie: Ja. Als ik die vraag voor mezelf zou beantwoorden, zou ik zeggen: als ik nooit meer slaap tot mijn dood, is dat normaal voor mij. Normaal is wat er nu gebeurt. En voor degenen van jullie die The Work nog niet kennen, ‘normaal’ betekent niet dat ik niet naar een dokter ga. Het betekent niet dat ik geen medicijnen inneem. Het betekent niets – het gaat om het onderzoek. Maar als ik op een planeet zou leven zonder medicijnen en dokters, zou het normaal voor me zijn om niet te slapen, tot ik eraan doodga. Wat er is, is er.
Valerie: Zo voelt het wel – als doodgaan. Zo voelt het.
Katie: Ik zou me uitstekend voelen als ik niet zou slapen en het mijn dood zou worden, tot ik de verwachting heb dat ik iets anders moet doen, zoals slapen. Dat is verwarring, en verwarring is het enige lijden.


(Af)god

Valerie: Ik hoor de woorden wel, maar ze dringen gewoon niet tot me door!
Katie: Dit brengt je heilige verhaal in gevaar en dat verhaal is wat jij aanbidt. Zonder dat verhaal? God. Maar deze gehechtheid aan een gedachte – dat is een afgod. En zodra je het onderzoek doet, begint het denken zich in allerlei bochten te wringen. Dat is de kracht van het onderzoek. Dus: ‘Zonder het verhaal dat ik meer slaap nodig heb, zou ik slechter af zijn’ – kun je absoluut zeker weten dat dat waar is?


Denk jij jezelf?

Valerie: Als ik het verhaal zou laten varen, zou ik minder stress hebben.
Katie: Ik vraag je niet het verhaal te laten varen. Ik vind het een mooi verhaal – wat hebben we anders? Het enige wat we hier doen is dat we het met wat begrip tegemoet treden. Niemand heeft ooit een verhaal laten varen. Het verschijnt gewoon. Wij hebben het niet gecreëerd. Wij doen het niet. Het is iets wat gebeurt, net als lucht.
Valerie: Wij doen het niet?
Katie: Denk jij jezelf? Word je ’s ochtends wakker en denk je dan: ‘Ik denk dat ik denk dat het ochtend is.’ Gebeurt het niet gewoon? Het is wat er is. Er zijn geen vriendelijke of onvriendelijke verhalen. Het zijn alleen verhalen die niet begrepen worden – allemaal. Sommige verhalen zijn heel angstaanjagend, dus treden we ze met begrip tegemoet.
Valerie: Aha.
Katie: Denk jij jezelf? Denk je bewust?
Valerie: Nee, ik mediteer om te proberen niet te denken, maar het werkt niet. Soms heb ik het geluk dat ik er van een afstandje naar kan kijken, dat ik er niet helemaal middenin zit, en dan denk ik: ‘O, ik doe het goed!’ Meestal vind ik dat ik het niet goed doe.
Katie: Dus wie zou je zijn zonder je verhaal ‘Ik moet slapen’? En ik vraag je niet het te laten varen.
Valerie: Wie ik zou zijn zonder het verhaal? Ik weet het niet. Ik weet het niet.


Een mooi standpunt

Katie: Ik heb ingezien dat ik nooit voor mezelf heb gezorgd – maar dan ook nooit. Het is alleen maar een verhaal waaraan ik me heb vastgeklampt toen het verscheen.
Waar zijn je handen nu? [Valerie kijkt verbaasd. Haar rechterhand ligt tegen haar wang; haar linkerhand ligt op haar schoot.] Heb jij ze daar neergelegd? Heb je dat van tevoren bedacht? Heb je van tevoren bedacht dat je je handen zou leggen waar ze nu liggen?
Valerie: Wat? Daarnet? Niet bewust. Nee.
Katie: Interessant. Misschien doe jij het niet. Misschien word je gedaan. Adem je jezelf?
Valerie: Die vraag stelde ik mezelf eerder vandaag bij het mediteren. Wie haalt er adem? Ik wist het niet zeker.
Katie: Nou, geef maar antwoord op de vraag – wie haalt er adem?
Valerie: Ik weet het niet!
Katie: Dat lijkt me een goed antwoord. Dank je wel, engel. Dat is een heel mooi standpunt. ‘Ik weet het niet.’ Goed zo.
Valerie: Dank je wel.
Katie: Er zit veel vrijheid in ‘Ik weet het niet’. Het is kind-zijn. Dit is heerlijk. Er ís niets om te weten. Alles is gelijkwaardig.


Uit hoofdstuk 4:


(Geen) onbekend terrein

Katie: Dus kun je een reden vinden om het verhaal te laten varen? En ik vraag je niet om het te laten varen.
Sandra: Ik wil zo graag terug naar de plek waar ik me vertrouwd voel. Als ik dat verhaal laat varen kom ik op een terrein dat ik niet ken, waar ik niet heb wat ik altijd heb gehad.
Katie: En wat blijft er dan over?
Sandra: Eh…ik. Maar ik voel me eenzaam.
Katie: Jij blijft achter in het onbekende.
Sandra: Ja, ik blijf alleen achter in het onbekende.
Katie: Oké, is dat waar? ‘Het laat me alleen achter op onbekend terrein’ – is dat waar? Heb je ooit eerder in een stoel gezeten?
Sandra: Ja.
Katie: Heb je ooit tussen de bomen gestaan? Ben je ooit in een huis geweest? Dat is waar je zult zijn.
Sandra: Ok’, maar psychisch ben ik niet daar.
Katie: Zonder verhaal, blijf je waar je bent. En dat is een schitterende plek: vrouw staat, zit of ligt ergens. Dat is alles. … Je kunt niet alleen zijn en je kunt niet op een onbekende plek zijn. Alleen een verhaal laat jou geloven dat er zo’n plek is!
Sandra: Ik begrijp het.
Katie: En het is zo angstaanjagend dat het je uiteindelijk terugbrengt tot vrouw zit in stoel – voel hoe de stoel je steunt. Hij is er voor jou, om door jou te worden opgemerkt. En de grond – we hebben hier zwaartekracht; dat is fantastisch! Die steunt je. En je geest doet dit, en de lucht zal je steunen. Het is geen onbekend terrein en je bent niet alleen. En je kunt er niets tegen doen.


Uit hoofdstuk 6:


Niet één goede reden

Katie: Ik heb een neef die me ’s avonds heel laat belde. De telefoon ging, ik werd wakker, nam op, en hij zei: ‘Ik heb een geladen pistool in mijn mond en de haan is gespannen.’ Hij was heel erg dronken. En hij zei: ‘Als je me niet één goede reden kunt geven waarom ik geen zelfmoord zou plegen, haal ik de trekker over.’ En ik wachtte en ik wachtte en ik wachtte. En ik bleef maar wachten op een goede reden. En ik kon er geen vinden. En uiteindelijk zei ik: ‘Weet je, lieverd, ik kan niet één reden vinden waarom je het niet zou doen.’ En hij barstte in snikken uit. Hij zei dat dat het eerlijkste was wat hij ooit had gehoord.


Natuurlijk wel

Katie: Als ik denk: ‘Ik zou niet weten wat ik zonder mijn dochter zou moeten,’ is dat een leugen. Vroeg of laat moet ik naar de wc. En daarna ga ik eten. ‘Ik zou niet weten wat ik zonder haar zou moeten’? Natuurlijk wel! Het is een leugen. Het zijn onze gedachten die ons gek maken, niet onze dood, niet het verlies van een kind, niet het leven – niets van dat al.


Wees het leven voor

Katie: Het kan gebeuren. Dat heet leven. En als het niet in het leven gebeurt, gebeurt het in het denken. Het doet hoe dan ook pijn. Welke vorm van intelligentie wacht gewoon maar af tot het gebeurt en blijft tot het einde der dagen lijden? Dus doet het nu – wees het leven voor, dan ben je voorbereid.


Uit hoofdstuk 7:


Je weet nooit welk antwoord er zal komen

Gene: Ik wil dat Frank ophoudt met doen alsof hij de baas is en dat hij niet probeert mij regels op te leggen. Als we een opdracht krijgen, speelt hij de baas en zegt hij: ‘Doe dit, en dit en dit.’ Ik heb niet zozeer problemen met die opdracht, maar meer met de manier waarop hij het zegt. En ik zeg ‘Ja, goed.’ Maar later word ik boos op mezelf omdat ik ja zei, terwijl ik eigenlijk nee wilde zeggen.
Katie: Aha, dus je loog toen je ja zei.
Gene: Ja.
Katie: Ik was ook niet zo dol op mezelf toen ik dat deed. En dan gaf ik anderen de schuld. Maar eigenlijk was ik degene tegen wie ik niet eerlijk was. Dus in plaats van hun de schuld te geven, kijk ik naar mezelf en merk ik het op en begin ik opnieuw.
Mijn naam is Ja. Ik vind het heerlijk om zo te leven. Ik zeg overal ja tegen. Als je mij bijvoorbeeld vraagt iets te doen wat ik wil doen, zeg ik ja. Als je mij vraagt iets te doen wat ik niet wil, zeg ik nee, en dat nee is voor mij een ja. Ik leef als een innerlijk ja, omdat ik luister naar iets in mij wat niets met jou te maken heeft. Het is zo spannend om te zien wat het antwoord is op de vraag die hij stelt! Ik denk niet: zal ik hem daarmee kwetsen? Wat zal hij me teruggeven? Zal hij me aardig vinden? Zal hij teleurgesteld zijn?’ In plaats daarvan denk ik: ‘Wat is mijn antwoord op die vraag?’ Dat is heel opwindend. Je weet nooit welk antwoord er zal komen!


