Cornelis Verhoeven

‘Eén millimeter onder de gladde oppervlakte wordt de wereld al onbegrijpelijkheid.’ Citaten van hoogleraar, essayist en filosoof van de verwondering Cornelis Verhoeven (1928-2001).

Titels en redactie Hans van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Cornelis Verhoeven


Inhoud

Bijna niets (1970)


Zinloos

Syllogismen hebben geen inhoud. Logische uitspraken zijn zinloos. Zij zeggen alleen wat wij al weten en leren ons niets. Uit geconstateerde feiten is geen conclusie te trekken die andere feiten bevat dan de geconstateerde. Tot feiten valt niet te concluderen; zij kunnen alleen maar geconstateerd worden als het verbazingwekkend andere ten opzichte van wat gedacht werd. (pagina 45)


De niet-identiteit van zijn en denken

In de orde van de feitelijkheid is de logica zelf onzinnig en machteloos. Zij kan alleen een net weven om er feiten in te vangen, maar niet beslissen over de zin van de vangst. Terwijl het denken niets kan denken wat zich tegen het denken richt, is het feit datgene wat ten opzichte van het denken altijd anders en verrassend is, de grote vis die het net laat scheuren. Het feit is de niet-identiteit van zijn en denken, het ‘bijna alles’ wat er is tussen gedachte mogelijkheid en werkelijkheid. (46)


Katalepsis

Bij woorden als ‘begrip’ en ‘begrijpen’ denken wij aan ‘grijpen’, niet aan gegrepen worden. Hetzelfde is al het geval bij het Latijnse ‘comprehensio’, waarvan ‘begrip’ de vertaling is. Maar het Latijnse woord is op zijn beurt de vertaling van het Griekse ‘katalepsis’, dat in de samenstelling ‘kataleptische voorstelling’ eerder een passieve dan een actieve betekenis heeft. Denken is gegrepen worden door het werkelijkheidskarakter van de voorstelling. Constructies kunnen nooit vanzelfsprekend worden, omdat ze nooit restloos te verantwoorden zijn. Het denken begint met een destructie. (48)


De tautologie

Niet de vanzelfsprekendheid, maar de verwondering is het waardoor de tautologie geïnspireerd en bewogen wordt. Logisch is zij bijna niets, maar lyrisch is zij alles. Zij wordt dan ook niet gezegd, maar gedeclameerd: een hond is een hónd, en hónd is iets heel anders dan een hond. Zij zijn niet te vergelijken; de tautologie ontkent die vergelijkbaarheid. De werkelijkheid verpletterd telkens weer het gemakkelijke gepraat. (50)


Tegen de vanzelfsprekendheid in

Het tautologisch spreken is een nadrukkelijke manier om al sprekend naar die werkelijkheid te verwijzen; het gaat tegen de vanzelfsprekendheid in door bijna niets te zeggen en zo veel mogelijk te verwijzen. Wanneer ik zeg ‘een hond is een hónd’, spreek ik niet over een gedachte mogelijkheid, maar negeer ik alle mogelijkheden en gedachten ten gunste van een verrassende werkelijkheid; ik verwijs naar een onvervangbare ervaring, ik begeef mij buiten mijn papier. … Het denken begint hiermee dat de tautologie haar vanzelfsprekendheid verliest en daardoor vanuit de werkelijkheid substantie krijgt. (50)


Verdwijnen

De schrijver is iemand die moet verdwijnen achter zijn tekst. Hij is zelf bijna niets, een licht ding, zegt Plato, niets dan een oog, zegt Mulisch. Hij is niemand en heeft geen meningen. ‘Zolang de punt van mijn pen niet namens afsplitsingen op het papier staat, ben ik het onbetrouwbaarste element op aarde, bereid iedereen toe te takelen die meningen heeft, onverschillig welke. Ook mijzelf op dit ogenblik, want ik verkondig een mening, al is het een anti-mening. Mijn maatschappelijke, psychologische identiteit staat nergens vast; neen, ik heb er geen. Alleen inzoverre staat zij vast – en misschien definitiever dan die van velen, die niemand zijn.’ (81)


Litteken

De schrijver is wat hij geweest is, maar hij is nu juist degene die dat niet wil zijn. Dus is hij alleen een litteken. Eigenlijk mag zijn naam niet genoemd worden, want die naam slokt zijn tekst op. (81)


Niemand zijn

Het verbod van de naam … is niet helemaal beperkt tot exotische en archaïsche culturen, waar de naam wordt opgevat als een hatelijke categorisering, een nummer, en daarom geheim gehouden moet worden. Ook in de westerse cultuur is iets dergelijks vanouds bekend: nomina sunt odiosa, namen zijn instrumenten van haat en nijd. Odysseus wil ‘Niemand’ zijn, Jahweh wil alleen zijn wie hij zal blijken te zijn. (81)


Geweest zijn

Het pseudoniem is de uitdrukking van de problematisch geworden identiteit van de schrijver. Het is een poging om de eenzinnig omschrijvende werking van de naam … te ontkomen en de vrijheid te herstellen. Evenmin als van de schrijver staat van de tekst de identiteit vast. Een auteur geeft iets te lezen dwz. te verzamelen en te interpreteren. Zijn tekst is even veelzinnig als zijn persoon en zijn naam. Zijn naam moet er alleen maar geweest zijn. (82)


Zonder identiteit

De naam is behalve een bevestiging van de individualiteit ook een determinerende en classificerende aanduiding. Hij beperkt. … Vrijheid is de mogelijkheid tot zelfdeterminering. In negatieve zin is zij een bestaan zonder determinaties en kwalificaties en dus zonder identiteit. (83)


Odysseus

Odysseus zegt tegen de Cycloop dat hij ‘Niemand’ heet. … Hij is niemand; hij is door geen naam te noemen. Hij noemt zich ‘niemand’ omdat hij een ware, juist voor hem passende naam niet kan vinden. Hij noemt zich met andere woorden in zijn anonieme niet-identiteit. … Dat ‘niemand’ is geen zuivere negatie van het persoon zijn, maar een potentialiteit van iedereen zijn, een uitdrukking dus van zijn ineffabele en onbeschrijfelijke gecompliceerdheid. De ontkenning is hier een afwijzing van de beperking. (83/84)


Geladen

Is niet iets dergelijks ook het geval, wanneer Jahweh zich tegenover Mozes noemt ‘ik ben’, ‘de zijnde’ of ‘ik zal zijn die ik zijn zal’? Is dit niet het afweren van elke naam als te voortijdig, een reduplicerend uitstel van identiteit? De oudtestamentische mens durfde de naam van zijn god niet uitspreken, zozeer was hij overtuigd van de gecompliceerdheid van zijn wezen. God is naamloos, maar zijn anonimiteit is het tegendeel van afwezigheid; zij is geladen met oneindig veel mogelijkheden van benaming. Er is alleen een keuze tussen het verzwijgen en de litanie van duizend- en dus altijd te weinig – namen. (85)


Een cijfer van de eindeloosheid

De dichter die namen geeft aan de dingen, begint met zich zelf een naam te geven, zijn eerste daad van vrijheid en dichterlijkheid. Maar dit pseudoniem is in de grond even willekeurig en teleurstellend als de familienaam. Zonder beslissing, zonder te berusten in de beperktheid van de keuze vindt de schrijver nooit een schuilnaam. Zeer gecompliceerde schrijvers als Kierkegaard gebruikten niet één, maar een hele reeks van schuilnamen die telkens weer verworpen werden. Niet alleen werd hierdoor elk nieuw werk als een geheel ander werk aangekondigd en daarmee onttrokken aan te snelle identificatie met de persoon van de auteur, maar tegelijk werden hiermee stadia in de wording van een identiteit gemarkeerd. De veelheid is een cijfer van de eindeloosheid. Uiteindelijk kan een mens zich zelf geen naam geven en zijn eigen identiteit bepalen. (85)


Victor Eremita

Behalve het berusten in de familienaam, in de gekozen schuilnaam of het gebruiken van meerdere namen, is er nog een andere manier om zich een pseudoniem te geven zonder zich daarmee te identificeren. Dat is de wijze waarop Kierkegaard … zijn pseudoniemen kiest. Daar ligt een mystiek element in; het zijn vreemde, Latijnse namen, Johannes Climacus, Frater Taciturnus, Johannes de Silentio, Vigilius Haufniensis, Victor Eremita, Quidam, Constantin Constantius, namen die niemand echt kan dragen. De vreemde, mystieke naam ligt dichter bij de naam ‘niemand’ in zijn potentiële geladenheid dan de verstaanbare en burgerlijk klinkende schuilnaam die evengoed familienaam zou kunnen zijn. Het mystieke is het esoterische, ineffabile. De mystieke benaming, ofschoon even willekeurig als de gebruikelijke, heeft minder een determinerende betekenis. Door de geheimzinnigheid van het mystieke woord redt hij de onbepaalbare vrijheid van de persoon. (86)


Te zwaar

… het avontuur van het denken kan niet van start komen zonder een grondig vertrouwen in een uitgestelde identiteit van schrijven en spreken, taal en werkelijkheid, denken en taal. Er is geen parallelliteit die door een god in stand gehouden wordt, er is identiteit in uitstel. Het woord is geen teken dat naar iets anders verwijst, maar een symbool dat naar zich zelf verwijst, een identiteit van teken en betekende. Het woord heeft in zich zelf een slordige rest aan wereld, opgeslokt bij zijn oorsprong. Taal is metafoor, dwz. meenemer, of zij is niets. De schrijver tilt voortdurend aan deze metafoor en krijgt haar niet van de grond. (100)


Een formule

Een dogma is een eindprodukt van een lange reeks pogingen tot adequate formulering. Maar die pogingen houden een interpretatie, een manipulatie met de boodschap in, waardoor het bericht omtrent datgene wat gebeurd is, wordt tot een leer omtrent datgene wat moet gebeuren. Het dogma verschilt alleen hierin van de levende interpretatie, dat het zelf, eenmaal geformuleerd, iedere nieuwe interpretatie afwijst. Het is een formule die pretendeert een eeuwige waarheid op definitieve wijze onder woorden te brengen zonder zich aan een proces van verificatie te willen onderwerpen. (200)


Gebrek aan interesse

In de dogmatische verkondiging speelt de voorgeschiedenis van het dogma nauwelijks een rol meer. Het proces van interpreteren en systematiseren, waarin de boodschap tot dogmatische formule wordt, lijkt in deze verkondiging afgestoten te zijn als een overbodig geworden prehistorische rest. De onveranderlijkheid die zo ontstaat is niet de reflex van een eeuwige waarheid, maar het produkt van een ontkenningen een verstarring. Wanneer eeuwenlang op dezelfde wijze eenzelfde boodschap is verkondigd, wijst dit allerminst ondubbelzinnig op de eeuwigheidswaarde van die boodschap, maar veeleer op een gebrek aan levende interesse daarvoor. (201)


Zwijgen

Op zich zelf is het zwijgen niet dieper, mysterieuzer, vromer of minder dubbelzinnig dan het spreken. Het is geen adequater benadering van eventuele mysteries. Nog minder is het een paradoxaal laatste woord. Het zwijgen valt onder dezelfde wetten als de taal, het is er gelijktijdig mee. Woorden zijn geladen met zwijgen en het zwijgen met woorden. Het een geeft reliëf aan het ander, maar zij kunnen elkaar niet van hun meerzinnigheid verlossen. Het zwijgen spatieert de woorden; dankzij die spatie worden zij zichtbaar en krijgen zij betekenis, een meerzinnig betekenis. Het zwijgen lost geen enkel probleem op. (219)


Versteende vanzelfsprekendheden

Een handeling die wij herhalen, wordt op de duur tot een gewoonte; wat telkens weer om ons heen gebeurt, krijgt een vanzelfsprekendheid. Gewoonte en vanzelfsprekendheid scheppen een patroon van onnadenkendheid, waarin wij ons beschermen tegen de vernietigende werking van de verbazing. Wij leven op een substraat van versteende vanzelfsprekendheden die nooit meer ter discussie gesteld worden. Wie zich over zijn ademhaling verbaast, krijgt daar moeilijkheden mee en wie het moment wil meemaken waarop hij inslaapt, blijft wakker liggen. (224)


Geboren worden of verrijzen

‘Welke reden heeft men,’ vraagt Pascal zich af, ‘om te zeggen dat de mens niet kan verrijzen? Wat is moeilijker: geboren worden of verrijzen? En wat is onwaarschijnlijker: dat hetgeen nooit gebeurd is, gebeurt of dat wat al geweest is blijft bestaan? Is het moeilijker in het bestaan te komen dan erin terug te komen? Gewoonte maakt het ons gemakkelijk het een voor te stellen en gebrek aan gewoonte maakt het ons onmogelijk het andere te denken.’ (225)


Gegrepen worden

Maar consequentie en innerlijke samenhang is niet de enige taak van het denken. Verwondering is fundamenteler en zij leeft juist bij de gratie van het tegenstrijdige. Het gaat er immers niet alleen om te begrijpen, eigenmachtig een greep te doen naar de werkelijkheid, maar evenzeer om gegrepen te worden, zich de weg te laten wijzen door onbegrjipelijke, maar onontkoombare tekens van ‘mystieke’ aard. (226)


Een breukloos, naadloos bestaan

Eenmaal losgerukt uit een beschermende context die vragen beantwoordt door te voorkomen dat ze gesteld worden, kunnen we daarin blijkbaar niet terugkeren zonder voor altijd het litteken van de vervreemding, een spoor van het andere met ons mee te dragen. Als het onjuist is te veronderstellen dat dit spoor ons op een of andere manier de weg wijst – of de ruimte geeft -, is onze dwaaltocht een uitzichtloze onderneming. De vervreemding is niet te genezen zonder het ‘bijna niets’ van een onherstelbaar litteken, aanwijzing van een voortdurend dreigende breuk. Een breukloos, naadloos bestaan is voor ons niet weggelegd. Wij leven, bewegen en zijn in de breuk. (248)


De duivelsvraag (1983)


Niet te verzinnen

De vragen worden op zichzelf teruggeworpen en moeten zich corrigeren tot een verwondering over het feit dat het zo was. In die verwondering krijgt het ‘dat’ de overhand over het ‘waarom’. Het een is te constateren, het ander moet geconstrueerd worden. Respect voor de onvervangbare en niet te verzinnen werkelijkheid kan leiden tot een zwijgzame beschouwelijkheid en afkeer van het eindeloze ‘waarom’. (7)


Het verpletterende ‘dat’

Voor beschouwelijkheid kan maar in heel beperkte zin gepleit worden. Want niet alleen moet de suggestie vermeden worden dat zij het enige en hoogste goed is; zij is ook niet een houding die wij naar willekeur kunnen aannemen en dan als een soort van instrument gebruiken. Als zij al een houding is, dan is zij er een die mensen overkomt wanneer zij tegenover het verpletterende ‘dat’ van de werkelijkheid staan. (8)


Sprakeloos

Een al te pretentieuze verklaring van het zwijgen van anderen maakt er een ondubbelzinnige taal van en negeert al zijn intenties voorzover het die heeft. Ik heb zelfs geen zekerheid wat betreft mijn eigen zwijgen, al vermoed ik dat het, wat het ook mag uitwerken, geen instrument is om dat effect te bereiken. Het is rijkelijk triomfalistisch om het zwijgen als middel te beschouwen, niet als onmacht of sprakeloosheid. En er zijn redenen genoeg om sprakeloos te zijn. (11)


De vraag naar het waarom

Onder alle vragen waren die naar het ‘waarom’ blijkbaar het zwaarst belast. Ik herinner mij niet dat een antwoord werd geweigerd met een beroep op gebrek aan tijd of kennis van zaken; het werd niet uitgesteld tot nader order of verwezen naar een deskundige.

