Dwaaltaal

Spreken zonder spreken en zwijgen zonder zwijgen over weten zonder weten – hoe doe je dat? Dwaalwoorden en stijlfiguren niet-weten.

Tekst Hans van Dam.

Tips: De lege leer, Hogere weetnietkunde, De waan van de nacht


Spreken zonder spreken

Nederlands is een prachtige taal, maar wie over niet-weten wil praten, staat er alleen voor.
Gelukkig is onze taal al net zo plooibaar als onze geest, en een van de grote genoegens van het leven is de overlevering naar je hand te zetten.
Dat doe je bijvoorbeeld met neologismen: nieuwe woorden samengesteld uit oude componenten of oude woorden met een nieuwe betekenis.
Sommige mensen krijgen daar nooit genoeg van en zijn alleen al daarom te benijden, anderen zijn er allergisch voor en alleen al daarom te beklagen.
Mezelf beschouw ik als benijdenswaardig, al is lang niet iedereen het daarmee eens.

De meeste nieuwvormingen op deze website zijn zelfverklarend: dummy, dwaalmeester, spookwoord, denk-beeld.
Wie toch een verklaring wil, kan hier zijn hart ophalen.
Verder een lijst van stijlfiguren die handig zijn bij het schrijven van dwaalteksten, en nog zo het een een ander.

Een weetniet zul je er wel niet van worden, maar stamelen als een weetniet kun je leren, en wie wil dat nou niet.


Dwaalwoorden

Lijst van veelgebruikte en ongebruikte woorden en uitdrukkingen op niet-weten.nl.

agnose
(Grieks: a, niet + gnosis, kennis) niet weten

Niet te verwarren met agnosie (een herkenningsstoornis) of agnosticisme (de leer van Spencer en Huxley dat wij geen kennis kunnen hebben van een boven de ervaring uitgaande orde)

Met ‘in agnose verkeren’ bedoel ik in (een wolk van) niet-weten verblijven, niets invullen, groot uitzicht: geen immanentie, geen transcendentie, geen theïsme, geen atheïsme, geen agnosticisme, geen moralisme, geen immoralisme, geen amoralisme, niets relatief of absoluut, geen dualiteit, geen non-dualiteit, geen vorm, geen leegte, geen eenheid, geen tweeheid, geen niet-tweeheid, geen drieheid, geen veelheid, geen twijfel, geen zekerheid, geen weten of niet weten maar zalige zalige zaligheid. Agnose dus.

agnostisch
(bijvoeglijk naamwoord) met betrekking tot niet-weten, gekenmerkt door niet-weten, met het karakter van niet-weten, weteloos, dwijs

agnost
iemand die niet meer weet; dummy, dwijze, weetniet(geest)

Niet te verwarren met agnosticus (iemand die het agnosticisme aanhangt).

dummy
1. iemand wiens boek leeg is (dan ben je nog wat); dwijze, agnost, weetniet(geest)
2. het lege boek

dwaalgast, dwaalgeest
1. zoeker
2. dwijze

dwaalgebed
dwaaltekst in de vorm van een gebed

Veel van mijn teksten hebben de vorm van een tweestemmig wisselgebed. Zie bijvoorbeeld de pagina’s Loflied en Help ons uit de droom.

dwaalgids
1. Uw gastheer in deze dwaaltuin, Hans van Dam
2. Alle ‘meesters’ op niet-weten.nl (meester Zuetsu, meester O, meester Tja et cetera)
3. Iedereen die het spoor bijster is en daar niet meer mee zit
4. sitemap van niet-weten.nl
5. niet-weten.nl

dwaalgesprek
dwaaltekst in de vorm van een dialoog

De meeste teksten op deze website hebben de vorm van een dwaalgesprek. Ook brieven en interviews reken ik tot de dwaalgesprekken.

dwaalleer
lege leer*

dwaalpad, dwaalspoor, dwaalweg
de weg van wie niet weet en gewoon maar wat ronddoolt onder de zon

dwaalrede
wegwerpredenering die uit een of ander weten leidt, het bos in

dwaalspreuk
dwaaltekst in de vorm van een aforisme

dwaaltaal
karakteristiek taalgebruik van een dwaalgeest, vol terugnemingen en tegenstrijdigheden om een tegenstrijdig heden onder woorden te kunnen brengen

dwaaltekst
gesproken of geschreven demonstratie van niet weten, bijvoorbeeld een dwaalspreuk of een dwaalgesprek

dwaaltocht
reis van de dwijze over het dwaalpad van zijn leven

dwaaltuin
1. niet-weten.nl
2. de wereld gezien door de ogen van de dwijze

dwaalwoord, dwaalbegrip
1. samenstelling die met ‘dwaal’ begint, bijvoorbeeld dwaalwoord of dwaalbegrip
2. woord uit deze woordenlijst

dwaalzang
dwaaltekst in de vorm van een lied of een gedicht

dwijze
iemand die niet meer weet hoe het allemaal zit, hoort en moet en daarom wijs noch dwaas is; dummy, agnost, weetniet(geest); dwijs, dwijsneus, dwijsheid, dwijselijk, dwijsgeer, dwijsbegeerte…

groot uitzicht
het onbelemmerde uitzicht van iemand die niet gehinderd wordt door enig vorm van wijsheid of inzicht, groot, spiritueel of anderszins

keerwoord
expressie van niet-weten in de vorm van een dubbele ontkenning, bijvoorbeeld ‘zelfs niet weten van niet weten’ of ‘ook het loslaten losgelaten’ of ‘van onthechting onthecht’ of ‘de illusie van de illusie’

de lege leer
niet weten, opgevat als een leer zonder leerstellingen (dan lijkt het nog wat)

het lege boek
symbool voor de lege leer (dan heb je nog wat)

niet weten
1. (werkwoord) geen onderscheid weten te maken, geen oordeel weten te vellen, geen conclusie weten te trekken, kortom, niets weten, zelf niet dat je niets weet
2. (zelfstandig naamwoord) toestand gekenmerkt door niet-weten in de eerste betekenis; agnose

tja
1. uiting van niet weten
2. het niet weten zelf

verduistering
‘verlichting’ in de zin van een radicaal, zelfvernietigend niet weten; afleidingen: verduisterd, verduisterde

weetniet, weetnietgeest, nitwit
iemand die niet weet, dummy, dwijze, agnost

weetnietfeest
de zaligheid van de weetnietgeest

wegwerpbegrip
tijdelijk begrip met als enige functie het ondermijnen van andere begrippen

Alle begrippen uit deze lijst zijn wegwerpbegrippen.

wegwerpbewering
tijdelijke bewering met als enige functie het ondermijnen van andere beweringen

Alle beweringen op deze website zijn wegwerpbeweringen, deze ook.

Zo ook wegwerptheorie, wegwerpsite, wegwerpverhaal, wegwerpwijsheid

wegwerpwoord
woord dat een uitweg biedt uit een schijnbegrip of schijndilemma; synoniemen: onwoord, schertswoord, nepwoord, wegwerpwoord, vluchtwoord, keerwoord

spookwoord
Woord zonder tegenhanger in de werkelijkheid

Volgens nominalisten en volgens boeddhisten die de doctrine van de leegte (sunyata) aanhangen, zijn alle woorden spookwoorden. Ook ‘werkelijkheid’, ‘nominalist’, ‘boeddhist’ en ‘leegte’. Volgens realisten (de tegenstrevers van de nominalisten in de middeleeuwen) is spookwoord daarentegen zelf een spookwoord. De meeste mensen nemen een tussenpositie in. Ikzelf neem helemaal geen positie in.

weg ermee
taaldaad waarmee je afstand neemt van een verhaal, opvatting, theorie, geloof, waarheid of begrip of het niet-weten zelf

en weg ook met het weg ermee
taaldaad waarmee je afstand neemt van het afstand nemen, en zo alle afstanden in één klap tot nul reduceert

weteloos
niet wetend, agnostisch, dwijs; weteloze, weteloosheid


En dat ook niet

Toen ik net tot niet-weten was gekomen, kon ik alleen maar stamelen: ‘En dat ook niet! En dat ook niet! En dat ook niet!’ in reactie op gedachten die tevergeefs kaas probeerden te maken van wat ik destijds zelfs geen niet-weten wist te noemen. Die term, niet-weten, heb ik niet veel later ontdekt, toen ik de literatuur indook op zoek naar mensen die iets soortgelijks hadden meegemaakt. Jaren ben ik bezig geweest om woorden en uitdrukkingen te verzinnen en te verzamelen en ze aan elkaar te rijgen tot iets dat enigszins op proza begon te lijken. Verder dan ‘enigszins’ zal ik het wel nooit brengen.

Tegenwoordig kijk ik vol verbazing terug op die periode. Een woordenlijst heb ik allang niet meer nodig en de metaforen fladderen ’s zomers en ’s winters als vlinders door de dwaaltuin van mijn geest. Makkelijke woorden, moeilijke woorden, sommige lovend, andere neutraal of schertsend, net wat de situatie vraagt. Het zijn ook allang geen losse woorden meer, maar woordvelden, sjablonen, formules, denkwijzen.

Wil ik het nu hebben over iemand die niet meer weet dan spreek ik naar keuze van, bijvoorbeeld, een weetniet, weetnietgeest, weetnietbeest, niet-weter, nitwit, weteloze, dummy, duisterling, dwijze, dwijsneus, dwaalgast, dwaalgeest, dwaalgids, dwaallicht, tja-zegger, tjaïst, agnost, asoof, filasoof of autoclast.

Wil ik het hebben over het niet-weten (zelfstandig naamwoord) dan kan ik ook spreken van weteloosheid, verduistering, de wolk van niet-weten, de lege leer, het lege boek, lege spiritualiteit, lege religie, lege mystiek, groot uitzicht, mindlesness, de dwaalweg, een weetnietfeest, agnose, asofie, filasofie, adoxie, paradoxie of autoclasme.

