Doodgaan en niet-weten

‘Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel?’ Dyspeptische dwaalteksten over ziek zijn, doodgaan en vergankelijkheid.

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van de dood, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

Generale

het
hart
stopt
even
vaak
als
het
klopt

Dolende zielen

Eerste deel van een drieluik over dementie en niet weten.

Vlak voor haar dood zei mijn eenentachtigjarige moeder tegen me: ‘Wil je geloven dat ik geen idee heb hoe ik hier gekomen ben?’
En mijn even oude vader: ‘Ik ben helemaal kapotgeschoten. Begrijp je wat ik bedoel? Ik sta de hele dag versteld.’
Ik zei: ‘Ik begrijp precies wat je bedoelt.’

Afgelopen donderdag, 26 april 2012, is mijn vader gecremeerd.
Antonius Jozef van Dam, roepnaam Ton.
Geboren op 6 september 1929, gestorven op 21 april 2012 om twee uur ’s nachts.
Graag wil ik je iets vertellen over zijn laatste jaren, waarin hij alles kwijtraakte: zijn verstand, zijn zelfbeschikkingsrecht, zijn vrouw, zijn geheugen en daarmee zijn vrienden, zijn familie, zijn kennissen en van lieverlee zijn hele verleden, zijn huis, zijn spulletjes, zijn zelfredzaamheid, zijn gezondheid, zijn eetlust, en ten slotte zijn leven.

Zijn vrouw raakte hij niet eenmaal kwijt maar vele malen.
Eerst aan hun dementie à deux, toen ze van de ene op de andere dag ophielden echtgenoten te zijn.
Mijn moeder werd zijn ‘nieuwe vriendin’, die hij ‘ongeveer drie weken geleden had ontmoet’ – ‘ja, waar eigenlijk, Miep, weet jij het nog?’ – en die nu bij hem ‘ingetrokken was’.
Waar mijn moeder daarvoor had gewoond wist ze niet meer: ‘Gek hè?’
Ik: ‘Schalkwijk?’
Miep: ‘Daar heb ik weleens van gehoord, ja.’
Ton: ‘Hoe weet jij dat nou? Dat wist ik nog niet eens.’
Het klikte wonderwel tussen de tortelduifjes, ‘alsof we elkaar al jaren kennen.’
Ze zaten voor het eerst sinds lange tijd weer naast elkaar op de bank, dicht tegen elkaar aan, Ton iets dichter bij Miep dan zij bij hem.
Content waren ze ook met hun ‘vakantiewoning’, het hoekhuis waar ze volgens mij al sinds 1965 woonden.
Hoe ze wisten dat het een vakantiewoning was?
Doordat de zolder, de schuur, de garage en een paar kasten afgesloten waren.
‘Daar bewaart de eigenaar natuurlijk zijn eigen spulletjes’.
Sleutels waren er nog genoeg, aan haakjes, in zakken, zakjes, potjes en blikjes, maar het verband met de sloten was verbroken.
De wijk waarin hun vakantiewoning stond, beviel best: ‘Lekker weinig Duitsers’.

Ook dit feest mocht niet duren.
Ton en Miep deden nog steeds samen boodschappen, maar hun voorraad boterhamzakjes, groene thee, aspirientjes en pepermuntjes werd wel heel groot.
Regelmatig bleek de supermarkt gesloten, ‘zonder enige reden’, ‘schandalig’, want zon- en feestdagen bestonden voor hen niet meer.
Waar ik vroeger nog weleens een bankbiljet toegestopt kreeg, trakteerde mijn vader mij nu op muntjes, handenvol, gloeiend van trots.
Metaal was nog altijd geld voor de man die een halve eeuw munten had verzameld.
Betalen deden ze alleen nog maar met hun hele portemonnee.
Zo’n koffiepad, waar moest die nou ook alweer in, en waarom is onze koffie nooit meer warm?
Telefoneren was ook niet meer wat het geweest was, vonden ze.
Je moest maar afwachten wie je aan de lijn kreeg tegenwoordig.
Aan welke kant van de hoorn moest je ook alweer spreken?
Toen ik de volgende week weer op visite ging, was de telefoondraad doorgeknipt.
‘O, is dat een telefoondraad?’
Even later: ‘Wie zou dat nou gedaan hebben?’
Opgewekt: ‘Maar de telefoon doet het nog gewoon, hoor.’
De huisarts was ineens verhuisd, meenden ze, het tuindorp waar hij praktijk hield was onherkenbaar veranderd, maar het was een mooie wandeling geweest en alles ging gelukkig naar wens.
Of ze nog genoeg medicijnen hadden, vroeg ik.
‘Waarvoor?’
‘Hoge bloeddruk.’
‘Wie?’
‘Hoge oogboldruk, diabetes, botontkalking.’
‘Wat?’
‘Bloedverdunners vanwege je TIA’s.’
‘Nee hoor, daar hebben wij allemaal geen last van.’
‘Niet?’
‘Stel je voor!’
Zelfs hun gebreken raakten ze kwijt.

Nadat de zomertijd was ingegaan liepen alle klokken en horloges ongelijk.
Vooral de kleine wijzers.
Sommige toonden de tijd op de Azoren, andere die van Greenwich, Amsterdam, Israël of Moskou.
Op de kalender bevroor de tijd: nooit zou er meer een einde komen aan de maand maart.
Mijn moeder werd op de vreemdste plaatsen aangetroffen, in de poort achter het huis, op blote voeten, beha over haar trui, cups op haar rug, helemaal in paniek; of in winkelcentrum Overvecht waar ze wildvreemden trakteerde op verwarde verhalen, en als een soort Ausweis haar portemonnee aanbood.
Ze werd bang voor mijn vader, die ze niet meer herkende, ook niet als haar nieuwe vriend.
Ze schreeuwde tegen hem, sloeg naar hem, sloeg met de deuren, poepte op het tapijt en werd ten slotte opgenomen in een psychiatrische inrichting voor crisisopvang.
Haldol en oxazepam maakten haar weer dociel.
Een maand later werd ze overgeplaatst naar de gesloten afdeling van verzorgingstehuis Tamarinde in Utrecht.
Weer een maand later trok mijn vader bij haar in met zijn eigen BOPZ Artikel 60-indicatie (dwangverpleging) en hielden ze weer zielsveel van elkaar.

Korte tijd later raakte mijn vader zijn vrouw opnieuw kwijt.
Ditmaal aan Magere Hein.
Peilloos was zijn verdriet.
Maar niet voor lang.
Tot zijn onuitsprekelijke geluk vond hij zijn liefste Miepje terug in een ziekbed in de huiskamer van zijn eigen afdeling.
Hoe het kon, vroeg hij zich niet af, zijn liefde stroomde weer.
Inderdaad leek deze medepatiënte best wat op zijn vrouw, mijn moeder.
Ze had ook grijs haar.
Ze was ook helemaal geel.
Een slechtere keuze was nauwelijks denkbaar.
Binnen een week gaf ze de geest en verloor Tonneman zijn geliefde opnieuw.
Twee keer sterven kan best.
Huilen, huilen, huilen.

Intussen vrat meneer Alzheimer of mevrouw Diabetes of wie er ook aan zijn hersenen knaagde(n), vrolijk verder, en wist mijn vader steeds minder van welke Miep hij nou eigenlijk zo vol was.
Ze kwam en ging, kwam in een andere gedaante weer terug, en ging.
‘Miep, Miep… ja, dat is mijn zus, daar heb ik… een hele speciale band mee… geloof ik…’
Zo bleef hij haar maar kwijtraken.