Uit hoofdstuk 9:


Een thuis in zichzelf

Katie: En wie zou je zijn zonder de gedachte ‘Ik ben misvormd’? Hoe voelt het als je die gedachte niet hebt?
Emma: Het is een ongedachte. Het is gewoon een onprobleem. Het is gewoon…
Katie: Mooi. Dus je lichaam is niet het probleem. Je gedachten over je lichaam, die zijn het probleem. Dat is wat je misvormt. Als je er niet over nadenkt, bestaat je lichaam niet. Dat is goed om te weten, vind je niet?
Emma: Daar is iets aan te doen.
Katie: Ja.
Emma: Als ik niets aan mijn lichaam kan doen, kan ik maar beter iets aan mijn gedachten doen.
Katie: Dus: ‘Er moet iets aan je lichaam gedaan worden’ – is dat waar? Kun je absoluut zeker weten dat het waar is dat er iets aan je lichaam moet worden gedaan?
Emma: Tenzij ik ervoor kan zorgen dat het goed is zoals het is.
Katie: Er ís niets mis met je lichaam. Het is heel gelukkig met zichzelf. Het is aan het genezen. Het gaat door met zijn leven en taken. Het weet niet dat het misvormd is. Het doet zijn werk. Het beweegt in de tegengestelde richting, in de richting van de oplossing en de kracht.
Als ik mijn aandacht op het lichaam richt – Ik kan niet eens zeggen ‘míjn lichaam’ omdat dat zou impliceren dat het mij toebehoort en dat is onzin. Hoe kan het aan mij toebehoren? ‘Omdat ik het zeg.’ Maar ondertussen gaat het gewoon door en leidt het zijn eigen leven. Maar als ik me op het fysieke richt, richt ik me op een externe oorzaak. Dat ben ik niet. Dus zit ik buiten mijn zaken. En als ik mentaal buiten mijn zaken zit, voel ik me eenzaam. Dus merk ik het op en keer terug naar mijn gedachten omdat daar de oplossing ligt. Dus mijn denken vindt een thuis in zichzelf en het lichaam is niet mijn thuis.


Een ongelooflijk wonder

Emma: Ja, ik heb mezelf zelfs verweten dat ik zo oppervlakkig ben omdat ik mijn lichaam belangrijk vind.
Katie: Wiens lichaam?
Emma: Dit lichaam. Als het mijn lichaam niet was, zou ik me er misschien niet zo druk over maken.
Katie: ‘Het is jouw lichaam’ – kun je absoluut zeker weten dat dat waar is? Dat is een heel oud concept. ‘Dit is van mij. Ik zeg het en daarom is het waar.’ Maar dat jij het zegt, denkt, gelooft, maakt het nog niet waar! Als dit mijn lichaam is, waarom ziet het er dan zo uit? Waarom is het dan drieënzestig jaar oud? Als het van mij is, waarom doe ik daar dan niets aan? En aan mijn geslacht, en aan mijn lengte. Als het van mij is, heb ik er kennelijk weinig controle over.
Emma: Juist. Ja, dat zou eigenlijk wel een opluchting zijn.
Katie: Dus hoe reageer je als je de gedachte gelooft dat het van jou is?
Emma: Vol afschuw! Echt vol afschuw!
Katie: Dus, wat zou er met je gebeuren als je niet de gedachte gelooft dat dit jou toebehoort, dat jij dit bent, dat dit van jou is? Dat het op de een of andere manier jouw bezit is?
Emma: Ik zou ervan loskomen. Er zou een afstand zijn en ik zou er niet zoveel in investeren. Het zou een opluchting zijn.
Katie: Nou, dat is de realiteit ervan. Het is niet van jou. Dat je het gelooft, maakt het nog niet waar.
Emma: [tegen het publiek] Wil iemand het hebben?
Katie: Weet je, ik zou net zo goed kunnen zeggen ‘Dat is van mij’ [wijst naar Emma] als
‘Dit is van mij [wijst naar zichzelf].
Emma: Want we weten het niet.
Katie: En eigenlijk is het niet zo interessant. Het lichaam is te veel om je zorgen over te maken. En je blijft je maar zorgen maken en het doet toch wat het wil. Het krijgt kanker, het wordt ziek, het wordt beter, het doet… het dóét dat allemaal. Het is een ongelooflijk wonder.


Zelfs dat niet

Katie: Een man kan naar je lichaam kijken en zeggen: ‘O, mijn God, ik vind het geweldig om te kijken naar de sporen van de operaties, want die hebben jou voor mij behouden.
Emma: Die hebben…?
Katie: Die hebbben jouw leven voor mij behouden.
Emma: O, dat is lief.
Katie: Inderdaad, en dat is wat er is gebeurd. Je hebt jezelf voor ons behouden. Ik zeg het liefst: ‘Je hebt hét voor ons behouden.’ En dan, naarmate je verder komt met je onderzoek, zul je gaan inzien dat zelfs dat misschien niet waar is, dat alles gewoon is zoals het is.


Uit hoofdstuk 12:


Nog nooit hebben mensen elkaar ontmoet

Katie: Daarom kunnen mensen niet sterven. Als ze leven, leven ze hier [wijst naar haar hoofd], en als ze dood zijn – zoals wij dat noemen – leven ze hier, in jou. Hij is niets meer of minder dan jouw verbeelding. Nog nooit hebben twee mensen elkaar ontmoet. Je kunt zestien jaar getrouwd zijn en nóóit weten met wie je getrouwd bent. En je vraagt je af waarom we niet met elkaar kunnen opschieten. Als iemand zegt: ‘Je kent me helemaal niet,’ zeg jij: ‘Ik ken je wel!’ Maar misschien heeft hij wel gelijk als hij dat zegt.


Uit hoofdstuk 14:


Als een kind

Katie: … Dus, klein jongetje van acht, wie zou je zijn zonder je verhaal?
Stan: Wie zou ik zijn?
Katie: Ja. Hoe zou je in dat huis leven zonder je verhaal. Wie zou je zijn zonder het verhaal?
Stan: Ik weet het echt niet.
Katie: Ja, vind je dat niet fascinerend? Dat heeft ons altijd beziggehouden, maar alleen ons héle leven. We weten het niet eens! Ik was een kind toen ik drieënveertig was; ik besefte dat ik niets wist. Ik had The Work. Ik wist niet hoe ik moest leven, en toen merkte ik dat ik geleefd werd. Ik was als een kind, een peuter. Als we The Work blijven doen, gaan we inzien dat we niets hoeven te weten.


Ronddolen in het niets

Katie: Wie zou je zijn zonder dit verhaal?
Stan: Dat weet ik niet.
Katie: Is dat niet heerlijk? Dat bedoelen we met leeftijdloos – leeftijd staat er los van. ‘Ik weet het niet’ is niet aan leeftijd gebonden.
Stan: Is dat wat het betekent? Nú klinkt het heel goed, maar dat gevoel zal me toch weer bekruipen.
Katie: Kun je dat zeker weten?
Stan: Nee.
Katie: En hoe reageer je als je het verhaal gelooft?
Stan: Ingeperkt.
Katie: Wie zou je zijn zonder dat verhaal, op dit moment?
Stan: Ik weet het niet!
Katie: Mijn favoriete positie.
Stan: Maar dat antwoord geeft me het gevoel dat ik ronddool in het niets.
Katie: Dat heb je je hele leven gedaan.


Nooit echt geweest

Katie: Het leven is zo simpel: we lopen, we zitten, we liggen. Dat is het zo’n beetje. De rest is een verhaal over wat er gebeurt terwijl we dat doen.
Stan: Het is bijna alsof die verhalen mijn bestaan echt maken. En zonder het verhaal zou ik niet echt zijn.
Katie: En je bent nooit echt geweest. Dat weet je.
Stan: Ja. In mijn verhalen stond ik op de voorgrond. Shit! Wauw! Ik krijg er kippenvel van. Betekent dat wat? O, mijn God, dat is echt waar. Zonder mijn verhalen is er eigenlijk niets.
Katie: Ja.
Stan: En de verhalen zijn wat mij –
Katie: Een bestaan geeft?
Stan: Een bestaan geeft. Ik bedoel, elk verhaal, niet alleen dit verhaal. Ik verbind iets aan de dingen die gebeuren wat mij het gevoel geeft dat ik echt ben. Is dat zo?
Katie: Ik begrijp van jo dat dat zo is en dat is ook mijn ervaring.
Stan: Ja. Dus wat zou ik zijn zonder het verhaal? Ik bedoel, wie ben ik?
Katie: Dat zijn mijn zaken niet. Ik ben.
Stan: Ik ben gewoon?
Katie: En wie zou je zijn zonder dát verhaal?
Stan: Gewoon…
Katie: Stilte.
Stan: Ja.
Katie: Stilte die lijkt te praten, die lijkt te zitten. Dat is alles.