Naar analogie van, en in contrast met, gevleugelde zentermen als Grote Twijfel, Grote Verlichting, Groot Vertrouwen en Groot Inzicht dienen zich voor een radicaal niet-weten spontaan termen aan als Groot Wantrouwen, Groot Uitzicht, Groot Doorzicht, Groot Ongeloof, Groot Voorbehoud, een Groot Schouderophalen en het Grote Tja. Het gaat hierbij natuurlijk steeds om dezelfde houding van totale scepsis ten opzichte van al je gedachten, gevoelens en waarnemingen, dus ook ten opzichte van de houding van totale scepsis ten opzichte van al je gedachten, gevoelens en waarnemingen. Een ontoloog of kosmoloog zou misschien zeggen dat alles (gedachten, gevoelens, waarnemingen) een illusie is, maya, maar ja, ik ben geen ontoloog en aan zulke generalisaties waag ik me niet. Aan andere ook niet, althans niet zonder ze ter plekke terug te nemen. Een Jiddu Krishnamurti zou die houding van totale scepsis ten opzichte van al je gedachten, gevoelens en waarnemingen, dus ook ten opzichte van de houding van totale scepsis ten opzichte van al je gedachten, gevoelens en waarnemingen misschien keuzeloos gewaarzijn noemen, maar wat ben ik, een getuige?

Eveneens naar analogie van en in contrast met zentermen als de Wijsheid voorbij alle wijsheid en de Kennis zonder leraar, kunnen we een radicaal niet-weten ook de wijsheid voorbij of de Wijsheid voorbij of de leraar zonder kennis noemen.

Al die woorden – ei ei, spielerei. Loze klanken voor loze Gedanken. Knollen voor citroenen. Ga er rustig mee aan de haal, maar laat ze niet met je aan de haal gaan. Of weet je wat? Zie maar.


Woordenlijstjes

  1. adoxie
  2. conditio tacita
  3. denk-beeld
  4. dwaalmeesters
  5. dwaaltaal (hele pagina)
  6. dwaalteksten
  7. dwaalwoorden
  8. dwijs
  9. dwijsbegeerte
  10. filasofie
  11. geen half mens,
  12. groot ongeloof
  13. de lege leer (hele pagina)
  14. regressieleer
  15. sstiltecentrum
  16. trechterdenken
  17. weetnietkunde (hele pagina)
  18. wijsheid, dwaasheid, inzicht
  19. wis-kunde
  20. zielsverrukt

Adoxie

Naar analogie van woorden als orthodoxie en heterodoxie zouden we dwijsheid* – het ontbreken of althans het tussen haakjes staan van iedere mening – adoxie (a- + doxie: geen mening) kunnen noemen.

Orthodoxie is rechtzinnigheid, heterodoxie is onrechtzinnigheid.
Het is daarom niet vergezocht om adoxie terug te vertalen als onzinnigheid.
In normaal Nederlands duidt dit woord op een gebrek aan gezond verstand*, wat voor de meeste mensen iets negatiefs schijnt te zijn.
Om het verschil tussen deze betekenis en die van adoxie aan te geven, schrijven we daarom on-zinnigheid, met een streepje tussen on en zinnigheid.
De bijbehorende adjectieven zijn respectievelijk adox en on-zinnig, in de betekenis van dwijs*.
Zoals men van een christen kan zeggen dat hij rechtzinnig is omdat hij in overeenstemming met de rechte leer leeft, zo kan men van een dwijze zeggen dat hij on-zinnig is omdat hij in overeenstemming met de lege leer* leeft.

Voor zover dwijsheid zich manifesteert als een eindeloze nevenschikking van meningen (standpunten, perspectieven, oordelen et cetera) waartussen de dwijze ten diepste geen onderscheid weet te maken, is paradoxie [Grieks, para, naast, bij + doxa] een voor de hand liggend synoniem.


Autoclasme

Iconoclasme is van alle tijden.
Iedere religie lokt zijn eigen tegenbeweging uit, soms zelfs meerdere.
Terwijl de oorspronkelijke religie uitdijt, diversifieert, inlijft, politiseert en verwatert, ontstaat vanzelf het verlangen om terug te keren naar de oorsprong, een roep om versobering.
Het orthodoxe christendom leidde naar verluid tot de mystiek, het katholicisme tot het calvinisme en het quakerisme, de islam tot het soefisme, het jodendom tot het chassidisme, het boeddhisme tot zen, het hindoeïsme tot de advaita vedanta en die weer tot neo-advaita.

Inderdaad kun je niet weten opvatten als het zoveelste iconoclasme, zij het dat het zich niet tegen één specifieke traditie richt – cultureel, spiritueel, filosofisch, psychologisch, religieus of anderszins – maar tegen alle tegelijk.
Of liever, tegen geen van alle, want niet-weten is niet naar buiten gekeerd maar naar binnen.
Het is een autoclasme.
Niet-weten vreet je eigen idolen aan – ideeën, helden, standpunten, theorieën, overtuigingen, idealen – zonder zich om die van de buitenwereld te bekommeren.
Totdat het zelfs het onderscheid tussen binnen en buiten vernietigt.
Totdat het zelfs het onderscheid tussen weten en niet-weten vernietigt.
Als ten slotte ook het vernietigen ten prooi valt aan deze veelvraat, is alles gewoon weer bij het oude.
Maar wat was eigenlijk het oude?
En wat is nog gewoon?


Denk-beeld

Houwen of breken?

Wat is de overeenkomst tussen wijzen en dwazen?
Ze denken niet, ze houwen denk-beelden.
Wijzen en dwazen zijn denk-beeldhouwers.
En als ze geen denk-beelden houwen dan eren ze ze wel.
Denk-beeldendienaars in een denk-beeldendienst.
Hun geest is een denk-beeldentuin vol denk-beeldengroepen.
En als ze geen denk-beelden eren dan venten ze ze wel.
Denk-beeldenventers in een denk-beeldenkraam.

Dwijzen houden wel van denkbeelden maar niet van denk-beelden.
Ze houwen ze niet en ze houden ze niet en ze eren ze niet en ze venten ze niet.
Maar ze breken ze met liefde.
Ze breken ze. Met liefde.
Ze breken ze uit liefde.
Ze breken zelfs de Liefde.

rotshoofd

Spreekt deze beeldspraak je aan?
Laat het dan geen beeld-spraak worden.


dwijze: iemand die geen onderscheid meer weet te maken tussen wijsheid en dwaasheid

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

mens-beeld, op leven en dood


Denksteen

Erger dan drekstenen en inoperabel bovendien. Welke denksteen wil jij op je graf?

In de filosofie heet het product van een letterlijk (realistisch, essentialistisch, eternistisch, substantialistisch, dualistisch, divisionistisch, discursief, hypostatisch) denken een hypostase.
Ik noem het een denksteen.
Hiermee wil ik de antinominalistische mentaliteit, die achter ieder woord een entiteit weet, aan de kaak stellen:

‘Ik denk dus ik ben.’ (Descartes)

‘God bestaat, anders kon ik hem niet denken.’ (Anselmus)

Het Woord is Steen geworden, zou een theoloog, nee, geoloog, nee, paleontoloog, nee, psycholoog… nou ja, laat maar zitten.

Luchtige gedachten krijgen door letterlijkheid het gewicht van meteorieten.
Het ene moment spreek je nog terloops over ‘de armen van geest, zielen die het zonder rede moeten stellen’, het volgende moment slaat diezelfde rede op hol en voor je het weet zit je gevangen in de vraag waar de geest, de ziel en de rede precies gelokaliseerd moeten worden en wat het verband is tussen de geest en de rede, de geest en de ziel, de geest en de Geest, en de Geest en de armoede van geest.
En zijn we tweeduizend jaar verder.

Denkstenen liggen zwaar op de geest.
Je kunt er net zoveel last van krijgen als van blaasstenen, nierstenen, galstenen, oorstenen, speekselstenen en drekstenen.
Vooral die laatste.
De geesteskramp die er het gevolg van is, zou je een denksteenkoliek kunnen noemen.
Iemand die regelmatig denksteenkolieken krijgt, is een denksteenlijder.
Slecht nieuws voor denksteenlijders:
Hoewel de denksteenvergruizer al in 1684 gepatenteerd is, heeft men nog altijd geen enkele denksteen kunnen lokaliseren.

Naschrift
Denk nou niet dat ik hierboven reclame maak voor het nominalisme.
Mocht het nominalisme al waar zijn dan heeft het zelf geen tegenhanger in de werkelijkheid.
Hetzelfde geldt voor het fictionalisme, het anti-platonisme, het anti-realisme, het formalisme, de boeddhistische leer van de leegte (sunyata) en van afhankelijk ontstaan, de hindoeïstische leer van maya en aanverwante doctrines.
Om over ‘werkelijkheid’ nog maar te zwijgen.


Dwaalgids

Een dwaalgids is iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.
Zozeer is hij de weg kwijt dat hij niet eens meer weet of hij wel op weg was, of dat hij wás, of ís, of wat ‘voorgoed’ betekent, laat staan dat hij zichzelf ziet als iemand die voorgoed de weg kwijt is en daarvan getuigenis aflegt.
Legt hij toch getuigenis af, dan eerder ter vermaeck dan ter leering, want wat valt er te leren aan een lege leer?
Aan de andere kant, wat valt eraan te lachen?

Natuurlijk staat het iedereen vrij om een voorbeeld te nemen aan een dwaalgids of iemand die zich daarvoor uitgeeft, maar vroeger of later zul je deze
kwestie onder ogen moeten zien:
Waarvan is de dwaalgids een voorbeeld?
Waarheen wijst zijn vinger – en wijst hij eigenlijk wel?

Tegen de tijd dat al je antwoorden in rook zijn opgegaan, en je vragen erbij, ben je hard op weg een voorbeeld te nemen aan je dwaalgids – maar dan hoeft het al niet meer.