De laatste maanden van zijn leven verloor Ton ook zijn eetlust.
De smulpaap van weleer had geen trek meer.
Brood werd pap.
Pap werd appelmoes.
Appelmoes werd water.
Water werd bloedpoep.
Langzaam teerde hij weg.
Een onvrijwillige hongerstaking.
Vroeger dacht je dan aan Auschwitz, tegenwoordig aan Aids, ALS of Anorexia.
Of aan Alzheimer.
Als het maar met een A begint.
Of was het toch darmkanker?

De laatste maand kon hij niet meer staan.
De laatste week kon hij niet meer zitten.
De laatste dagen kon hij niets meer zeggen.
De laatste uren kon hij zijn ogen niet meer open doen.
Hij kon zijn ogen niet meer dicht doen.
Hij kon alleen nog maar ademen.
Hij kón niet meer.

Op vrijdagavond 20 april hebben we nog een hele tijd bij en aan hem gezeten.
Op zijn onderbenen en onderarmen bloeiden lijkvlekken op.
Zijn neus werd spits en wit.
Zijn handen namen de omgevingstemperatuur aan.
Zijn vingertoppen werden blauw, roze en weer blauw.
Hij hijgde als een pakpaard.
Zijn schedel met het zachte donshaar van een baby voelde merkwaardig koud en droog aan.
Zijn armen bleven maar werken.
Deken omhoog, deken omlaag, het liefst tegelijk, in een laatste, onbewuste poging van het lichaam om zijn temperatuur weer op orde te krijgen?
Keer op keer sloeg hij, of het, met grootse gebaren zijn houten klauwen in zijn gezicht, in een vergeefse poging om in z’n uitdrogende ogen te wrijven.
Of was het de hartenkreet van een stervende?
Ik dacht van niet.
Ik wist het niet.

Afscheid nemen ging niet meer.
Paarsgewijs dropen we af.
In afwezigheid van zijn naasten, en misschien ook in afwezigheid van zichzelf, blies hij in het holst van de nacht zijn laatste adem uit.
Of hield hij zijn laatste adem in?

Zucht.

Dit drieluik is samengesteld uit brieven aan vrienden en familieleden rond de tijd van het overlijden in de lente van 2012.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Weet jij waar ik woon?

Tweede deel van een drieluik over dementie en niet weten.

Nu zijn brein haperde en zijn leugenfabriek overuren draaide voelde ik me dichter bij hem dan ooit. Waarom?

Sinds ik de jaren des onderscheids bereikte, heb ik nooit méér van mijn ouders gehouden dan in de laatste vijf jaar, en in die vijf nooit méér dan in hun laatste.
De oude geschillen en verschillen waren vergeten, niemand deed zich nog groter voor dan hij was en wie het toch nog eens probeerde faalde hopeloos.
Vooral de wekelijkse ontmoetingen met mijn vader vond ik fijn.
Nu zijn brein haperde en zijn leugenfabriek overuren draaide voelde ik me dichter bij hem dan ooit.
Waarom?

Waar vroeger zijn weten qua stelligheid dat van zijn bronnen nog overtrof – Het Beste, HP/De Tijd, Elseviers Magazine, De Telegraaf, Utrechts Nieuwsblad, Brandpunt, Een Groot Uur U, Zembla – en zelfs zijn onwetendheid nog het karakter had van een wereldbeschouwing (‘het is nooit één ding hè, het is altijd een complex van factoren’), en sowieso alles wat hij beweerde of ontkende schuilging in een zee van bijzinnen zoals deze waarin hij niet zelden zelf de draad kwijtraakte, struikelde hij als demente bejaarde al in de eerste de beste – hoofdzin of bijzin, dat viel ook al niet meer uit te maken.

Ton: Het leven is… Het leven is… hè, wat is het leven nou ook alweer.
Hans: Weet je het niet meer?
Ton: Wat niet meer?
Hans: Wat het leven is.
Ton: Hè?
Hans: Je zei ‘Het leven is… het leven is…’
Ton: Waar heb je het over?
Hans: Ja, als ik dat eens wist.
Ton: Ja, wat dan.

Ton: Het leven is… Het leven is…
Hans: Nou?
Ton: Ik snap er allemaal niks meer van.
Hans: Nee.
Ton: Snap jij het?
Hans: Vroeger dacht ik van wel.
Ton: Ik ook!
Hans: Maar nu?
Ton: Wát nu?
Hans: Ja, wat nú.
Ton: Ik zou het ook niet weten.
We schieten in de lach.
Ton: Stom hè?
Hans: Zeg dat wel.
Ton: Wat eigenlijk?
Hans: Ja, wat eigenlijk.
Ton: Waar hebben we het over?
Hans: Ik wou het net aan jou vragen.
Schaterlach.

Ton: Ik weet de weg niet meer.
Hans: Ik ook niet.
Ton: Hè?
Hans: Wat?
Ton: Jij ook niet?
Hans: Moet je ergens heen dan?
Ton: Naar huis.
Hans: O.
Ton: Weet jij waar ik woon?
Hans: Waar niet.
Ton: Hè?
Hans: Waar je bent?
Ton: Waar?
Hans: Hier?
Ton: Echt waar?
Hans: Waar wou je anders heen?
Ton: Daar vraag je me wat.
Hans: Hoef je ook de weg niet te weten.
Ton: Handig.
Hans: Nog een kopje koffie?
Ton: Ik heb geen geld bij me.
Hans: Voor bewoners is het gratis.
Ton: En ik dan?

En zo ging het maar door dat laatste jaar.
Het ene dwaalgesprek na het andere.

Dit drieluik is samengesteld uit brieven aan vrienden en familieleden rond de tijd van het overlijden.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

De betovering van de eensluidendheid

Derde en laatste deel van een drieluik over dementie en niet weten.

Dus hoefden we onze tijd niet zoals vroeger te verdoen met de heilige opdracht onze gedachten op elkaar af te stemmen om, door de betovering van de eensluidendheid, de illusie van een bestendige, objectieve, coherente, intelligibele en beheersbare wereld in stand te houden.

Wat mij achteraf misschien wel het meest verbaasd heeft aan mijn reactie op mijn vader’s dementie is dat ik geen moment de behoefte voelde om zijn wereld voor hem te ordenen.
Mij maakte het niet uit dat zijn werkelijkheid van zin tot zin veranderde.
Woonde hij zelfstandig dan woonde hij zelfstandig.
Woonde hij een zin later in een bejaardentehuis dan woonde hij in een bejaardentehuis.
Woonde hij een zin later in bij mijn broer dan woonde hij in bij zijn zoon.
Woonde hij een zin later bij pa en moe dan was hij kind van zijn ouders.

Mij maakte het niet uit dat mijn vader geen idee had wie hij was, of wie ik was – of eigenlijk het ene idee na het andere.
Was ik zijn kind, dan was ik zijn kind.
Was ik een zin later zijn jongste broer dan was ik zijn jongste broer.
Was ik een zin later zijn collega dan was ik zijn collega.
Was ik een zin later zijn vriend dan was ik zijn vriend.
Allemaal goed.
Als het erop aankwam had ik zelf immers ook geen idee wie en wat en of hij was, en wie en wat en of ik was.
Had ik niet en heb ik niet.
En ook niet waar ik eigenlijk ben, wat thuis is en wat uit, wat eigen is en wat vreemd, wat ik hier doe en hoe ik hier gekomen ben en hoe het nou verder moet.

