Dwijsheid

‘No claim en geen verzekering.’ Dwaalgesprekken over het luwe niemandsland tussen wijsheid en dwaasheid.
dwijze: iemand die niet meer weet hoe het allemaal zit, hoort en moet en daarom wijs noch dwaas is; dummy, agnost, weetniet(geest); zo ook dwijs, dwijsneus, dwijsheid, dwijselijk, dwijsgeer, dwijsbegeerte…

Wijsheid

Dwijsheid

Te licht bevonden

‘Wat is dwijsheid?’
‘Een röntgenstraal.’
‘Wat zie je als je hem op dwaasheid richt?’
‘Louter transparantie.’
‘En als je hem op wijsheid richt?’
‘Louter ondoorzichtigheid.’

Voor goudzoekers

‘Wat is dwijsheid?’
‘Niet claimen dat je iets weet, niet claimen dat je niets weet.’
‘No-claim.’
‘En geen verzekering.’

Een vis op het droge

‘Wat is het verschil tussen de dwaas en de wijze?’
‘De dwaas kiest het ruime sop, de wijze blijft aan land.’
‘En de dwijze?’
‘Die valt tussen de wal en het schip.’

Spijtoptanten

‘Wat is een dwaas?’
‘Iemand die wou dat hij wijs was.’
‘Wat is een wijze?’
‘Iemand die wou dat hij dwaas was.’

Stil verlangen

‘Wat is een dwaas?’
‘Iemand die wou dat hij niks meer wou.’
‘Wat is een wijze?’
‘Iemand die wou dat hij nog wat wou.’

De wonderlamp van Aladdin

‘Wat is het verschil tussen de dwaas en de wijze?’
‘De dwaas scherpt zijn geest en de wijze opent zijn geest.’
‘En de dwijze?’
‘Die heeft de geest gegeven.’

Grote stappen, snel thuis

‘Wat is domheid?’
‘Je vorige inzicht.’
‘Wat is wijsheid?’
‘Je huidige inzicht.’
‘Wat is hogere wijsheid?’
‘Je volgende inzicht.’
‘Zo kun je wel aan de gang blijven.’
‘Zeg dat wel.’
‘Wat is de hoogste wijsheid?’
‘De inzichten voorbij.’
‘En de allerhoogste?’
‘Het voorbij zijn voorbij.’
‘Wat heb je dan nog over?’
‘Tja.’
‘Noem dat maar wijsheid.’
‘Noem het dan maar dwijsheid.’

Geen vliegwerk

‘Wat is dwijsheid?’
‘Jezelf niets wijs maken.’

Geen kunst

‘Wat is dwijsheid?’
‘Jezelf niets maken.’

Door naar af

‘Wat is dwijsheid?’
‘Het ligt eraan voor wie.’
‘Waar denk je aan?’
‘De dwaas, de wijze of de dwijze.’
‘Wat is dwijsheid voor dwazen?’
‘Een almaar terugtrekkende beweging.’
‘Waaruit?’
‘Het almaar oprukkende weten.’
‘Wat is dwijsheid voor wijzen?’
‘Een almaar terugtrekkende beweging.’
‘Waaruit?’
‘Het almaar oprukkende niet weten.’
‘Wat is dwijsheid voor dwijzen?’
‘Een almaar terugtrekkende beweging.’
‘Waaruit?’
‘Een almaar terugtrekkende beweging.’

