Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

‘Of ik verlicht ben? Als ik mezelf per se iets moet noemen, dan maar verduisterd.’ Interview over de onzienlijke lichtheid van niet-weten en de wijdsheid voorbij alle wijsheid.

Dwaalgids > Niet-weten, Verlichting > Ik ben niet verlicht, ik ben verduisterd

Wie helemaal tot de bodem is gegaan ziet in dat alle boeddha’s in de drie werelden uit hun nek zaten te kletsen.
Dan blijft er nog maar ééntje over, die zich helemaal doodlacht.
Je vindt hem in de spiegel.

(Meester Tokusan, Boek van Sereniteit #46)

Niet-weten is een spel zonder grenzen

Ik ben er wel uit: ik kom er niet uit. Geen antwoorden meer. Geen vragen meer. Geen lettergrepen naar de macht. Klaar.

Claire: Zou jij jezelf verlicht noemen?

Hans: Verlicht? Mij niet gezien. Niet-mij ook niet. Verlucht misschien. Verlaagd, welja. Verliefd, verdwaald, ontwricht, allemaal goed, maar verlicht?

Claire: Wat is daar mis mee?

Hans: Daar is niks mis mee. Hoera! Van mij mag iedereen zichzelf verlicht noemen, van vuurvlieg tot gloeipeer.

Volgens sommigen is het nog waar ook, dat iedereen al verlicht is bedoel ik. Terwijl er volgens anderen toch echt eerst iets moet gebeuren, al hoeft dat iets nog geen seconde te duren en is verlichting zelfs voor luie mensen, nee, juist voor luie mensen binnen handbereik. Terwijl er volgens weer anderen, die het volgens nog weer anderen rechtstreeks van de Boeddha zelf of niet-zelf hebben, toch gauw vijfhonderd levens of kalpa’s vol kommer en kwel overheen gaan.

Ach, ze zeggen zoveel en alleen al daarom is verlichting mijn woord niet.

Claire: Wat is jouw woord wel?

Hans: Als ik mezelf per se iets moet noemen, dan maar verduisterd. Al is dat mijn woord niet.

Claire: Verduisterd?

Hans: Laat ik het maar meteen bekennen: het is niet dat mijn derde oog is opengegaan en het Levende Licht heeft aanschouwd, of de Heilige Geest of de Waarheid of de Werkelijkheid of de Wijsheid Voorbij Alle Wijsheid of een Weten Zonder Woorden of de Kennis Zonder Leraar.

Mij is niets geopenbaard. Integendeel, ik ben alle inzichten kwijtgeraakt. Dus zou ik liegen als ik zei dat ik het licht had gezien.

Claire: Geldt dat alleen voor jou of ook voor anderen? Bestaat verlichting eigenlijk wel?

Hans: Goeie vraag. Tenzij verlichting nou net het einde is van deze manier van vragen en denken en van de zichtbare en onzichtbare onderscheidingen en aannames waarvan het doordrenkt is.

Afgezien daarvan: wat weet ik van anderen? Misschien hebben zij wél iets gezien. Misschien hebben ze hallucinaties, visioenen, dromen of prodromen gehad, van hemelse, aardse of helse oorsprong – high van god, satan, honger, lust, koorts, uitputting, prikkelarmoede of slaaptekort. Misschien hebben ze alleen maar de nieuwe kleren van de keizer gezien. Misschien is dit hoe ze hun niet-zien verwoorden: als een hoger zien, zodat het nog wat lijkt.

Misschien, misschien, misschien. Hoe stel je zoiets vast? Ik kan alleen maar voor mezelf spreken.

Claire: En als je voor jezelf spreekt?

Hans: Dan ben ik meteen uitgepraat. Ik weet het allemaal niet meer. Tot in de n-de graad. Niet weten is een spel zonder grenzen. Ik weet niet eens meer of ik het allemaal niet meer weet, en ook niet of dat het toppunt van niet weten is of het einde. Ik ben er wel uit: ik kom er niet uit. Geen antwoorden meer. Geen vragen meer. Geen lettergrepen naar de macht. Klaar.

Laat je door niemand wijsmaken dat niet-weten vrijheid is

Alles is al verloren, dat is pas winst.

Claire: Ik vind het heel bijzonder…

Hans: Niet weten is niks bijzonders. Iedereen weet wat het is om niet te weten. Dit niet weten, dat niet weten. Bij mij is het alleen een graadje erger. N graadjes. Het licht is uitgegaan, het licht is uitgebleven. Ik zie geen hand voor ogen, laat staan een vinger die naar de maan wijst. Laat staan de maan. En het gekke is: juist daarin heb ik vrede gevonden. Ik hoef nergens meer heen.

Claire: Echt niet?

Hans: Waar zou ik heen moeten? De duisternis zit in mij. Ze blijft altijd bij me, waar ik ook ga of sta. Ik kan niet ontsnappen, ik wil niet ontsnappen. In het pikkedonker zie je niks. Niets om naar te streven, niets om te weerstreven, geen reden tot niet-streven. Ik zie geen zelf om te onderhouden, geen niet-zelf om me aan over te geven. Geen veelheid om te verenigen, geen eenheid om te verdedigen. Geen winnaars om te bewieroken, geen losers om te verlossen. Het is hier goed noch slecht, en dat bevalt me goed noch slecht.

Claire: Zal het licht altijd uit blijven?

Hans: Aan, uit, een merel heeft geen fluit.

Claire: Doe niet zo onverschillig.

Hans: Ik ben niet onverschillig. Ik ben ook niet verschillig. De duisternis is niet beter of echter of mooier of prettiger dan het gewone leven. Het is geen bevoorrechte plek voor uitverkorenen. Het is geen koningstroon. Of je nou in de fuik van het weten zit of in de fuik van niet-weten.

Claire: Een fuik, zeg je? We hebben het hier toch over vrijheid?

Hans: Laat je door niemand wijsmaken dat niet-weten vrijheid is. Vrijheid waarvan? Vrijheid waartoe? Vrijheid waarin? Vrijheid voor wie? Radicaal niet-weten is ook: niet weten wat vrijheid is. Óf vrijheid is. Dat geldt niet alleen voor vrijheid maar ook voor, ik noem maar wat, deugd, leegte, bewustzijn, de boeddhanatuur, de dharmakaya, je oorspronkelijke gezicht, de ware mens zonder rang of stand.

Claire: Waar is niet-weten dan goed voor?

Hans: Radicaal niet-weten is ook: niet weten waar niet-weten goed voor is. Duister werd het mij onverwacht en ongezocht; ik was en ben geen idealistische obscurant die het irrationele viert en universele onwetendheid nastreeft ter renaturalisatie van een overbeschaafde mensheid.