Dwaalleer

De lege leer* is de enige leer die géén eind probeert te maken aan onze onwetendheid.
Hij mag dan ook met recht een dwaalleer heten.
Niet in de klassieke zin van een leer die de verkeerde kant op wijst, maar in de postmoderne zin van een leer die helemaal niet wijst – niet de verkeerde kant op en niet de goede.
Een leer die zelfs het niet-wijzen niet tot norm verheft.
Een leer zonder leer.
Een ‘leer’.


Dwaalmeester

Het woord ‘meester’ verwijst op deze website niet zoals gebruikelijk naar een goeroe, een mystagoog, een wijze, een wetende, iemand die de waarheid al weet of heeft of leeft, maar naar iemand die niet weet. Meesters in mijn dwaalteksten zijn anti-helden, gevallenen – dwaalmeesters. Dat kun je ook zien aan hun namen. Meestal blijven ze anoniem, maar als ze toch een naam krijgen dan heten ze meester Bijster, meester Dement, meester Eh, meester Nebbisj, meester Tja of meester Zuetsu [spreek uit: Zwetsu, red.] of zoiets.*

Het woord ‘leerling’ verwijst op deze website niet zoals gebruikelijk naar een zoeker, een onwetende, iemand die de waarheid nog niet heeft of leeft, maar integendeel naar iemand die weet of meent te weten: een gids, een raadgever, een coach, iemand die het allemaal wel doorheeft en anderen graag in zijn oneindige wijsheid laat delen.
Leerlingen blijven op deze website naamloos, op een enkele uitzondering na, zoals ‘leerling Meester’.

Waarom nog het oubollige woordpaar meester-leerling gebruikt in een tijd dat steeds meer mensen zelfs het tweetal leraar-leerling als te hiërarchisch ervaren en een voorkeur hebben voor iets anti-autoritairs als het intervisiemodel van Hisamatsu?
Daarom juist.
Ik heb geen betere manier kunnen vinden om het idee van de alwetende meester en de onwetende leerling te ondermijnen dan door de rollen volledig om te draaien met behoud van de oorspronkelijke terminologie, inclusief de bijbehorende beleefdheidsvormen.

De dialogen op deze website hebben al heel wat make-overs ondergaan.
De gesprekspartners hebben onder meer jij en ik geheten, X en H, A en B, Vraag en Antwoord, Leerling en Leraar, Jut en Jul en Weetal en Weetniet.
Ook heb ik geprobeerd de gesprekspartners van elkaar te onderscheiden zonder gebruik te maken van labels, door middel van cursivering en met behulp van aanhalingstekens.
Het was een heidens karwei om duizenden dwaalteksten keer op keer om te bouwen.
Mijn website bevat als gevolg daarvan nog steeds een pak fouten, met name in de beleefdheidsvormen en de werkwoordsvormen.
Het zal nog wel een poosje duren voor ik ze allemaal heb weggewerkt.
Stom genoeg ben ik na al die conversies uiteindelijk teruggekeerd naar de oude en vertrouwde leerling en meester waarmee het allemaal begonnen is.
Had ik dat geweten…

* Meester Ach, Meester Bè, Meester Bijster, Meester Blabla, Meester Dement,
Meester Eh, Meester Foetsie, Meester Haha, Meester Hak, Meester Hè, Meester Ik, Meester Kwenie, Meester Lijk, Meester Leerling, Meester Minder, Meester Mouche, Meester Nebbisj, Meester Nietes, Meester O, Meester Paf, Meester Quatsch, Meester Rara, Meester Sof, Meester Soit, Meester Spoorloos, Meester Spoorniet, Meester Sst, Meester Tja, Meester Wablief, Meester Wie, Meester Ziemaar, Meester Zomaar en Meester Zuetsu.


meesterschap


Dwaaltekst

Onder een dwaaltekst versta ik iedere tekst die, ongeacht zijn lengte en vorm, niet weten tot uitdrukking brengt.

Tegen de stroom in, bewegen dwaalteksten zich van de oplossing naar het probleem, van het antwoord naar de vraag, van de conclusie naar de premissen, van de stelling naar de onderstellingen, van begrip naar onbegrip, van zekerheid naar twijfel, van helderheid naar troebelheid, van vasthouden naar loslaten, van weten naar niet-weten – en daar dan weer voorbij.

Een dwaaltekst in de vorm van een woord of uitdrukking (‘only kidding‘, ‘wetend niet-weten’) noem ik een dwaalwoord, een dwaaltekst in de vorm van een sententie (‘De Grote Weg is niet moeilijk voor wie hem kwijt is’) een dwaalspreuk, een dwaaltekst in de vorm van een dialoog, interview of correspondentie een dwaalgesprek, en zo voort.

Dwaallicht is het licht van niet weten dat een dwaaltekst doorstraalt.


Dwaaltekst, de orde van

Beschouw de volgende reeks van dwaalzinnen:

  1. Ik weet niets.
  2. Ik weet niets, en dat ook niet.
  3. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet.
  4. Ik weet niets, en dat ook niet, en dat ook niet, en dat ook niet…

1. Een dwaaltekst van de laagste (eerste) orde ontkracht een gangbaar of voorafgaand denkbeeld, maar niet met zoveel woorden zichzelf.

2. Een dwaaltekst van de tweede orde herroept tevens zichzelf (en heeft daardoor altijd de vorm van een paradox).

3. Een dwaaltekst van de derde orde herroept tevens het herroepen.

4. Een dwaaltekst van de hoogste orde herroept zichzelf en iedere herroeping van zichzelf.

Vreemd genoeg drukken dwaalteksten van de hoogste orde nog steeds een weten uit, al is het maar een weten van niet weten.
Een oneindige ontkenning is nog steeds een bewering.
Daarom: dwaalteksten reiken naar niet weten maar bereiken het nooit.

Een dwaaltekst van de tweede orde noem ik een keerwoord*.


basic en verder


Dwaaltuin

De leidende metafoor van deze website, niet-weten.nl, is die van een dwaaltuin, waarin men eeuwig kan zoeken zonder iets te vinden, als ik mijn werk tenminste goed heb gedaan, en dat heb ik niet, want menigeen blijkt er toch weer het zijne in te vinden.
Paaseieren die hij er zelf heeft verstopt of wegwerpwijsheden van mijn hand waarmee ik iets anders weerspreek maar die ik op hun beurt niet weersproken heb omdat je nou eenmaal niet aan de gang kunt blijven.

In groter verband is ‘dwaaltuin’ ook een metafoor voor de wereld, waarin de dwijze niet alleen de weg kwijt is maar ook zichzelf en daarmee zijn wereld, om nog maar te zwijgen over het kwijt zijn, dat is hij ook kwijt, en daarmee het zoeken en daarmee het vinden, want hij mag dan misschien het hoofd hebben verloren, maar om nou te zeggen dat hij een dwaaltuin heeft gevonden?


Dwijs

Wetend noemen we degene die in de ban is van standpunten,
overtuigingen, begrippen, theorieën, veronderstellingen, normen,
waarden en andersoortige gedachten.
Zijn we het met hem eens dan noemen we hem wijs.
Zijn we het met het niet met hem eens dan noemen we hem dwaas.

Dwijs noemen we degene die niet in de ban is van zijn gedachten.
Zelfs niet van de gedachte dat hij niet in de ban is van zijn gedachten.
Zelfs niet van de gedachte dat je je aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat je je niet aan de ban van je gedachten zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat er een hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat er geen hij is die ergens al dan niet van in de ban zou kunnen zijn, of zich daaraan al dan niet zou kunnen onttrekken.
Zelfs niet van de gedachte dat…

Dood noemen we degene die zonder gedachten is.


Dwijsbegeerte

Zoals het woord wijsheid het woord dwijsheid* suggereert, zo wijst wijsbegeerte de weg naar dwijsbegeerte.

En zoals wijsbegeerte gedefinieerd kan worden als het construeren van onderscheidingen, met name de allerhoogste, zo kunnen we dwijsbegeerte definiëren als het deconstrueren van onderscheidingen – met name de allerhoogste.
Onderscheidingen zoals: vrijheid – gebondenheid, macht – overmacht, hemel – aarde, eenheid – veelheid, vorm – leegte, het eendere – het andere, eenheid – tweeheid – veelheid, ik – gij, heilig – profaan, hoger – lager, afgescheiden – verbonden, immanent – transcendent, subject – object, buitenwereld – binnenwereld, geest – lichaam, teken – betekende, absoluut – relatief, verlicht – onverlicht, lijden – vreugde, waarheid – leugen, echt – vals, spontaan – berekenend, weg – doel, leven – dood, geboren – ongeboren, vergankelijk – onvergankelijk, in de tijd – buiten de tijd, bestaand – onbestaand, reëel – illusoir, gegrond – grondeloos, weten – niet-weten, dualiteit – non-dualiteit, constructie – deconstructie, verlicht – onverlicht, wijsheid – dwaasheid en niet te vergeten wijsbegeerte – dwijsbegeerte.
Systematische deconstructie heeft bij mij helaas niet geleid tot ‘realisatie van non-dualiteit’ of tot een ‘hoger inzicht’ in de ‘transcendente eenheid van schijnbare tegenstellingen’, zoals ik pas weer ergens mocht lezen, maar gewoon tot een toestand van – ja, wat?
Kalme verbijstering?
En mag het wel een toestand heten als je niet voortdurend kalm bent en niet voortdurend verbijsterd en niet voortdurend je?

dwijsgeer
iemand die geneigd is tot het deconstrueren van onderscheidingen

dwijsgerig
deconstructief

dwijselijk
op de wijze van, zoals een dwijsgeer.


