René Descartes

‘Maar misschien is er een onbekende bedrieger, uiterst machtig en uiterst slim, die mij opzettelijk misleidt.’ Citaten en meditaties van de Franse filosoof en wiskundige René Descartes (1596-1650).

Redactie en titels Hans van Dam.

dwaalgids filosofie


1. Uit Over de methode, een vertaling van Discours de la méthode, Descartes, 1637, door Theo Verbeek, 1987.


Niets waarover niet geredetwist kan worden

Ik wil niets beweren over de filosofie; ik stelde slechts vast dat ze beoefend is door de meest uitmuntende geesten die er sinds eeuwen geleefd hebben maar dat ze niettemin niets bevat waarover niet geredetwist kan worden, en dat derhalve boven alle twijfel verheven zou zijn. Ik beeldde me dan ook niet in, dat het mij beter zou vergaan dan alle anderen en aangezien ik wist dat de geleerden over éénzelfde zaak zeer verschillend kunnen denken, terwijl toch niet meer dan één opvatting de juiste kan zijn, was ik eerder geneigd om alles wat slechts waarschijnlijk is, als onwaar te beschouwen.

Wat voorts de andere wetenschappen betreft: voorzover ze hun uitgangspunten aan de filosofie ontlenen, concludeerde ik dat men op zo’n zwakke fundering niets stevigs gebouwd zou kunnen hebben. (47)


Nauwelijks enig houvast

Ik geef toe dat ik, zolang ik mij beperkte tot het waarnemen van de gewoontes van anderen, nauwelijks enig houvast kreeg doordat ik daarin even grote verschillen aantrof als eerder onder de meningen der filosofen. Het grootste profijt dat ik [van mijn reizen] had, was dus dat ik, door met allerlei zaken kennis te maken die, ofschoon voor ons buitensporig en belachelijk, niettemin algemeen goedgekeurd en geaccepteerd worden door andere volkeren, leerde om niet al te vast te geloven in wat mij door gewoonte en voorbeeld vertrouwd was geworden. Zo wist ik mij langzamerhand te ontdoen van de vele misvattingen, waardoor ons natuurlijk oordeelsvermogen verduisterd wordt en wij minder goed in staat zijn de rede te volgen. (49)


Zich ontdoen van alle meningen

Ik heb nooit iets anders gewild dan te pogen mijn eigen gedachten te hervormen en te bouwen op grond die geheel van mij is. Als ik dan nu, omdat ik schik had van mijn werk, u een beeld daarvan schets, dan betekent dat nog niet dat ik iemand zou willen aanraden mijn voorbeeld te volgen. Want hoewel voor diegenen die door Gods genade beter bedeeld zijn, mijn opzet wellicht niet verheven genoeg is, vrees ik dat het voor velen al te zwaar zou zijn. Alleen al het besluit om zich te ontdoen van alle meningen die men tevoren als waar heeft aangenomen, is iets dat men niet iedereen kan aanraden. (54)


Geen reden

Maar aangezien ik al op school begreep dat men niets zo vreemd of zo ongeloofwaardig kan bedenken, dat niet reeds eerder door een of andere filosoof was beweerd; en aangezien ik tijdens mijn reizen al had ingezien dat wie er anders over denkt dan wij daarom nog geen barbaar of een wildeman is, maar dat velen evenzeer – of beter – hun verstand gebruiken als wij; en sinds ik tot het besef was gekomen hoeveel verschil het maakt of éénzelfde persoon wordt opgevoed tussen Fransen of Duitsers dan wel altijd geleefd heeft tussen Chinezen of kannibalen; en hoe, zelfs waar het onze kleding betreft, iets dat ons tien jaar geleden beviel en over tien jaar wellicht weer in de smaak zal vallen, ons nu buitensporig en belachelijk voorkomt – zodat men moet concluderen dat gewoonte en voorbeeld voor ons meer overtuigingskracht bezitten dan zekere kennis, hoewel nochtans de meerderheid van stemmen geen enkel bewijs vormt voor moeilijk te ontdekken waarheden, waarvan het immers veel waarschijnlijker is dat één enkeling ze vindt dan gans een volk – gezien dit alles dus, had ik geen reden om iemands mening boven die van anderen te verkiezen, en moest ik haast wel zelf een poging ondernemen mijn leven in te richten. (55)


Lullische kunst

Op eerdere leeftijd had ik wat de filosofische vakken betreft enige studie gemaakt van de logica, en wat de wiskundige vakken betreft van de analyse der meetkundigen en van de algebra, drie technieken of wetenschappen waarvan verondersteld mocht worden dat ze een bijdrage zouden leveren aan mijn plan, maar toen ik ze onderzocht ontdekte ik dat de syllogismen en de meeste andere regels van de logica eerder dienen om aan anderen uit te leggen wat men weet of zelfs, zoals in de Lullische kunst, zonder verstand te praten over datgene wat men niet weet, dan om nieuwe kennis op te doen. (56)


Oprecht beleden onwetendheid

Deze negen jaren echter gingen voorbij zonder dat ik tot enig besluit was gekomen aangaande de kwesties waarover gewoonlijk door de geleerde geredetwist wordt. Ook had ik nog geen aanstalten gemaakt de basis te leggen voor een filosofie die zekerder is dan die welke men kent. Het feit dat vele uitmuntende geesten dit plan eerder hadden gehad zonder er, naar mijn gevoel, in geslaagd te zijn, maakte dat ik er wellicht ook nù nog niet aan begonnen zou zijn. Anderen echter verspreidden het gerucht dat ik er al mee klaar was. Ik weet niet waarop ze deze mening baseerden: als ik er door mijn gesprekken toe heb bijgedragen, dan moet het geweest zijn doordat ik mijn onwetendheid met meer oprechtheid beleden heb, dan de gewoonte is bij hen die wat gestudeerd hebben. Misschien kwam het ook doordat ik liet uitkomen wat voor redenen ik had om te twijfelen aan veel van wat anderen voor zeker houden, en mij niet op één of andere leer liet voorstaan. (67)


Ik denk dus ik ben

Ik had allang beseft dat men, bij het handelen, zich vaak moet houden aan meningen waarvan men weet dat ze onzeker zijn, hoewel men moet doen alsof ze onbetwijfelbaar zijn, zoals hierboven gezegd is; maar omdat ik mij uitsluitend wilde wijden aan het zoeken van de waarheid, meende ik nu juist het tegenovergestelde te moeten doen en al datgene, waarin ik mij iets twijfelachtigs kon voorstellen als volstrekt onwaar te moeten verwerpen, teneinde na te gaan of daarna nog iets zou overblijven, waarvan ik mocht geloven dat het absoluut onbetwijfelbaar zou zijn. Zo besloot ik, omdat onze zintuigen ons soms bedriegen, te veronderstellen dat niets is zoals het ons door de zintuigen wordt voorgespiegeld. En omdat sommigen zich vergissen bij het redeneren, zelfs als het gaat om de meest eenvoudige meetkundige problemen, en fouten maken, en ik meende dat ook ik mij kon vergissen, verwierp ik – als onwaar – alle redeneringen die ik daarvòòr als geldige bewijzen had beschouwd. En tenslotte, overwegend dat alle gedachten, die wij hebben als wij wakker zijn, ons op dezelfde wijze ook kunnen overkomen wanneer wij slapen, zonder dat er dan één bij is die waar kan zijn, nam ik het besluit, te doen alsof alles waarvan ik mij ooit bewust was geweest, niet meer waarheid bevatte dan een droom. Maar onmiddellijk daarop besefte ik dat, terwijl ik aldus wilde menen dat alles onwaar is, het noodzakelijk was dat ik die dat dacht, iets was. En beseffende dat deze waarheid: Ik denk, dus ik ben zo sterk en zo zeker was dat zelfs de meest buitensporige veronderstellingen van de sceptici niet bij machte waren haar aan te tasten, meende ik dat ik haar zonder enig bezwaar kon beschouwen als het eerste uitgangspunt van de filosofie die ik zocht. (70)