Het niet-weten van Socrates is een stap richting Deugd. Het niet-weten van Johannes van het Kruis is een stap richting God. Het niet-weten van Jan van Delden is een stap richting Bewustzijn. Het niet-weten van Byron Katie is een stap richting Realiteit. Het niet-weten van Bernie Glassman is een stap richting Vrede. Het niet-weten van Jan Oegema is een stap richting Medemens…

Claire: En het niet-weten van Hans van Dam?

Hans: Het niet-weten van Hans van Dam is alleen maar een stap binnen niet weten. Rondloopmeditatie van een nul die steeds oppervlakkiger wordt in een nul die steeds dieper wordt. Ton Lathouwers zei het al: ‘Je kunt er niet uitvallen.’ Dat je er ook niet in kunt vallen of uit kunt klimmen zei hij er maar niet bij.

Claire: Dus je bent niet bang om terug te vallen.

Hans: Waarin?

Claire: Het weten.

Hans: Weten en niet-weten fladderen in mij rond als vleermuizen in een grot.

Claire: Ik bedoel, uit het niet-weten vallen. Het niet-weten vergeten.

Hans: Waardoor?

Claire: Weet ik veel. Drank of drugs of dementie. Een opvatting of overtuiging. Een geloof of een ongeloof. Een of ander ideaal.

Hans: Mocht ik ‘terugvallen’ – het woord alleen al – dan gaat er niets verloren. Alles is al verloren, dat is pas winst. Dan geloof ik ineens weer onvoorwaardelijk wat mij ook maar invalt. Dan ga ik ineens weer op zoek naar mooier, beter, kouder, heter. Dan meen ik opeens weer van alles te weten. Nou en?

Ben jij minder dan ik omdat je nog van alles weet of meent te weten? Was ik vroeger minder omdat ik nog van alles wist of meende te weten? Zijn mijn dierbaren minder omdat ze nog van alles weten of menen te weten? Is het wetende bestaan op een of andere manier inferieur?

Ik zou niet weten waarom. Ik zou zelfs niet weten waarom niet. Kun je nagaan.

Van schijnbegrippen, schijnvragen en schijndilemma’s

‘Wat is boeddha?’ ‘Poep op een stokje.’ Zo gingen de mannen van laatlos om met de schijnbegrippen, schijnvragen en schijndilemma’s die het leven in het algemeen en religie in het bijzonder onophoudelijk opdist.

Claire: Wat heb jij sinds je verduistering zoal gedaan?

Hans: Denk je nou echt dat ik verduisterd ben?

Claire: Maar wat doe je zoal de hele dag?

Hans: Gewoon.

Claire: Gewoon wat?

Hans: Gewoon wat iedereen doet.

Claire: O.

Hans: En niet-weten onder woorden brengen natuurlijk.

Claire: Waarom eigenlijk?

Hans: In het begin omdat ik me niet kon vinden in de gangbare spirituele, religieuze en filosofische literatuur. Ik meende met een schone lei te moeten beginnen. Te kúnnen beginnen. Onzin natuurlijk, maar dat zeg ik achteraf. Je lei vol kalken en schoonvegen, steeds opnieuw, iets beters heb ik niet kunnen verzinnen.

Claire: Hoe lang schrijf je nu al?

Hans: Acht jaar. Het eerste jaar offline, voor mezelf. Sindsdien online, met de hete adem van de lezer in mijn nek.

Claire: Acht lange jaren…

Hans: Op de toppen van mijn tenen. Het moeilijkste wat ik ooit gedaan heb. Aanvankelijk tenminste. Schrappen, schrappen, schrappen. Van de eerste paar jaar is geen woord overgebleven. Geen woord! Pas halverwege begon het te stromen. Toen ging het ineens vanzelf. Had ik eindelijk door hoe ik het schoonvegen in de tekst kon integreren. Vanaf dat moment spóót het mijn vingertoppen uit.

Claire: Als diarree.

Hans: Inhoudelijk gezien is het inderdaad waterpoep. Zoals John Cage zei: “Ik heb niks te zeggen en dat zeg ik.” Hij deed het in vier minuten en drieëndertig seconden, wat voor de meesten mensen al onverdraaglijk is. Ik weet niet van ophouden. Buikloopmeditatie, ik kan het iedereen aanraden. Nooit meer constipatie.

Claire: Nou ja.

Hans: Uitwerpselen zijn van alle tijden en ook ch’anmeesters lustten er wel pap van. ‘Wat is boeddha?’ ‘Poep op een stokje.’ Zo gingen de mannen van laatlos om met de schijnbegrippen, schijnvragen en schijndilemma’s die het leven in het algemeen en religie in het bijzonder onophoudelijk opdist. Eenvoudiger kan je het niet zeggen.

Claire: Eenvoudiger niet, nee.

Hans: Wat wel?

Claire: Subtieler?

Hans: Niet weten is volstrekt ongenuanceerd.

Claire: Veelzijdiger?

Hans: Niet weten is volstrekt onzijdig.

Claire: Diepzinniger?

Hans: Niet weten is volstrekt oppervlakkig.

Claire: Plechtiger?

Hans: Niet weten is volstrekt aards.

Claire: Inspirerender?

Hans: Niet weten is volstrekt ontmoedigend.

Dit sissen de klassieken ons toe: ‘Sst’

Geen Waarheid, geen Werkelijkheid, geen Wijsheid, geen Weg, geen Weten. Maar ook geen niet-waarheid, geen niet-werkelijkheid, geen niet-wijsheid, geen niet-weg en geen niet-weten.

Claire: Waar streef jij naar bij het schrijven?

Hans: Een eigentijdse expressie van niet weten.

Claire: Eigentijds?

Hans: Eenvoudig dus. Compromisloos. Fris van de lever. Recht voor zijn raap. Zonder poespas of spatjes. Amsterdams. Hollands nuchter. Post-postmodern. Ik zeg geloof ik tien keer hetzelfde.

Claire: Post-postmodern?

Hans: Het postmodernisme verkondigt het einde van de grote verhalen. Maar dat is opnieuw een groot verhaal.

Claire: Hè?

Hans: Het grote verhaal van het einde van de grote verhalen.

Claire: Het postmodernisme is toch juist een poging…

Hans: Net als alle grote verhalen is het postmodernisme ongegrond. Het verhaal van de grondeloosheid is zelf grondeloos. En was het dat niet, dan helemaal. Nogal wiedes, daar hoef je echt geen genie voor te wezen. Dus kan het zo mee de kachel in.

Claire: Méé?

Hans: Met alle klassieke en moderne variaties op dit thema. Alle, ik noem het maar schijngestalten van niet weten. Vormen van bijna-niets-weten, lees toch-nog-iets-weten, die je maar al te makkelijk aanziet voor een radicaal niet weten.

Claire: Zoals?

Hans: Dat wil je niet weten.

Claire: Nou en of.