Er was ook geen sprake van ongeduld, integendeel: er werd met voorbeeldig geduld en lankmoedigheid gewacht, niet tot de tijd rijp was voor het goede antwoord, maar tot de kinderziekte van het vragen voorbij was. En zij ging voorbij.

In afwachting van het wijzer worden werd een heel arsenaal van standaard-antwoorden gehanteerd, waaronder vooral het rijmende ‘daarom’. Dit antwoord komt tegemoet aan de veronderstelling van de waarom-vraag, namelijk dat er een antwoord mogelijk is. Het maakt gebruik van hetzelfde schema, maar vult daarop niets in. Het is dus het meest tergende antwoord dat zich laat denken, omdat het alleen maar de honende echo van de vraag is. (13)


Duivelsvraag

De vraag naar het waarom is een duivelsvraag omdat zij lijkt te tornen aan de door God ingestelde orde. En als daaraan word getornd, kan het hele breiwerk wel eens uitgetrokken worden. Zij is de laatste en meest fundamentele vraag en het moeilijkst te beantwoorden. Zij moet dus vermeden worden en omdat zij vermeden moet worden, zijn alle vragen verdacht, hoe argeloos zij er ook uitzien. De duivel zit erachter met zijn destructieve bedoelingen. (15)


Kinderziekte

En misschien worden alle vragen en elke verwondering wel als kinderachtig beschouwd om ze nog meer verdacht te maken. Vragen moeten voorbijgaan als een kinderziekte. In de theologie van de vanzelfsprekendheid wordt het kind gediaboliseerd omdat het zich in zijn argeloosheid naar de rand van een zuigende afgrond begeeft. Een volwassene verwondert zich niet en heeft evenmin vragen als antwoorden. Alles is zoals het is omdat het is zoals het is en altijd zo geweest is. Louter tautologie is de drassige bodem waaruit de bronnen van die wijsheid opwellen. (15)


Een crisis

Een dergelijke ontmaskering van het taboe op de vraag, met voldoende waarschijnlijkheid in zich om enige tijd inspirerend te zijn, kan leiden tot het doorzetten van de vraag en het betreden van een weg die als ‘zelfstandig onderzoek’ kan worden aangeduid en geacht wordt te leiden tot een soliedere vorm van volwassenheid dan die welke in het vooruitzicht wordt gesteld door het volgen van de traditie. In de plaats van een directe groei komt nu een proces waarin een crisis, een negatieve fase of een omweg is opgenomen. (17)


Breekijzer

In dit onderzoek verliest de wereld voorlopig zijn vanzelfsprekendheid. De duivelsvraag werkt als een breekijzer. Zij doet dat alleen al door een vraag te zijn, tegendeel van een bevestiging. Zij duwt het gereedliggende ‘daarom’ opzij en slaat een bres in de massieve wereld. De continuïteit met de traditie, het voorgeslacht en de gemeenschap wordt op het spel gezet. Dat is een groot risico, maar het is beter dat de wereld vergaat dan dat hij onverklaard blijft voortbestaan. (17)


Een avontuur

De vraag is het begin van een avontuur waarvan niemand weet hoe het zal eindigen. Want niets lijkt van buiten af de koers te bepalen van degene die kritisch op onderzoek uit gaat en het taboe op de vraag doorbreekt. En zelfs onzekerheid en dooltochten op eigen risico zijn te verkiezen boven de meest veilige afhankelijkheid ten opzichte van gezag en traditie. (18)


Eigenmachtigheid

Ik betwijfel intussen of die vraag naar het waarom alleen maar omdat ze een vraag was, een ‘duivelsvraag’ werd genoemd. Ik vermoed dat de vraag negatief werd getaxeerd omdat zij al de aanzet bevatte tot een antwoord of de suggestie dat een redelijk antwoord onmogelijk zou blijken, vooral bij opgelegde verplichtingen en merkwaardige gewoonten. De vraag is niet argeloos, zoals de verwondering. Zij is al gestructureerd, minstens in de zin dat zij een kader veronderstelt of schept waarin een antwoord past. Zij oefent een dwingende werking uit op de persoon tot wie ze wordt gericht. In de vraag, en vooral in de waarom-vraag, drukt de eigenmachtigheid van de vraagsteller al triomfantelijk een stempel op de werkelijkheid. Ik kan niet vragen ‘waarom’ zonder al a priori de mogelijkheid van een causale verklaring te veronderstellen of te eisen. De vraag komt niet tegelijk op met de verwondering over de werkelijkheid en komt daar ook niet noodzakelijk uit voort. (26)


Geloof in alwetendheid

De vragen van een kind, nemen we aan, komen voort uit een geloof in de alwetendheid van de volwassenen. Als het antwoord uitblijft, lijkt dat weten alleen maar verborgen gehouden te worden, niet te ontbreken. Het is, dunkt mij, niet onmogelijk dat het geloof in de causale verklaarbaarheid van alles een rechtstreeks voortzetting is van een kinderlijk geloof in de alwetendheid van de volwassenen. Wat het kind niet weet, daarvan neemt het aan dat het wordt geweten en dat dit hogere weten alle antwoorden op al zijn vragen omvat. (26)


Ongeloof in de veranderbaarheid

Rebellen verschillen van anarchisten hierin dat zij geloven in macht en ervan uitgaan dat die macht de wereld heeft gemaakt en in stand gehouden. Als hun een antwoord wordt geweigerd, kunnen zij zich gemanipuleerd voelen door de machten aan wie zij het ontwerpen van dingen en regels toeschrijven. Het geloof in de verklaarbaarheid zou zo’n geloof in een verborgen geheim kunnen zijn. De heldendaad van de vraagsteller of zijn zondeval is dan een poging om aan die machten dit geheim te ontfutselen en het vuur naar de aarde te brengen.

Wie het geheim steelt, neemt ook de bevoegdheid en het initiatief over. De mythe van de restloze causale verklaring is rechtstreeks verbonden met de mythe van het maken en met de droom van macht en regelende activiteit. Het uiteindelijke doel van de rebel is niet de belangeloze beschouwing of alleen maar de verklaring van de verschijnselen, maar de macht daarover. Scepsis ten opzichte van de verklaarbaarheid van de dingen moet in de logica van de rebellen samengaan met ongeloof in de veranderbaarheid daarvan en met anarchie, ongeloof in macht. Wie niet gelooft dat de wereld een machine is, dreigt ervan af te zien daaraan iets bij te stellen of er iets mee te produceren. (27)


Een omweg zonder einde

Eén draadje daaruit meen ik te kunnen volgen: los van bevel en gezag kan het stellen van de waaromvraag ontraden of verboden worden, omdat die vraag ons op een omweg zonder einde voert en, zoals ook van lezen werd gezegd, ‘gek’ maakt en vervreemdt van de samenleving. (30)


Middelmaat verandert nooit

Middelmaat verandert nooit; zij doet niet aan de geschiedenis mee en werkt dus eerder als een natuurwet dan als een historische kracht. Van vragen wordt iemand alleen wijs als hij voor de hand liggende dingen vraagt, niet het waarom van alles. De vraag naar het ‘waarom’ die niet onmiddellijk gevolgd kan worden door een sluitend ‘daarom’ waarna alles weer gewoon is, tast de vitale oppervlakkigheid aan, de mate van vanzelfsprekendheid die wij nodig hebben om in leven en bij elkaar te blijven. (31)


Een werkelijk radicale verwondering

Als een werkelijk radicale verwondering, waarvan Plato eerder blijk geeft dan Aristoteles, en waarin bij wijze van spreken over de rand van de afgrond wordt gekeken, op het scherp tussen zijn en niet zijn, meer is gericht op het ‘dat’ dan op het ‘hoe’ of ‘waarom’ van de werkelijkheid, blijkt ze alleen maar uit te roeien met de werkelijkheid zelf en verliest zij na een causale verklaring, gesteld dat die te geven is, niet haar reden van bestaan, gesteld dat zij die heeft. (39)


Met rust laten

Verwondering is, omdat zij mensen overkomt, moeilijk te hanteren en het blijkt hachelijk te zijn haar tot een vraag te herleiden. Zij is als gevoel zo vaag, dat we er alle kanten mee uit kunnen. Maar wat gebeurt er als het gevoel met rust wordt gelaten en onze activiteit er niet iets anders van maakt? Het lukt mij niet te onderscheiden of de verwondering zich richt op het ‘zo’ van de dingen en dus volgt op een inzicht in het ‘hoe’ ervan, dus op een zekere verklaring, dan wel op het massieve, onverklaarde en zelfs mysterieuze ‘dat’. (42)


Het dat, het waarom en het hoe

Het ‘dat’ is, hoe mysterieus ook, constateerbaar, het ‘waarom’ is, hoe helder ook, niet waar te nemen; maar het ‘hoe’ kan als onderdeel van de uiterlijke verschijning soms rechtstreeks waargenomen worden en blijft in andere gevallen verborgen. Het ‘hoe’ van een automaat zie ik niet; van een spin of een olifant die mijn verbazing opwekken door hun grillige vorm of hun formaat, zie ik dat wel. (42)


Te haastig

Duidelijk is naar mijn mening, dat de verwondering ten onrechte met een vraag wordt geïdentificeerd en dat die vraag op haar beurt weer te snel wordt omgezet in een vraag naar causale verklaring, die dan weer te haastig in verband wordt gebracht met de mogelijkheid van actief optreden. (42)


De duivelsvraag bij uitstek

De grondvraag van de metafysica, zegt Heidegger, luidt: ‘Warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr Nichts?’ Die vraag was al door Leibniz gesteld: ‘Pourquoi il y a quelque chose plutôt que rien?’ Het is de grondvraag van de metafysica, de duivelsvraag bij uitstek, gesteld op de rand van de afgrond, tot het uiterste geradicaliseerd en als onoplosbare oervraag geformuleerd op het grensgebied tussen vroomheid en eigenmachtig construeren. Zij is misschien de meest fundamentele metafysische vraag, maar omdat zij al vraag en waarom-vraag is, niet het meest fundamentele metafysische woord. De verwondering is al geactiveerd tot vraag en de vraag verwerkt tot de gerichte vraag naar causale verbanden en te bedenken mogelijkheden. Als vraag veronderstelt zij al een heel net van causale verbanden dat gespannen is over de afgrond. Zonder die bewerking is er geen vraag, maar alleen een constatering die geen conclusie is en waar niets uit volgt: dat er iets is. (42)


De geruststellers

Niet de verklaring maakt een einde aan de verwondering, maar iets dat niet van intellectuele aard is, namelijk de gewenning. … Tegen de achtergrond van gewenning verdwijnt zij. Die schuift ook de vraag naar verklaring of verklaarbaarheid weg en vertrouwt die toe aan anderen, de geruststellers die der dingen oorzaak mogen doorgronden, mede namens een verbijsterde achterband en die van hun heroïsch avontuur terugkeren als priesters van een nieuwe godheid. (45)


Bij voorbaat verklaard

Een regenbui op een sombere dag is al bij voorbaat verklaard, ook al weten wij zelf niet precies, hoe regenbuien ontstaan en waaruit deze speciale regenbui voortkomt. Wij zijn aan zulke situaties gewend; we weten dat de wetenschappelijke verklaring ergens ter inzage ligt en de gedachte dat zij in een archief gedeponeerd is, ontslaat ons van een nader onderzoek. Deze regenbui is al verklaard omdat alle regenbuien verklaard zijn. (45)


Alleen wat niet uniek is

Gezien vanuit de wijsgerige verwondering die gericht is op de werkelijkheid en niet op de magische cirkel van het denken, is iets van meer fundamenteel belang naargelang het meer buiten die cirkel ligt of die doorbreekt, is dus ook de steen des aanstoots van het ongrijpbare ‘dat’ een fundamentelere categorie dan het ‘waarom’ en heeft de contemplatie, niet de verklaring het laatste woord. Als de causale verklaring het laatste woord wil hebben en de beschouwelijkheid wil verdringen, ontstaat de tegenstrijdige situatie dat er, ten eerste, gewerkt wordt met het ene, ware model naar het voorbeeld van de theologie en ten tweede, dat het te verklaren geval van zijn concrete feitelijkheid wordt beroofd en weggestreept tegen het bedenksel van de algemeenheid of de regels van het denken. … Ik kan alleen maar verklaren waarom deze mens nu en hier dit doet, als ik aanneem dat elke mens in een vergelijkbare situatie zo zou handelen en dat dus zijn optreden weinig interessant is. Alleen wat niet uniek is, kan verklaard worden. De verklaring is immers een redenering en een redenering is alleen geldig als zij een algemene uitspraak opneemt in haar gang. (46)


Staatsfilosofie

Als alles verklaarbaar is, mag het onverklaarbare zich niet voordoen, zijn wonderen de wereld uit, is er nooit reden tot verwondering en ligt het antwoord op de duivelsvraag voor de hand. Maar dan is er allang de angel uit gehaald en is zij geen duivelsvraag meer, eerder een rituele formule bij de eredienst van het ene ware model. Zij vertegenwoordigt geen rebellie meer, maar conformisme en is rijp voor staatsfilosofie, verachtelijk eindpunt van wat eenmaal revolutie is geweest. Al vanaf het begin is het einde zoek. (48)


Mysterieuze ondoordringbaarheid

In de tautologie van het geluk en de mystiek van het ‘dat’ vertegenwoordigt ‘is’ heel wat meer dan het simpele koppelwerkwoord dat logici er in hun ijver om feiten uit te schakelen van willen maken. ‘Hij’ is alleen maar ‘hij’ als hij er is, met alle massieve feitelijkheid en mysterieuze ondoordringbaarheid van het zijn als datgene dat wij nooit kunnen bedenken. (57)


De verschijnselen redden

[De waarom-vraag] is eerder een rebellie van de eigenmachtige rede tegen de feiten dan een poging om wat vanaf de oudheid heet ‘de verschijnselen te redden’. Want die moeten juist gered worden van de eigenmachtigheid van de rede die zich zelf wil vergoddelijken. (63)


Niet te ontkennen

De vraag of die verwonderde beschouwelijkheid al dan niet vruchtbaar is, heeft niets met haar aard te maken: zij komt uit een andere wereld en lijkt te veronderstellen, dat de verwondering zo iets is als een instrument waarmee wij iets willen maken of bereiken. Maar zij is iets dat ons overkomt, niet een produkt van ons willen of denken. Zelfs al zou zij totaal onvruchtbaar zijn en bovendien in hoge mate pathologisch, dan nog is zij een elementair, niet te ontkomen en niet te ontkennen gegeven. (69)


Een positivisme van het ‘dat’

Pas als we het positivisme van het ene, omvattende verklaringsmodel en het positivisme van de ene god, almachtig en alwetend, vervangen door een positivisme van het ‘dat’, kunnen we verhinderen dat de wereld tot een fabel wordt, een allegorie die alleen maar dient om het vergoddelijkte verklaringsmodel van de autonome filosofie te voorzien van voedsel, maar die verder totaal overbodig is. Alleen het ‘dat’ kan de eigenmachtigheid van de bedachte verklaringen doorbreken en misschien is dat de reden waarom het in de geschiedenis van de filosofie een verwaarloosde categorie is gebleven. ‘Want het ‘dat’ en het er-zijn moet als vanzelfsprekend verondersteld worden’, zei dan ook Aristoteles op een moment waarop hij bijna over de rand van de afgrond keek. (74)


Drassige waanzin

Er zijn weinig dingen waarvoor Aristoteles zo bang is als de eindeloosheid van telkens opschuivende vragen. ‘Ergens moet het ophouden’, zegt hij in allerlei toonaarden. Dat klinkt als een variant op de uitspraak dat het ‘waarom’, met zijn mogelijkheid tot mateloos verder gaan, een duivelsvraag is, en op de ambtelijke maatregelen om te voorkomen dat het einde zoek zal raken. De ‘eerste filosofie’ houdt op bij de eerste oorzaken, die een antwoord zijn op het laatste waarom. Voorbij deze grens is alleen maar drassige waanzin en daar moet aan het vragen een halt toegeroepen worden. De filosofie moet resoluut haar eigen helderheid scheppen.

