De mind

Het denken doorzien; demente dialogen en beschonken beschouwingen over het gezond verstand.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

ghost busters, hokjes, hekjes en haakjes, dwaalgids advaita, dwaalgids filosofie


Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van de mind, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


alle aanbevelingen op een rijtje


De wereld denken

denken

de mensen denken

de mensen denken
zich een wereld

de mensen denken
zich in de wereld

de mensen denken
zich van de wereld

de mensen denken
dat zij van de wereld zijn

de mensen denken
dat de wereld van hen is

de mensen denken
dat de wereld in hen is

de mensen denken

denken


De mensen denken

denken

de mensen denken

de mensen denken
de mensen

de mensen denken
dat ze mensen zijn

de mensen denken
dat ze beesten zijn

de mensen denken
dat ze geen beesten zijn

de mensen denken zeker
dat ze zijn

de mensen denken
dat ze zeker zijn

de mensen denken
dat ze zeker niet zijn

de mensen denken
dat ze denken zijn

de mensen denken

denken


Het denken denken

denken

de mensen denken

de mensen denken
dat ze denken

de mensen denken
dat ze beter moeten denken

de mensen denken
dat ze anders moeten denken

de mensen denken
dat ze meer moeten denken

de mensen denken
dat ze minder moeten denken

de mensen denken
dat ze niet meer moeten denken

de mensen denken
dat ze het denken kunnen laten

de mensen denken
dat ze kunnen laten

de mensen denken
dat ze kunnen doen

de mensen denken
dat ze kunnen

de mensen denken
dat ze niet kunnen

de mensen denken
dat ze niet anders kunnen

de mensen denken
dat ze anders kunnen

de mensen denken
steeds iets anders

de mensen denken
steeds iets

de mensen denken
steeds

de mensen denken

denken


Vrijbuiters

de denker bouwt jaar in jaar uit
een nest op hete kolen
de zwerver gaapt en rekt zich uit
hij gaat maar weer wat dolen


Buitvrijers

de burger denkt jaar in jaar uit
mijn koninkrijk voor vrijheid
de zwerver denkt jaar in jaar uit
mijn wereld voor een nest


Denk-beelden

Woord, beeld of werkelijkheid? Denkbeelden over godsbeelden, boeddhabeelden en vrijheidsbeelden.

‘Wat is God?’
‘Een godsbeeld.’
‘Wat voor godsbeeld?’
‘Dit godsbeeld, dat godsbeeld.’
‘God is alleen maar een godsbeeld?’
‘Wat zou God zijn zonder godsbeeld?’
‘God zou ondenkbaar zijn zonder godsbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘God zonder godsbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een godsbeeld?’

‘Wat is Christus?’
‘Een christusbeeld.’
‘Wat voor christusbeeld?’
‘Dit christusbeeld, dat christusbeeld.’
‘Christus is alleen maar een christusbeeld?’
‘Wat zou Christus zijn zonder christusbeeld?’
‘Christus zou ondenkbaar zijn zonder christusbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Christus zonder christusbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een christusbeeld?’

‘Wat is de Boeddha?’
‘Een boeddhabeeld.’
‘Wat voor boeddhabeeld?’
‘Dit boeddhabeeld, dat boeddhabeeld.’
‘De Boeddha is alleen maar een boeddhabeeld?’
‘Wat zou de Boeddha zijn zonder boeddhabeeld?’
‘De Boeddha zou ondenkbaar zijn zonder boeddhabeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘De Boeddha zonder boeddhabeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een boeddhabeeld?’

‘Wat is een heilige?’
‘Een heiligenbeeld.’
‘Wat voor heiligenbeeld?’
‘Dit heiligenbeeld, dat heiligenbeeld.’
‘Een heilige is alleen maar een heiligenbeeld?’
‘Wat zou een heilige zijn zonder heiligenbeeld?’
‘Een heilige zou ondenkbaar zijn zonder heiligenbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Een heilige zonder heiligenbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een heiligenbeeld?’

‘Wat is een vijand?’
‘Een vijandsbeeld.’
‘Wat voor vijandsbeeld?’
‘Dit vijandsbeeld, dat vijandsbeeld.’
‘Een vijand is alleen maar een vijandsbeeld?’
‘Wat zou een vijand zijn zonder vijandsbeeld?’
‘Een vijand zou ondenkbaar zijn zonder vijandsbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Een vijand zonder vijandsbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een vijandsbeeld?’

‘Wat is een ziekte?’
‘Een ziektebeeld.’
‘Wat voor ziektebeeld?’
‘Dit ziektebeeld, dat ziektebeeld.’
‘Een ziekte is alleen maar een ziektebeeld?’
‘Wat zou een ziekte zijn zonder ziektebeeld?’
‘Een ziekte zou ondenkbaar zijn zonder ziektebeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Een ziekte zonder ziektebeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een ziektebeeld?’

‘Wat is de dood?’
‘Een doodsbeeld.’
‘Wat voor doodsbeeld?’
‘Dit doodsbeeld, dat doodsbeeld.’
‘De dood is alleen maar een doodsbeeld?’
‘Wat zou de dood zijn zonder doodsbeeld?’
‘De dood zou ondenkbaar zijn zonder doodsbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘De dood zonder doodsbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een doodsbeeld?’

‘Wat is tijd?’
‘Een tijdsbeeld.’
‘Wat voor tijdsbeeld?’
‘Dit tijdsbeeld, dat tijdsbeeld.’
‘Tijd is alleen maar een tijdsbeeld?’
‘Wat zou tijd zijn zonder tijdsbeeld?’
‘Tijd zou ondenkbaar zijn zonder tijdsbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Tijd zonder tijdsbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een tijdsbeeld?’

‘Wat is het zelf?’
‘Een zelfbeeld.’
‘Wat voor zelfbeeld?’
‘Dit zelfbeeld, dat zelfbeeld.’
‘Het zelf is alleen maar een zelfbeeld?’
‘Wat zou het zelf zijn zonder zelfbeeld?’
‘Het zelf zou ondenkbaar zijn zonder zelfbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Het zelf zonder zelfbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een zelfbeeld?’

‘Wat is de wereld?’
‘Een wereldbeeld.’
‘Wat voor wereldbeeld?’
‘Dit wereldbeeld, dat wereldbeeld.’
‘De wereld is alleen maar een wereldbeeld?’
‘Wat zou de wereld zijn zonder wereldbeeld?’
‘De wereld zou ondenkbaar zijn zonder wereldbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘De wereld zonder wereldbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een wereldbeeld?’

‘Wat is het totaal?’
‘Een totaalbeeld.’
‘Wat voor totaalbeeld?’
‘Dit totaalbeeld, dat totaalbeeld.’
‘Het totaal is alleen maar een totaalbeeld?’
‘Wat zou het totaal zijn zonder totaalbeeld?’
‘Het totaal zou ondenkbaar zijn zonder totaalbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Het totaal zonder totaalbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een totaalbeeld?’

‘Wat is de mens?’
‘Een mensbeeld.’
‘Wat voor mensbeeld?’
‘Dit mensbeeld, dat mensbeeld.’
‘De mens is alleen maar een mensbeeld?’
‘Wat zou de mens zijn zonder mensbeeld?’
‘De mens zou ondenkbaar zijn zonder mensbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘De mens zonder mensbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een mensbeeld?’

‘Wat is een grens?’
‘Een grensbeeld.’
‘Wat voor grensbeeld?’
‘Dit grensbeeld, dat grensbeeld.’
‘Een grens is alleen maar een grensbeeld?’
‘Wat zou een grens zijn zonder grensbeeld?’
‘Een grens zou ondenkbaar zijn zonder grensbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Een grens zonder grensbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een grensbeeld?’

‘Wat is het lichaam?’
‘Een lichaamsbeeld.’
‘Wat voor lichaamsbeeld?’
‘Dit lichaamsbeeld, dat lichaamsbeeld.’
‘Het lichaam is alleen maar een lichaamsbeeld?’
‘Wat zou het lichaam zijn zonder lichaamsbeeld?’
‘Het lichaam zou ondenkbaar zijn zonder lichaamsbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Het lichaam zonder lichaamsbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een lichaamsbeeld?’

‘Wat is de ziel?’
‘Een zielenbeeld.’
‘Wat voor zielenbeeld?’
‘Dit zielenbeeld, dat zielenbeeld.’
‘De ziel is alleen maar een zielenbeeld?’
‘Wat zou de ziel zijn zonder zielenbeeld?’
‘De ziel zou ondenkbaar zijn zonder zielenbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘De ziel zonder zielenbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een zielenbeeld?’

‘Wat is vrijheid?’
‘Een vrijheidsbeeld.’
‘Wat voor vrijheidsbeeld?’
‘Dit vrijheidsbeeld, dat vrijheidsbeeld.’
‘Vrijheid is alleen maar een vrijheidsbeeld?’
‘Wat zou vrijheid zijn zonder vrijheidsbeeld?’
‘Vrijheid zou ondenkbaar zijn zonder vrijheidsbeeld.’
‘Of niet meer dan een woord.’
‘Vrijheid zonder vrijheidsbeeld is niet meer dan een woord?’
‘Of is dat weer een vrijheidsbeeld?’

denk-beeld, wemelbeelden.


Een universeel geloof

‘Geloof jij in een universele religie, Hans?’
‘Och.’
‘Of ten minste in een gemeenschappelijke kern?’
‘Een gemeenschappelijke kern weet ik niet, maar wellicht een gemeenschappelijke basis.’
‘Wat is het dat alle religies gemeen hebben?’
‘Alle religies weet ik niet, maar wellicht alle gelovigen.’
‘Wat is het dat alle gelovigen gemeen hebben?’
‘Vergeet de ongelovigen niet.’
‘Wat is het dat wij allen gemeen hebben?’
‘Het geloof in onze gedachten.’
‘Ik had gehoopt op een universeel dogma.’
‘Dit gaat dieper.’
‘Hoezo?’
‘Het geloof in onze gedachten is de grondslag van ieder dogma.’
‘En van iedere religie, neem ik aan.’
‘En van iedere filosofie.’
‘En van alle wetenschap.’
‘En van ieder oordeel.’
‘En van iedere mening.’
‘En ga zo maar door.’
‘Dus het geloof in onze gedachten gaat overal aan vooraf.’
‘Geloof je dat?’
‘Verdraaid.’
‘Geeft niks.’
‘Maar we zouden wat minder geloof aan onze gedachten moeten hechten.’
‘Geloof je dat?’
‘Verdraaid.’
‘Geeft niks.’
‘Maar jij gelooft je gedachten niet meer.’
‘Geloof je dat?’
‘Verdraaid.’
‘Geeft niks.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Geloof je dat?’
‘Verdraaid.’
‘Geeft niks.’