Hans: Monisme, holisme, non-dualisme, numinisme, idealisme, solipsisme, subjectivisme, scepticisme, pyrronisme, nominalisme, relativisme, situationisme, pluralisme, poststructuralisme, deconstructivisme, cynisme, defaitisme, existentialisme, fatalisme, hedonisme, irrationalisme, nihilisme, obscurantisme, stoïcisme, agnosticisme, atheïsme, amoralisme, anarchisme, absurdisme, dadaïsme, surrealisme, iconoclasme…

Claire: Goeiendag!

Hans: Zeg maar dag met je handje.

Claire: Dat zal lekker fikken.

Hans: Een waar vreugdevuur.

Claire: En uit de as herrijst…

Hans: Niets.

Claire: De vogel Feniks.

Hans: Niets.

Claire: Het niets waaruit alles ontstaat en waarin alles vergaat. Bewustzijn! Boeddha! Sunyata! Brahman! Essentie! Tao! God!

Hans: Het niets van niet weten. Een epistemologisch niets. De lege leer. Een oorverdovende stilte.

Bewustzijn? Sst. Boeddha? Sst. Sunyata? Sst. Brahman? Sst. Essentie? Sst. Tao? Sst. God? Sst. Stilte? Sst.

Geen Waarheid, geen Werkelijkheid, geen Wijsheid, geen Weg, geen Weten. Maar ook geen niet-waarheid, geen niet-werkelijkheid, geen niet-wijsheid, geen niet-weg en geen niet-weten. Dit sissen de hartsoetra en de diamantsoetra ons eeuw in eeuw uit toe: Sst. Met onuitputtelijk geduld. Voor wie het maar horen wil. Sst.

Verder, verder, zelfs het verder gaan voorbij

Een nihilisme dat zichzelf nietig verklaart. Hypernihilisme – een doodgeboren kindje. Een postmodernisme dat zichzelf doorziet. Post-postmodernisme – een doodgeboren kindje.

Claire: Doet me denken aan de beroemde uitspraak van de Griekse wijsgeer Socrates: ‘Ik weet alleen maar dat ik niets weet.’

Hans: Nee, ik heb het niet over een socratisch weten van niet weten. Ik heb het over een postsocratisch zelfs niet weten van niet weten.

Claire: Het einde van ieder besef.

Hans: En het einde van het einde.

Claire: Het nihilisme ten top.

Hans: Een nihilisme dat zichzelf nietig verklaart. Hypernihilisme – een doodgeboren kindje. Een postmodernisme dat zichzelf doorziet. Post-postmodernisme – een doodgeboren kindje.

Claire: Gate gate paragate parasamgate.

Hans: Verder, verder, almaar verder, zelfs het verder gaan voorbij.

Claire: Gegaan, gegaan, voorbij gegaan, volledig voorbij gegaan, is mij geleerd.

Hans: Beter ten hele gedwaald dan ten halve geleerd.

Claire: De onvolprezen hartsoetra.

Hans: En daar nog weer voorbij.

Claire: De hartsoetra voorbij?

Hans: ‘Volledig voorbij gegaan’, zei je toch? Anders blijf je prijzen.

Claire: Waar kom je dan uit?

Hans: Jij wilt steeds ergens uitkomen.

Claire: Waarom zou je anders verder gaan?

Hans: Lees de hartsoetra er maar op na.

Claire: Wat dan?

Hans: ‘Er is geen pad, geen transcendente wijsheid, geen bereiken en geen niet-bereiken.’

Claire: Ik snap het niet.

Hans: Het gaat er niet om ergens uit te komen; het gaat erom verder te gaan. Het gaat om het verdergaan. In beweging blijven. Zelfs de beweging voorbij. Niet settelen. Zelfs niet in niet settelen.

Claire: Waarom niet?

Hans: Daarom niet.

Claire: Daarom is geen reden.

Hans: Er is geen reden voor nodig. Het gaat vanzelf. Het overkomt je zodra je het allemaal niet meer weet. Doordát je het allemaal niet meer weet.

Claire: Vanzelf?

Hans: Geen kunst, geen kunde, geen praktijk, geen verdienste, geen genade. Je kunt gewoon niet anders.

Claire: Leg uit.

Hans: Als je iets weet ga je daarin wonen. Als je iets niet weet trek je maar weer verder. Of word je maar weer verder getrokken, wie zal het zeggen.

Claire: Waarheen?

Hans: Je wilt nog steeds ergens uitkomen.

Nergens vind je onderdak

Nergens vind je onderdak. In geen enkel weten. In geen enkele traditie. In geen enkele religie. In geen enkele filosofie. In geen enkel standpunt. Niet in het vele. Niet in het ene. Niet in een goeroe. Niet in jezelf. Niet in het zelf. Niet in geen-zelf. Nergens vind je onderdak.

Claire: De weg is het doel. Het gaat om de reis, niet om de bestemming. Hier, nu is waar het allemaal gebeurt. Is dat wat je bedoelt?

Hans: Je wilt nog steeds ergens uitkomen.

Claire: De pot verwijt de ketel.

Hans: Hoezo?

Claire: Had jij het niet over het post-postmodernisme?

Hans: Het post-post-postmodernisme, dacht ik, en nu alweer het post-post-post-postmodernisme.

Claire: Wat?

Hans: Dat is toch geen plek.

Claire: Wat is het dan wel?

Hans: Geen-plek.

Claire: Wat is geen-plek?

Hans: Jij zoekt overal wat achter. Je graaft te diep.

Claire: En als je aan de oppervlakte blijft?

Hans: Dan is geen-plek gewoon weer een manier om te zeggen dat je het allemaal niet meer weet. De zoveelste manier.

Claire: Nergens vind je onderdak.

Hans: In geen enkel weten. In geen enkele traditie. In geen enkele religie. In geen enkele filosofie. In geen enkel standpunt. Niet in het vele. Niet in het ene. Niet in een goeroe. Niet in jezelf. Niet in het zelf. Niet in geen-zelf. Nergens vind je onderdak.

Claire: Behalve in niet weten.

Hans: Je wilt nog steeds ergens uitkomen.

Claire: Dus trek je maar weer verder.

Hans: Van hier naar hier.

Claire: Dat schiet niet op.

Hans: Van einder naar einder.

Claire: In de hoop iets te vinden.

Hans: Zonder hoop.

Claire: Wanhopig op zoek.

Hans: Zonder wanhoop.

Claire: Maar wel op zoek?

Hans: Uitgezocht.

Claire: Wat dan wel?

Hans: Gewoon.

Claire: Wát gewoon?

Hans: Rustig rondkijkend. Als een toerist, een bezoeker, een dwaalgast met een passe-partout.

Claire: Een backstagepas.

Hans: Overal mag je komen.

