Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

‘Een dwijze is iemand die het heilige geloof in al zijn hokjes, hekjes en haakjes is kwijtgeraakt.’ Dwaalteksten over dwijsheid, de grenzeloze vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid.

Dwaalgids > Filosofie > Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Lees ook: Het evangelie van Ongelovige Thomas

INHOUDSOPGAVE

Zwerven, vrij en blij

Wijsheid is een vorm van dwaasheid

Hoe vaak heb jij al gedacht dat je de wijsheid in pacht had?

Dwaasheid is de waarheid najagen.

Wijsheid is denken dat je de waarheid hebt gevonden.

En weer.

En nog een keer.

Hoe vaak heb jij de waarheid al gevonden? Hoe vaak heb jij al gedacht dat je de wijsheid in pacht had?

Dwaasheid is de waarheid najagen

Wijsheid is een vorm van dwaasheid.

‘Wijsheid is een vorm van dwaasheid’ ook.

Verder lezen: Agnose!

Dwijsheid is: geen onderscheid maken tussen dwaasheid en wijsheid

Piep, piep, piep

Dwijsheid is je neus achterna lopen. Gewoon maar wat doen. Gaan en staan waar je wilt. Zwerven, vrij en blij.*

Dwijsheid is je neus achterna lopen

Dwijsheid is: geen onderscheid maken tussen dwaasheid en wijsheid.

Om precies te zijn: bij nader inzien geen onderscheid weten te maken tussen dwaasheid en wijsheid.

Telkens weer, keer op keer. Net zolang tot je er niet meer in gelooft en het opgeeft. Wat er dan gebeurt…

Sommigen noemen het dwaasheid. Zij weten kennelijk nog steeds onderscheid te maken tussen wijsheid en dwaasheid.

Anderen noemen het wijsheid. Zij weten kennelijk nog steeds onderscheid te maken tussen dwaasheid en wijsheid.

Weer anderen noemen het wijsheid zonder wijsheid of de wijsheid voorbij alle wijsheid. Ik noem het dwijsheid. Leuk gevonden, het helpt geen zier.

Hoe meer woorden, hoe meer overeenkomsten en verschillen, hoe meer je uit te leggen hebben. Dit heet van kwaad tot erger.

Je kan nog beter niets zeggen. Ik bedoel, je kan nog beter piep zeggen. Piep. De piep van zelfcensuur. De piep van een denken dat zichzelf tot de orde roept. De piep van een piepkuiken dat nog niet van kakelen weet. De piep van een ouwehaan die niet meer van kukelen weet.

Piep. Piep. Piep. Beter kan je het niet zeggen. Maar wie zal je verstaan?

* titel van het eerste hoofdstuk van de Zhuang Zi (in de vertaling van Kristofer Schipper)

Verder lezen: Wat is non-dualisme? Wat is non-dualiteit?

Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid

Drieëndertig triaden van genade

De dwaas denkt dat de wereld echt is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de wereld een illusie is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iemand is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niemand is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij een vrije wil heeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij geen vrije wil heeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij in de wereld is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de wereld in hem is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat alles substantieel is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat alles leeg is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij de film is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij het doek is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij niets is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij alles is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er vele dingen zijn, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er maar één ding is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij het lichaam is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij de geest is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij licht ziet, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij licht geeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij geschapen is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij de schepper is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat waarheid relatief is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de waarheid absoluut is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij moet doen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij moet laten, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij geboren is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij ongeboren is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij zal sterven, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij onsterfelijk is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij in de tijd leeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij in het nu leeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat liefde de mensen verbindt, de dwijze niet.
De wijze denkt dat liefde de mensen oplost, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat de waarheid zegbaar is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de waarheid onzegbaar is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat alles anders moet, de dwijze niet.
De wijze denkt dat alles volmaakt is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er iets te bereiken valt, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er niets te bereiken valt, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij zichzelf moet verlossen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij iedereen moet verlossen, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iets nodig heeft, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niets nodig heeft, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij zich moet verdedigen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij zich moet overgeven, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij moet vasthouden, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij moet loslaten, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat begeerte bevredigd moet worden, de dwijze niet.
De wijze denkt dat begeerte overwonnen moet worden, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat het denken zal overwinnen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij het denken zal overwinnen, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij het denken moet overwinnen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij het denken heeft overwonnen, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat de leer nergens is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat de leer overal is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er een leer is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er geen leer is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij verlicht kan worden, de dwijze niet.
De wijze denkt dat iedereen al verlicht is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat er een weg is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat er geen weg is, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij iets weet, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij niets weet, de dwijze niet.

De dwaas denkt dat hij wijs is, de dwijze niet.
De wijze denkt dat hij dwaas is, de dwijze niet.

Wat denk jij allemaal niet?

De dwaas, de wijze en de dwijze: een triade van genade

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Lees ook: Wat is de weetnietgeest? Loflied op niet-weten

Ik wou dat ik twee dwazen was

Het nirwana van de numerologie

Drie

Het godsgetal

De vorige dwaaltekst, ‘Dwijsheid, vrijplaats tussen dwaasheid en wijsheid’, heeft als ondertitel ‘Genade in drieëndertig triaden’. Dat aantal is geen toeval.

Drie is het godsgetal. Zoals de numerologen onder ons wel weten is een triade een drietal, bijvoorbeeld de Boeddha, de Dharma en de Sangha; de Vader, de Zoon en de Heilige Geest; de Dwaas, de Wijze en de Dwijze. Dit waren drie triaden.

Er zijn dus drieëndertig triaden van genade, en elk daarvan volstaat. Want iedere triade is een lade voor alle andere. Het is alles of niets – genadeloos de genade.

Je kunt het vergelijken met de achtenveertig Poortloze Poorten van de Wumenguan. Elke poort biedt toegang tot een en dezelfde plaatsloze plaats: de wolk van niet-weten, of hoe het hier ook mag heten. Een poort is nou eenmaal geen trede. Maar boven is wel beneden.

Drieëndertig triaden is drie keer…

Elf

Het dwazengetal

Elf is het dwazengetal. Het gekkengetal. Het narrengetal. Het zottengetal. Het kengetal van carnaval.

Carnaval begint officieel op de elfde van de elfde om elf over elf met een vergadering van de Raad van Elf.

Het officiële begin van carnaval is overbodig omdat carnaval nooit officieel ophoudt, laat staan officieus. Het wordt al minstens sinds Protopotamische tijden non-stop gevierd.