Als je zozeer bij de gedachte leeft als ik dan ben je door en door bekend met de schimmigheid van ‘je’ of ‘de’ ‘werkelijkheid’.
Daardoor besef je dat de overeenkomsten tussen een niet-demente geest en een demente veel groter zijn dan je op het eerste gezicht zou denken.
Die vluchtigheid.
Zap, zap, zap.
Van het ene fragment naar het andere.
Van de ene hypothese naar de andere.
Van het ene verleden naar het andere.
Van de ene dagdroom naar de andere.
Van het ene verhaal naar het andere.
Van de ene identiteit naar de andere.
Van het ene gevoel naar het andere.
Van het ene verlangen naar het andere.
Van de ene betekenis naar de andere.
Van de ene zin naar de andere.
Zap, zap, zap.
De hele dag door.
Alle bestendigheid is schijn.
Een blinde vlek van de eenzijdig naar buiten gerichte geest.
Of is dat ook maar schijn?
Zap.

Omdat ik als het erop aankomt geen idee heb hoe de wereld in elkaar steekt, had ik niet de behoefte, zoals de meeste normale mensen wel, om mijn verwarde vadertje uit te leggen hoe het allemaal zat.
Om hem er voor de duur van mijn bezoek bij te halen en bij te houden.
Wáárbij dan wel?
Bij wélke wereld?
Van wie?
Waarom?
Voor hoelang?
Ik kan mezelf er niet eens bij houden.
Ik wenste niet als vertegenwoordiger van het gezonde verstand op te treden, of van welk verstand of onverstand dan ook.
Dus konden we zomaar wat kletsen en hoefden we onze tijd niet zoals vroeger te verdoen met de heilige opdracht onze gedachten op elkaar af te stemmen om door de betovering van de eensluidendheid de illusie van een bestendige, objectieve, coherente, intelligibele en beheersbare wereld in stand te houden.
Praten met mijn vader is (in dit opzicht) nooit makkelijker geweest.
Bij gebrek aan een agenda hadden we de grootste pret.

Dit drieluik is samengesteld uit brieven aan vrienden en familieleden rond de tijd van het overlijden.

Deze teksten zijn ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Woekergedachten

Ik heb nooit kanker gehad.
Niet dat ik weet tenminste.
Ik waan mij kankervrij.
Maar ik weet niet, ik kan niet weten, of ik het niet allang meedraag.
Een traag groeiende brughoekkanker misschien of een ingekapselde longkanker of een snelgroeiende prostaatkanker die pas twee weken geleden op hol is geslagen.

Als er straks inderdaad kanker bij mij wordt vastgesteld, zal ik niet weten of de diagnose klopt.
Misschien is er wel iets anders aan de hand.
Een cyste.
Een aneurysma dat dezelfde röntgenschaduw werpt als een vaatgezwel.
Misschien camoufleert een relatief ongevaarlijke kanker wel een veel gevaarlijker systeemziekte.
Misschien ben ik zo gezond als een vis en heeft de arts mijn dossier verwisselt met dat van een andere patiënt.

Als ik vervolgens genees weet ik niet of het door de behandeling komt of dat er sprake is van een spontane remissie, als ik al ziek was.
Misschien voorkomt de behandeling wel een spontane remissie.
Ook weet ik niet of de behandeling van het ene type kanker op termijn niet een ander type kanker in mij voortbrengt, bijvoorbeeld een stralingsgezwel of hormoonkanker.

Als ik na vijf jaar definitief genezen wordt verklaard, weet ik niet of ik werkelijk genezen ben.
Een arts kan wel zoveel zeggen.
Wie weet welke uitzaaiingen onopgemerkt zijn gebleven.
Misschien heeft de radioloog verzuimd naar mijn röntgenfoto’s te kijken.
Misschien heeft hij mijn foto’s verwisseld met die van een andere patiënt.
Bovendien kan de kanker, de oude of een nieuwe van hetzelfde type of van een heel ander type, ieder moment weer toeslaan.

Mocht ik ondanks alles werkelijk genezen zijn en nooit meer kanker krijgen, dan weet ik niet wat voor andere verrassingen het leven of de dood desondanks of juist daardoor voor mij in petto heeft.
Ook niet wat ik aan waardevolle ervaringen heb moeten missen doordat ik niet chronisch of terminaal ziek ben geworden.

Kanker.
Je weet nooit of je het hebt.
Je weet nooit wat het teweegbrengt.
Je weet nooit hoe je ermee om moet gaan.
Je weet nooit of je er vanaf bent.
Je weet nooit wat je ervan moet vinden.

Je weet maar nooit.

Naschrift
In de zomer van 2012, een paar jaar nadat ik bovenstaande tekst had geschreven, werden op een röntgenfoto naar aanleiding van algehele malaise en een een recidiverende longontsteking verdachte schaduwen geconstateerd in het hylum van mijn linkerlong.
Gezien de slechte prognose van longkanker heb ik, tegen het uitdrukkelijke advies van mijn huisarts en oncoloog in, afgezien van verder onderzoek.
Sindsdien leef ik in geleende tijd.
Maar ach.
Dat deed ik toch al.

Wordt vervolgd.
(Of niet natuurlijk.)

Naschrift 2
Iemand wees mij erop dat verder onderzoek toch ook had kunnen uitwijzen dat mijn longen gezond zijn.
Dat klopt niet want hele kleine longtumoren kunnen met geen enkele methode zichtbaar gemaakt worden.
Verder onderzoek had dus hooguit kunnen uitwijzen dat met de gebruikte methode geen tumoren aangetoond konden worden.
Om over mijn andere organen en de rest van mijn lichaam nog maar te zwijgen.
Dus leef ik nog steeds in geleende tijd.
Maar ach.
Dat deed ik toch al.

Wordt vervolgd.
(Of niet natuurlijk.)

Naschrift 3
Iemand wees mij erop dat verder onderzoek een andere (long)ziekte aan het licht had kunnen brengen, die wel goed behandelbaar is.
Dat klopt.
De onderzoeken die ik heb geweigerd dienden alleen ter bevestiging van de diagnose longkanker.
Een uitgebreid bloedonderzoek heeft niets opgeleverd.
Dus leef ik nog steeds in geleende tijd.
Maar ach…

Naschrift 4
Iemand wees mij erop dat ik een hypochonder ben, iemand die altijd denkt dat hij iets ergs onder de leden heeft.
Zij heeft in zoverre gelijk dat ik mij nooit gezond waan.
Ze heeft in zoverre ongelijk dat ik mij ook niet ziek waan.
Ook niet ziek én gezond.
Ook niet ziek noch gezond.
Ik denk niet meer in dat soort termen.
Al weet ik ze nog steeds prima te gebruiken wanneer de situatie dat vraagt.
Bij de dokter bijvoorbeeld.
Bij de apotheek.
Bij de buurvrouw.
Bij mensen die wel in dat soort termen denken.
Dan doe ik gewoon lekker mee.

Naschrift juli 2015
Ik ben niet zieker geworden of genezen, en ik word nergens meer op gewezen.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Categorisch

‘Ben jij bang voor de dood, Hans?’
‘Niet bepaald.’
‘Denk jij dat je onsterfelijk bent?’
‘Niet bepaald.’
‘Maar je hoopt van wel?’
‘Niet bepaald.’
‘Bedoel je dat je hoopt van niet?’
‘Niet bepaald.’

Hiervoormaals

‘Denk jij dat er leven na de dood is, Hans?’
‘Als dit het al is, dan zeker.’
‘Daar was ik nou nooit opgekomen.’
‘Maar is er ook leven vóór de dood?’