Groot Wantrouwen

‘Wat is weten?’
‘Een waan.’
‘Wat is de eerste stap naar niet weten?’
‘Argwaan.’
‘Jegens?’
‘Je gedachten natuurlijk.’
‘Welke gedachten?’
‘Welke gedachten dan ook.’
‘Zoals?’
‘Dat weten een waan is, bijvoorbeeld.’
‘Echt?’
‘Niet slecht.’
‘Wat voor gedachten nog meer?’
‘Dat argwaan de eerste stap naar niet weten is, bijvoorbeeld.’
‘Die ook al?’
‘Geloof het of niet.’
‘Wat is de laatste stap naar niet weten?’
‘Paranoia.’
‘Wát?’
‘Niet slecht.’
‘Wat is paranoia?’
‘Ongebreidelde argwaan.’
‘Dat klinkt eerder als een geestesziekte.’
‘Tenzij goedgelovigheid de geestesziekte is.’
‘Is goedgelovigheid de geestesziekte?’
‘Jij gelooft ook alles.’
‘Wanneer gaat paranoia over in niet weten?’
‘Ik zie het verschil niet.’
‘Waartussen niet?’
‘Paranoia en niet weten niet.’
‘Paranoia is niet weten?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Ik dacht dat niet weten een toestand van overgave was.’
‘Waaraan?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Waarom zou niet weten een toestand van overgave zijn?’
‘Wat moet je anders als je het allemaal niet meer weet?’
‘Dat denk ik ook weleens, maar ja…’
‘Wat?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Waar jij je niet aan overgeeft?’
‘Dat denk ik ook weleens, maar ja…’
‘Wat?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Waar jij je niet aan overgeeft?’
‘Dat denk ik ook weleens, maar ja…’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’


Voor aannemers

‘Vind jij dat je altijd je aannames moet onderzoeken?’
‘Waarom zou je?’
‘Om tot niet weten te komen.’
‘Je neemt aan dat je tot niet weten kunt komen door altijd je aannames te onderzoeken.’
‘Hoe anders?’
‘Je neemt aan dat je tot niet weten kunt komen.’
‘Waar hebben we het anders over?’
‘Waarom zou je tot niet weten willen komen?’
‘Om me beter te voelen, natuurlijk.’
‘Wie zegt dat je je beter zult voelen als je niet meer weet?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Als je maar geen antwoord geeft.’
‘Waarom niet?’
‘Dat leidt alleen maar tot nieuwe aannames.’
‘Waarom ben jij zo geobsedeerd door aannames?’
‘Is daar een reden voor nodig?’
‘Ik dacht dat je het misschien voor mijn bestwil deed.’
‘Zeker niet.’
‘Gaat mijn lot je niet ter harte?’
‘Zeker wel.’
‘Waarom doe je het dan niet voor mijn bestwil?’
‘Omdat ik niet weet wat goed voor je is.’


Piet Snot

Piet: Waarom bedriegt u al die kindertjes?
Sint: Om ze in mij te laten geloven.
Piet: Waar is dat goed voor?
Sint: Om mij te kunnen ontmaskeren.
Piet: Waar is dát goed voor?
Sint: Om ze een lesje te leren.
Piet: Welk lesje?
Sint: Dat je niemand moet geloven.
Piet: Behalve jezelf zeker.
Sint: Vooral jezelf niet.
Piet: Waarom niet?
Sint: Zijn zij het niet zelf die in mij geloven?
Piet: Nou u het zegt.
Sint: Vandaar.
Piet: Goeie les.
Sint: Geloof je dat?


Derdegraads

Niet weten voor beginners: anderen niet geloven.
Niet weten voor gevorderden: jezelf niet geloven.
Niet weten voor nitwits: zelfs niet geloven in niet geloven.


Einde verhaal

‘Geloof jij in reïncarnatie, Hans?’
‘Eerst werd ik geboren in mijn gelijk.’
‘Waar was dat het einde van?’
‘Niet weten.’
‘En toen?’
‘Werd ik geboren in niet weten.’
‘Waar was dat het einde van?’
‘Mijn gelijk.’
‘En nu?’
‘Ik zou het ook niet weten.’


Bij de opticien

‘Wat is het wezen van de blik?’
‘Vernauwing.’
‘Ik doelde eigenlijk op het wijsheidsoog.’
‘O, sorry.’
‘Hou luidt in dat geval het antwoord?’
‘Vernauwing.’


Verdwijnpunten

‘Er is geen werkelijkheid, er zijn alleen maar perspectieven.’
‘Is dat de werkelijkheid of alleen maar een perspectief?’

‘Achter elk perspectief schuilt de hoogste werkelijkheid.’
‘Is dat nog een perspectief of reeds de hoogste werkelijkheid?’


Strohalmen

‘Sommigen houden jou voor een nihilist, Hans.’
‘Sinds wanneer noem jij jezelf sommigen?’
‘Bén jij een nihilist?’
‘Nihilisme is nog altijd een strohalm.’
‘Waaraan klampt de nihilist zich dan vast?’
‘Aan de overtuiging dat er niets is om in te geloven.’
‘Moet men dan alles maar loslaten?’
‘Alles loslaten is nog steeds een strohalm.’
‘Bedoel je dat we ook het loslaten moeten loslaten?’
‘Het loslaten loslaten is nog steeds een strohalm.’
‘Blijft er dan helemaal niets over?’
‘Nihilist.’


Een greep naar de macht

‘De Waarheid laat zich in acht woorden vangen.’
‘Dat waren er acht.’
‘Lolbroek.’
‘Grapjurk.’
‘Wil je de waarheid in acht woorden nou horen of niet?’
‘Hou me niet langer in spanning.’
‘Iedere gedachte is een greep naar de macht.’
‘Deze ook.’
‘Lolbroek.’
‘Grapjurk.’
‘Maar het is nooit jouw greep.’
‘Deze ook.’
‘Het is het denken dat grijpt terwijl jij keuzeloos toekijkt.’
‘Deze ook.’
‘Begrijp je wat ik bedoel?’
‘Begrijp je wat ik bedoel?’
‘Nou?’
‘Nou?’
‘Realisatie betekent niet langer denken dat je verantwoordelijk bent voor je eigen gedachten.’
‘En als je nou denkt van wel?’

‘Nou?’
‘Ik weet niet wat ik daarop moet zeggen.’
‘Dat waren er acht.’


Te diep

‘Alles is onzeker.’
‘Zeker weten?’

‘Het bestaan is op geen enkele wijze kloppend te krijgen.’
‘Dan zal dit ook wel niet kloppen.’

‘Het leven is absurd.’
‘Neem alleen al deze gedachte.’

‘Het leven is een raadsel.’
‘Toch weer een oplossing gevonden?’

‘Er zijn geen antwoorden.’
‘Daar vraag je me wat.’

‘De hoogste werkelijkheid onttrekt zich aan onze verhalen.’
‘Het bekende verhaal.’

‘Nergens is houvast te vinden.’
‘Ook hierin niet.’

‘De wereld is wat je denkt dat hij is.’
‘Dat had je gedacht.’

‘Het leven ontsnapt aan iedere duiding.’
‘Nou jij nog.’

‘Het gaat erom aan iedere duiding te ontsnappen.’
‘Mislukt.’

‘Stilte heeft altijd het laatste woord.’
‘Niet als het aan mij ligt.’

‘Diep in mijn binnenste heerst stilte.’
‘Wie is dan die ouwehoer?’


Helemaal het einde

Niet weten is geen kwestie van vertrouwen.
Je hoeft je niet onvoorwaardelijk over te geven.
Je hoeft je niet op gezag van je leermeester in het diepe te storten.
Integendeel.
Niet weten is een kwestie van wantrouwen.
Grenzeloos wantrouwen.
Wantrouwen jegens alles en iedereen.
Jegens je leermeesters.
Jegens je boeken.
Jegens mij.
Jegens jezelf.
Jegens iedere gedachte en elk gevoel.
Jegens alles wat je meent te weten.
Jegens alles wat je meent niet te weten.
En niet in de laatste plaats jegens je wantrouwen.

Laat je nooit over de rand duwen.
Stribbel tegen zolang je nog in tegenstribbelen gelooft.
Zolang je nog gelooft dat er iemand is die kan tegenstribbelen.
Zolang je nog gelooft dat er niemand is die kan tegenstribbelen.
Zolang je nog iets gelooft.
Zolang je nog gelooft in niet geloven.
Zolang je nog niets gelooft.
Hou vast, zolang je maar kunt, waaraan je maar kunt.
Want vallen is geen kwestie van springen.
Vallen is niet wat je doet.
Vallen is wat je overkomt.
Als je niet meer kúnt.
Als je niet meer wilt.
Als je er niet meer in gelooft.
Als je alle hoop verloren hebt.
Als je alle wanhoop verloren hebt.
Vallen is het einde.
Het einde van de strijd.
Het einde van het einde.
En daar dan weer het einde van.

Niet weten is helemaal het einde.


Pixel mania

‘Als ik op televisie iemand een mening hoor ventileren, denk ik weleens: die gelooft nog steeds in zijn gedachten.’

‘Net als jij nu.’

‘Wat?’

‘Jij gelooft in de gedachte dat je naar iemand zit te kijken die zijn mening ventileert en nog steeds in zijn gedachten gelooft.’

‘Waar zit ik anders naar te kijken?’

‘Pixels op een beeldscherm?’

‘Verdraaid.’

‘Geeft niks.’

‘Dus eigenlijk ben ik iemand die naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.’

‘Nou doe je het weer.’

‘Wat?’

‘Nou geloof je weer in de gedachte dat je eigenlijk iemand bent die naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.’

‘Waar zit ik anders naar te kijken?’

‘Beelden in je bewustzijn.’

‘Verdraaid.’

‘Geeft niks.’

‘Dus eigenlijk ben ik iemand die naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.’

‘Nou doe je het weer.’

‘Wat?’

‘Nou geloof je weer in de gedachte dat je eigenlijk iemand bent die naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.’

‘Waar zit ik anders naar te kijken?’

‘Wie zegt dat je een bewustzijn hebt?’

‘Verdraaid.’

‘Geeft niks.’

‘Dus eigenlijk ben ik iemand die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.’