Geen plaats nodig

Toen ik mij vervolgens bezighield met de vraag wàt ik was, en besefte dat ik kon doen alsof ik geen lichaam had, en dat de wereld niet bestond, en dat ik nergens was, maar dat ik daarom nog niet kon doen alsof ik zelf niet bestond; integendeel: ik begreep dat uit het feit dat ik aan alles kon twijfelen, op zeer evidente en zekere wijze volgde dat ik bestond – terwijl ik als ik alleen maar opgehouden zou zijn met denken, ook al zou alles wat ik ooit gedacht had waar geweest zijn, geen reden gehad zou hebben om aan te nemen dat ik bestaan had -; terwijl ik dat alles nu overwoog concludeerde ik dat ik een substantie was waarvan heel het wezen of de natuur slechts is dat ze denkt en die om te bestaan geen plaats nodig heeft, en niet afhankelijk is van enig stoffelijk ding. (70)


Meetkunde

Vervolgens wilde ik nog andere waarheden opsporen en richtte mijn aandacht op datgene waarmee de meetkunde zich bezighoudt. … En hoewel ik merkte dat die grote zekerheid die iedereen eraan toekent, slechts gebaseerd is op het feit dat [de bewijzen van de meetkundigen] op inzichtelijke en evidente wijze tot stand komen volgens de regel die ik zoëven vermeld heb, merkte ik tevens op dat niets eraan mij de zekerheid gaf dat datgene waarop zij betrekking hebben ook werkelijk bestaat. (73)


Een ander lichaam

Tot slot zou ik willen zeggen dat als er nog mensen zijn die door mijn redeneringen niet overtuigd zijn geraakt van het bestaan van God en van hun ziel, zij wel moeten bedenken dat al het andere waarvan zij wellicht veel zekerder denken te zijn, zoals dat ze een lichaam hebben, dat er sterren en een aarde bestaan en dergelijke, minder zeker is. Want hoewel er met betrekking tot deze zaken een praktische zekerheid bestaat die zodanig is dat men er in ernst niet aan kan twijfelen, kan men, als het gaat om metafysische zekerheid, zonder in dwaasheden te vervallen, evenmin ontkennen dat men om er niet volledig zeker van te zijn, slechts opgemerkt hoeft te hebben dat men zich in de slaap kan indenken dat men een ander lichaam heeft, en dat men andere sterren ziet of een andere aarde zonder dat er iets van waar is. Want hoe weet men dat de voorstellingen die zich in de droom voordoen minder waar zijn dan de andere? Vaak zijn ze immers niet minder levendig en duidelijk. (74)


Zonder het bestaan van God te veronderstellen

Wat mij betreft mogen de knappe koppen er zoveel over nadenken als ze maar willen, maar ik geloof niet dat ze zonder het bestaan van God te veronderstellen één reden kunnen geven die voldoende is om deze twijfel weg te nemen. (75)


Geelzucht

Evenmin is het van belang dat de droom ons verschillende dingen op dezelfde wijze voorstelt als onze zintuigen dat doen wanneer wij waken – de meest voorkomende fout die wij in onze dromen maken – zodat dat voor ons een reden is om aan de waarheid van deze voorstellingen te twijfelen: ook de zintuigen kunnen ons immers maar al te vaak bedriegen zonder dat wij slapen: zoals men bij geelzucht alles geel ziet of zoals de sterren of andere ver verwijderde lichamen veel kleiner lijken dan ze zijn. Want of we nu waken of slapen, we moeten ons uiteindelijk nooit door iets anders laten overtuigen dan door de rede. (76)


Chimaera’s

Het feit dat ik zeg ‘rede’ en niet ‘verbeelding’ of ‘zintuigen’ moet niet onopgemerkt blijven. Zo moeten we bijvoorbeeld, ook al zien wij de zon zeer helder daarom nog niet menen dat ze werkelijk zo groot is, als wij haar waarnemen; ook kunnen wij een zeer duidelijke voorstelling hebben van een leeuwenkop op een geitenlichaam, maar dat is geen reden om te concluderen dat er ook werkelijk chimaera’s bestaan: de rede immers schrijft ons beslist niet voor dat wat wij zien of verbeelden ook werkelijkheid is. (76)


Uit Meditaties, een vertaling van Meditationes de prima philosophia, Descartes, 1641, door Wim van Dooren (1934 – 1993), 1996.
(alineaindeling origineel)

Eerste meditatie (integraal): Over dingen die in twijfel kunnen worden getrokken


De vernietiging van mijn meningen

Al een aantal jaren geleden heb ik gemerkt, hoeveel onwaars ik vanaf mijn jeugd voor waar heb gehouden, en hoe twijfelachtig alles is, wat ik naderhand daarop heb gebouwd. Daarom moet eenmaal in het leven alles in zijn geheel worden vernietigd en moet vanaf de eerste grondslagen een nieuw begin worden gemaakt, als ik ooit iets zekers en blijvends in de wetenschappen wil oprichten. Het leek evenwel een gigantisch werk, en ik wachtte een leeftijd af die rijp genoeg zou zijn, in die zin dat er daarna geen andere leeftijd meer kon komen die geschikter zou zijn om dit karwei aan te pakken. Daarom heb ik wel zo lang geaarzeld dat ik van nu af aan schuldig zou zijn, als ik de tijd die nog rest om te handelen zou opmaken aan overwegingen. Het komt dus goed uit dat ik tegenwoordig mijn geest van alle zorgen heb bevrijd en verzekerd ben van een gegarandeerde vrije tijd. Ik trek me nu op mijzelf terug en zo zal ik de vrijheid hebben serieus en ongedwongen de vernietiging van mijn meningen ter hand te nemen.


De grondslagen ondergraven

Daarvoor is echter niet noodzakelijk dat ik aantoon dat ze alle onwaar zijn, want zoiets zou ik misschien wel nooit tot een goed eind kunnen brengen. Omdat de rede mij ervan overtuigt dat ik mijn instemming even zorgvuldig moet onthouden aan de meningen die niet echt zeker en ontwijfelbaar zijn, als aan de meningen die kennelijk onwaar zijn, zal het al voldoende zijn alles te verwerpen waarin ik ook maar de minste reden tot twijfel vind. Ik hoef ze dus niet alle afzonderlijk door te nemen, wat een eindeloos werk zou zijn. Omdat het zo is dat een gebouw vanzelf instort, als de grondslagen waarop het gebouw is zijn ondergraven, ga ik onmiddellijk de beginselen zelf te lijf, waarop alles steunde wat ik destijds geloofde.


Zintuigen bedriegen soms

Ik heb nu eenmaal alles wat ik als het meest waar heb aanvaard, of uit of door middel van de zintuigen ontvangen. Van die zintuigen heb ik echter gemerkt dat ze soms bedriegen, en het is verstandig om nooit vertrouwen te hebben in wie ons ook maar één keer misleidde.


Krankzinnig

Maar misschien is het zo dat de zintuigen ons ten aanzien van sommige kleine en veraf gelegen zaken soms wel bedriegen, maar dat er toch heel veel andere dingen zijn waaraan zeker niet kan worden getwijfeld, ook al zijn we daarin van de zintuigen afhankelijk – zoals bij voorbeeld dat ik hier ben, bij het vuur zit, mijn kamerjas aan heb, dit papier in mijn handen vasthoud, en dergelijke. Op grond waarvan zou ik kunnen ontkennen dat deze handen en dit lichaam van mij zijn? Hoogstens als ik mij zou vergelijken met de één of andere soort gekken, van wie de hersenen door een hardnekkige damp uit de zwarte gal zo zijn verzwakt, dat ze voortdurend beweren dat ze koningen zijn als ze heel arm zijn, of dat ze purper gekleed gaan als ze naakt zijn, of een aarden kop hebben, of helemaal een pompoen zijn, of uit glas geblazen zijn. Dat soort mensen is echter krankzinnig en ik zou zelf niet minder dement lijken, als ik hen op de één of andere manier mij ten voorbeeld stelde.


Dromen

Dit zal duidelijk zijn, ook al was ik niet een mens die gewoonlijk ’s nachts slaapt en dan al diezelfde of soms zelfs nog minder waarschijnlijke situaties in zijn droom beleeft dan die mensen in hun waaktoestand. Hoe vaak evenwel overtuigt de nachtelijke rust me niet van die heel gewone situaties, zoals dat ik hier ben, mijn jas aanheb, bij het vuur zit, terwijl ik in feite ontkleed onder de dekens lig. Maar nu bekijk ik dit papier met mijn ogen, die klaar wakker zijn; ik beweeg mijn hoofd, dat niet slaapt; willens en wetens strek ik mijn hand uit en voel ik dat; bij iemand die slaapt zou dit niet zo duidelijk onderscheiden overkomen. Maar als ik nu eens zou doen, alsof ik me niet herinner dat ik een andere keer in mijn slaap door juist dit soort voorstellingen ben bedrogen. Als ik dat nu oplettender overdenk, zie ik duidelijk hoe ik nooit zékere aanwijzingen heb om de waaktoestand van de slaap te onderscheiden. Hiervan raak ik in een verbazing die me bijna doet geloven dat ik nu slaap.


