Tao-tê-tjing

‘Die weten, zijn niet geleerd. Die geleerd zijn, weten niet.’ Integrale tekst van de Daodejing in de klassieke vertaling uit 1918 van Ir. Blok.

Inleiding en redactie Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Taoïsme > Tao-tê-tjing

Tips: Meester Tja, Zhuang Zi


Inhoud

Inleiding

Van de Daodejing, zoals deze klassieker der klassiekers uit de daoïstische literatuur tegenwoordig heet, bestaan honderden, misschien wel duizenden versies in vele talen. Onderstaande versie komt uit het boekje Tao-Tê-Tjing, Lao-tse; vertaald door Ir. J.A. Blok en ingeleid door prof. H. van Praag, elfde druk, Ankh-Hermes – Deventer, 1918/1986. Deze versie is bij mijn weten rechtstreeks uit het Chinees vertaald in het inmiddels wat archaïsch aandoende Nederlands van het begin van de vorige eeuw. Ik hou daar wel van, jij hopelijk ook.

Ik heb de brontekst letterlijk overgenomen, inclusief de oude spelling maar exclusief de voetnoten. Een paar storende spelfouten die duidelijk niet de bedoeling waren, heb ik gecorrigeerd.

De Daodejing bestaat uit 81 hoofdstukken verdeeld over twee boeken.

Over Laozi (Lao Tsu, Lao Zu, Lao-tse), de vermeende schrijver van de Daodejing (Tao Te Tjing, Tao Tê Tjing, Ta-Te-Tjing) en een van de grondleggers van het daoïsme (taoïsme), is weinig bekend en niets zeker, zelfs niet of hij een historische of een legendarische figuur is. Sterker nog, de Daodejing heette oorspronkelijk de Lao-Tse; de titel waaronder wij het werk nu kennen is pas later bedacht. Hoe toepasselijk voor iemand over wie Se-ma-tjièn schrijft:

K’oeng-foe-Tse […] sprak zo tot zijn leerlingen:
Ik weet, dat vogels kunnen vliegen.
Ik weet, dat vissen kunnen zwemmen.
Ik weet, dat viervoeters kunnen lopen.
De lopenden vangt men in vallen.
De zwemmenden vangt men met netten.
De vliegenden schiet men met pijlen.
Maar de draak,
die naar de hemel stijgt,
door wind en wolken gedragen,
ik weet niet,
hoe men die moet vatten.
Heden zag ik Lao-Tse:
hij is als de draak.

Se-ma-tjièn schreef ook:

K’oeng-foe-tse ging naar Tse,
om Lao-Tse naar de zeden te vragen.
Lao-Tse sprak tot hem:
Zo de wijze zijn tijd gekomen weet,
dan stijgt hij omhoog.
Zo zijn tijd niet vervuld is,
dan vormt hij geen wortels.
Men zegt: een verstandige koopman
verbergt zijn schatten,
en doet zich voor als een arme:
de volmaakte wijze
wil naar buiten onwetend schijnen:
Laat af uw hoogmoed
en uw vele wensen,
alle uiterlijke schijn en
de eerzuchtige plannen.
Dit heb ik u te zeggen. Vaarwel!


1. Over het eeuwige Tao …

Het tao, dat geuit kan worden,
is niet het eeuwige Tao.
De naam, die genoemd kan worden,
is niet de eeuwige Naam.
Zonder naam is het de oorsprong van hemel en aarde,
met een naam is het de moeder van alle dingen.
Daarom: wie steeds zonder begeerte is,
ziet zijn (zuiver) geestelijk aspect,
wie steeds begeerten heeft,
ziet (alleen) zijn uiterlijke verschijningsvorm.
Beiden zijn in oorsprong gelijk,
maar hebben verschillende namen.
Die gelijkheid heet diep, de diepte der diepten;
het is de poort van al het geestelijke.


2. Over de paren van tegenstelling

Erkennen allen onder de hemel de schoonheid van het schone,
dan ook het lelijke.
Erkennen allen de goedheid van het goede,
dan ook het niet-goede.
Want zijn en niet-zijn baren elkander.
Moeilijk en licht vervolmaken elkander.
Lang en kort bepalen elkander.
Hoog en laag komen uit tegen elkander.
De toon en de stem sluiten aan bij elkander.
Voor en na volgen elkander.
Daarom maakt de Wijze werk van het niet-doen …
En predikt de leer zonder woorden.
De tienduizend wezens komen op en hij weigert niet.
Hij brengt voort en rekent niet als eigen.
Hij doet en steunt er niet op,
Verwerft verdienste en hecht er niet aan.
Juist omdat hij er niet aan hecht,
Wordt zij hem nimmer ontzegd.


3. Over de kunst van het Niet-Doen

Prijs de verdienstelijke niet,
opdat het volk niet twiste.
Eer de moeilijk te verkrijgen goederen niet,
opdat het volk geen diefstal plege.
Zie het begeerlijke niet aan,
opdat ’s volks hart niet worde verontrust.
Daarom: de Wijze regeert
door het hart ledig te maken,
de buik te voeden,
de wil te verzwakken,
het beenderstel sterker te maken.
Hij zorgt zo steeds, dat het volk niet weet
en geen begeerten heeft.
Hij zorgt zo, dat de weters niet durven te handelen.
Hij betracht het niet-doen
en dan is er niets ongeregeld.


4. Over de onpeilbare leegte

Tao is het lege en kan in gebruik niet worden gevuld.
O hoe diep! het lijkt de oervader aller dingen.
Het mindert zijn scherpte,
Ontwart zijn verwikkeling,
Tempert zijn schittering
En maakt zich gelijk aan het stof.
O hoe maanlichtstil; het lijkt onveranderlijk.
Ik weet niet wiens zoon het is.
Het was vóór de opperste Heer.


5. Over het staan buiten de tegenstellingen

Hemel en aarde kennen geen mensenliefde.
Voor hen zijn alle dingen als de strooien honden (voor het offeraltaar).
De Wijze kent geen mensenliefde;
Voor hem zijn alle mensen als strooien honden (voor het offeraltaar).
Hoe gelijkt alles tussen hemel en aarde op een blaasbalg!
Het is leeg en toch onuitputtelijk;
beweegt het zich, dan ledigt het zich des te meer.
Veel spreken put zich uit,
het is beter alles in te houden.


6. Over de diepste diepte

De geest van het dal is onsterfelijk, men noemt haar
het diepe-vrouwelijke.
De poort van het diepe-vrouwelijke noemt men de
wortel van hemel en aarde.
Eeuwig, eeuwig schijnt zij te bestaan,
zij werkt zonder zich in te spannen.


7. Over de duur van hemel en aarde

Hemel en aarde zijn duurzaam.
Hemel en aarde kunnen duurzaam zijn,
omdat zij niet voor zichzelf leven.
Daarom kunnen zij duurzaam zijn.
Vandaar stelt de Wijze zich achter bij anderen
en komt zelf naar voren.
Hij maakt zich los van zichzelf en blijft zelf behouden.
Is het niet, omdat hij niets eigens heeft?
Daarom juist kan het eigene worden vervuld.