Ellips

Een retorische figuur die de dwijze* goed van pas komt is de ellips: het weglaten van woorden die er makkelijk bij gedacht kunnen worden.
De paradox niet weten, zelfs niet van niet weten wordt bijvoorbeeld ingekort tot zelfs niet van niets weten.
Andere voorbeelden van ellipsen:

zelfs niet zonder principes zijn

zelfs het opgeven opgeven

en dat ook niet

Passen we de ellips toe op de beginterm van het oxymoron*, wetend niet weten dan verkrijgen we de ellips niet weten.
Doende niet doen wordt niet doen.
Zeggend niet zeggen wordt niet zeggen.

Langs elliptische weg is het niet alleen mogelijk langdradige paradoxen weer te geven met een enkel woord, maar ook om paradoxen aan te duiden die zich anders maar lastig laten formuleren: niet duiden, niet interpreteren, niet vragen, niet antwoorden.

In plaats van de beginterm kunnen we ook de eindterm van een oxymoron laten vallen.
Wetend niet weten wordt dan ‘weten’.
Dat werkt goed, op voorwaarde dat we het overblijvende woord tussen aanhalingstekens* zetten want anders is het niet meer te herkennen als een elliptisch oxymoron.

Ook de ellips niet weten zouden we tussen aanhalingstekens kunnen zetten, om te benadrukken dat het niet om een letterlijk niet weten gaat – alsof ik kan weten dat ik niets weet – maar om een wetend niet weten, een niet weten tussen aanhalingstekens, een ‘niet weten’.

Het gebruik van aanhalingstekens is doeltreffend en vanzelfsprekend.
Zelfs zonder bovenstaande uitleg weet je intuïtief wat ik bedoel wanneer ik ‘ik’ schrijf of spreek over ‘de wereld’.
Zou ik steeds helemaal moeten uitleggen dat ik niet weet wat en óf de wereld is en wie of wat en óf ik ben en dat ik zelfs dat niet weet, dan zouden mijn teksten, net als deze zin, nog complexer en langdradiger worden dan ze al zijn.

Toegepast op de paradox niet weten, zelfs niet dat je niets weet, levert de ellips ons dus nog eens vier equivalente figuren op:

  1. zelfs niet van niets weten
  2. niet weten
  3. ‘weten’
  4. ‘niet weten’

Hieronder de vier formules van de ellips op een rijtje, met een zelfbedachte naam die je meteen weer mag vergeten.

  1. halfparadox: zelfs niet-A niet
  2. rechterterm: niet-A
  3. linkerterm tussen aanhalingstekens: ‘A’
  4. rechterterm tussen aanhalingstekens: ‘niet-A’

Laten we uit formule 1 de specificatie niet-A weg, dan ontstaat de generieke spreuk ‘zelfs dat niet’ of ‘en dat ook niet’.
Deze laatste formulering was de spontane mantra waarmee ik in oktober 2007, de eerste maand van mijn niet weten toen ik er nog nauwelijks woorden voor had, ‘iedere’ gedachte begroette.

Om zonder gebaren in gesproken tekst aan te geven dat een woord tussen aanhalingstekens staat, kun je woorden als quasi en verondersteld gebruiken: quasi-ik of de veronderstelde wereld, maar dat is wel uitkijken geblazen omdat ze al snel als ontkenning gaan fungeren.
Termen als de zogenaamde wereld en de hypothetische god bijvoorbeeld, wekken de indruk dat volgens de spreker de wereld een illusie is en god niet bestaat.
Daarmee zijn we in het domein van het weten beland, en dat was nou net niet de bedoeling.


Filasofie

Wijsbegeerte is een vertalende ontlening aan het Griekse philosophia [philos, vriend + sophia, wijsheid].
Bewandelen we deze weg in omgekeerde richting vanuit de nieuwvorming dwijsbegeerte*, dan komen we als vanzelf tot filasofie [Philos + a, niet + sophia].

Afleidingen van filasofie liggen voor de hand, maar ik noem ze toch maar even.
Een dwijsgeer*, iemand die filasofie bedrijft, heet een filasoof.
Het bedrijven van filasofie heet filasoferen.
Iets filasofie-achtigs heet filasofisch.
Een filasofeem is een filasofische stelling of uitspraak.
Een filasofaster is iemand die voorwendt filasoof te zijn, oftewel een nepdwijze.

Van filasofie is het maar een kleine stap naar asofie.
We hoeven alleen maar het voorvoegsel philos (vriend van, liefhebber van) te amputeren en we houden de staart a- (niet) + sophia (kennis, wijsheid) over.
Asofie: geen-kennis, niet-weten.

Asofie laat zich net zo vervoegen als filosofie en filasofie.
Een asoof is iemand die niet weet, een dwijze*.
Asofisch betekent niet wetend, dwijs*.
Asoferen is dwijsheid* beoefenen (of ondergaan; het is maar net hoe je het beleeft).
Een asofeem is een stelling of uitspraak die getuigd van niet weten.
Een asofaster is iemand die voorwendt niet-wetend te zijn.
Een asofisme is een dwaaltekst*.
Een asofist is iemand die dwaalteksten schrijft (of spreekt, of denkt).

Asofia, ten slotte, is de naam van onze beschermheilige.
Zoals alle heiligen, bestaat ze niet meer of heeft ze nooit bestaan.
Juist dit is wat haar in staat stelt ons tegen het weten te beschermen, en niet-weten tegen ons.

Ziezo. Nog meer woorden om in te slikken of stikken.


Keerwoord

Keerwoorden zijn voor mij de zuiverste uitdrukking van niet-weten, voor zover niet-weten zich überhaupt laat uitdrukken.
Van meet af aan ben ik er verzot op geweest.
Als ik mijn hele niet-weten en al mijn dwaalteksten moest samenvatten op een postzegel dan zou ik een keerwoord nemen.

Onder een keerwoord1 versta ik geen palindroom, zoals in het normale spraakgebruik, maar een uitspraak die zich tegen zichzelf keert2, zoals ‘zelfs niet weten van niet weten’ of ‘de twijfel betwijfeld’ of ‘ook van onthechting onthecht’ of ‘zelfs van leegte ontledigd’ of ‘alles is een illusie, ook de illusie’ of ‘ik heb niets te zeggen, dit ook niet’.

Een keerwoord kan de vorm van een motto of lijfspreuk hebben, maar ook van een frase, stelling, mededeling, vraag, definitie, lied, gedicht of grap.
Een keerwoord in de vorm van een aforisme zou je een keerspreuk kunnen noemen, een keerwoord in de vorm van een these een keerstelling, een keerwoord in de vorm van een dialoogje een keergesprek, enzovoort.

Een voorbeeld van een boeddhistisch keerwoord is sunyata-sunyata: de leegte van de leegte – een ontkenning van de leegte, die ons mijns inziens niet terug naar de vorm voert, maar uit (het onderscheid tussen) leegte en vorm.
Op analoge wijze zou je de term maya-maya kunnen vormen: de illusie van de illusie – een ontkenning van de illusie, die ons niet terug naar de realiteit voert, maar uit (het onderscheid tussen) illusie en realiteit.

Soms is de dubbele ontkenning die karakteristiek is voor het keerwoord expliciet aanwezig:

  • zelfs niet weten van niet weten
  • zelfs niet geloven in niet geloven
  • zelfs niet reiken naar niet reiken
  • zelfs niet nestelen in niet nestelen
  • zelfs niet hechten aan niet hechten
  • zelfs niet oordelen over oordelen

Deze keerwoorden staan toevallig allemaal in de gebiedende wijs, maar dat hoeft niet; ‘zelfs van het onthechten onthecht’ is net zozeer een keerwoord als ‘zelfs niet hechten aan niet-hechten’.

De dubbele ontkenning kan ook verstopt zitten in de werkwoorden en zelfstandige naamwoorden:

  • zelfs je weerstand niet weerstaan
  • zelfs geen principes tegen principes
  • zelfs het relativeren gerelativeerd
  • zelfs het twijfelen betwijfelen
  • zelfs het loslaten losgelaten
  • zelfs het opgeven opgeven
  • zelfs het afwijzen afgewezen
  • zelfs het weerspreken weerspreken
  • zelfs het ontkennen ontkend
  • zelfs het afbreken afbreken
  • zelfs de haakjes tussen haakjes
  • zelfs van leegte ontledigd
  • zelfs van de vrijheid bevrijd
  • zelfs aan het ontsnappen ontsnappen

Keerwoorden in de vorm van oxymorons:

  • alles liefhebben, zelfs de haat
  • overal ruimte voor hebben, zelfs voor bekrompenheid
  • overal voor open staan, zelfs voor geslotenheid
  • rustig blijven onder je onrust

Keerwoord in de vorm van een litanie:

Wat is het toppunt van niet weten?
Niet weten van niet weten.
Het toppunt van niet weten is het einde van niet weten.

Wat is het einde van niet weten?
Niet weten van niet weten.
Het einde van niet weten is het toppunt van niet weten.

Wat is het toppunt van niet doen?
Niet doen aan niet doen.
Het toppunt van niet doen is het einde van niet doen.

Wat is het einde van niet doen?
Niet doen aan niet doen.
Het einde van niet doen is het toppunt van niet doen.

Wat is het toppunt van onthechting?
Onthechting van onthechting.
Het toppunt van onthechting is het einde van onthechting.

Wat is het einde van onthechting?
Onthechting van onthechting.
Het einde van onthechting is het toppunt van onthechting.

Keerwoorden in de vorm van een filosofie:

  • een nihilisme dat zelfs het nihilisme en zichzelf nihil verklaart: een hypernihilisme
  • een negativisme dat zelfs negatief staat tegenover het negativisme en tegenover zichzelf: een hypernegativisme
  • een relativisme dat zelfs het relativisme en zichzelf relativeert: een hyperrelativisme
  • een perspectivisme dat zelfs het perspectivisme en zichzelf als een perspectief ziet: een hyperperspectivisme
  • een quïetisme dat niet alleen de wereld maar ook het quïetisme en zichzelf verzaakt: een hyperquïetisme
  • een scepticisme dat zelfs de twijfel en zichzelf betwijfelt: een hyperscepticisme3
  • een escapisme dat zelfs aan het escapisme en aan zichzelf ontsnapt: een hyperescapisme

Het verstand houdt niet van tegenspraken; het gezond verstand niet en het academisch verstand niet.
Wanneer een correcte mathematische redenering tot een tegenspraak leidt, volgt daaruit voor de wiskundige dat zijn aannames onjuist zijn.
Dit heet een bewijs uit het ongerijmde, reductio ad absurdum.
Door de aannames onjuist te verklaren, treedt men letterlijk uit het ongerijmde en wordt de wiskundige orde hersteld.