Fantasie

Stel, dat we nu dus dromen, en dat deze bijzonderheden niet echt zijn, zoals het feit dat we onze ogen opendoen, ons hoofd bewegen, onze handen uitsteken, en misschien zelfs dat we zulke handen en zo’n compleet lichaam hebben; dan moeten we inderdaad toch toegeven dat we in de slaap een soort geschilderde plaatjes zien, die alleen maar gefantaseerd konden worden omdat ze lijken op echte dingen. Minstens de algemene dingen, zoals ogen, handen of een compleet lichaam, kunnen dus zelf geen verzinsels zijn maar moeten echt bestaan. Want zeker ook wanneer schilders hun best doen om met behulp van uiterst ongebruikelijke vormen sirenen en satyrs te fantaseren, slagen zelfs zij er niet in er in elk opzicht nieuwe gestalten aan toe te kennen, en maken ze slechts een mengsel van ledematen van verschillende dieren. Of als ze misschien iets bedenken dat zo nieuw is, dat nog nooit iemand iets heeft gezien dat daarop lijkt, en dat zo volkomen gefantaseerd en onwaar is, dan nog moeten op zijn minst de kleuren waaruit ze het hebben vervaardigd echt zijn. En om dezelfde reden moeten wij toegeven, ook al kunnen die algemene dingen, zoals ogen, hoofd, handen en dergelijke gefantaseerd zijn, dat enkele andere nog eenvoudiger en algemener dingen wel echt moeten zijn, want alle beelden van voorwerpen die in ons denken voorkomen, of ze nu waar of onwaar zijn, worden daaruit gevormd, als het ware uit hen als uit de echte kleuren.


Het eenvoudige en algemene

Tot dit eenvoudige en algemene denk ik te moeten rekenen: de lichamelijke natuur in het algemeen en de uitgebreidheid ervan; tevens de gestalte van uitgebreide voorwerpen; tevens de kwantiteit ofwel hun omvang en aantal; tevens de plaats waar ze bestaan en de tijd die ze duren, en dergelijke.


Samengestelde zaken

Daarom concluderen wij hieruit misschien niet ten onrechte dat de natuurkunde, de sterrenkunde, de medische wetenschap en alle andere vakken die op de beschouwing van samengestelde zaken berusten, inderdaad twijfelachtig zijn, maar dat daarentegen de algebra en de meetkunde en dergelijke wetenschappen, die slechts handelen over de meest eenvoudige en algemene zaken berusten en zich er weinig aan gelegen laten liggen of die nu wel of niet in de natuur voorkomen, iets zekers en ontwijfelbaars bevatten. Want of ik nu waak of slaap, twee plus drie is vijf, en een vierkant heeft niet meer dan vier kanten; en het lijkt niet mogelijk dat zulke opvallende waarheden ooit van onwaarheid verdacht zullen worden.


Een bedriegende God

In mijn geest is echter de oude mening gegrift dat God, die alles kan, en door wie ik zoals ik ben geschapen ben, bestaat. Op grond waarvan weet ik echter dat hij er niet voor gezorgd heeft dat er helemaal geen aarde is, geen hemel, geen uitgebreidheid, geen gestalte, geen omvang, geen plaats, en dat al deze dingen slechts bestaan op de manier zoals ze zich aan mij voordoen? Sterker nog: net zoals ik oordeel dat anderen zich soms vergissen in wat ze heel precies menen te weten, zo kan ik ook dwalen, iedere keer als ik twee plus drie neem, of de kanten van een vierkant tel, of als er nog iets anders, gemakkelijkers kan worden bedacht? Maar misschien wilde God niet dat ik zo bedrogen zou worden, want hij wordt toch volmaakt goed genoemd. Maar als het met zijn goedheid in strijd zou zijn mij zo te hebben geschapen dat ik altijd dwaal, zou het toch even vreemd zijn dat ik soms dwaal. Toch kan dit laatste niet vreemd worden genoemd.


Een onmachtige God

Er kunnen misschien wel mensen zijn die liever zo’n machtige God willen ontkennen dan te moeten geloven dat al het andere onzeker is. Laten wij even niet tegen ze ingaan en aannemen dat alles wat God betreft een verzinsel is. Laten we even meegaan in hun veronderstelling, dat ik in de toestand waarin ik nu verkeer terecht gekomen ben door het noodlot of door het toeval of door een aaneengesloten reeks van gebeurtenissen of op nog andere wijze. Naarmate dan de veroorzaker van mijn ontstaan als minder machtig wordt voorgesteld, ligt het ook meer voor de hand dat ik zo onvolmaakt ben, dat ik altijd dwaal, omdat immers dwalen en fout zitten als onvolmaaktheid worden gezien. Op deze argumenten heb ik inderdaad niets te antwoorden, maar ik word we gedwongen te bekennen dat er van alles wat ik vroeger voor waar hield, niets is overgebleven waaraan niet getwijfeld kan worden. Dit is niet zo omdat ik onoplettend of lichtvaardig zou zijn, maar vanwege geldige en weloverwogen redenen. Daarom moet ik er voortaan nauwlettend voor zorgen evenmin akkoord te gaan met mijn vroegere waarheden als met wat kennelijk onwaar is, indien ik tenminste ooit iets zekers wil vinden.


Wantrouwen

Maar het is nog niet voldoende dit te hebben opgemerkt, ik moet ervoor zorgen me dit te blijven herinneren. Voortdurend immers duiken er traditionele meningen op die beslag leggen op mijn goedgelovigheid, die murw gemaakt is door een lange traditie en door de macht der gewoonte, ook zonder dat ik dat zou willen. Ik zal nooit afleren ermee akkoord te gaan en erop te vertrouwen, zolang ik ze nog houd voor wat ze inderdaad zijn: in bepaald opzicht wel twijfelachtig (zoals al is aangetoond), maar toch heel waarschijnlijk en van dien aard, dat er veel meer reden is ze te geloven dat ze te ontkennen. Om die reden handel ik mijns inziens niet verkeerd, als ik mijn wil helemaal in de omgekeerde richting stuur en mezelf voor de gek houd en een tijdje doe alsof die meningen totaal onwaar en gefantaseerd zijn. Dit doe ik zo lang totdat het zover is, dat geen enkele trage gewoonte mijn oordeel meer belet de dingen op een juiste manier waar te nemen, vanaf het moment dat er als het ware evenwicht gebracht is tussen mijn vooroordelen. Want ik weet dat er dan in die tussentijd geen enkel gevaar of dwaling kan optreden en dat ik me nooit te erg aan mijn wantrouwen kan overgeven, omdat ik immers nu niet bezig ben met handelen, maar alleen met het verkrijgen van kennis.


Een kwade geest

Ik ga dus nu van de veronderstelling uit dat het niet de algoede God is, de bron der waarheid, uiterst machtig en slim, die mij met alle macht probeert te bedriegen. Ik denk dan dat de hemel, de lucht, de aarde, kleuren, gestalten, geluiden, alles wat buiten mij is, niets anders zijn dan droomspelletjes, waarmee hij mij goedgelovigheid in de val lokt. Ik bekijk mijzelf dan alsof ik geen handen heb, geen ogen, geen vlees, geen bloed, geen enkel zintuig, en alsof ik ten onrechte meen dat ik dit alles wel heb. Ik blijf hardnekkig vastzitten in deze meditatie. Zo zal ik, als het dan inderdaad niet in mijn macht ligt iets waars te kennen, in elk geval in staat zijn om niet akkoord te gaan met wat onwaar is. Met vast gemoed zal ik er zorg voor dragen dat die bedrieger, hoe machtig hij ook is en hoe slim ook, mij niets ingeeft. Maar dit plan is heel moeilijk en een zekere traagheid doet me weer terugvallen in mijn gewone leven. Zoals een gevangen, die in zijn droom een gefantaseerde vrijheid genoot, bang is wakker te worden op het moment dat hij begint te vermoeden dat hij slaapt, en zo lang mogelijk aan die mooie illusies blijft vasthouden – zo val ik vanzelf weer terug in mijn oude meningen en ben ik bang wakker te worden, om te vermijden dat ik voortaan vastzit aan het moeizame werk van het wakker zijn na de rustige slaap, zonder dat ik enig licht zie, maar onderwijl wel in de onontwarbare duisternis van de reeds opgeroepen problemen verkeer.