Metaforen helpen geen bal

We hebben het hier alleen maar over niet weten. Niet weten wie je bent, niet weten wat je bent, niet weten of je bent, niet weten waar je bent, niet weten waar je vandaan komt, niet weten waar je heen gaat, niet weten wat je moet doen, niet weten wat je moet laten, niet weten of je kunt kiezen en niet weten van niet weten.

Claire: Wat zie je dan? Wat zie je als de postmoderne rook om je hoofd is verdwenen?

Hans: Jezus.

Claire: Jezus?

Hans: Jij geeft niet op hè. Niets joh. Niet iets en niet niets. Iets. Alles. Hetzelfde anders. Steeds wat anders. Wat er maar langskomt. Geen idee. Elk idee. Tja. Eh. Geef het kind maar een naam. Geef het kind maar geen naam. Maar dat praat weer zo moeilijk.

Claire: Spreken of zwijgen. Het oude dilemma.

Hans: Weg ermee. Spreken is het probleem niet. Metaforen zijn het probleem. Ze brengen je nergens. Ze scheppen alleen maar verwarring. Herstel, ze brengen je ergens. Ze scheppen alleen maar duidelijkheid.

Claire: Precies wat ik zoek.

Hans: Kan je lang zoeken.

Claire: Hoezo?

Hans: Metaforen zijn betekenisdragers. Je kan er geen radicaal niet weten mee tot uitdrukking brengen. Weten heeft een drager nodig – wat valt er te dragen in niet-weten? Welke betekenis zou je niet-weten mee kunnen geven zonder stante pede het karakter van niet-weten te vernietigen?

Claire: Metaforen zijn machtige instrumenten.

Hans: De spirituele literatuur staat er bol van. Duizenden metaforen en het helpt geen bal. Ze nodigen alleen maar uit tot begrijpen. Metaforen zijn niet de weg. Ze staan alleen maar in de weg.

Claire: Waarvan?

Hans: Je wilt nog steeds ergens uitkomen.

Claire: Hardnekkig hè. Hoe zou dat toch komen?

Hans: Door de metafoor van de weg?

Claire: Maar het kan toch niet zo zijn…

Hans: ‘Als je er bent blijkt er geen er te zijn’, zei Simone Weil.

Claire: Maar…

Hans: En ook geen je of blijken of zijn, nu we toch aan het dweilen zijn. Ook dat is nog teveel gezegd.

Claire: Hoe kan…

Hans: Want we hebben het hier alleen maar over niet weten. Niet weten wie je bent, niet weten wat je bent, niet weten of je bent, niet weten waar je bent, niet weten waar je vandaan komt, niet weten waar je heen gaat, niet weten wat je moet doen, niet weten wat je moet laten, niet weten of je kunt kiezen en niet weten van niet weten.

Claire: Jezus.

Hans: En ook niet-weten is maar een metafoor. Het is nog steeds teveel gezegd.

Claire: Maar…

Hans: Want ik heb niets te zeggen, zelfs dit niet, om ook John Cage maar eens naar de kroon te steken.

Claire: Zo makkelijk kan het toch niet zijn?

Hans: Makkelijker gezegd dan gedacht.

De geest verafschuwt leegte

Spreken zonder iets te zeggen, dat is de kunst. Een veelzeggende stilte verbreken door een nietszeggende op te roepen. Spreken als een hogere vorm van zwijgen.

Claire: Wat moet je volgens jou doen of laten om je niet weten tot uitdrukking te brengen zonder op metaforen terug te vallen?

Hans: Niets zeggen waar je niet achter staat. Niets dus. Niets zeggen.

Claire: Toch zwijgen.

Hans: Zwijgen is iets anders dan niets zeggen. Zwijgen is altijd veelzeggend. Meer kun je eigenlijk niet zeggen. Stilte is het lege canvas waarop iedereen vrijelijk zijn gedachten projecteert.

Claire: Nature abhors a vacuum.

Hans: Mind. Mind abhors a vacuum. De geest verafschuwt leegte. Leegte moet opgevuld worden. Al is het maar met holle woorden als ‘geest’ en ‘leegte’ en met holle frasen als ‘de geest verafschuwt leegte’.

Claire: En met holle zinnen als ‘Al is het maar met holle woorden als ‘geest’ en ‘leegte’ en met holle frasen als ‘de geest verafschuwt leegte’.

Hans: En zo verder en zo voort.

Claire: Dus moet je je mond wel opendoen. Maar hoe?

Hans: Spreken zonder iets te zeggen, dat is de kunst. Een veelzeggende stilte verbreken door een nietszeggende op te roepen. Spreken als een hogere vorm van zwijgen.

Claire: Maar hoe dan?

Hans: Door al je beweringen meteen te weerleggen. Door al je begrippen meteen te ondermijnen. Door al je onuitgesproken aannames meteen aan de kaak te stellen.

Claire: Dat is toch geen doen.

Hans: Natuurlijk niet. Je zou erin blijven. Het is een… intentie. Een ingecalculeerd-onbereikbaar doel.

Claire: Waarom zeg je niet gewoon dat je niets te zeggen hebt, en daarmee basta?

Hans: Dat je niets te zeggen hebt, kun je niet rechtstreeks zeggen want dan zeg je toch weer iets, al is het maar dat je niets te zeggen hebt, wat dus niet waar is. Je kunt het niet rechtstreeks zeggen, en kon ik het wel dan deed ik het niet.

Claire: Waarom niet?

Hans: Wat je ook zegt, er is altijd wel weer iemand die ermee aan de haal gaat. Al is het maar die goochemerd in je bovenkamer.

Claire: Is dat dan erg?

Hans: Wat?

Claire: Dat er iemand aan de haal gaat met wat je zegt.

Hans: Welnee.

Claire: Wat is dan het probleem?

Hans: Er is geen probleem. Tenminste, niks wat opgelost moet worden. Maar niet-weten betekent nou eenmaal nergens mee aan de haal gaan. Ook niet met niet-weten of niet-aan-de-haal-gaan.

Claire: Waarom niet?

Hans: Daar gaan we weer.

Claire: Ik geef niet op.

Hans: Niet om een of andere reden. Niet om ergens vanaf te komen. Niet om ergens uit te komen. Gewoon omdat je het allemaal niet meer weet. Snap je?

Claire: Nee.

Hans: Hoe kan ik nou ergens mee aan de haal gaan als ik niet eens weet of het wel waar is? Als ik niet eens weet waar de woorden precies voor staan en of ze wel ergens voor staan? Als ik niet weet welke aannames er allemaal aan ten grondslag liggen en of die wel waar zijn? Welke aannames daar weer aan ten grondslag liggen, enzovoort?

Wijde Weetniet en Nauwe Weetal

Maar het gaat juist om het herroepen. Dat is de enige manier aan het beweren te ontkomen. Het vorige beweren dan, niet het huidige, want je loopt altijd achter de feiten aan.