Een onbekende ruimte

Katie: Nou overtuigingen zijn wezen, en als we ze met begrip tegemoet treden, wordt het héél stil.
Stan: Ja. Soms kan de stilte ook angstaanjagend zijn.
Katie: Wat betekent de stilte?
Stan: Het is een onbekende ruimte.
Katie: Dus: ‘Stilte is een onbekende ruimte’ – is dat waar?
Stan: Voor mijn drukke denken wel, ja.
Katie: Slaap je iedere nacht?
Stan: Ja.
Katie: Is stilte dan een vijandige, onbekende ruimte?
Stan: Nee.
Katie: … Erger wordt het niet. … Wie we zijn zonder een verhaal is waar we zijn! In de stilte.


Uit hoofdstuk 15:


Je gaat dood – is dat waar?

Ik werk met mensen die dertig of veertig jaar hebben gemediteerd, en als ze ontwaken uit hun meditatie, zien ze nog steeds problemen in het leven. En als we konden, zouden we het anders zien. Maar we kunnen alleen maar leven vanuit onze overtuigingen. Als je wilt weten wat je overtuigingen zijn, kijk dan naar je leven. Dat is een spiegelbeeld van wat je gelooft.
Dus ‘Je gaat dood’ – is dat waar? De meesten van jullie denken: ‘Natuurlijk is dat waar! Iedereen gaat dood!’ Misschien hebben jullie gelijk, maar kijk nog eens! Geloof je alles wat je denkt? Heb je ooit de tijd genomen om het aan jezelf te vragen? Om die gedachte echt te onderzoeken. ‘Je gaat dood’ – kun je absoluut zeker weten dat dat waar is?


De angst voor het niet-weten

Katie: ‘Ik ga dood’ – keer het om.
Marcia: Ik ga niet dood.
Katie: Kan dat net zo waar of meer waar zijn?
Marcia: Ja. Ik kan het niet echt weten. Maar dan komt de angst voor wat gaat komen, en de angst voor het niet-weten.


Niet hoeven weten wat er gaat gebeuren

Katie: Hoe reageer je als je de gedachte ‘Ik heb nodig dat ik weet wat er gaat gebeuren’ gelooft, terwijl je het niet weet?
Marcia: Gespannen, ik voel me echt heel gespannen. Helemaal niet soepel.
Katie: En op dat punt raken velen van ons in paniek. Dit is het punt waarop we naar de ijskast gaan. Dit is het punt waarop we een sigaret opsteken of alcohol drinken of schreeuwen tegen onze kinderen of onze partner. Als we het niet weten en denken dat we het wel moeten weten, hebben we het gevoel dat we geen controle hebben. We worden bang. Dus wat voor iemand zou je zijn zonder de gedachte ‘Ik moet weten wat er gaat gebeuren’? Wie zou je zijn zonder die gedachte in je dagelijkse leven?
Marcia: Een helder iemand. Heel helder. Het enige wat er zou zijn is, is wat er gebeurt.
Katie: Dat is heel opwindend.
Marcia: Ja.
Katie: Dus ik begrijp dat je als je onderzoekt wat je gelooft, niet hoeft te weten wat er gaat gebeuren omdat het er al is! Het volgende gebeurt, en het volgende, en het volgende.
Marcia: Ja, dat kan ik wel. Maar er zijn momenten dat het verdwijnt. Het verdwijnt gewoon en dan word ik boos op God, omdat het verdwijnt.
Katie: Ja. Dus: ‘wat er gaat gebeuren’ verdwijnt – is dat waar?
Marcia: Nee.
Katie: Dat is onmogelijk. Wat er gaat gebeuren, is altijd aanwezig. ‘Ik heb nodig dat ik weet wat er gaat gebeuren’ – keer het om.
Marcia: Ik heb niet nodig dat ik weet wat er gaat gebeuren.
Katie: Nee! Want wat er gaat gebeuren, gaat gebeuren. Het volgende gebeurt en dan het volgende en dan het volgende. En het is zo opwindend om het niet te hoeven weten. Want er kan nooit iets gebeuren waar je niet op bent voorbereid.


Vierhonderd verschillende gebeurtenissen

Katie: Wat gaat komen is alleen maar wat jij waarneemt. Snap je dat?
Marcia: Zeg dat nog eens?
Katie: Wat gaat komen is alleen maar wat jij waarneemt. Het volgende gebeurt en als er vierhonderd mensen in deze zaal zitten, gebeuren er vierhonderd verschillende dingen.
Marcia: Hmm.
Katie: Hoe wij het zien en wat we ervan vinden en de betekenis ervan is voor ieder van ons verschillend. Dus gebeuren er vierhonderd verschillende dingen.
Marcia: Aha.
Katie: Dus jij laat jezelf zien wat er gaat gebeuren. Lees het nog eens voor en kijk of je dat kunt begrijpen. Jij bent degene die vertelt wat er gaat gebeuren. Jouw geloofssysteem bepaalt het.
Marcia: En als je geen geloofssysteem hebt?
Katie: Wat is dan je probleem?
Marcia: Er is geen probleem. O! Kunnen we de computer laten crashen en helemaal opnieuw beginnen en toch in een lichaam zitten? Dat is eigenlijk wat het is.
Katie: Maar weet je, het is geen computercrash; het is alleen maar het tenietdoen van je overtuigingen, een voor een. Als je merkt dat je een gedachte gelooft die stress oplevert, onderzoek dan je denken.


uit: Vier vragen die je leven veranderen, Byron Katie (met Stephen Mitchell), Boekerij, Amsterdam 2010:


Niet voor mij

Ik zeg vaak: ‘Je moet niets geloven van wat ik zeg.’ Ik wil dat je ontdekt wat waar is voor jou, niet voor mij. (33)


Een kat leren blaffen

Als je wilt dat de realiteit anders is dan zij is, kun je net zo goed proberen een kat te laten blaffen. Je kunt het blijven proberen, en uiteindelijk kijkt de kat je aan en zegt: ‘Miauw’. Willen dat de realiteit anders is, is hopeloos. Dan blijf je je hele leven proberen een kat te laten blaffen. En toch, als je oplet, merk je dat je tientallen keren per dag dit soort gedachten hebt. ‘Mensen moeten vriendelijker zijn.’ ‘Kinderen moeten zich beter gedragen.’ ‘Mijn buren moeten hun gazon beter bijhouden.’ ‘De rij bij de supermarkt moet sneller gaan.’ ‘Mijn man (of vrouw) moet het met me eens zijn.’ ‘Ik zou dunner moeten zijn (of mooier of succesvoller).’ Deze gedachten betekenen dat je wilt dat de realiteit anders is dan hij is. (33)


Drie soorten zaken

Ik zie maar drie soorten zaken in het universum: de mijne, de jouwe en die van God. (Voor mij betekent het woord God ‘realiteit’. Realiteit is God, omdat zij alles overtreft. Alles waar ik, jij en anderen geen controle over hebben – dat noem ik Gods zaken.) Veel van onze stress wordt veroorzaakt doordat we mentaal niet in onze eigen zaak leven. Als ik denk: ‘Jij moet een baan zoeken, ik wil dat je gelukkig bent, je moet op tijd komen, je moet beter voor jezelf zorgen,’ bemoei ik me met jouw zaak. Als ik me zorgen maak om aardbevingen, overstromingen, oorlog, of om wanneer ik doodga, bemoei ik me met Gods zaken. Als ik me mentaal met jouw of Gods zaken bemoei, leidt dat tot verwijdering. (35)


Pure arrogantie

Als ik denk dat ik weet wat het beste voor iemand anders is, wil dat zeggen dat ik buiten mijn eigen zaak ben. Ook al doe ik het uit naam van de liefde, het is toch pure arrogantie, en het levert spanningen, zorgen en angsten op. Weet ik wat goed is voor mij? Alleen dat is mijn zaak. Laat ik daarmee aan de slag gaan, voordat ik probeer jouw problemen op te lossen.


Geen eigen zaken

Als je de drie soorten zaken goed genoeg kunt onderscheiden om je met je eigen zaak te bemoeien, ondervind je een bevrijdend gevoel dat je niet voor mogelijk had gehouden. De volgende keer dat je stress of onbehagen voelt, vraag jezelf dan af met wiens zaken je je mentaal bezighoudt, en het kan zijn dat je dan in lachen uitbarst! Die vraag kan je terugbrengen bij jezelf. En misschien kom je er wel achter dat je nooit echt aanwezig bent geweest, dat je je hele leven mentaal in andermans zaken hebt geleefd. En als je hier een tijdje in oefent, kan het gebeuren dat je ontdekt dat jij helemaal geen eigen zaken hebt en dat je leven op zichzelf perfect verloopt. (36)


Hechten aan gedachten

Een gedachte is onschadelijk tenzij we erin geloven. Het zijn niet de gedachten, maar het hechten aan die gedachten dat ons lijden veroorzaakt. Hechten aan een gedachte betekent dat je gelooft dat zij waar is, zonder haar te onderzoeken. Een overtuiging is een gedachte waaraan we ons hebben vastgeklampt, vaak jarenlang. (36)


Denken of gedacht worden

De meeste mensen denken dat ze zijn wat hun gedachten hun vertellen dat ze zijn. Op een dag merkte ik dat ik niet ademde – ik werd geademd. Toen merkte ik ook, tot mijn verbazing, dat ik niet nadacht – dat ik gedacht werd en dat denken niet persoonlijk is. Zeg jij ’s morgens als je wakker wordt tegen jezelf: ‘Ik denk dat ik vandaag maar eens niet ga denken?’ Het is te laat: je bent al aan het denken! (36)