Je wordt geboren in een optocht en loopt de polonaise tot je erbij neervalt. Dan word je, nog steeds in een stoet, naar je graf gedragen.

Onderweg verkleed je je als leerling, als moeder, als pastoor, als roshi, als geelhoed, als coach, als blogger, als vlogger, als socialist, als boer, als burgermeester – pakken van hetzelfde laken. Elf ambachten, elf ongelukken.

Wat je ook voorwendt,

Je bent en blijft Prins Carnaval
Gekluisterd aan je grondgetal

Tweeëntwintig

Het wijzengetal

Twee keer elf is tweeëntwintig.

Tweeëntwintig is het wijzengetal.

Tweeëntwintig gedeeld door twee is elf, dus een dwaas is een halve wijze, en een wijze is twee dwazen, daar hoef je echt geen Einstein voor te wezen.

Tweeëntwintig wordt ook het meestergetal genoemd. Een meester is in mijn idioticon iemand die de catch 22 van verlichting volledig doorziet, en daarmee zijn meesterschap.

De ware meester is meester-af. Meester-af kent geen onware meesters. Zijn ware naam is Meester Af.

Drieëndertig

Het dwijzengetal

Drieëndertig is de som van het dwazengetal elf en het wijzengetal tweeëntwintig, 11 + 22 = 33.

Drieëndertig is het dwijzengetal. Een dwijze is derhalve een dwaze wijze, oftewel een wijze dwaas, want optellen is commutatief.

Een wijze die zich van zijn dwaasheid probeert te ontdoen is gewoon een dwaas. Een dwaas die zich van zijn wijsheid probeert te ontdoen ook. Want aftrekken is niet-commutatief, maar dwaasheid wel distributief.

Een dwijze is een dwijze is een dwijze, op en top associatief. Aan haakjes heeft hij lak.

Hij laat zich niets wijsmaken en maakt niemand iets wijs, dit ook niet.

Hij laat zich niets wijsmaken en maakt niemand iets wijs, dit ook niet.

Hij laat zich niets wijsmaken en maakt niemand iets wijs, dit ook niet.

De dwijze draait op 33 toeren om zijn as, als een derwisj met een kras maar zonder plaat voor zijn kop of raad van elf.

Drieëndertig is het sleutelgat van een tuimelslot, een bermudadriehoek boven een zwart gat – een onmogelijk uitroepteken aan het einde van het denken dat ooit begon met een onschuldig vraagteken.

Drieëndertig is ook de hoogste graad in de Vrijmetselarij en de enige graad in de Vrijzwetselarij – de Intergalactische Grootloge die niemand in- of uitsluit.

Je bent van harte welkom.

Drieëndertig is het sleutelgat van een tuimelslot, een bermudadriehoek boven een zwart gat – een onmogelijke uitroepteken aan het einde van het denken dat ooit begon met een onschuldig vraagteken

Zesenzestig

Het gulden getal

Zesenzestig is de som van het dwazengetal elf, het wijzengetal tweeëntwintig en het dwijzengetal drieëndertig, 11 + 22 + 33 = 66.

Zesenzestig is ook het nummer van de autoroute dwars door Amerika die de oostkust met de westkust verbindt, en bij uitbreiding het nummer van de middenweg die alles met alles verbind, these met antithese in synthese, wijsheid met dwaasheid in dwijsheid, nee met ja in het grote tja. De middenweg als marktplein.

Om er te komen hoef je alleen maar Route 66 ondersteboven in twee richtingen tegelijk te bewandelen. Dat kan je niet omdat je denkt dat het niet kan. Laat die gedachte gaan en je ontdekt dat je nooit anders hebt gedaan. De spirituele weg, dat is Route 99.

Om er te komen hoef je alleen maar Route 66 ondersteboven in twee richtingen tegelijk te bewandelen

Negenennegentig

De schone namen van god

Negenennegentig is het dwijzengetal drieëndertig vermenigvuldigd met het godsgetal drie, 3 x 33 = 99. Het is ook het atoomnummer van het element Einsteinium en het aantal schone namen van god.

De schone namen van god zijn niet de ware naam van god, en ook over zijn wonderbare overstijging van bestaan en niet-bestaan blijft het laatste woord terecht ongezegd.

Honderd

Het kleinste kamertje waar iedereen in past (is de bovenkamer)

De ware naam van god is de honderdste. We kunnen hem niet weten, niet-weten zal hij heten. Niet vergeten,

De dwaas denkt dat getallen niets betekenen, de dwijze niet.
De wijze denkt dat getallen iets betekenen, de dwijze niet.

Ik wou dat ik twee dwazen was

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

De steen der dwazen

De wijze denkt zich wijzer
Zijn hersenen zijn grijzer
De hoogste onderwijzer
Spuwt woorden als een geiser

Hij draagt een kroon, een slab, een pij

Maar kleding maakt geen keizer
En goud wordt nooit meer ijzer
Vanbinnen almaar grijzer
De wijze droomt zich wijzer

Hokjes, hekjes en haakjes

Bij nader inzien houden mijn onderscheidingen geen stand. Ze zijn niet van schokbeton maar van chocola – ze smelten op mijn tong. Ze zijn van kalksteen – ze verbrokkelen onder mijn voeten. Ze zijn van drijfzand – ik zak er steeds dieper in weg.

Beste Hans,

Sommige mensen noemen niet-weten non-dualiteit of non-dualisme, anderen noemen het onwetendheid of juist een hoger weten, dwaasheid of juist wijsheid, wijsheid zonder wijsheid of de wijsheid voorbij alle wijsheid of de kennis zonder leraar. Wat is niet-weten voor jou?

Beste Dilaya,

Voor mij is niet-weten geen dualiteit en geen non-dualiteit. Geen dualisme en geen non-dualisme. Geen onwetendheid en geen hoger weten.

Niet-weten is geen dwaasheid en geen wijsheid, geen wijsheid zonder wijsheid en geen wijsheid voorbij alle wijsheid, geen kennis zonder leraar en geen leraar zonder kennis.

Voor mij is niet-weten het onvermogen dwaasheid te onderscheiden van wijsheid – of wat dan ook van wat dan ook. Niet-weten is steno voor: niet weten te onderscheiden.

Natuurlijk, ik kan wel onderscheid maken en dat doe ik ook, of moet ik zeggen, dat overkomt me ook – onophoudelijk. Neem alleen al deze zinnen. Maar ik kan geen enkel onderscheid hard maken.