8. Over het opperste goed

Het opperste goed is als water.
Water doet goed aan alle wezens en strijdt niet.
Het woont op plaatsen, door alle mensen veracht.
Daarin komt de goede Tao nabij.
Hij leeft gaarne op lage plaatsen.
Zijn hart mint de diepte.
In weldoen mint hij de liefde,
In spreken de waarheid,
In bestuur de orde,
In werken bekwaamheid,
In handelen de geschikte tijd.
Hij strijdt niet, daardoor treft hem geen blaam.


9. Over de korte duur van ijdelheid

Dragen en gevuld houden, beter het niet te beproeven.
Wetten en met de hand toetsen kan zo niet doorduren.
Een zaal vol juwelen en goud kan niemand bewaken.
Hovaardig zijn bij rijkdom of eer trekt ongeluk aan.
Na verdienstelijke daden en volgende roem trekke men zich terug.
Dit is de weg des hemels.


10. Over het kunnen loslaten

Wie het zinnelijke op doet gaan in het geestelijke
en tot eenheid komt,
kan ondeelbaar zijn.
Wie de levenskracht tot gedweeheid brengt,
kan zijn als een pasgeborene.
Zijn diep inzicht zuiverend,
kan hij vrij zijn van alle gebrek.
Het volk liefhebbend en het rijk regerend,
kan hij komen tot niet-doen.
Terwijl de poorten des hemels zich openen en sluiten,
kan hij zijn als de broedende hen.
Terwijl zijn licht de vier richtingen doordringt,
kan hij on-wetende zijn.
Hij geeft leven en onderhoudt.
Hij brengt voort en rekent niet als eigen.
Hij doet en steunt er niet op.
Hij kweekt op en is niet als meester.
Dit heet ondoorgrondelijke deugd.


11. Over de zin van de leegte

Dertig spaken verenigen zich in een naaf.
Van de leegte hangt het gebruik van het wiel af.
Men kneedt leem tot vaten.
Van de leegte hangt het gebruik van het vat af.
Men hakt deuren en vensters uit om een huis te maken.
Van de leegte hangt het gebruik van het huis af.
Daarom: het zijn heeft zijn voordeel.
maar van het niet-zijn komt het nut.


12. Over de ijdelheid van de zinnen

De vijf kleuren verblinden de ogen der mensen.
De vijf tonen verdoven de oren der mensen.
De vijf smaken bederven de mond der mensen.
Dolle ritten en jachten maken het mensenhart gek.
Moeilijk te verkrijgen goederen bederven ’s mensen levenswandel.
Daarom maakt de Wijze werk van zijn binnenste en niet van zijn ogen.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.


13. Over de oorsprongen van rampen

Gunst en ongenade zijn zaken van vrees.
Eer is een even grote ramp als het lichaam.
Wat betekent: “gunst en ongenade zijn zaken van vrees”?
Gunst verlaagt.
Haar verwerven baart vrees.
Haar verliezen baart vrees.
Daarom: gunst en ongenade zijn zaken van vrees.
Wat betekent: “eer is een even grote ramp als het lichaam”?
Ons treffen grote rampen via ons lichaam.
Welke rampen konden ons treffen, zo wij geen lichaam hadden?
Daarom: wie het besturen van het Rijk acht als zijn lichaam,
hem kan men het Rijk toevertrouwen.
Wie het Rijk liefheeft als zijn lichaam, hem kan met het Rijk toevertrouwen.


14. Over de oorspronkelijke Eenheid

Men kijkt ernaar en ziet het niet, zijn naam is: Ji (gelijk);
Men hoort ernaar en hoort het niet, zijn naam is: Hi (weinig);
Men grijpt ernaar en grijpt het niet, zijn naam is: Weh (fijn).
Deze drie zijn niet te doorgronden.
Daarom zijn zij verbonden tot Eén.
Boven niet licht, onder niet duister.
Eeuwig en onuitsprekelijk,
keert het terug naar het niet-zijn.
Dat heet de vorm van het vormloze,
het beeld van het beeldloze.
Dat is volstrekt niet te vatten:
Wie het ontmoet ziet niet zijn gelaat,
wie het volgt ziet niet zijn rug.
Wie zich houdt aan het Tao der ouden,
om het leven van heden te beheersen,
kent de oorsprong van de oudste traditie.
Dat heet de draad volgen van Tao.


15. Over de wijsheid van de Ouden

De wijzen van ouds waren duister, geestelijk, diep en doordringend.
Hun diepte kan niet worden gekend.
Daar zij niet kan gekend worden, tracht ik een denkbeeld te geven.
Zij waren voorzichtig, als wie een stroom doorwaadt in de winter,
Behoedzaam als wie zijn vier buren vreest,
Ingetogen als een gast,
Wijkend als ijs, dat smelten gaat,
Ongerept als ruw hout,
Leeg als een vallei,
Duister als troebel water.
Wie kan de troebel langzaam op doen klaren door rust?
Wie kan de rust door beweging langzaam wekken tot leven?
Die Tao bewaart en niet wenst vol te zijn.
Niet vol, maar berooid en uit de tijd, is hij volkomen.


16. Over de wederkeer tot de oorsprong

Wie de opperste leegte bereikt, behoudt de bestendige rust.
De tienduizend wezens worden tezamen geboren,
en ik zie ze weder terugkomen.
Als de dingen tot bloei gekomen zijn,
keren ze weer tot hun oorsprong terug.
Tot de oorsprong teruggekeerd zijn, heet rust.
Rust heet wederkeer tot de bestemming.
Terugkeren tot de bestemming heet eeuwig zijn.
Het eeuwige niet-kennen is verwarring en ellende.
Wie het eeuwige kent, heeft zielegrootheid.
Wie zielegrootheid heeft is rechtvaardig,
wie rechtvaardig is, is koninklijk,
wie koninklijk is, is hemels,
wie hemels is, is in Tao,
wie in Tao is, is eeuwigdurend.
Hij loopt geen gevaar, als hij zijn lichaam verliest.


17. Over het leren van-zelf-doen

Van de grote heersers, wisten de onderdanen nauwelijks, dat ze bestonden.
De volgende heersers werden bemind en geprezen.
De daaropvolgende heersers werden gevreesd.
Wie daarna kwamen werden veracht.
Wie niet genoeg vertrouwt, vindt ook geen trouw.
O, hoe bedachtzaam waren de eersten met hun kostbare woorden.
Hadden zij de verdienste verworven, het werk volvoerd,
dat zei het volk: “wij doen alles vanzelf”.


18. Over het ontstaan van de uiterlijke deugden

Het grote Tao verdween,
en er kwam menslievendheid en rechtvaardigheid.
Scherpzinnigheid en vernuft ontstonden,
en er kwam grote huichelarij.
De zes bloedverwanten raakten in onvrede,
en er kwam kinder- en ouderliefde.
Staat en gezin vervielen tot wanorde,
en er kwam toewijding en trouw.