Klompenbal

‘Ben jij bang voor de dood, Hans?’
‘Wie zegt dat ik dood ga?’
‘Dacht jij soms van niet?’
‘Ik stel alleen maar een wedervraag.’
‘Je steekt je kop in het zand.’
‘De pot verwijt de ketel.’
‘Je wendt je af van het onafwendbare.’
‘Wat weet jij van het onafwendbare?’
‘Hoezo?’
‘Ooit eerder gestorven?’
‘Dat komt vanzelf.’
‘O ja?’
‘Iedereen moet dood.’
‘Heb je dat persoonlijk vastgesteld?’
‘Kijk toch om je heen!’
‘Ik zie alleen maar levenden.’
‘Je hebtt toch weleens iemand zien sterven?’
‘En wat dan nog?’
‘Dat bewijst dat mensen doodgaan.’
‘Maar niet dat iedereen doodgaat.’
‘Iedereen is het er anders over eens.’
‘Heb je dat persoonlijk vastgesteld?’
‘Iedereen die goed bij zijn verstand is.’
‘Je klampt je vast aan je verstand.’
‘Jij klampt je vast aan je onwetendheid.’
‘Jij klampt je vast aan de dood.’
‘Denk je nou echt dat je niet doodgaat?’
‘Denk jij nou echt dat je leeft?’
‘Nou breekt mijn klomp.’
‘Nou je andere nog.’

Achtergedachten

‘Hoe moet dat nou als jij dood bent?’
‘Gewoon.’
‘Maar dan zal ik je nooit meer zien!’
‘Ik heb je al zo vaak verlaten.’
‘Altijd maar voor eventjes.’
‘Dat dacht je er zelf bij.’
‘En nu voorgoed!’
‘Dat denk je er zelf bij.’
‘Bedoel je dat de dood een afscheid is als alle andere?’
‘Dat denk je er zelf bij.’
‘Zinspeel je op een hiernamaals?’
‘Dat denk je er zelf bij.’
‘Bedoel je dat het hiernamaals ook maar een sprookje is?’
‘Dat denk je er zelf bij.’
‘Probeer jemij duidelijk te maken dat ik alles er zelf bij denk?’
‘Dat denk je er zelf bij.’
‘Bedoel je dat ik er niet meer van alles zelf bij moet denken?’
‘Dat denk je er zelf bij.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’

Toch nog onverwachts

‘Hoe komt het dat sommigen te vroeg sterven en anderen te laat?’
‘Niemand sterft te vroeg of te laat.’
‘Hè?’
‘Te vroeg betekent alleen maar eerder dan verwacht.’
‘Op die manier.’
‘Te laat betekent alleen maar later dan verwacht.’
‘Prachtig, Hans.’
‘Wat?’
‘Zonder verwachtingen sterft iedereen op tijd!’
‘Welnee.’
‘Hè?’
‘Op tijd is nog steeds een verwachting.

Een misrekening

‘Als je nergens op rekent kan de dood je nooit overvallen.’
‘Daar zou ik maar niet op rekenen.’

In vrije verwachting

‘Gecondoleerd met je doodgeboren kindje.’
‘Dank je.
‘Vreselijk hè.’
‘Och.’
‘Wat?’
‘Het was een mooie zwangerschap en een mooie bevalling.’
‘Hoe zag het kindje eruit?’
‘Helemaal gaaf en helemaal slap.’
‘Dat moet een zware klap geweest zijn.’
‘Toch niet.’
‘Had je het zien aankomen?’
‘Alleen in algemene zin.’
‘Hoe Bedoel je?’
‘Iedereen is sterfelijk. Vooral ongeboren kindjes.’
‘Je maakt niet echt een geschokte indruk.’
‘Als je niets verwacht, kun je ook niet echt geschokt zijn.’
‘En je vrouw?’
‘Wat is daarmee?’
‘Ze is toch negen maanden in verwachting geweest.’
‘Zwanger, bedoel je.’
‘Niet in verwachting?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Ze verwachtte niets?’
‘Of eigenlijk alles. Ze hield overal rekening mee.’
‘Net als jij.’
‘Net als ik.’
‘Zij was ook niet geschokt.’
‘Als je alles verwacht kun je ook niet echt geschokt zijn.’
‘Wat is het verschil tussen niets verwachten en alles verwachten?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Wat is het verschil tussen alles verwachten en niets weten?’
‘Zelfde verhaal.’
‘Wat is het verschil tussen niets weten en niets verwachten?’
‘Idem dito.’

‘Waarom huil je nou?’
‘Die lege kinderkamer! Hoe kun je hier nog binnengaan?’
‘Dat kost me geen enkele moeite.’
‘Niet?’
‘Er was geen baby en er is geen baby. Wat is er nieuw?’
‘Je kunt er geen traan om laten?’
‘O, zo vaak.’
‘Hè?’
‘Wat?’
‘Als je niet geschokt bent, waarom zou je dan nog huilen?’
‘Ben jij altijd geschokt als je moet huilen?’
‘Ik bedoel, als je niets weet, waarom zou je dan nog huilen?’
‘Ik bedoel, als je niets weet, waarom niet?’

Alles noch niets

‘Als je niets verwacht, kun je nooit geschokt zijn.’
‘Als je verwacht dat je nooit geschokt zult zijn, verwacht je niet niets.’
‘Ik bedoel, als je alles verwacht, kun je nooit geschokt zijn.’
‘Als je niet verwacht dat je nog ooit geschokt zult zijn, verwacht je niet alles.’

Van de andere kant

‘Ik ben als de dood om te sterven, Hans.’
‘Wie weet is het leven wel erger dan de dood.’

‘Was ik maar dood, Hans.’
‘Wie weet is de dood wel erger dan het leven.’

‘Als je niet weet of het leven erger is dan de dood, moet je dan verder ploeteren of zelfmoord plegen?’
‘Beslist.’

Druktemakers

‘Is er wat?’
‘Ik heb terminale pancreaskanker.’
‘Zit je daarom zo te sippen?’
‘Straks zal ik dit allemaal moeten missen.’
‘Straks is er misschien ook geen gemis meer.’
‘Verdraaid.’
‘Ja, weet jij veel.’
‘Dan zou ik er denk ik wel vrede mee kunnen hebben.’
‘Straks is er misschien ook geen vrede meer.’
‘Dat vind ik nou weer wat minder.’
‘Straks is er misschien ook geen minder meer.’
‘Dan zou ik er toch weer vrede mee kunnen hebben.’
‘Straks is er misschien ook geen ik meer.’
‘Dat vind ik nou weer wat minder.’
‘Straks is er misschien ook geen straks meer.’
‘Dan zou ik er toch weer vrede mee kunnen hebben.’
‘Maar misschien ook niet.’

Ars vivendi

‘Hoe moeten wij leven?’
‘Ben je soms dood?’
‘Dat is het probleem niet.’
‘Krijg je soms geen lucht?’
‘Dat is het probleem ook niet.’
‘Nou dan.’

Ars moriendi

‘Hoe moeten wij sterven?’
‘Bang dat het niet zal lukken?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Ooit gehoord dat iemand het niet kon?’
‘Uiteindelijk niet nee.’
‘Nou dan.’

Naar de knoppen

‘Leven en sterven zijn geen probleem, behalve voor het denken.’
‘Dus?’
‘Moet je gewoon je gedachtenknop uitzetten.’
‘Leuk bedacht.’
‘Dank je.’
‘Maar waar zit nou toch die gedachtenknop?’

Uitgemaakt

‘Leven en sterven zijn op zichzelf geen probleem, dat maakt het denken ervan.’
‘Dat maak jij ervan.’
‘Wat?’
‘Dat leven en sterven op zichzelf geen probleem zijn, maar het denken erover wel.’
‘Dat maak ik ervan?’
‘Of je denken, wie zal het zeggen.’
‘Dat leven en sterven op zichzelf geen probleem zijn, maar mijn denken erover wel, is wat ik of mijn denken ervan maakt?’
‘Dat maak ik ervan.’
‘O, jij.’
‘Of mijn denken natuurlijk, wie zal het zeggen.’
‘Maar zijn leven en sterven op zichzelf nou wel of geen probleem?’
‘Dat maak jij ervan.’