‘Nou doe je het weer.’

‘Wat?’

‘Nou geloof je weer in de gedachte dat je iemand bent die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.’

‘Wat is daar mis mee?’

‘Dat je niet eens weet of je bent, bijvoorbeeld.’

‘Verdraaid.’

‘Geeft niks.’

‘Dus eigenlijk weet ik niet eens of ik iemand ben die niet eens weet of hij een bewustzijn heeft terwijl hij denkt dat hij naar beelden in zijn bewustzijn zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar pixels op een beeldscherm zit te kijken terwijl hij denkt dat hij naar mensen zit te kijken die nog steeds in hun gedachten lijken te geloven.’

‘Nou doe je het weer.’

‘Waarom maak je het mij zo moeilijk?’

‘Om het regressieve karakter van het wetende denken te demonstreren?’

‘Nou doe je het zelf!’

‘Vandaar dat vraagteken.’

‘Verdraaid.’

‘Geeft niks.’


Woordenaars

‘Wat is in één woord niet-weten?’
‘Woorden vermoorden.’
‘Want de waarheid is voorbij de woorden.’
‘Waarheid is een woord.’
‘Want we moeten naar de stilte in onszelf.’
‘Zelf is een woord.’
‘Want we moeten naar de stilte.’
‘Stilte is een woord.’
‘Niet-weten is anders ook een woord.’
‘Een ander woord voor moord.’


Kuilvisser

‘Wat is in één woord niet-weten?’
‘Van je hart geen woordkuil maken.’
‘Alle woorden moeten eruit?’
‘Ook ‘woord’ en ‘moet’ en ‘uit’.’


Anticonceptie

‘Concepten zijn de oorzaak van onze afgescheidenheid, Hans.’
‘Leg eens uit.’
‘Een concept deelt wat oorspronkelijk heel is in tweeën.’
‘ ‘Heel’ is een concept. ‘Twee’ is een concept. ‘Oorspronkelijk’ is een concept. ‘Concept’ is een concept. ‘Afgescheidenheid’ is een concept. ‘Oorzaak’ is een concept.’
‘Verdraaid.’
‘Zo blijf je verenigen.’


De plaats van niet weten

Tips van een gesluierde

Waar verdeeldheid is verdwenen
En eenheid is doorzien

Waar verschillen zijn verdwenen
En gelijkheid is doorzien

Waar de kennis is verdwenen
En de kenner is doorzien

Waar illusie is verdwenen
En de werkelijkheid doorzien

Waar de leerling is verdwenen
En de meester is doorzien

Waar gehechtheid is verdwenen
En onthechting is doorzien

Waar het ego is verdwenen
En het zelf is doorzien

Waar de dharma is verdwenen
En de boeddha is doorzien

Waar het duister is verdwenen
En verlichting is doorzien

Waar de tijd is verdwenen
En het heden is doorzien

Waar het doel is verdwenen
En de weg is doorzien

Waar dwaasheid is verdwenen
En wijsheid is doorzien

Waar de leugen is verdwenen
En de waarheid is doorzien

Waar het hoofd is verdwenen
En het hart is doorzien

Waar woorden zijn verdwenen
En antwoorden doorzien

Waar twijfel is verdwenen
En zekerheid doorzien

Waar het weten is vergeten
En niet-weten is gezien


Vrijer

‘Ben jij gelovig?’
‘Ik ben bevrijd van elk geloof.’
‘Bedoel je dat je niet gelooft?’
‘Ik ben bevrijd van ongeloof.’
‘Hoe heb je dat gedaan?’
‘Ik ben bevrijd van ieder doen.’
‘Is dat een kwestie van overgave?’
‘Ik ben bevrijd van ieder laten.’
‘Maar komt dat uit jezelf of uit God?’
‘Ik ben bevrijd van mij en God.’
‘Doel je op de unio mystica?’
‘Ik ben bevrijd van één, twee, veel.’
‘Verwijs je daarmee naar het niets?’
‘Ik ben bevrijd van vorm en leegte.’
‘Hoe is het om zo vrij te zijn?’
‘Vrij noch onvrij, da’s pas fijn.’


Doorzien

‘Wat is realisatie volgens jou?’
‘Het moment waarop grote ik het verhaal van kleine ik doorziet, Hans.’
‘Wat is kleine ik?’
‘Een illusie, een concept, een gedachte.’
‘En grote ik?’
‘Je ware aard, de kenner van kleine ik en alle andere gedachten.’
‘Wie zegt dat er zo’n kenner is?’
‘Hoe kan een gedachte anders gekend worden?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Dat kan ik niet ontkennen.’
‘Dus grote ik zou best eens een illusie kunnen zijn?’
‘Dat had ik me nog niet gerealiseerd.’
‘Of is dat ook maar een gedachte?’
‘Maar wat is dan realisatie?’
‘Dat is dan realisatie.’
‘Maar waarvan?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘En door wie?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Zeg nou eens wat, man.’
‘Volgens mij is realisatie het moment waarop je ook het verhaal van grote ik doorziet…’
‘Aha!’
‘Maar wie ben ik.’


Zure zult

‘Hoeveel hamvragen telt de Weg?’
‘O, wel tienduizend.’
‘Hoeveel antwoorden telt de Weg?’
‘O, maar één.’
‘Hoe luidt het Ene Antwoord?’
‘Oink.


Newspeak

‘Wie ben ik?’
‘Oink.’

‘Wat ben ik?’
‘Oink.’

‘Ben ik?’
‘Oink.’

‘Wat ben jij?’
‘Oink.’

‘Wat is god?’
‘Oink.’

‘Wat is denken?’
‘Oink.’

‘Wat is liefde?’
‘Oink.’

‘Wat is geluk?’
‘Oink.’

‘Wat is vrijheid?’
‘Oink.’

‘Wat is waarheid?’
‘Oink.’

‘Wat kan ik weten?’
‘Oink.’

‘Wat is wijsheid?’
‘Oink.’

‘Wat is de mens?’
‘Oink.’

‘Wat is mijn lichaam?’
‘Oink.’

‘Wat is een gedachte?’
‘Oink.’

‘Wat is een boom?’
‘Oink.’

‘Wat is het leven?’
‘Oink.’

‘Wat is goed?’
‘Oink.’

‘Wat is hier?’
‘Oink.’

‘Wat is dit?’
‘Oink.’

‘Wat is nu?’
‘Oink.’

‘Wat is zien?’
‘Oink.’

‘Wat is echt?’
‘Oink.’

‘Wat is zijn?’
‘Oink.’

‘Waarom ik?’
‘Oink.’

‘Wat is lijden?’
‘Oink.’

‘Wat is de dood?’
‘Oink.’

‘Waarom vergaat alles?’
‘Oink.’

‘Is er leven na de dood?’
‘Oink.’

‘Is er leven voor de dood?’
‘Oink.’

‘Hoe moet ik sterven?’
‘Oink.’

‘Hoe moet ik leven?’
‘Oink.’

‘Waar kan ik rust vinden?’
‘Oink.’

‘Waar komen wij vandaan?’
‘Oink.’

‘Waar zijn wij?’
‘Oink.’

‘Waar gaan wij heen?’
‘Oink.’

‘Wat is de zin van het leven?’
‘Oink.’

‘Zijn er echt geen antwoorden?’
‘Oink.’

‘Moeten we dan maar zwijgen?’
‘Oink.’


Zomaar

‘Beschouw jij jezelf als verlicht, Hans?’
‘Ik beschouw mezelf niet.’
‘Maar je hebt toch wel gedachten over jezelf?’
‘Wie zegt dat ik ze heb?’
‘Je bedoelt zeker dat ze jou hebben?’
‘Ook niet.’
‘Bedoel jedat ze jou niet hebben of dat je dat ook niet bedoelt?’
‘Ook niet.’
‘Wat dan wel?’
‘Ze komen zomaar in me op.’
‘Gedachten over jezelf.’
‘Of wat het ook is waar ze over gaan.’
‘Er komen zomaar gedachten over jezelf in je op, of wat het ook is waar ze over gaan.’
‘Als ze al ergens over gaan.’
‘Er komen zomaar gedachten over jezelf in je op, of wat het ook is waar ze over gaan, als ze al ergens over gaan.’
‘Of wat het ook zijn.’
‘Iets komt zomaar in je op.’
‘Of wat het ook is waarin het opkomt.’
‘Want dat weet je ook niet.’
‘Gesteld dat het ergens in opkomt.’
‘Waaruit komt het op?’
‘Dat zeggen ze er niet bij.’
‘Wie niet?’
‘Dat zeggen ze er ook niet bij.’
‘Iets komt er op maar je weet niet wat en je weet niet waarin en je weet niet waarover en je weet niet waaruit en je weet ook niet wie het wel zou weten.’
‘Als het al ergens uit opkomt, als het al opkomt, als het al iets is.’
‘Iets komt er op, maar je weet niet wat en je weet niet waarin en je weet niet waarover en je weet niet waaruit en je weet niet wie het wel zou weten, als het al ergens uit opkomt, als het al opkomt, als het al iets is.’
‘Jij zegt het.’
‘Maar beschouwt jij jezelf nou als verlicht of niet?’
‘Ik beschouw mezelf niet.’


Onwezenlijk

‘Wat is het wezenlijke verschil tussen mijzelf en mijn gedachten?’
‘Dat er een wezenlijk verschil zou zijn is een gedachte.’
‘Bedoelt u dat ik samenval met mijn gedachten?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Maar wat is dan het verschil?’
‘Dat is dan de overeenkomst.’
‘Volgens mij ben ik de kenner van mijn gedachten.’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Maar wat is dan de overeenkomst?’
‘Dat is dan het verschil.’


Steen des aanstoots

[hier een afbeelding van vallende dominostenen]

‘Zoals een groot filosoof eens zei: ‘Men moet denken zoals architecten bouwen, niet zoals men domino speelt.’ ‘
‘Arthur Schopenhauer?’
‘Inderdaad.’
‘Daar komen dikke boeken van.’
Die Welt als Wille und Vorstellung.’
‘Hou op, schei uit.’
‘Hoe moet men dan denken?’
‘Zoals men domino speelt.’
‘Wat komen daar voor boeken van?’
‘Lege.’


Cogito ostinato

Hieronder in hoofdlijnen de ontwikkeling van het denken van de beroemde Franse rationalist René Descartes (1596-1650).