Een keerwoord, hoewel tegenstrijdig, leidt niet tot een conclusie omtrent de de aannames waarop deze is gebaseerd.
Een keerwoord bewijst niets, zelfs niet dat er niets te bewijzen valt.
Er wordt geen wiskundige orde, filosofische orde, politieke orde of wat voor orde dan ook mee hersteld.
Een keerwoord is simpelweg een puntige uitdrukking van een radicaal niet-weten.
Het is de hartekreet die de val in het ongerijmde inleidt en begeleidt, bekrachtigt en ontkracht, betreurt en bezingt.


Voetnoten

  1. In de zenboeddhistisch koanliteratuur komen ook keerwoorden voor, in het Engels turning words of turning phrases genoemd, die bij iemand die er rijp voor is, acuut tot verlichting zouden kunnen leiden. Keerwoorden in deze zin hoeven niet de vorm van een dubbele ontkenning te hebben.
  2. Een dwaaltekst* van de tweede orde* dus.
  3. Het pyrronisme is in theorie een hyperscepticisme, maar wordt door zijn belangrijkste vertegenwoordiger, Sextus Empiricus, uitgewerkt tot een tamelijk conservatieve, om niet te zeggen fatalistische levensbeschouwing.

het lege symbool


Koekoeksbegrip

Een begrip dat zit ingesloten in of wordt verondersteld door een ander begrip, noem ik een koekoeksbegrip of koekoek.

De term koekoeksbegrip verwijst naar de gewoonte van de
koekoek om haar ei stiekem in het nest van een andere vogel te leggen, zodat ze
het zelf niet hoeft uit te broeden.

Voorbeelden van koekoeksbegrippen zijn ik in jij, hoog in laag, boom in bos, object in subject, oorzaak in gevolg, a posteriori in a priori, iets in niets, werkelijkheid in illusie, één in meer, daar in hier, nu en straks in toen.
Voorbeelden van klassen van koekoeksbegrippen zijn hyperoniemen, hyponiemen en antoniemen.

Structuralisten stellen dat ieder begrip alle andere bevat.
Wie meent dat dit aperte onzin is, daag ik uit een (eentalig) betekeniswoordenboek in een voor hem volkomen vreemde taal te nemen en alleen met behulp van dit woordenboek de betekenis van één willekeurig trefwoord te achterhalen.
Niet bij de hand?
Ik ook niet.
Met een Nederlands woordenboek kan het ook.
Ik geef je één definitie uit onze eigen Van Dale.
Om het simpel te houden (meende ik) het elementaire woord boom:

‘houtachtig gewas met een zeer groot wortelgestel en een enkele, stevige, houtige en zich secundair verdikkende, overblijvende stam, die zich eerst op zekere hoogte boven de grond vertakt’

Nemen we deze definitie als indicatie dan moeten we vaststellen dat een zogenaamd eenvoudig begrip als boom zeker vijftien eerste-orde koekoeksbegrippen bevat.
Zoeken we deze op dan blijken ze zelf ook weer vol koekoeksbegrippen te zitten, van de tweede orde dus, en die op hun beurt vol koekoeksbegrippen van de derde orde, enzovoort.
Je moet me maar op mijn woord geloven of zelf het woordenboek ter hand nemen, anders moet ik de hele Van Dale plagiëren.

Naarmate je op jacht naar de exacte betekenis dieper doordringt in het woordenboek, neemt het aantal koekoeksbegrippen steeds verder maar steeds langzamer toe terwijl
tegelijkertijd steeds meer definities een vicieus karakter krijgen, tot
alle woorden aan bod zijn geweest en we moeten vaststellen, zoals we
van het begin af aan eigenlijk al wisten, dat een woordenboek een gesloten systeem van circulaire definities is.

Leidt elk begrip regressief naar alle andere begrippen?
Heb ik dat voor alle woorden gecontroleerd?
Welnee.
Ik heb het voor geen enkel woord gecontroleerd.
Ik moet er niet aan denken.
Maar of we vanuit elk willekeurig woord uiteindelijk op alle woorden uit het woordenboek stuiten of slechts op clusters van enkele tientallen, honderden, duizenden of tienduizenden, doet niet ter zake.
Waar het om gaat is dat je voor ieder begrip waarvan je achteloos
gebruikmaakt, er pakweg tien voor lief neemt, en voor elk daarvan weer tien, et cetera.
Waardoor iedere poging om vast te stellen wat je nou ‘eigenlijk’ bedoelt als je iets
zegt of denkt, al na twee of drie ronden tot een complete semantische knock-out leidt.

Begrijpen is als schaatsen op dun ijs: je moet hard doorrijden om er niet doorheen te zakken.
En nooit naar beneden kijken.
Dus weet wat je zegt als je zegt dat je weet wat je zegt.
Weet ook wat je zegt als je zegt dat je niet weet wat je zegt.


Koekoeksgedachte

Een impliciete gedachte die ten grondslag ligt aan een manifeste gedachte en alleen bij nadere analyse aan het licht komt, noem ik een koekoeksgedachte of koekoek.

Een koekoeksgedachte is een verstekeling aan boord van een manifeste gedachte.
De manifeste gedachte stuurt haar koekoeksgedachten als kwartiermakers vooruit om de ongrond te bereiden waarin zij schijnbaar wortelt.
In ruil daarvoor overstraalt de manifeste gedachte haar eigen ongrond, waardoor deze voor grond kan doorgaan zonder ontmaskerd te worden.

Een voorbeeld.
De zin ‘ik zoek de waarheid’ veronderstelt dat er een
waarheid is, dat er maar één is, dat zij bekend is maar nog niet
aan de zoeker, dat de zoeker haar zal vinden, dat hij haar zal kunnen
begrijpen, dat hij haar zal kunnen vasthouden, dat hij dan beter af
is, dat er een bestendige ik is, namelijk de zoeker, een
zoektocht die al enige tijd gaande is, een verleden waarin die
zoektocht tot op heden plaatsvond, een toekomst waarin de zoektocht
zich zal voortzetten en tot een bevredigend besluit
gebracht zal worden, en niet te vergeten een bestendige wereld
waarbinnen de zoektocht zich voltrekt.
Tegen de achtergrond van deze koekoeksgedachten lijkt de manifeste gedachte ‘ik zoek de waarheid’
vanzelfsprekend en onbetwistbaar.
Achter de voorgrond van de gedachte ‘ik zoek de waarheid’ lijken de koekoeksgedachten op hun beurt vanzelfsprekend en onbetwistbaar.
De ene hand wast de andere.

Nog een voorbeeld.
De vraag ‘Waarom heeft u uw echtgenote doodgeschoten?’, heeft als koekoeksgedachten (onder meer) ‘deze vrouw is uw echtgenote’, ‘deze vrouw is dood’, ‘zij is door een schot om het leven gekomen’, ‘het dodelijke schot is door u gelost’, ‘men schiet om redenen’, ‘ook u had uw redenen’, ‘uw redenen waren duidelijk voor u’, ‘u kunt zich die redenen op dit moment correct herinneren’, ‘u kunt ze duidelijk aan ons overbrengen’ en ‘u bent daartoe bereid’.

In de argumentatieleer wordt een vraag die op een onbevestigde veronderstelling berust een strikvraag genoemd.
Een goede rechter zou bovenstaande vraag pas toestaan nadat eerst was
vastgesteld dat de aangesprokene inderdaad zijn echtgenote
doodgeschoten had.
Naar analogie van het woord ‘strikvraag’ zou je een koekoeksgedachte een strikgedachte kunnen noemen.
Deze term herinnert eraan dat elke manifeste gedachte, hoe onschuldig ook, op een wirwar van strikgedachten rust.
Deze ook.

Elke vraag en iedere gedachte bevat oneindig veel koekoeken.
Hoe meer je er onder woorden brengt hoe meer er opduiken.
Daarom is het onmogelijk om de inhoud van een gedachte bloot te leggen.
Wat je ook denkt, je weet niet wat je denkt.
Niet precies en niet bij benadering.
Ook nu niet.

Voor de liefhebbers nog twee strikvragen:

Zijn de koekoeksgedachten die bij nader inzien in een manifeste gedachte aan het licht komen daadwerkelijk daarin aanwezig of is het de analyse zelf die ze produceert?

Wat betekent het dat verschillende mensen in dezelfde manifeste gedachte totaal andere koekoeksgedachten lezen?


Nu-isme

Als je iemand met belangstelling voor spiritualiteit vraagt hoe laat het is, moet je niet gek opkijken als hij zegt: ‘Nu.’
Dan weet je meteen dat je te maken hebt met een aanhanger van de leer van het eeuwige heden.
Volgens deze leer is het altijd nu.
Het verleden is een herinnering nu.
De toekomst is een verwachting nu.
Tijd als zodanig is een illusie.
Alleen het huidige moment is reëel.

De leer van het eeuwige heden is in het huidige heden zo populair dat ik er maar een naam voor bedacht heb: nu-isme.
Iemand die het nu-isme aanhangt is een nu-ist.
De nu-ist leeft naar zijn idee buiten de tijd in een heden zonder begin of einde, waarbinnen de lineaire en de cyclische, de logische en de psychologische, de relatieve en de absolute, de omkeerbare en de onomkeerbare tijd als illusie verschijnen.
De nu-ist weet zich in zijn diepste wezen ex tempore.