Tweede meditatie (integraal):

Over de aard van de menselijke geest; dat deze beter te kennen is dan het lichaam


Draaikolk

In mijn meditatie van gisteren ben ik in zulke twijfels geraakt, dat ik ze niet meer kan vergeten en ook niet zie op welke manier ik ze moet oplossen. Ik ben zo in de war geraakt, dat het lijkt alsof ik onverhoeds in een diepe draaikolk ben gevallen, zodat ik op de bodem geen vaste voet krijg maar ook niet omhoog kan zwemmen. toch zal ik mijn best doen en opnieuw dezelfde weg proberen, die ik gisteren ingeslagen was, en daarbij alles weglaten wat maar de minste twijfel toelaat, en doen alsof ik dat als totaal onwaar had bevonden. Ik zal doorgaan tot ik iets zekers zal kennen, of in elk geval voor zeker kan houden dat er niets zekers is, dat ik niets anders kan vinden. Archimedes zocht alleen maar één vast en onbeweeglijk punt om van daaruit de complete aarde van zijn plaats te tillen. Er staan zeker grote dingen te wachten, als ik maar iets heel kleins kan vinden dat zeker en onwrikbaar is.


Niets zekers

Ik veronderstel dus even dat alles wat ik zie onwaar is; ik geloof ook dat er nooit iets bestaan heeft van de voorstellingen die mijn bedrieglijke geheugen me geeft. Ook heb ik geen zintuigen; lichaam, gestalte, uitgebreidheid, beweging en plaats zijn fantasieën. Wat kan er dan nog waar zijn? Misschien dit ene, dat er niets zekers bestaat.


Dubito ergo sum

Maar hoe weet ik nu dat er toch niet iets bestaat, dat anders is dan alles wat ik al bekeken heb? Iets, dat niet de minste aanleiding biedt om eraan te twijfelen? Bestaat er niet een God, of hoe ik die eventueel anders zou kunnen noemen, die mij die gedachten ingeeft? Waarom zou ik dat echter menen, want ik kan misschien ook zelf de schepper van die gedachten zijn? Maar ben ik dan zelf echt wel iets? Ik heb toch al ontkend dat ik enige zintuigen zou hebben en enig lichaam. Hier houd ik nog even aan vast, want wat volgt hieruit? Ben ik zo verbonden met mijn lichaam en met mijn zintuigen, dat ik die niet kan missen? Maar ik ben er al van overtuigd dat er in de wereld helemaal niets is, geen hemel, geen aarde, geen geesten, geen lichamen; dan ligt het ook voor de hand dat ook ik er niet ben? Neen, want ik was er zeker wel, als ik ergens van overtuigd was. Maar misschien is er een onbekende bedrieger, uiterst machtig en uiterst slim, die mij opzettelijk misleidt. Maar dan moet ik er zeker ook zijn, als hij me misleidt. En hij mag misleiden zoveel hij kan, hij zal nooit bereiken dat ik niets ben, zolang ik denk dat ik iets ben. Dus daarom moet ik, na alles uit en te na te hebben overdacht, vaststellen dat deze uitspraak: ik ben, ik besta, noodzakelijk waar is, iedere keer dat ik die zeg of in mijn geest denk.


Niets anders aannemen

Als ik nu noodzakelijk besta, weet ik toch nog niet voldoende wie ik dan eigenlijk ben. Vervolgens moet ik op mijn hoede zijn dat ik niet op een domme manier iets anders in plaats van dit ‘ik’ aanneem, en zo zelfs nog fout ga in de gedachte die naar mijn bewering het meest zeker en evident is van alle gedachten. Daarom wil ik nu opnieuw mediteren over wat ik altijd al geloofde dat ik was, voordat ik in deze overdenkingen verzeild raakte. Vervolgens zal ik daarop in mindering brengen wat door de aangevoerde argumenten ook maar in het minst is aangetast, zodat er op die manier precies overblijft wat zeker en onwrikbaar is.


Wat is een mens

Wat dan meende ik vroeger wat ik was? Een mens natuurlijk. Maar wat is een mens? Zal ik zeggen ‘een levend wezen met rede begaafd’? Neen, want dan moet ik daarna weer onderzoeken wat een ‘levend wezen’ is, en wat ‘met rede begaafd’. Zo raak ik van één probleem in meer en nog moeilijker problemen. Zoveel tijd heb ik al niet meer, dat ik die wil misbruiken door me met zulke subtiliteiten bezig te houden. Laat ik hier dan maar liever letten op wat vroeger op een spontane manier en met mijn eigen aard als gids aan mijn denken werd ingegeven, telkens als ik beschouwde wat ik was. In de eerste plaats had ik de ingeving dat ik een gezicht heb en handen en armen, dit hele samenstel van ledematen dat men ook aan een lijk ziet, en dat ik met de naam ‘lichaam’ aanduidde. Verder had ik de ingeving dat ik me voedde, liep, ervoer en dacht. Deze handelingen betrok ik op de ziel. Maar wat die ziel dan zou zijn, merkte ik of niet op, of ik stelde me die voor als iets ongekend kleins, zoals wind, vuur of lucht, in mijn steviger delen ingepompt. Ten aanzien van mijn lichaam aarzelde ik echter zeker niet, maar meende ik de aard daarvan duidelijk te kennen. Ik zou die als volgt willen uitleggen, als ik zou proberen te beschrijven hoe ik die in mijn geest opvatte: onder ‘lichaam’ versta ik alles wat door enige gestalte kan worden bepaald, wat zich op een plaats kan bevinden en wat zodanig ruimte kan innemen, dat het daarmee elk ander lichaam uitsluit; wat door tasten, zien, horen, proeven en ruiken kan worden waargenomen; wat op verschillende manieren kan worden bewogen, en dan niet door zichzelf, maar door een ander, door wie ook maar het eventueel wordt aangeraakt. Want ik oordeelde dat de kracht om zichzelf te bewegen, te ervaren en te denken, geenszins behoort tot de aard van het lichaam. Des te meer was ik verbaasd zulke eigenschappen toch in sommige lichamen aan te treffen.


Zolang ik denk

Maar wat nu, wanneer ik een oppermachtige en, als ik het zo mag zeggen, ook kwaadaardige bedrieger veronderstel, die zich alle moeite gaf om in alles zoveel hij kon mij te bedriegen? Kan ik dan nog stellen dat ik ook maar het geringste over heb van alles waarvan ik zoëven zei dat het tot het lichaam behoort? Ik let op, ik denk na, ik wik en weeg, maar ik krijg geen enkele ingeving; vergeefs doe ik moeite dit allemaal opnieuw te doen. Hoe staat het echter met alles, wat ik aan de ziel toeschreef? Me voeden of lopen? Als ik immers geen lichaam heb, is dat ook niets anders dan fantasie. Ervaren? Dat kan ik ook niet zonder lichaam, en heel veel meende ik in mijn dromen te ervaren, waarvan ik achteraf merkte dat ik het niet had ervaren. Denken? Hier vind ik het: het denken bestaat; dit is het enige dat niet van mij kan worden afgenomen. Ik ben, ik besta; dat is zeker. Maar hoelang? Natuurlijk zolang ik denk; want het zou wel eens kunnen dat ik plotseling helemaal ophoud te bestaan, als ik ermee ophoud enige gedachte te hebben. Nu neem ik niets aan dan wat noodzakelijk waar is; ik ben dus in strikte zin alleen maar een denkend ding dat wil zeggen een geest, een gemoed, een verstand of een rede, allemaal termen waarvan de betekenis me vroeger onbekend was. Ik ben dus een echt ding en ik besta echt. Maar wat voor soort ding ben ik dan? Ik zei het al: een denkend ding.


