De Wolk van niet-weten

‘Wees jij nu maar blind, en geef alle verlangen om het te begrijpen op, want dit zou je meer hinderen dan helpen.’ Citaten uit het anonieme middeleeuwse christelijk-mystieke werk De Wolk van niet-weten.

Redactie en titels Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Bron: De Wolk van niet-weten, Sint-Adelbertabdij, Egmond, 1994; vertaling van The cloud of unknowing, auteur onbekend, circa 1380.

Dwaalgids > Mystiek > De Wolk van niet-weten

Tips: Opklaringen, Lachgas, Rupsje Nooitgenoeg, De lege mystiekHet Stilte-evangelie, Zalig zijn de armen van geest


uit de hoofdtekst:


Wolk van niet-weten

Als je pas begint, vind je alleen maar duisternis, en als het ware een wolk van niet-weten. […] Neem er vrede mee in deze duisternis te moeten wachten zo lang dat nodig is […]. Want als je Hem in dit leven zult voelen of zien, dan zal het toch in deze wolk, in deze duisternis zijn. (hoofdstuk 3, pagina 60)


Onbereikbaar voor het verstand

Hij kan niet begrepen worden door enig geschapen denkvermogen, hetzij van een engel hetzij van een mens. Hij is dus onbereikbaar voor het verstand, maar niet voor de liefde. (4; 61)


Duister

Met ‘duisternis’ bedoel ik ‘een ontbreken van weten’, net zoals je kunt zeggen dat iets wat je niet weet of dat je hebt vergeten ‘duister’ voor je is. Want je kunt het niet met je innerlijk oog zien. Daarom noemen wij dit een ‘wolk’, niet van de hemel natuurlijk, maar van ‘niet-weten’, een wolk van ‘niet-weten’ tussen jou en God. (4; 64)


Wolk van vergeten

Als je deze wolk ooit bereikt en erin leeft en werkt, zoals ik dat hier beschrijf, dan moet je ook onder je een wolk van vergeten plaatsen, tussen jou en heel de schepping, juist zoals deze wolk van niet-weten als het ware boven je hangt, tussen jou en God. (5; 65)


Verbergen

Telkens als ik zeg ‘heel de geschapen wereld’ bedoel ik steeds niet enkel de afzonderlijke schepselen daarin, maar alles wat daarmee in verband staat. Daar is geen enkele uitzondering op, of je nu aan hen denkt als stoffelijke of als geestelijke wezens, aan hun zijn, hun handelen, aan hun goed-zijn of aan hun slecht-zijn. In één woord: alles moet onder deze wolk van vergeten verborgen zijn. (5; 65)


Dezelfde wolk

Maar nu zul je mij vragen: Hoe moet ik over God zelf denken, en over wat Hij is? En dan kan ik je enkele maar antwoorden: Ik weet het niet. Want met deze vraag heb je mij in dezelfde duisternis gebracht, dezelfde wolk van niet-weten, waarin ik jou hebben wil. (6; 66)


Tussen jou en God

Vaak genoeg zul je, terwijl je van mening bent dat je in dit duister verblijft en dat je alleen God in gedachten hebt, bij nauwkeurig toezien merken dat je geest helemaal niet met deze duisternis bezig is, maar dat hij in werkelijkheid door iets in beslag genomen wordt dat minder is dan God. En wanneer dat het geval is, dan kun je zeggen dat dit ‘iets’ tijdelijk bovenop je zit, tussen jou en God. (9; 72)


Nooit onbewolkt

Wees er zeker van dat je in dit leven nooit een onbewolkt zicht op God zult hebben. Maar je kunt je van zijn aanwezigheid bewust zijn als Hij je dit door zijn genade schenken wil. Verhef daarom je hart naar die wolk. (9; 72)


Erfzonde

Want een spontane gedachte, die onwillekeurig en onopzettelijk in je geest opwelt, kun je niet als zondig beschouwen. Hij kan in die zin als zondig beschouwd worden, dat hij een gevolg is van de erfzonde die jou van de macht over al je gedachten beroofd. (10; 73)


Nooit iemand

Want dit wil ik je wel zeggen: er is in dit leven nooit iemand geweest (noch zal die er ooit zijn), hoe zuiver ook en hoezeer gegrepen door de beschouwing en de liefde van God, die tussen hem en zijn God niet altijd deze hoge en wonderlijke wolk van niet-weten ervaren heeft. (17; 83)