Loslaten of losgelaten worden

Gedachten verschijnen gewoon. Ze komen uit het niets en gaan terug naar het niets, als wolken die langs een lege hemel drijven. Ze komen om weer weg te gaan, niet om te blijven. Ze zijn onschadelijk, totdat we ons eraan vastklampen alsof ze waar zijn. Niemand heeft ooit controle over zijn denken gehad, hoewel sommigen misschien zeggen dat ze dat wel hebben. Ik laat mijn gedachten niet los – ik treed ze tegemoet met begrip. Dan laten ze mij los. (36)


Gedachten zijn niet persoonlijk

Gedachten zijn als een briesje of bladeren aan de bomen of vallende regendruppels. Ze zijn wat ze zijn, en door ze te onderzoeken kunnen we bevriend met ze raken. Zou je ruzie maken met een regendruppel? Regendruppels zijn niet persoonlijk, onze gedachten evenmin. Als je een pijnlijk concept eenmaal met begrip tegemoet bent getreden, zul je het de volgende keer dat het verschijnt waarschijnlijk interessant vinden. Wat een nacht merrie was, is nu alleen maar interessant. De volgende keer dat het opduikt, vind je het misschien grappig. De keer daarop merk je het misschien niet eens meer op. (36)


Alleen maar theorieën

Ik gebruik vaak het woord ‘verhaal’ als ik het heb over gedachten, of een gedachtegang waarvan we overtuigd zijn dat hij waar is. Een verhaal kan gaan over het verleden, het heden of de toekomst; het kan gaan over wat zou moeten zijn, wat zou kunnen zijn of waarom dingen zijn. Verhalen duiken honderden keren per dag op in ons denken – als iemand zonder een woord te zeggen opstaat en de kamer verlaat, als iemand niet glimlacht of niet terugbelt, of als een onbekende wel glimlacht; voordat je een belangrijke brief opent, of als je een vreemd gevoel hebt in je borst; als je baas je vraagt naar zijn kantoor te komen, of als je partner op een bepaalde toon tegen je praat. Verhalen zijn de niet-getoetste, niet-onderzochte theorieën die ons vertellen wat dit alles betekent. We zijn ons er niet eens van bewust dat het maar theorieën zijn. (37)


Vuile travestiet

Op een keer toen ik naar het damestoilet ging in een restaurant in mijn buurt, kwam er een vrouw uit het enige hokje. We glimlachten naar elkaar en terwijl ik de deur dichtdeed, begon ze te zingen en haar handen te wassen. ‘Wat een prachtige stem!’ dacht ik. Terwijl ik haar hoorde weglopen, merkte ik dat de wc-bril druipnat was. ‘Hoe kan iemand zo onbeschoft zijn?’ dacht ik. ‘En hoe heeft ze het voor elkaar gekregen om over de hele bril te plassen? Heeft ze soms op de bril gestaan?’ Toen bedacht ik dat ze een man was – een travestiet die falset zong in het damestoilet. Ik wilde achter haar (hem) aanlopen en hem vertellen wat een bende hij ervan gemaakt had. Terwijl ik de bril schoonmaakte, dacht ik na over alles wat ik tegen hem zou gaan zeggen. Toen trok ik door. Het water spoot omhoog uit de pot en spatte op de bril. En ik kon alleen maar lachen. (37)


Gigantische theorieën

In dit geval was de natuurlijke loop van de gebeurtenissen vriendelijk genoeg om mijn verhaal te ontkrachten voordat het zich verder kon ontwikkelen. Meestal gebeurt dat niet; voordat ik het onderzoek ontdekte, wist ik niet hoe ik dergelijk denken moest stoppen. Kleinde verhalen kweekten grotere; grotere verhalen kweekten gigantische theorieën over het leven, hoe verschrikkelijk het was en hoe gevaarlijk de wereld was. En uiteindelijk was ik te bang en depressief om mijn slaapkamer uit te gaan. (37)


De droom

Als je je laat leiden door niet-onderzochte theorieën over wat er gebeurt en je dat niet eens beseft, leef je in wat ik ‘de droom’ noem. Vaak wordt de droom problematisch, soms verandert hij zelfs in een nachtmerrie. Op dit soort momenten zou je de waarheid van je theorieën kunnen testen door The Work te doen. The Work laat altijd maar weinig over van je onplezierige verhaal. Wie zou je zijn zonder dat verhaal? Hoeveel van je wereld bestaat uit niet-onderzochte verhalen? (38)


Een weerspiegeling van je eigen denken

Als je The Work doet, zie je wie je bent, doordat je ziet wie jij denkt dat andere mensen zijn. Uiteindelijk zul je zien dat alles buiten jezelf een weerspiegeling is van je eigen denken. Jij bent de verhalenverteller, jij projecteert alle verhalen, en de wereld is het geprojecteerde beeld van je gedachten. (42)


Wen er maar aan

Justin: Ik ben boos en verward en verdrietig, omdat mijn familie over mij oordeelt.
Katie: Oké. En het is niet alleen de taak van een ouder, maar van iedereen ter wereld om te oordelen. Dat is ons werk. Wat moeten we anders? Alles is een oordeel. Noem één gedachte die geen oordeel is. ‘Dat is de lucht’, dat is een oordeel. Dat doen we nou eenmaal. … Mensen moeten ophouden over anderen te oordelen? Over welke planeet hebben we het hier? Wen er maar aan: als je naar de planeet Aarde komt, oordeel jij over ons en wij over jou. Zo gaat dat. Als je de basisregels kent, is het een leuke planeet om op te leven. Maar jouw theorie staat lijnrecht tegenover wat er echt gebeurt. Dat is idioot! Wie zou je zijn zonder die gedachte? Wie zou je zijn als je niet in staat was om zo’n idiote gedachte te denken: ‘ik wil dat mijn ouders ophouden over me te oordelen’?
Justin: Dan zou ik van binnen rust hebben. (93-95)


Moeten bestaat niet

De realiteit is voor mij wat waar is. De waarheid is wat er voor je neus staat, wat er echt gebeurt. Of je het leuk vindt of niet, het regent nu. ‘Het mag niet regenen’ is niet meer dan een gedachte. In werkelijkheid bestaat er geen ‘moeten’ of ‘niet moeten’. Er bestaan alleen gedachten die we aan de werkelijkheid opdringen. Je hersenen zijn als een waterpas. Als het luchtbelletje aan één kant zit – ‘het mag niet regenen’ – weten we dat de hersenen gevangen zitten in hun denken. Als het luchtbelletje precies in het midden zit – ‘het regent’ weten we dat de oppervlakte waterpas is en het denken de realiteit accepteert zoals die is. Zonder ‘moeten’ en ‘niet moeten’ kunnen we de realiteit zien zoals ze is en dit zorgt ervoor dat we vrij zijn om efficiënt, helder en verstandig te handelen. (108)


‘Vriendelijke’ verhalen

Nadat ik in 1986 mijn ogen had geopend voor de realiteit, merkte ik vaak hoe mensen in gesprekken, in de media en in boeken uitspraken deden als ‘er is niet genoeg begrip in de wereld’, ‘er is te veel geweld’, ‘we moeten meer van elkaar houden’. Ze leken fijngevoelig, vriendelijk en betrokken, maar als ik ze hoorde, merkte ik dat het geloof in die verhalen stress veroorzaakte en dat ze me van binnen een onrustig gevoel gaven. (109)


De waarheid gaat vooraf aan elk verhaal

Toen ik bijvoorbeeld het verhaal hoorde dat ‘mensen liever tegen elkaar moesten zijn’, kwam de vraag bij me op: ‘Kan ik absoluut weten dat dat waar is? Kan ik echt voor mezelf, binnenin mezelf weten dat mensen liever tegen elkaar moeten zijn? Ook al vertelt de hele wereld me dat, is het echt waar?’ En tot mijn verbazing zag ik, toen ik naar mijn eigen innerlijk luisterde, dat de wereld is zoals hij is, niets meer en niets minder. Als het om de realiteit gaat, bestaat er geen ‘wat we zouden moeten’. Het enige dat bestaat is wat er is, zoals het is. De waarheid gaat vooraf aan elk verhaal. En totdat het onderzocht is, weerhoudt elk verhaal ons ervan de waarheid te zien. (109)


Ik weet het niet

Nu kon ik eindelijk elk onaangenaam verhaal onderzoeken met de vraag: ‘Kan ik absoluut weten dat het waar is?’ En het antwoord was, net als de vraag, een belevenis: nee. Ik schoot wortel in dat antwoord – alleen, vredig, vrij. (109)


Zonder identiteit

Het antwoord op vraag 4 [Wie zou je zijn zonder die gedachte?] laat ons wellicht achter zonder identiteit. Dat is heel opwindend. Je blijft met niets over en als niets anders dan de realiteit van dit moment: vrouw die in een stoel zit en schrijft. Dat kan een beetje eng zijn, omdat er geen illusies overblijven over een verleden en een toekomst. Je kunt ook vragen: ‘Hoe moet ik nu leven? Wat moet ik doen? Niets heeft nog betekenis.’ En dan zou ik zeggen: ”Zonder verleden of toekomst weet je niet hoe je moet leven’, kun je echt weten dat dat waar is? ‘Je weet niet wat je moet doen en niets heeft nog betekenis’, kun je echt weten dat dat waar is?’ (117)


En zonder die gedachte?