De geest terugtrekken

En wat nog verder? Ik ga me er een voorstelling van maken: ik ben niet zo’n samenraapsel van ledematen dat een menselijk lichaam wordt genoemd. Ik ben ook geen ijle lucht die in die ledematen wordt geblazen, geen wind, geen vuur, geen damp, geen adem, niets van wat ik me fantaseer, want daarvan veronderstel ik dat het eigenlijk niets was. Er blijft over wat geponeerd is: ondanks alles ben ik iets. Misschien kan het wel zo zijn dat alles waarvan ik veronderstel dat het niets is, omdat het me onbekend is, toch in werkelijkheid niets anders is dan het ik dat ik wel ken? Ik weet het niet, hierover kan ik nog niet discussiëren; ik kan slechts een oordeel vellen over wat me bekend is. Ik weet dat ik besta; ik zoek nu wie die ‘ik’ is, waarvan ik dit weet. Het is heel zeker dat de notie van dit zo strikt opgevatte ‘ik’ niet berust op alles waarvan ik nog niet weet dat het bestaat, dus niet van iets dat ik in mijn voorstelling fantaseer. Maar dit woord ‘fantaseren’ doet me denken aan mijn fout. Want ik fantaseer inderdaad, als ik me een voorstelling maak dat ik iets ben, want een voorstelling maken is gewoon hetzelfde als een gestalte of een beeld van een lichamelijk ding bekijken. Ik weet nu al wel zeker dat ik ben, maar tegelijk weet ik ook dat het mogelijk is dat al die beelden en in het algemeen alles, wat de aard van het lichaam betreft, pure dromen zijn. Als ik dit eenmaal heb gemerkt, lijkt het me net zo verkeerd om te zeggen: ‘ik maak me een voorstelling om duidelijker te weten wie ik ben’ als om te zeggen: ‘ik ben wel al wakker, en ik zie wel iets waars, maar omdat ik het nog niet voldoende evident zie, doe ik mijn best om weer in te slapen, omdat mijn dromen me er een echter en evidenter beeld van geven’. Zo zie ik nu in dat niets van alles, wat ik met behulp van mijn voorstelling kan vatten, de notie betreft die ik van mezelf heb, en dat ik mijn geest heel zorgvuldig daarvan moet terugtrekken, om te maken dat mijn geest zijn aard zo duidelijk mogelijk kan waarnemen.


Ik schijn toch te zien

Maar wat ben ik dan wel? Een denkend ding. Wat is dat? Dat is iets dat twijfelt, begrijpt, bevestigt, ontkent, wil en niet wil, en verder iets dat voorstellingen heeft en ervaart.
Dat is inderdaad niet gering, als dat allemaal mij betreft. Maar waarom zou het mij niet betreffen? Ben ik dan niet degene die al aan bijna alles twijfelt, die toch wel iets begrijpt, die dit ene als waar bevestigt en de rest ontkent, die meer wenst te weten en niet bedrogen wil worden, die ook ongewild vele voorstellingen maakt en veel opmerkt dat van de zintuigen afkomstig lijkt? Al zou ik altijd slapen en al zou degene die mij schiep, zoveel hij kan mij bedriegen, is dan dit alles toch niet even waar als dat ik besta? Wat daarvan kan van mijn denken worden onderscheiden? Van wat daarvan kan worden gezegd dat het van mijzelf gescheiden is? Want dat ik het ben die twijfelt, begrijpt, wil, is zo vanzelfsprekend, dat er niets meer nodig is om het nog evidenter te laten blijken. Ik ben inderdaad degene die de voorstellingen maakt; want ook al veronderstelde ik misschien dat geen enkele voorstelling echt werkelijk is, dan nog bestaat het voorstellingsvermogen zelf werkelijk, en maakt het deel uit van mijn denken. Tenslotte ben ik het die ervaart ofwel lichamelijke dingen opmerkt alsof ze door zintuigen worden aangeboden. Ik zie namelijk licht, ik hoor geluid, ik voel warmte. Dit is onwaar, want eigenlijk slaap ik. Hoe dan ook, ik schijn toch te zien, te horen en warm te worden. Dit schijnen kan niet onwaar zijn, want dat is nu juist wat in mij ‘ervaren’ wordt genoemd. Als we dit in zo strikte zin opvatten, is het ook niets anders dan denken.


Wonderlijk

Van hieruit begin ik dan toch wat beter te weten wie ik ben. Maar tot nu toe lijkt het toch – en ik kan niet nalaten dit te menen – dat ik de lichamelijke dingen, waarvan het denken beelden vormt en die door de zintuigen worden onderzocht, veel duidelijker leer kennen dan wat ook van mijzelf waarvan ik me geen voorstelling kan maken. Dit is wel heel wonderlijk, dat ik de dingen waarvan ik merk dat ze twijfelachtig en onbekend zijn en die op een afstand staan, duidelijker kan vatten dan alles wat waar en bekend is en wat ik zelf ben. Maar ik zie hoe dat komt: mijn geest houdt van afdwalen en streeft er nog niet naar binnen de grenzen van de waarheid te blijven. Dit mag wel even zo blijven; laten wij dan nog één keer de teugels helemaal laten vieren om dan even later de geest gemakkelijker te kunnen sturen, als wij de teugels op een goede manier aanhalen.


De was

Laten wij nu die dingen bekijken, waarvan de mensen gewoonlijk denken dat ze die het duidelijkst van alles vatten – dat zijn de lichamen die wij aanraken en die wij zien. Dat geldt niet voor lichamen in algemene zin, want zulke algemene waarnemingen zijn meestal heel wat onduidelijker, maar wel voor één in het bijzonder. Laten we bij voorbeeld dit stukje was nemen. Het is zojuist uit de bijenkorf gehaald; het is nog niet alle smaak van zijn honing kwijt; het heeft nog iets van de geur van de bloemen waaruit het verzameld is; zijn kleur, vorm en omvang zijn onmiskenbaar; het is hard, koud, gemakkelijk aan te raken, en als ik er met mijn vinger tegen tik, geeft het geluid; alles ten slotte is erop en eraan, wat vereist schijnt te zijn om te maken dat een lichaam zo duidelijk mogelijk kan worden gekend. Maar kijk, terwijl ik praat, houd ik het bij het vuur; het restje smaak lost op, de geur vervliegt, de kleur verandert, de vorm verdwijnt, de omvang neemt toe, het wordt vloeibaar, het wordt warm, het is nauwelijks aan te raken en ook geeft het geen geluid meer als ik er aan kom. Blijft het nu toch dezelfde was? We moeten wel toegeven dat dit het geval is; niemand ontkent dat, niemand dient er anders over. Wat werd er nu dan toch zo duidelijk in die was gevat? Zeker niets van wat ik er met mijn zintuigen van opnam; want alles wat eerst inwerkte op mijn smaak, mijn reuk, mijn gezicht, mijn tastzin en mijn gehoor, is intussen veranderd, maar de was blijft.


Niet een zien of aanraken of voorstellen

Misschien biedt de volgende gedachtegang uitkomst: die was is niet die zoetheid van honing, niet die geur van bloemen, niet die witheid, niet die vorm, niet dat geluid geweest, maar het lichaam, dat zich eerst op die manieren, en nu weer op andere manieren aan mij voordeed. Wat is dit lichaam dan nu precies, dat ik me zo voorstel? Laten wij goed opletten en zien wat er overblijft, nadat we verwijderd hebben wat geen betrekking op de was zelf heeft. Er blijft niets anders over dan iets dat uitgebreid is, buigbaar en beweegbaar. Wat wil dat buigbaar en beweegbaar nu zeggen? Betekent het dat ik me kan voorstellen dat de ronde vorm van dit stukje was kan veranderen in een vierkante en dan weer in een driehoekige? Geenszins, want ik begrijp dat het in staat is tot ontelbare van dergelijke veranderingen, maar ik kan in mijn voorstelling niet al die ontelbare veranderingen de revue laten passeren; mijn voorstellingsvermogen brengt me dus niet tot een volledig begrijpen. Wat is uitgebreid? Is ook niet de uitgebreidheid van de was onbekend? Want als de was smelt, wordt hij groter en als de was warm wordt nog groter en weer groter, als de warmte toeneemt. Ik zou geen goed oordeel over de was hebben, als ik niet zou menen dat de was meer schakeringen in uitgebreidheid kan aannemen dan ik ooit in mijn voorstelling kan omvatten. Er rest mij niets dan toe te geven dat ik me geen voorstelling van de was kan maken, maar die alleen met mijn geest kan waarnemen. Ik heb het nu over dit bijzondere geval, want met de was in het algemeen is het duidelijker. Maar wat is nu eigenlijk toch die was, die ik alleen maar met mijn geest waarneem? Toch wel dezelfde als die ik zie of aanraak of waar ik een voorstelling van maak of die ik uiteindelijk toch vanaf het begin al aanwezig achtte. Opmerkelijk is echter dat de waarneming ervan niet een zien of aanraken of voorstellen is of ooit geweest is, ook al leek het daar eerst wel op, maar slechts een geestelijk inzicht, dat ofwel onvolmaakt en duister kan zijn, zoals tevoren, ofwel helder en duidelijk, zoals nu, al naar gelang ik er minder of meer op let waaruit die was bestaat.