Op dat punt lijkt de filosofie zich ook op haar eigen grenzen en pretenties te bezinnen of haar autonomie te bepalen. Zij stelt zelf de regels vast waaraan zij zich bindt en het domein waartoe zij zich beperkt. Daarmee haalt zij het begin binnen in haar eigen machtsgebied en beperkt dat tot het ‘waarom’. Het ‘dat’ valt buiten haar aandacht. (74)


Weerzien met de werkelijkheid

De poging tot causale verklaring is zo’n omweg. Omdat die misschien wel noodzakelijk is, wordt hij als essentieel beschouwd, en omdat hij leidt naar één bepaald punt, wordt gedacht dat er maar één weg is. Maar wegen zijn talrijker naargelang zij meer het karakter van een omweg hebben. Blijkbaar kunnen wij er niet mee volstaan te zijn wat we zijn en waar we zijn, maar hebben we het avontuur van een hachelijke en diabolische omweg nodig om te komen tot waar we al zijn en wat we al zijn. Het waarom kan een van de manieren zijn waarop wij ontsnappen aan de verpletterende onmiddellijkheid, een uitstel waarin een perspectief wordt geschapen. Daarmee schept het tegelijk ook de afstand die nodig is voor de beschouwelijkheid en waardoor die verschilt van de waarneming: beschouwen is zien langs de omweg van een reflexie, het is een weerzien met de werkelijkheid. (78)


Een pseudo-constatering

De vaststelling dat alles een oorzaak heeft, is een pseudo-constatering. Niets daarvan is te constateren, noch ‘alles’, noch oorzakelijkheid, noch ook de mogelijkheid tot verklaren. (79)


De lente van dit jaar

Soms is een opeenvolging in de tijd te constateren, en als dat gebeurt bij evenementen die zich herhalen, ligt het voor de hand die herhaling te verklaren vanuit een causaal, innerlijk verband tussen de opeenvolgende gebeurtenissen. Wat dan oorzakelijk verklaard wordt, is eerder de wetmatige herhaling dan de afzonderlijke gebeurtenis. De verklaring waarom het elk jaar lente wordt neemt mijn verwondering over de lente van dit jaar niet weg. (79)


De raadselachtige verklaarbaarheid

Maar ook als ik vanuit de overtuiging dat de rede maar één subject heeft, beweer dat alles verklaarbaar is, dan is daarmee op zich nog niets verklaard. De verklaarbaarheid als geponeerde mogelijkheid brengt op geen enkele manier duidelijkheid omtrent het bestaan van de dingen. Hooguit kan zij als een postulaat van de eigenmachtige rede de verwondering tijdelijk verdoven en van haar radeloosheid bevrijden. Toch: zelfs als deze overtuiging nog versterking zoekt bij het geloof dat niet alleen alles verklaarbaar is, maar dat er ook niet meer dan één geldig verklaringsmodel bestaat, is de verwondering over het mysterieuze ‘zijn’ van de dingen en de absoluutheid van hun ‘dat’ niet opgeheven, maar wordt er nog een verwondering aan toegevoegd over de raadselachtige verklaarbaarheid die niets verklaart en waardoor de eigenmachtige rede opnieuw wordt weggeslingerd uit haar eigen centrum. (81)


Het besef (1991)


Denken

‘Denken’ is in tegenstelling tot ‘weten’ en ‘beseffen’ altijd ‘alleen maar denken niet niet zeker weten’ en tegelijk ook ‘alleen maar denken en niet doen’ of ‘alleen maar denken en niet zijn’. Tegenover het werkelijke geplaatst is het gedachte van een afgeleid en ontleend belang. Het speelt zich af op enige afstand van een voorlopig niet te overmeesteren werkelijkheid, in het bolwerk van een innerlijk dat zich tegen de overmacht van de realiteit probeert te handhaven en een poging doet samenhang te ontdekken of te scheppen in de anarchische chaos van de feiten. Wie denkt, kijkt op een bepaalde manier aan tegen een werkelijkheid die hij bezig is denkend te verwerken. ‘Denken’ heeft niets verplichtends. (44)


Spel

In zijn intrigerende werk Was heisst Denken? komt Heidegger, mede op grond van aandacht voor het woord ‘denken’, tot vier conclusies die de positie van ‘denken’ nogal opvallend beperken – of nu juist het denken vrij spel geven, dat dan ook inderdaad ‘spel’ mag heten.
1. Het denken leidt niet tot enig weten, zoals de wetenschappen.
2. Het denken brengt geen bruikbare levenswijsheid.
3. Het denken lost geen wereldproblemen op.
4. Het denken geeft niet direct enige kracht om te handelen. (44)


Twijfel

Als onderdeel van het proces van denken heeft de twijfel een bepaalde verwantschap met de verwondering die ons, geplaatst tegenover een overweldigende werkelijkheid, naar een intellectueel nulpunt brengt en waarin de dingen en de meningen daarover hun vanzelfsprekendheid verliezen. In deze context heeft het woord minder betrekking op een neiging het bestaan zelf van de dingen te ontkennen dan wel terug te komen op alles wat daarvan wordt gedacht en gezegd, de willekeurige en gemakkelijk geformuleerde meningen. Als kritische reflexie is de twijfel niet betrokken op het ‘dat’ en tast hij het besef niet aan, maar op de constructies omtrent het ‘hoe’ en het ‘waarom’ en op de relatie tussen denken en doen. Hij is dan niet een houding tegenover de werkelijkheid of de daad, maar tegenover het intellectuele leven en de woekering van het denken en menen. (69)


De Rede

De Rede heeft [in] de gedachtegang van het rationalisme … niet alleen het laatste woord, maar zij heeft ook de pretentie dat op elk historisch moment te kunnen uitspreken en maakt daarmee, in een ernst die sprekend op vroomheid lijkt, van elk historisch moment een eschatologisch moment, een laatste oordeel, een definitieve uiteenzetting. (150)


Alleen maar kijken (1992)


Nat karton

Een van [mijn] ambities was het verschrikkelijk geleerd te worden, alles te weten en alles te kunnen verklaren. Dat is een heel oude en bekende ambitie van filosofen. Het verzamelen van geleerdheid moet uitlopen op een nieuwe ordening daarvan en op een omvattend systeem, waarin de wereld niet alleen wordt beschouwd en verklaard, maar van waaruit hij ook nog bestuurd kan worden. De filosofie is in die pretentieuze opvatting niet alleen de koningin van de wetenschappen, maar ook van de hele wereld. Of, om Aristoteles vrij weer te geven: omdat de filosofie over de eerste en beslissende dingen handelt en de hoogste wijsheid vertegenwoordigt, heeft zij ook de eerste en beslissende stem.

Het is maar goed dat er van zo’n droom nooit iets terecht kan komen en het is dus ook helemaal geen bitter leed bij het wijzer worden te zien dat hij als nat karton ineenzakt. (11)


Onvoorstelbaar

Hoe dan ook: voor mij is de filosofie steeds minder pretentieus geworden, maar daarom niet minder dierbaar. Van de omvattende kennis van het hoe en waarom van maar liefst alles is zij gereduceerd tot een radicalisering van datgene waarmee zij begonnen moet zijn: een verwondering over het feit dat er iets is en niet niets, dat de werkelijkheid altijd anders is dan wij denken, dat zij haar eigen wetten heeft en dat wij die niet kunnen bedenken. Het gewicht komt steeds meer te liggen bij de dingen zelf en steeds minder bij het denken daarover. Van iets waarin wij ons verdiepen, wordt het steeds meer onvoorstelbaar dat het er is en helemaal onvoorstelbaar dat wij het naar onze hand kunnen zetten. (13)


Onwetendheid en het besef daarvan

Het ‘beschouwen’, de kern van het klassieke filosoferen, is steeds meer letterlijk een ‘kijken’ of zelfs een ‘alleen maar kijken’ geworden en steeds minder een ‘doorzien’ van de oorzaken der dingen, waarover Vergilius schreef. Zij gaat steeds meer lijken op onwetendheid en het besef daarvan, iets wat zij ook al bij Socrates was. (13)


Vanzelfsprekendheden afstraffen

Ik denk dat het nog sterker is en nog radicaler moet worden opgevat: de vele verschillen worden zo gewaardeerd, omdat zij de vele vanzelfsprekendheden in dat hoofd weerleggen en afstraffen. Want dat is de sensatie die de rechtgeaarde kijker zoekt en waar ook de toerist op uit is: hij wil zijn verwachtingen doorkruist zien. De kijker kijkt zo geboeid en de beschouwende mens wordt zo lyrisch, omdat hij zijn ogen niet gelooft bij alles wat hij ziet. Hij moet werkelijk wakker geschud worden of zelf zijn ogen uitwrijven om te geloven dat het waar is wat daar voor zijn ogen gebeurt en dat hij het niet alleen maar droomt. (19)


Verbaasde getuigen

Het verschil dat aan het licht komt, is de onoverbrugbare kloof tussen wat wij met gesloten ogen en met grote diepzinnigheid allemaal denken en wat er werkelijk gebeurt. … Ik denk zelfs, om nog even een grote sprong te maken, dat dit uiteindelijk de werkelijke ontologische differentie is, het levensgrote en werkelijke verschil, niet zozeer tussen het zijnde en het zijn, zoals Heidegger dat grondig heeft uiteengezet, maar de onoverbrugbare kloof tussen wat wij denken en wat telkens weer blijkt te gebeuren en waarvan wij uiteindelijk alleen maar de verbaasde getuigen zijn zonder er veel van te begrijpen. (19)


De basis ontnemen

Iets dergelijks moet het ook geweest zijn wat al in de late oudheid het woord skepsis, de gangbare term voor ‘onderzoek’ of ‘beschouwing’, laadde met de negatieve bijbetekenis van ‘alleen maar kijken en niet tot een besluit of een beslissende daad komen’. Er zit bijna altijd een moralistisch, activistisch en ideologisch element in de weerleggingen van de skepsis en de verwijten aan het adres van de zogenaamde sceptici. Als het er niet op neerkomt dat zij de opbouw van een hanteerbaar wijsgerig systeem en daarmee een greep op de wereld onmogelijk maken, dan wel hierop dat zij aan de bereidheid tot handelen elke basis dreigen te ontnemen. (20)


Anders dan wat wij denken

In beide gevallen krijgt de ideologie van het handelend optreden en het hanteerbaar maken van de wereld een prioriteit boven de werkelijkheid die zich aandient, en gaat het om de positie van de mens of, wat hetzelfde is, van de filosoof. En de filosoof is dan degene die op basis van inzicht in het hoe en wat van de werkelijkheid, die werkelijkheid naar zijn hand zet. Als daarentegen de filosoof uiteindelijk een toeschouwer is en als het kijken na alle doen en laten het laatste woord heeft, wordt het ook dubieus te spreken over een filosofische kennis als inzicht in het hoe en waarom van de dingen. Het kijken maakt alleen maar duidelijk dat er verschillen zijn, maar maakt ze niet hanteerbaar. Er is dan ook geen sprake van kennis als macht. Wie aandachtig kijkt, zit niet het universum te doorgronden of te corrigeren, maar eerder zich over het bestaan daarvan te verbazen. Kennis is beschouwelijker naargelang zij zich meer beperkt tot of terugvalt op het constateren dat de werkelijkheid er is, onafhankelijk van ons, en dat zij anders is dan wat wij denken. Dat is wat een filosofie van de zevende dag ons kan leren. (20)


Verwoestend

Ik zou bijvoorbeeld willen laten zien dat de verwondering in al haar schijnbare argeloosheid en kinderlijkheid een uitgangspunt kan zijn van zeer ernstig en radicaal denken en dat zij daarbij een nogal verwoestende uitwerking kan hebben op de vanzelfsprekendheid waarmee we tegen de wereld aankijken. Die vanzelfsprekendheid, soms ook wel beschouwd als een zegenrijk effect van het zogenoemde gezonde verstand, belemmert ons maar al te dikwijls oog te hebben voor de werkelijkheid en te zien wat er aan de hand is. Zij veroorzaakt niet alleen een selectie in de waarneming – die is waarschijnlijk onmisbaar -, maar zij maakt ons bovendien blind voor alles wat ongewoon en niet onmiddellijk verklaarbaar is; zij vertegenwoordigt dus een intellectuele handicap van de eerste orde. (22)


Een inhoudsloos rationalisme

De kern van die intellectuele geblaseerdheid lijkt mij hierin gelegen, dat de overtuiging dat alles uiteindelijk verklaarbaar is, op zichzelf al voor een verklaring wordt aangezien en dat die verklaring in al haar loosheid het laatste woord heeft. Maar verklaarbaarheid op zichzelf, als iets waarin mensen geloven, verklaart evenmin iets als de sterfelijkheid een doodsoorzaak is. Zo’n overtuiging kan leiden tot een vulgaire vorm van een inhoudsloos rationalisme, waarin helemaal niets meer verklaard hoeft te worden, omdat zij a priori al vanzelfsprekend is. (23)


Gewoonheid is alleen maar schijn

De stelling die ik zou willen verdedigen, is daarentegen dat bij nader inzien helemaal niets gewoon is of er gewoon is. Gewoonheid is alleen maar schijn, een produkt van gebrek aan aandacht. Een voorwerp van aandacht is nooit vanzelfsprekend. Eén millimeter onder de gladde oppervlakte wordt de wereld al onbegrijpelijkheid. (23)


Een weg

Als de filosofie een weg is, en het beeld is mooi genoeg om het te gebruiken, weten wij niet waar die begint en waar die eindigt. (24)


Een radicalisering van de verwondering

Aristoteles lijkt dus van twee buitengewoon beslissende veronderstellingen uit te gaan: ten eerste dat de verwondering altijd te herleiden is tot een vraag, en ten tweede dat het antwoord op die vraag, een wetenschappelijke verklaring, altijd een soort van vanzelfsprekendheid teweegbrengt en daarmee een einde maakt aan de verwondering, althans op een bepaald punt.