19. Over het handhaven van de innerlijke deugd

Verzaak de wijsheid en doe de scherpzinnigheid weg
en ’t zal het volk tot honderdvoudig voordeel wezen.
Verzaak menslievendheid en doe de rechtvaardigheid weg,
en het volk zal tot ouder- en kinderliefde weerkeren.
Verzaak de knapheid en doe de winzucht weg,
en dieven noch rovers zullen er komen.
In deze drie dingen uitblinken voldoet niet.
Daarom leer ik waaraan zich te houden:
Weer de eenvoud erkennen, de ongereptheid bewaren,
weinig ik-zucht te hebben en weinig begeerten.


20. Over de onwetendheid van de wijzen

Verzaak studie, en gij zijt vrij van zorgen.
Hoe klein is het verschil tussen “ja” en “zeker”.
Hoe groot is het tussen goed en kwaad.
Wat de mensen vrezen, kan men niet nalaten te vrezen.
O die verduistering, er is geen einde aan!
De mensen stralen van lust,
als wie zich vergast aan het stieroffer,
als wie in de lente terrassen bestijgt.
Ik alleen lig stil en heb nog geen teken gegeven,
als een klein kindje, dat nog niet geglimlacht heeft.
Ik ben altijd zwervende, als niet wetende waarheen te gaan.
Alle mensen hebben over; ik alleen ben leeg.
O, ik heb het hart van een dwaas!
Ik ben zo verward!
De mensen zijn helder; ik alleen lijk duister.


21. Over het Reine Zijn

Tê is de uiterlijke verschijning van het lege Tao.
Tao is het reine zijn, ongrijpbaar, onbegrijpelijk.
Ongrijpbaar, onbegrijpelijk,
zijn kern houdt de beelden.
Ondoorgrondelijk, duister.
Zijn kern houdt de geest.
Die geest is oer-waar,
zijn kern is trouw.
Van ouds tot nu verdween zijn naam niet,
het veroorzaakt de aanvang van alle dingen.
Hoe weet ik, dat hier de aanvang van alle dingen ligt?
Door Tao zelf.


22. Over de trouw aan de Eenheid

Onvolledig wordt volkomen.
Gebogen wordt recht.
Hol wordt vol.
Versleten wordt nieuw.
Weinig wordt: verkrijgen.
Veel wordt: verdwalen.
Daarom houdt de Wijze het Ene en is zo tot voorbeeld der wereld.
Hij stelt zich niet in het licht; daardoor schittert hij.
Hij schat zichzelf niet hoog; daardoor blinkt hij uit.
Hij roemt zichzelf niet; daarom heeft hij verdienste.
Hij verheft zich niet; daarom staat hij hoog.
Hij strijdt niet, daarom kan niets ter wereld met hem strijden.
De spreuk der Ouden: “Onvolledig wordt volkomen”,
was niet zonder zin.
Tot de werkelijk volkomene wendt zich alles.


23. Over het één worden met Tê

Wie weinig spreekt, is “vanzelf”.
Een wervelwind duurt geen ganse morgen.
Een plasregen duurt geen ganse dag.
Wie brengt die voort?
Hemel en aarde.
Als hemel en aarde niet langer kunnen, hoeveel minder dan de mens.
Daarom: wie naar Tao handelt, zal één worden met Tao.
Wie naar Tê handelt, zal één worden met Tê.
Wie naar de dwaling handelt, zal één worden met dwaling.
Wie zich één maakt met Tao, hem neemt Tao met vreugde op.
Wie zich één maakt met Tê, hem neemt Tê met vreugde op.
Wie zich één maakt met dwaling, hem neemt dwaling met vreugde op.
Wie niet genoeg vertrouwt, vindt ook geen trouw.


24. Over het eerbiedigen van de natuurlijke grenzen

Wie op de tenen staat, staat niet.
Wie de benen spreidt, loopt niet.
Wie zichzelf in het licht stelt, schittert niet.
Wie zichzelf roemt, heeft geen verdienste.
Wie zichzelf verheft, staat niet hoog.
Bij Tao vergeleken is dit als restjes van eten,
als uitspattende levenswandel, die een ieder verafschuwt.
Daarom: wie Tao heeft, doet niet zo.


25. Over de vier grote dingen

Er was iets chaotisch en volmaakts
al voor hemel en aarde ontstonden.
O hoe stil, hoe ijl!
Dit is het enig echt bestaande en het verandert niet.
Het doorvloeit alles zonder gevaar te lopen.
Het kan worden beschouwd als ’s werelds moeder.
Ik weet zijn naam niet, ik noem het Tao.
Gedwongen het een naam te geven, zeg ik groot.
Van groot zeg ik vliedend,
Van vliedend, ver.
Van ver, wederkerend,
Daarom is Tao groot, de hemel groot,
de aarde groot, de koning groot.
Er zijn in de wereld vier grote dingen.
De koning is daarvan één.
De mens volge de aarde, de aarde de hemel,
de hemel Tao en Tao het vanzelf zijn.


26. Over het leren zich niet te hechten

Zwaar is de wortel van licht.
Rust is de meester van beweging.
Daarom schrijdt de Wijze de ganse dag voort
en wijkt van zijn wichtige voorraadswagen niet af.
Hij heeft ook prachtige gebouwen,
hij bewoont ze onbewogen
en verlaat ze zonder moeite.
Maar hoe, als de heer van tienduizend wagenen
het Rijk licht acht om zichzelf?
Door lichtzinnigheid verliest hij zijn dienaren,
Door rusteloosheid de heerschappij.


27. Over het aanvaarden van alle dingen

Goed reizen laat wagen- nog voetsporen na.
Goed spreken maakt afwijkingen noch fouten.
Goed rekenen heeft geen telraam nodig.
Goed sluiten heeft geen grendel nodig of slot,
en niemand kan openen.
Goed binden heeft geen koorden of banden nodig,
en niemand kan losknopen.
Vandaar munt de Wijze steeds uit in het helpen der mensen.
Daarom verwerpt hij de mensen niet.
Steeds munt hij uit in het helpen der schepselen.
Daarom verwerpt hij de schepselen niet.
Dit heet dubbel verlicht.
Daarom: de goede is de leraar van de niet-goede.
De niet-goede is de schat van de goede.
Wie zijn leraar niet eert, wie zijn schat niet lief heeft,
is bij alle wijsheid toch blind.
Dit heet gewichtig en diep.