Ik vind het nu-isme een mooie theorie.
Een prachtexemplaar tussen miljoenen andere prachtexemplaren aangaande de tijd en talloze andere thema’s.
Of het altijd nu is mag iedereen voor zichzelf uitmaken.
Mij is het niet gelukt.
Ik ben er niet uitgekomen, en toch zit ik er niet meer in.
Ik weet mij niet in een eeuwig heden en niet erbuiten.
Ik weet mij niet in de tijd noch de tijd in mijzelf.
Ook in andere opzichten heb ik over tijd niets te melden.

Dat was het voor nu.
Welterusten, en morgen gezond weer op.


Numinisme

Het bestaan af en toe ervaren als een ‘goddelijk mysterie dat fascineert en doet beven’ omdat men zich overgeleverd voelt aan ‘het grote onbekende’, is één ding.
Het bestaan opvatten als een goddelijk mysterie is iets heel anders.
In het laatste geval is er sprake van een niet-lege leer omtrent de ware aard van de werkelijkheid, waarvoor ik hier maar even de term numinisme* gebruik [Latijn, numen, goddelijke openbaring; Duits, das Numinose (Rudolf Otto); Nederlands, het numineuze, het goddelijke mysterie].
Een aanhanger van het numinisme heet dan een numinist.
Deze toevoeging aan onze wondere taal heeft weinig zin, behalve dat ik nu in vier niet mis te verstane woorden kan zeggen: niet weten is geen numinisme.

Dat deze vier woorden niet mis te verstaan zijn is natuurlijk ijdele hoop, maar gelukkig geloofde ik het toch al niet.


Onderscheidingsonvermogen

Dat de wijze over wijsheid beschikt – kennis, inzicht, onderscheidingsvermogen – betekent nog niet dat de dwijze* over dwijsheid* beschikt.
Dwijsheid is eerder een onderscheidingsonvermogen.
Het is niet zozeer iets waarover je beschikt als iets waarover je de beschikking bent kwijtgeraakt – of waardoor je niet langer wordt beschikt.

Willen we ons voor de verandering positief uitdrukken, dan moeten we dwijsheid omschrijven als het inzicht dat al onze onderscheidingen grondeloos zijn.
Met deze kunstgreep introduceren we onwillekeurig het onderscheid gegrond – grondeloos, dat uitgaande van bovenstaande omschrijving zelf niet anders dan grondeloos kan zijn.
Is het dat niet dan volgt daaruit op grond van de logica alsnog de grondeloosheid van onze eigen dwijsheid, zodat we geen steek zijn opgeschoten.
Bovendien positioneert het woord dwijsheid, dat het onderscheid tussen dwaasheid en wijsheid wil overstijgen, zich ongewild tussen deze termen in en introduceert het, of ik het nou leuk vind of niet, maar liefst drie nieuwe onderscheidingen: dwaasheid – dwijsheid, dwijsheid – wijsheid, en (dwaasheid – wijsheid) – dwijsheid.

Voor het geval je eroverheen hebt gelezen: ik heb en passant ook nog onderscheid gemaakt tussen onderscheiden en niet onderscheiden, tussen inzicht en geen inzicht en tussen ik en jij, en ik sta op het punt onderscheid te maken tussen (onder meer) onder en boven, meer en minder, dit en dat, ons en de anderen, opzadelen en afzadelen, spreken en zwijgen, en verdelen en verenigen.
Dit heet: van kwaad tot erger.
Wat ons weer met de onderscheidingen kwaad – goed en erger – beter opzadelt.
Want spreken is verdelen.
Maar daarom is zwijgen nog geen verenigen.


Ontzeggingskracht

De effectiviteit waarmee een bepaald weten onder woorden wordt gebracht, heet de zeggingskracht. Net zo kunnen we de effectiviteit waarmee een bepaald niet weten onder woorden wordt gebracht, de ontzeggingskracht noemen.

Een dwaaltekst waarin afgerekend wordt met een groot aantal verschillende ideeën over, laten we zeggen, god, waarheid, wijsheid, verlichting, ethiek, de mens, de geest, het lichaam, de liefde, de dood of de (on)zin van het leven, heeft dan een grote ontzeggingskracht.


Zeven zegelen

Gekke wijsdom

‘Hans, ken jij de term ‘crazy wisdom’? Ik moest meteen aan jou denken. Wat is dat volgens jou, dwaze wijsheid?’
‘Hetzelfde als wijze dwaasheid.’
‘En wat is wijze dwaasheid?’
‘Hetzelfde als waze dwijsheid.’
‘En wat is waze dwijsheid?’
‘Hetzelfde als dwijze waasheid.’
‘Dat is dan vier keer niks.’
‘Dat waren vier oxymorons.’
‘Wat is een oxymoron?’
‘Een verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld dwaze wijsheid, wijze dwaasheid, waze dwijsheid en dwijze waasheid.’
‘En dat is vijf.’
‘Oxymoron is zelf een oxymoron, samengesteld uit de Griekse woorden oxys, slim en moros, dom.’
‘En dat is zes.’
‘Het zijn allemaal manieren om iets te zeggen zonder iets te zeggen.’
‘En dat is zeven.’
‘Zeven keer wat?’
‘Zeven keer niks.’
‘Voor niks heb je geen oxymorons nodig.’
‘Waarvoor dan wel?’
‘Wijsneus.’
‘Maar wat heb je er dan aan?’
‘Dwaas.’


Titel geïnspireerd op Openbaringen 5:

  1. Toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.
  2. Ik zag een machtige engel die met luide stem uitriep: ‘Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen?’
  3. Maar er was niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien.

dwijsheid


Oxymorons

Een oxymoron is een troop, een stijlfiguur, een wijze van spreken, net als bijvoorbeeld het understatement, de overdrijving of de toespeling.
Kenmerkend voor het oxymoron is de bevestigende of ontkennende verbinding van twee tegengestelde begrippen, bijvoorbeeld ‘van een hemelse platvloersheid’ of ‘een levende dode’ of ‘een oorverdovende stilte’.
Vaak is de eerste term een bijvoeglijk, de tweede een zelfstandig naamwoord.
‘Oxymoron’ is trouwens zelf een oxymoron, samengesteld uit de Griekse woorden oxys (slim) en moros (dom).

Voorbeelden van oxymorons met betrekking tot niet weten:

Mijn spreken is even nietszeggend als mijn zwijgen welsprekend.

Wat goed is in het ene opzicht is kwaad in het andere.

Een van de meest bekende oxymorons komt uit de traditie van het zenboeddhisme.
Ik heb het natuurlijk over de poortloze poort.
Een andere is afkomstig uit de Daodejing: wei wu wei oftewel doende niet doen.
Ook in de neoplatoonse filosofie, in de negatieve theologie en in de oosterse filosofie is het oxymoron gemeengoed.

Veel voorkomende formats van het oxymoron zijn A en niet-A, A noch niet-A, en voorbij A en niet-A. Bijvoorbeeld goed én kwaad, goed noch kwaad, voorbij goed en kwaad.
Deze formuleringen worden dikwijls als synoniem beschouwd.

Door in de tweede formule, A en niet-A, de tweede term, niet-A, te vervangen door zonder A verkrijgen we een vijfde formule: A-zonder-A, in ons voorbeeld goed-zonder-goed of kwaad-zonder-kwaad.
Knoflookkruid, dat wel naar knoflook ruikt maar geen knollen vormt, dankt aan dit verschil zijn naam: look-zonder-look.

Toegepast op niet weten levert het oxymoron ons zes equivalente uitdrukkingen op:

  1. wetend niet weten
  2. weten én niet weten
  3. weten noch niet weten
  4. voorbij weten en niet weten
  5. weten zonder weten
  6. niet weten zonder niet weten

De laatste is misschien wat zonderling, maar toch een goede waarschuwing tegen de onweerstaanbare neiging niet weten te verabsoluteren tot een zaak, toestand, persoon, waarheid of god.

Voor niet zeggen verkrijgen we op analoge wijze de volgende zes oxymorons:

  1. zeggend niet zeggen
  2. zeggen én niet zeggen
  3. zeggen noch niet zeggen
  4. voorbij zeggen en niet zeggen
  5. zeggen zonder zeggen
  6. niet zeggen zonder niet zeggen

En voor niet doen:

  1. doende niet doen
  2. doen én niet doen
  3. doen noch niet doen
  4. voorbij doen en niet doen
  5. doen zonder doen
  6. niet doen zonder niet doen

Tot slot de zes formules van het oxymoron op een rijtje.
Ik heb ze voor de herkenbaarheid een naam gegeven, die je meteen weer mag vergeten.

  1. bijvoeglijke ontkenning: A’ niet-A
  2. dubbele bevestiging: A én niet-A
  3. dubbele ontkenning: A noch niet-A
  4. overstijging: voorbij A en niet-A
  5. positieve herroeping: A-zonder-A
  6. negatieve herroeping: niet-A zonder niet-A

Hierbij staat A’ voor het van A afgeleide bijvoeglijk naamwoord.


Polderspiritualiteit

Niet weten is als de polder.
Vlak en open.
De grootste hoogte is de grootste diepte.
Je voetstuk steekt niet boven het maaiveld uit, het maaiveld niet boven je voetstuk.
Geen bergen en geen rivieren; geen bergen die geen bergen meer zijn en geen rivieren die geen rivieren meer zijn; geen bergen die weer bergen zijn en geen rivieren die weer rivieren zijn.
Niets om je achter te verbergen, niets om in te verdwalen, niets om in te verzuipen, niets om naartoe te lopen, niets om vandaan te lopen, niets om de weg terug te vinden.
Niets dan meer van hetzelfde, schijnbaar ingesloten door een onbereikbare einder.
De polder biedt maat noch houvast.
De ene polder is de andere.
In de polder zijn is blind zijn voor de polder.*
Niet weten is als de polder.