Subject-object, binnen-buiten, lichaam-geest, lust-liefde, jij-ik, bezit-diefstal, per ongeluk-expres, feit-theorie, lijden-geluk, hoog-laag, leugen-waarheid, goed-kwaad, autochtoon-allochtoon, vriend-vijand, liefde-haat, gezond-ziek, valide-invalide, werelds-spiritueel, leerling-meester, normaal-gek, hoofd-hart, illusie-werkelijkheid, stoel-kruk, essentie-bijzaak, bewustzijn-gedachte, vroeger-nu-later – alles loopt in elkaar over. Hoe dieper ik op een verschil inga, hoe meer het me ontglipt. Hoe langer ik kijk, hoe minder ik zie.

Woordenboeken en encyclopedieën helpen niks. Woorden verwijzen naar woorden, lemma’s naar lemma’s, complexer dan ik ooit kan bevatten, meer dan ik ooit kan onthouden.

Bij nader inzien houden mijn onderscheidingen geen stand. Ze zijn niet van schokbeton maar van chocola – ze smelten op mijn tong. Ze zijn van kalksteen – ze verbrokkelen onder mijn voeten. Ze zijn van drijfzand – ik zak er steeds dieper in weg.

Begrippen blijken zeepbellen, theorieën kaartenhuizen, visies oogkleppen, geboden schoten in het duister, leefregels slagen in de lucht.

Sommigen noemen dit non-dualiteit maar mij is dat te metafysisch. Te triomfantelijk. Te diep. Ik heb geen duikbrevet gehaald; ik ben door het ijs gezakt. Boven mij geen luchtruim, onder mij geen bodem, ik zweef maar wat, als zeewier – een vloeibaar onderzeedier.

Agnose (a-gnose, niet-weten) is voor mij een acuut, nee een chronisch, nee een chronisch-acuut besef van de grondeloosheid van ieder onderscheid. Inclusief het onderscheid tussen gegrond en grondeloos.

Onderscheidingen verdwijnen niet in agnose, zoals mensen weleens menen. Bij mij in elk geval niet. Ze worden erdoor gerelativeerd. Ze komen tussen haakjes te staan. Tussen aanhalingstekens. Tussen vraagtekens.

Steeds als zich een gedachte voordoet, een weten, een verschil, een oordeel, een standpunt, een stellingname, een dilemma, een paradox, haal ik spontaan mijn mondhoeken op.

Dualiteit of non-dualiteit? Ik zie het verschil niet.
Doen of laten? Laten we dat maar doen.
Iemand hier of niemand hier? Mij niet gezien.
In de wereld of ván de wereld? Van de wéreld.
Atman of anatman? Batman.
Soto of rinzai? Banzai.
Dana of franchise? Geef de Sint maar een naam.
Samsara of nirwana? Efteling.
Hinayana of mahayana? Benenwagen.
Theravada of advayavada? Nevada.
Traditioneel of seculier? Boekanier.
Beeldentuin of beeldenstorm? Allemaal sokkels.
Weten of niet-weten? Voor u wil ik niet heten.
Oorzakelijkheid of afhankelijk ontstaan? Kreten.
Intervisie of supervisie? Televisie.
Ego of zelf? Tja.
Oefenen of overgeven? Voorsteven.
Vrije wil of onvrije wil? Kikker in je bil.
Spreken of zwijgen? Sprijgen.
Hemd of pij? Sprei.
Eén, veel of twee? Ik tel niet meer mee.
Vorm of leegte? Vinger in de dijk.
Immanent of transcendent? God, daar vraag je me wat.
Heilig of aards? Amen.
Pasta of ramen? Basta!

Niet omdat ik beter weet maar juist omdat ik niet meer weet. Ik ben niet onverschillig, heus; alleen wat on-verschillig.

Van zichzelf is niet-weten wijs noch dwaas. Daarom noem ik het maar dwijs. Iemand die het heilige geloof in al zijn hokjes, hekjes en haakjes is kwijtgeraakt, heet dan een dwijsneus of een dwijze.

De dwijze is niet langer in de ban van onjuiste opvattingen, zoals de dwaas, maar ook niet meer in de ban van juiste opvattingen, zoals de wijze. De dwijze is niet meer in de ban van welke opvatting dan ook, deze incluis. Voor hem geen essentialisme, geen nihilisme en geen middenweg.

De dwijze heeft de leegte gezien, maar ook de leegte van de leegte.

Hij heeft de illusie doorzien, maar ook de illusie van de illusie.

Hij heeft de boeddha gedood, maar ook de boeddhadoder.

Hij heeft de geest gekregen én gegeven.

Hij heeft zijn vaardige middelen ingeruild voor een open doel.

Hij heeft zijn schepen verbrand van kiel tot want, zijn vlot is gestrand op zijn kantloze kant, zijn zee met zand uit zee gedempt – ziedaar de zeeman in zijn hemd.

Niet alleen is de dwijze het weten voorbij maar ook het niet-weten. Vandaar dat hij zich ook niet het grote onbekende waant, of de eeuwige stilte of het wonderbaarlijke of het numineuze of het mysterie; noch weet hij zich de getuige daarvan of een non-entiteit die alleen maar is en luistert naar de naam niemand; noch weet hij zich kwetsbaar of onkwetsbaar, almachtig of almachteloos, alomvattend of alomledig, transcendent of ongeboren, gezegend of verloren.

Want de dwijze is het heilige geloof in al zijn hokjes, hekjes en haakjes kwijtgeraakt. Ook die van de ‘wijze’ en de ‘dwaas’. Laat staan dat van de ‘dwijze’.

Wie dit liever geen niet-weten noemt maar non-dualiteit of non-dualisme, onwetendheid of een hoger weten, dwaasheid of wijsheid, wijsheid zonder wijsheid of de wijsheid voorbij alle wijsheid, de kennis zonder leraar of de leraar zonder kennis – ik zal hem geen strobreed in de weg leggen. Maar ik ga het hem niet nazeggen.

ramen: Japanse noedelsoep; metafoor voor de geest van de dwijze

Een eerdere versie van deze tekst is gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Lees ook: Meester Tja en de tao van tja

Twee aanbevelingen

Leerling: Wat weet u eigenlijk van wijsheid?

Meester: Minder dan wie ook.

Leerling: En van dwaasheid?