28. Over het zich Yang te weten en zich Yin te tonen

Wie zich Yang weet, maar Yin toont,
wordt stroombed van de hele wereld.
Wie stroombed is van de hele wereld,
is nimmer zonder Tê,
hij keert weer terug tot de staat van een pasgeboren kind.
Wie zijn licht kent,
maar zijn duisternis toont,
is een voorbeeld voor de wereld.
Wie een voorbeeld voor de wereld is,
heeft het eeuwige Tê als schild,
en hij keert terug tot het onbevangene.
Wie zijn hoogheid kent,
maar zijn nederigheid toont,
wordt stroombed van de hele wereld.
Wie stroombed is,
vloeit over van het eeuwige Tê;
en hij keert terug tot de eerste eenvoud.
Wordt de eenvoud doorbroken,
dan ontstaat het breekbare.
Als de Wijze die aanvaardt,
overtreft hij alle magistraten.
Hij regeert groot en kwetst niemand.


29. Over de onaantastbaarheid van het Rijk

Die aan het Rijk wil raken om het te hervormen,
ik zie dat hij niet slaagt.
Het Rijk is een heilig vat; men moet er niet aan werken.
Er aan werken is bederven, er naar grijpen is verliezen.
Want onder de schepselen gaan sommige voor, andere volgen.
Sommige verwarmen, andere verkoelen.
Sommige worden sterk, andere vallen af.
Sommige slagen, andere bezwijken.
Daarom vermijdt de Wijze buitensporigheid, overdaad en pracht.


30. Over het regeren zonder geweld

Wie de heerser helpt met Tao,
bedwingt het Rijk niet met wapengeweld.
Zijn doen lokt een goed antwoord uit.
Waar legers kamperen, groeien distels en doornen.
Op grote oorlogen volgen jaren van onheil.
De goede slaagt, en daarmee uit,
Waagt het niet verder te gaan met geweld,
Slaagt en roemt niet,
Slaagt en praalt niet,
Slaagt en is niet aanmatigend,
Slaagt en kan niet anders,
Slaagt en vermijdt geweld.
Van af hun hoogste bloei worden de dingen oud.
Dit heet leven zonder Tao.
Leven zonder Tao vergaat snel.


31. Over het niet-hanteren van wapens

Ook de mooiste wapens zijn ongelukswerktuigen.
Alle wezens haten ze.
Daarom: wie Tao heeft, voert ze niet.
De edele mens, in vrede, eerst de linkerkant,
In oorlogstijd de rechterkant.
Wapens zijn ongelukswerktuigen.
Het zijn geen werktuigen voor de edele mens.
Hij gebruikt ze, als hij niet anders kan.
Hij stelt vrede en rust bovenaan.
Hij overwint, maar vindt er geen vreugde in.
Wie daarin vreugde vindt,
houdt van mensenmoord.
Wie van mensenmoord houdt,
kan zijn wil in de wereld niet krijgen.
In geluk eert men de linkerkant,
In ongeluk de rechterkant.
De onderbevelhebber staat links.
De opperbevelhebber staat rechts.
Dat is: zij staan volgens de rouwplechtigheden.
Wie veel mensen gedood heeft,
wene daarover met medelijden en geklag.
Die overwint in de strijd
plaatse men volgens de rouwplechtigheden.


32. Over de aanwezigheid van het Tao in de wereld

Tao is eeuwig, onnoembaar.
Hoe gering het ook in zijn eenvoud is,
waagt toch de ganse wereld niet het te onderwerpen.
Als koningen en vorsten het konden handhaven,
zouden de tienduizend wezens zich schikken vanzelf.
Hemel en aarde zouden zich verenigen en een zoete
dauw doen neerdalen en zonder bevel, vanzelf
raakte het volk tot harmonie.
Tot schepping komende, wordt het noembaar.
Eenmaal noembaar, moet men het weten te houden.
Wie houdt, is zonder gevaar.
De aanwezigheid van Tao in de wereld is als de
saamvloeiing van beek en rivier met stroom en zee.


33. Over het kennen van zich zelf

De mensenkenner is verstandig.
De zelfkenner is verlicht.
De mensenbedwinger is krachtig.
De zelfbedwinger is machtig.
Wie voldaan weet te zijn, is rijk.
Wie krachtig handelt, heeft wil.
Wie zijn plaats niet verliest, houdt stand.
Wie sterft, maar niet vergaat, leeft eeuwig.


34. Over de deemoed

Het grote Tao overstroomt alles,
zowel links als rechts.
De tienduizend wezens steunen erop om geboren te worden,
en het weigert niet.
Het verwerft verdienste
en rekent die niet als eigen.
Het bemint en koestert de tienduizend wezens
en is niet als meester.
Het is eeuwig begeerteloos.
Men kan het noemen: gering.
De tienduizend wezens keren terug
en het is niet als meester.
Men kan het noemen: groot.
Daarom maakt de Wijze zichzelf niet groot,
daardoor kan hij zijn grootheid voltooien.


35. Over de onuitputtelijkheid van Tao

Houdt het grote beeld en heel de wereld stroomt toe.
Stroomt toe zonder letsel; daar is rust en vrede en voorspoed.
Muziek en lekkernijen doen de voorbijgaande vreemdeling pozen.
Komt Tao de mond uit, o hoe laf, hoe smakeloos is het!
Wij kijken ernaar en zien het niet.
Wij luisteren ernaar en horen het niet.
Wij gebruiken het en ’t is onuitputtelijk.


36. Over het leren alles in te houden

Wat saamtrekken gaat, was eerst uitgestrekt.
Wat verzwakken gaat, was eerst sterk.
Wat vervallen gaat, was eerst hoog.
Wat verdwijnen gaat, was eerst verkregen.
Dit heet duister en toch licht.
Zacht overwint hard.
Zwak overwint sterk.
De vis moet de diepte niet verlaten.
Men moet de scherpe werktuigen des Rijks
niet tonen aan het volk.


37. Over het komen tot vrede

Tao is eeuwig niet-doende en toch is er niets, dat het niet doet.
Als koningen en vorsten het konden handhaven,
zouden de tienduizend wezens vanzelf anders worden.
Waren zij anders en wilden toch weer doen,
ik zou ze bedwingen door het nameloos Ene.
Het Nameloos ene brengt niet-begeren.
Door niet-begeren komt rust.
Dan komt de wereld vanzelf tot vrede.

38. Over de ware deugd

Hoge deugd is geen deugd,
Daarom juist deugd,
Lage deugd verliest geen deugd,
Daarom geen deugd.
Hoge deugd doet niet en het is er haar niet om te doen.
Lage deugd doet, maar het is er haar om te doen.
Hoge menslievendheid doet, maar het is er haar niet om te doen.
Hoge rechtschapenheid doet, maar het is er haar om te doen.
Hoge vormelijkheid doet, maar er is geen antwoord op.
Dan ontbloot zij de armen en dwingt
Daarom: is Tao verloren, dan komt er deugd,
Deugd verloren, dan is er menslievendheid,
Menslievendheid verloren, dan komt er rechtschapenheid,
Rechtschapenheid verloren, dan komt er vormelijkheid.
Vormelijkheid nu is de schors van oprechtheid en trouw,
en ’t begin van verwarring.
Het gangbare weten is de bloem van Tao en het begin van onwetendheid.
Daarom houdt een hoog mens zich aan de kern,
niet aan de schors.
Hij houdt zich aan de vrucht niet aan de bloem.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.