Ik nodig mensen uit om de vraag ook op een andere manier te formuleren: ‘Wie of wat zou je zijn zonder die gedachte?’ Denk erover na. Laat je gedachten en beelden komen en gaan terwijl je de vraag in deze vorm overdenkt. Het kan een heel rijke ervaring zijn. Je kunt ook een beetje spelen met de oorspronkelijke vorm van vraag 4: ‘Wat zou je zijn zonder die gedachte?’ ‘Vrede’ is het antwoord dat de meeste mensen geven. En dan vraag ik weer: ‘Wat zou je zijn zonder zelfs die gedachte?’ (118)


De zucht naar succes

Velen van ons worden gedreven door de zucht naar succes. Maar wat is succes? Wat willen we bereiken? We doen maar drie dingen in het leven: we staan, we zitten, we liggen. Als we eenmaal succes hebben bereikt, zitten we nog steeds ergens, tot we gaan staan, en we staan tot we gaan liggen of weer gaan zitten. Succes is een concept, een illusie. Wil je liever die stoel van 3900 euro dan die van 39 euro? Zitten is zitten. Zonder verhaal hebben we altijd succes, waar we ook zijn. (127)


Ik heb geld nodig

Als je met de niet-onderzochte gedachte leeft ‘ik heb geld nodig om me zeker te voelen’, leef je in een hopeloze toestand. Banken gaan failliet. De beurs stort in. Valuta devalueert. Mensen liegen, breken contracten en beloftes. In deze verwarde toestand kun je miljoenen verdienen en toch onzeker en ongelukkig zijn. (128)


Geen bewijs

Katie: … Je kunt thuis een hoop plezier beleven aan deze oefening die ik ‘bewijs van de waarheid’ noem. ‘Hij moet competent zijn,’ waar is je bewijs? Maak een lijst en kijk of daar iets op staat wat werkelijk bewijst dat hij competent moet zijn als je het onderzoekt. Het is allemaal een leugen. Er is geen bewijs. De waarheid is dat hij niet competent moet zijn, omdat hij het gewoon niet is. (132)


Een kwestie van schaakmat

Als je begrijpt dat je alleen maar iets aan je manier van denken hoeft te doen, wordt het een genot om elk probleem dat je in je omgeving tegenkomt aan een onderzoek te onderwerpen. Voor mensen die echt de waarheid willen leren kennen is The Work een kwestie van schaakmat. (135)


Niet de moraal

Katie: Oké. ‘Ooms moeten hun fouten toegeven’, is dat waar?
Marty: Ja, wat dacht je dan. Ooms moeten hun fouten toegeven.
Katie: En wat is de realiteit? Wat is jouw ervaring?
Mary: Hij schoof de schuld op mij af, en dat…
Katie: Dus jouw ervaring is: nee, ze geven hun fouten niet toe.
Marty: Juist.
Katie: Dus is het waar dat ooms hun fouten moeten toegeven?
Marty: Ik denk dat het waar is dat alle mensen hun fouten moeten toegeven.
Katie: Tja! En wat is de realiteit? Doen ze dat altijd? Is het waar dat ooms hun fouten moeten toegeven?
Marty: Ja.
Katie: En wat is de realiteit?
Marty: Dat hij het niet doet.
Katie: Dat hij het niet doet. Dus nu vraag ik aan jou, op welke planeet zou dit moeten gebeuren? Is het waar dat mensen hun fouten moeten toegeven? Nee. Niet zolang ze dat niet doen. Ik vraag hier niet naar moraal. Ik vraag alleen naar de simpele waarheid. … Hoe weten we dat mensen hun fouten niet hoeven toe te geven?
Marty: Ze doen het niet.
Katie: Ze doen het niet. Lieverd, het is zo eenvoudig dat we het al die duizenden jaren niet hebben gezien. Het is de waarheid die me verlost. Als je die tegenspreekt, verlies je. Ik hou van de realiteit, niet omdat ik een spiritueel wezen ben, maar omdat ik binnenin mezelf verlies als ik me ertegen verzet. Ik verlies het contact met de plek binnenin mij die mijn thuis is. Hoe reageer je als je de gedachte denkt dat hij zijn fouten moet toegeven en hij doet het niet?
Marty: Dan heb ik het gevoel dat ik het slachtoffer ben.
Katie: Wat nog meer? Hoe voelt dat van binnen?
Marty: Ik voel pijn, verdriet, woede, angst…
Katie: Eenzaamheid?
Marty: Ja, alle negatieve gevoelens.
Katie: De reden dat je al die spanning voelt is dat je midden in een leugen vastzit. Het is niet waar dat hij zijn fouten moet toegeven. Dat is de leugen. De wereld heeft ons eeuwenlang deze leugen geleerd, en als je genoeg hebt van de pijn is het tijd om je te realiseren wat waar is. (141)


Dat blikje is de woestijn

Als ik mensen meeneem naar de woestijn en ze zien een blikje liggen onder een cactus, zeggen ze: ‘Hoe kan iemand dat doen in deze mooie woestijn?’ Maar dat blikje is de woestijn. Dat is wat is. Hoe kan het daar niet horen? De cactus, de slangen, de schorpioenen, het zand, het blikje, en wij – alles. Dat is de natuur, geen beeld in ons hoofd van de woestijn zonder het blikje. Zonder stress of oordeel, merk ik dat ik het blikje gewoon oppak. Of ik kan het verhaal vertellen dat de mens de aarde vervuilt, en dat het egoïsme en de hebzucht van de mens oneindig groot zijn, en dan het blikje oppakken met al het verdriet en de woede die ik voel. Hoe dan ook, als het tijd is voor het blikje om van zijn plaats te komen, merk ik dat ik daar ben, als deel van de natuur, om het blikje op te pakken. (157)


Ik ben een mislukkeling

De vier vragen worden op precies dezelfde manier gebruikt als je ze toepast op je zelfbeeld. Laten we bijvoorbeeld het oordeel ‘ik ben een mislukkeling’ eens onder de loep nemen. Ga eerst naar binnen met vraag 1 en 2. Is het waar? Kan ik absoluut zeker weten dat het waar is dat ik een mislukkeling ben? Mijn man of vrouw zegt het, mijn ouders zeggen het, maar kan ik absoluut zeker weten dat het waar is? Kan het zijn dat ik al die tijd het leven heb geleefd dat ik moest leven en dat alles wat ik heb gedaan, was wat ik moest doen? Ga vervolgens naar vraag 3: maak een lijstje van hoe je reageert, hoe je je lichamelijk voelt, en hoe je jezelf en anderen behandelt als je de gedachte ‘ik ben een mislukkeling’ gelooft. Wat doe je precies? Wat zeg je precies? Laat je je schouders hangen? Snauw jee anderen af? Loop je naar de ijskast? Maak je lijstje compleet. Ga vervolgens naar binnen met vraag 4: bedenk hoe je lever eruit zou zien als je deze gedachte nooit meer had. Doe je ogen dicht en stel je voor wie je zou zijn zonder de gedachte ‘ik ben een mislukkeling’. Wees stil en kijk toe. Wat zie je?
De omkeringen van een oordeel over jezelf kunnen heel radicaal zijn. Als je de omkering van 180 graden neemt, verandert ‘ik ben een mislukkeling’ in ‘ik ben geen mislukkeling’ of ‘ik ben een succes’. Ga naar binnen met deze omkering en ontdek hoe hij net zo waar is of meer waar dan je oorspronkelijke uitspraak. Maak een lijst van de manieren waarop je succes hebt. Haal die waarheden uit de duisternis te voorschijn. Sommigen van ons vinden dit in het begin bijzonder moeilijk en moeten heel erg hun best doen om zelfs maar één voorbeeld te vinden. Neem de tijd. Als je echt de waarheid wilt weten, laat die waarheid zich dan aan je openbaren. Zoek iedere dag naar drie succesjes. Nummer een kan zijn ‘ik heb mijn tanden gepoetst.’ Twee, ‘ik heb de afwas gedaan.’ Drie, ‘ik heb geademd’. (167)


Niets dan bijgeloof

Mij wordt vaak gevraagd of kinderen en pubers The Work kunnen doen. Mijn antwoord is: ‘natuurlijk kunnen ze dat’. In dit onderzoeksproces hebben we te maken met gedachten. En mensen van alle leeftijden, acht of tachtig, hebben dezelfde stressvolle gedachten en concepten. ‘Ik wil dat mijn moeder van mij houdt’, ‘ik heb nodig dat mijn vriendje naar mij luistert’, ‘mensen moeten niet gemeen zijn’. Jong en oud, we geloven in concepten die, na onderzoek, niets meer blijken te zijn dan bijgeloof. (177)