Steeds

De hele tijd dat iemand in dit sterfelijk lichaam verblijft zal hij voortdurend de barrière van deze wolk van niet-weten tussen hem en zijn God ervaren. Bovendien zal hij als gevolg van de erfzonde moeten ervaren dat sommige van Gods schepselen, of iets van hun doen en laten, zich steeds in zijn geest opdringen tussen hem en God. (28; 96)


Boom

Wees jij alleen maar de boom, en laat dat andere de timmerman zijn; wees jij nu maar het huis, en laat dat andere de eigenaar zijn die het bewoont. Wees jij nu maar blind, en geef alle verlangen om het te begrijpen op, want dit zou je meer hinderen dan helpen. (34; 102)


Ook jezelf vergeten

Je moet goed begrijpen dat je bij dit werk niet alleen alle andere wezens buiten jezelf moet vergeten, maar je moet hier ook jezelf vergeten, zelfs wat je hebt gedaan omwille van God. […] Vernietig daarom alle kennis en ervaring omtrent alle soorten geschapen dingen, en bovenal van jezelf. (43; 112)


Wees nergens

Maar dit wil ik je wel aanbevelen: let erop dat je je volstrekt niet in jezelf terugtrekt. En, om kort te gaan: ik wil evenmin dat je buiten, boven, achter, of links of rechts van jezelf bent.
‘Maar’, zul je zeggen, ‘waar moet ik dan zijn? Mag ik dan nergens zijn?’ Nu, dat zeg je goed, want daar wilde ik je hebben. En om deze reden: lichamelijk nergens zijn is geestelijk overal zijn. (68; 146)


Liever nergens dan overal

Ik verzeker je dat ik op deze wijze worstelend met dat duistere niets liever lichamelijk ‘nergens’ zou willen zijn, dan dat ik een zo grote ‘heer’ zou wezen die het zich kon veroorloven letterlijk overal te zijn waar het hem beliefde en van alles te genieten als was het zijn eigendom. (68; 147)


Nergens en niets

Laat dit ‘overal’ en ‘alles’ los in ruil voor dit ‘nergens’ en ‘niets’. Bekommer je er niet om als je verstand dit niets niet kan begrijpen, want ik hou er daarom des te meer van. Het is zoiets kostbaars in zichzelf, dat het verstand het geen recht doet. (68; 147)


Beter aangevoeld dan ingezien

Dit ‘niets’ kan beter worden aangevoeld dan ingezien, want het is volkomen duister en verborgen voor hen die er nog maar weinig naar gekeken hebben. (68; 147)


Het geheim van alle dingen

Nochtans – om het nog beter te zeggen – het is zo’n overweldigend geestelijk licht dat degene die het ervaart er meer door verblind wordt dan door de duisternis of het ontbreken van natuurlijk licht. Wie durft het dan ‘niets’ te noemen? Onze uiterlijke mens natuurlijk, niet onze innerlijke (2 Kor. 4,16). Als innerlijke mens noemen wij het ‘alles’, want wij leren hierdoor het geheim van alle dingen kennen, stoffelijke zowel als geestelijke, zonder dat we elk ding apart hoeven te beschouwen. (68; 147)


Laat hem denken wat hij wil

Hoewel hij nog steeds te lijden heeft, gelooft hij dat daar eens een eind aan zal komen; want dat lijden wordt minder en minder. Daarom noemt hij het niet meer een ‘hel’ maar een ‘vagevuur’. […] Soms denkt hij dat het de hemel of het paradijs is […]. Soms denkt hij dat het God is, wegens de vrede en de rust die hij erin ervaart. Ja, laat hem denken wat hij wil: altijd ervaart hij een wolk van niet-weten tussen hem en zijn God. (69; 148)


Geen hoedanigheden of hoegrootheden

Met je ogen kun je enkel iets begrijpen naar zijn verschijningsvorm: of het lang is of breed, klein of groot, rond, vierkant, ver of dichtbij, en hoe de kleur ervan is. Met je oren ken je van iets alleen zijn geluid of de aard van de klank. Met je neus alleen de stank of de geur; met je smaak alleen of het zuur is of zoet, zout of flauw, scherp of zacht; met je tastzin alleen of iets heet is of koud, hard of zacht, bot of scherp. Maar God en de geestelijke dingen hebben geen enkele van deze hoedanigheden en hoegrootheden. (70; 149)