  • ik denk dus ik ben (Meditationes I)
  • ik denk dus ik ben niet (Meditationes II)
  • ik ben dus ik denk niet (Meditationes III)
  • ik denk niet dus ik ben (Meditationes IV)
  • ik denk dus ik ben mezelf niet (Meditationes V)
  • ik denk dus ik denk (Meditationes VI)
  • ik ben dus ik ben (Meditationes VII)
  • ik ben dus ik denk (Meditationes VIII)
  • ik denk tot ik ben (Meditationes IX)
  • ik ben tot ik denk (Meditationes X)
  • ik denk wat ik ben (Meditationes XI)
  • ik ben wat ik denk (Meditationes XII)
  • ik ben niet wat ik denk (Meditationes XIII)
  • ik denk niet dat ik ben (Meditationes XIV)
  • ik denk dat ik denk (Meditationes XV)
  • ik ben wat ik ben (Meditationes XVI)
  • ik denk dus ik ben bang (Observationes I)
  • ik denk dus ik ben bezorgd (Observationes II)
  • ik denk dus ik ben ontevreden (Observationes III)
  • ik denk dus ik ben schuldig (Observationes IV)
  • ik denk dus ik ben boos (Observationes V)
  • ik denk dus ik ben beschaamd (Observationes VI)
  • ik denk dus ik ben trots (Observationes VII)
  • ik denk dus ik ben beledigd (Observationes VIII)
  • ik denk dus ik ben zielig (Observationes IX)
  • ik denk dus ik ben sterfelijk (Observationes X)
  • ik denk dus ik ben misleid (Observationes XI)
  • ik denk dus ik ben in de war (Observationes XII)
  • ik denk dus (Conclusiones I)
  • denk ik (Conclusiones II)
  • (Conclusiones III)

Meditationes I verwijst naar de Meditationes de prima philosophia uit 1618.
Daarna verscheen op 1 april van ieder jaar een volgend werk met de nieuwste inzichten van de grootmeester.
Je kon er de klok op gelijk zetten.
Aan deze reeks kwam pas in 1649 een einde met de verschijning van het volstrekt lege Conclusiones III.
Koningin Christina van Zweden was er zo van onder de indruk dat ze de Tabula rasa, zoals dit magnum opus van Descartes ook wel wordt genoemd, voor eigen rekening op diens grafsteen liet beitelen.
Of Descartes met Conclusiones III werkelijk het einde van zijn denken had bereikt of alleen maar het einde van zijn leven, zullen we wel nooit weten.


Zonderuit zonderin

‘Heb jij nog steeds gedachten, Hans?’
‘Ik heb ze niet; ze komen en gaan.’
‘Deze ook?’
‘Uiteraard.’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Die ook.’


Ont-snappen

‘Hoe ontsnap ik aan mijn gedachtenstroom?’
‘Waar is je vorige gedachte?’
‘In rook opgegaan.’
‘Waar is je volgende gedachte?’
‘Die moet nog komen.’
‘Welke gedachte heb je nu?’
‘Alleen deze.’
‘Hoe weet je dan dat er sprake is van een stroom?’
‘Omdat ik me mijn vorige gedachten herinner.’
‘Hoe weet je dat die herinnering meer is dan een gedachte nu?’

‘Zó ontsnap je aan je gedachtenstroom.’
‘Dus jij gelooft dat de gedachtenstroom een illusie is?’
‘Ik niet.’
‘Waarom suggereer je het dan?’
‘Zo ontsnap ik aan mijn gedachtenstroom.’
‘Dus je gelooft toch in de gedachtenstroom?’
‘Ik niet.’
‘Waarom zei je dat dan?’
‘Zo ontsnap ik aan mijn gedachtenstroom.’


Waarachtig

‘Zijn onze gedachten eigenlijk wel waar?’
‘Dat neem ik niet aan.’
‘Bedoel je dat ze onwaar zijn?’
‘Dat neem ik niet aan.’
‘Bedoel je dat ze waar en onwaar zijn?’
‘Dat neem ik niet aan.’
‘Bedoel je dat ze waar noch onwaar zijn?’
‘Dat neem ik niet aan.’
‘Neem jij dan helemaal niets aan?’
‘Dat denk ik inderdaad weleens…’
‘Maar?’
‘Zijn onze gedachten eigenlijk wel waar?’


Goed gelovig

‘Zoals Byron Katie zegt: Niet het denken is het probleem, maar het geloof in het denken.’
‘Denk je dat of geloof je dat?’


Plakproef

‘Zoals Byron Katie zegt: Niet je gedachten zijn het probleem, maar je gehechtheid eraan.’
‘Mooie gedachte.’
‘Dank je.’
‘Hecht je eraan?’


Wetensnood

Volgens sommigen is weten de bron van ons lijden; alle lijden zou wetensnood zijn. Helaas behoort ook deze gedachte tot het weten. Als ze waar is dan is ze zelf een bron van lijden, waaraan pas een eind kan komen als we er eindelijk van verlost zijn.


Cirkeltjes

‘Ik denk nog steeds in cirkeltjes. Jij niet. Ooit zal ik net zo zijn als jij. Maar nu nog niet. Ik denk nog steeds in cirkeltjes.’

‘Ik ook. Ooit zul je dat doorhebben. Maar nu nog niet. Nu denk je nog dat je ervan af zult komen. Maar je blijft in cirkeltjes denken. Ik ook.

‘Wat is dan het verschil tussen ons? Want er moet een verschil zijn. Dat weet ik zeker. Wat is dan het verschil tussen ons?’

‘Jij gelooft nog dat je ervan af zult komen. Ik niet. Jij gelooft nog dat je dan beter af zult zijn. Ik niet. Maar jij wel. Jij gelooft nog dat je ervan af zult komen.’

‘Geloof jij dan helemaal niets meer? Dat kan ik niet geloven. Jij misschien wel. Ik moet het weten. Geloof jij dan helemaal niets meer?’

‘Zelfs dat geloof ik niet meer. Jij wel. Jij gelooft dat ik helemaal niets meer geloof. Maar ik niet. Zelfs dat geloof ik niet meer.’

‘Ik denk nog steeds in cirkeltjes. Jij niet. Ooit zal ik net zo zijn als jij. Maar nu nog niet. Ik denk nog steeds in cirkeltjes.’


Diep

‘De dingen zijn alleen maar wat je denkt dat ze zijn.’
‘Zou je denken?’


Vergezichten

‘Ik heb toch nog een laatste waarheid gevonden.’
‘Laat horen.’
‘Je kunt nooit voorbij de horizon van je huidige gedachte kijken.’
‘Is dat waar of is het de horizon van je huidige gedachte?’


Interferon

‘Tussen de mensen in staat een ik.’
‘Tussen de mensen in staat de gedachte aan een ik.’

‘Tussen de mensen in staat de gedachte aan een ik.’
‘Tussen de mensen in staat de gedachte aan een zelf.’

‘Tussen de mensen in staat de gedachte aan een zelf.’
‘Tussen de mensen in staat de gedachte dat er iets tussen hen in staat.’

‘Tussen de mensen in staat de gedachte dat er iets tussen hen in staat.’
‘Tussen de mensen in staat de gedachte dat er niets tussen hen in staat.’

‘Tussen de mensen in staat de gedachte dat er niets tussen hen in staat.’
‘Tussen de mensen in staat de gedachte.’

‘Tussen de mensen in staat…’
‘Tussen de mensen in.’


Buitenissig

‘Hans, ben jij bekend met extase?’
‘Wat is dat?’
‘Geestesvervoering.’
‘Ik zou best willen…’
‘Maar?’
‘Waar haal ik zo gauw een geest vandaan?’
‘Met extase bedoel ik uit jezelf treden.’
‘O.’
‘En?’
‘Ik zou best willen…’
‘Maar?’
‘Waar haal ik zo gauw een zelf vandaan?’
‘Wou jij beweren dat je geen zelf hebt?’
‘Ik zou best willen…’
‘Maar?’
‘Waar haal ik zo gauw een niet-zelf vandaan?’
‘Waarom geef je allemaal van die non-antwoorden?’
‘Om jou uit je gedachten te doen treden.’


Mission impossible

‘Bent jij weleens uit jezelf getreden, Hans?’
‘Ben jij weleens in jezelf getreden?’


Menens

‘Eindelijk heb ik je spelletje door!’
‘O?’
‘Je wacht net zolang tot ik iets beweer en dan sla je toe.’
‘Dat is maar ten dele waar.’
‘Wat klopt er niet?’
‘Het is geen spelletje.’


Dada

‘Wat is weten?’
‘Ja zeggen tegen je gedachten.’
‘Wat is niet weten?’
‘Tja zeggen tegen je gedachten.’
‘Mwah.’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘Ha ha.’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’


Ballentent

‘Wat is weten?’
‘De ballenjongen.’
‘Wat is niet weten?’
‘Het ballenkanon.’

‘Wat is weten?’
‘Het ballenkanon.’
‘Wat is niet weten?’
‘De slagman.’


Jong geleurd is oud gedaan

‘Is niet weten hetzelfde als niet denken?’
‘Ik dacht het niet.’
‘Wat is niet weten dan wel?’
‘Een onderdeel van het denken.’
‘Hè?’
‘Het denken gooit een balletje op; het denken slaat een balletje weg.’
‘Weten is een balletje opgooien, niet weten het balletje wegslaan?’
‘Meer kan ik er ook niet van maken.’
‘Je bent eigenlijk een soort slagman.’
‘Zeg maar gerust een knuppel.’
‘Wat maakt dat mij?’
‘Een jongleur, zou ik denken.’
‘Hoezo?’
‘Jij probeert je ballen allemaal in de lucht te houden.’


Aangeslagen

‘Wat is denken voor jou?’
‘Kleiduiven schieten.’
‘Wat gebruikt je voor munitie?’
‘Raad eens.’
‘Hagel?’
‘Mis.’
‘Kogels?’
‘Mis.’
‘Ik geeft het op.’
‘Mis.’
‘Wat dan?’
‘Kleiduiven.’
‘Jij gebruikt kleiduiven om kleiduiven te schieten?’
‘Nou, ik…’
‘Je bestrijdt gedachten met gedachten?’
‘Het denken kan niet hoog genoeg aangeslagen worden.’


Bedenkingen

‘Waarom kan ik jouw gedachten niet lezen en jij de mijne niet?’
‘Zijn de mensen in je dromen mensen of gedachten?’
‘Gedachten, zou ik denken.’
‘En hebben die gedachten gedachten?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Voilà.’
‘Bedoel je dat jij slechts een gedachte in mijn bewustzijn bent?’
‘Tenzij jij slechts een gedachte in mijn bewustzijn bent.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of is dat ook maar een gedachte?’