Een monster

Het volgende uittreksel komt uit een dialoog tussen mij en een meisje van vijf.
Becky: [angstig, kijkt niet naar mij]: Er zit een monster onder mijn bed.
Katie: ‘Er zit een monster onder je bed’, lieverd, is dat waar?
Becky: Ja.
Katie: Lieverd, kijk me eens aan. Kun je absoluut weten dat dat waar is?
Becky: Ja.
Katie: Geef me een bewijs. Heb je het monster ooit gezien?
Becky: [begint te glimlachen]: Ja.
Katie: Is dat waar?
Becky: Ja.
Nu begint het meisje te lachen en zich op haar gemak te voelen met de vragen, ze begint erop te vertrouwen dat ik haar niet zal dwingen om te geloven of niet te geloven en we kunnen lol maken met dat monster van haar. Op een gegeven moment krijgt het monster een persoonlijkheid en voor het einde van de sessie vraag ik haar haar ogen dicht te doen, rechtstreeks tegen haar monster te praten, en het monster aan haar te laten vertellen wat hij onder haar bed doet en wat hij eigenlijk van haar wil. Ik vraag haar om het monster het woord te laten doen en mij te vertellen wat het monster zegt. Dit heb ik met tientallen kinderen gedaan die allemaal bang waren voor monsters of spoken. Ze vertellen altijd iets vriendelijks, zoals ‘hij zegt dat hij eenzaam is’ of ‘hij wil alleen maar spelen’ of hij ‘hij wil bij mij zijn’. Op dat moment kan ik hun vragen: ‘Lieverd, ‘er zit een monster onder je bed’, is dat waar?’ En meestal kijken ze me aan met een soort geamuseerde verbazing dat ik zoiets geloof. Dan wordt er veel gelachen. (178)


Mijn favoriete uitgangspunt

‘Ik weet het niet’ is mijn favoriete uitgangspunt. (181)


Onderliggende overtuigingen

Onder de oordelen die we hebben opgeschreven, vinden we vaak andere gedachten die we jarenlang geloofd hebben en die we gebruiken als basis om te oordelen over het leven. Ik noem deze gedachten ‘onderliggende overtuigingen’. Onderliggende overtuigingen zijn meer algemene versies van onze verhalen. Het zijn net religies die we onbewust naleven. (182)


Opschieten

Stel dat je een alledaags klinkende gedachte hebt opgeschreven, zoals ‘George moet opschieten zodat we kunnen gaan wandelen’. Het onderzoek kan dan verscheidene niet-onderzochte gedachten naar boven brengen die verbonden zijn met ‘George moet opschieten’, zoals: ‘Het heden is niet zo goed als de toekomst.’ ‘Ik zou gelukkig zijn als ik mijn zin kreeg.’ ‘Het is mogelijk om tijd te verspillen.’ Als je vasthoudt aan deze onderliggende gedachten, wordt het leven pijnlijk in situaties waarin je moet wachten of waarin je vindt dat anderen te langzaam zijn. (182)


Hemel en hel

Onderliggende gedachten zijn de bouwstenen van je concept van de hemel en je concept van de hel. Ze laten je precies zien hou jij denkt dat je de realiteit zou verbeteren als je je zin kreeg, en hoe verschrikkelijk de realiteit er uit zou zien als je angsten werkelijkheid worden. Als je het allemaal ineen ziet storten – als je ontdekt dat die pijnlijke overtuigingen die we al die jaren met ons mee hebben gedragen niet waar zijn voor ons, dat we ze nooit nodig hebben gehad – krijg je een ongelooflijk gevoel van vrijheid.


Voorbeelden van onderliggende overtuigingen

Het is mogelijk om op het verkeerde moment op de verkeerde plek te zijn.
Het leven is oneerlijk.
Het is noodzakelijk om te weten wat je moet doen.
Ik kan jouw pijn voelen.
De dood is iets verdrietigs.
Het is mogelijk om iets mis te lopen.
Als ik niet lijd, houdt dat in dat ik onverschillig ben.
God straft me als ik niet goed leef.
Er is een leven na de dood.
Kinderen moeten hun ouders aardig vinden.
Er kan me iets verschrikkelijks overkomen.
Ouders zijn verantwoordelijk voor de keuzes van hun kind.
Het is mogelijk om een vergissing te maken.
Er is kwaad in de wereld. (183)


Geen touwtje

Beslissingen zijn makkelijk. Het is echter het verhaal dat je erover vertelt dat niet makkelijk is. Als je uit een vliegtuig springt en aan het touwtje van de parachute trekt en hij gaat niet open, word je bang. Er is nog een tweede touwtje om aan te trekken. Dus dan trek je daaraan, maar hij gaat ook niet open. En dat was het laatste touwtje. Nu hoef je geen beslissingen meer te nemen. Waar geen beslissing te nemen valt, is geen angst, dus geniet gewoon van de vlucht! En dat is mijn standpunt: ik houd van al wat is. Wat is, is dat er geen touwtje is om aan te trekken. Het gebeurt al. Vrije val. Ik heb er niets mee te maken. (211)


Alles weerspiegelt je eigen denken

Er is geen enkele gedachte of situatie die je niet aan het onderzoek kunt onderwerpen. Iedere gedachte, ieder mens, elk ogenschijnlijk probleem bestaat omwille van jouw vrijheid. Als je iets onacceptabel vindt of als er iets is waardoor je je verwijderd voelt van jezelf, kan het onderzoek je terugbrengen naar de rust die je voelde voordat je die gedachte geloofde.
Als je je niet volledig op je gemak voelt in de wereld, doe dan The Work. Dat is het doel van alle onprettige gevoelens, dat is het doel van pijn, het doel van geld, het doel van alles ter wereld: jouw zelfrealisatie. Alles is een spiegelbeeld van je eigen denken. Oordeel erover, onderzoek het, keer het om en bevrijd jezelf, als vrijheid is wat je wilt. Het is goed als je woede, angst of verdriet voelt. (218)


Een verkeerde voorstelling

Als je vaardigheid hebt ontwikkeld in het toepassen van The Work op mensen, kun je kwesties gaan onderzoeken als de wereldwijde hongersnood, fundamentalisme, bureaucratie, regering, seks, terrorisme of iedere onaangename gedachte die er door je heen gaat. Als je situaties onderzoekt en je oordelen omkeert, kom je erachter dat elk ogenschijnlijk probleem dat je ‘daar buiten’ tegenkomt, eigenlijk niets meer is dan een verkeerde voorstelling in je eigen denken. … ‘Ik houd niet van oorlog, omdat het mij bang maakt’ keert om in ‘ik houd niet van mijn denken, vooral over oorlog, omdat het me bang maakt’. Is dat net zo waar of meer waar? (219)


Voorbeelden van de omkering naar ‘mijn denken’

Oorspronkelijke uitspraak: Ik ben boos op bureaucraten, omdat ze mijn leven ingewikkeld maken.
Omkering: Ik ben boos op mijn denken, omdat het mijn leven ingewikkeld maakt.

Oorspronkelijke uitspraak: Ik houd niet van mijn handicap, omdat anderen me daardoor mijden.
Omkering: Ik houd niet van mijn denken, omdat ik daardoor anderen mijd. Ik houd niet van mijn denken omdat ik daardoor mezelf mijd.

Oorspronkelijke uitspraak: Ik wil dat seks teder en liefdevol is.
Omkering: Ik wil dat mijn denken teder en liefdevol is.


Lichamen hebben geen problemen

Lichamen denken niet, maken zich geen zorgen en hebben geen problemen met zichzelf. Ze schelden zichzelf nooit uit en schamen zich niet. Ze proberen alleen maar in balans te blijven en te genezen. Ze zijn zeer efficiënt, intelligent, vriendelijk en inventief. Als er geen gedachte is, is er geen probleem. Het is het verhaal dat we geloven, zolang we het niet hebben onderzocht, dat ons in de war brengt. Mijn pijn kan niet de schuld zijn van mijn lichaam. Ik vertel het verhaal van mijn lichaam, en omdat ik het niet heb onderzocht, geloof ik dat mijn lichaam het probleem is en dat ik wel gelukkig zou zijn als dit of dat maar veranderde. (223)


Ze zijn zo snel

Toen ik in 1986 een keer gemasseerd werd, had ik plotseling het gevoel dat ik verlamd raakte. Het was alsof alle gewrichtsbanden, pezen en spieren zich extreem aanspanden. Het leek op ‘rigor mortis’; ik kon helemaal niets meer bewegen. Ondertussen voelde ik me volmaakt rustig en gelukkig, omdat ik niet het verhaal vertelde dat het lichaam er op een bepaalde manier moet uitzien of soepel moet bewegen. Gedachten schoten door mijn hoofd, zoals: ‘Oh mijn God, ik kan me niet bewegen. Er is iets verschrikkelijks aan de hand.’ Maar het onderzoek dat binnenin mij leefde stond mij niet toe om aan deze gedachten vast te houden. Als het proces vertraagd zou worden en zich in woorden zou afspelen, zou het zo klinken: ”Je zult nooit meer kunnen lopen’, lieverd, kun je echt weten dat dat waar is?’ Ze zijn zo snel, die vier vragen. Uiteindelijk ontmoeten ze een gedachte op het moment van haar ontstaan. Op een gegeven moment, na ongeveer een uur, begon mijn lichaam te ontspannen en keerde het terug naar wat men de normale toestand zou noemen. Mijn lichaam kan nooit een probleem zijn als mijn denken gezond is. (224)