Falen erkennen

Want al heeft iemand nog zo veel begrip en kennis van alle mogelijke geschapen geestelijke dingen, toch kan hij met zulk verstandswerk nooit geraken tot de kennis van iets dat ongeschapen en geestelijk is… en dat is met andere woorden: God. Maar door dit falen te erkennen kan hij het wel. (70, 149)


Kennen door niet te kennen

Want datgene waarop zijn begrip strandt is alleen God. Daarom zei sint Dionysisus: “De meest goddelijke wijze om God te kennen is die welke kent door niet te kennen.” (70; 149)


uit het Overzicht van de hoofdstukken:


Verborgen

Dat ten tijde van dit werk al de schepselen die ooit hebben bestaan, die nu bestaan, of ooit zullen bestaan, en al de werken van die schepselen, verborgen moeten worden onder de wolk van vergeten. (51)


Verliezen

Dat men alle kennis en ervaring omtrent zichzelf moet verliezen […]. (54)


Wanneer onze geestelijke kennis faalt

Dat wij, zoals wij het snelst geestelijke dingen begrijpen wanneer onze lichamelijke kennis faalt, ook het snelst komen tot de kennis van God wanneer onze geestelijke kennis faalt, voor zover dat door de genade mogelijk is. (56)


uit de Inleiding van André Zegveld:


Versluiering

En dat brengt met zich mee dat Hij nooit aanwezig is dan in versluiering, verhuld in wat Hij niet is. Daarom is mystiek kennen steeds een duister kennen. Het licht Gods is nacht voor de mens die Hem kennen wil. (15)


Duister

Als de kennis van de andere mens al duister is, voor zover zij zich telkens weer opnieuw verliest in diens anderszijn, hoeveel temeer dan de kennis van God, die ternauwernood nog steunen kan op een gestalte of gebaar? (15)


Kennis van niets

Mystieke kennis is kennis van de Onzichtbare, in het zichtbare verborgen. God kennen is daarom in vergelijking met de kennis die wij hebben van wat wij zien, horen of voelen kunnen, een kennis van niets, een kennis die zich nergens op betrekt. Weten is hier dan ook niet-weten; zeggen: zich ont-zeggen. Want de kennis van het hart heeft niet als grond het eigen verstand, maar het onverstandig zich-uit-handen-geven. (15)


Als wisten wij niets

Maar hoe diep een mens ook in deze verborgenheid Gods is doorgestoten, het blijft een onkunde die hem met Hem bindt. Iets daarvan hebben alle zoekers naar de uiteindelijke waarheid vermoed en beleefd; iets van dat tekortschieten van alle begrijpen, waar het gaat om wat de mens ten diepste aangaat: “als wij ten diepste weten, lijkt het ons als wisten wij niets” [Plotinus]. (15)


On-weg

De weg tot Hem is een wegloze weg, een on-weg, een weg tot het niets van alles, een niets dat alles is. (25)


Onzichtbaar

Gregorius [van Nyssa] duidt dan: “Hoe meer de mens doordringt in het begrijpen van wat de kennis van de werkelijkheid is en hij de beschouwing nadert, des te meer ziet hij dat de goddelijke natuur onzichtbaar is. En na alle uiterlijkheden achtergelaten te hebben, niet slechts die welke de zintuigen waarnemen, maar ook die welke het verstand denkt te zien, gaat hij steeds meer naar binnen, tot hij doordringt… tot de Onzichtbare en de Onkenbare; en daar ziet hij God. De ware kennis van Wie hij zoekt en de ware schouwing bestaan eruit te zien dat Hij onzichtbaar is. (26)


Maar niet verschijnt

Maar dat zien heeft niet de helderheid van het begrip. Dat zien is een nacht. De nacht van het verstand en de nacht van het kruis. En ook Gregorius van Nyssa, die toch nog ‘verder’ wil ‘begrijpen’, kan niet anders dan deze niet-ziende kennis vergelijken met de intieme kennis tussen man en vrouw, die ook duister, licht en hard is tegelijk; want “nadat de mens al het zintuiglijke achter zich heeft gelaten, is hij… omringd door de goddelijke nacht waarin de Bruidegom nadert, maar niet verschijnt. (27)


Negatieve theologie

Zo komen wij als vanzelf tot de negatieve theologie. Want al bezien wij onze werkelijkheid als symbool van God, al benoemen wij haar met namen, ook deze namen Gods zullen wij moeten ontkennen. God is enkel maar zichzelf. Hij is en blijft in zichzelf steeds de geheel andere, de verborgene, ook ten aanzien van al wat de positieve theologie als zijn namen noemt. Hij is de goedheid niet, noch de kracht, noch de schoonheid. (29,30)