Bedrog

Ik verbaas me intussen hoezeer mijn geest geneigd is fouten te maken. Immers, hoewel ik zwijgend en in stilte bij mezelf zit te overwegen, hang ik toch aan woorden en word ik gewoonweg bedrogen door de manier van spreken. Want we zeggen dat wij de was zelf zien als die aanwezig is, en niet op grond van kleur of vorm. Daarom zou ik onmiddellijk kunnen concluderen dat wij de was toch met het zien door de ogen en niet met het geestelijk inzicht alleen kennen, ware het niet dat ik bij het kijken uit het raam uit een zelfde gewoonte zeg mensen te zien voorbijkomen, als ik nu zeg was te zien. Wat zie ik eigenlijk anders dan hoeden en kleren, waaronder automaten verstopt kunnen zitten? Maar ik oordeel dat het mensen zijn. Dus wat ik dacht met mijn ogen te zien, vatte ik alleen maar met mijn oordeelsvermogen, dat in mijn geest is.


Zonder kleren en naakt

Maar wie meer begeert te weten dan het volk, moet zich schamen, als hij op basis van uitdrukkingen die het volk bedenkt, twijfels zoekt. Laten wij doorgaan en opletten of ik de was volmaakter en evidenter waarnam toen ik er voor het eerst naar keek en toen ik geloofde die met mijn uitwendige zintuigen of zelfs met het gemeenschappelijk zintuig, zoals men dat noemt, dat wil zeggen met mijn voorstellende vermogen, te kennen? Of kan ik het nu beter, nu ik nauwkeurig heb onderzocht zowel wat de was is als hoe die wordt gekend? Terecht mag aan het laatste niet worden getwijfeld, want wat was er in de eerste waarneming duidelijk? Had niet evengoed het eerste het beste levende wezen die kunnen hebben? Maar als ik de was van zijn uiterlijke vormen onderscheid en bij wijze van spreken zonder kleren en naakt bekijk, kan ik die inderdaad niet zonder de menselijke geest waarnemen, ook al kon er nog wel een fout in mijn oordeel zitten.


Ik denk dat ik zie dus ik ben

Maar wat moet ik nu nog zeggen over die geest zelf, ofwel over mijzelf? Want ik veronderstel verder niets meer in mijzelf dan een geest. Ik vraag me nu af hoe het staat met dit ik, dat die was zo duidelijk schijnt waar te nemen. Is het niet zo, dat ik mezelf niet alleen veel echter en zekerder, maar ook veel duidelijker en evidenter ken? Als ik immers oordeel dat het stukje was bestaat op grond van het feit dat ik het zie, heeft dit een veel evidenter gevolg, en wel dat ik zelf ook besta, op grond van het feit dat ik het stukje was zie. Want het is mogelijk dat wat ik zie niet echt was is; het is ook nog mogelijk dat ik niet eens ogen heb om mee te kijken; maar het is zeker niet mogelijk dat ik kijk of denk te kijken (wat ik niet meer van elkaar onderscheid), en dan zelf, als een denkend ik, niet iets zou zijn. Op dezelfde manier ontstaat ook, indien ik op grond van het feit dat ik hem aanraak oordeel dat de was bestaat, weer hetzelfde gevolg, namelijk dat ik besta. Of op grond van het feit dat ik hem voorstel, of op grond van enige andere oorzaak – natuurlijk geldt ook dan weer hetzelfde. Maar wat ik over de was opmerk, kan ook toegepast worden op alle andere dingen die zich buiten mij bevinden. Als de waarneming van de was vervolgens helderder schijnt te zijn, nadat die mij niet alleen maar bekend geworden is op grond van zien of aanraken, maar op grond van meer oorzaken, des te helderder moet ik nu toch door mijzelf gekend worden! Er kunnen immers geen redenen zijn, die wel zouden kunnen helpen bij de waarneming van dat stukje was of van een ander willekeurig lichaam en alle niet nog beter de aard van mijn geest zouden kunnen aantonen. Maar er is bovendien nog zo veel anders in mijn geest op grond waarvan de notie ervan helderder kan worden gemaakt, dat het nauwelijks nodig is om alles wat uit het lichaam naar de geest overkomt op te sommen.


Zonneklaar

Maar kijk nu toch eens, hoe ik als vanzelf teruggekomen ben waar ik wilde zijn; mij is nu bekend dat juist de lichamen niet door de zintuigen of door het voorstellingsvermogen, maar alleen door het verstand worden waargenomen, en dan niet op grond van aanraken of zien, maar alleen op grond van begrijpen. Daarom weet ik nu zonneklaar dat er niets gemakkelijker en evidenter door mij kan worden waargenomen dan mijn geest. Maar omdat een oude mening, waaraan men gewend is, niet zo snel kan worden opgegeven, is het goed hier even te stoppen om die nieuwe kennis door een lange meditatie dieper in mijn geheugen te prenten.


Fragmenten uit de derde meditatie:


De sterren in mij

Ik heb evenwel veel aanvankelijk als geheel zeker en evident opgevat, waarvan ik later ontdekte dat het twijfelachtig was. Wat voor soort dingen waren dat dan? De aarde immers, en de hemel, de sterren en verder alles wat ik met de zintuigen gewaar werd. Maar wat heb ik daarvan nu helder waargenomen? Immers, dat ik de ideeën van dat soort dingen ofwel de gedachten ervan in mijn geest heb opgenomen. Maar zelfs nu is het niet verkeerd om te stellen dat deze ideeën in mij zijn. Het was evenwel iets anders, wat ik stelde en wat ik, vanwege de gewoonte om dit zo te geloven, helder meende waar te nemen, en wel iets wat ik inderdaad niet waarnam: namelijk, dat het dingen buiten mij zouden zijn, waar die ideeën uit voortkwamen en waar ze helemaal op leken. En dit was het waarin ik dwaalde, of wat niet uit de kracht van mijn waarneming voortkwam, gesteld al dat ik een waar oordeel had.


Ook dan

Hoe moet dit nu? Wanneer ik in de algebra of de meetkunde iets heel eenvoudigs en gemakkelijks bekeek, bij voorbeeld dat twee plus drie vijf is, of iets dergelijks, zag ik dat dan niet klaarblijkelijk genoeg in om te kunnen bevestigen dat het waar is? Inderdaad heb ik later geoordeeld dat er alleen maar om één reden die toen in mijn geest opkwam, aan getwijfeld kon worden, namelijk als er eventueel een God mij van zo’n aard kon hebben voorzien, dat ik juist in dingen wordt bedrogen die het meest evident lijken. Maar telkens als deze vooropgestelde mening ten aanzien van de hoogste macht van God bij mij bovenkomt, moet ik zeker toegeven dat het voor hem gemakkelijk is om, als hij dat zou willen, ervoor te zorgen dat ik ook dwaal in wat ik zo evident mogelijk met mijn geestesoog bekijk. Hoe vaak ik me echter ook op die dingen richt welke ik meen zeer helder waar te nemen, telkens word ik vanzelfsprekend door ze overtuigd, zodat ik spontaan in deze woorden losbarst: laat me maar bedriegen wie dat kan, nooit kan hij bewerken dat ik niets ben, zolang ik denk iets te zijn; evenmin dat later waar zou worden dat ik er nooit geweest ben, omdat nu waar is dat ik er ben; of dat twee plus drie meer of minder is dan vijf of iets dergelijks, waarin ik een duidelijke tegenspraak onderken. En zeker omdat ik geen enkele aanleiding heb te menen dat er een bedriegende God is, en ik zelfs tot op dit moment niet eens zeker weet of er wel een God is, is de reden om te twijfelen, die slechts op deze mening berust, heel zwak en, bij wijze van spreken, metafysisch. Maar om, zodra de gelegenheid zich voordoet, ook deze reden op te heffen, moet ik onderzoeken of er een God bestaat, en als hij bestaat, of hij dan een bedrieger kan zijn; want zolang dit onbekend blijft, kan ik mijns inziens over niets anders ooit enigermate zeker zijn.