Vrouw zit in stoel

Toen mijn dochter Roxann zestien was, dronk ze veel en ze gebruikte ook drugs. … Ik bleef vaak op haar wachten tot ver na middernacht, alleen maar om het voorrecht haar te mogen zien, alleen maar om dat voorrecht. Ik wist dat ze dronk, en ik wist dat ik daar niets aan kon doen. De gedachten die in mijn hoofd opkwamen, klonken zo: ‘Ze zit vast dronken achter het stuur, en dan verongelukt ze, en dan zie ik haar nooit meer. Ik ben haar moeder, ik heb die auto voor haar gekocht. Ik ben verantwoordelijk, ik zou hem van haar af moeten pakken (maar ik kon hem niet van haar afpakken; ik had hem aan haar gegeven; hij was van haar), ze rijdt erin terwijl ze dronken is, en ze rijdt iemand dood, ze rijdt tegen een andere auto aan of tegen een lantaarnpaal en dat is ze dood, en haar passagiers ook.’ Als die gedachten verschenen, werden ze allemaal tegemoet getreden door een woordeloos, gedachteloos onderzoek. En het onderzoek bracht me meteen terug naar de realiteit. Dit was de waarheid: vrouw zit in een stoel te wachten op haar dierbare dochter. (230)


Niets kan ik weten

Katie: Kun je absoluut zeker weten dat het waar is dat de drugsverslaving van je dochter op de lange duur haar leven verwoest?
Charlotte: Nee.
Katie: … Wat ik ontdekte toen ik in 1986 The Work met mijn dochter deed, was dat ik heel diep moest gaan om dit te vinden. En het bleek dat haar leven door die verslaving vandaag de dag heel rijk is. Het komt erop neer dat ik gewoon niets kan weten. (236)


Geen probleem

Ik herinner me nog een heel bange vrouw die aan kanker stervende was. Ze had mij gevraagd om met haar te praten, dus ik ging naar haar toe. Ik ging naast haar zitten en zei: ‘Ik zie geen probleem.’ Ze zei: ‘Oh nee? Nou, ik zal je een probleem laten zien!’ En ze trok het laken van zich af. Een van haar benen was zo opgezwollen dat het minstens tweemaal zo dik was als het andere been. Ik keek en ik keek en ik zag nog steeds geen probleem. Ze zei: ‘Ben je soms blind? Kijk dan naar dit been. En kijk nu eens naar het andere.’ En ik zei: ‘Oh, nu begrijp ik wat het probleem is. Jij lijdt aan het idee dat dat been er net zo uit moet zien als het andere. En ze begreep het. Ze begon te lachen, en de angst stroomde naar buiten door haar gelach. (244)


Een dutje

Ooit bezocht ik in een verpleeghuis een vrouw die stervende was. Toen ik de kamer inliep, sliep ze, dus ik wachtte naast haar bed tot ze haar ogen opendeed. Ik pakte haar hand en we praatten even met elkaar, en ze zei: ‘Ik ben zo bang. Ik weet niet hoe ik moet sterven.’ En ik zei: ‘Lieverd, is dat waar?’ Ze zei: ‘Ja. Ik weet gewoon niet wat ik moet doen.’ Ik zei: ‘Toen ik binnenkwam, deed je een dutje. Weet je hoe je een dutje moet doen?’ Ze zei: ‘Natuurlijk.’ En ik zei: ‘Iedere nacht doe je je ogen dicht, en ga je slapen. Mensen verheugen zich op de slaap. De dood is niets meer dan dat. Erger dan dat wordt het niet, behalve dan je overtuiging die zegt dat er meer is.’ (244)


Nog zo’n concept

Verlies is nog zo’n concept. Ik was erbij toen mijn kleinzoon Racey werd geboren. Ik hield van hem op het eerste gezicht. Toen merkte ik dat hij niet ademde. De dokter keek zorgelijk en begon onmiddellijk van alles met de baby te doen. De verpleegsters merkten dat de standaardprocedures niet werkten, en je zag hoe de paniek zich meester maakte van de ruimte. Niets dat ze deden werkte – de baby haalde geen adem. Op een gegeven momtent keek Roxanne mij aan en ik glimlachte. Later vertelde ze me: ‘Weet je mam, die glimlach die je vaak op je gezicht hebt? Toen ik zag dat je me zo aankeek, werd ik overspoeld door een golf van vrede. En alles was voor mij in orde, ook al ademde de baby niet.’ (245)


Neem een toekomst

Als je in doodsangst wilt leven, neem dan een toekomst. (246)


Het oude zwarte-gatverhaal

Henry: Ik ben bang om dood te gaan.
Katie: Wat is het ergste dat er kan gebeuren als je doodgaat? Laten we daar eens wat mee spelen.
Henry: De dood van mijn lichaam.
Katie: En wat gebeurt er dan?
Henry: Dat weet ik niet.
Katie: Oké. Wat denk je dat het ergste is dat er kan gebeuren? Jij denkt dat er iets verschrikkelijks kan geburen. Wat is dat.
Henry: Dat de dood het einde is, en dat ik niet opnieuw geboren word. En dat er geen ziel is.
Katie: En dan? Je wordt niet opnieuw geboren. Er is geen ziel. Tot nu toe is er niets. Tot nu toe is niets het ergste dat je kan gebeuren. En dan?
Henry: Ja, maar het is pijnlijk.
Katie: Dus het niets is pijnlijk?
Henry: Ja.
Katie: Kun je echt weten dat dat waar is? Hoe kan niets pijnlijk zijn? Hoe kan het ook maar iets zijn? Niets is niets.
Henry: Ik stel me dit niets voor als een heel onaangenaam zwart gat.
Katie: Dus het niets is een zwart gat. Kun je absoluut zeker weten dat dat waar is? Ik zeg niet dat het niet zo is. Ik weet hoe dol je op je verhalen bent. Het is het oude zwarte-gatverhaal.
Henry: Ik denk dat dat het ergste is dat er kan gebeuren.
Katie: Oké. Dus als je doodgaat, verdwijn je voor altijd in een groot, zwart gat.
Henry: Of in de hel. Ik noem dit zwarte gat de hel.
Katie: Voor altijd in een grote, zwarte hellepoel.
Henry: En daar is het hellevuur.
Katie: Voor altijd in een groot, zwart hellepoelvuur.
Henry: Ja, en afgesloten van God.
Katie: Helemaal afgesloten van God. Voor altijd vuur en duisternis in deze grote, zwarte hellepoel. Nu wil ik je vragen, kun je absoluut weten dat dat waar is?
Henry: Nee, dat kan ik niet.
Katie: Hoe voelt het als je die gedachte gelooft?
Henry [huilend]: Het doet pijn. Het is afschuwelijk.
Katie: Lieverd, kijk me aan. Heb je op dit moment contact met je gevoel? Kijk eens naar jezelf. Dit is het zwarte gat van de hel. Je zit er middenin. Het komt niet straks. Erger dan deze doodsangst wordt het niet. (246-247)


En daar is het al

Henry: Ik maak me zorgen over alles wat ik nu doe, omdat ik denkt dat ik het later goed moet maken en dat ik er misschien zelfs voor gestraft word of op zijn minst vele levens lang moet lijden omdat ik zo veel mensen in mijn leven kwaad heb gedaan. …
Katie: Reïncarnatie kan voor sommige mensen een bruikbaar concept zijn, maar het is mijn ervaring dat er niets reïncarneert, behalve een gedachte. ‘Ik. Ik ben. Ik ben een vrouw. Ik ben een vrouw met kinderen.’ Enzovoort tot in het oneindige. Wil je een einde maken aan je karma? Dat is heel makkelijk. Ik. ‘Ik ben’, is het waar? Wie zou ik zijn zonder dit verhaal? Geen enkel karma. En ik kijk uit naar het volgende leven, en daar is het al. Het heet ‘nu’. (250)


Wie denkt?

Wie denkt dat dood verdrietig is? Wie denkt dat een kind niet hoort dood te gaan? Wie denkt dat hij überhaupt weet wat de dood is? Wie probeert God iets te leren, met het ene na het andere verhaal, de ene na de andere gedachte? Ben jij dat? (280)


Het graf

Concepten zijn het graf waarin we onszelf begraven. (281)


Een blad

Je rouwt niet als de maaimachine het gras afsnijdt. Je zoekt niet naar de perfectie in de dood van het gras, omdat het zichtbaar voor je is. Als het gras groeit, maai je het. In de herfst rouw je niet als de bladeren vallen en afsterven. Je zegt: ‘Wat prachtig!’ Nou, wij zijn net zo. We hebben seizoenen. Vroeg of laat vallen we allemaal. Het is allemaal zo mooi. En zonder het onderzoek weerhouden onze concepten ons ervan dat te zien. Het is mooi om een blad te zijn, geboren te worden, te vallen, plaats te maken voor het volgende blad, voedsel te worden voor de wortels. Dat is het leven, dat altijd van vorm verandert en zichzelf altijd volledig geeft. We spelen allemaal onze rol. Geen vergissing mogelijk. (285)


Het enige dat leeft

Laat mij de dood zien. Pak een microscoop en laat het me zien. Leg de cellen van een dood lichaam onder de lens en laat me zien wat de dood is. Is het meer dan een concept? Waar leeft Sam? Hier [raakt haar hart en hoofd aan]. Je wordt wakker en je denkt aan hem: dat is de plek waar Sam leeft. ’s Avonds ga je slapen, en daar is hij, in je gedachten. En iedere nacht als je gaat slapen, als je niet droomt, is dat de dood. Als er geen verhaal is, is er geen leven. Je doet ’s ochtends je ogen open, en het ‘ik’ begint. Het leven begint. Het verhaal van Sam begint. Miste je hem voordat het verhaal begon? Het enige dat leeft is een verhaal, en als we die verhalen met begrip tegemoet treden, beginnen we echt te leven, zonder het lijden. (287)


Spirituele ideeën veranderen altijd in dogma’s

Vraag: Hoe kan ik leren van mezelf te houden?
Antwoord: ‘Je moet van jezelf houden’, is dat waar? Hoe behandel je jezelf als je gelooft in de gedachte dat je van jezelf moet houden, en je doet het niet? Kun je een reden vinden om dat verhaal los te laten? En ik vraag je niet om je heilige concept los te laten. Wie zou je zijn zonder het verhaal ‘je moet van jezelf houden’? Wat is het exacte tegenovergestelde? ‘Je hoeft niet van jezelf te houden.’ Voelt dat niet wat natuurlijker? Je hoeft nog niet van jezelf te houden; niet totdat je dat wel doet. Dit zijn heilige concepten, deze spirituele ideeën veranderen altijd in dogma’s. (311)


Hoe wisten ze dat?