* polderblindheid: onvermogen tot het schatten van de juiste afstand, door het ontbreken van markante herkenningspunten in een polderlandschap (Van Dale)


Regressieleer

Onder regressie versta ik het stapsgewijs herleiden van een doorgaans bijzondere zaak, de regressor (een begrip, bewering, bewijs*, interpretatie,
oorzaak of verklaring) tot een gelijksoortige en doorgaans algemenere zaak.

Wanneer een regressie na een of meer achterwaartse stappen doodloopt in een beginpunt – een eerste oorzaak, een laatste zin, een hoogste doel, een diepste betekenis, een universele wet, een theorie van alles, een absolute autoriteit, een hoogste werkelijkheid, een ultieme waarheid, een basiswaarde – dan spreek ik van een eindige regressie, anders van een oneindige regressie.

Datgene waarin een eindige regressie ten einde loopt, noem ik de grond van de regressor.

Zodra je vaste grond onder je voeten hebt, is het probleem waarvoor je je gesteld zag, bijvoorbeeld het funderen van kennis, opgelost.
Tot die tijd schuif je het probleem maar voor je uit en ben je grondeloos.

Prijsvraag:
Hoe noem je iemand die geen gronden (nodig) heeft en zich toch niet grondeloos waant?

Onder een hypervraag versta ik een vraag die zo is geformuleerd dat het regressieve karakter ervan duidelijk wordt, bijvoorbeeld:

  • Wat is het doel van het doel?
  • Wat is de reden van de reden?
  • Wat is de functie van de functie?
  • Wat is het nut van het nut?
  • Wat is de waarde van de waarde?
  • Wat is de betekenis van de betekenis?
  • Wat is de oorzaak van de oorzaak?
  • Wat is de verklaring van de verklaring?
  • Wat is de zin van de zin?
  • Wie autoriseert de autoriteit?
  • Welke wet verklaart de wet?
  • Waaraan toetsen we de toetsingscriteria?
  • Welke premissen rechtvaardigen de premissen?
  • Wat is de logica van de logica?

Regressieleer is het kentheoretisch dogma dat ieder gezag – god, paus, kerk, bijbel, wetenschap, empirie, verstand, opleiding, intuïtie, ervaring – waarop je je beroept om iets (een daad, een maatregel, een stelling) te rechtvaardigen, op zijn beurt autorisatie behoeft, zonder eind, zodat je nooit ook maar de geringste zekerheid kunt verkrijgen.
Iedere verklaring vraagt immers om een onderliggende verklaring, iedere interpretatie om een hogere interpretatie, ieder principe om een achterliggend principe, et cetera.

Wat je ook opvoert, god, de wetenschap, intuïtie, ervaring, ratio, instinct – de vraag vanuit de regressieleer zal altijd zijn: hoe weet je dat die grond onbetwijfelbaar is?
Dit obstinate doorvragen, waartegen geen kruid gewassen is, maakt van elke regressie een oneindige regressie die verloren loopt in het ongewisse – tenzij je net als de wiskunde je toevlucht neemt tot postulaten.
Daardoor krijgt kennis echter hetzij een hypothetisch hetzij een fundament(al)istisch karakter en schiet je het doel, het onderbouwen van die kennis, alsnog voorbij.

Als het in algemene zin waar is dat iedere poging tot onderbouwing uitloopt op een oneindige regressie dan geldt dit uiteraard ook voor de regressieleer zelf.
Als het daarentegen niet voor de regressieleer zelf geldt dan is het in algemene zin niet waar.
Dat de regressieleer zichzelf kan onderbouwen is daarom al op voorhand uitgesloten.
Tenzij we de logica overboord zetten natuurlijk, maar dan kan het helemaal niet meer.
De regressieleer is dus zelf onontkoombaar dogmatisch.
Dit in tegenstelling tot niet weten, dat immers geen enkele uitspraak doet over wat dan ook, zelfs niet over de grondeloosheid van alle kennis.
Uit de lege leer volgt niets, ook geen regressieleer.
Omgekeerd volgt de lege leer nergens uit, ook niet uit de regressieleer.
Meer heb ik over een eventuele via regressiva naar niet-weten niet te zeggen.

Het probleem van het funderen van kennis noem ik het regressieprobleem.
Het argument dat je vanwege het regressieprobleem niets (zeker) kunt weten, noem ik het regressie-argument.
De oneindige regressie waaraan de regressieleer zelf te gronde gaat, noem ik de regressieparadox.

Op mijn startpagina ga ik dieper in op deze kwestie.


Sstiltecentrum

Nieuwsste woorden voor de armssten van geesst

Als je het allemaal niet meer weet, zoals ik, dan is het net alsof je de hele tijd ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) zegt tegen je gedachten.
Net alsof, maar niet letterlijk.
Want in werkelijkheid zeg ik nooit ‘sst’ (‘tja’, ‘eh’… ) tegen mijn gedachten.
Ik voel ook helemaal niet de behoefte om ze te sussen of te bezweren.
Van mij mogen ze tot volle wasdom komen, ketens vormen, hele kaartenhuizen, geen probleem, maar al die tijd hoor ik ze aan ALSOF ik naar een kind, een fantast, een dwaas, een vertegenwoordiger, een conferencier, een confabulist luister.
Dat geldt ook voor de gedachten die ik daarnet heb opgeschreven, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik zometeen ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.

‘Sst’ is voor mij dus geen mantra of methode om mezelf gerust te stellen of om tot niet-weten te komen of om in niet-weten te verblijven.
Evenmin is het een instructie of oefening voor de adept op weg naar niet-weten.
Het is alleen maar een wijze van spreken over mijn eigen niet weten.
Oefeningen in stilzwijgen (silentie), meditatie- en concentratieoefeningen om de geest tot rust te brengen of leeg te maken – ik doe ze nooit en ik heb ze nooit gedaan.
Integendeel, de beste manier om rustig te worden is in mijn geval praten met mijn lief.
Urenlang.
Als geen ander hou ik van denken, spreken, schrijven.
Als er al een oorzaak is aan te wijzen voor mijn dwijsheid* (alweer een wijze van spreken) dan is het dat het denken, spreken en schrijven zichzelf onomkeerbaar ten einde heeft gedacht, gesproken en geschreven, en maar ten einde blijft denken, spreken en schrijven.
Dat geldt ook voor deze gedachten, en waarschijnlijk ook voor de gedachten die ik zometeen ga opschrijven, maar dat weet ik nog niet.

De stilte waarover ik hieronder en in het algemeen op deze website spreek is dus alleen maar een figuurlijke stilte.
De figuurlijke stilte van niet-weten.
Een levende stilte, geen doodse.
Levend als een vrolijke keuken.
Stil als een olifant in een porseleinkast.
Niet-weten is trouwens ook maar een wijze van spreken.
Of zal ik het toch maar een wijze van zwijgen noemen.
Bij wijze van lachen.

Met deze kanttekeningen, presenteer ik hier mijn nieuwsste wegwerpwoorden voor de armssten van geesst:

sst
antwoord van de dwijze* op alle levensvragen
synoniemen: tja, eh, och…

fluissteren
‘sst’ (‘tja’, ‘eh’, ‘och’…) zeggen tegen al je gedachten

geesst
geest die fluisstert; synoniem: fluisstergeest

fluissteraar
iemand met een fluisstergeest; synoniem: gedachtenfluissteraar

russt
gemoedstoestand van de geesst; synoniemen: gemoedsrusst, zielenrusst, berussting; afleidingen: russtig, gerusst, berusstend

russten
rusten in de geesst

welterussten
een versstild bewustzijn toewensen

dwaalteksst
dwaaltekst opgevat als middel om de geesst te wekken

misst
metafoor voor de toestand van de geesst: ‘Dwalend in de misst van niet-weten’; zo ook duissternis, duisster: ‘verzaligd in de duissternis van mijn ziel’

sstilte
stilte van de geesst; afleidingen: sstil, sstillen, versstild

mysstiek
mystiek van de sstilte

eksstase
buiten alle denkbeelden (zelfbeelden, wereldbeelden, godsbeelden, tijdsbeelden, ideaalbeelden) sstaan

bewusst
met een versstild bewusstzijn

sstom
sprekend niet spreken of zwijgend niet zwijgen in de geesst van niet-weten; synoniem: sstilzwijgend

meester Sst
verpersoonlijking van de sstilte; kloon van meester Tja (dus een echte ouwehoer)

Meester Sst zegt: ‘Stilte maakt nog lang geen sstilte.’
Meester Sst zegt ook: ‘Sstilte is beslist niet stil.’


Hoe zeg je dat?

Bij het spreken is het enige verschil tussen de oorspronkelijke woorden en hun sst-variant een extra s.
Om deze hoorbaar te maken moet je de s-klank verlengen, iets wat wij Nedertalers zelden doen, behalve in het tussenwerpsel sst.
Het gaat best, maar het is wel even wennen, zeker voor je paleologistische gesprekspartner.

Hoe schrijf je dat?

Bij het schrijven kom je flink in de problemen als je gebruikmaakt van een tekstverwerker, want de spellingcorrectie weigert consequent alle sst-varianten, tot je ze stuk voor stuk hebt toegevoegd aan je privéwoordenboek.
Ook de lezer die niet al op de hoogte is, zal in eerste insstantie, eh… instantie, denken dat je een s teveel hebt geschreven.

Je moet als schrijver niet alleen uitleggen dat je de s moedwillig hebt tussengevoegd, maar dat ook expliciet maken in het woordbeeld, bijvoorbeeld met behulp van hoofdletters, koppeltekens of opmaak.
Geesst kun je bijvoorbeeld schrijven als geesSt, wat de sst minder herkenbaar maakt, of als gees-s-t, wat tot ongewenste woordafbrekingen leidt, of als geesst, wat eruitziet als een hyperlink1, of als geeSST, wat aan de SS doet denken, of als geeSst, dat geen van deze nadelen heeft en daarom mijn voorkeur geniet.