Waar als voorstelling

Wat nu de ideeën betreft: als ze alleen op zichzelf worden bekeken, en als ik ze niet betrek op iets anders, kunnen ze niet onwaar zijn in eigenlijke zin. Of ik me nu een geit voorstel of een chimera, het is van allebei even waar dat ik me hen voorstel. Ook is in de wil zelf, of in de aandoeningen, geen onwaarheid te duchten; want ook al kan ik me iets slechts wensen of iets dat nergens bestaat, dan nog is het niet onwaar dat ik dat wens. En zo blijven er alleen de oordelen over waarin ik moet oppassen niet te dwalen. De voornaamste en meest voorkomende dwaling nu die daarin kan worden gevonden, bestaat erin dat ik zou oordelen dat de ideeën die in mij zijn, zouden lijken op of conform zijn aan de dingen die zich buiten bij bevinden. Het is inderdaad zo dat die ideeën mij nauwelijks enige stof tot dwaling zouden kunnen geven, als ik ze alleen maar zou bekijken als bepaalde denkwijzen.


Iets buiten mij?

Zo heb ik tot nu toe immers altijd gedacht dat de ideeën die ik in mijn droom heb in mij worden gevormd zonder enige steun van iets buiten mij. En ook al zouden ze ten slotte voortkomen uit dingen die van mij verschillen, dan volgt daaruit nog niet dat ze op die dingen lijken. Sterker nog, dikwijls heb ik mijns inziens in veel gevallen een groot onderscheid geconstateerd, bij voorbeeld wanneer ik twee verschillende ideeën van de zon bij mijzelf aantrof. Het ene idee is geheel ontleend aan de zintuigen, en zeer zeker onder te brengen bij wat naar mijn mening verworven ideeën zijn; door dat idee lijkt de zon me heel klein. Het andere idee is echter ontleend aan de argumenten van de sterrenkunde, dat wil zeggen voortgebracht uit bepaalde mij aangeboren noties, of op een andere manier van mij afkomstig. Dat is een idee waardoor de zon er zovele malen groter uitziet dan de aarde. Inderdaad kunnen deze twee ideeën niet beide gelijk zijn aan de zon, zoals deze buiten mij bestaat. De rede laat overtuigend zien dat juist dat idee het meest ongelijk is aan de zon, dat er zo direct mogelijk uit schijnt voort te komen.


Blinde impuls

Dit alles toonde voldoende aan dat ik tot nu toe niet op basis van een zeker oordeel, maar slechts op basis van een blinde impuls heb geloofd dat er dingen bestaan die van mij verschillen, en dat deze dingen de ideeën of beelden op mij af zenden door de zintuiglijke organen of door een willekeurig ander middel.


Niet-ding

De rest echter, zoals licht en kleuren, geluiden, smaken, warmte en kou, en ten slotte tasteigenschappen, wordt niet anders dan heel verward en duister door mij gedacht, zozeer dat ik niet weet of dat waar of onwaar is, en dus ook niet weet of de ideeën die ik daarvan heb wel of niet ideeën van dingen zijn. Want hoewel ik zoëven al had opgemerkt dat de eigenlijke, formele onwaarheid slechts in oordelen kan worden gevonden, is er inderdaad een andere, materiële onwaarheid in de ideeën, wanneer deze een niet-ding als ding voorstellen.

Zo zijn bij voorbeeld de ideeën die ik van warmte en kou heb zo weinig helder en duidelijk, dat ik daaruit niet te weten kan komen of kou slechts een gemis aan warmte is, of warmte een gemis aan kou, of dat ze beide een reële kwaliteit zijn, of geen van beide. En omdat alle ideeën uitsluitend ideeën van dingen kunnen zijn, en als kou niets anders dan gemis aan warmte is, wordt het idee dat die kou aan mij als iets reëels en positiefs voorstelt, terecht onwaar genoemd, en dit geldt ook voor de rest.


Fragmenten uit de zesde meditatie:


Geen enkele verwantschap

Ook meende ik niet zonder reden dat dit lichaam, dat ik met enig speciaal recht het mijne noemde, mij meer aanging dan al die andere lichamen: want ik kon er nooit van worden gescheiden, zoals dat wel het geval was met die andere lichamen. Alle behoeften en neigingen voelde ik in dit lichaam en betrokken op dit lichaam. Ten slotte merkte ik pijn en lustprikkeling in delen daarvan, en niet in andere delen die zich daarbuiten bevonden. Maar waarom uit een aan mij onbekend pijngevoel een droefheid in mijn geest volgt, en uit een zinneprikkeling een vreugde, of waarom een gerammel in mijn maag dat ik honger noem mij aanspoort eten te pakken, en een droge keel drinken, en zo ook de rest, daarvoor heb ik geen enkele andere reden dan dat ik dit zo van nature heb geleerd. Er is immers geen enkele verwantschap (voor zover ik kan begrijpen) tussen dat gerammel en de wil om eten te pakken, of tussen het gevoel van iets dat pijn meebrengt en de droefheid in mijn denken die uit dat gevoel ontstaat.


Wankelend vertrouwen

Later hebben echter veel ervaringen langzamerhand al het vertrouwen dat ik in de zintuigen had doen wankelen. Want torens die uit de verte rond leken te zijn, bleken van dichtbij soms vierkant en heel grote beelden die op de torenspitsen stonden, leken niet groot voor iemand die er van beneden naar keek. Ik betrapte me erop in ontelbare andere dergelijke gevallen in verband met dingen van de uitwendige zintuigen foutieve oordelen te vellen.


Fantoompijn

En niet alleen in verband met de uitwendige, maar ook met de inwendige; want wat kan er inwendiger zijn dan pijn? Zo hoorde ik eens van mensen, van wie een been of een arm was afgezet, dat zij nadien in het lichaamsdeel dat ze kwijt waren toch soms pijn meenden te voelen; in mijzelf lijkt het daarom ook helemaal niet zeker dat een lichaamsdeel echt zelf pijn doet, ook al voel ik er pijn in.


Een ander vermogen

Ik heb onlangs dan ook twee heel algemene gronden van twijfel aan de vorige toegevoegd. De eerste grond was: omdat ik nooit geloofd zou hebben dat ik in waaktoestand iets zou voelen dat ik niet ooi zou kunnen menen ook een keer in slaaptoestand te voelen; en omdat ik niet geloof dat wat ik in mijn slaap denkt te voelen, op mij afkomt van dingen die buiten mij aanwezig zijn, ontdekte ik niet waarom ik dat dan wel zou geloven ten aanzien van de dingen die ik wakend voel. De tweede grond was: omdat ik de bron van mijn ontstaan nog niet kende of minstens deed alsof ik deze niet kende, zag ik geen beletsel waarom ik niet van nature zo zou zijn ingesteld, dat ik ook verkeerd zou kiezen in zaken die me als het meest waar voorkwamen. En wat betreft de redenen, waarom ik mijzelf vroeger van de waarheid van de zintuiglijke dingen overtuigde, was het niet moeilijk daarop te reageren. Want omdat het leek alsof ik door de natuur tot veel zaken werd gedreven die de rede afwees, meende ik niet veel vertrouwen te mogen stellen in wat door de natuur wordt geleerd. En hoewel de zintuiglijke waarnemingen niet van mijn wil afhankelijk zijn, meende ik daarom nog niet te mogen concluderen dat ze uit dingen voortkwamen die van mij verschillen, omdat er in mij misschien een ander vermogen kan zijn dat deze dingen veroorzaakt, ook al ken ik dat vermogen nog niet.


De gewoonte niet weloverwogen te oordelen

Er zijn echter veel andere zaken die ik ogenschijnlijk van de natuur heb geleerd, doch in feite niet van haar heb gekregen, maar van de gewoonte om niet weloverwogen te oordelen; daarom kunnen die gemakkelijk onwaar zijn: bij voorbeeld dat elke ruimte leeg zou zijn, waarin zich helemaal niets voordoet dat mijn zintuigen prikkelt; of dat bij voorbeeld in een warm lichaam iets zou zitten dat heel erg lijkt op het idee van warmte dat in mij is, en in een wit of groen lichaam diezelfde witheid of groenheid die ik ervaar, in een bitter of zoet diezelfde smaak en de rest net zo; of dat sterren en torens en andere ver verwijderde lichamen die omvang en gestalte hebben, zoals de zintuigen mij laten zien, en andere soortgelijke zaken.