39. Over de zin van de reinheid

Wat oudtijds eenheid kreeg:
De hemel kreeg eenheid, daardoor reinheid.
De aarde kreeg reinheid, daardoor rust.
De geesten kregen eenheid en daardoor rede.
Het stroomdal kreeg eenheid, daardoor volte.
De tienduizend wezens kregen eenheid en daardoor leven.
Vorsten en koningen kregen eenheid
om zo een voorbeeld te zijn voor de wereld.
Dit deed eenheid.
De hemel zonder reinheid zou zo scheuren.
De aarde zonder rust zou zo splijten.
De geesten zonder rede zouden vergaan.
Het stroomdal zonder volte zou opdrogen.
De tienduizend wezens zonder leven zouden worden vernietigd.
Vorsten en koningen, die geen voorbeeld waren,
hoe hoog en geëerd ook, zouden zo vallen.
Daarom houdt de edele het geringe voor zijn grondslag.
De hoge beschouwt het lage als zijn grondslag.
Daarom noemen vorsten en koningen zich wezen, geringen, onwaardigen.
Beschouwen zij aldus het geringe niet als hun grondslag, en terecht?
De wagendelen alleen zijn nog geen wagen.
Wenst niet te worden geëerd als jade, noch veracht als gewone steen.


40. Over het ontstaan van alle dingen uit het Niet-Zijn

Terugkeer is de beweging van Tao.
Zachtheid is de werking van Tao.
De dingen der wereld ontstaan uit zijn.
Zijn ontstaat uit niet-zijn.


41. Over de verborgenheid van Tao

Horen hoog ontwikkelden van Tao,
zo volgen zij het vol ijver.
Horen middelmatigen van Tao,
zo houden zij het nu en verliezen het dan weer.
Horen onontwikkelden van Tao,
zo lachen zij er zeer om.
Lachten zij er niet om,
dan zou het Tao niet zijn.
Daarom, welgegrond is het woord:
Tao-licht lijkt duister.
Tao-voortgang lijkt achteruitgang.
Tao-effenheid lijkt ruw.
Hoge deugd lijkt een vallei.
Grote reinheid lijkt schande.
Rijke deugd lijkt ontoereikend.
Sterke deugd lijkt wankel.
Blote zuiverheid lijkt verdorven.
Als een groot vierkant zonder hoeken.
Een grote vaas in aanleg.
Een groot geluid zonder klank.
Een groot beeld zonder vorm.
Zo is Tao verborgen en heeft geen naam.
En toch is Tao alleen, wat helpt en volmaakt.


42. Over de oorsprong van de tienduizend dingen

Tao baart een.
Een baart twee.
Twee baart drie.
Drie baart de tienduizenden dingen.
De tienduizend dingen dragen het duister beginsel buiten
en het lichtbeginsel binnen.
Door ijle adem komt samenklank.
Wat de mensen haten is wezen, geringen, onwaardigen te zijn.
En toch noemen zo koningen en vorsten zich.
Daarom, de een vermindert en vermeerdert toch.
De ander vermeerdert en vermindert toch.
Wat de mensen leren is ook mijn lering:
De sterken en geweldigen sterven geen natuurlijke dood.
Ik zal ze tot grondslag nemen voor mijn leer.


43. Over de kracht van het zachte

Het zachtste ter wereld overwint het hardste.
Niet-zijn doordringt wat zonder tussenruimte is.
Ik weet daardoor de kracht van het niet-doen.
De leer zonder woorden,
De kracht van het niet-doen.
Weinigen onder de hemel zijn er aan toe.


44. Over de onaantastbaarheid

Naam of persoon, wat is nader?
Persoon of bezit, wat is meer?
Verkrijgen of verliezen, wat is erger?
Veel begeren doet veel verspillen.
Veel vergaren doet veel verliezen.
Wie voldaan weet te zijn, is vrij van blaam.
Wie zich in kan houden, loopt geen gevaar.
Die kan langdurig blijven bestaan.


45. Over de werking van de reinheid

Grote volkomenheid is als onvolkomen,
doch zijn werking blijft onvergankelijk.
Grote volheid is als leeg,
doch zijn gebruik is onuitputtelijk.
Grote rechtheid is als krom,
Grote bekwaamheid is als dom,
Grote welsprekendheid is als stom.
Beweging overwint kou.
Rust overwint warmte.
Reinheid en rust zijn het rechte onder de hemel.


46. Over de zin van de tevredenheid

Als het Rijk Tao heeft,
dan bemesten renpaarden de akker.
Als het Rijk geen Tao heeft,
dan staan de strijdhengsten bij de grenzen.
Geen zonde groter dan begeerte te dulden.
Geen onheil groter dan geen tevredenheid kennen.
Geen ramp groter dan bezit begeren.
Daarom: wie de vrede kent der genoegzaamheid, is altijd tevree.


47. Over het zich zelf niet te buiten gaan

Zonder zijn huis te verlaten,
kan men de wereld kennen.
Zonder uit het venster te zien,
kan men het Tao van de hemel zien.
Hoe meer men naar buiten gaat,
hoe minder kent men.
Daarom: de Wijze gaat niet, maar weet toch,
Ziet niet, maar noemt toch,
Doet niet, maar volbrengt toch.


48. Over de ijdelheid van het doen

Aan studie doen eist dagelijks meer.
Aan Tao doen eist dagelijks minder,
Minder en minder tot niet-doen bereikt is.
Met niet-doen kan men alles doen.
Met niet-doen kan men meester der wereld worden.
Met doende te zijn kan men geen meester der wereld worden.


49. Over het goed zijn voor iedereen

De Wijze heeft geen onveranderlijk hart,
Richt zijn hart naar het hart der honderd geslachten.
De goede, hem ben ik goed.
De niet-goede, hem ben ik ook goed.
Deugd is goed.
Den oprechte, hem ben ik oprecht.
De niet-oprechte, hem ben ik ook oprecht.
Deugd is oprecht.
De Wijze leeft in de wereld vol angst en beven,
dat zijn hart door de wereld zal worden verontrust.
De honderd geslachten richten op hem hun oor en oog.
De Wijze, allen zijn hem kinderen.


50. Over de onkwetsbaarheid van de wijze

Uitgaan is leven, ingaan is dood.
Dertien zijn de dienaren des doods.
Ook dertien, die ’s mensen leven drijven naar de dood.
Maar waarom dit?
Wegens het overmatig geleefde leven.
Nu heb ik gehoord van wie goed het leven beheerst.
Het land doortrekkend, ontmoet hij neushoorn noch tijger.
Ingaand in legers, mijdt hij pantser noch wapen.
De neushoorn vindt er geen plaats om zijn hoorn in te stoten.
De tijger vindt er geen plaats om zijn klauw in te slaan.
Het wapen vindt er geen plaats om het scherp in te steken.
Maar waarom dit?
Omdat hij geen plek heeft, die dodelijk is.