Claire: De vraag was dus: Wat moet je doen of laten om je niet weten tot uitdrukking te brengen zonder op metaforen terug te vallen? En dan zeg jij:

Hans: Alles wat je roept meteen herroepen.

Claire: Als je niks roept hoef je ook niks te herroepen.

Hans: Maar het gaat juist om het herroepen. Dat is de enige manier aan het beweren te ontkomen. Het vorige beweren dan, niet het huidige, want je loopt altijd achter de feiten aan.

Om iets te kunnen herroepen moet je eerst iets roepen. Eerst spreken, dan weerspreken. Als je dat een paar keer achter elkaar doet heb je een dwaaltekst, zo noem ik het maar. Omdat je als lezer in zo’n tekst eventjes de weg kwijtraakt.

Claire: En wie wil dat nou niet.

Hans: Om het spannender te maken, giet ik het in de vorm van een gesprek. Wat zich oorspronkelijk binnen één persoon voltrekt – binnen mij, als innerlijke monoloog – verdeel ik over verschillende personen. Zo wordt het een uiterlijke dialoog. Een dwaalgesprek.

Claire: Net als bij Plato.

Hans: Plato was een scherpzinnig fil-o-soof, een liefhebber van wijsheid. Ik ben een onzinnig fil-a-soof, een liefhebber van dwijsheid.

Claire: Dwijsheid is toch gewoon niet-weten?

Hans: Pseudoniemen, allebei.

Claire: Synoniemen.

Hans: Pseudoniemen.

Claire: Waarvan?

Hans: Dat weet ik niet.

Claire: Maar wel ergens van?

Hans: Dat weet ik ook niet. Daarom noem ik ze pseudoniemen.

Claire: Ik blijf het proberen hoor.

Hans: Ben ik wel gewend hoor.

Claire: Wat voor figuren kan de lezer in jouw dialogen verwachten?

Hans: Jou en mij. Ik en ik. Jij en jij. Shakyamuni’s, Sjakies, Anita’s, Anatmannetjes, leerlingen, meerlingen, meesters, ambachtslieden, kooplui, zitlui, moeders, politie-agenten, soldaten…

Claire: Waar staan die voor?

Hans: Jou en mij. Ik en ik. Jij en jij. Shakyamuni’s, Sjakies, Anita’s…

Claire: Figuurlijk, bedoel ik.

Hans: De innerlijke stem die roept: Zeker weten! en de innerlijke stem die roept: Zeker weten? Uitroepteken en vraagteken. Nauwe Weetal en Wijde Weetniet.

Huppelend als een musje

Intermezzo

Daar is hij dan eindelijk, Wijde Weetniet, die hier figureert als de personificatie van een radicaal niet-weten, en als tegenspeler van Nauwe Weetal, de personificatie van een al even radicaal weten.

Oorspronkelijk is Wijde Weetniet een dwaze meester in een titelloos verhaaltje uit de Uiterlijke Geschriften van de Zhuang Zhi dat ik hier graag in zijn geheel wil presenteren:

De Wolkenaanvoerder reisde eens naar het oosten en passeerde daar de takken van de Fuyao-boom. Daar kwam hij ineens Wijde Weetniet tegen. Die was net bezig zich te vermaken door te huppelen als een musje en zich daarbij op de billen te slaan. De Wolkenaanvoerder stopte onmiddellijk, bleef stokstijf staan, en riep: ‘Oude heer! Wie bent u? Wat doet u?’
Wijde Weetniet ging door met te huppelen als een musje en met zichzelf op de billen te slaan, en antwoordde: ‘Ik amuseer me!’
‘Ik zou u graag een vraag willen stellen,’ zei de Wolkenaanvoerder.
Wijde Weetniet lichtte zijn hoofd op en keek naar boven naar de Wolkenaanvoerder, en riep: ‘Ach!’
‘De Qi van de hemel is uit zijn doen, de qi van de aarde is helemaal verstopt, de zes energieën zijn uit hun evenwicht geraakt, de vier jaargetijden zijn in de war. Mijn wens is nu de essentiële krachten van de zes energieën weer bij elkaar te voegen om al wat leeft te doen groeien. Hoe kan ik daarin slagen?’ vroeg de Wolkenaanvoerder.
Al huppelend als een musje en zichzelf op de billen slaand liep Wijde Weetniet weg. Hij draaide zijn hoofd om, en riep: ‘Ik weet het niet! Ik weet het niet!’

En zo bleef de Wolkenaanvoerder met zijn vraag zitten. Na drie jaar op zijn toch naar het oosten passeerde hij het gebied van Song. Daar kwam hij plotsklaps opnieuw Wijde Weetniet tegen. De Wolkenaanvoerder was zeer verheugd. Met snelle tred liep hij op hem toe, en riep: ‘Hemelse meester, bent u me vergeten? Hemelse meester, bent u me vergeten?’ Hij boog herhaaldelijk en knielde neer, en smeekte Wijde Weetniet zijn vragen te beantwoorden. Wijde Weetniet sprak:

‘Ik zwerf hier en daar,
Zonder te weten wat ik zoek.
Wild en ongebreideld
Weet ik niet waar ik ga.
Ik vermaak me, zonder doel,
En aanschouw daarmee het eindeloze.
Wat voor kennis kan ik dan bezitten?’

‘Ik beschouw mezelf ook als wild en ongebreideld,’ zei de Wolkenaanvoerder, ‘maar het volk volgt me waar ik ook ga, en daar kan ik niets aan doen. Nu ben ik de steun van het volk geworden. Alstublieft, geef mij, al was het maar één woordje, goede raad.’

‘Bederf de orde van de natuur,
Weerstreef de ware aard der dingen,
En het ondoorgrondelijke bestel van de hemel kan niet worden voltooid.
Dan worden de kuddes der dieren verstrooid,
Gaan de vogels allemaal ’s nachts zingen,
Bomen en planten worden vernield;
Zelfs voor de insecten wordt het een ramp!
Helaas! Dat is de schuld van het bestuur van de mensen!’

‘Als dat zo is, wat moet ik dan doen?’ vroeg de Wolkenaanvoerder.
‘Ach! Dat wordt lastig! Je zou je tot dansende xian moeten bekeren!’ antwoordde Wijde Weetniet.
‘Dan sta ik nu voor een hemelhoog probleem! Alstublieft, geef me nog één goede raad!’
‘Ach! Voel je hart! Je hoeft alleen maar te blijven nietsdoen. Dan gaat alles vanzelf!

Laat lijf en ledematen wegvallen,
Spuug uit, je intelligentie,
Vergeet de dingen en hun ordening,
In volledige eenheid met de diepe duisternis,
Bevrijd je hart, laat los je geest,
Er is niets meer, ook niet de ziel.
‘De tienduizend dingen, hoe florissant ze ook zijn,
keren alle terug naar waar zij vandaan kwamen.’