Die veronderstellingen liggen opgesloten in zijn omschrijving van de filosofie als een kennis van de oorzaken. En die omschrijving op haar beurt gaat er weer van uit dat filosofie altijd een vorm van verklarende kennis moet zijn, niet bijvoorbeeld een bewustzijn van onwetendheid of een radicalisering van de verwondering. (25)


Wie problemen wil vermenigvuldigen, moet oplossingen bedenken

De intellectuele en wetenschappelijke ervaring leert intussen wel ondubbelzinnig dat de oplossing van één bepaald probleem en een verklaring in één bepaalde richting altijd een veelvoud aan andere problemen oproept. Er gaat een hele waaier van nieuwe mogelijkheden en moeilijkheden open. Wie problemen wil vermenigvuldigen, moet vooral oplossingen bedenken. (25)


Het einde is zoek

Ook daarbij blijft de verwondering de drijvende kracht achter elke intellectuele vooruitgang en lijk vooruitgang minder het naderen van een vast te stellen einde te zijn dan het steeds verder opschuiven van het eindstadium. Het einde is zoek, al vanaf het begin en principieel. Het is dus ook onmogelijk daarop vooruit te lopen door de verwondering als kinderziekte te beschouwen. (25)


Inleiden in de verwarring

Inleiden in de verwondering is dus ook altijd inleiden in verwarring, blootstellen aan emoties. Dat kan ook niet anders als we ervan uitgaan dat wij de wereld niet gemaakt hebben en de toestand niet in de hand hebben. Wij staan er uiteindelijk als toeschouwers tegenover en ondergaan de wereld. Verwondering is bij alles wat zij is, ook de ervaring dat wij maar toeschouwers zijn en amper een rol spelen. Er loopt geen rechte lijn tussen wat wij denken of willen en wat er is. Wat wij ook denken, we kunnen daarmee de werkelijkheid zelf in haar eigen identiteit nooit achterhalen, zelfs niet voor zover die een produkt is van ons eigen ingrijpen. Wij verbazen ons vaak nog het meest over wat wij zelf doen en we hebben dan het gevoel dat we het niet zelf doen, maar dat het ons overkomt. (26)


Het niets en het andere

De stelling waarvan we moeten uitgaan om de verwondering tot ons toe te laten, is dat het niet vanzelfsprekend is dat de dingen er zijn en dat ze zijn zoals ze zijn. … Ik wil dat op twee punten toelichten, waar de verwondering zich op concentreert: op het feit dat iets er is, helemaal los van wat wij zoal denken en willen, en op het feit dat het zo is als het is en niet anders. … Voordat ik verder inga op de aard van vragen en het verband tussen vragen en verwondering, wil ik hiervan zeggen dat in het ene geval het niets als een vermoeden van een alternatief in ons opkomt en in het tweede geval het andere. (27)


Een wonder

Stel: iemand is verliefd. … In die toestand wordt het bestaan van de ander, althans die ene exemplarische ander, totaal ontdaan van elke vanzelfsprekendheid en de verliefde van elke geblaseerdheid ten opzichte van minstens één medemens. … Het is voor de verliefde ineens niet meer vanzelfsprekend dat die ander bestaat. Hij of zij lijkt wel uit de peilloze afgrond van het niets te voorschijn te komen of voor de eerste keer in de wereldgeschiedenis echt gezien te worden. We kunnen ons misschien niet voorstellen dat die persoon niet zou bestaan, maar nog minder dat we die zelf zouden kunnen bedenken. … Wij begrijpen gewoonlijk het beste wat we zelf verzinnen en maken, maar we worden verliefd op een wezen dat met zijn ondoordringbare identiteit buiten de mogelijkheden van ons bedenken ligt. Het pure feit van het bestaan krijgt als het ware opeens een absolute waarde en tekent zich scherp af tegen de mogelijkheid van een niet-bestaan. Wij moeten die mogelijkheid wel denken, omdat wij beseffen dat wij nooit in staat zouden zijn die persoon zelf te bedenken. Het bestaan ervan is een wonder. (28)


Dan zijn we verloren

Zijn of haar bestaan begint waar het onze ophoudt en het loopt door tot ver voorbij onze beperkte horizon. We kunnen die persoon, hoe onvergetelijk die ook is, dus ook niet onthouden. Als we even niet naar hem of haar kijken, zijn we vergeten hoe hij of zij er uitziet en moeten we opnieuw kijken, telkens weer. Het kijken alleen bevestigt de realiteit en overtuigt ons dat wij niet fantaseren. Wij verliezen ons verstand en ons geheugen en hebben daarbij niet het gevoel dat dit iets verkeerds is. Eerder raken we ervan overtuigd dat het eigenlijk zo hoort en dat, zodra we werkelijk aandacht gaan besteden aan iets of iemand, er een ongeneeslijke verwondering in ons opkomt en zich uitstrekt tot niet minder dan alles. Dan zijn we verloren, zoals dat ook hoort in een wereld die wij niet naar onze hand kunnen zetten. (30)


De wijze is er niet

De filosofie is de radicalisering van de verwondering. Die is daarin niet alleen begin, maar ook beginsel. Zij bepaal haar vanaf het begin tot het einde en stelt haar normen. Dat einde, al honderd keer voorspeld, is nog altijd niet in zicht en we kunnen er dus ook niet op vooruitlopen door te zeggen dat de wijze zich nergens meer over verwondert. Wat wijsheid ook ooit mag blijken te zijn, we kunnen er geen voorschot op nemen zonder in kunstmatigheid en flauwe namaak te vallen. Over de wijze kunnen we helemaal niets verstandigs zeggen om de eenvoudige reden dat hij of zij er niet is, nog niet, dus helemaal niet. Voorlopig kunnen we alleen van de geblaseerde mens zeggen dat hij zich nergens over verwondert en dat dit niet bepaald een reden is om hem te benijden of te bewonderen. (31)


Goh

Mij dunkt dat er wel een verband bestaat tussen de verwondering en de vraag, maar dat de verwondering zelf nog niet of helemaal niet de vorm van een vraag heeft. Als ik mij bijvoorbeeld verwonder over het bestaan van een andere mens, over de facetogen van vliegen of over andere wonderen van de natuur, dan dient zich gewoonlijk niet meteen de kwellende vraag naar het hoe en het waarom aan. Misschien zelfs is de verwondering op haar best en het dichtste bij haar hoogste vorm, het gevoel van verhevenheid, als zij helemaal geen vragen stelt en alleen maar kijkt. … We staan in de verwondering stil, we kijken alleen maar en weten niet veel te zeggen, misschien niet meer dan een onnozel en weinig academisch ‘goh’. (31/32)


Uitstel

Het is niet zo gemakkelijk dit toe te lichten en de reden daarvan is waarschijnlijk hierin gelegen, dat wij de verwondering al te vaak beschouwen als een lichte jeuk die snel verdreven moet worden door een vraag die weer prompt gevolgd moet worden door een passend antwoord dat alle rimpels gladstrijkt. Wanneer nu de verwondering wordt gekarakteriseerd als een uitstel van de vraag, die op haar beurt weer een pauze vraagt, voordat er een antwoord komt en die misschien helemaal niet wordt beantwoord, doet dat afbreuk aan een gewoonte. Die verkeerde gewoonte bestaat hierin, dat wij eerder de vraag dan de verwondering beschouwen als het begin van nadenken en van filosofie en dat wij nauwelijks een vraag kunnen toelaten zonder uitzicht op een antwoord. Dat is wel begrijpelijk. Filosofen zijn schrijvers en sprekers. Van zwijgers kunnen we hooguit veronderstellen dat zij buitengewoon wijs en diepzinnig zijn. De verwondering is stil, stom, buitentalig. (32)


Overwicht

Wanneer ik dus de verwondering schets als iets elementairs, houdt dit niet alleen in dat zij passief wordt ondergaan en niet als een instrument wordt gekozen – Plato noemt haar dan ook een pathos, iets wat ons overkomt -, maar ook dat zij zich minstens voor een deel buiten de taal afspeelt en aan de vraag voorafgaat: haar sprakeloosheid is niet een gebrek aan woorden aan de bovengrens van de taal, maar een effect van het overwicht dat de werkelijkheid heeft op het subject. (33)


Gereedliggend kader

Als de vraag wordt gesteld, is er al een gewoonte van antwoorden krijgen en de werkelijkheid naar zijn hand zetten. Er is al een aantal dingen vanzelfsprekend geworden, bijvoorbeeld dat er antwoorden te geven zijn en dat de vraag naar het ‘waarom’ de meest fundamentele vraag is, grondvraag, niet de minstens even interessante vraag ‘sinds wanneer’. Het gereedliggende kader lokt de vragen uit. (33)


Stommer

Naargelang de verwondering groter en elementairder is, ben ik geneigd te zeggen, is zij ook sprakelozer, stommer, begeeft zij zich meer buiten het kader van het gewone, is zij minder een onderdeel van een gesprek en beschikt zij minder vlot over gereedliggende en aangepaste vraagwoorden waar het antwoord bij past als een sleutel bij een slot. (33)


In de lucht blijven hangen

De mate waarin aan de verwondering meer tijd wordt gegeven om haar eigen gang te gaan, zelfs die van de verbijstering, zou ik als bepalend willen beschouwen voor de echtheid daarvan, zoals ik ook de mate waarin een vraag het verdraagt als het ware in de lucht te blijven hangen en onbeantwoord te blijven, als bepalend zou willen beschouwen voor het fundamentele karakter daarvan. De meest fundamentele vraag is misschien wel ‘waarom is er iets en niet niets?’ en juist van deze vraag, als het al een vraag is en niet de wat eigengereide formulering van verwondering, kunnen we nauwelijks verwachten dat er ooit een bevredigend antwoord op zal komen. (34)


Activisme als verwerping van het uitstel

Die vraag naar het waarom van alles is, ook bij Heidegger, de filosoof die haar met het grootste geduld heeft gesteld, gedoemd een vraag te blijven, maar zij verspeelt daarmee nog niet haar bestaansrecht. En ook aan die vraag gaat, al lang voordat zij wordt gesteld, een stomme en buitentalige verwondering vooraf over het feit dat er iets is en dat er zelfs zo overstelpend veel is, dat we het nooit zullen kunnen behappen.

Maar zelfs de geduldige Heidegger voert in de filosofie een activistisch element binnen door de vraag waarom er iets is en niet niets, de grondvraag te noemen en haar los te maken van de grondstemming die hij ook beschrijft. Hij bedoelt daarmee alleen te zeggen dat onder alle vragen deze vraag de meest grondige is, maar in feite laat hij zijn filosofie beginnen met een vraag en door die vraag de grondvraag te noemen, lijkt hij de verwondering als een daaraan voorafgaande fase over te slaan of te verwaarlozen. In dit opzicht ontkomt ook hij niet aan het activisme als verwerping van het uitstel en vertoont zijn filosofie ideologische trekken. (35)


Geweld

Geweld is … een uitvloeisel van een activistische ideologie en een verwerping van elk uitstel; het is misschien wel niets anders dan een poging van mensen een rechtstreekse aansluiting tot stand te brengen tussen wat zij denken of willen en wat er is of gebeurt. Vanuit de voorafgaande gedachtegang en de implicaties daarvan ligt het meer voor de hand voortdurend vraagtekens te zetten bij de vanzelfsprekendheid en het overwicht van een cultuur die het geweld in stand houdt door de verwondering en de aandacht voor alles wat vreemd en anders is uit te sluiten of het zo lang te bewerken tot het gewoon wordt. (37)


Kinderachtigheden die voorbijgaan

In elke cultuur en in elk systeem bestaat de neiging de grondslagen daarvan als vanzelfsprekend te beschouwen en buiten elke discussie te houden. Hoe gruwelijk die ook zijn, hoeveel zinloze offers zij ook vragen, zij gelden altijd als rationeel en als een model waaraan mensen zich moeten aanpassen om als volwaardig en volwassen geaccepteerd te worden. Een kritische houding hoort tot de ziekten die genezen moeten worden, tot de misdrijven die straf verdienen en tot de kinderachtigheden die voorbijgaan. (79)


Onder hun zegen gedijt wat zij bestrijden

Aan twee eenvoudige voorbeelden is dit toe te lichten. Het eerste is het verschijnsel van de ‘iatrogene’ ziekten, de aandoeningen die het gevolg zijn van medische ingrepen of die worden geriskeerd in een medisch kader. De vraag is, of zij terecht met een medische term worden aangeduid en of zij uitsluitend onder medische competentie vallen. Zij lijken eerder een neveneffect van een activistische cultuur. En zo is het ook met de vormen van criminaliteit die niet ondanks maar dankzij de bestrijding van de misdaad tot bloei komen. Zoals het ziekenhuis een broeinest is van besmettingen, zo is de gevangenis er een van rancune en criminele plannen. Onder hun zegen gedijt wat zij bestrijden. (80)


De erkenning van machteloosheid

Hier kan alleen de filosofie als een fundamentele kritiek van alle vanzelfsprekendheid iets aan verwrikken. Rationeel gesproken en wijsgerig gezien moet het geweld en de ideologie daarvan dus worden gezien als een factor die het zicht op de verhouding tussen doel en middel op zijn minst verduistert en de illusie van een efficiënt optreden in stand kan houden waar in werkelijkheid vooral vernieling plaatsvindt. Die illusie wordt in een activistische cultuur verkozen boven de erkenning van machteloosheid. (80)


Het geheugen herdacht (1995)


Bezet door anderen

Een groot deel van mijn geheugen wordt bezet door anderen, die daar ongewenst huishouden; opvoeders, schoolmeesters, predikanten, verleiders, boodschappers en struikrovers. En het gaat bij de inhoud van mijn geheugen en dat van menig ander – mag ik aannemen – niet alleen om zaken die daar om mijn bestwil binnengesmokkeld of ingehamerd zijn, maar ook, en steeds opdringeriger, om teksten die erop uit zijn mij te onderwerpen en te manipuleren, schelle kreten en liedjes van de reclame waaraan, misschien wel juist vanwege de afkeer die zij inboezemen, moeilijk te ontkomen is. (13)


Laatste woorden

Het verbaast mij dat niet telkens weer mensen sterven met op het moment van hun uiterste aftakeling een reclamekreet op de lippen, zoals daar vroeger een heilig schietgebed op lag. (14)


Weerloos stukje was

Of: er is in mijn geheugen geen informatie opgeslagen en er is geen samenhangend beeld van de wereld gevormd; er zijn, dramatisch uitgedrukt, krassen op een ziel gezet, stempels op een weerloos stukje was. Van althans dit ene geheugen kan ik met grote stelligheid beweren dat het in geen enkel opzicht op een computer lijkt. (14)


Caesarwaanzin

Als dit geheugen al één terrein beheerst, gebeurt dat op een weinig efficiënte en zelfs hoogst anarchistische manier. Het lijkt mij dus onzin te denken dat het geheugen een van de instrumenten is die mij ter beschikking zouden staan om greep te houden op de werkelijkheid of zelfs maar daarop een gebiedje te veroveren dat ik ‘mijn werkelijkheid’ kan noemen. Als mijn geheugen, nu het eindelijk aan zichzelf wordt overgelaten en niet langer onder regie staat, mij één ding heel voorbeeldig leert, is het dat de werkelijkheid mij ontgaat en dat het niet zomaar een beetje naïviteit, maar pure caesarwaanzin zou zijn te spreken van ‘mijn werkelijkheid’ en toch de illusie te koesteren in dezelfde wereld te leven als andere wezens die in de wereld rondkijken. (14)