Ethersnuivers

‘Wat zijn gedachten?’
‘Fluctuaties van het bewustzijn, Hans.’
‘Wat is bewustzijn?’
‘Een medium waarin zich gedachten voordoen.’
‘Dat doet me ergens aan denken.’
‘O?’
‘Omdat geluidsgolven lucht nodig hebben om zich voort te planten, dacht men in de negentiende eeuw dat lichtgolven ook wel iets nodig zouden hebben.’
‘Ether.’
‘Een hypothetisch medium.’
‘Ze hebben het nooit gevonden.’
‘Precies.’
‘En?’
‘Als licht geen ether nodig heeft, waarom gedachten dan wel bewustzijn?’


Een uitgemaakte zaak

‘Wat is fundamenteler, gedachten of bewustzijn?’
‘Gedachten komen op in je bewustzijn, Hans.’
‘Tenzij bewustzijn opkomt in je gedachten.’
‘En het bewustzijn dankt zijn bestaan aan het brein.’
‘Tenzij het brein zijn bestaan dankt aan het bewustzijn.’
‘Maar bewustzijn komt op in je gedachten, zei je toch?’
‘Tenzij gedachten opkomen in je bewustzijn.’
‘Is het brein dan alleen maar een gedachte?’
‘Tenzij gedachten opkomen in het brein.’


Onvoorstelbaar

‘Wat is fundamenteler, bewustzijn of bewustzijnsinhouden?’
‘Bewustzijnsinhouden komen op in het bewustzijn, Hans.’
‘Wat is een bewustzijnsinhoud waarvan niemand zich bewust is?’
‘Kan ik me niks bij voorstellen.’
‘Wat is bewustzijn waarin zich geen bewustzijnsinhouden voordoen?’
‘Kan ik me ook niks bij voorstellen.’
‘Waarom scheid je ze dan?’


Occam’s scheermes

‘Wat is denken?’
‘Bewustwording van gedachten, Hans.’
‘Wie is het die zich gedachten bewust wordt?’
‘Ik natuurlijk.’
‘Welk deel van jou wordt zich gedachten bewust?’
‘Mijn bewustzijn.’
‘En als gedachten nou zelfbewust zijn?’
‘Wat dan?’
‘Dan heb je geen ik of bewustzijn meer nodig.’
‘Ik hoef er niet vanaf.’
‘Zie er eerst maar eens aan te komen.’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Zie er dan maar weer van af te komen.’


Wegkijken

‘Ik heb mij ten doel gesteld het denken te overwinnen, Hans.’
‘Het wat?’
‘Het verstand; de mind.’
‘De mind moet overwonnen worden?’
‘Dat zeg ik.’
‘Door wie?’
‘Door mij natuurlijk.’
‘Waarmee?’
‘Het hart natuurlijk.’
‘Waarom?’
‘Omdat het denken de bron is van alle kwaad.’
‘Wie zegt dat?’
‘Nou?’
‘Raad eens.’
‘Eh… het denken?’
‘Nou dan.’
‘Bedoel je dat het denken niet overwonnen hoeft te worden?’
‘Misschien hoeft het alleen maar tot de orde geroepen te worden.’
‘Meer niet?’
‘Of misschien roept het zichzelf wel tot de orde.’
‘En als het zichzelf eenmaal tot de orde geroepen heeft?’
‘Dan verzint het wel weer wat nieuws.’
‘En dan?’
‘Roept het zichzelf wel weer tot de orde.’
‘En dan?’
‘Verzint het wel weer wat nieuws.’
‘En dan?’
‘Roept het zichzelf wel weer tot de orde.’
‘En dan verzint het wel weer wat nieuws, zeker.’
‘Het krijgt er nooit genoeg van.’
‘Wat is mijn rol in dit geheel?’
‘Wie zegt dat jij er een rol in hebt?’
‘Wou jij zeggen van niet?’
‘Dat zou je wel willen, hè?’
‘Rustig toekijken is niets voor mij.’
‘Dan kijk je maar onrustig toe.’
‘Dat is nog erger.’
‘Dan kijk je toch lekker weg.’
‘Ik peins er niet over.’
‘Dan peins je toch ergens anders over.’
‘Mij niet gezien.’
‘Waarom niet?’
‘Ik heb mij ten doel gesteld het denken te overwinnen.’
‘Het wat?’


’t Is wat

‘Het leven is wat het is, en niet wat je denkt dat het is.’
‘Het wat?’

‘Het leven is wat het is, en niet wat je denkt dat het is.’
‘Denk je?’

‘Het leven is wat het is, en niet wat je denkt dat het is.’
‘Het leven is ook denken.’


Diefje met verlos

‘Wat vond jij de moeilijkste gedachte om los te laten?’
‘Alsof het aan mij is om ze los te laten.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Dat ik ze niet meer weet vast te houden?’
‘Je moet ze wel loslaten.’
‘Deze ook.’
‘Wat vond je de moeilijkste gedachte om los te moeten laten?’
‘Dat de mens in wezen goed is.’
‘Want dat is hij niet?’
‘Dat bleek.’
‘Jij ook niet?’
‘Ik al helemaal niet.’
‘Wat was daar zo moeilijk aan?’
‘Dat de wereld waarin ik mij veilig had gewaand plotseling een levensgevaarlijke plek werd.’
‘En toen?’
‘Moest ik ook de gedachte loslaten dat de mens in wezen slecht is.’
‘Want dat is hij niet?’
‘Dat bleek.’
‘Behalve jij, zeker?’
‘Zelfs ik niet.’
‘Wat was daar moeilijk aan?’
‘Dat de wereld nog gevaarlijker werd.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Omdat ik nu ook niet meer uit kon gaan van de intrinsieke slechtheid van de mens.’
‘En toen?’
‘Moest ik de gedachte loslaten dat ik wist wat goed en slecht was.’
‘Want dat wist je niet meer?’
‘Dat bleek.’
‘En toen?’
‘Moest ik de gedachte loslaten dat mensen mij niet meer konden kwetsen omdat ik nergens meer van uitging.’
‘Want dat konden ze nog steeds?’
‘Dat bleek.’
‘En jij hun?’
‘Wat dacht je.’
‘En toen?’
‘Moest ik de gedachte loslaten dat ik onkwetsbaar was omdat ik niet meer aannam dat ik onkwetsbaar was.’
‘Want dat was je nog steeds?’
‘Dat bleek.’
‘En toen?’
‘Werd nu.’
‘En nu?’
‘Is nu.’
‘Wat heb je dan gewonnen?’
‘Dat ik niet meer denk dat er iets te winnen valt?’
‘Bedoel je dat er niets te winnen valt?’
‘Ook die gedachte heb ik los moeten laten.’
‘Eigenlijk ben je iedere zekerheid kwijtgeraakt.’
‘Ook die zekerheid ben ik kwijtgeraakt.’


Mond- en klauwzeer

‘Straks zal ik eindelijk van het denken verlost zijn.’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Straks zal ik mijn denken alleen nog maar keuzeloos gewaar zijn.’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Straks zal ik…’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Straks…’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘In het eeuwige heden…’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Ik…’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Niet-ik…’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘God…’
‘Denk je dat nou nog steeds?’

‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Straks zal ik eindelijk van jou verlost zijn.’
‘Denk je dat nou nog steeds?’


Onhoudbaar

‘Tot mijn spijt is geen enkele van mijn gedachten houdbaar gebleken, Hans.’
‘Behalve deze zeker.’
‘Verdraaid.’
‘Wat betekent dat voor al die andere?’
‘Verdraaid.’


Never mind

‘Volgens mij ben jij helemaal in de greep van het denken, Hans.’
‘Zou je denken?’
‘Volgens mij is niet weten namelijk nog steeds een vorm van denken.’
‘Ik zou het echt niet weten.’


Gifmengers

‘Gedachten zijn GIF, Hans!’
‘Deze OOK.’
‘Deze OOK?’
‘Gif is een GEDACHTE.’


Logica

‘Wat is logica?’
‘Een denkmethode, Hans.’
‘Wat voor een?’
‘Een die uit ware premissen ware conclusies afleidt.’
‘O jee.’
‘O jee?’
‘Waar halen we zo gauw ware premissen vandaan?’
‘Geen probleem.’
‘Hoezo?’
‘Ware premissen zijn ware conclusies uit eerdere afleidingen.’
‘Goed gevonden…’
‘Maar?’
‘Waar halen die hun ware premissen vandaan?’
‘Uit eerdere afleidingen natuurlijk.’
‘Enzovoort?’
‘Waarom niet?’
‘Eén afleiding moet toch de eerste zijn.’
‘Dan zullen we de premissen daarvan zonder bewijs aannemen.’
‘Kun je dan niet net zo goed meteen de slotconclusie aannemen?’


Inductie

‘Wat is inductie?’
‘Redeneren van het bijzondere naar het algemene, Hans.’
‘Bijvoorbeeld?’
‘Gisteren kwam de zon op, vanmorgen kwam de zon op, iedere dag komt de zon op.’
‘Op die manier.’
‘Zo zeker als wat.’
‘Deze zwaan is wit, die zwaan is wit, alle zwanen zijn wit.’
‘Precies.’
‘Maar er zijn ook zwarte zwanen.’
‘Ai.’
‘Gisteren was ik niet zwanger, vandaag ben ik niet zwanger dus morgen zal ik ook niet zwanger zijn.’
‘Oei.’
‘Inductie is niet te rechtvaardigen.’
‘Toch wel.’
‘Hoe dan?’
‘Doordat het werkt.’
‘Je verwijst naar het pragmatisme van de Amerikaanse filosoof Peirce?’
‘Precies.’
‘En hoe rechtvaardig je dat?’
‘Gisteren werkte het, vandaag werkt het, dus morgen zal het ook werken.’
‘Ik was er al bang voor.’