51. Over het ondoorgrondelijk Tê

Tao verwekt ze.
Tê voedt ze.
Materie vormt ze.
Kracht vervolmaakt ze.
Daarom is er geen der tienduizend wezens,
dat Tao niet eert en Tê niet acht.
Het vereren van Tao, het achten van Tê
is op niemands bevel, maar eeuwig vanzelf.
Want Tao verwekt ze; Tê voedt ze, kweekt ze op,
brengt leven, vervolmaakt ze, doet rijpen,
ontwikkelt ze, beschut ze.
Het brengt voort en rekent niet als eigen.
Het doet en steunt er niet op.
Het kweekt op en is niet als meester.
Dit heet ondoorgrondelijk Tê.


52. Over het deel hebben aan de eeuwigheid

De wereld heeft een oorsprong; dat is ’s werelds moeder.
Als men de moeder kent, kent men het kind.
Wie het kind kent en zich houdt aan de moeder,
is buiten gevaar bij ’s lichaams einde.
Zijn doorgangen sluitend, zijn poorten versperrende,
zal hij bij ’s lichaams einde zonder zorgen zijn.
Zijn doorgangen openend, zijn zaken reddende,
zal hij bij ’s lichaams einde reddeloos zijn.
Het ijle zien heet verlicht.
Zachtheid bewaren heet sterk.
De straling volgende om tot het licht terug te keren,
zo verliest men niets bij ’s lichaams ondergang.
Dit heet: bekleed zijn met eeuwigheid.


53. Over de ijdelheid van de begeerten

Indien ik een weinig kennis had
En in het grote Tao wandelde,
Zo zou ik de openbaring ervan vrezen.
Het grote Tao is zeer vlak,
Maar het volk mint de zijpaden.
Hoven zeer weelderig,
Dan de velden vol onkruid,
De graanschuren ledig.
Klederen rijk gekleurd,
Scherpe zwaarden dragen,
Drank en spijs zwelgen,
Goederen en schatten te over hebben,
Dit heet pralen met roof,
Geen Tao voorwaar.


54. Over het betrachten van Tao

Onafgebroken brengen zijn kinderen en kindskinderen hem offers.
Betracht hij Tao voor zichzelf, dan is zijn Tê waarachtig.
Betracht hij Tao in het gezin, dan is zijn Tê overvloedig.
Betracht hij Tao in de gemeente, dan is zijn Tê vérreikend.
Betracht hij Tao in de staat, dan is zijn Tê overstromend.
Betracht hij Tao in het Rijk, dan is zijn Tê aldoordringend.
Daarom naar de persoon beoordeelt men personen.
Naar het gezin beoordeelt men gezinnen.
Naar de gemeenten beoordeelt men gemeenten.
Naar de staat beoordeelt men staten.
Naar het Rijk beoordeelt men het Rijk.
Hoe weet ik dat van het Rijk?
Door dit.


55. Over de onschuld van Tao

Wie overvloed aan Tê heeft,
lijkt op een pasgeboren kindje.
Dat steekt geen venijnig gedierte;
wilde beesten bespringen het niet,
roofvogels tasten het niet aan.
Zijn beenderen zijn week,
zijn spieren zijn zwak,
toch grijpt het al stevig.
Nog kent het de gemeenschap der seksen niet,
en in zijn geslachtsorganen is al werking.
Dit komt door de volkomenheid van het zaad.
De ganse dag schreeuwt het en zijn stem wordt niet hees.
Dit komt door de volkomenheid der harmonie.
Harmonie kennen heet eeuwigheid.
Eeuwigheid kennen heet verlicht zijn.
Vermeerdering van leven heet geluk.
Begeerte, het leven aandrijvende, heet kracht.
Vanaf hun hoogste bloei worden de dingen oud.
Dit heet Tao-loos.
Tao-loos vergaat snel


56. Over het leren zwijgen

Zij die het weten, spreken niet.
Zij die spreken, weten het niet.
De Wijze sluit zijn doorgangen,
Verspert zijn poorten,
Mindert zijn scherpte,
Ontwart zijn verwikkeling,
Tempert zijn schittering
En maakt zich gelijk aan het stof.
Dit heet mystieke eenwording.
Hem treft geen liefde.
hem treft geen vervreemding.
Hem treft geen voorspoed.
hem treft geen nadeel.
Hem treft geen eer.
Hem treft geen schande.
Daarom wordt hij door heel de wereld geëerd.


57. Over de kracht van het Niet-Doen

Met redelijkheid regeert men de staat.
Met listen voert men oorlog.
Met niet-doen wint men het Rijk.
Hoe weet ik dat van het Rijk?
Door dit:
Hoe meer verboden en bepaald is in het Rijk,
hoe armer wordt het volk.
Hoe meer scherpe werktuigen het volk heeft,
des te verwarder wordt de staat.
Hoe bekwamer en handiger het volk wordt,
hoe meer gekunstelde dingen komen op.
Hoe meer wetten en besluiten worden afgekondigd,
hoe meer dieven en rovers er komen.
Daarom zegt de Wijze:
Ik doe niet, en het volk zal vanzelf zich hervormen.
Ik houd van de rust, en het volk zal vanzelf recht worden.
Ik doe geen werk, en het volk zal vanzelf rijk worden.
Ik heb geen begeerten, en het volk zal vanzelf eenvoudig worden.


58. Over het ware bestuur

Als het bestuur gebrekkig is, wordt het volk welvarend.
Als het bestuur scherp toeziet, lijdt het volk gebrek.
Ongeluk, ach, is waardoor het geluk wordt gedragen.
Geluk, ach, is waarin het ongeluk verborgen ligt.
Wie kent de overgang? Er is geen ophouden aan.
De redelijken worden onbehoorlijk,
De deugdzamen onberekenbaar.
Der mensen verblinding duurt sinds menige dag.
Daarom: de Wijze is oprecht en kwetst niet,
Zuiver, en beledigt niet,
Rechtschapen, en overdrijft niet,
Stralend, en verblindt niet.


59. Over de zin van spaarzaamheid

Om mensen te besturen en de hemel te dienen,
gaat niets boven spaarzaamheid.
Spaarzaamheid nu is tijdige voorzorg.
Tijdige voorzorg heet sterke opeenhoping van deugd.
Met sterke opeenhoping van deugd is niets onoverkomelijk.
Is niets onoverkomelijk, dan kent niemand zijn grenzen.
Kent niemand zijn grenzen, dan kan hij het Rijk regeren.
Die de moeder van het rijk heeft, kan lang aanblijven.
Dit heet een diepe wortel en stevige stam hebben.
Dit is de weg voor een lang leven en durend inzicht.