Ja, ieder ding keert terug naar zijn wortels, maar geen geeft zich daarvan rekenschap. In deze toestand van chaos blijven ze hun hele leven. Als ze zich rekenschap zouden geven, dan zouden ze hun wortels verliezen. Vraag niet naar zijn naam, speur niet naar zijn hoedanigheden, want heus, alle dingen worden spontaan gegeneerd.’

‘O hemelse meester, u hebt de deugd van de Tao op mij doen neerdalen, zwijgend hebt u me alles onthuld. Dat wat ik mijn hele leven heb gezocht, heb ik eindelijk vandaag gevonden!’ Herhaaldelijk buigend en knielend nam de Wolkenaanvoerder afscheid, en vertrok.

(uit Zhuang Zi; De volledige geschriften, vertaald en toegelicht door Kristofer Schipper, Uitgeverij Augustus, Amsterdam – Antwerpen, 2007, 161-164)

Sommige metafysische toespelingen in dit verhaaltje over Wijde Weetniet, met name de zinsnede ‘en aanschouw daarmee het eindeloze’, kan ik persoonlijk niet bevestigen, maar evenmin ontkennen want ik weet niet wat ik aanschouw en ik weet niet hoever het naar binnen en naar buiten reikt.

Ingewikkelder gezegd: ik weet niet wie-of-wat wat-of-wie aanschouwt, zo er inderdaad sprake is van een aanschouwen of gewaarzijn of kennen of her-kennen of ervaren of ontvangen of projecteren of epibreren van een object door een subject of van een wereld door een ik of van een vorm door een leegte of van een illusie door een bewustzijn of van een dualiteit door een non-dualiteit of van een schepping door een schepper of een schepsel of van de zelfbeschouwing van de of het ene of hoe het ook allemaal mag samenhangen of uiteenvallen en heten of niet-heten.

Wie weet is dit precies wat Wijde Weetniet of diens bedenker of diens vertaler of redacteur of uitgever bedoelde met ‘het eindeloze’. Dat zou mij goed uitkomen want ik wil ook weleens een trekpaard voor mijn mestkar, maar… Ik weet het niet! Ik weet het niet!

Andere ideeën in dit verhaaltje die ik evenmin kan onderschrijven of weerspreken zijn ‘de orde van de natuur’, ‘de ware aard der dingen’, ‘het bestel van de hemel’, het terugkeren van de tienduizend dingen ‘naar waar zij vandaan kwamen’ en ‘de deugd van de Tao’. De Zhuang Zi staat bol van dit soort uitdrukkingen, die voor de postmoderne lezer en zeker voor de postpostmoderne lezer en diens iconoclasten nogal zwaar op de geest liggen.

Me dunkt dat zo niet het daoïsme zelf dan toch onze Wijde Weetniet er alleen maar wijder van zou worden wanneer we alle hypostasen en hypothesen tot nader order dan wel chaos uit zijn en haar vaten zouden schrapen.
Over dotterbloemen gesproken.
Daar kan geen lotus tegenop.
Laat staan een dubbele.

Niet weten, dat is daoïsme zonder dao of isme.
Dat is drijven zonder wolkenaanvoerder.
Dat is dansen zonder je tot xian te moeten bekeren.
Dat is ondoorgrondelijkheid zonder bestel.
Dat is zelfs niet weten van niet weten.

Na deze historische dwaling pakken we gauw de draad van het gesprek weer op.
En blijven eraan trekken.
Tot hij breekt.

De wijdsheid voorbij alle wijsheid

In het licht van niet weten, krijgt ieder weten zijn eigen glans.

Claire: Als jouw dwaalgesprekken inderdaad de neerslag vormen van een innerlijke monoloog dan ben je daarin afwisselend Nauwe Weetal en Wijde Weetniet. Met wie vereenzelvig je je? Wie ben je nou echt?

Hans: Je moet het niet zo letterlijk nemen. Het zijn maar personificaties bij gedachten van het type zeker-weten! en gedachten van het type zeker-weten? Ook deze typologie is maar een bedenksel.

Claire: Van welk type?

Hans: Van het type zeker-weten! als je erin gelooft en van het type zeker-weten? als je er bedenkingen bij hebt.

Claire: Maar wat is jouw diepste wezen? Wat is je hoogste zelf? Wat is je ware aard? Wat is je oorspronkelijke gezicht?

Hans: Ik ben bekend met het jargon.

Claire: Nou?

Hans: Nauwe Weetal zegt: Wijde Weetniet.

Claire: En Wijde Weetniet?

Hans: Houdt dwijselijk zijn mond.

Claire: En Hans van Dam?

Hans: Nauwe Weetal en Wijde Weetniet bestaan niet, behalve in mijn verbeelding, die net als ik misschien ook alleen maar een product van de of een verbeelding is. Als zodanig zijn we allemaal aan elkaar gewaagd en dat is wel het voornaamste verschil met vroeger.

Nauwe Weetal voert niet langer het hoogste woord. Op de achtergrond en in de stiltes tussen zijn woorden waart de geest van Wijde Weetniet rond. Zodoende bekijk ik de eeuwige parade van weetjes, roddels, verhaaltjes, dagdromen, theorietjes, aannames, interpretaties, meningen, oordelen en gevoelens die als vanouds aan mij voorbijtrekt (waaronder ook dit verhaal) nu door twee paar ogen. Of door drie ogen, als die oude beeldspraak je aanspreekt: mijn derde oog is opengegaan – het oog van Wijde Weetniet.

Claire: Het wijsheidsoog.

Hans: Het wijdsheidsoog.

Claire: Die kende ik nog niet.

Hans: Je vindt het tussen je billen.

Claire: Noem dat maar wijds.

Hans: Alles bij wijze van spreken. Want ik kan met evenveel recht zeggen dat mijn ogen voorgoed zijn dichtgegaan. Allebei of alle drie of alle vier. Ik kijk niet meer, niet echt, niet door de ogen van Nauwe Weetal en niet door de ogen van Wijde Weetniet.

Ik kan met evenveel recht, dat wil zeggen geen enkel, zeggen dat ik alles perifeer zie, of met facetogen kijk, of met allemansogen. Net wat je aanspreekt, als iets hiervan je al aanspreekt.

Claire: En wat is daarvan het gevolg?

Hans: Gedachten en gevoelens zijn voor mij niet langer waar of waardevol – deze ook niet – maar daarom nog niet onwaar of waardeloos. Bloemen zijn ook niet waar of onwaar en toch kijk je ernaar. Zelfs naar lelijke en onopvallende. In het licht van niet weten, krijgt ieder weten zijn eigen glans.