De wet van toereikende grond

‘Zou jij in een chaotisch universum inductief durven redeneren?’
‘Natuurlijk niet, Hans.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat iedere schijn van orde toeval zou zijn.’
‘In ons universum niet?’
‘Ken jij de wet van toereikende grond?’
‘De wat?’
‘Nee, de wet.’
‘Hoe luidt die?’
‘Alles heeft een oorzaak dus alles is verklaarbaar.’
‘Met andere woorden, het universum is geordend?’
‘Als dat geen basis voor inductie is…’
‘Maar hoe weet je dat de wet van toereikende grond geldig is?’
‘Dat merk je iedere minuut.’
‘Gisteren kwam de zon op, vandaag kwam de zon op, dus morgen zal de zon ook opkomen?’
‘Precies.’
‘Dat is een cirkelredenering.’
‘Hoezo?’
‘Eerst doe je een beroep op de wet van toereikende grond om inductie te rechtvaardigen, dan doe je een beroep op inductie om de wet van toereikende grond te rechtvaardigen.’
‘Dus jij wilt zeggen…’
‘Dat er geen toereikende grond is…’
‘Voor het principe van toereikende grond.’
‘Of zelfs maar voor de ontkenning ervan.’


De wet van de uitgesloten derde

‘Iets is altijd hetzij waar, hetzij onwaar, Hans.’
‘Alleen maar in een tweewaardige logica, zou ik zeggen.’
‘Dat wil zeggen, altijd.’
‘Pardon?’
‘Wat is het alternatief?’
‘Een driewaardige. Een vierwaardige. Een veelwaardige. Fuzzy logica. Modale logica. Preferentiële logica. Paraconsistente logica. Spreektaallogica.’
‘Op die manier’
‘Waarom zou iets niet half waar kunnen zijn? Min of meer waar? Nu eens waar en dan weer onwaar? Waar voor mij en onwaar voor jou? Onbepaald? Onbepaalbaar? Waar noch onwaar? Waar en onwaar in verschillende opzichten? Waar en onwaar in hetzelfde opzicht? Voorbij waarheid en onwaarheid?’
‘Nou…’
‘Met behulp van welke logica moeten we vaststellen welke logica van toepassing is?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Of is dat geen kwestie van logica?’
‘Ik weet het eerlijk gezegd niet.’
‘Ik weet het eerlijk gezegd ook niet.’


De wet van non-contradictie

‘Hans, ken jij de wet van non-contradictie?’
‘Een stelling kan niet tegelijk waar en onwaar zijn?’
‘Precies.’
‘Geef eens een voorbeeld.’
‘De zon kan niet tegelijk op en onder zijn.’
‘En dat zou een wet zijn?’
‘Volgens mijn logicaboek wel.’
‘Staat er ook een bewijs bij?’
‘Nee.’
‘Dat komt doordat het geen wet is maar een postulaat.’
‘Een wat?’
‘Een vertrekpunt voor een logische redenering.’
‘O.’
‘Bedenk eens een redenering op grond van de wet van non-contradictie.’
‘De zon kan niet tegelijk op en onder zijn, de zon is op, daarom is de zon niet onder.’
‘Op voorwaarde dat de wet van non-contradictie van toepassing is.’
‘Die is altijd van toepassing.’
‘Spruitjes zijn lekker én vies.’
‘Dat is een kwestie van smaak.’
‘Landbouwgif is nuttig én schadelijk.’
‘Meningen verschillen.’
‘Een zakdoek voor een mens is een laken voor een kabouter.’
‘Grootte is een relatief begrip.’
‘Kanker is slecht voor de patiënt maar goed voor het ziekenhuis.’
‘Dat is appels met peren.’
‘Als de zon halverwege de kim staat is hij op noch onder.’
‘Dat is een kwestie van definitie.’
‘Als de zon achter de horizon is verdwenen, zien we hem door het lenseffect van de atmosfeer toch nog aan de horizon staan.’
‘Dat is een optische illusie.’
‘Geef dan eens een ondubbelzinnig voorbeeld.’
‘Iets kan niet tegelijk hier en daar zijn.’
‘Je hoofd is hier, je hand is daar dus je lichaam is hier en daar.’

‘En?’
‘Ik kom heus wel op een goed voorbeeld.’
‘Neem de tijd de tijd.’

‘Blijf je erbij dat de wet van non-contradictie altijd van toepassing is?’
‘Niet altijd misschien.’
‘Wat heb je er dan aan?’
‘Als hij van toepassing is…’
‘Maar hoe weet je dat?’
‘Maar wat is het alternatief?’
‘Geen idee; de wet van contradictie?’


Syllogismen

‘Hans, wat is een syllogisme precies?’
‘Een redeneervorm.’
‘Kun je een voorbeeld geven?’
‘Alle mensen hebben hersenen, Aristoteles is een mens, dus Aristoteles heeft hersenen.’
‘Geen speld tussen te krijgen.’
‘Gesteld dat alle mensen hersenen hebben.’
‘Daar zeg je me wat.’
‘Het was eerder een vraag.’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Zuiver retorisch natuurlijk.’
‘Wie heeft het syllogisme uitgevonden?’
‘Aristoteles.’
‘Wat had hij ermee voor?’
‘De geldigheid van redeneringen waarborgen.’
‘Knap werk.’
‘Ik pas in mijn poncho, mijn poncho past in mijn broekzak dus ik pas in mijn broekzak.’


Wat is ik?

‘Ik ben van mezelf heel precies, Hans.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik weet altijd precies wat ik wil zeggen en dat zeg ik dan.’
‘Maak dat de kat wijs.’
‘Als ik al eens twijfel, dan pak ik het woordenboek erbij zodat er geen enkel misverstand kan ontstaan.’
‘Hier heb je de Dikke van Dale. Wat is een woordenboek?’
‘Momentje… woordenboek: boek waarin woorden (met opgave van bepaalde grammaticale kenmerken) en de vaste verbindingen waarin ze gebruikt worden, met hun betekenis (in alfabetische volgorde) zijn opgenomen.’
‘Wist je dat?’
‘Niet met zoveel woorden, maar…’
‘Het eerste woord van de definitie van woordenboek is boek. Wat is een boek?’
‘Momentje… Boek:
1. (Als voorwerp) geheel van een aantal bedrukte of beschreven bladen van papier, perkament of andere stof, een geschrift over enig onderwerp bevattende, met name zulk een uit gevouwen en samengenaaide vellen, bedrukt papier bestaand geheel, al of niet in een band gebonden.
2. Letterkundig werk, verhandeling, beschrijving enzovoort, in zulk een samenstel van bladen neergelegd en gepubliceerd.
3. Een geheel van denkbeelden, voorstellingen, ervaringen enz. waarin men als ’t ware kan lezen.
4. Hoofdafdeling van een enigszins uitgebreid letterkundig werk, m.n. in de bijbel.
5. Een aantal bladen wit, veelal gelinieerd papier, ingebonden en bestemd om er aantekeningen in te schrijven.
6. naam voor een bepaalde hoeveelheid.
7. Portefeuille.
8. (Als verkorting van) boekpens.’
‘Wist je dat?’
‘Niet al die betekenissen, maar…’
‘Het wordt een lange dag. Terug naar de definitie van woordenboek. Derde woord: woord. Wat is een woord?’
‘Woord…
1. Het kleinste geheel van spraakgeluiden dat op zichzelf een betekenis heeft en als zelfstandig taalelement gebruikt wordt.
2. De tekst van een lied.
3. De zichtbare (geschreven, gedrukte) voorstelling van het genoemde taalelement als samenstel van letters.
4. Wat gezegd, meegedeeld, verteld wordt (ook in collectieve zin).
5. Boos woord.
6. Het uiten van woorden, het spreken (meestal in een bepaald verband).
7. Erewoord.
8. Wachtwoord.’
‘Wist je dat?’
‘Nou…’
‘Terug naar de definitie van woordenboek. Vijfde woord. Wat is een opgave?’
‘Ik geef het op.’
‘Nu al?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
‘Ik begrijp wat je bedoelt.’
‘O ja?’
‘Ik weet niet precies wat ik zeg.’
‘Wat zeg je me daar?’
‘Waar?’
‘Eerste woord. Wat is ik?’


Ongemerkt

Wat is definiëren?
Eén onbekend woord vervangen door tien.

Wat is bewijzen?
Onweerlegbaar afleiden uit onbewezen premissen.

Wat is een oorzaak?
Iets dat je wél zonder meer aanvaardt.

Wat is een antwoord?
Aanleiding tot nieuwe vragen.


Omweg

‘Wat is legitimeren?’
‘Een stelling bewijzen met een beroep op een autoriteit.’
‘Zoals?’
‘De bijbel, god, een expert, een beroemdheid, de wetenschap.’
‘Hoe legitimeert de autoriteit zichzelf?’
‘Met een beroep op een hogere autoriteit.’
‘En die?’
‘Met een beroep op een nog hogere autoriteit.’
‘En de hoogste autoriteit?’
‘Die hoeft zich niet te legitimeren.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat zij de hoogste autoriteit is.’
‘Wie zegt dat?’
‘Dat moeten we aannemen.’
‘Waarom?’
‘Omdat er nou eenmaal geen hogere is.’
‘Zonder enig bewijs?’
‘Zonder enig bewijs.’
‘Kunnen we dan niet net zo goed meteen de oorspronkelijke stelling aannemen?’
‘Goeie stelling.’
‘Het was maar een vraag.’


Herleiden in last

Punt en lijn
Een punt is een lijn zonder lengte, dus een punt is in wezen een lijn.
Een lijn kun je trekken met een punt, dus een lijn is in wezen een punt.

Lijn en vlak
Een lijn is een vlak zonder breedte, dus een lijn is in beginsel een vlak.
Een vlak kun je trekken met een lijn, dus een vlak is in beginsel een lijn.

Vlak en ruimte
Een vlak is een ruimte zonder hoogte, dus een vlak is in de grond een ruimte.
Een ruimte kun je trekken met een vlak, dus een ruimte is in de grond een vlak.

Punt en vlak
Een punt is een vlak zonder lengte of breedte, dus een punt is in essentie een vlak.
Een vlak kun je trekken met een lijn getrokken met een punt, dus een vlak is in essentie een punt.

Lijn en ruimte
Een lijn is een ruimte zonder breedte of hoogte, dus een lijn is in principe een ruimte.
Een ruimte kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn, dus een ruimte is in principe een lijn.

Punt en ruimte
Een punt is een ruimte zonder lengte, breedte of hoogte, dus een punt is in wezen een ruimte.
Een ruimte kun je trekken met een vlak getrokken met een lijn getrokken met een punt, dus een ruimte is in wezen een punt.


Quod absurdum

‘Als we niks kunnen bewijzen, kunnen we wel ophouden, Hans.’
‘Bewijs het maar.’
‘Wat?’
‘Zeg dat wel.’
‘Als we niks kunnen bewijzen, kunnen we net zo goed doorgaan, wou je zeggen.’
‘Bewijs het maar.’
‘Wat?’
‘Zeg dat wel.’