60. Over de eerbied voor het individu

Men moet een grote staat besturen,
zoals men kleine visjes braadt.
Als men het rijk regeert met Tao,
krijgen de demonen geen macht.
Niet dat de demonen geen macht krijgen,
maar zij schaden de mensen niet.
Niet, dat zij de mensen niet schaden,
maar de Wijze schaadt de mensen niet.
Noch de Wijze noch de demonen schaden hen,
daarom vloeien hun deugden saam.


61. Over de eerbied van het Yang en het Yin voor elkaar

Een grote staat, die laag stroomt, doet de wereld saamvloeien,
is als ’s Rijks vrouw.
De vrouw overwint de man gestadig door rust.
In rust houdt zij zich laag.
Daarom; als een groot rijk nederig doet tegen een klein,
zal het dat kleine winnen.
Als een klein rijk nederig doet tegen een groot,
zal het dat grote winnen.
Daarom: de een buigt zich om te winnen,
de ander om gewonnen te worden.
Een groot rijk begere slechts de mensen te verenigen en te voeden.
Een klein rijk begere slechts mee te gaan en de mensen te dienen.
Zo ontvangen beide hun wens.
Maar het grote vernedere zich.


62. Over het kostbaarste onder de hemel

Tao is de toevlucht aller wezens,
Schat van het goede,
Steun van het niet-goede.
Schone woorden kunnen van voordeel zijn.
Edel gedrag kan de mensen verheffen.
Waarom zou men de niet-goede verstoten?
Daarvoor stelde men een keizer in en drie ministers.
Maar beter dan statig de jadeschijf geheven te houden
of te rijden met een vierspan
is stil te zitten en voort te gaan in Tao.
Waarom vereerden de Ouden Tao zo?
Luidt het niet: Door zoeken kan het worden gevonden,
en die zonde heeft, wordt erdoor bevrijd?
Daarom is het het kostbaarste onder de hemel.


63. Over het doen zonder moeite

Betracht niet-doen.
Werk aan niet-werken.
Geniet aan het niet-genieten.
Uw groot zij als klein,
Uw veel als weinig.
Vergeld kwaad met Tê.
Ontwerp het moeilijke als het nog licht is.
Doe het grote als het nog klein is.
’t Moeilijke onder de hemel komt voort uit het lichte.
Het grote onder de hemel komt voort uit het kleine.
Daarom: de Wijze doet nimmer groot.
Daardoor vermag hij het grote te doen.
Die lichtvaardig belooft, houdt zeker weinig woord.
Wie veel makkelijk vindt, ondervindt zeker veel moeilijks.
Daarom vindt de Wijze veel moeilijk.
Vandaar dat hij nooit moeite ondervindt.


64. Over het ontstaan van alle dingen uit het kleine

Wat in rust is, is licht te houden.
Wat nog komen moet, is licht te voorkomen.
Wat bros is, is licht te verbreken.
Wat klein is, is licht te verstrooien.
Behandel de dingen voor ze bestaan.
Beheers ze voor ze tot wanorde komen.
Een niet te omvademen boom groeit uit een fijn sprietje.
Een toren van negen verdiepingen begint met een kleine hoop gronds.
een reis van duizend mijlen begint met wat onder de voet ligt.
Wie doet, faalt.
Wie grijpt, verliest.
Daarom: de Wijze doet niet en faalt daardoor niet,
Grijpt niet en verliest daardoor niet.
Als het volk doet, faalt het altijd op het punt van slagen.
Zorgt men zowel voor einde als voor begin,
dan zal men niet falen.
Daarom begeert de Wijze het niet-begeren en
eert de moeilijk te verkrijgen goederen niet,
Maakt studie van niet-studie
En wendt zich tot wat de mensen voorbijgaan.
Zo helpt gij de tienduizend wezens in hun natuurlijke loop,
en durft niet te ‘doen’.


65. Over het geven van het goede voorbeeld

De Ouden, die Tao betrachtten, zochten daarmee het
volk niet verlicht, maar eenvoudig te maken.
Het volk is moeilijk te regeren, omdat het zo knap is.
Met knapheid het rijk regeren, is ’s Rijks vloek.
Niet met al die knapheid het Rijk regeren, is ’s Rijks zegen.
Wie dit beide weet, is een voorbeeld.
Altijd dit voorbeeld weten te zijn, heet diepgaande deugd.
Die diepgaande deugd is ondoorgrondelijk,
ver, en tegengesteld aan de dingen.
Zo komt men tot grote overgave.


66. Over het regeren zonder strijd

Waarom kunnen stromen en zeeën koningen aller wateren zijn?
Omdat zij zich weten te vernederen.
Daarom kunnen zij koningen aller wateren zijn.
Daarom: wil de Wijze boven het volk uit staan,
dan moet hij in spreken daaronder blijven.
Wil hij voor het volk uit staan, dan moet hij daarachter zich houden.
Zo staat de Wijze boven en drukt het volk niet,
Staat hij vooraan en hindert het volk niet,
Daarom verheft de ganse wereld hem vol vreugde
en wordt hem niet moe.
Hij strijdt niet; daarom is er niemand onder de hemel,
die met hem strijden kan.


67. Over de zin van het medegevoel

Allen onder de hemel noemen mij groot, maar ik lijk een mislukte.
Juist omdat ik groot ben, lijk ik een mislukte.
De welgeslaagden – hoe lang duurt al hun onbeduidendheid.
Ik heb drie kleinodiën, die ik vasthoud en waardeer.
Het eerste heet medegevoel.
Het tweede heet tevredenheid.
Het derde heet nederigheid.
Door mijn medegevoel kan ik dapper zijn.
Door mijn tevredenheid kan ik vrijgevig zijn.
Door mijn nederigheid kan ik de eerste zijn.
Maar nu verwerpt men het medegevoel en is toch dapper,
Verwerpt men de tevredenheid, en is toch vrijgevig,
Verwerpt men de laatste plaats en wil vooraanstaan.
Dit leidt tot de dood.
Wie strijdt met medegevoel, overwint.
Wie verdedigt met medegevoel, houdt stand.
Wie de hemel beschermen wil, geeft hij als geleide het medegevoel.


68. Over de strijd zonder toorn

Een goed aanvoerder is niet krijgzuchtig.
Een goede strijder is niet toornig.
Een goed overwinnaar zoekt geen twist.
Een goed leider houdt zich laag.
Dit heet niet-strijdende deugd.
Dit heet goed mensen weten te leiden.
Dit heet met de hemel een zijn.
Dit was het hoogste der Ouden.


69. Over het afwachten in de strijd

Een ervaren krijgsman zei: Ik durf niet beginnen,
ik wacht liever af.
Ik durf geen duim vooruitgaan; ik ga liever een voet terug.
Dit heet voorgaan zonder te gaan,
Dreigen zonder de armen te strekken,
Opdringen zonder dat men weerstand vindt,
Aangrijpen zonder wapenen.
Geen groter ramp dan de vijand gering te achten.
De vijand gering te achten is bijna onze schat verliezen.
Daarom: waar twee vijandelijke legers elkander ontmoeten,
overwint dat met het medegevoel.