Claire: De glans van de duisternis.

Hans: Dat komt er nou van met al die metaforen.

Claire: Zouden we niet beter af zijn zonder Nauwe Weetal?

Hans: Vraag dat maar aan Nauwe Weetal.

Claire: En wat zegt Nauwe Weetal dan?

Hans: Dat verschilt per persoon.

Claire: De mijne zegt: ‘Weg met Nauwe Weetal.’

Hans: De mijne zegt: ‘Dat zou een dooie boel worden zeg.’ En even later: ‘Welke Nauwe Weetal?’ Alsof hij het allemaal wel door heeft.

Claire: En wat zegt jouw Wijde Weetniet?

Hans: Wat hij altijd zegt.

Claire: Te weten?

Hans: ‘Tja.’ Of ‘Hm.’ Maar nooit met zoveel woorden.

Claire: En de mijne?

Hans: Wat hij altijd zegt.

Claire: De mijne ook?

Hans: Wijde Weetniet is van niemand en zegt in iedereen hetzelfde.

Claire: Hm.

Hans: Daaraan dankt hij zijn wijdsheid.

Claire: Tja.

Hans: Maar niet met zoveel woorden.

Claire: Ik hoor tenminste niks.

Hans: Typisch Wijde Weetniet.

Niet weten laat zich niet vangen, ook niet in het woord niet-weten

Wie parels van wijsheid zoekt, zal parels van wijsheid vinden. Zelfs in mijn dwaalteksten, die toch meer dan de meeste andere teksten zijn geconstrueerd met het oogmerk schatgravers te ontmoedigen.

Claire: Even terug naar de schrijverij. Wat is nu precies het verschil tussen een normale tekst over niet weten en een dwaaltekst?

Hans: Het verschil tussen Nauwe Weetal en Wijde Weetniet. De eerste zegt het, de tweede doet het. Een dwaaltekst is een optreden. Een performance. Een demonstratie van niet weten, dat zich immers niet in beweringen laat vangen.

Claire: Omdat de Waarheid voorbij de woorden is.

Hans: Ik heb geen waarheid, laat dat nou eindelijk eens tot je doordringen.

Claire: Omdat niet weten voorbij de woorden is.

Hans: Dat klopt. Maar dat komt juist doordat het géén waarheid is. Zelfs geen negatieve. Dat is nou net de clou. Dáárom laat het zich alleen maar demonstreren.

Claire: En dat doe je door dingen te roepen en te herroepen.

Hans: Door balletjes op te gooien en weer weg te slaan.

Claire: Ping, pong, ping, pong.

Hans: En dan maar hopen dat de lezer inziet dat het om het wegslaan gaat en niet om het opgooien.

Claire: Opgooien is weten, wegslaan is niet weten?

Hans: Het is maar een beeld.

Claire: Kun je niet in één klap alle balletjes wegslaan?

Hans: ‘Zouden we niet beter af zijn zonder Nauwe Weetal?’

Claire: Nou?

Hans: Je doet je best maar.

Claire: En dan voorgoed in niet-weten verblijven.

Hans: Welkom in het gekkenhuis.

Claire: Waarom schrijf je nooit eens een normale tekst over niet weten?

Hans: Wat heeft dat voor zin? Het is al zo vaak geprobeerd. Een ‘normale’ tekst is een kansloze poging om niet-weten toch in beweringen te vangen. Er een Waarheid van te maken. Een Werkelijkheid. Een Wijsheid. Een Weg. Een Weten. Waar jij steeds op uit bent. Niet weten laat zich niet vangen. Ook niet in het woord niet-weten.

Claire: Wat voor beweringen?

Hans: ‘Het leven is een mysterie.’ ‘Gods wegen zijn wonderbaarlijk.’ ‘We moeten ons oordeel voor onbepaalde tijd opschorten.’ ‘Wij weten niets.’ ‘We moeten in overgave leven.’ ‘Waarheid bestaat niet.’ ‘Er zijn geen antwoorden.’ ‘Er is geen verhaal.’ ‘Er zijn alleen maar verhalen.’ ‘Alles is relatief.’ ‘Alles is subjectief.’ ‘We zien de dingen niet zoals ze zijn maar zoals wij zijn.’ ‘De hoogste kennis heeft geen object.’ ‘Ik ben de kenner, niet het gekende.’ ‘Subject is object.’ ‘Vorm is leegte, leegte is vorm.’ ‘Alles is leeg, zelfs de leegte.’ ‘Ik ben die ik ben.’ ‘Ik bén.’ ‘Ik ben niet.’ ‘Eenieder is een gezicht van het ene.’ ‘Het is altijd een complex van factoren.’ ‘Alles ontstaat afhankelijk.’ ‘De volmaakt verlichte is één met de wet van oorzaak en gevolg.’ ‘Er zijn geen dingen, alleen maar processen.’ ‘Er zijn geen processen, er is alleen maar verandering.’ ‘Er zijn geen dharmas en geen niet-dharmas.’

Claire: ‘Gate gate paragate parasamgate.’

Hans: ‘Nergens vind je onderdak.’

Claire: ‘De Waarheid is voorbij de woorden.’

Hans: Enzovoort.

Claire: Tegen beter weten in.

Hans: Dat wordt weleens vergeten.

Claire: Maar niet door jou.

Hans: Ik mag graag denken van niet, maar geloof ik het ook?

Claire: Zijn jouw dwaalteksten als demonstratie van niet weten geslaagd?

Hans: Voor mij doen ze het, anders was ik er allang mee opgehouden. Sommige lezers lijken er gevoelig voor, andere zien er niets in of ergeren zich dood.

Technisch gesproken is een dwaaltekst per definitie een mislukking. Zelfs in de beste blijft het meeste van wat er wordt gezegd en gesuggereerd overeind. Daar is niets aan te doen want je kunt zoals gezegd niet aan de gang blijven met weerleggen, ondermijnen en aan de kaak stellen.

Claire: Dan raak je daar weer in gevangen.

Hans: Wie parels van wijsheid zoekt, zal parels van wijsheid vinden. Zelfs in mijn dwaalteksten, die toch meer dan de meeste andere teksten zijn geconstrueerd met het oogmerk schatgravers te ontmoedigen.

Claire: Dan heb ik goed nieuws voor je.

Hans: O?

Claire: Ik ben inmiddels zwaar gefrustreerd.

Hans: Sorry.

Claire: Is dit nieuw, deze manier van schrijven?

Hans: Zo oud als de weg naar Rome.

Claire: Wie gingen je zoal voor?

Hans: Denk maar eens aan de zen-koan, waarvan er duizenden zijn overgeleverd. De Linji-lu, het Boek van Sereniteit, de Poortloze Poort. Of aan de taoïstische geschriften: Zhuang Zi, Lie Zi. In de twintigste eeuw Monty Python, Samuel Beckett, Toon Hermans, Armando en Cherry Duyns…

Claire: Die schreven allemaal over niet weten?