Waardenloos

‘Hoe moeten wij sterven?’
‘Gewoon.’
‘Gewoon?’
‘Zoals wij sterven.’
‘We moeten sterven zoals we sterven?’
‘Kan niet misgaan.’
‘Maar ik wil wáárdig sterven, Hans.’
‘Waardiger kan niet.’
‘Zeker nooit in een verzorgingshuis geweest.’
‘Zo vaak.’
‘Dan weet je wat ik bedoel.’
‘Wat versta jij onder waardig?’
‘Berustend en liefdevol.’
‘Niet vloekend en tierend?’
‘Kom nou.’
‘Niet lachend en huilend?’
‘Stel je voor.’
‘Niet lallend en brallend?’
‘Nou ja!’
‘Niet ijlend en kwijlend?’
‘Wat versta jij onder waardig?’
‘Geen idee.’
‘Geef eens een definitie.’
‘In overeenstemming met je waarden?’
‘Ik bedoel, wat is waardig sterven volgens jou?’
‘Gewoon.’
‘Gewoon?’
‘Zoals wij sterven.’
‘We moeten sterven zoals we sterven?’
‘Kan niet misgaan.’
‘Maar wat is daar waardig aan?’
‘Geen idee.’
‘Waarom weet je dat niet?’
‘Omdat ik geen waarden heb?’
‘Echt niet?’
‘Niet echt.’
‘Niet of niet meer?’
‘Of nog niet.’
‘Pas dan maar op.’
‘Waarop?’
‘Straks lig je op je sterfbed nog te krijsen als een mager speenvarken.’
‘Niets in mij zal zich daartegen verzetten.’
‘En als je je er nou toch tegen verzet?’
‘Dan zal niets in mij zich dáártegen verzetten.’
‘En als je je daar nou toch tegen verzet?’
‘Dan zal niets in mij zich dáártegen verzetten.’
‘Het maakt jou niet uit of je straks op je sterfbed ligt te krijsen als een mager speenvarken of je daartegen verzet of je daar weer tegen verzet?’
‘En anders maar wel.’
‘We moeten sterven zoals we sterven.’
‘We moeten niks.’
‘We sterven zoals we sterven.’
‘Kan niet misgaan.’
‘Maar ik wil wáárdig sterven.’
‘Waardiger kan niet.’

Waardenvol

‘Niets in mij zal zich verzetten als ik krijsend de dood in ga, Hans.’
‘Dat moet je nog maar afwachten.’
‘Niks hoor.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik geen waarden meer heb.’
‘Echt niet?’
‘Geen spoortje.’
‘En als je ze op je sterfbed toch zou blijken te hebben?’
‘Dat zou me vies tegenvallen van mezelf.’
‘Ik was er al bang voor.’

Lijfspraak

‘Leven is voortdurend afscheid nemen, Hans.’
‘Ook van je lijfspreuken.’

‘Leven is voortdurend afscheid nemen, Hans, ook van je lijfspreuken.’
‘Ook van je lijfspreuken.’

Terminale logica

‘Van verdriet kun je doodgaan.’
‘Geef eens een voorbeeld.’
‘Twee maanden na mijn moeder is mijn vader van verdriet overleden.’
‘Hoe weet je dat het van verdriet was?’
‘Omdat hij terminaal bedroefd was.’
‘En als hij toevallig in jubelstemming was gestorven?’
‘Wat?’
‘Zou je dan hebben gezegd dat hij van opluchting was gestorven?’
‘Hm.’
‘Nou dan.’

Het beste bewijs

‘Ik denk niet dat ik zonder je kan’
‘Je kan wel zoveel denken.’
‘Ik meen het, ik kan niet zonder je.’
‘Dat zou je wel willen, hè?’
‘Ik weet het zeker.’
‘Voor zolang het duurt.’
‘Ik zal nog sterven van verdriet!’
‘Wedden dat je na mijn dood nog minstens drie keer zult ademhalen?’
‘Nou ja, dat red ik nog wel.’
‘Zónder mij.’
‘Het autonome zenuwstelsel, hè.’
‘En daarna nog wel dertig keer.’
‘En nog wel driehonderd keer ook.’
‘En nog wel drieduizend keer ook.’
‘Maar dan is het ook mooi geweest.’
‘Daar heb je niets over te zeggen.’
‘Desnoods pleeg ik zelfmoord.’
‘Durf jij dat?’
‘Nou en of.’
‘Zo zo.’
‘En ik weet al precies hoe ik het doen zal ook.’
‘Zie je wel dat je best zonder mij kunt?’

Top kut

‘Ik voel me kut, Hans!’
‘Alles gaat voorbij.’
‘Top!’

‘Ik voel me top, Hans!’
‘Alles gaat voorbij.’
‘Kut!’

‘Ik voel me top!’
‘Alles gaat voorbij, Hans.’
‘En?’

‘Ik voel me kut!’
‘Alles gaat voorbij, Hans.’
‘En?’

Ervaring vereist

‘Ik ben als de dood voor de dood.’
‘Welnee.’
‘Wat?’
‘Dat kan helemaal niet.’
‘Waarom niet?’
‘Ooit dood geweest?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Nou dan.’
‘Maar ik stel me voor dat…’
‘Precies.’
‘Wat precies?’
‘Je bent als de dood voor je voorstelling ervan.’

Doorlopende voorstelling

‘Je bent niet bang voor de dood zelf, maar voor je voorstelling ervan.’
‘Dat is ook maar een voorstelling.’
‘Pardon?’
‘Dat je niet bang bent voor de dood maar voor je voorstelling ervan, is gewoon de volgende voorstelling.’
‘Je snapt het niet.’
‘Wat niet?’
‘Het betekent dat je er iets aan kunt doen.’
‘Waaraan?’
‘Aan je doodsangst.’
‘Hoe dan?’
‘Gewoon, door je voorstelling van de dood te onderzoeken en te veranderen of op te geven.’
‘Dat is ook maar een voorstelling.’
‘Hè?’
‘Dat je ervoor kunt kiezen om je voorstellingen te onderzoeken en te veranderen of op te geven, is gewoon de volgende voorstelling.’
‘Ik bepaal toch zeker zelf wat ik mij voorstel?’
‘Misschien.’
‘Maar?’
‘Bepaal je ook zelf wat je gelooft?’

Hebberd

‘Hoe gaat het met je kanker?’
‘Ik heb het er vreselijk moeilijk mee gehad.’
‘Dat kan ik me voorstellen.’
‘Lang dacht ik dat welzijn mijn geboorterecht was, maar nu heb ik eindelijk mijn aandoening omarmd.’
‘Tja.’
‘Wat?’
‘Eerst denk je dat gezondheid van jou is en nou denk je weer dat die ziekte van jou is.’