Een wegwerpwoord

‘Wat is dwijsheid?’
‘Wat jij denkt dat het is.’
‘Dan zeg ik, niet goedkeuren, niet afkeuren.’
‘Dan zeg ik, het goedkeuren en afkeuren niet goedkeuren of afkeuren.’
‘En als ik dat had gezegd?’
‘Dan had ik gezegd, het goedkeuren en afkeuren van het goedkeuren en afkeuren niet goedkeuren of afkeuren.’
‘En als ik dat had gezegd?’
‘Dan had ik gezegd, het goedkeuren en afkeuren van het goedkeuren en afkeuren van het goedkeuren en afkeuren niet goedkeuren of afkeuren.’
‘Zo blijft er niet veel over.’
‘Zeg maar gerust niets.’
‘Hoe bereik ik dat niets?’
‘Door niet te reiken.’
‘Ik bedoel, wat moet ik ervoor doen?’
‘Dat zou toch weer reiken zijn.’
‘Wat moet ik ervoor laten?’
‘Dat zou nog steeds reiken zijn.’
‘Wanneer komt daar een einde aan?’
‘Als je het allemaal niet meer weet.’
‘Dan heb je ook niet veel bereikt.’
‘Zeg maar gerust niets.’
‘Hét niets?’
‘Niets om over naar huis te schrijven.’
‘Omdat je geen huis meer hebt?’
‘En niets om over te schrijven.’
‘Omdat de waarheid voorbij de woorden is?’
‘Waarheid is een woord.’
‘Waarom geef je het dan een naam?’
‘Waarom geef ik wat een naam?’
‘Waar hebben we het nou de hele tijd over.’
‘Dat zou ik ook weleens willen weten.’
‘Dwijsheid toch?’
‘O, dat.’
‘Nou?’
‘Zodat het nog wat lijkt?’
‘Voor wie?’
‘Voor mensen zoals jij.’
‘Je geeft het een naam zodat het nog wat lijkt voor mensen zoals ik?’
‘Mensen die willen weten wat dwijsheid is.’
‘Wat is dwijsheid?’
‘Wat jij denkt dat het is.’

Motie van wantrouwen

‘Getuigt dwijsheid niet van een diep wantrouwen?’
‘Jegens wat?’
‘Jegens de wereld?’
‘Zeker.’
‘Jegens de ander?’
‘Beslist.’
‘Jegens jezelf?’
‘Uiteraard.’
‘Jegens je gedachten?’
‘Nou en of.’
‘Zo wil ik echt niet leven.’
‘Hoe niet?’
‘Als een dwijze niet.’
‘Hoe leeft een dwijze volgens jou?’
‘In volstrekt wantrouwen.’
‘Welnee!’
‘Niet?’
‘Als de dwijze iets wantrouwt, dan is het wel het wantrouwen.’
‘Ja, is dwijsheid nou het toppunt van wantrouwen of het einde ervan?’
‘Daar zou ik maar niet op vertrouwen.’

Geloofshalve

‘Waar geloof jij eigenlijk in?’
‘Nergens in.’
‘Behalve in jezelf zeker.’
‘Ook niet.’
‘Behalve in niet geloven dan?’
‘Ook niet.’
‘Niet te geloven!’
‘Dat zeg ik.’
‘Dwaasheid!’
‘Dwijsheid.’

Coup de grâce

‘Wat is dwijsheid?’
‘Paranoia.’
‘Wat is paranoia?’
‘De laatste poging van de geest om de macht over te nemen.’
‘Dus jij gelooft dat wij een geest hebben?’
‘Ik niet.’
‘Geloof jedat we geen geest hebben?’
‘Ik niet.’
‘Maar je gelooft wel in macht?’
‘Ik niet.’
‘Je gelooft niet in macht?’
‘Ik niet.’
‘Waarom definieer je paranoia dan als de laatste poging van de geest om de macht over te nemen?’
‘Ik zeg maar wat.’
‘O.’
‘Wat ik ook zeg.’
‘Aha.’
‘Gesnopen?’
‘Je zegt maar wat.’
‘Ook als ik zeg dat ik maar wat zeg.’
‘Dus eigenlijk niet?’
‘Ook als ik zeg ‘ook als ik zeg dat ik maar wat zeg’.’
‘Dat mag gerust paranoia heten.’
‘En anders noem je het maar dwijsheid.’

Zeker weten

‘Wat voor twijfelen is dwijsheid, vraag ik mij af.’
‘Een twijfelen dat zich niets meer afvraagt.’

Letter lijk

‘Wat is het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?’
‘De eerste is stellend, de tweede ontstellend.’

Lost and found

‘Wat is het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?’
‘Wijsbegeerte wil de waarheid vinden, dwijsbegeerte wil zich ervan ontdoen.’
‘Wil jij de waarheid vinden of je ervan ontdoen?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Ik bedoel, heb jij de waarheid gevonden of je ervan ontdaan?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Laat ik het dan zo stellen, ben je beter af met de waarheid of zonder?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Hebben we hiermee de waarheid gevonden of ons ervan ontdaan?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Maar wat is nou het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?’
‘Dat is nou het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte.’

Gek

‘Wat is dwijsheid?’
‘Het weten valt weg.’
‘Ben je dan onwetend geworden?’
‘Het niet weten valt weg.’
‘Alles valt weg?’
‘Het wegvallen valt weg.’
‘En dan is alles weer normaal?’
‘Doe even normaal.’