Uitgeleverd

Het geheugen openbaart zich als een van de grilligheden die mij ervan overtuigen dat ik eerder aan de werkelijkheid ben uitgeleverd dan dat ik die beheers en de mijne kan noemen. Zelfs het antwoord op de wel erg parmantige vraag ‘Wat versta je dan onder werkelijkheid?’ kan ik moeilijk anders formuleren dan door te zeggen dat zij datgene is waaraan ik ben uitgeleverd en dat ik met de krachtigste herinnering niet tot mijn innerlijke affaire kan maken. Wat van belang is door zijn loutere en niet toegeëigende aanwezigheid ligt buiten ons. De werkelijkheid is, als zij dan toch gedefinieerd moet worden, het andere ten opzichte van wat wij denken. (15)


Onbeduidende figuranten

Een beslissend en zeer leerzaam deel van zelfs onze eigen geschiedenis blijkt zich, ongeveer zoals onze spijsvertering, af te spelen buiten ons willen en weten om. In plaats van de hoofdpersoon in ons eigen verhaal lijken we wel onbeduidende figuranten en laatkomers te zijn. Het geheugen zelf is de erkenning van de superioriteit van de dingen. Het ontzegt ons elke macht daarover. Wij komen pas kijken wanneer alles al geregeld is, zodat wij er met ons superieure optreden niets meer aan kunnen bederven, en we maken ons dan wijs dat we zelf het stuk spelen. (23)


Verwarde flarden

Ik val, als persoon met een geschiedenis, hoe dan ook niet samen met mijn geheugen, en mijn geschiedenis valt niet samen met de tijd die ik mij herinner – en die overigens maar uit fragmenten en verwarde flarden bestaat. Als er dus al iemand is die mijn geschiedenis kan vertellen, dan ben ik dat niet zelf. Ik ben er evenmin de verteller als de hoofdpersoon van. (24)


Overwoekeren en verdringen

Maar toch: als er iemand in aanmerking komt voor die rollen, moet ik het wel zelf zijn. Wat ik in die bescheiden en nogal belachelijke functie kan vertellen zijn fragmenten en flitsen. Bij ‘flits’ denk ik minder aan een fragment of iets wat wordt afgebroken, dan wel aan het hoge tempo waarin een geheel passeert. Het vertragen van flitsen is een even uitdagende intellectuele opgave als het reconstrueren van een geheel uit fragmenten. Om daar een enigszins samenhangend verhaal van te maken, moet ik ook die flitsen reconstrueren, op gevaar af dat in mijn verhaal meer de klemtoon komt te liggen op de innerlijke samenhang daarvan en de prestatie van mijn geheugen dan op het toch al geringe gewicht van wat ik mij probeert te herinneren en waarin ik de functie van het geheugen probeer te onderscheiden. Het verhaal gaat dan op zijn beurt en met zijn eigen bureaucratische regels en de eisen van de samenleving de herinnering overwoekeren en verdringen, zoals herinnering en bewustzijn al eerder het elementaire gegeven van het bestaan zelf tot iets van geringer belang hebben gedegradeerd. (25)


Voortdurend bevechten

Het voortzetten van het leven in continuïteit met het eigen verleden en in overleg met de eigen herinnering moet als opdracht tot een stijl van leven voortdurend bevochten worden op de totale verbrokkeling waarmee de overgave aan de actualiteit de stijl van levens bedreigt. (26)


Spijt

Spijt is een vorm van herinnering die niet in haar grenzen wil berusten en een morele macht wil zijn. Iedereen weet dat dit verlangen dwaas is omdat het verleden niet terugkomt, maar vrijwel niemand lijkt bestand te zijn tegen de verleidelijkheid ervan. Mij dunkt dat die op haar beurt niet berust op de illusie dat het verleden opnieuw geactualiseerd en overgedaan kan worden, maar op de gedachte dat wat wij in het verleden hebben gedaan een produkt was van onze vrije keuze. (31)


Een klein offer

Wat contingent is en anders had kunnen zijn dan het is, is daarom nog niet een produkt van de vrijheid; maar wij hebben wel de neiging om het zo te interpreteren. De bereidheid te erkennen dat wij in het verleden bij herhaling een verkeerde keuze hebben gedaan en het produceren van spijt over die keuze is maar een klein offer als het erom gaat de illusie van de vrije keus en de macht over ons eigen leven in stand te houden. (31)


Voortdurend ontheemd

Wat wij onthouden duiden wij niettemin … aan als datgene wat niet ons produkt is of waar wij ons niet mee vereenzelvigen, wat niet begrepen wordt en wel in ons is, maar elders thuishoort en zijn oorsprong heeft buiten ons. Het geheugen blijft verwijzen naar een buitenwereld en blijkt zelf in die verwijzing te bestaan. Het is daarin zelf voortdurend ontheemd en in zijn identiteit bedreigd. Wat wij onthouden hebben en van buiten geleerd, wat ons bijgebracht is, blijft import en buiten. (46)


Uit verbijstering bijeengeraapt

In het zo opgevatte geheugen, hoe innerlijk het ook mag heten en hoe kenmerkend het oproepen van allerlei zaken uit het verleden ook ‘her-inneren’ mag heten, blijft iets tegenover ons staan als het andere, dat wat misschien wel bij ons hoort, maar wat niet vanzelfsprekend en onvervreemdbaar is, uit één stuk met ons eigen bestaan en onze identiteit. Het geheugen als geheel van wat wij onthouden en als som van wat ons concrete bestaan bepaalt verwijst ons naar de periferie van ons bestaan en naar de onmisbaarheid van die periferie, waaruit wij ons uit onze verbijstering bijeenrapen. (47)


Het eigenmachtige geheugen

Verrassende uitspraken, bijvoorbeeld van kinderen, die wij denken levenslang te onthouden, willen ons na enkele minuten soms al niet meer te binnen schieten. En naar een gezicht waarover wij ons verwonderen en waarvan we denken dat het een onuitwisbare indruk op ons heeft gemaakt, moeten wij telkens weer kijken. Want wij kunnen het uitverkoren gezicht veel slechter onthouden dan al die doorsneegezichten die ons nauwelijks interesseren. Dat kan ons het panische gevoel bezorgen dat wij juist het dierbare, onvergetelijk snel vergeten – of dat we aan het onthouden daarvan onmogelijke eisen stellen. Zo weinig is het geheugen een willig en gehoorzaam instrument van onze eigenmachtigheid. (47)


Toeval

Ook daarover zegt Pascal, met die enerverende terloopsheid van zijn genialiteit, iets dat de moeite van het onthouden waard is: ‘Toeval geeft ons gedachten in en toeval neemt ze af; er zijn geen kunstgrepen om ze vast te houden en ook niet om ze te verwerven. Een gedachte ontschoot mij; ik wilde haar opschrijven. In plaats van die gedachte schrijf ik op dat zij mij ontschoten is.’ (48)


Het vergeten vergeten

Bij de talloze raadsels van het geheugen hoort ook het intrigerende en moeilijk voor gemoraliseer te bereiken gegeven dat wij met en ondanks het geheugen altijd vergeten en buiten ons plaatsen en dat wij, als we gewoon vergeten, ook vergeten dat we vergeten – de moderne mens vergeet het wezen van het vergeten, zegt Heidegger – en als we gewoon, zonder meer, onthouden, ook vergeten dat we onthouden. We vergeten dus altijd. Pas in het vergeten blijkt het bestaan van het geheugen voltooid en bevestigd te worden. (49)


Hetzelfde anders (1997)


Niet te herleiden

Op de eenvoudigste manier samengevat cirkelen al deze essays als een soort van verbale omwegen en terugkomende refreinen rond de elementaire zekerheid dat de identiteit van dingen niet alleen niet te herleiden is tot die van andere dingen, zoals wordt geprobeerd met formules als ‘niets anders dan…’, maar dat zij ook niet op een andere manier kan worden uitgedrukt dan door de telkens herhaalde aanduiding van hun concrete bestaan. (7)


Onherleidbaar gegeven

Alle opstellen gaan uit van ‘hetzelfde’, de identiteit als iets wat onherleidbaar gegeven is, in het feit dat het werkelijk bestaat en niet een subjectief bedenksel is, dat het dit is en niet iets anders, dat het er nu is en niet alleen maar vroeger of later, dat ik het in mijn eigen bestaan ervaar en het niet met de ogen van iemand anders kan zien, hoe superieur die ook is, zonder het bestaan ervan tot een louter verbale aangelegenheid te reduceren, een tautologie die geen enkel spoor achterlaat. (7)


Wie afscheid neemt

Wie afscheid neemt, of nauwkeuriger: hij van wie afscheid wordt genomen, mag bij die gelegenheid zeggen wat hij wil. … Hij mag dus ook straffeloos de waarheid zeggen, voor het geval hij die weet en eventueel ook nog meent dat zij hard zal aankomen. Omdat ik die niet weet en dus ook geen redenen heb om te geloven dat zij zou aankomen als een rake klap, zal ik van dat voorrecht geen gebruik maken. (9)


Niets

Ik wil helemaal niets verkondigen en zeker niet luid.


Niet langer dan een waan kan duren

Als ik in de voorafgaande jaren en ook in het laatste uur mijn geloof in de filosofie en vooral in de metafysica heb beleden, bedoelde ik daarmee allereerst mijn geloof te belijden in de kracht van de onherleidbare en onverteerbare werkelijkheid die wij niet kunnen verzinnen. De metafysica als inspiratie en als minimum ontvonkt daaraan; als systeem en als maximum loopt zij daartegen stuk en als radicalisering van de verwondering kan zij daaraan niet verder voorbij gaan dan een straatje om en niet langer dan een waan kan duren. (21)


Als ik vromer was

Als ik vromer was, zou ik kunnen zeggen dat alles wat bestaat, er alleen maar is als uitvoering van een plan van de schepper, een intellectuele macht voor wie alles verklaarbaar is en voor wie denken en maken één zijn. Maar ook dan verplaats ik mijn verwondering over het pure bestaan van de dingen naar verbazing over de macht van een superieur denken waaraan ik het ontstaan van alles wat er is, toeschrijf. En dat is in al die gevallen niet het mijne en ik kan het mij ook niet toeëigenen. Wanneer ik, fluisterend of luid, mij uitspreek over het bestaan van iets, breng ik dus ook de beperkingen van mijn taal en mijn denken ter sprake. Zonder die beperkingen zouden zij onmogelijk zijn: ook hun bestaan is een inperking en stilering van mogelijkheden. (31)


Het is wat het is

Wat wij lyrisch en tautologisch aanduiden, reserveren wij voor een belangeloze aandacht waarin aan de dingen al bij voorbaat hun eigen gewicht en de gelegenheid om dat te laten wegen wordt toegekend. Wij zeggen al dat zij zijn wat zij zijn, voordat wij weten en kunnen zeggen wat zij zijn. Vanuit het besef dat wij dat nooit zullen weten, moeten we dat ook wel zeggen. (36)


Verwondering

Er is, ook als we ons al lang en breed in de taal geïnstalleerd hebben, een situatie waarin de dingen die prioriteit of het laatste woord met nadruk opeisen en waarin de machine van het omvattende en totaliserende spreken even stil valt. Die situatie kan met de argeloze naam ‘verwondering’ worden aangeduid, maar zij kan zich ook als verbijstering of ergernis manifesteren. (48)


Verbalisme

In de verwondering staan wij niet alleen stil, maar worden we ook sprakeloos en verliest de taal haar greep op de dingen. We kunnen dan weer eens zeggen dat woorden tekort schieten en dat we voor het onuitsprekelijke raadsel staan, aan de grenzen van de taal; maar gewoonlijk zien we mensen juist daar zeer bespraakt worden. Het onuitsprekelijke zelf is een bron van onstuitbare welsprekendheid geworden, de zône waarin het verbalisme welig tiert, niet belemmerd door enige aardse zwaartekracht. (48)


Parasiet

De stilte van het heelal verbijsterde Pascal en maakte hem sprakeloos: zij was zelf in haar indrukwekkende massiviteit de superieure taal van de werkelijkheid als veelbetekenend gegeven, voorbij aan alle eigenmachtig verbalisme. Aan uitleg of een ander verbaal supplement is in zo’n situatie van perplexe beschouwelijkheid geen behoefte, omdat hij alleen maar uiterst pover kan zijn in vergelijking met het schouwspel zelf en daarop onrechtmatig parasiteert. (49)


De vraag naar het waarom

Met de vraag naar het waarom betreden wij een domein dat veel verder verder gearticuleerd en gespecificeerd is dan de woordeloze verwondering die aan elke taal voorafgaat en die misschien permanent haar achtergrond blijft vormen. Wie, zoals vanaf Aristoteles eerder regel dan uitzondering is, sprakeloze verwondering en verbale vraag rechtstreeks identificeert en geen uitstel duldt tussen het een en het ander, wie ook na de vraag onmiddellijk een antwoord verwacht of vragen alleen maar toelaat, wanneer het antwoord al in zich is en de sprong over de stilte heen gewaagd kan worden, is bezigd de wereld naar binnen te halen, ijverig te verbaliseren en verbaal te verzwelgen. Op dit moment zou hij zich de stilte moeten herinneren waarover Pascal spreekt. (50)


Eiland in een oceaan van zwijgen

‘Werkelijkheid’ is uiteindelijk het onherleidbare en dus ook niet te verklaren feit dat de dingen er zijn. Het besef daarvan, de meest fundamentele en de meest serieuze vorm van denken, is woordeloos. De taal, inclusief haar mummelende oefenperiode of haar aanloop, en haar mompelende nawerking is misschien maar een eiland in een oceaan van zwijgen. Hij lijkt mij dan ook een deprimerende vergissing taal en denken gelijk te stellen, de taal zo ver te laten reiken als het leven en de stilte te beschouwen als het rijk van de dood en wat daarna komt. (51)


Walging

In La Nausée wordt op een aanstekelijke manier de walging beschreven die iemand overvalt als hij het feit tot zich laat doordringen, dat de dingen tot in hun wortel – en het gaat om de wortels van een boom – contingent zijn en er dus evengoed niet hadden kunnen zijn. Het gaat daar niet om de benauwende gedachte van iemand die zich voorstelt hoe armzalig zijn bestaan zou zijn als al die dingen waarvan hij geniet, en waarvan de namen hem als muziek in de oren klinken, er niet zouden zijn of alleen maar in zijn lege hoofd zouden bestaan, maar om de ontwrichtende ervaring dat zij ‘te veel’ zijn, alleen al door er te zijn. (61)


Totaal voorbij

Die interpretatie [van ons verleden] is nooit definitief, evenmin als de beleving van het actuele moment ooit de kans krijgt definitief te zijn; en zij moet dus regelmatig worden herhaald. In die herhaling of in die terugblik is zij telkens anders, maar wordt zij ook telkens weer bepaald door de geschiedenis van de vorige interpretaties en door onze actuele inzichten. … De continuïteit en de verwantschap met ons verleden of onze toekomst wordt bij alle verrassingen van die geschiedenis en bij alle verschillen die zij aan het licht brengt, dan ook steeds groter. Wij kunnen ons het eigen verleden eenvoudig niet voorstellen als zo totaal voorbij, dat er als het ware sprake zou zijn van het verleden van iemand anders. Daarmee zouden wij afstand doen van onze identiteit of van de continuïteit van ons bestaan, en dat zouden wij waarschijnlijk niet overleven. (107)