Meester: Idem dito.

Leerling: Dat lijkt me geen aanbeveling.

Meester: Integendeel.

Tip: De Mont Fou: geen inzicht, maar wat een uitzicht

Dwijsheid is een röntgenstraal

Te licht bevonden

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Een röntgenstraal.

Leerling: Wat zie je als je hem op dwaasheid richt?

Meester: Louter transparantie.

Leerling: En als je hem op wijsheid richt?

Meester: Louter ondoorzichtigheid.

Tip: Eeuwige Wijsheid voor Eeuwige Dwazen

Dwijsheid is no-claim en geen verzekering

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Niet claimen dat je iets weet, niet claimen dat je niets weet.

Leerling: No-claim.

Meester: En geen verzekering.

Tip: Wat is niet-weten?

De dwijze valt tussen de wal en het schip

Leerling: Wat is het verschil tussen de dwaas en de wijze?

Meester: De dwaas kiest het ruime sop, de wijze blijft aan land.

Leerling: En de dwijze?

Meester: Die valt tussen de wal en het schip.

Tip: Wat is non-dualiteit?

De wijsheid van het hart is een dwaasheid van het hoofd

Je leest in een boekje dat je een hoofd en een hart hebt, je slikt het voor zoete koek en je begint je meteen druk te maken over de vraag waar je nu zit en waar je zou moeten zitten en hoe je daar kunt komen.

Geen welles en geen nietes

Wat sla jij hoger aan, het verstand of het gevoel?

Beste Hans,

Volgens mij zit jij helemaal vast in niet-weten. Kom uit je hoofd! Luister naar de wijsheid van je hart! Vergeet het denken! Durf te voelen!

Beste Jasmijn,

Is dit de wijsheid van je hoofd of de wijsheid van je hart?

Jasmijn: Dat bedoel ik dus.

Hans: Bij mijn weten zit ik niet vast.

Niet in weten, niet in weteloosheid.
Niet in voelen, niet in gevoelloosheid.
Niet in denken, niet in gedachteloosheid.
Niet in vastzitten, niet in loslaten.
Niet in wijsheid, niet in dwaasheid.
Niet in mijn hoofd, niet in mijn hart.
Niet in welles, niet in nietes.

Jij?

Jasmijn: Wat sla jij hoger aan, het verstand of het gevoel?

Hans: Ik ben geen rationalist en ik ben geen romanticus, niet dat ik weet. Ik sla het verstand niet hoger aan dan het gevoel of omgekeerd.

Bovendien maakt het geen donder uit wat ik hoger aansla. Verstand en gevoel trekken altijd samen op, hart in hoofd, de kameraden. Of je nou wil of niet.

Bij mij zijn ze tenminste onafscheidelijk. Ik kan ze niet uit elkaar houden. Geen gedachte zonder gevoel, geen gevoel zonder gedachten. En geen idee wie wie aan het lijntje houdt.

Jij?

De onweerstaanbare neiging om je eigen hokjes af te breken

Overleven is sorteren. Hoe fijner het brein, hoe fijner de grein.

Jasmijn: Ik wilde je niet in een hokje stoppen, hoor. Ik neem mijn woorden terug. Al is het maar omdat mijn hart me dat nu ingeeft.

Nee, ik neem ze niet terug, ik gooi ze weg, dan ben ik er ook van af. Nou, als dat niet in de geest van jouw hart is dan weet ik het ook niet meer.

Hans: Je mag me rustig in een hokje stoppen, hoor. Ik stop ook iedereen in een hokje. Of ik nou wil of niet. En daarna laat ik ze er gauw weer uit. Of ik nou wil of niet. Dat is het voornaamste verschil met vroeger.

Jasmijn: Ik hou niet van hokjesdenken.

Hans: Niet van hokjesdenken houden is een voorbeeld van hokjesdenken.

Jasmijn: Betrapt.

Hans: Geeft niks. Ik ken niemand die zich er niet aan bezondigt. Zelfs Anthonius Jozef, mijn demente vader, had een hokjesgeest, en Jorge Franciscus, de huidige paus, en Tenzin Gyatso, de huidige dalai lama, en Escherichia coli, de eeuwige poepbacterie.

Overleven is sorteren. Hoe fijner het brein, hoe fijner de grein. Sorteren is onderscheiden. Hoe feller het hart, hoe verder apart. Hoe dieper de smart. Universele dwaasheid, zou je het kunnen noemen, of is dat weer een hokje?

Jasmijn: En niet-weten dan?

Hans: Niet-weten is de onweerstaanbare neiging om je eigen hokjes af te breken. Je eigen weten uit te braken.

Zodra Nauwe Weetal het woord neemt, snoert Wijde Weetniet hem de mond. En Hans is de lachende derde, Haha.

Maar ja. Al die personificaties, hè. Weetal, Weetniet, Hans, Haha – wie tuint daar nog in?

Jasmijn: Hoofd en hart.

Hans: Verstand en gevoel, God en Satan, Boeddha en Mara, deugd en ondeugd, goed en fout, juist en onjuist, relatief en absoluut. Zeker weten dat het geen gedachteconstructies zijn?

Jasmijn: Verwijs je naar het non-dualisme?

Hans: Dualisme en non-dualisme, tweeheid en niet-tweeheid, eenheid en veelheid.

Jasmijn: Weten en niet-weten.

Hans: Wie tuint daar nog in.

Canons zijn kanonnen

Lijkwaden aller zielen

Jasmijn: Ken jij Jack Kornfield, Het Wijze Hart?

Hans: Ik heb het daarnet in de bibliotheek even ingekeken. Het Wijze Hart staat vol principes, zag ik, vijfentwintig stuks, altijd prijs. Een canon van de psychoboeddhistische inzichten van Jack de serieauteur en zijn verheven meestersouffleur.

Jasmijn: Spreekt het je aan?

Hans: Ik heb er geen bezwaar tegen dat mensen hun inzichten canoniseren en tegen betaling aan de man brengen. Of die inzichten nou ontspringen aan hun hoofd, aan hun hart of aan hun duim. Heb jij er bezwaar tegen dat ik hun canons negeer?

Jasmijn: Wat is er mis met canons?

Hans: Er is niks mis met canons, maar ik heb er te veel gezien. Religieuze canons, spirituele canons, filosofische canons, psychologische canons, politieke canons – een eindeloze parade. Om over de myriaden lijfspreuken, slagzinnen, wapenkreten en schotschriften nog maar te zwijgen.