Van stof tot stof

‘Zie je die urn daar?’
‘Die blauwe?’
‘De as van mijn moeder, God hebbe haar ziel.’
‘Hoe weet je dat er as in zit?’
‘Daar is het een urn voor.’
‘Heb je er ooit in gekeken?’
‘Eigenlijk niet.’
‘Je hebt toch wel even geschud?’
‘Ook niet.’
‘Dus hij zou best leeg kunnen zijn.’
‘Ik kan het me nauwelijks voorstellen.’
‘Dat zegt niets.’
‘Denk je nou heus…’
‘Welnee.’
‘Nou dan.’
‘Stel dat er as in zit, hoe weet je dat die van je moeder is?’
‘Dat staat hier, op het naamplaatje.’
‘Wat?’
‘De naam van mijn moeder.’
‘En?’
‘Geen twijfel mogelijk. De namen en data kloppen precies.’
‘Waarmee?’
‘Met die van mijn moeder.’
‘Zal best.’
‘Maar?’
‘Komen ze ook overeen met de as?’
‘Daar… ben ik altijd van uitgegaan.’
‘Terecht, denk je?’
‘Wat ben jij toch een rare kwast.’
‘Wat ben jij toch goedgelovig.’
‘Hoezo?’
‘Iedereen kan overal een naambordje op plakken met willekeurig welke tekst.’
‘Maar waarom zouden ze er de verkeerde as in doen?’
‘Of het verkeerde bordje opplakken.’
‘Maar waarom?’
‘Per ongeluk. Voor de lol. Als een bakker die in het beslag tuft.’
‘Ik geloof er niets van.’
‘Ooit een asla schoongemaakt?’
‘Zo vaak.’
‘Vertel eens.’
‘Kolenkachels, open haarden.’
‘Hoe gaat dat in zijn werk?’
‘Je trekt de la eruit en gooit hem leeg.’
‘En dan is hij leeg?’
‘Nou nee, er blijft altijd wel wat achter.’
‘Net als op het stookrooster.’
‘Onvermijdelijk.’
‘Zou het in de ovens van het crematorium ook zo gaan, denk je?’

‘Wat zie je wit ineens?’
‘Dan zou deze urn niet alleen de as van moeder…’
‘Waarschijnlijk niet.’
‘En dan zitten er natuurlijk ook asresten van moeder in andere…’
‘Waarschijnlijk wel.’
‘En ik maar denken…’
‘En jij maar denken.’

‘Kom kom, trek het je niet aan.’

‘Misschien is het niet eens de as van je moeder.’

‘Als er al iets in zit.’

Ononthecht

‘Hecht jij aan het leven, Hans?’
‘Van mij mag het wel doorgaan.’
‘Aha!’
‘Maar het mag ook wel ophouden.’
‘Hè?’
‘Niet goed?’
‘Komt dat door niet weten?’
‘Wat?’
‘Dat het leven van jou zowel mag doorgaan als ophouden?’
‘Welnee.’
‘Niet?’
‘Altijd al gehad.’
‘Komt dat even goed uit.’
‘Hoezo?’
‘Kan het fijn voor onthechting doorgaan.’
‘Voor mij mag die onthechting zo ophouden.’
‘Bedoel je dat je het niet erg zou vinden om aan het leven te hechten?’
‘Of aan de dood. Of aan het leven én de dood.’
‘Komt dat dan wel door niet weten?’
‘Wat?’
‘Dat die onthechting je ook niets kan schelen?’
‘Kan mij het schelen.’
‘Zeker ook altijd al gehad.’
‘Kan jou het schelen.’
‘Ik probeer te ontdekken wat ik van niet weten verwachten mag.’
‘Zeg dat dan meteen.’
‘Wat mag ik van niet weten verwachten?’
‘Je mag er alles van verwachten.’
‘Maar dat is goed nieuws!’
‘Maar of het ook uitkomt?’

Nood breekt wet

‘Ben jij gehecht aan het leven, Hans?’
‘Niet echt.’
‘Wat als je ineens ontdekt dat u er toch aan gehecht bent?’
‘Geen probleem.’
‘In een noodsituatie bijvoorbeeld, waarin je tot je eigen verbazing voor je leven blijkt te vechten.’
‘Geen probleem.’
‘Daar zou je niet mee zitten?’
‘Nu tenminste niet.’
‘En als het zover is?’
‘Dat is niet te voorspellen.’
‘Dat je in een noodsituatie niet zou vechten of dat je daar niet mee zult zitten?’
‘Dat is niet te voorspellen.

Daarom is geen reden

‘Als ik maar wist waarom mijn broer zich heeft opgehangen.’
‘Wat dan?’
‘Dan zou ik er vrede mee kunnen hebben.’
‘Ongeacht het antwoord?’
‘Als ik het maar wist.’
‘En als hij zou zeggen dat hij geen idee heeft?’
‘Dan zou ik zeggen: Daar kom je niet mee weg.’
‘En als hij zou zeggen dat het door zijn hormonen kwam?’
‘Dan zou ik zeggen: Wat weet jij van fysiologie?’
‘En als hij zou zeggen dat het zenuwzwakte was?’
‘Dan zou ik zeggen: Waar heb je dat nou weer gelezen?’
‘En als hij het aan zijn homofilie zou wijten?’
‘Dan zou ik zeggen: Daarvoor hoef je toch niet dood?’
‘Of aan zijn autisme?’
‘Dan zou ik zeggen: Autist zijn we allemaal.’
‘Of aan zijn Weltschmerz?’
‘Dan zou ik zeggen: De wereld zorg wel voor zichzelf.’
‘En als hij zou zeggen: Ik ben misbruikt?’
‘Dan zou ik zeggen: Ik toch ook?’
‘En als hij zou zeggen: Ik kon mezelf niet meer aanzien?’
‘Dan zou ik zeggen: Ik ben nog lelijker dan jij.’
‘En als hij zou zeggen: Ik zag er geen gat meer in?’
‘Dan zou ik zeggen: Je kwam pas net kijken.’
‘En als hij zou zeggen, Ik maakte mensen alleen maar ongelukkig?’
‘Dan zou ik zeggen, Nee, van je dood worden we vrolijk.’
‘En als hij zou zeggen, Ik voelde me zo eenzaam?’
‘Dan zou ik zeggen: Maar we hielden toch van je?’
‘Wat had hij dan moeten zeggen?’

‘Nou?’
‘Misschien wel niets.’
‘Dat heeft hij dan goed aangevoeld.’

Hoop doet leven

‘Ik snap niet waarom mijn broer zich heeft opgehangen.’
‘Nee.’
‘Wat zou ik er niet voor over hebben als ik het hem kon vragen.’
‘Heb jij overal een goede reden voor?’
‘Niet overal voor, maar…’
‘Begrijp jij alles van jezelf?’
‘Niet alles, maar…’
‘Kun jij je omstandigheden overzien?’
‘Niet helemaal, maar…’
‘Waarom je broer dan wel?’

Verklaringen afleggen

‘Ik snap niet waarom mijn broer zich heeft opgehangen.’
‘Heb je nog gedroomd vannacht?’
‘Hou op, schei uit.’
‘Als iemand je vraagt je dromen uit te leggen, wat zeg je dan?’
‘Die is gek.’
‘Als jij je dromen van afgelopen nacht niet eens kunt verklaren, waarom je broer dan wel zijn nachtmerrie van zoveel jaar geleden?’

Vrede zij met ons

Naar aanleiding van de zelfdoding van Joost Zwagerman.

Mijn vriend Wim verhing zich op zestienjarige leeftijd.
Vrede zij met hem.

De jonge Hans nam het hem heel erg kwalijk.
Vrede zij met hem.

De jonge Hans nam het zichzelf ook heel erg kwalijk dat hij het vriend Wim heel erg kwalijk nam.
Vrede zij met hem.

De jonge Hans gaf zichzelf ook nog eens de schuld dat vriend Wim zich verhing.
Vrede zij met hem.

Wim’s familie nam het Wim ook heel erg kwalijk dat hij zich verhing.
Vrede zij met hen.

Wim’s familie geeft zichzelf nog steeds de schuld dat Wim zich verhing.
Vrede zij met hen.

Ikzelf denk iedere dag aan zelfmoord.
Vrede zij met mij.

Sommigen vinden dat je het zelfdoding moet noemen.
Vrede zij met hen.