Brabbel en Krabbel

eerst brabbel je maar wat
maar je brabbelen
wordt babbelen
en ineens zeg je
mama
en ineens zeg je
lief
en ineens zeg je
stout
en ineens zeg je
ik
en ineens zeg je
ik … ben … lief
en dan zeg je ik ben stout
en dan zeg je ik ben goed
en dan zeg je ik ben slecht
en dan zeg je ik ben in wezen goed
en dan zeg je ik ben in wezen slecht
en dan zeg je ik ben eigenlijk goed noch slecht
en dan zeg je ik ben eigenlijk goed én slecht
en dan zeg je ik ben eigenlijk alles
en dan zeg je ik ben nu eens dit en dan weer dat
en dan zeg je ik ben nu
en dan zeg je ik ben
en dan zeg je ik ben niet
en dan zeg je ik ben en ik ben niet
en dan zeg je hoe zal ik het zeggen
en dan zeg je de waarheid is onuitsprekelijk
en dan zeg je wat bedoel ik eigenlijk met waarheid
en dan zeg je ik weet het niet meer
en dan zeg je ik weet niet eens meer of ik het niet weet
en dan zeg je ik zeg maar niets meer
en dan zeg je ik heb sowieso nooit iets gezegd
en dan zeg je werkelijk even niets meer
tenminste niet hardop
want je kunt misschien je mond wel houden
maar verdomme nooit je kop
en dan zegt zwijgen je ook niets meer
en open je je mond maar weer
maar wat moet je nou nog
zeggen, ach
je zegt gewoon maar wat
net als vroeger
net als altijd
net als iedereen alleen
het zegt je niks meer
wat je zegt
het zegt je zelfs niet niks meer
zeg je zelluf
tot jezelluf
en je schrijft het ook nog op
dus nu krabbel je maar wat


Het allerdaagste

‘Het allerhoogste laat zich niet in woorden beschrijven.’
‘En?’
‘Daarin onderscheidt het zich van het alledaagse.’
‘Het alledaagse laat zich anders ook niet in woorden beschrijven.’
‘O nee?’
‘Wat voor kleur heeft die zitbal bijvoorbeeld?’
‘Blauw. Pruisisch blauw, om precies te zijn.’
‘Heel goed. Beschrijf die kleur nou eens aan iemand die kleurenblind is.’
‘Eh… de kleur van… nee, het is… stel je voor dat…’
‘Nou?’
‘Ik weet het niet.’
‘Prima omschrijving.’
‘Maar jij begrijpt me toch wel?’
‘Alleen maar omdat ik al weet wat Pruisisch blauw is.’
‘Maar als je nou begrijpt wat ik bedoel…’
‘Met de naam van een kleur omschrijf je niet het nog onbekende, je benoemt alleen het reeds bekende.’
‘Ik geef toe dat het met kleur…’
‘Beschrijf het geluid van een sirene of van mijn stem maar eens aan een dove.’
‘Tja.’
‘Sommige mensen kennen geen pijn. Beschrijf jouw pijn maar eens op zo’n manier dat ze precies weten wat je bedoelt.’

‘Wat dacht je van warmte en koude? Druk? Textuur? Een vederlichte aanraking? Richtingsgevoel? Houdingszin? Jeuk?’
‘Ik geef toe dat er bij zintuiglijke waarnemingen moeilijkheden kunnen ontstaan maar…’
‘Er zijn mensen die geen dorst kennen. Er zijn mensen die geen verzadiging kennen. Er zijn mensen die geen lust kennen. Er zijn mensen die het orgasme niet kennen. Wat zou je tegen ze zeggen?’
‘Oké, maar instincten zijn ook zo basaal…’
‘Angst? Woede? Liefde? Mededogen? Tederheid? Onbehagen? Neerslachtigheid? Verdriet?’
‘Gevoelens zijn natuurlijk sowieso vaag…’
‘Beschrijf die berk daar dan maar eens op zo’n manier dat ik hem ongezien kan natekenen.’
‘Organische vormen zijn natuurlijk minder makkelijk dan geometrische…’
‘Zou je je huis zo kunnen beschrijven dat iemand het ongezien na zou kunnen bouwen?’
‘Complexe vormen zijn natuurlijk minder makkelijk dan enkelvoudige…’
‘Geef me dan maar een uitputtende beschrijving van een baksteen.’
‘Ik zou niet weten waar ik moest beginnen.’
‘Wat dacht je van de kleur?’
‘Wil je zeggen dat niets zich in woorden laat beschrijven?’
‘Alsof ik wat wil zeggen.’
‘Waarom dan dit hele gesprek?’
‘Omdat jij zo nodig iets nietszeggends over het allerhoogste moest roepen.’
‘Wat moet ik anders over het allerhoogste roepen?’
‘Welk allerhoogste?’
‘Wil je zeggen dat het allerhoogste niet bestaat?’
‘Alsof ik wat wil zeggen.’
‘Wil je zeggen dat er niets te zeggen valt?’
‘Wil jij me wel horen?’


Het zijn dat in ons spreekt

‘Maurice Merleau-Ponty zei het al1 Hans: Het is het zijn dat in ons spreekt en niet wij die van het zijn spreken.’
‘Wie zegt dat?’
‘Maurice M… o… eh… het zijn?’
‘Is het ook het zijn dat in ons liegt of zijn wij het die liegen?’
‘Eh… ook het zijn, denk ik?’
‘Denkt wie?’
‘Eh… het zijn?’
‘Als het zijn zegt dat het in ons spreekt, hoe weten we dan dat het op dat moment niet in ons liegt?’
‘Eh… dat weten we niet?’
‘Wie niet?’
‘Eh… het zijn niet?’
‘Dus?’

‘Is dit het zijn dat in ons zwijgt of zijn wij het die zwijgen?’

1. in Le Visible et l’Invisible


Tegenspraak

‘Stilte is de hoogste waarheid, Hans.’
‘Waarom zit je er dan steeds doorheen te kletsen?

‘Stilte is de hoogste waarheid.’
‘Om over herrie nog maar te zwijgen.


Uitgesproken

‘Hans, als het om de hoogste waarheid gaat is alle spraak even leugenachtig.’
‘Is dat waar?’


Laag

‘Als het om de hoogste waarheid gaat is alle spraak even leugenachtig.’
‘Waarom spreek je dan toch van de hoogste waarheid?’
‘In plaats van?’
‘De laagste leugen bijvoorbeeld.’
‘Nou ja!’
‘Is de laagste leugen minder correct dan de hoogste waarheid?’
‘Probeer je mij op de kast te krijgen?’
‘Dan is niet alle spraak even leugenachtig.’
‘Ik zeg, als het om de hoogste waarheid gaat is alle spraak even leugenachtig.’
‘Dan is de hoogste waarheid de laagste leugen.’


Wat heet

‘Hans, wat is het leven?’
‘Een woord.’
‘Ja, dat weet ik ook wel.’
‘Je kunt je nou wel afvragen wat het is, maar is het wel?’
‘Natuurlijk is het wel.’
‘Wijs eens aan.’
‘Jij bent het. Ik ben het. Dit gesprek is het.’
‘Meer woorden.’
‘Als ik het kon aanwijzen, zou ik je niet vragen wat het is.’
‘Als ik wist wat het was, zou ik je niet vragen het aan te wijzen.’
‘Zonder leven zouden er geen woorden zijn.’
‘Zonder woorden zou er geen leven zijn.’
‘Maar wat is nou het leven?’
‘Ja, dat is nou het leven.’


De brand erin

‘Hans, wat is het leven?’
‘Je kunt nat worden van de regen maar niet van het weerbericht.’
‘Ik vraag je wat het leven is.’
‘Je kunt me net zo goed vragen een schilderij van een pijp te roken.’
‘Magritte.’
‘Voilà.’
‘Bedoel je dat het leven een abstractie is zonder tegenhanger in de werkelijkheid?’
‘Je kunt net zo goed zeggen dat de werkelijkheid een abstractie is zonder tegenhanger in het leven.’
‘Zo schieten we niet op.’
‘Ik hoef nergens heen.’
‘Maar ik wel.’
‘Dan zal dat het verschil wel zijn.’


Echter

‘Wat is het leven nou echt?’
‘Als je op de meubelboulevard het woord ‘bank’ ziet staan, waar denk je dan aan?’
‘Een zitelement.’
‘Als je geld wilt opnemen en je ziet het woord ‘bank’ staan, waar denk je dan aan?’
‘Een financiële instelling.’
‘Wat is een bank nou echt?’


Des mots et des choses

‘Bla bla bla.’
‘Wat is er?’
‘Dat stomme geklets altijd, Hans.’
‘Heb jij iets tegen woorden?’
‘Woorden maskeren het ondifferentieerbare zijn.’
‘Die heb je niet van mij.’
‘Als ik het van jou moest hebben…’
‘Wat betekent het eigenlijk?’
‘Dat woorden niet echt zijn.’
‘Hoezo?’
‘Woorden zijn hokjes waar niets in past.’
‘Is ‘woord’ ook zo’n hokje?’
‘Eh…’
‘En ‘hokje’ en ‘passen’ en ‘echt’?’
‘Hm…’
‘En ‘ondifferentieerbaar’ en ‘zijn’ en ‘maskeren’?’
‘Maar dingen zijn geen woorden.’
‘Sommige wel.’
‘Welke bijvoorbeeld?’
‘Woorden bijvoorbeeld.’
‘Woorden zijn ook dingen?’
‘Gesproken woorden, gezongen woorden, geschreven woorden, gedrukte woorden, gestanste woorden, geslepen woorden, geprojecteerde woorden, gedachte woorden…’
‘Daar was ik nou nooit opgekomen.’
‘Waarop niet?’
‘Dat woorden ook deel uitmaken van het ondifferentieerbare zijn.’
‘Bla bla bla.’


Pashokjes

‘Het bewustzijn verschijnt in het lichaam.’
‘Materialist.’
‘Ik bedoel, het lichaam verschijnt in het bewustzijn.’
‘Idealist.’
‘Ik bedoel, lichaam en bewustzijn zijn autonome substanties.’
‘Dualist.’
‘Ik bedoel, lichaam en bewustzijn zijn wederzijds afhankelijk.’
‘Interactionist.’
‘Ik bedoel, lichaam en bewustzijn zijn niet-twee.’
‘Non-dualist.’
‘Ik bedoel, lichaam en geest zijn één.’
‘Monist.’
‘Ik bedoel, lichaam en geest zijn alleen maar woorden.’
‘Nominalist.’
‘Dan zeg ik wel niks meer.’
‘Quiëtist.’