Jasmijn: Jij hebt er niks mee.

Hans: Na de uitvinding van het schrift hebben mensen in verbluffend korte tijd de hele wereld volgekalkt. Lettergrepen naar de macht. Woorden als daden, zinnen als maden, lijkwaden aller zielen.

Kanonnen!
Geladen met wijsheid!
Legers des heils!
Je geest of je leven!

Jasmijn: Niet-weten is toch ook een soort canon?

Hans: De lege canon, Ø. Daar schuilt geen kwaad in. En ook geen goed. Ooit geprobeerd een leeg kanon af te schieten?

Jasmijn: Poef!

Hans: Heb jij nog meer wijsheidskanonnen in stelling?

Een onbereikbare horizon

Je blijft er maar op aflopen zonder ooit dichterbij te komen.

Jasmijn: Ben jij bekend met Het Werk van Byron Katie?

Hans: Spiritualiteit voor Workaholics.

Jasmijn: Geen vijfentwintig principes maar vier vragen bij iedere gedachte die je dwarszit.

  1. Is het waar?
  2. Kun je dat wel weten?
  3. Wat gebeurt er als je dat gelooft?
  4. Wie zou je zijn zonder die gedachte?

Het Werk is geen canon maar een methode, een combinatie van cognitieve therapie en spiritualiteit. Onder dat laatste verstaat Byron Katie de voor het denken onbereikbare horizon van niet-weten waarin onze gedachten en onze persoonlijke wijsheid ingebed liggen.

Hans: Van persoonlijke wijsheid weet ik niets. En niet-weten ervaar ik helemaal niet als een voor het denken onbereikbare horizon. Voor mij is niet-weten een denken dat zichzelf hier en nu tegen het licht houdt en doorziet. Ook dit denken.

Jasmijn: Wat is volgens jou de onbereikbare horizon?

Hans: Wijsheid natuurlijk. Je blijft er maar op aflopen zonder ooit dichterbij te komen. Net zolang tot je het spelletje doorhebt. Ook dit is weer zo’n wijsheid en zo’n spelletje.

Jasmijn: Volgens Byron Katie is niet-weten de onbereikbare horizon. Jij keert het helemaal om!

Hans: Het is maar net waar je staat en welke kant je opkijkt. De zeeman kijkt reikhalzend uit naar land, de landrot kijkt verlangend uit over zee. De een z’n horizon is de ander z’n thuis. Als je mazzel hebt vallen ze samen.

Jasmijn: Dan is je horizon je thuis.

Hans: Dan is je weten niet-weten.

Niets geheimzinnigs

Geen ontwaakt denken, maar een denken dat keer op keer uit zichzelf ontwaakt.

Jasmijn: Wat dat ook mag wezen.

Hans: Niets geheimzinnigs. Geen transcendente meditatie. Geen voorbijgaande trancetoestand of eenheidsbeleving of piekervaring. Geen waarheid voorbij de woorden.

Niets dat wordt overgeleverd van hart tot hart of van ingewijde op ingewijde of van genie op genie of van meester op discipel. Niets waarmee je je kunt onderscheiden. Of het moest zijn dat je (je) niet meer weet te onderscheiden – niet echt.

Jasmijn: Klinkt geheimzinnig.

Hans: Je neus is geheimzinnig. Niet-weten is gewoon een zelfkritisch denken dat spontaan zijn eigen denkbeelden verbrijzelt. Telkens weer. Zonder uitzondering.

Dus ook het denkbeeld van een zelfkritisch denken dat spontaan zijn eigen denkbeelden verbrijzelt.

Ook het denkbeeld van een voor het denken onbereikbare horizon waarin onze gedachten en onze persoonlijke wijsheid ingebed liggen.

Jasmijn: En dan?

Hans: Dan is er geen horizon meer. Dan is er geen thuis meer. Laat staan een identiteit van horizon en thuis. Dan kun je meteen door naar de volgende gedachte.

Jasmijn: En dan?

Hans: Dan wordt het nooit meer een gekkenhuis. Niet in je bovenkamer, niet in je hartkamers. Zelfs als het er door omstandigheden eventjes een gekkenhuis is.

En meteen weer door naar de volgende gedachte. Ga je mee?

Jasmijn: Een bevrijd denken, lijkt mij. Ontwaakt. Onthecht. Uitgedoofd (als in ‘nirwana’). Verlicht?

Hans: Niet-weten is geen bevrijd denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf bevrijdt. Ook van deze gedachte.

Niet-weten is geen ontwaakt denken, maar een denken dat keer op keer uit zichzelf ontwaakt. Ook uit deze gedachte.

Niet-weten is geen onthecht denken, maar een denken dat zich keer op keer van zichzelf losmaakt. Ook van deze gedachte.

Niet-weten is geen uitgedoofd denken, maar een denken dat zijn eigen brandjes blust. Ook dit brandje.

Niet-weten is geen verlicht denken, maar zuchten van verlichting zodra je je vorige gedachte doorziet. Zucht.

Bruut vrij

Je wordt er heel beweeglijk van.

Jasmijn: Niet-weten is geen toestand die je eens en voor altijd bereikt.

Hans: Ik in elk geval niet. Als je het per se als een toestand wilt zien, kun je het een bestendige transformatie van het denken noemen. In die zin dat het kennelijk niet meer in staat is blindelings in zijn eigen onderscheidingen, aannames, gedachten en gevoelens te geloven. Ook niet in deze.

Jasmijn: Niet-weten is dus niet het einde van het denken.

Hans: En niet het einde van het weten.

Jasmijn: Je denkt en weet er nog steeds vrolijk op los.

Hans: Met de nadruk op vrolijk en los.

Jasmijn: Wat heb je dan bereikt?

Hans: Niets.

Jasmijn: Het niet-bereiken heb je bereikt.

Hans: Sofisterij.

Jasmijn: Dat heb je zelf ergens gezegd.

Hans: Omdat het toen opportuun was.

Jasmijn: Niets is niet veel.

Hans: Hoef je het ook niet mee te zeulen.

Jasmijn: Daar sta je dan.

Hans: Een ongelukkige beeldspraak. Niet-weten is geen standpunt, een weetniet geen stavast. Je wordt er juist heel beweeglijk van, bekijkt de dingen steeds van een andere kant. Daardoor blijf je je verbazen. Zelfs over de gewoonste dingen.

Jasmijn: Tienduizend standpunten!