Sommigen nemen het mij kwalijk dat ik iedere dag aan zelfmoord denk.
Vrede zij met hen.

Sommigen nemen het mij niet kwalijk dat ik iedere dag aan zelfmoord denk maar wel dat ik het niet voor me houd.
Vrede zij met hen.

Ik zal mezelf geen strobreed in de weg leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf sla.
Vrede zij met mij.

Sommigen nemen het mij kwalijk dat ik zeg dat ik mezelf geen strobreed in de weg zal leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan.
Vrede zij met hen.

Als ik mezelf toch tegen wil houden als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan dan zal ik mezelf geen strobreed in de weg leggen.
Vrede zij met mij.

Mijn lief zal mij ook geen strobreed in de weg leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan.
Vrede zij met haar.

Sommigen nemen het haar kwalijk dat ze mij geen strobreed in de weg zal leggen als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan.
Vrede zij met hen.

Als mijn lief mij toch tegen wil houden als ik daadwerkelijk de hand aan mezelf wil slaan dan zal ik haar geen strobreed in de weg leggen.
Vrede zij met ons.

Sommigen vinden dat je niet dood mag willen.
Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat je daar iets over te zeggen hebt.
Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat je er niets over te zeggen hebt.
Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat zelfdoding een recht is.
Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat niemand over zelfdoding mag oordelen.
Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat iedereen vrij mag oordelen over zelfdoding.
Vrede zij met hen.

Sommigen denken dat iedereen vrij mag oordelen over wat ook.
Vrede zij met hen.

Sommigen vinden dat niemand vrij mag oordelen over wat ook.
Vrede zij met hen.

Jij vindt waarschijnlijk ook van alles.
Vrede zij met jou.

Of misschien vind je wel niks.
Vrede zij met jou.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Niet echt

‘Stel dat je vrouw dood wil, wat zegt dat dan over jou?’
‘Dat ze dood wil.’
‘Meer niet?’
‘Ik doe niet aan betekenis.’
‘Echt niet?’
‘Niet echt.’
‘Wat zegt het over haar liefde voor jou?’
‘Wat heeft dat er nou weer mee te maken.’
‘Zegt ze eigenlijk niet dat jij niet de moeite waard bent om voor te blijven leven?’
‘Ze is mans genoeg om dat rechtstreeks tegen me te zeggen.’
‘Stel dat ze het rechtstreeks tegen je zou zeggen, wat dan?’
‘Dan zou ze het rechtstreeks tegen me zeggen.’
‘Welke conclusies zou je eraan verbinden?’
‘Mezelf kennende, geen enkele.’
‘Echt niet?’
‘Niet echt.’
‘Er zou geen enkele conclusies in je opkomen?’
‘Mezelf kennende zouden er talloze conclusies in me opkomen.’
‘Maar?’
‘Ik zou ze nergens aan verbinden.’
‘Echt niet?’
‘Niet echt.’
‘Maar zou het niet een enorme klap zijn?’
‘Voor wie?’
‘Voor jou.’
‘Ken ik niet.’
‘Echt niet?’
‘Niet echt.’
‘Als iemand zoiets tegen mij zou zeggen…’
‘Wie wil er nou voor jou blijven leven.’
‘Nou zeg!’
‘Nog geen handjevol mensen, wed ik.’
‘Wat dacht je van mijn man en kinderen?’
‘Dat staat nog te bezien.’
‘Dat is nog waar ook.’
‘Je moeder?’
‘Ik vrees van niet…’
‘O?’
‘Die heeft al euthanasie laten plegen.’
‘Nou dan.’
‘Volgens mij betekent dat…’
‘Dat ze euthanasie heeft laten plegen.’
‘… dat ze mij niet de moeite waard vond om voor te blijven leven.’
‘En alle andere mensen die er dag in dag uit op los sterven?’
‘Wat is daarmee?’
‘Wat zegt het dat ze zich daarbij niets van jou aantrekken?’
‘Volgens mij niks.’
‘Echt niet?’
‘Niet echt.’
‘Waarom dan zo veeleisend voor je naasten?’

Eenzijdig

‘Klopt het dat jij niet meer aan betekenis doet, Hans?’
‘Zou zomaar kunnen.’
‘Maar?’
‘Betekenis nog wel aan mij.’

Wake-upcall

‘Hoe voelde het toen je vrouw verongelukte?’
‘Alsof de grond onder mijn voeten verdween, Hans.’
‘Welke grond?’

‘Hoe voelde het toen toen je kind verongelukte?’
‘Alsof de grond onder mijn voeten verdween, Hans.’
‘Welke voeten?’

Terra infirma

‘Toen mijn moeder stierf, was het alsof de wereld verging.’
‘Welke wereld?’

‘Toen mijn vader stierf, was het alsof de wereld verging.’
‘Toen pas?’

De schepper

‘Ik hoorde van de week dat mijn dochtertje leukemie heeft.’
‘Hoe voelde dat?’
‘Alsof de wereld verging.’
‘Welke wereld?’
‘Zo’n jong kind, het is gewoon niet eerlijk.’
‘Denk je nou echt dat je in een rechtvaardige wereld leeft?’
‘Iedereen heeft recht op een gezonde…’
‘Je haalt twee dingen door elkaar.’
‘Welke dingen?’
‘Het verdriet om je kind en het verdriet om je wereld.’
‘Wát?’
‘Je kind is er nog, ook al is het ziek. Maar je wereld is ingestort.’
‘Niet mijn wereld, dé wereld.’
‘Jouw wereld.’
‘En welke wereld mag dat wezen?’
‘Een zelfbedachte wereld vol regels en rechten. Een overzichtelijke wereld waarin alles volgens plan verloopt. Een betrouwbare wereld waarin jij je veilig waande.’
‘Hoe dan ook, die wereld is nu ingestort.’
‘Die wereld is er nooit geweest.’

‘Huil je nou om je dochtertje of om je wereldje?’
‘Klootzak.’
‘Maak je niet dik.’
‘Hoezo?’
‘Voor je het weet geloof je er weer in.’

Wereldjes

‘Iedereen leeft in zijn eigen wereldje.’
‘Is dat waar of is dat jouw wereldje?’

Madame Mikmak

‘Ik heb alles opgegeven.’
‘Wat dan allemaal?’
‘Mijn gevoelens, mijn gedachten, mijn gezondheid, mijn lichaam, mijn leven, mijn dood, mijn naasten, mijn bezittingen, mijn veiligheid, mijn werk, mijn doelen, mijn prestaties, mijn concepten, mijn theorieën, mijn zekerheden, de hele mikmak.’
‘Wie?’
‘Ik, zei ik toch?’
‘Dan heb je nog niet alles opgegeven.’

‘Niet-ik heeft alles opgegeven.’
‘Wie?’
‘Geen-zelf. Bewustzijn. Het Ene. Zijn. Het Leven dat door mij leeft.’
‘Dan heb je nog niet alles opgegeven.’

Laatste loodjes

‘Ik heb al mijn zekerheden opgegeven.’
‘Je hebt ze nooit gehad.’

‘Ik heb mijn zekerheden niet opgegeven, ik heb ze nooit gehad.’
‘Zeker weten?’

Terminus vitae

‘Niets biedt ware troost.’
‘Zeg liever waar het op staat.’
‘Oké, ik voel me kut.’
‘Mag ik ook eens voelen?’
‘Wát?’
‘Grapje.’
‘Net wat ik nodig heb.’
‘Waarom voel je je kut?’
‘Omdat ik nooit meer beter zal worden.’
‘Je kunt het niet aanvaarden.’
‘Ik ben de hele dag woedend.’
‘Ik ken dat.’
‘En mediteren helpt ook al niet.’
‘Ik weet het.’
‘Maar ik wil het niet weten.’
‘Zo gaat dat.’
‘En dat wil ik ook niet weten.’
‘Wie wel.’
‘Aan jou heb je ook niks.’
‘Ik zeg liever waar het op staat.’
‘Schrale troost.’
‘Niets biedt ware troost.’