Hans: Misschien wel, misschien ook niet. Maar ze kwelen van verwondering; ze brullen van verbijstering.

Claire: En daar wou jij je mee meten?

Hans: Meten is weten. Als schrijver kan ik in ieders schaduw staan.

Claire: Vertel eens.

Hans: Ik kan geen verhalen vertellen, ik kan niet dichten, ik kan geen samenhangend betoog opbouwen. Ik neig naar woordspelingen, lijstjes, rijtjes. Ik heb alliteritis en rijmdwang. Ik weet niet van ophouden en tot overmaat van ramp heb ik niets te zeggen, zelfs niet dat ik niets te zeggen heb. Of zei ik dat al?

Claire: Wat kan je eigenlijk wel?

Hans: Ik kan niet met woorden schilderen; ik kan er alleen maar mee schieten. Ik ben geen penseel, ik ben een geweer. Een rare kwast met een repeteergeweer.

Claire: Over metaforen gesproken.

Hans: Ratatatata.

Claire: Altijd prijs.

Hans: Altijd mis.

Niet-weten is geen punt, en ook geen uitroepteken

Voor nachtdieren is de duisternis het mooiste licht.

Claire: Is het niet stomvervelend om steeds over niet weten te schrijven?

Hans: Stomvervelend? Het is geweldig. Wie had ooit gedacht dat ik me hiermee bezig zou gaan houden. Ik had heel andere plannen met mezelf. Ik had plannen met mezelf. Ik had mezelf. Maar nu?

Claire: En erover lezen?

Hans: Ik doe mijn best.

Claire: Waarom?

Hans: Om voeling te krijgen met wat mensen zich zoal in hun hoofd halen in met niet-weten verwante spirituele, religieuze, literaire en filosofische tradities. Dan heb ik iets om bij aan te sluiten of om me tegen af te zetten, net hoe het uitpakt.

Claire: Je doet het niet voor je lol.

Hans: Het meeste gaat me boven de kruin, moet ik bekennen.

Claire: De Avatamsaka soetra? De wereld als wil en voorstelling? De Upanishads? De Shobogenzo? Transmissie en transcendentie? Transformations of consciousness?

Hans: Hoe knap ook, het blijft confectiekleding. Universaliteit voor het universum. Generalisaties voor de goegemeente, geschreven in een eeuwige-wijsheidsroes – helaas of gelukkig steeds een andere. One size fits all, is onveranderlijk het devies, maar dat is voor zover ik kan zien het enige onveranderlijke. One size fits none, denk ik weleens, maar dat is weer zo’n generalisatie, een postmoderne nog wel.

Laat ik het particulier houden: mij past bijna niks. Knelt het niet dan slobbert het wel. Ik ben een raar dun mannetje met een kromme rug, klutsknieën en kletslobben, dat genoeg heeft van alle bovenkamertjespolitiek, vooral z’n eigen. Daarover schrijft hij, en hij heeft er lol in ook, want waarom zou hij anders steeds zitten gniffelen?

Claire: Niet bulderen.

Hans: Gniffelen. Niet weten is geen ernstige zaak, maar het is ook weer niet om je dood te lachen.

Claire: Wat is wel een ernstige zaak?

Hans: God is een ernstige zaak. De inquisitie. De Boeddha. Avalokiteshvara. Anatman. Realisatie van je ware natuur. Boenen, buigen, bedelen. De bodhisattvagelofte. Rohatsu. Zere ruggen, kale koppen, kapotte knieën. Kalpa’s lang op dezelfde koan kauwen.

Aambeien als zafu zo groot
Wat klopt daar in mijn schoot?
De ongestorven dood

Juist schreeuwen, verplicht zwijgen, onbegrepen lettergrepen opdreunen in andermans taal. Grauwe pijen, zwarte kimono’s, ouwe sandaaltjes van mensenleer voor eeuwig op jacht naar de lege heer. Soutanische lusten, sjansen in het duister, liefde zonder luister.

En steeds weer die www’s: de Weg, de Waarheid, de Werkelijkheid, de Wijsheid voorbij alle Wijsheid. Zware kost voor waargewichten. Willens en wetens is menens en wenens.

Claire: Dit klinkt ook ernstig.

Hans: Ik bied alleen maar tegenwicht. Klantgericht. Zonder plicht.

Claire: Niet weten is licht verteerbaar.

Hans: Niet weten is tien pond scheten.

Claire: Proet.

Hans: Daar vliegt weer een dwijsheid.

Claire: Jij bent een vlieggewicht geworden.

Hans: Een vedergewicht. Een veertje in de wind. Laat mij maar waaien.

Claire: Wat is in jouw visie de grootste verdienste van je dwaalteksten?

Hans: Dat ze zonder verdienste zijn.

Claire: Kom kom.

Hans: Dat ze niet gebukt gaan onder enige wijsheid. Zonder in cynisme, defaitisme of nihilisme te vervallen.

Claire: Heb jij iets tegen cynisme, defaitisme en nihilisme?

Hans: Bloemen in de boeddhanatuur.

Claire: Geloof jij in de boeddhanatuur?

Hans: Geloof jij niet in bloemen?

Claire: Jezelf verduisterd noemen vind ik vrij cynisch.

Hans: Voor nachtdieren is de duisternis het mooiste licht.

Claire: Of ‘niet gebukt onder enige wijsheid’.

Hans: Ik bied alleen maar tegenwicht. Spronggewricht. Knipperlicht.

Claire: Wat heb jij toch tegen wijsheid?

Hans: Nauwe Weetal gooit onvermoeibaar balletjes op, Wijde Weetniet slaat ze onvermoeibaar weg. Daarom heb ik niets meer met wijsheid, maar ik heb er ook niets meer tegen.

Hang voor mijn part je hele huis vol tegeltjes, met de mooiste aforismen uit Het Beste, de diepste inzichten van Eckhart Tolle, de lievelingsspreuken van je opoe, de hele hartsoetra in zeven talen of de weergaloze sententies die onophoudelijk opborrelen in je eigen gistende geest.

Leef ernaar als je kunt. Gebruik ze als mantra. Schreeuw ze uit. Maak er stenen tafelen van. Bouw er een religie omheen. Mijn zegen heb je.

Claire: Maar?

Hans: Dan heb je wel het hele punt van niet-weten gemist.

Claire: Welk punt?

Hans: Geen punt.

Het punt van niet-weten

Claire: Het hele punt van niet weten is geen-punt?

Hans: Dat zou toch weer een punt zijn.

Een eerdere versie van dit interview is als serie verschenen in het Boeddhistisch Dagblad onder de titel ‘Wijde Weetniet’.