Ik ben het verhaal van wie jij denkt dat ik ben, niet wie ik echt ben. Jij ziet me als oud, jong, mooi, lelijk, eerlijk, onbetrouwbaar, zorgzaam, onverschillig. Ik ben voor jou je niet-onderzochte verhaal, je eigen mythe.
Ik begrijp dat zoals jij mij ziet voor jou de waarheid is. Ik was ook onschuldig en goedgelovig, maar niet langer dan drieënveertig jaar, tot het moment waarop ik wakker werd en de dingen zag zoals ze werkelijk zijn. ‘Het is een boom. Het is een tafel. Het is een stoel.’ Is het waar? Heb je erbij stilgestaan om het jezelf te vragen? Ben je ooit stil geworden om te luisteren terwijl jij het aan jou vroeg? Wie heeft je verteld dat het een boom was? Wie was de oorspronkelijke deskundige? Hoe wisten ze dat? Mijn hele leven, mijn hele identiteit, was gebouwd op het vertrouwen en de goedgelovige onschuld van een kind dat zichzelf niets afvraagt. Ben jij zo’n kind? (312)


Het doen ontmoet het ongedaan maken

Sommigen zeggen: ‘Maar Katie, jouw geluk is alleen maar een projectie’, en dan zeg ik: ‘Ja, is het niet prachtig? Ik geniet van deze gelukkige droom waarin ik leef. Ik vermaak me geweldig!’ Als je in de hemel leefde, zou je dan willen dat dat ophield? Het houdt niet op. Dat kan niet. Dat is wat waar is voor mij, tot het niet meer zo is. Als het moet veranderen, heb ik altijd het onderzoek. Ik beantwoord de vragen, de waarheid dringt tot me door, en het doen ontmoet het ongedaan maken, het iets ontmoet het niets. In het evenwicht tussen die twee helften ben ik vrij. (312)


Ook niet waar

Vraag: Soms zeg je: ‘God is alles, God is goed.’ Is dat niet gewoon weer een overtuiging?
Antwoord: God, zoals ik dat woord gebruik, is een andere naam voor dat wat is. Ik ken altijd Gods intentie: zij is precies wat er op ieder moment is. Dat hoef ik me niet meer af te vragen. Ik bemoei me niet meer met Gods zaken. Het is heel simpel. En vanuit die basis is het duidelijk dat alles perfect is. De laatste waarheid – ik noem die het laatste oordeel – is ‘God is alles, God is goed’. Mensen die dit echt begrijpen hebben geen onderzoek nodig. Uiteraard is uiteindelijk ook dit niet waar. Maar als het voor jou werkt, zeg ik, houd eraan vast en geniet van je leven. (314)


Voorbij alle waarheden

Alle zogenaamde waarheden vallen uiteindelijk weg. Iedere waarheid is een vervormd beeld van dat wat is. Als we onderzoeken, verliezen we zelfs de laatste waarheid. En die staat, voorbij alle waarheden, is de ware intimiteit. Dat is God-realisatie. En welkom bij de terugkeer. Het is altijd een begin. (314)


Al voorbij

Maar zelfs het nu is een concept. Zelfs terwijl de gedachte zichzelf voltooit, is het nu voorbij, zonder enig bewijs dat het ooit heeft bestaan behalve als een concept dat jou deed geloven dat het bestond; en nu is ook dat verdwenen. De realiteit is altijd het verhaal van een verleden. Het is al voorbij voordat je het kunt grijpen. (315)


De waarheid van het moment

Vraag: Ik vind het moeilijk om de waarheid te vertellen, omdat die voor mij steeds verandert. Hoe kan ik consequent de waarheid spreken?
Antwoord: De menselijke ervaring verandert voortdurend, ook al komt de integriteit nooit van zijn plek. Ik zou zeggen, laten we beginnen vanaf het punt waar we nu zijn. Kunnen we gewoon de waarheid vertellen zoals die zich nu voordoet, zonder hem te vergelijken met wat een moment geleden waar was? Als je het me later nog eens vraagt, heb ik misschien een ander oprecht antwoord. ‘Katie, heb je dorst?’ Nee. ‘Katie, heb je dorst?’ Ja. Ik spreek altijd de waarheid van dat moment. Ja, nee, ja, ja, nee. Dat is de waarheid. (315)


Van gedachten veranderen

Ik heb gemerkt dat mensen die The Work een tijdje doen, heel helder worden over de waarheid zoals zij die zien. Het wordt gemakkelijk om die waarheid als vaste basis te zien, en gemakkelijk om flexibel te zijn en van gedachten te veranderen. Eerlijk zijn op het moment zelf gaat dan vanzelf. Ken jij iemand die nooit van gedachten is veranderd? Deze deur was een boom, en later zal het voor iemand brandhout zijn, en dan wordt het weer lucht en aarde. Zo zijn we allemaal, we veranderen voortdurend. (316)


Alweer een concept

Vraag: Zo veel mensen, zo veel zielen raken verlicht. Er lijkt een universeel, collectief verlangen naar te zijn, een gemeenschappelijk ontwaken, alsof er maar één organisme is, één wezen, dat wakker wordt. Is dat ook jouw ervaring?
Antwoord: Daar weet ik niets van. Het enige dat ik weet is dat je onderzoek moet doen als je pijn hebt. Verlichting is niets meer dan een spiritueel concept, weer iets om naar te verlangen in een toekomst die nooit komt. Zelfs de hoogste waarheid is niets meer dan alweer een concept. Voor mij is de ervaring alles, en dat is wat het onderzoek onthult. Alles wat pijn doet is ongedaan gemaakt, nu, nu, nu. (316)


En dan stort alles ineen

Mensen praten over zelfrealisatie, en dit is het! Kun je gewoon in alle tevredenheid in- en uitademen? Wie maakt zich druk over verlichting als je op dit moment gelukkig bent? Verlicht jezelf op dit moment. Kun je dat doen? En dan, uiteindelijk, stort alles ineen. (317)


Het Halve Werk

Vraag: Moeten alle overtuigingen ongedaan worden gemaakt?
Antwoord: Onderzoek alle overtuigingen die jou pijn bezorgen. Maak jezelf wakker uit je nachtmerries, en de zoete dromen zorgen wel voor zichzelf. Als je innerlijke wereld vrij en fantastisch is, waarom zou je die dan willen veranderen? Als de droom mooi is, wie wil er dan nog wakker worden? En als je dromen niet mooi zijn, welkom bij The Work.


uit De roep in de woestijn: de weg van Byron Katie, Christin Lore Weber, 2000:


Ont-ken

In den beginne was het woord. Ont-ken het woord. (9)


Alles

Niet-weten is alles. (34)


Hé, een been

Ik had geen flauw benul. Ik deed gewoon mijn ogen open. Ik ging douchen en ontdekte een been! En was dat ook nog van mij? En mijn handen waren aan het wassen en ik dacht: ‘Wat doet het nu?’ (37)


Zonder interpreteren

Angst gaat altijd over de toekomst. Het verleden bestaat sowieso al niet, behalve dan als afgestompt spiegelbeeld. Ofwel we laten de interpretaties los en kunnen letterlijk zien, ofwel we gaan dood omdat leven in het verleden, zoals wij dat zijn gaan interpreteren, niets anders is dan één grote braspartij van zonde en schuld. Als je letterlijk kunt zien en horen, zonder te interpreteren, blijf je leeftijdloos … oneindig. (91)


Ik hoef niets uit te puzzelen

Ik ‘weet’ niets. Ik hoef niets uit te puzzelen. Ik heb in de loop der tijd drieënveertig jaar gedachten die nergens toe leiden opgegeven […]. (130)


Duizend doden sterven

Als ik me ervan bewust wil zijn dat ik het leven ten volle leef, moet ik erin slagen duizenden malen per dag te sterven. Elke overtuiging die ik laat varen is de dood, de dood van oude concepten/overtuigingen die me niets opleveren, overtuigingen die werden doorgegeven vanaf het begin der gedachten, wat jullie de tijd noemen. (135)


Maar één

Er bestaat slechts één dood: het wegvallen van een onware overtuiging. (135)


Stervende

Dus ontwaken uit een onjuiste overtuiging, dat is het Leven. De mens leeft letterlijk stervende. Leven om te sterven! (136)


Niemand weet

Het is waanzin om mezelf zo te misleiden dat ik ga denken dat de dood verkeerd is. Niemand weet of de dood slecht is. (137)