Proost

‘Niets biedt ware troost.’
‘Dan maar iets.’

‘Niets biedt ware troost.’
‘Dan maar valse.’

‘Niets biedt ware troost.’
‘Dan maar schrale.’

‘Niets biedt ware troost.’
‘De wind is oostnoordoost.’

Sub specie aeternitatis

‘Gecondoleerd met het verlies van je dierbare ouders, Hans.’
‘Waar vind ik ware troost?’
‘Bekijk het eens vanuit het oogpunt van de eeuwigheid.’
‘Heb ik al gedaan.’
‘En?’
‘Het hielp maar even.’

Dooddoeners

‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Alsof die niet vergankelijk zijn.’

‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Ik benijd ze niet.’

Eeuwig leven

‘Troost je, de doden leven voort in onze gedachten.’
‘Hebben ze ooit ergens anders geleefd?’
‘Wat een rare vraag.’
‘Geef dan maar een raar antwoord.’
‘In de wereld natuurlijk.’
‘De wereld leeft voort in onze gedachten.’
‘Bedoel je dat er geen wereld is buiten onze gedachten?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Bedoel je dat we nooit aan onze gedachten kunnen ontsnappen?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Het zijn allemaal maar gedachten.’
‘Deze ook.’
‘En gedachten zijn zo voorbij, wou je zeggen.’
‘Deze ook.’
‘Wat bedoel je dan?’
‘Bedoelingen zijn zo voorbij.’
‘Deze ook.’
‘Kun je nagaan.’

Onvoorwaardelijk

Leerling: Als u nu doodgaat heb ik niets meer!
Meester: Daarvoor hoef ik heus niet dood te gaan.

De aanhouder wint

Leerling: Zelfs op uw sterfbed geeft u nog geen strobreed toe.
Meester: Aan wie?
Leerling: Gaat het erom mij met lege handen achter te laten?
Meester: Natuurlijk niet.
Leerling: Waar gaat het dan om?
Meester: Wie zegt dat het ergens om gaat?
Leerling: Bedoelt u dat het nergens om gaat?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Gaat het erom niets te zeggen?
Meester: Heb ik dat gezegd?
Leerling: U bent zo glad als een aal.
Meester: Alleen voor degenen die me vast willen pakken.
Leerling: Loslaten, is dat het dan?
Meester: Je probeert me nog steeds vast te pakken.
Leerling: Bedoelt u dat er niets is om vast te pakken?
Meester: Je probeert me nog steeds vast te pakken.
Leerling: Gaat het erom niets vast te pakken?
Meester: Ik heb niets tegen vastpakken.
Leerling: Gaat het erom nergens tegen te zijn?
Meester: Op welke grond?
Leerling: Bedoelt u dat er geen grond is om waar dan ook tegen te zijn?
Meester: Hoe stel je zoiets vast?
Leerling: Bedoelt u dat wij niets kunnen vaststellen?
Meester: Dat heb ik persoonlijk niet kunnen vaststellen.
Leerling: Verdorie.
Meester: Waarom niet hoera?
Leerling: Omdat u dan zou zeggen ‘Waarom niet verdorie?’
Meester: Joost mag weten wat ik zou zeggen.
Leerling: U weet toch zeker wel wat u gaat zeggen?
Meester: Gelukkig niet.
Leerling: Hè hè.
Meester: Wat?
Leerling: Eindelijk een concreet antwoord.

Afgeleerd is afgedaan

Leerling: In de dood zult u toch uw meerdere moeten erkennen.
Meester: De dood mag dan mijn meester zijn, zijn leerling ben ik niet.
Leerling: Wiens leerling bent u wel?
Meester: Iets leer je van iemand, niets leer je van niemand.
Leerling: Bedoelt u dat u uzelf alles hebt afgeleerd?
Meester: Zelfs mezelf heb ik afgeleerd.
Leerling: Verwijst u naar de boeddhistische doctrine van geen-zelf?
Meester: Ook afgeleerd.
Leerling: Is afleren dan het enige wat overblijft?
Meester: Ook afgeleerd.

Bij het laatste afscheid

Leerling: Dan wens ik u een goede reis.
Meester: Je veronderstelt dat ik wegga.
Leerling: Dan wens ik u een behouden thuiskomst.
Meester: Je veronderstelt dat ik terugkeer.
Leerling: Dan wens ik u een zalig uiteinde.
Meester: Je veronderstelt dat het voorbij is.
Leerling: Dan wens ik u een prettige voortzetting.
Meester: Je veronderstelt dat het doorgaat.
Leerling: Gecondoleerd dan?
Meester: Valt er iets te betreuren?
Leerling: Gefeliciteerd?
Meester: Valt er iets te vieren?
Leerling: Ach ja, ik zeg maar wat.
Meester: Ik ook, jongen, ik ook.

Ziens-wijzen

Hoewel de dokter hem maar een week had gegeven, leefde de meester nog een maand. De leerlingen waren onder de indruk van zijn geweldige geestkracht.

Hoewel de dokter hem een jaar had gegeven leefde de meester nog maar een maand. De leerlingen waren teleurgesteld over zijn geringe geestkracht.

Hoewel de dokter hem maar een week had gegeven, leefde de meester nog een maand. De leerlingen waren blij dat hij hen zo lang mogelijk wilde bijstaan.

Hoewel de dokter hem een jaar had gegeven, leefde de meester nog maar een maand. De leerlingen waren teleurgesteld dat hij hen zo gauw in de steek liet.

Hoewel de meester nog maar een maand leefde, had de dokter hem een jaar gegeven. De leerlingen waren niet onder de indruk van zijn vakmanschap.

Hoewel de meester nog een maand leefde, had de dokter hem maar een week gegeven. De leerlingen waren onder de indruk van zijn vakmanschap.

Puzzelaars

Een leerling zit met een opschrijfboekje aan het sterfbed van zijn meester.
Leerling: Wat is sterven?
Meester: Welke letters heb je al?

Tussen hoop en vrees

De meester ligt op sterven.
Leerling: Het tijdelijke maakt plaats voor het eeuwige.
Meester: Dat hoop ik niet meer mee te maken.

Grensgangers

De meester ligt op sterven.
Leerling: Het lichaam gaat dood maar de geest leeft door.
Meester: Wist ik het verschil maar.

Testament

De meester ligt op sterven.
Leerling: Wat wilt u ons nog meegeven?
Meester: Eigenlijk niets.
Leerling: Hét niets?
Meester: Gewoon niets.
Leerling: Bedoelt u dat er niets is om mee te geven?
Meester: Dan had ik dat wel gezegd.
Leerling: Wat een nalatenschap.
Meester: Over de verdeling zal geen onenigheid ontstaan.

Hints

De meester ligt op sterven.
Leerling: Geef me ten minste een hint, voor het te laat is!
Meester: Het is nooit te laat, te vroeg of op tijd.
Leerling: De tijd?
Meester: Mispoes.
Leerling: De eeuwigheid?
Meester: Mispoes.
Leerling: Het Nu?
Meester: Mispoes.
Leerling: Wat dan?
Meester: Mispoes.

Doderik

ik

ik wil

ik wil niet

ik wil niet dood

ik wil niet niet dood

ik-wil-niet is dood

niet-ik is dood

ik-wil is dood

dood is dood

ik is dood

ik niet

dood