Uitgelezen

‘Waar kan ik meer over niet weten te weten komen?’
‘In iedere kantoorboekhandel.’
‘Waar moet ik om vragen?’
‘Een dummy.’

Een oneindige nul

‘Wat is het verschil tussen de dwaas, de wijze en de dwijze?’
‘De dwaas heeft het verstand op nul en de blik op oneindig. De wijze heeft het verstand op oneindig en de blik op nul.’
‘En de dwijze?’
‘Vraag dat maar aan de wijze.’
‘Waarom niet aan de dwijze?’
‘Dwaas.’

To have or not to have

‘Waarom verandert de dwijze nooit van mening?’
‘Omdat hij geen mening heeft.’

‘Waarom verandert de dwijze steeds van mening?’
‘Omdat meningen hem niet hebben.’

As

‘Wat is het verschil tussen dwijsheid en dementie?’
‘Bij dwijsheid is het denken nog intact.’
‘En de overeenkomst?’
‘Beiden leiden tot verstrooiing.’

Als kwikzilver

‘Wijsheid is beweeglijker dan alle weten.’
‘Niet weten is beweeglijker dan alle wijsheid.’

Pompen of verzuipen

‘Wat is de overeenkomst tussen de wijze en de dwijze?’
‘Beide zijn drenkelingen.’
‘Waarin verdrinkt de wijze?’
‘In de zee van weten.’
‘En de dwijze?’
‘In de zee van niet weten.’
‘Maar ik wil helemaal niet verdrinken!’
‘Ik weet het.’
‘Hoe moet dat nou?’
‘Ik weet het niet.’

Wis of mis

‘Wat is dwaasheid?’
‘Kijken naar wat je weet.’
‘Wat is wijsheid?’
‘Kijken naar wat je niet weet.’
‘Wat is dwijsheid?’
‘Kijken.’
‘Wat zie je dan?’
‘Als ik dat eens wis.’

Alle waar is naar zijn geld

‘Wat is dwaasheid?’
‘Geestelijke rijkdom.’
‘Wat is wijsheid?’
‘Geestelijke armoe.’
‘Wijsheid is geestelijke armoe?’
‘Zeg maar gerust geestelijk bankroet.’
‘Wat is de wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Het faillissement van het bankroet.’
‘Heb je dan nog minder dan niets of toch weer iets?’
‘Zeg maar gerust alles.’

Van de wijs

‘Wat is wijsheid?’
‘Niet weten wat wijs is.’

‘Wijsheid is niet weten wat wijs is.’
‘Wijsneus.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Dwaas.’

Honderd tegen een

‘Eén dwaas kan meer vragen stellen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden.’
‘Eén dwaas kan meer vragen beantwoorden dan honderd wijzen kunnen stellen.’

‘Eén dwaas kan meer vragen beantwoorden dan honderd wijzen kunnen stellen.’
‘Wat leid je daaruit af?’
‘Dat vragen van meer wijsheid getuigt dan antwoorden.’
‘Dwaas.’

Simpel

‘Wat is het verschil tussen de wijze, de dwaas en de dwijze?’
‘De wijze weet je precies te vertellen hoe het zit.’
‘En de dwaas?’
‘Ook.’
‘En de dwijze?’
‘Niet.’
‘Wat is dan het verschil tussen de wijze en de dwaas?’
‘Ik zou het ook niet weten.’

Krumpie

Een gevleugelde uitspraak, meen ik, van het olifantje Krumpie, dacht ik, in mijn favoriete jeugdboek, geloof ik, De zeven wonderdaden van Kevertje Plop, of zoiets, van ene Jean Dulieu, of wie het ook was, luidt: ‘Misschien wel, maar misschien ook niet.’

Al rond mijn zevende, toen mijn vader dit verhaal aan mij voorlas onder een Philips hoogtezon (de Melanoma), heeft deze uitspraak zich althans in deze vorm in mij vastgezet, ook al zou het nog decennia duren voor ik zelf een Krumpie werd.
Als definitie van dwijsheid kan hij zich misschien meten met de beste – maar misschien ook niet.

Grondzee

Dwijsheid is niet het einde van het weten.
Daarvoor zou er eerst een weten moeten zijn.
Een weten waarvan?
Op welke gronden?
Geen gronden te vinden.
Zonder gronden geen weten.
Zonder weten geen einde van het weten.
Zonder einde van het weten geen niet weten.
Dwijsheid is het einde van niet weten.