Praatjesmakers

‘Wat ben je stil?’
‘Ik heb niets meer te zeggen.’
‘Toch weer iets te zeggen gevonden?’
‘Ik heb niets meer te zeggen, en dat ook niet.’
‘Toch weer iets te zeggen gevonden?’
‘Ik heb niets meer te zeggen, en dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet…’
‘Toch weer iets te zeggen gevonden?’
‘Dan zeg ik wel niets meer.’
‘Toch weer iets te zeggen gevonden?’

‘Toch weer iets te zeggen gevonden?’


Onverbeterlijk

‘Waarom zeg je niks meer?’

‘Je zwijgt nou al een week.’

‘Heb je je laatste oortje versnoept?’

‘Dag dan maar.’
‘Er is geen spreker die het de zwijger kan verbeteren.’
‘Er is geen zwijger die het de spreker kan verbeteren.’
‘We kunnen niet allebei gelijk hebben.’
‘Toch wel.’
‘Hoe dan?’
‘Als spreken en zwijgen gelijkwaardig zijn.’
‘Wou u beweren dat beide van niet weten kunnen getuigen?’
‘Dat kan ook nog.’
‘Wat kan ook nog?’
‘Geen van beide.’


Uit drukking

‘Hoe breng je niet weten tot uitdrukking zonder spreken of zwijgen?’
‘Eerst maar eens vaststellen of je niet weet.’
‘Hoe stel je vast of je niet weet?’
‘Eerst maar eens vaststellen of je bent.’
‘Hoe stel je vast of je bent?’
‘Eerst maar eens vaststellen wat ‘zijn’ betekent.’
‘U hoort mij op weg te helpen, niet op te houden!’
‘Ik zie het verschil niet.’
‘Waar bent u in vredesnaam mee bezig!’
‘Niet weten tot uitdrukking brengen zonder spreken of zwijgen?’


Rari nantes

‘Kunt u mij zonder iets of niets te zeggen de waarheid vertellen?’
‘Je veronderstelt dat er een waarheid is.’
‘Aha!’
‘Wat?’
‘Die is er dus niet.’
‘Nou veronderstel je weer dat er geen waarheid is.’
‘Wat wilt u dan zeggen?’
‘Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.’
‘Zit u mij in de maling te nemen?’
‘Je veronderstelt dat ik iets aan het doen ben.’
‘Wat heeft dit anders te betekenen?’
‘Waarom zou het iets betekenen?’
‘Wou u zeggen van niet?’
‘Waarom zou het niets betekenen?’
‘Waarom doet u dan zo raar?’
‘Om je de waarheid te vertellen zonder iets of niets te zeggen?’


Bovenop je neus

‘Kunt u zonder spreken of zwijgen de waarheid uitdrukken?’
‘Je veronderstelt dat er een waarheid is.’
‘Waar hebben we het anders de hele tijd over?’
‘Je veronderstelt dat ik de waarheid ken.’
‘Wat doe ik anders hier?’
‘Je veronderstelt dat de waarheid zich laat uitdrukken.’
‘Hoe wou u haar anders overdragen?’
‘Je veronderstelt dat jij haar kunt verstaan.’
‘Anders kunnen we meteen wel ophouden.’
‘Waarop baseer je al die aannames?’
‘Zeg me nou maar gewoon de waarheid.’
‘Maar ik doe niet anders.’


Een zware dobber

‘Kunt u zonder spreken of zwijgen de waarheid uitdrukken?’
‘Stel eerst je vraag maar eens op die manier.’


Baas boven baas

‘John Cage zei het al: Ik heb niets te zeggen en dat zeg ik.’
‘Ik heb niets te zeggen en dat ook niet.’

‘Ik heb niets te zeggen en dat ook niet.’
‘Waarom zeg je het dan toch?’


Kiezen of delen

‘Moeten wij over niet weten spreken of zwijgen?’
‘Spreek erover en je zegt te veel, zwijg erover en je zegt te weinig.’
‘Dus?’
‘Dus.’

‘Moeten wij over niet weten spreken of zwijgen?’
‘Spreek erover en je zegt te veel, zwijg erover en je zegt veel te veel.’
‘Dus?’
‘Dus.’


Dromen van fantomen

‘Echte Wijsheid is kennis zonder object die alleen maar met het innerlijk oog gezien kan worden en waarvan…’
‘Schei toch uit.’
‘Wat heb ik nou weer verkeerd gezegd?’
‘Wat is kennis zonder object?’
‘De hoogste kennis die alleen maar…’
‘Onwetendheid natuurlijk.’
‘Hè?’
‘Wat is het innerlijk oog?’
‘Het orgaan waarmee wij de Hoogste Waarheid…’
‘Een rudimentair gezichtsorgaan dat achter je dikke schedel stekeblind zit te wezen.’
‘Hè?’
‘Ook wel de pijnappelklier genoemd.’
‘We hebben het hier over een niet-organisch orgaan waarover in de Upanishaden…’
‘Je weet gewoon niet wat je zegt.’
‘Jij wel soms?’
‘Ik ook niet, maar ik doe tenminste niet alsof.’
‘Wat doe ik hier dan nog?’
‘Leren dat je niet weet wat je zegt?’
‘Is dat dan echte Wijsheid, de kennis zonder object die alleen maar met het innerlijk oog gezien kan worden en waarvan…’
‘Schei toch uit.’


Verklaringen om af te leggen

‘Als je niets weet, waarom spreek je dan nog?’
‘Sinds wanneer is daar een reden voor nodig?’

‘Als je niets weet, waarom spreek je dan nog?’
‘Moet alle spraak een weten uitdrukken?’

‘Als je niets weet, waarom spreek je dan nog?’
‘Wie zegt dat ik niets weet?’

‘Als je niets weet, waarom spreek je dan nog?’
‘Als je niets weet, waarom niet?’

‘Als je niets weet, waarom spreek je dan nog?’
‘Als ik dat eens wist.’

‘Als je niets weet, waarom spreek je dan nog?’
‘Omdat jij iets weet?’


Tractatus philosophico tautologicus

”Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.”
‘Wittgenstein.’
Tractatus Logico-Philosophicus.’
‘Wat vind jij van die uitspraak?’
‘Goed advies, Hans. Jij?’
‘Het is een tautologie.’
‘Hoezo?’
‘Men kan nou eenmaal niet anders dan zwijgen waarover men niet spreken kan.’
‘Verdraaid.’
‘En men kan nou eenmaal niet anders dan spreken waarover men niet zwijgen kan.’
‘Logisch.’
‘Tauto-logisch.’
‘En als je het niet als tautologie opvat?’
‘Dan heb je een probleem.’
‘Hoezo?’
‘Hoort de uitspraak zelf niet tot de zaken waarover men moet zwijgen?’
‘Naar positivistische maatstaven wel.’
‘Wittgenstein heeft nooit zijn mond weten te houden.’
‘Ik ook niet.’
‘Wie wel.’

‘Niet slecht.’
‘Ik ben er toch nog niet helemaal uit.’
‘Waaruit?’
‘Vind jij dat je moet zwijgen als je niets te zeggen hebt, Hans?’
‘Je neemt aan dat je daar iets over te zeggen hebt.’
‘Wou jij soms zeggen van niet?’
‘Mij niet gezien.’
‘Waarom niet?’
‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.


Twee kwaden

‘Hoe denk jij over het dogma van de onuitsprekelijkheid, Hans?’
‘Spreken is ijzer, zwijgen is schroot.


Horen is geloven

‘Als je niets te zeggen hebt, waarom zwijg je dan niet, Hans?’
‘Omdat mensen het zelf moeten kunnen vaststellen.


Het allerlaatste

‘Niet weten is niet het laatste woord, Hans.’
‘Wat is wel het laatste woord?’
‘Eh…’
‘Nou dan.’

‘Niet weten is niet het laatste woord.’
‘Wat is wel het laatste woord?’
‘Mededogen.’
‘En dan?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Daar zit je dan met je mededogen.’
‘Engagement?’
‘Engagement is het laatste woord?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘En dan?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Voilà.’

‘Niet weten is niet het laatste woord.’
‘Zeker weten?’
‘Anders zou ik het niet zeggen.’
‘Wat is wel het laatste woord?’
‘Zeg jij het maar.’
‘Voor jou of voor mij?’
‘Voor mij.’
‘Weten natuurlijk.’
‘Waarom denk je dat?’
‘Hoe weet je anders dat niet weten niet het laatste woord is?’
‘Verdraaid.’
‘Vandaar.’
‘Wat is voor jou het laatste woord?’

‘Is dat je laatste woord of weet je het niet?’


Cold feet

Meester: Wat is de hoogste waarheid?
Leerling: Tja.
Meester: Is dat alles?
Leerling: Ouwehoer.
Meester: Wat?
De leerling steekt een kousenvoet op en zegt: Kouwevloer.
Meester: Ouwehoer.

Preoccupaties

De meester zei: ‘Als je denkt dat de waarheid zich onder woorden laat brengen heb je het mis! Als je denkt dat de waarheid zich niet onder woorden laat brengen heb je het mis! Als je denkt dat de waarheid zich alleen op negatieve wijze laat omschrijven heb je het mis! Als je denkt dat de waarheid zich alleen non-verbaal laat uitdrukken heb je het mis! Als je denkt dat er een waarheid is heb je het mis! Als je denkt dat er geen waarheid is heb je het mis! Als je denkt dat je bent heb je het mis! Als je denkt dat je niet bent heb je het mis! Als je denkt dat je het mis kunt hebben heb je het mis! Als je denkt dat je het niet mis kunt hebben heb je het mis! Als je denkt dat het aan het denken ligt hebt je het mis! Als je denkt dat het niet aan het denken ligt heb je het mis!’ De leerling zei: ‘En als je alleen maar aan seks denkt?’


Twee zielen

Zegt de ene meester: ‘Eh…’ Zegt de andere: ‘U haalt me de woorden uit de mond.’


Betrapt

Een leerling zwijgt demonstratief. Meester: Toch weer iets te zeggen gevonden?


Tussen waarheid en leugen

Leerling: Ik maak geen onderscheid meer tussen waarheid en leugen.
Meester: Zoek dan maar een andere leraar.
Leerling: Bij wijze van spreken natuurlijk.
Meester: Nee, letterlijk.