Steeds leger

Wat wij kunnen verdragen en waarin wij zelfs gedijen, is een eindeloze oprekking of een uitstel van die identiteit. Zij wordt dus steeds gecompliceerder, minder kordaat geformuleerd en vooral ook minder praktisch en niet of in een geringere mate hanteerbaar. Wij menen te weten dat zij er is en dat we er met enig recht over nadenken, maar wij weten steeds minder wat zij precies is. Zij wordt dus ook steeds leger naargelang wij zekerder zijn van haar bestaan. ‘Dat’ zij er is, lijkt vast te staan, maar ‘wat’ zij is, kunnen we niet achterhalen. Als wij terugblikken, kijken wij in een mist of in een betrekkelijke leegte die wij alleen maar voorlopig en willekeurig kunnen invullen. De fysieke voorbijgang is maar één van de manieren waarop de werkelijkheid ons ontgaat. (108)


Verloren

Het verleden is niet een massief en stilstaand gegeven, maar het is juist in onze terugblik en in onze herinnering voortdurend bij de actualiteit betrokken. Wij staan al buiten datgene waarop wij terugkijken en de kans is verloren daar in de praktijk, dus door onze handelingen, nog iets aan te veranderen; maar die positie garandeert ons niet dat het vanaf die afstand wel te overzien is. Ook een tweede blik slaagt er niet in de werkelijkheid binnen ons bereik te halen, zelfs al verwachten wij daarvan alleen maar een intellectuele overwinning op haar weerbarstigheid of de mogelijkheid van een beschouwelijk standpunt. (110)


Niets staat stil en niets staat vast

Wij kunnen ons nooit een scherp beeld vormen van het verleden, zoals het is geweest, om de eenvoudige reden, dat wij dat met het heden ook niet kunnen. Niets staat stil en niets staat vast. (111)


Pijnlijke vergissing

Als we ons dus zouden inbeelden dat we het verleden kunnen maken tot icoon of tot norm voor wat wij in de toekomst willen doen, begaan wij de pijnlijke vergissing die kenmerkend is voor elke vorm van conservatisme en reactionair gedrag. Die vergissing komt neer op een overmaat aan praktische instelling, op de illusie dat wij in collectief verband de werkelijkheid naar onze hand zouden kunnen zetten op grond van inzichten die wij menen verworven te hebben en van plannen die wij naar aanleiding daarvan hebben ontworpen. (111)


Reductie en liquidatie

Het unieke is, juist in het opzicht waarin het uniek is, van meet af aan en altijd anders ten opzichte van al het andere, inclusief de soort waartoe het wordt gerekend, bijvoorbeeld mens of kunstwerk. … Zodra we er meer over willen weten of meedelen, lopen wij hopeloos vast en verliezen we het uit het oog, want daarvoor is het nodig het te herleiden tot iets wat het niet is, iets dus dat anders is en dat, hoe het ook mag zijn, in elk geval niet uniek is, maar bijvoorbeeld soortelijk of de herhaling van iets anders. Het unieke moet worden ontleed, afgebroken, aan iets anders toegeschreven en ontkend om via een reconstructie voorwerp van begrip en verbale communicatie te worden. Het geldt vanouds dan ook niet als een onderwerp van te verantwoorden wetenschappelijke uitspraken. Respect voor het unieke dwingt ons dus, zouden we kunnen zeggen, af te zien van een wetenschappelijke benadering daarvan. Of ook: een intellectuele passie brengt haar voorwerp naar de rand van het niets en stelt het bloot aan het gevaar van reductie en liquidatie. (126)


Alles

Van de andere kant: uitspraken over alles en niets zijn in hun algemene pretentie altijd gevaarlijk of hooguit puur verbale exercities, want ‘alles’ is te veel om te weten en ‘niets’ is per definitie niet iets en dus ook niet weetbaar. Is er wel iets veilig bij de loochening van alle verschil en eigenheid? (127)


Een stug en gesloten raadsel

Een uitspraak als ‘alles is informatie’, waarin de ontdekking van het belang dat aan informatie en weetbaarheid gehecht moet worden, met puur verbale middelen tot buiten alle beperkingen en mogelijkheden tot controle wordt uitgebreid, is daardoor niet alleen oncontroleerbaar, maar in haar eenvoud ook verpletterend. Zij vaagt onbarmhartig alles weg wat maar enigszins markant of weerbarstig is. Wat uniek is, al is het alleen maar door het toeval dat het bestaat, is, wat het oog mag zijn, nooit puur informatie; het is eerder juist uniek inzoverre het geen informatie is, maar het tegendeel daarvan, een stug en gesloten raadsel. (127)


Uitsmijters en dooddoeners

Wie zich over ‘alles’ uitspreekt, doet ook een ferme uitspraak over ‘niets’. Als bijvoorbeeld alles informatie is, kan er ook niets zijn dat aan die wet ontkomt door geen informatie te zijn of zich in zijn eigen substantie terug te trekken, en mag iets wat zich niet gewillig als informatie aandient, zoals alles wat uniek is, ook niet bestaan en geen voorwerp van interesse zijn. Want dan kan er niets zijn buiten de informatie dat zich niet tot informatie, dus tot iets anders, laat herleiden. En als alles een chemische reactie is, is er daarbuiten helemaal niets en heeft niets de substantie of de weerstand die noodzakelijk is om uniek te zijn. Uitspraken over alles lijken omvattend, maar in werkelijkheid, of liever: daarbuiten, fungeren zij vooral als meedogenloze gelijkschakelaars, uitsmijters en dooddoeners. (127)


Een slobberige uitspraak

Om welke chemische reactie het hier gaat, wordt dus niet uitgelegd. Reductionisten houden ervan de aangenomen en aan een gezag toevertrouwde verklaarbaarheid zelf als een verklaring aan te voeren en het daarbij dan maar te laten. Zij beoefenen een vorm van precisie op een toon van ongeïnteresseerdheid. Het is genoeg te beweren dat zogenaamde wonderen altijd op een natuurlijke manier te verklaren zijn, en dus met recht ‘zogenaamd’ kunnen heten, om voor een verlichte geest door te gaan. Zelfs een pseudo-rationeel monstrum als ‘bepaalde psychische factoren’ schijnt hierbij nog te kunnen imponeren. Maar niets, om ook eens zo’n slobberige uitspraak te doen, wordt ooit door zijn verklaarbaarheid alleen verklaard. (129)


Te midden van de chaos

Wat helemaal nieuw is en totaal anders, is niet in te lijven en niet in het corpus van de bestaande kennis of het gangbare spraakgebruik op te nemen. Hierin lijkt het alsof het leren kennen een proces van gewennen is of zelfs een herkennen, het opnemen van het nieuwe in de herinnering aan het oude. Het meest vanzelfsprekende blijkt daarbij de blijvende norm te zijn, omdat het datgene is wat we al het langste kennen, waaraan we het meest gewend zijn geraakt en dat ons in de hoogste mate gerust kan stellen te midden van de chaos waarin we leven. Reductionistische uitspraken zijn, juist als uitingen van een wil tot macht, altijd conservatief; misschien zijn zij ‘niets anders dan’ pogingen om alles bij het oude te laten en elke evolutie ongedaan te maken.


Essentialisme

Aan elke reductie en ontmaskering, zich uitdrukkend in een ‘niets anders dan’, ligt een vorm van essentialisme ten grondslag, waarin het bekende als het blijvende en definitief geldige wordt beschouwd en het nog onbekende als een indringer of hooguit een gast die weer weg gaat. (133)


Stoommachine

Toen de stoommachine pas was uitgevonden, leek even het driftenleven van mensen door de nieuwe metafoor volledig verklaard te zijn en ‘niet anders’ te werken dan een stoommachine; en nog altijd kunnen mensen die beweren dat zij via allerlei onzinnige daden stoom moeten afblazen of energie kwijt moeten, op veel en dubieus begrip rekenen. Sexuele gevoelens heten onderdrukt en verdrongen te worden of zich te sublimeren in uitingen die een verhevener oorsprong lijken te hebben. Wie die uitingen terugbrengt tot wat als hun uitgangspunt geldt, heeft ze tegelijk begrepen en ontmaskerd door hun essentie op een lager niveau te lokaliseren. Emoties heten zich, alsof het een soort van vetten waren, op te hopen en op te kroppen en herinneringen worden opgeslagen, alles volgens een model waarmee mensen proberen zich zelf te begrijpen en eenheid te brengen in hun verbrokkeld wereldbeeld. (135)


Uniformiteit

Zo’n verbrokkeling, begrijpen we intussen, is ‘niets anders’ dan een verloren eenheid, een rijkdom die wij niet kunnen beheren. Maar gaat het hierbij wel om iets anders dan om een abstracte eenheid, gedacht in een lege wereld, een eenheid die aan alle differentiatie en alle geschiedenis voorafgaat, de eenheid dus van het niet-zijn? Het paradoxale effect van een verlangen naar eenheid is dat het een aanslag inhoudt op alles wat werkelijk bestaat en alleen al door die daad van emancipatie ten opzichte van de abstractie uniek is. In die aanslag verliest elk onderscheid zijn belang en zijn betekenis en wordt uniformiteit de enige vorm van eenheid. (135)


Deskundige in twijfel

Kan er inzake twijfel wel iemand deskundig heten? Er zijn redenen om op dit punt enige scepsis aan de dag te leggen. Een deskundige, stellen wij ons voor, is immers iemand die weet, en wie twijfelt, weet niet en is niet zeker van zijn zaak. (146)


Triomfantelijk uitgesproken zekerheden

In een weten omtrent het niet-weten moet de onzekerheid wel haar sporen achterlaten en het niet-weten overheersend aanwezig zijn. Wie dan ook zegt dat een mens die meent en zegt te twijfelen, in elk geval één ding weet en daar zeker van is, namelijk van het feit dat hij twijfelt, laat vooral zien dat hij niet werkelijk weet wat twijfelen is en bovendien waarschijnlijk ook dat hij geen vorm van twijfel kan verdragen, die meer is dan een methodisch toegepaste truc om de twijfel zo snel mogelijk het zwijgen op te leggen en meer dan een opstapje naar triomfantelijk uitgesproken zekerheden. En hoe sterk kan zo’n opstapje zijn? (146)


Een kronkel van reflecties

Een twijfel die niet, als het ware in een kronkel van reflecties, zich zelf insluit en tegelijk ook een scepsis inzake de twijfel is, zoals ook elk weten omtrent dat weten insluit, is hooguit een methodisch stapje naar een dogmatische en redererende weerlegging van de twijfel. … Maar de twijfel die zich zelf insluit en alleen maar pure twijfel is, komt waarschijnlijk evenmin voort uit redeneringen als de verwondering een effect van argumenteren kan zijn of met argumenten te weerleggen is. Hij wordt ook niet ingeschakeld om een doel te bereiken. En aansporingen hebben al helemaal geen intellectuele betekenis. Het is juist de kracht van argumenten en aansporingen die bij de twijfel op het spel lijken te staan. (146)


Een standpunt van betekenis

Verwondering en twijfel hebben dit gemeen dat zij iemand plotseling overvallen, terwijl hij argeloos op weg is, op basis van bestaande zekerheden of vanzelfsprekendheden. Zij dwingen hem stil te staan, omdat er ineens geen weg meer blijkt te zijn. Maar de plaats waar hij stil staat, wordt gewoonlijk niet als een intellectueel standpunt van enige betekenis erkend. (147)


Talloze mogelijkheden

De woorden ‘twijfel’ en ‘twijfelen’ houden duidelijk verband met ‘twee’, zoals het Latijnse ‘dubium’ en ‘dubitare’ met ‘duo’. Het woord lijkt gevormd te zijn vanuit een poging het terrein van de twijfel tot het uiterste te beperken en het daardoor beheersbaar te maken. Het is voor weerleggers mooi te denken dat de twijfelaar voor een tweesprong staat en niet weet welke weg te kiezen. … Wat moet ik mij voorstellen wanneer ik bij een twijfel niet denk aan twee mogelijkheden, maar aan talloze, niet aan voortgang maar aan stilstand en eerder aan beschouwelijkheid dan aan dynamiek? Maak ik aan elk leven een einde als ik weiger het leven voor te stellen als een weg, omdat ik meen dat die alleen achteraf geschetst kan worden als een grillige levensloop, maar nooit als een gebaande of geprogrammeerde weg die voor ons ligt? (147/148)


Thuis

Het lijkt mij niet absurd de twijfel op te vatten als een onwetendheid over wat er zal gebeuren en het punt waarop hij ons dwingt stil te staan, te zien als de plaats waar wij eerder thuis horen dan dat we er vandaan moeten vluchten, dus als een beschouwelijk moment van rust tussen acties en bewegingen in. (148)


Angst voor het onbesliste

Is er een bescheiden plaats voor het vermoeden dat alle tirades tegen de scepsis en alle pogingen haar triomfantelijk te weerleggen, te maken hebben met de activistische macht die mensen wil voortdrijven of met een angst voor wat, hoe kort eventueel ook, onbeslist blijft? Hetzelfde lijkt met de verwondering gebeurtd te zijn, die andere stilstand die niet als een standpunt wordt erkend, hooguit als een uitgangspunt. (149)


Totaal genegeerd

Er lijkt aan het ongeduld dat ten opzichte van verwondering en twijfel aan de dag wordt gelegd, een activisme ten grondslag te liggen waarin onder het mom van praktische wijsheid de vrijheid en het bevrijdende karakter van het beschouwende denken op een tirannieke manier wordt onderschat en beknot en waarin het met niets vergelijkbare en tot niets dienende genoegen dat beschouwelijke geesten in deze speelruimte beleven, totaal wordt genegeerd. (151)


Epochè

Voor die speelruimte is in de antieke terminologie van de twijfel, beter ontwikkeld dan haar moderne tegenhanger, die immers aangetast is door de kordaatheid van het activisme en door de romantiek van de worsteling, een typerend woord gevonden: ‘epochè’, dat ‘opschorting’ of ‘uitstel’ betekent. De term kan zowel op het oordeel betrekking hebben als op de keuze. Hij ontleent waarschijnlijk zijn intellectuele betekenis aan het eerste, de beschouwelijke ‘aporia’, maar heeft aan de scepsis een twijfelachtige faam gegeven in verband met de tweede, de onwil of het onvermogen om in beslissende praktische kwesties een standpunt in te nemen. (151)


Volharden in een beschouwelijke houding

Om te beginnen duidt dit al op een verwerping van het dilemma als intellectuele positie. Nog voordat over de keuze tussen twee tegengestelde standpunten, allebei steunend op argumenten en toegespitst op aansporingen, wordt nagedacht, wordt de volledigheid en de noodzaak van het dilemma zelf tot voorwerp van kritische reflectie gemaakt. Dat is op zich zelf al een vorm van verzet tegen de tirannieke eis van een onmiddellijke keuze op een direct antwoord. Dit verzet tast de urgentie van de kwestie aan of verhindert dat zij onmiddellijk tot praktische consequenties leidt. Het is dus ook een volharden in een beschouwelijke houding en een weigering die zonder meer ondergeschikt te maken aan de eisen van de praktijk. (152)