Duistere aanwijzingen

Hoewel zo een sterk niet meer werking heeft op mijn oog dan het vuur van een heel kleine fakkel, is er in mijn oog geen reële of positieve neiging te geloven dat die ster niet toch groter is, maar zonder reden heb ik dit van kindsbeen af zo geoordeeld. Hoewel ik warmte voel als ik dichtbij een vuur kom en als ik al te dichtbij kom ook pijn, is er inderdaad geen reden die me ervan overtuigd dat er in het vuur iets zit van die warmte of ook van die pijn, maar wel dat er hooguit iets in zit, wat het ook moge zijn, dat in ons die gevoelens van warmte of pijn veroorzaakt. Hoewel er ook in een ruimte niets kan zijn dat een zintuig prikkelt, volgt daar nog niet uit dat er geen lichaam in is. Maar ik zie dat ik in dit geval en in heel veel andere gevallen gewend ben de orde van de natuur om te keren. De zintuiglijke waarnemingen, die door de natuur slechts gegeven zijn om mijn geest erop te wijzen welke daarvan prettig of onprettig zijn voor het samenstel waarvan de geest deel uitmaakt, en voor dat doel ook helder en duidelijk genoeg zijn, – die gebruik ik alsof het zekere regels waren waarmee wij onmiddellijk kunnen onderscheiden wat van de lichamen buiten ons, waarvan ze slechts heel duistere en vage aanwijzingen geven, het wezen is.


Diezelfde pijn

Wanneer er in de voet aan wordt getrokken, worden ook de inwendige delen van de hersenen, die de voetzenuwen betreffen, aangetrokken en ze wekken daarin een beweging op die door de natuur zo is ingesteld, dat de geest met een pijngevoel wordt beïnvloed alsof dit in de voet zit. Maar omdat die zenuwen door been, dij, lendenen, rug en nek moeten gaan om van de voet bij de hersenen te komen, is het mogelijk dat er een beweging in de hersenen ontstaat die helemaal dezelfde is als de beweging die opgeroepen is door een geblesseerde voet, waardoor de geest noodzakelijkerwijs diezelfde pijn voelt, hoewel het deel van de zenuwen in de voet niet wordt geraakt, doch slechts één van de tussenliggende delen. Dit moet net zo worden bedacht van welk ander gevoel.


Objecties van Hobbes:


Ik ben wandeling

Ik ben een denkend ding; juist. Immers, uit het feit dat ik denk of een voorstelling heb, hetzij wakend, hetzij slapend, kan worden afgeleid dat ik denkend ben; immers ik denk en ik ben denkend betekenen hetzelfde. Uit het feit dat ik denkend ben, volgt ik ben, omdat datgene wat denkt niet niets is. Maar waar er aan toegevoegd wordt: dat wil zeggen een geest, een gemoed, een verstand of een rede, ontstaat de twijfel. Want het lijkt me geen juiste argumentatie te zeggen: ik ben denkend, dus ik ben denken; evenmin ik ben aan ’t verstaan, dus ik ben verstand. Want op dezelfde manier zou ik kunnen zeggen ik ben aan ’t wandelen dus ik ben wandeling. (pagina 116)


Een eindeloze vraag

Het is heel zeker dat de notie van deze propositie ik besta afhankelijk is van de notie ik denk, zoals hij ons terecht vertelde. Maar waar hebben wij die weer vandaan: ik denk? …Er kan niet worden afgeleid dat ik denk door weer een ander denken; hoewel iemand wel kan denken dat hij gedacht heeft (welk denken niets anders is dan een herinnering), is het totaal onmogelijk om te denken dat men denkt, evenmin om te weten dat men weet. Dat zou immers een eindeloze vraag opleveren: hoe weet u dat u weet dat u weet dat u weet?


Objectie van Bourdin:


Helemaal vergeten

Waar ik van al het oude afstand heb gedaan, zegt u, begin ik zo te filosoferen: ik ben, ik denk; ik ben, terwijl ik denk. Deze uitspraak ‘ik besta’ is noodzakelijk waar, iedere keer dat ik die zeg of in mijn geest denk. Uitstekend, voortreffelijke man! U bevindt zich op het archimedische punt: u kunt de wereld ongetwijfeld bewegen als dat u bevalt; kijk, alles buigt zich al. U wilt, denk ik, alles heel letterlijk opvatten, zodat alles in uw methode op zijn plaats is, in samenhang en noodzakelijk. De vraag is echter waarom u de geest vermeldt, als u zegt ‘in mijn geest denk’. Had u dan niet lichaam en geest weggestuurd? Misschien zegt u dit hier per ongeluk. Het is heel moeilijk, ook voor deskundigen, om helemaal te vergeten waaraan zij van kindsbeen af gewend zijn, zodat er voor mij beginneling nog hoop is als ik misschien de plank missla.


uit Twijfelen in de schaduw van de wetenschap door Theo Verbeek in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:


Systematische twijfel

De twijfel is [bij Descartes] niet een ongeluk dat ons overkomt, maar een instrument dat we bewust hanteren. De twijfel is evenmin de toestand van evenwicht die ontstaat bij twee even sterke maar tegengestelde argumenten, maar de krachtige ontkenning van alles wat we tot dusverre voor waar hadden gehouden. (61)


Niets zomaar aannemen

Omdat ‘de zintuigen ons soms bedriegen’ neemt Descartes aan dat niets is ‘zoals het door onze zintuigen wordt voorgesteld.’ Omdat het mogelijk is dat wij ons soms vergissen, moeten wij aannemen dat ‘alle redeneringen die vroeger als geldige bewijzen beschouwd werden’ voortaan onwaar zijn. En omdat wij in de droom het object van de droom als even reëel ervaren als de werkelijk bestaande wereld, is het wijs om vooralsnog de wereld die we waarnemen als we denken dat we waken, als niet-bestaand te beschouwen. (61)


Malin génie

Nadenkend over Gods almacht, realiseert [Descartes] zich met ontzetting dat deze het mogelijk maakt, dat er, ondanks het feit dat we van het tegendeel overtuigd zijn, ‘geen aarde is, geen hemel, geen uitgebreid lichaam’. In elk geval staat God toe dat wij ons soms vergissen, zodat het, volgens een logica die ook al fataal was voor de zintuigen, voorzichtig is om aan te nemen dat Hij ons altijd bedriegt. (60)


Waan

Het zou dus het geval kunnen zijn dat we, zelfs als we alles doen om ons tegen vergissingen te behoeden, niet alleen de waarheid niet kunnen vinden, maar zelfs, hoewel we haar niet gevonden hebben, in de waan zijn dat we haar bezitten. (61)


Ik denk nu dus ik ben nu

Volgens de Meditaties is het Cogito [ergo sum], de zekerheid van het eigen bestaan als denkend wezen, de eerste waarheid die op de twijfel veroverd wordt. Maar het Cogito is slechts waar – en zeker – zolang ik er daadwerkelijk aan denk […] (63)


Evidentiecriterium zelf niet evident

In een scherpzinnig betoog stelde Pierre Gassendie (1592-1655) bijvoorbeeld, dat het door Descartes voorgestelde criterium, volgens hetwelk waar is ‘wat wij helder en welonderscheiden waarnemen’, ontoereikend is zolang we niet een duidelijke regel hebben op basis waarvan ‘we ook weten dát we iets helder en welonderscheiden waarnemen’. (63)


Het schijnt mij toe

Volgens Martinus Schoock [ had Descartes] moeten redeneren: ‘Het schijnt mij toe dat ik denk, dus lijkt het mij dat ik besta.’ Zolang het slechts lijkt alsof ik de acten produceer van ‘denken’, ‘willen’ etc, kan ik niet met zekerheid zeggen dat wat denkt, ook werkelijk behoort bij een ik, laat staan dat ik een ‘denkend iets’ ben, een ‘geest’ of een ‘ziel’. Evenmin als Gassendi geloofde Schoock in de bruikbaarheid van het evidentiecriterium. Volgens hem zijn een onware gedachte, een droom, een zinsbegoocheling, even ‘helder’ als een wetenschappelijke waarheid. (64)


uit Echte filosofie, Th.C.W. Oudemans 2007:


Naakt

Baillet beschrijft hoe Descartes de eenzaamheid opzocht, aanvankelijk om over te gaan tot een alomvattende destructie.
Deze betrof allereerst hemzelf. Hij moest zich losmaken van zijn eigen vooroordelen. Je huis in brand steken is gemakkelijker. Descartes leed alsof hij afscheid moest nemen van zichzelf. Zijn geest werd geheel naakt. (277)