Hans: Maal tienduizend verschijnselen is honderd miljoen zienswijzen. Buut vrij.

Jasmijn: Alles mag gedacht worden.

Hans: En alles mag geopperd worden. Maar niets wordt in beton gegoten. Dit ook niet.

Jasmijn: Geen stenen tafelen.

Hans: En geen verbod op stenen tafelen.

Jasmijn: Geen denk-beelden.

Hans: En geen verbod op denk-beelden.

Jasmijn: Geen verboden.

Hans: En geen verbod op verboden.

Niet het hoofd, niet het hart

maar de dans ontsprongen

Jasmijn: Je hoofd bruist en je hart bruist.

Hans: Geen idee wat er allemaal bruist.

Jasmijn: Maar bruisen doet het.

Hans: Een witte ruis die alles dempt. Sst.

Jasmijn: Misschien ben ik zelf wel degene die in zijn hoofd zit. En wil ik er eigenlijk wel uit?

Hans: Je leest in een boekje dat je een hoofd en een hart hebt, je slikt het voor zoete koek en je begint je meteen druk te maken over de vraag waar je nu zit en waar je zou moeten zitten en hoe je daar kunt komen. Om het met Byron Katie te zeggen: ‘Wie zou je zijn zonder die gedachten?’

Jasmijn: Inderdaad kijk ik voortdurend naar anderen en naar mezelf door de bril van het onderscheid tussen hoofd en hart. Maar hoe ik ervan afkom?

Hans: Je leest in een mailtje over een leven zonder onderscheid tussen hoofd en hart, je slikt het voor zoete koek en je begint je meteen af te vragen waar je nu zit en waar je zou moeten zitten en hoe je daar kunt komen. Wie zou je zijn zonder die gedachten?

Jasmijn: Inmiddels heb ik alweer een leven bedacht waarin ik me niet meer druk maak over de vraag hoe ik kan leven zonder me druk te maken over het onderscheid tussen hoofd en hart.

Hans: Zie je het patroon?

Jasmijn: Ik denk van wel.

Hans: Pas dan maar op.

Jasmijn: Volgens mij maakte ik zojuist onderscheid tussen 1) een leven zonder onderscheid tussen hoofd en hart en 2) een leven met onderscheid tussen hoofd en hart. Ik verlangde naar het eerste en veroordeelde het laatste.

Hans: En nou wil je dáár zeker weer vanaf?

Jasmijn: Dat geloof je toch niet? Nu maak ik dus weer onderscheid tussen een leven zonder onderscheid en een leven met onderscheid. Ik verkies het eerste en verwerp het laatste.

Hans: Je lijkt wel een non-dualist.

Jasmijn: En nou wil ik dáár ook alweer vanaf.

Hans: Niet te geloven.

Lees ook: Niet te geloven! De Linji lu

De wijsheid van het hart is een dwaasheid van het hoofd

Deze tekst is samen met de volgende ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Uit het hoofd, uit het hart

Niet het hoofd, niet het hart
Niet het hoofd én het hart
Niet het hoofd noch het hart
Niet iets hogers, niet iets diepers
Niet iets anders, niet het niets
Maar de dans ontsprongen

Lees ook de Hartsoetra en/of de Hoofdsoetra

Het hart was de zetel van het verstand

Hedendaagse lezers halen soms ten onrechte oude wijsheidsliteratuur aan om hun overtuiging te schragen dat je vanuit je hart, vanuit je gevoel, vanuit je intuïtie moet leven.

Over de functie van het hart is in de loop der eeuwen veel gespeculeerd. Wij zien het hart tegenwoordig wetenschappelijk als een bloedpomp en symbolisch als de zetel van het gevoel, vandaar ‘hartstocht’ en ‘hartenkreet’ en ‘harteloos’, maar dat was vroeger wel anders.

De oude Chinezen, Indiërs, Israëlieten, Egyptenaren en Grieken, waaronder Aristoteles, zagen het hart hoofdzakelijk of uitsluitend als de zetel van het denken, de rede, het intellect, de geest, het bewustzijn, de ziel. Wat wij toeschrijven aan het brein, schreven zij toe aan het hart.

Het hart was de zetel van het verstand

Het idee van het hart als de zetel van de emoties vinden we bij de Romeinse arts Galenus (129 – 210 na Christus). Eertijds was het niet meer dan een speculatieve theorie die onder geneeskundigen langzaam aan gezag won en pas anderhalf millennium later wetenschappelijk weerlegd zou worden. Nog steeds heeft hij zijn fans, vooral onder esoterici.

Hedendaagse lezers halen soms ten onrechte oude wijsheidsliteratuur aan om hun overtuiging te schragen dat je vanuit je hart, vanuit je gevoel, vanuit je intuïtie moet leven. Dat staat er misschien wel, als je zo’n tekst leest met de huidige symbolische betekenis van het woord hart in je hoofd, maar wat als je het zou lezen met de woordenschat van de oorspronkelijke schrijver, die zijn hoofd in zijn hart dacht?

Kristofer Schipper is zich bewust van dit probleem in zijn vertaling van de taoïstische klassieker de Zhuang Zi (circa 200 voor Christus). Hij plaatst herhaaldelijk een voetnoot bij het woord ‘hart’ om aan te geven dat het begrepen moet worden als ‘de zetel van de geest en het verstand’ (hoofdstuk 4, voetnoot 15, 1e editie) en niet als de zetel van het gevoel.

Hart komt in zijn vertaling echter ook herhaaldelijk voor zonder voetnoot. Het kan zijn dat Schipper het vertaalprobleem op die plaatsen bekend veronderstelt, maar het kan ook zijn dat hij op die plaatsen heel andere ideogrammen, bijvoorbeeld het Chinese teken voor gevoel, stemming of gemoed, voor de hedendaagse lezer correct vertaald heeft met ‘hart’. Ik weet het niet, ik lees geen Chinees en het staat er niet bij.

Hoe het ook zij, de vele verwijzingen naar het hart in de klassieke spirituele, religieuze en filosofische literatuur kun je niet zonder meer aanvoeren als bewijs dat de ouden het gevoel hoger aansloegen dat het verstand.

Geeft niks. Het argumentum ad antiquitatem is sowieso een drogreden.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad

Het hart klopt en de baard groeit vanzelf

Noem dat desnoods wijsheid

Beste Hans,

Niet-weten spreekt me erg aan. Zelf laat ik me tegenwoordig alleen nog maar leiden door de wijsheid van mijn hart. Het hart is de toegangspoort tot het Ene.