GeeSst, dat is de geest die sst zegt tegen zijn eigen gedachten.
Scheelt toch weer een paar letters, vergeleken met stiltegeest of weetnietgeest.
MySstiek, dat is mystiek die van God wil zwijgen (of beter nog, daadwerkelijk van God zwijgt, wat heel iets anders is).2
Scheelt toch weer een paar letters, vergeleken met lege mystiek.
Maar nooit zoveel letters als ik hier verkwanseld heb met mijn beschrijving van het Sstiltecentrum.


  1. Mocht je naar het SSTiltecentrum willen linken, dan kun je natuurlijk wel onderstrepen: SSTiltecentrum of sstiltecentrum.
  2. Zie bijvoorbeeld Meister Eckhart (‘Over God wil ik zwijgen’), Hadewijch (Ende hier omme swighic sachte) of de atheologie van Georges Bataille.

het stilte-evangelie


Stijlfiguren niet-weten

Spreken zonder spreken en zwijgen zonder zwijgen over weten zonder weten – hoe doe je dat?

Niet weten is onmogelijk uit te drukken zonder de stijlfiguren paradox, oxymoron, antithese, accumulatie, dubitatie en percontatie.
Ook de retorische vraag en de verschillende vormen van ironie, zoals understatement, overdrijving en omkering zijn onmisbaar.
Daarnaast heb ik een persoonlijke voorkeur voor alliteratie, dubbelzinnigheid, herhaling, nieuwvorming, rijm, en woordspeling.

De tautologie – ik ben die ik ben, ik denk wat ik denk, ik doe wat ik doe, ik voel wat ik voel, het is wat het is, het gaat zoals het gaat – is al zo vaak gebruikt om de onbepaaldheid en/of onbepaalbaarheid van het een of ander of meteen maar van het hele leven aan te geven, dat ze eerder als dooddoener fungeert dan als oprechte uiting van weteloosheid.
Om die reden zul je in mijn teksten nauwelijks een tautologie tegenkomen.

paradox
tegenstrijdige bewering

Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker

Ik weet niets en dat ook niet.

oxymoron
verbinding van tegengestelde begrippen

wetend niet-weten

wissend schrijven

de wijsheid zonder wijsheid

antithese
nevenschikking van tegengestelde begrippen teneinde door de contrastwerking iets te benadrukken

De hoogste waarheid een lage leugen.

Als een dwaas maar lang genoeg naar het westen loopt, wordt hij vanzelf een wijze uit het oosten.

accumulatie
opsomming van gelijksoortige elementen

Verlichting is geen plaats, geen tijd, geen weg, geen (on)grond, geen gemoedstoestand, geen staat, geen transformatie, geen ervaring, geen filosofie, geen houding, geen manier van doen, geen levenskunst, geen bewustzijnstoestand, geen identiteit, geen hogere werkelijkheid, geen orgaan, geen hoger inzicht, geen verwondering, geen eenwording, geen godgelijkheid en geen einde.

dubitatie
opsomming in vraagvorm om twijfel uit te drukken

Heeft de verlichte nou iets bereikt of juist niet? Heeft hij het niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-en-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken-noch-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het niet-niet-bereiken bereikt? Heeft hij het bereiken en het niet-bereiken en het bereiken-en-niet-bereiken en het bereiken-noch-niet-bereiken en het niet-niet-bereiken achter zich gelaten? Heeft hij zelfs het achterlaten achter zich gelaten? Dit alles tegelijk? Niets van dit alles? Iets anders? Niets anders? Wat denkt u?

percontatie
verzonnen dialoog, bijvoorbeeld de dwaalgesprekken op niet-weten.nl

retorische vraag
vraag die geen antwoord behoeft

Ik wil best het goede doen, maar wat is het goede?

ironie
vorm van (zelf)spot waarbij je niet zegt wat je bedoelt, bijvoorbeeld een understatement, overdrijving of omkering

understatement
vorm van ironie waarbij je iets zwakker uitdrukt dan je het bedoelt

‘Inshallah’ duidt nou niet direct op een heilig geloof in de vrije wil.

overdrijving
vorm van ironie waarbij je iets sterker uitdrukt dan je het bedoelt

Zen betekent zitten tot je een ons weegt.

omkering
vorm van ironie waarbij je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt

Niet-weten is de grootste intellectuele uitdaging van onze tijd.


Trechterdenken

Het herleiden van meerdere onbegrepen verschijnselen tot één onbegrepen principe, concept, hypothese of verklaring, zouden we trechterdenken kunnen noemen.
De theorie van de zwaartekracht is een voorbeeld van trechterdenken, evenals de evolutieleer en het atomisme.

Iedere keer als iemand zegt dat iets eigenlijk iets anders is, hanteert hij de denktrechter.
Volgens het materialisme is alles eigenlijk stof.
Volgens het idealisme is alles eigenlijk bewustzijn.
Volgens het boeddhisme is alles eigenlijk leeg.
Volgens zen is alles eigenlijk geest.
Volgens het monisme is alles eigenlijk een.
Volgens de mystiek is alles eigenlijk god.
Volgens de psychologie is god eigenlijk een sublimatie van de oerdrift.
Psychologie is eigenlijk biologie, biologie is eigenlijk fysiologie, fysiologie is eigenlijk scheikunde, scheikunde is eigenlijk natuurkunde, natuurkunde is eigenlijk theologie, theologie is eigenlijk filosofie en filosofie is eigenlijk antropologie.

De mond van de trechter afzagen en de wereld door het overgebleven buisje bekijken, leidt tot kokervisie*.
De mond van de trechter aan de mond van het lichaam zetten en luidkeels aan vriend en vijand meedelen hoe het nou eigenlijk zit, leidt tot megafonie.
Wie nu meent dat wat volgt op het woord ‘eigenlijk’ eigenlijk het eigen lijk van de voorafgaande gedachte is, kijkt naar zijn eigen lijk.


Variologie

Onder variologie versta ik de inventarisatie van alle mogelijke vragen inzake een bepaalde kwestie zonder het oogmerk ze te beantwoorden, van alle mogelijke antwoorden zonder het oogmerk het juiste vast te stellen, en van alle verborgen aannames zonder het oogmerk ze te onderbouwen.
Variologie is niet gericht op de werkelijkheid maar op de mogelijkheid, niet op de details maar op de grote lijn, niet op het ene maar op het menigvuldige.

Liever dan een standpunt te bepalen inventariseert de varioloog alle mogelijke standpunten en alle mogelijke argumenten voor en tegen onder het motto: Beter tien perspectieven aan de horizon dan één door mijn hart.
Zo bedrijft men natuurlijk geen politiek.
Maar wat dan wel?

Liever dan de werkelijkheid te doorgronden brengt de varioloog alle denkbare gronden en ongronden in kaart onder het motto: Beter tien kuub beton in de molen dan één om mijn voeten.
Zo bedrijft men natuurlijk geen filosofie.
Maar wat dan wel?

Liever dan een hypothese te toetsen zet de varioloog alle mogelijke hypothesen op een rij onder het motto: Beter tien verklaringen op papier dan één in mijn hoofd.
Zo bedrijft men natuurlijk geen wetenschap.
Maar wat dan wel?

Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg zonder het motto: Liever dan naar motto’s te leven gooit de varioloog ze weg.
Zo bedrijft men natuurlijk geen variologie.
Maar wat dan nog?


Waarheidszucht

Vroeger werd overdreven weetgierigheid weetziekte of weetzucht of weetlust genoemd.
Libido sciendi, met een mooi woord.
Net zo kun je een heftig verlangen naar de waarheid waarheidsziekte of waarheidszucht of waarheidslust noemen.

Waarheidszucht berust op de grondeloze veronderstelling dat (de) waarheid
bestaat, dat zij tijdloos en universeel is, belangrijk om te kennen en fijn om te weten, verkrijgbaar, houdbaar en overdraagbaar, ter eer en glorie van ieder individu afzonderlijk en de mensheid in het algemeen.

Waarheidszucht is in niet-weten niet zozeer bevredigd als wel uitgedoofd, wat
toevallig de betekenis van het woord nirwana is, maar dit terzijde.
De dwijze* veronderstelt niet dat de waarheid bestaat, laat staan dat zij geheel of overwegend aangenaam van karakter is.
Hierdoor komt het zoeken ernaar vanzelf op losse schroeven te staan.
De dwijze veronderstelt evenmin dat de waarheid niet bestaat, of dat zij geheel of overwegend onaangenaam van karakter is.
Hierdoor komt ook het niet zoeken ernaar op losse schroeven te staan.

De lijn van dit betoog doortrekkend kom je misschien in de verleiding dwijsheid* te definiëren als, bijvoorbeeld, zoeken en niet-zoeken, of zoeken noch niet-zoeken, of zoekend niet-zoeken, of het zoeken en niet-zoeken voorbij.
Maar draait het niet veeleer om de losse schroeven zelf, waarop niet alleen de waarheid is komen te staan maar ook het niet weten, om nog maar te zwijgen over de dwijze zelf en – grote stappen, snel thuis – meteen maar de hele mikmak, wat dat ook moge wezen?

De dwijze meent niet dat hij de waarheid heeft noch dat hij haar niet heeft, niet dat hij haar leeft noch dat hij haar niet leeft, niet dat hij haar is noch dat hij haar niet is, en zo verder voor alle werkwoorden in en buiten het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal.


Wis-kunde

Omdat de dwijze* voortdurend van standpunt wisselt en onophoudelijk zijn gedachten wist, zou je hem een wiskunstenaar kunnen noemen, zijn dwijsheid* wis-kunde of wis-kunst, zijn levenshouding wiswijs.

Zelf gebruik ik die woorden niet.
Voor je het weet gaan mensen weer wis-kunde bedrijven en zich wiswijs wanen en prijzen uitreiken aan en wierook branden voor de beste wiskunstenaars.
Dank je lekker.
Dan wis ik ze liever meteen.