Niet het laatste woord

In die beschouwelijkheid wordt niet zozeer de praktische keuze zelf onttrokken aan de eisen van het leven als wel de reflectie op de veelheid van mogelijkheden waaruit die keuze een eventueel noodzakelijke, maar voortijdige uitweg is, ook na de keuze voortgezet als een terugblik. Het uitstel of de opschorting van het oordeel gaat gepaard met het besef dat in elke keuze, hoe zij ook wordt voorgesteld als enig juist en noodzakelijk, een moment van willekeur en contingentie ligt. De scepsis is niet een poging om aan de contingentie van de keuze en van de praktijk te ontkomen, maar een weigering die contingentie als het laatste intellectuele woord te beschouwen. (152)


Historisch moment

Geen praktische oplossing staat het voortbestaan van een intellectueel probleem of een beschouwelijke opgave in de weg. Anders gezegd: in de twijfel, de scepsis of het uitstel als intellectueel standpunt wordt niet de praktische urgentie van de keuze ontkend, maar wordt met een zekere hardnekkigheid vastgehouden aan de ervaring dat geen enkele keuze helemaal vanzelfsprekend is en aan alle problemen resoluut een einde kan maken. In de reflectie en de terugblik die zij als een vorm van ‘na-denken’ vertegenwoordigt, blijft de zogenaamde tweesprong zijn actualiteit behouden, juist als het moment bij uitstek waarop het voortgaan zijn vanzelfsprekendheid verloor, als het historische moment waarop de filosofie als kritische terugblik op een voorafgaande manier van denken werd geboren. (152)


Veel machtelozer

In werkelijkheid zijn mensen waarschijnlijk veel machtelozer, en daarin ook sympathieker, dan ze op grote schaal en collectief willen erkennen. Het toeschrijven van behoeften, het aannemen van het bestaan daarvan bij anderen en de mogelijkheid die te kennen en te bevredigen, gecombineerd met de stilzwijgende afspraak te doen alsof dat allemaal ergens op slaat, is een van de manieren om dat te ontkennen en actief te blijven staan ten opzichte van iets wat we helemaal niet in de hand hebben en ook niet ter hand moeten nemen. (168)


Een omweg naar de eigen voordeur

De vraag is, zo brutaal mogelijk gesteld, of je wel echt dankbaar moet zijn tegenover iemand die zo nadrukkelijk aanwezig is gebleven, van wie je zo veel hebt geleerd en misschien zo weinig hebt afgeleerd. Want, zeg ik nu maar vast, als het over filosofie gaat, hebben we het ook over het afnemen van elke vanzelfsprekendheid in weten en in doceren. Het eerste wat filosofie doet, is de vanzelfsprekendheid van gangbare kennis en dus van de traditie en haar vertegenwoordigers ter discussie stellen en aantasten. En omdat het bij de filosofie nogal eens gebeurt, dat in het eerste al het laatste is gegeven of dat het eerste en tegelijk het enige is, komt er misschien wel nooit een einde aan dat begin. De hele wandeling is een omweg naar de eigen voordeur. (192)


Vadermoorden

De geschiedenis van de filosofie, om mij maar tot dit terrein te beperken, hangt aan elkaar van vadermoorden. Elke geprononceerde leermeester verleidt daartoe. … Plato vereerde levenslang Socrates, de ironische meester van het niet-weten, die van niemand de leermeester wilde zijn en zich niet verantwoordelijk voelde voor wat zijn leerlingen dachten en deden. … Maar hij moest de moordenaar worden van zijn onontkoombare en bewonderde leermeester Parmenides; en Aristoteles moest vanwege zijn vrijheid en zijn eigen kijk op de wereld Plato uit de weg ruimen. (195)


Zijn en staan (1999)


Verpletterd

Beschouwelijkheid is bij nader inzien een vorm van het respect dat wordt afgedwongen door een imponerende aanwezigheid waarvoor wij de ogen neerslaan. Zij is de enige houding die wij kunnen aannemen tegenover dat wat zich onontkoombaar en superieur aan onze ogen opdringt. En daarbij is de keuze van woorden als houding en aannemen al veel te activistisch; zij suggereren namelijk dat er eventueel ook allerlei andere mogelijkheden zouden zijn waarover wij naar believen kunnen beschikken. Maar voordat wij kunnen kiezen, zijn wij al getroffen en geïmponeerd, om niet te zeggen: verpletterd. Tegenover alles wat werkelijk is, zijn wij als beschouwer volledig weerloos. Het is daar en niet hier; het hoort ons niet toe en wij kunnen het ons niet toe-eigenen; wij kunnen het niet verzinnen en niet wegdenken; het was er al voordat wij er waren en onze ogen openden en wij kunnen ons niet verbeelden dat het onze blik nodig zou hebben om overeind te blijven en voort te bestaan. (8)


Geen rechte lijn

In uitroepen als hoe bestaat het en dat bestaat niet lijkt het oorspronkelijk ook niet zo maar te gaan om ‘er zijn’ zonder meer en al helemaal niet om de vanzelfsprekendheid daarvan. Er is hier sprake van iets, over het bestaan waarvan wij ons in die mate verbazen, dat wij een ogenblik geneigd zijn het te ontkennen om zo het regime van onze gebruikelijke vanzelfsprekendheden te kunnen handhaven. Want in zijn bestaan, zijn loutere aanwezigheid binnen ons gezichtsveld, legt het een weerbarstigheid aan de dag die ons voor intellectuele problemen stelt. Iets immers doet zich niet voor wat aan onze meest primitieve intellectuele eis beantwoordt, namelijk dat er een rechte lijn loopt van wat wij denken naar wat in feite het geval blijkt te zijn. Het bestaan ervan weerstaat onze verwachten en vormt een obstakel op de weg van ons gewone denken. (20)


Verlangen naar gedachteloosheid

De ontkenning van het bestaan of het stellen van waanzinnige eisen aan de verklaring daarvan op straffe van ontkenning kan dan een ogenblik de illusie rekken dat wij er iets van begrijpen en onze wereld redelijk in de hand hebben. Want wat het meest voor de hand ligt, wat we zonder veel inspanning zelf hadden kunnen bedenken, wat ons het minst imponeert en waarover wij ons niet hoeven te verwonderen, dat menen wij ook het beste te begrijpen. De manier waarop wij dikwijls denken, lijkt geïnfecteerd te zijn door een diep verlangen naar gedachteloosheid en een bevrijding van het moeizame denken – of van een lyrische ontmoeting met het onverklaarbare dat niet meteen past in onze bazige intellectuele bureaucratie. (21)


Een zekere koppigheid

Wat bestaat, zegt het woord in de naïeve letterlijkheid waarmee het een onbedorven kijk op de werkelijkheid vertolkt, houdt stand en handhaaft zich in zijn verticale positie binnen ons gezichtsveld. Het woord lijkt het ‘zijn’ aan te duiden als iets wat zich met een zekere koppigheid voordoet en het bestaat onze verwachtingen te doorkruisen. Het werkelijke bestaan speelt zich af buiten ons om en tegen ons in; het geeft als een gegeven ons denken eerder een opdracht dan een gelijk. Het woord bestaan is kortom gemaakt om er verbazing en afgedwongen respect mee uit te drukken, niet om iets voor kennisgeving aan te nemen en als vanzelfsprekend te registeren. (21)


Onmogelijk

Hoe ijverig wij intussen ook proberen ons blik- en schootsveld te verruimen en welke optische en fotografische technieken wij met het oog daarop ook uitvinden, wij ontkomen er niet aan met onze eigen ogen of met onze camera daarvan het centrum te blijven. Wij kunnen onmogelijk onze aanwezigheid opheffen of naar een verre planeet verplaatsen en wij kunnen ook alleen maar kijken, gebieden en schieten vanuit ons zelf als middelpunt van het veld waaraan onze aandacht gebonden is. (30)


Blinde vlek

Elk blikveld, hoe omvattend ook, is een gebied rond een subject dat op zijn kwetsbaarste plaats wordt getroffen of dat op eigen initiatief kijkt en blikken werpt. Anders dan met onze eigen ogen en vanuit ons zelf als middelpunt kunnen wij niet kijken en zien wij niets. Wij kunnen niet kijken met de ogen van een ander en, ofschoon het lijkt dat wij dank zij onze centrale positie in ons blikveld de ander beter, belangelozer en objectiever kunnen zien dan ons zelf en dus ook beter dan hij vanuit zijn eigen blinde vlek zich zelf kan zien, zou het ook waar kunnen zijn dat juist daardoor de ander hooguit marginaal en als een donkere vlek in ons blikveld kan figureren, dus als een object of als een beoogde prooi. Binnen een horizon die wij ‘blikveld’ noemen, duiden wij onvermijdelijk zijn positie aan als ondergeschikt aan de onze en secundair in vergelijking daarmee. (30)


Tot mislukken gedoemd

Met enige overdrijving zouden we zelfs kunnen zeggen dat een groot deel van het contemporaine denken, als een cultuur van het tweede oog en de objectieve waarneming, een moeizame en telkens weer tot mislukken gedoemde poging is om aan de niet op te heffen centrale positie van het subject in zien en inzien te ontkomen. Denken is een even vergeefse als noodzakelijke poging ons blikveld te laten samenvallen met de hele wereld en die te zien alsof wij er zelf niet bij waren. (31)


De vraag zelf

Want zo heeft het mij vroeger dikwijls in de oren geklonken: een besef van creatuurlijkheid hield in, dat je dankbaar en onderworpen moest zijn tegenover degene van wie jij voorgoed het schepsel bent, die je een welomschreven opdracht heeft meegegeven, en van wie je verondersteld wordt naam en adres te kennen. Naargelang mij minder duidelijk is geworden, hoe het precies gesteld is met die naam en dat adres en wat nu exact de implicaties zijn van het onbetwistbare feit dat je in elk geval niet zelf aan de oorsprong staat van je eigen bestaan, terwijl je toch redenen hebt om dat als iets buitengewoon boeiends en bovendien als in hoge mate je eigen aangelegenheid te beschouwen, is het woord voor mij steeds raadselachtiger en tegelijk dierbaarder geworden. In plaats van een oplossing is het voor mij de vraag zelf of zelfs alleen maar de verwondering over het onbegrijpelijke en afgrondelijke gaan vertegenwoordigen. (32)


Niet te peilen

Misschien kan ik mijn gevoel over dit woord samenvatten door te zeggen dat de wat al te heldere en verheven theologische inhoud ervan in de loop van de jaren vervangen is door een veel vagere, maar minstens zo boeiende poëtische inhoud waar ik levenslang op hoop te kunnen teren. Het brute ‘pats boem’ van de scheppingsdaad heeft plaats gemaakt voor een geleidelijk groeiend besef van afhankelijkheid naar alle kanten en van de absolute kloof tussen er zijn en er niet zijn. De schepping uit niets gaat steeds meer betekenen dat er iets is op de plaats waar ook wel niets had kunnen zijn en dat daar in elk geval iets heel anders is dan ik mij er had kunnen denken. Aan geen van die kanten doemt ook maar iets als een noodzakelijkheid op of iets waartoe ik mijn bestaan met ondubbelzinnige duidelijkheid en definitief zou kunnen herleiden. Creatuurlijk is wat het besef wekt dat wij niet in staat zijn de werkelijkheid te peilen en doorgronden. (32)


Anoniem

Het besef er te zijn, terwijl je er evengoed niet had kunnen zijn en er binnenkort ook niet meer zult zijn, geeft aan het creatuurlijke bestaan iets van een zeldzame buitenkans. De blijdschap daarover is te vergelijken met een dankbaarheid die het adres van de weldoener niet kent, misschien wel, zoals mij telkens weer invalt, omdat die de kunst van het geven zo perfect beheerst dat hij afziet van dankbaarheid en daarom anoniem wil blijven. (33)


Onmaakbaar

De werkelijkheid kunnen wij niet maken en maar in geringe mate kennen. Zij is per definitie datgene waarvan wij de structuur niet kunnen bepalen en dus ook niet kunnen vervangen door ficties van eigen makelij. (45)


Te onbegrijpelijk

De fictie brengt de werkelijkheid langs kunstmatige weg verder binnen ons bereik door er structuur aan te geven. Zij maakt bij voorbeeld van droevige feiten, die wij niet begrijpen, een tragedie door er een begin, een dramatisch verloop en een einde aan te construeren. Zo´n tragedie is een maaksel dat wij in zijn geheel kunnen overzien. Wat werkelijk gebeurt is te onbegrijpelijk om tragisch te kunnen zijn. Het fictieve is een manier om de werkelijkheid, waar we machteloos tegenover staan, toch naar onze hand te zetten. Want ‘fictie’, ‘fingeren’, is vormen en kneden wat vormeloos aanwezig is. Door die ingreep wordt het anders en in een bepaald opzicht ook minder ‘echt’. (46)


Verslaggeving en geschiedschrijving

Intussen blijken de klassieke categorieën van de fictie, zoals ‘drama’, ‘held’, ‘hoofdpersoon’ en ‘tegenspeler’, inclusief de kwalificatie ‘tragisch’ zich moeiteloos en zonder op verzet te stuiten genesteld te hebben in de verslaggeving over actuele gebeurtenissen en in de geschiedschrijving. Het is de vraag, of zij daar nog als elementen van fictie worden herkend. (46)


Een dodelijk schot

Mij dunkt zelfs dat dilemma’s, kunstmatige producten van een tirannieke macht die het aantal mogelijkheden, normaal gezien oneindig groot, willekeurig tot twee beperkt, in principe nooit te accepteren zijn, als wij niet tot slavernij willen vervallen. Zij zijn nooit feitelijk en doen zich in de wilde, anarchistische werkelijkheid niet voor, maar alleen in de administratieve ficties van de macht en in een cultuur die daarop gebaseerd is. Vanuit dit gezichtspunt is de enig adequate reactie op een dilemma een dodelijk schot tussen de horens van de stier die het stelt. Want dilemma’s staan en bestaan niet, maar worden gesteld en overeind gehouden om potentiële onderdanen en brave aanhangers te imponeren. Dat is ook de reden waarom zij nooit vanzelfsprekend kunnen worden. (50)


Kwaad geweten

We lijken soms het individu of het geval te beschouwen als een hinderlijke bedreiging van de administratieve regel dat een individueel en concreet bestaan niet ter zake doet, omdat wij er geen vat op hebben en geneigd zijn alles waar wij vat op hebben als oninteressant te beschouwen. Maar wij doen dat wel met een kwaad geweten. Want niet alleen noemen we dat wat zich concreet voordoet, een ‘geval’, wij beseffen ook dat er buiten het geval en de uitzondering niet over enige werkelijkheid gesproken of alleen maar gesproken kan worden. (57)


Alles wat het geval is

De werkelijkheid is er alleen per geval, bij geval, als geval en als wat er ook niet had kunnen gebeuren of niet had kunnen plaats vinden. Wat gebeurt of bestaat, gebeurt in de vorm waarin het gebeurt of bestaat, niet volgens een regel die wij kunnen formuleren, maar eerder daar tegen in. Volgens de regel, eenmaal naar onze intellectuele tevredenheid geformuleerd, is elk geval oninteressant en strikt genomen zelfs overbodig. Toch is alleen het geval, bescheiden of niet, door ons gecontroleerd of niet, realiteit. Daarbuiten is er niets. “De wereld is”, schreef Ludwig Wittgenstein, “alles wat het geval is.” (57)