Beste Brando,

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Ben je het hart of ben je de klep?

Brando: Ik bedoel dat ik steeds meer loslaat en me steeds minder identificeer met het droompersonage. Echte vrijheid is vrij zijn van de persoon!

Hans: Zeker weten dat vrij zijn van de persoon niet je volgende droom is?

Brando: Jij bent wel kort door de bocht, zeg.

Hans: Liever een beetje meanderen?

Brando: “Denkend aan Holland / zie ik breede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan.”

Hans: “En in alle gewesten / wordt de stem van het water / met zijn eeuwige rampen / gevreesd en gehoord.”

Brando: Dat belooft niet veel goeds.

Hans: Als ik mijn hart lijk te volgen, en dat komt weleens voor, dan weet ik oprecht niet of dat mijn keuze is of niet. Net zomin als ik weet of er in zijn algemeenheid wel iets te kiezen valt – wat mijn ervaring of mijn verstand mij daarover ook influistert.

Persoonlijk (ha!) heb ik niet kunnen vaststellen dat mijn hart een betrouwbaarder raadgever is dan mijn hoofd of mijn water of mijn grote teen of Seungh Sahn of Andrew Cohen of Mettavihari of de Enkhuizer Almanak of het absolute of het ene. Mijn innerlijke goeroe is al net zo inconsistent als mijn hoofdchakra, mijn diamantsoetra, mijn onderbuik en mijn dikkedarmmeridiaan.

Verder ondervind ik onoverkomelijke problemen bij het vaststellen van het verschil tussen gevoelens en gedachten, tussen instinct, intuïtie en rede, tussen mind en hart, tussen het ego en het zelf, tussen nirwana en samsara, tussen subject en object, tussen mezelf en de ander, tussen binnen en buiten en noem het allemaal maar op.

Hoe zou ik me dan op het ene kunnen verlaten maar niet op het andere? En als ik me op het Ene moet verlaten, zoals jij, wat verlaat zich dan nog waarop?

Brando: Waar moeten we de wijsheid dan zoeken?

Hans: Zolang je gelooft in de wijsheid van het hoofd zit je daarin vast. Zolang je gelooft in de wijsheid van het hart zit je daarin vast. Zolang je gelooft in wijsheid zit je daarin vast.

Brando: En als je niet meer gelooft in wijsheid?

Hans: Dan zit je daarin vast.

Brando: Wat als je niet meer vastzit?

Hans: Dan hoef je er ook geen woorden meer aan vuil te maken.

Brando: Ben je dan vrij?

Hans: Daar hoef je dan ook geen woorden meer aan vuil te maken.

Brando: Wat is vrijheid volgens jou?

Hans: Zolang je je afvraagt wat vrijheid is zit je daarin gevangen.

Brando: Is vrijheid een illusie?

Hans: Zolang je gelooft dat vrijheid een illusie is zit je daarin vast. Zolang je gelooft dat gevangenschap een illusie is zit je daarin vast.

Brando: Wat als je gelooft dat de persoon een illusie is?

Hans: Dan zit je daarin vast.

Brando: Vroeger geloofde ik dat ik mijn persona was.

Hans: Toen zat je daarin vast.

Brando: Wat als je weigert iets te geloven?

Hans: Dan zit je daarin vast.

Brando: Nou weet ik het helemaal niet meer.

Hans: Dan zit je niet meer vast.

Brando: Tot ik weer iets geloof, zeker.

Hans: Geloof je dat nou echt?

Brando: Ik zeg niks.

Hans: Waarom niet?

Brando: Als ik ja zeg, dan zeg je dat ik daarin vastzit en als ik nee zeg, dan zeg je dat ik daarin vastzit.

Hans: En daarom zeg je niks.

Brando: En daarom zeg ik niks.

Hans: Dan zit je daarin vast.

Het hart klopt en de baard groeit vanzelf. Noem dat desnoods wijsheid.

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Lees ook: Wat is spirituele verlichting? Het denken doorzien

Een wijze is iemand die wou dat hij dwaas was

Spijtoptanten

Leerling: Wat is een dwaas?

Meester: Iemand die wou dat hij wijs was.

Leerling: Wat is een wijze?

Meester: Iemand die wou dat hij dwaas was.

Leerling: En wat bent u?

Meester: Wat kan mij dat nou schelen.

Tip: Meester Zuetsu en het mom van niet-weten

Een wijze is iemand die wou dat hij nog wat wou

Over onthechting en uitdoving

Leerling: Wat is een dwaas?

Meester: Iemand die wou dat hij niks meer wou.

Leerling: Wat is een wijze?

Meester: Iemand die wou dat hij nog wat wou.

Leerling: Wat is een dwijze?

Meester: Wat jij wil.

Tip: Wat is gemoedsrust? Vrede sluiten met je onvrede

De dwijze heeft de geest gegeven

De Grote Dood

Leerling: Wat is het verschil tussen de dwaas en de wijze?

Meester: De dwaas scherpt zijn geest en de wijze opent zijn geest.

Leerling: En de dwijze?

Meester: Die heeft de geest gegeven.

Tip: De wolk van niet-weten

De dwijze is de wijsheid voorbij de wijsheid voorbij

Grote stappen, snel thuis

Leerling: Wat is domheid?

Meester: Je vorige inzicht.

Leerling: Wat is wijsheid?

Meester: Je huidige inzicht.

Leerling: Wat is hogere wijsheid?

Meester: Je volgende inzicht.

Leerling: Zo kan je wel aan de gang blijven.

Meester: Zeg dat wel.

Leerling: Wat is de hoogste wijsheid?

Meester: De wijsheid voorbij.

Leerling: En de allerhoogste?

Meester: De wijsheid voorbij de wijsheid voorbij.

Leerling: Zit daar nog wat boven of onder of achter?

Meester: Het voorbij zijn voorbij.

Leerling: Klinkt als gene zijde.

Meester: Wat?

Leerling: Waar je dan bent.

Meester: Hier.

Leerling: Ik bedoel, wat heb je dan nog over?

Meester: Waarvan?

Leerling: Tja.

Meester: Zo kun je het ook zeggen.

Leerling: Noem dat maar wijsheid.

Meester: Noem het dan maar dwijsheid.

Lees ook: Wat is taoïsme? Meester Tja en de tao van tja

De dwijze maakt niemand meer wat wijs

Leerling: Wat is dwaasheid?