Boven weten verheven

God verliest zijn namen, ook die welke wij Hem symbolisch dachten te mogen geven: “Hijzelf is aan de overzijde van geest en zijn, en enkel door het niet-kennen en niet-zijn heen is Hij kenbaar; … de totale onwetendheid is het weten omtrent Hem die boven alle weten verheven is” [Pseudo Dionysius]. (30)


Wij nemen alles weg

Is deze ontkenning nu een ontkenning van God? Integendeel. […]. “Wij nemen alles weg, opdat wij onverhuld… dat bovenzijnde duister zien, dat door het licht dat in wat is verborgen wordt gehouden” [Pseudo Dionysius]. (30)


Over-onkenbaar

“Hij is het over-goede, het over-goddelijke, het over-zijnde”. Hij is niet slechts onkenbaar, meer nog: Hij is ‘over-onkenbaar’. [Pseudo Dionysius] (30)


Een straal van duister licht

Het is de kennis die tot stand komt door onkunde. Want onkunde wil zeggen dat wij uitstijgen boven hetgeen ons verstand kennen kan. Maar een dergelijk over-zich-heenreiken is dan ook geen eigen prestatie van de mens die gaat tot God; het is een omhooggevoerd wórden door een straal van duister licht, tot waar wij verenigd worden met wat wij ‘kennen’ boven alle begrijpen uit; ‘kennen’ dan in de […] bijbelse betekenis, die van vereniging. Verenigd met de Onkenbare kunnen wij, door niet te kennen, zien wat elke kennis te boven gaat; en dat is, aldus Pseudo Dionysius, ‘waarlijk zien en kennen’. (31)


Het zwijgen van de liefde

Gekend is hier niet meer, zoals bij de positieve theologie, benoemd; gekend is bemind. Daarom is de negatieve theologie bij uitstek mystiek: geen beelden meer, geen symbolen meer, geen ideeën, geen namen, maar het zwijgen van de liefde die aan de duistere en ondoorzichtige, maar daarom niet minder werkelijke, aanwezigheid genoeg heeft. (31)


Beeldloos beeld

Het kennen in onkunde ligt daarom tenslotte besloten in de intrede in het reeds tot het niets teruggebrachte zijn van God in Christus; het is de gelijkvormigheid aan Hem, zich beelden naar zijn gezindheid. Noch diepte-inkeer, noch verstilling, niets leidt tot God, dan alleen de gevormde navolging van zijn beeldloos en onaanzienlijk Beeld. (31)


Nergens en overal

Want waar God ‘niets’ en ‘nergens’ is, daar betekent voorkeur tonen zich verwijderen van Hem, die nergens en dus overal geschouwd kan worden. (38)


Duistere liefde

Duistere liefde is het dus waardoor wij God ‘bereiken’ kunnen, een liefde die verborgen is in al wat wij doen en ervaren, en die wij daarom ook verborgen moeten houden. Want stilte is niets en spreken is niets, vasten is niets en eten is niets, alleen-zijn is niets en samen-zijn is niets. (38)


Verborgen

God is verborgen, onbereikbaar voor al wat wij doen, onkenbaar voor al wat wij denken kunnen. Hij moet dan ook verborgen worden gezocht. (38)


Wolk van duisternis

Kiezen wij voor Hem, of liever, kiest Hij ons door de drang die Hij in ons wekt, dan zwijgen wij als wij spreken, en spreken wij als wij zwijgen. Het doet er allemaal niets meer toe. Dan kennen wij Hem door Hem niet te kennen, en kennen wij niet door te kennen. Dat is dan onze gids, tot Hem. Maar zo tot Hem gaan is binnentreden in een wolk van duisternis. De mystieke kennis is een kennen dat omhuld is door een wolk. (38)


Nergens

Waar ons dit geschonken wordt, is het zaak alles te vergeten wat God niet is, en enkel te leven uit die ene drang. Zeker, wij zijn dan ‘nergens’ meer: noch bij God, van Wie wij door een wolk van niet-weten zijn gescheiden, noch bij alwat Hij niet is, waarvan wij ons door een wolk van vergeten hebben verwijderd. Maar dit ‘nergens’ is dan misschien wel duister voor de ogen, het is een licht voor wie liefheeft. (39)