Afgrond

In afgrond wordt het bestaan van een grond, althans de mogelijkheid die vast te stellen, ontkend; hier is niet een verre grond of een diepe bodem aan de orde, maar de afwezigheid van elke aanwijsbare of tastbare grond als mogelijkheid om op te staan of iets te funderen. (58)


Eeuwig vallen

Waarschijnlijk is het woord een vertaling van het Griekse abussos, dat ‘bodemloos’ betekent en dus niet betrekking heeft op een diepe grond of een diepte waarvan de toeschouwer de bodem niet kan zien of in gedachten peilen, maar op de veronderstelde afwezigheid daarvan. Wie erin valt, blijft eeuwig vallen. Zijn bestaan is geen staan, maar een val, en het is dus de vraag, of het nog bestaat. (58)


Het laatste woord

De afgrond kan hooguit een voorlopig onpeilbare diepte zijn, waarin wij verwonderd staren zonder scherp te zien. Wij lijken niet in staat te zijn aan de afgrond en de totale onwetendheid het laatste woord te geven en de vrije val definitief te beschouwen als onze meest geëigende manier van bestaan. Onwillekeurig denken wij ons het zijn van de dingen en ons eigen bestaan niet als een permanente beweging en al helemaal niet als een val in de ruimte, maar als een ‘ergens zijn’ en een staan op een vaste bodem. (59)


Afzien

Staande voor de afgrond moet het verklarende denken afzien van zijn zekerheden en van zijn geloof in een onschokbaar fundament waarop het zijn zekerheden fundeert en zijn systeem bouwt. (59)


Metafysische hoogtevrees

De wereld en de manier waarop die is ingericht heeft geen boodschap aan wat wij in ons hoofd halen en aan de metafysische hoogtevrees die dat in ons oproept. Als wij het bestaan van alles moesten ontkennen wat we niet doorgronden, zouden we het bestaan van alles moeten ontkennen, want juist het bestaan doorgronden we niet. (59)


Ongrond

In zijn prachtige en en duizelingwekkende boek over de grond als wijsgerig begrip en over de stelling van Augustinus en later van Leibniz dat alles een grond heeft en dat die redelijk te begrijpen moet zijn [Over het wezen van de grond, vert. Harald van Veghel], speelt Heidegger op een ernstige manier met de gedachte dat die grond niet een vaste en te bereiken bodem is, maar een ‘afgrond’ is, een niet te benaderen en te begrijpen ‘ongrond’: de dingen zijn er ineens en zonder een aanwijsbare oorzaak of begin. (60)


Ontploffen

Het gebeurlijke, actuele en met de actualiteit van de gebeurtenissen weer voorbijgaande is alleen maar voorbijgaand en oppervlakkig voor wie zich daar buiten plaatst en het moment ervan niet deelt. De actualiteit is ook als gebeurtenis en gebeurlijkheid het hoogste zijn. Het is die laag van het zijn waar bestaande dingen van hun plaats worden verdrongen of ontploffen in de mogelijkheden waaruit ze zijn samengesteld, en waar mogelijkheden worden gecombineerd en zich samenballen tot een concrete werkelijkheid die in het gedrang een plaats zoekt en plaats vindt. En buiten deze laag is het zijn er niet. Al wat is, is proces, gebeurtenis; wat er is, is er alleen maar inzoverre het plaats vindt. Het ‘zijn’ en ‘er zijn’ van de werkelijkheid is, als we voor een ogenblik deze metaforiek nog eens letterlijk en fysisch mogen opvatten, een bol van gloeiende, stollende en ontploffende mogelijkheden. (88)


Verdwijnpunt

Zij worden sprakeloos van bewondering voor wat zich voor hun verwonderde blik vertoont. Hun ervaring gaat verder, reikt dieper en is radicaler dan een esthetische gewaarwording. Hun actieve houding tegenover de wereld en hun ondoordachte zekerheden daarover worden opgeschort in het licht van het belang dat de dingen zelf blijken te hebben en de aanspraak op aandacht die zij maken door hun loutere aanwezigheid en door het feit dat zij daar zijn en de toeschouwer eerder tot een passerend incident reduceren dan dat zij hem zouden aanwijzen als de meester en de regisseur van het tafereel. En hij op zijn beurt kan nooit sterker het gevoel hebben zijn bestemming te bereiken dan op het gelukkige moment waarop hij, oog in oog met de wereld, zich in een verdwijnend punt voelt veranderen en lijkt te versmelten met de horizon. (97)


Eeuwig anders

Omdat denken gewoonlijk neerkomt op pogingen het een te herleiden tot het ander, het onbekende tot het bekende, de werkelijkheid tot mogelijkheid of het bijzondere tot het algemene en het op te nemen in kaders die uit louter helderheid bestaan, is de substantie in haar ondoordringbaarheid tegelijk het voorwerp van denken bij uitstek en de grootste uitdaging van elk gangbaar denken. Zij is, als dat wat eeuwig en onherroepelijk anders is dan wat wij denken, dat wat als obstakel en als voorwerp van aandachtige beschouwing tegelijk een poging tot vernietiging en een onbegrensd aspect uitlokt. De substantie is de werkelijkheid in haar meest imponerende gedaante en zij krijgt daardoor de heiligheid van wat onaantastbaar blijkt te zijn, niet zozeer omdat wij het, nobel en voorzichtig, ontzien, maar omdat het tegen onze indringende blikken en begrippen bestand blijkt en nooit doorzichtig wordt of in helderheid oplost. (104)


Niet van ons

Maar met de werkelijkheid, dat wat de eigenschap heeft er in feite te zijn, los van wat wij zoal vinden en praten, moet nu juist datgene worden bedoeld wat zich daaraan onttrekt. Wie haar wil preciseren en op maat snijden, om haar geschikter te maken voor de geleerde conversatie, probeert haar de wetten van zijn eigen beperkte denken op te leggen en haar in te polderen, en negeert daarmee wat haar het meest eigen is. Wat wij ook ‘de werkelijkheid’ willen noemen, wij noemen haar zo als datgene wat niet van ons is en niet als datgene wat wij met een naam of een begrip kunnen bedoelen, vangen of hanteerbaar maken. (131)


Een meninkje hier en een stellinkje daar

De werkelijkheid vertegenwoordigt altijd, hardnekkig en uitsluitend het andere ten opzichte van wat zij, al dan niet eensgezind en na een afspraak, denken, fingeren en zeggen, en het is op zijn minst nogal nuffig daarover te praten alsof je er zo maar over kunt beschikken, en alsof een andere opvatting van werkelijkheid ook maar enige invloed zou hebben op wat er buiten onze opvattingen, onze vaststellingen, onze beginselen en ons onderhoudende gebabbel om aan de hand is. Wij zijn er eerder aan overgeleverd dan dat wij ons als heer en meester daarvan zouden kunnen beschouwen; en wij doen er goed aan deze onwrikbaar vastliggende verhouding in onze taal niet al te duidelijk te negeren. Een meninkje hier en een stellinkje daar kunnen we ons in de hitte van de woordenstrijd misschien een enkele keer permitteren, maar met een onwrikbaar standpunt gedragen wij ons hopeloos parmantig. (131)


Fingeren

Van wat wij ‘werkelijkheid’ noemen, weten wij dat het er is en dat wij er zelf deel van uitmaken; daarom praten we er ook over. Maar wij weten niet, wat zij precies is, hoe zij is en waarom zij er is. Haar wezen kennen we niet; we moeten het fingeren om erover te kunnen praten. Zij is eerder onvoorstelbaar en niet door denken te produceren of in haar wezen te vatten dan vlot te hanteren als een instrument. En juist daarnaar wordt gevraagd, als wij worden gesommeerd even te vertellen wat wij nu precies onder werkelijkheid verstaan. In de ironie van de vraag is de werkelijkheid, de eigenschap er werkelijk te zijn en niet verzonnen te zijn, van de gemeenschappelijk bewoonde wereld al afgeschreven. Het grootste raadsel moet blijkbaar al helemaal uitgeschakeld zijn of minstens voor de conversatie geschikt gemaakt, voordat we het ter sprake mogen brengen. Als raadsel is het nooit aan de orde. (132)


Inleiding tot de verwondering (1999)


Nulpunt

Wijsbegeerte is geen weten; als begeerte is het eerder een pathos, een toestand, dan een weten. Plato geeft aan dat pathos een naam: verwondering. […] Elke wijsgerige stap vooruit moet een stap terug zijn in de richting van dit pathos; elke weg naar een gevestigd weten moet worden teruggebogen naar dat nulpunt. Als filosofie de verwondering als beginsel heeft, komt zij die nooit te boven. (9,10)


Rulle leegte

Inleiden tot de wijsbegeerte is niet een stuk weg tonen en dan met een breed gebaar aanwijzen hoe die weg verder gaat. Het is blijven staan waar die weg als poging begint en waar alle andere wegen beginnen; het is de wijsbegeerte beoefenen op de plaats waar zij begint en waar zij eindigt. De hele wijsbegeerte en haar geschiedenis ligt in een grote kring rondom de rulle leegte van de verwondering […]. (10)


Radicaliseren

Filosofie is een radicaliseren van de verwondering naar alle kanten. (10)


Een hardnekkige onwetendheid

Want wijsbegeerte is niet de vrucht van het bezit van een bepaalde kennis. Zij is niet op kennis gebaseerd en heeft geen kennis tot doel. Eerder is zij een hardnekkige onwetendheid, zoals bij Sokrates, de kunst om het institutionele en zekere weten te voorkomen. (10,11)


Ontheemd

De verwondering is niet een huis waar iemand in kan wonen; het is zelfs geen wel omschreven toestand. Het is eerder ontheemd zijn dan thuis zijn. (12)


Uitstel

Wijsbegeerte wil het weten zolang mogelijk uitstellen en leeft bij de gratie van dit uitstel. (14)


Onuitputtelijk

Het grondbeginsel van alle kennis is dat het gekende ding niet zomaar het gekende ding is, dat de dingen niet zijn wat zij zijn en aanvankelijk bleken te zijn, maar zelfs niet wat ze zullen blijken te zijn. Het zijn van de dingen is onuitputtelijk; die onuitputtelijkheid is hun zijn zelf, waarmee het door de kennis geëxploreerde zo-zijn nooit kan samenvallen. Het zijn is de oneindig uitgestelde eindterm van de kennis en daarom kan zij het maar voorlopig en zonder pretenties benaderen.(20)


Alfa en omega

Zij [de verwondering] is niet alleen het begin, maar ook het einde; zij leidt en begeleidt het denken. Zij heeft niet alleen het eerste, maar ook het laatste woord. De filosoof komt haar niet te boven als een kinderziekte, maar klimt met moeite tot haar op als tot de enig adequate houding tegenover het mysterie van de dingen. Zij is het principe dat de oneindigheid van de beschouwing bepaalt. (27)


Alles is anders

Niets is zomaar wat het is, alles is anders, zo zou de verwondering als stelling kunnen worden geformuleerd. (29)


Machteloos

De verwondering is de houding van de mens tegenover het mysterie van de dingen; daarom is zij principieel machteloos, niet ordenend. (35)


Verbijstering

Verbijstering is de verwondering in haar sterkste vorm. Inleiden tot verwondering is daarom ook inleiden in de verbijstering, in de verbijstering storten. Wijsbegeerte stort niet alleen in verbijstering, maar probeert het daar ook uit te houden: zij rekt het moment van de verbijstering tot een leven uit. De wijsbegeerte is een uitdaging om tot het uiterste te gaan in verwondering en verbijstering. (49)


Sokrates

Sokrates heeft geen boeken geschreven en geen vragen opgelost; hij heeft alleen verwondering gewekt. Door het systematische, hardnekkig volgehouden karakter van zijn onwetendheid is hij een groot wijsgeer; want hij heeft de ruimte geschapen waar de wijsbegeerte, ontheemd als zij is, haar huis moet hebben en huis moet houden. Er is aan de taak van provoceren en wakker schudden geen einde, ook al kan de vraag waar al die wakkerheid toe moet leiden en wat een gesubstantiveerde onrust te betekenen heeft, niet worden beantwoord, zeker niet op een doctrinaire en stellige manier. (51)


Schijnidentiteit

In de verwondering zijn de dingen niet meer wat ze waren; daarom kan worden gezegd, dat zij hun identiteit verliezen. Identiteit is niet een onveranderlijk gegeven: zij is niet onveranderlijk en zij is niet gegeven; zij is veranderlijk en gemaakt. Alleen door het besluit niet verder te denken krijgen de dingen een schijn-identiteit. Identiteit is maar een moment van stilstand tussen bewegingen in. Zij is er niet zonder de poging waarvan zij een resultaat moet zijn. Niets is vanzelf identiek. (52)


Ontploffen

Alleen als we slapen zijn de dingen identiek; zodra de haan kraait ontploffen ze weer. (50)


Einde aan de vanzelfsprekendheid

Als de filosofie de verwondering tot principe heeft, moet zij die radicaliseren. Doet zij dat, dan moet zij aan alle vanzelfsprekendheid een eind maken. (55)


Het andere

Niets is wat het op het eerste oog lijkt; er is een tweede, een derde oog nodig enzovoorts, tot in het oneindige. Het oneindige komt in mijn horizon als het volstrekt andere, de negatie van de identiteit. De dingen zijn het andere voordat ze zijn wat ze zijn. Als iets is wat het is, is het dat alleen via een oneindige, onrustige slingerbeweging naar alles wat het niet is. (66)


Ogen op stokjes

Wanneer ik hier, zoals ik nu ben, zou zitten met de ogen van een spin, zou ik alles heel anders zien. Ik zou niet alleen andere dingen zien, maar ik zou dezelfde dingen ook anders zien. […] En als ik dan vervolgens hier zou zitten en zou kijken met de telkens weer andere ogen van een vlinder, een kikker, een mus, een vis, een nijlpaard, een koe, met rollende facet-ogen, ogen op stokjes, vochtige reeën-ogen of zelfs maar met de ogen van een ander mens, met allerlei soorten van ogen, die toch echt ogen zijn en de dingen echt zien, en ik zou daarna weer de heel speciale bril van mijn eigen ogen, waaraan ik mijn waarneming blind toevertrouw, kunnen opzetten, dan zou ik geschokt en vervreemd zijn. Er zijn zoveel ‘andere’ mogelijkheden van zien, dat mijn kijk op de dingen nauwelijks meetelt. Hoeveel ogen zijn er niet op de wereld? En er zijn zoveel werelden als er paren ogen zijn. Dit besef is vervreemding; het tilt mij weg uit mijn eigen middelpunt en maakt mij excentrisch. (70)


Onomkeerbaar

Wie eenmaal ‘het andere’ heeft ervaren, ontkomt nooit meer helemaal aan de vervreemding ten opzichte van alles wat vanzelfsprekend is, hij wil nooit meer terug in de grot. (71,72)


Uitstel

Een van de eerste beslissingen van de wijsheid is de beslissing, een definitief oordeel over wat dan ook op te schorten. Wijsheid wordt tot filosofie wanneer zij deze beslissing radicaliseert, niet uit eigenmachtige overwegingen, maar uit onmacht. Twijfel, verwondering en epoche hebben dit gemeen, dat zij als basis van het denken het uitstel van de beslissing erkennen. Dat bepaalt hun wijsgerig gehalte. De filosofie immers vindt haar plaats in dit uitstel. (146)