70. Over de verborgenheid van Tao

Mijn woorden zijn heel gemakkelijk te begrijpen,
heel gemakkelijk te betrachten.
Maar niemand onder de hemel kan ze begrijpen
noch ze betrachten.
Mijn woorden hebben een oorsprong,
mijn daden hebben een meester.
Dit wordt niet geweten;
daarom kent men mij niet.
Die mij kennen, zijn zeldzaam.
Dat is juist mijn roem.
Daarom: de Wijze kleedt zich in een wollen gewaad.
Daarin verstopt hij zijn jade.


71. Over het weten van het niet-weten

Weten het niet-weten, dat is hoog.
Niet weten het weten, dat is een ziekte.
Wie ziek is van die ziekte is niet ziek.
De Wijze is niet ziek, omdat hij ziek is van die ziekte.
Daarom is hij niet ziek.


72. Over de aanvaarding van het leven

Als het volk niet vreest wat te vrezen is,
zal het vreselijkste tot hen komen.
Vind uw huis niet te eng, de plaats, waar gij leeft, niet mistroostig.
Juist als men ze niet mistroostig vindt, is ze niet mistroostig.
Daarom: de Wijze kent zichzelf, maar stelt zich niet in het licht,
Heeft zichzelf lief, maar acht zich niet hoog.
Daarom laat hij dit en neemt hij dat.


73. Over het strijden zonder roekeloosheid

Dapper zijn in het durven leidt tot de dood.
Dapper zijn in het niet-durven leidt tot het leven.
Van deze beide is het een schadelijk, het ander nuttig.
Als de hemel iets haat, wie kent er de reden van?
Daarom vindt de Wijze ingrijpen moeilijk.
De weg van de hemel is zo:
Die strijdt niet en weet te overwinnen,
Spreekt niet en weet toch te worden beantwoord,
Roept niet en allen lopen toe vanzelf,
Is lankmoedig, maar maakt goed plannen.
Het net des hemels is ontzaglijk.
De mazen zijn wijd,
Maar niemand ontsnapt.


74. Over het overwinnen van de vrees voor de dood

Als het volk de dood niet vreest,
hoe het dan schrik aan te jagen met de dood?
Als men kon maken, dat het volk altijd de dood vreesde,
en ik greep en doodde de misdadiger, wie zou dan durven?
Daar is altijd een Scherprechter, die beschikt over de dood.
In plaats van die ene Scherpschutter te doden
is in plaats van de meestertimmerman hout te gaan kappen.
Wie in plaats van de timmerman hout gaat kappen,
zelden dat hij zich niet in de vingers snijdt.


75. Over het niet-forceren

Het volk heeft honger,
omdat zijn vorst te veel belastingen heft.
Daarom heeft het honger.
Het volk is moeilijk te regeren,
omdat zijn vorst te veel “doet”.
Daarom is het moeilijk te regeren.
Het volk acht de dood gering,
omdat het te hevig wil leven.
Daarom acht het de dood gering.
Maar hij, die geen acht geeft op het leven,
is wijzer dan die het acht.


76. Over de zachtheid van het jeugdige

Als de mens wordt geboren, is hij zacht en zwak.
Als hij sterft, is hij stijf en sterk.
Als de dingen, het gras en de bomen worden geboren,
zijn ze zacht en teer.
Als ze sterven, zijn ze droog en schraal.
Daarom: stijfheid en sterkte zijn volgelingen van de dood.
Zachtheid en zwakte zijn volgelingen van het leven.
Daarom: een leger, dat sterk is, overwint niet.
Een boom, die krachtig is, staat opgeschreven ten dode.
Wat sterk is en groot, blijft onder.
Wat zacht is en zwak, blijft boven.


77. Over het dienen van de wereld zonder glans

De weg des hemels is als het spannen van een boog.
Wat hoog is, verlaagt het.
Wat laag is, verhoogt het.
Waar teveel is, daar neemt het af.
Waar te weinig is, daar voegt het toe.
De weg des hemels is: af te nemen waar teveel is
en bij te voegen waar te weinig is.
De weg der mensen is zo niet.
Die is af te nemen waar te weinig is
en bij te voegen waar te veel is.
Wie kan met zijn overvloed de wereld dienen?
Alleen die Tao heeft.
Daarom: de Wijze doet en steunt er niet op,
Verwerft verdienste en hecht er niet aan.
Hij wil zijn deugd niet doen uitblinken.


78. Over het aanvaarden van het lijden

Niets in de wereld is zachter en zwakker dan het water.
Maar niets overtreft het in het breken van wat hard en sterk is.
Niets dat water daarin evenaart.
Zwak overwint sterk.
Zacht overwint hard.
Niemand onder de hemel, die dit niet weet.
Maar niemand kan het in toepassing brengen.
Daarom zegt de Wijze:
De schande van het Rijk te dragen, dat heet het koningsoffer leiden.
De rampen van het Rijk dragen, dat heet koning te zijn van het Rijk.
Ware woorden, die tegenstrijdig lijken.


79. Over de billijkheid

Wordt hevige vijandschap bijgelegd, dan blijft er altijd nog wrok over.
Hoe dit goed te maken?
Daarom houdt de Wijze de linkerhelft van het contract en eist niet van anderen.
Wie deugd heeft, zorgt te voldoen.
Wie geen deugd heeft, zorgt te eisen.
Het Tao des hemels heeft niet lief.
Maar het helpt altijd de goede.


80. Over de natuurlijke eenvoud

Laat er een kleine staat met weinig volk en hoofden zijn over tien-
en honderdtallen zonder dat ze worden gebruikt.
Zorg, dat het volk de dood vreze en toch niet ver weg trekke.
Al zijn er schepen en wagens, laat niemand reden vinden er in te gaan.
Al zijn er kurassen en wapenen, laat niemand reden vinden ze aan te doen.
Laat het volk terugkeren tot het gebruik der geknoopte koorden.
Dan zal het smaak vinden in zijn voedsel, trots zijn op zijn klederen,
vrede vinden in zijn woning en zich verblijden in zijn zeden.
Al ligt een naburige staat vlak bij, zodat de hanen en honden van
weerskanten elkanders geluid kunnen horen,
het volk zal oud worden en sterven zonder er gemeenschap mee te hebben gehad.


81. Over de weg van de hemel

Ware woorden zijn niet mooi.
Mooie woorden zijn niet waar.
Die goed zijn, zijn niet welbespraakt.
Die welbespraakt zijn, zijn niet goed.
Die weten, zijn niet geleerd.
Die geleerd zijn, weten niet.
De Wijze stapelt niet op.
Hoe meer hij anderen doet, hoe meer houdt hij over.
Hoe meer hij anderen geeft, hoe rijker wordt hij.
De weg van de hemel is: het Tao van de hemel.
De weg van de Wijze is: het Tao van de Wijze.