Meester: Jezelf wat wijsmaken.

Leerling: Wat is wijsheid?

Meester: Anderen wat wijsmaken.

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Niemand wat wijsmaken.

Leerling: Mooi.

Meester: Dit ook niet.

Leerling: Maak dat de kat maar wijs.

Meester: Niet slecht.

Lees ook: Meester Schaap en Broeder Ezel

Dwijsheid is een almaar terugtrekkende beweging

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Het ligt eraan voor wie.

Leerling: Waar denkt u aan?

Meester: De dwaas, de wijze of de dwijze.

Leerling: Wat is dwijsheid voor dwazen?

Meester: Een almaar terugtrekkende beweging.

Leerling: Waaruit?

Meester: Het almaar oprukkende weten.

Leerling: Wat is dwijsheid voor wijzen?

Meester: Een almaar terugtrekkende beweging.

Leerling: Waaruit?

Meester: Het almaar oprukkende niet-weten.

Leerling: Wat is dwijsheid voor dwijzen?

Meester: Een almaar terugtrekkende beweging.

Leerling: Waaruit?

Meester: Een almaar terugtrekkende beweging.

Lees ook: Zalig zijn de armen van geest

Dwijsheid is het goed- en afkeuren niet goed- of afkeuren

Een wegwerpwoord

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Wat jij denkt dat het is.

Leerling: Dan zeg ik, niet goedkeuren, niet afkeuren.

Meester: Dan zeg ik, het goedkeuren en afkeuren niet goedkeuren of afkeuren.

Leerling: En als ik dat had gezegd?

Meester: Dan had ik gezegd, het goedkeuren en afkeuren van het goedkeuren en afkeuren niet goedkeuren of afkeuren.

Leerling: En als ik dat had gezegd?

Meester: Dan had ik gezegd, er zit een kras op die plaat.

Leerling: Verdraaid.

Meester: Zet hem maar af.

Leerling: Zo blijft er niet veel over.

Meester: Zeg maar gerust niets.

Leerling: Hoe bereik ik dat niets?

Meester: Door niet te reiken.

Leerling: Ik bedoel, wat moet ik ervoor doen?

Meester: Dat zou toch weer reiken zijn.

Leerling: Wat moet ik ervoor laten?

Meester: Dat zou nog steeds reiken zijn.

Leerling: Wanneer komt daar een einde aan?

Meester: Als je het allemaal niet meer weet.

Leerling: Dan heb je niet veel bereikt.

Meester: Zeg maar gerust niets.

Leerling: Hét niets?

Meester: Niets om over naar huis te schrijven.

Leerling: Omdat je geen huis meer hebt?

Meester: En niets om over te schrijven.

Leerling: Omdat de waarheid voorbij de woorden is?

Meester: Waarheid is een woord.

Leerling: Waarom geeft u het dan een naam?

Meester: Waarom geef ik wat een naam?

Leerling: Ja, waar hebben we het nou de hele tijd over?

Meester: Dat zou ik ook weleens willen weten.

Leerling: Dwijsheid toch?

Meester: O, dat.

Leerling: Nou?

Meester: Zodat het nog wat lijkt?

Leerling: Voor wie?

Meester: Voor mensen zoals jij.

Leerling: U geeft het een naam zodat het nog wat lijkt voor mensen zoals ik?

Meester: Mensen die willen weten wat dwijsheid is.

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Wat jij denkt dat het is.

Tip: Verder, verder! Reistips voor spirituele zoekers

Dwijsheid getuigt van volstrekt wantrouwen

Leerling: Getuigt dwijsheid niet van een diep wantrouwen?

Meester: Jegens wat?

Leerling: Jegens de wereld?

Meester: Zeker.

Leerling: Jegens de ander?

Meester: Beslist.

Leerling: Jegens jezelf?

Meester: Uiteraard.

Leerling: Jegens je gedachten?

Meester: Nou en of.

Leerling: Zo wil ik dus echt niet leven.

Meester: Hoe niet?

Leerling: Als een dwijze niet.

Meester: Hoe leeft een dwijze volgens jou?

Leerling: In volstrekt wantrouwen.

Meester: Welnee.

Leerling: Niet?

Meester: Als de dwijze iets wantrouwt, dan is het wel het wantrouwen.

Leerling: Ja, is dwijsheid nou het toppunt van wantrouwen of het einde ervan?

Meester: Daar zou ik maar niet op vertrouwen.

Lees ook: Groot Ongeloof, Grote God

Zelfs niet geloven in niet geloven

Leerling: Waar gelooft u eigenlijk in?

Meester: Nergens in.

Leerling: Behalve in uzelf dan.

Meester: Ook niet.

Leerling: Behalve in niet geloven dan?

Meester: Ook niet.

Leerling: Niet te geloven!

Meester: Dat zeg ik.

Leerling: Dwaasheid!

Meester: Dwijsheid.

Tip: De Linji-lu

Dwijsheid is de laatste poging van de geest om de macht over te nemen

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Paranoia.

Leerling: Wat is paranoia?

Meester: De laatste poging van de geest om de macht over te nemen.

Leerling: Dus u gelooft dat wij een geest hebben?

Meester: Ik niet.

Leerling: Gelooft u dat we geen geest hebben?

Meester: Ik niet.

Leerling: Maar u gelooft wel in macht?

Meester: Ik niet.

Leerling: U gelooft niet in macht?

Meester: Ik niet.

Leerling: Waarom definieert u paranoia dan als de laatste poging van de geest om de macht over te nemen?

Meester: Ik zeg maar wat.

Leerling: O.

Meester: Wat ik ook zeg.

Leerling: Aha.

Meester: Gesnopen?

Leerling: U zegt maar wat.

Meester: Ook als ik zeg dat ik maar wat zeg.

Leerling: Dus eigenlijk niet?

Meester: Ook als ik zeg ook als ik zeg dat ik maar wat zeg.

Leerling: Dat mag gerust paranoia heten.

Meester: En anders noem je het maar dwijsheid.

Tip: Dood de Boeddha! Zen, leegte en nihilisme

Wat voor twijfelen is dwijsheid?

Leerling: Wat voor twijfelen is dwijsheid, vraag ik mij af.

Meester: Een twijfelen dat zich niets meer afvraagt.

Tip: Grote Twijfel, Grote Verlichting

Dwijsbegeerte is ontstellend

Leerling: Wat is het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?

Meester: De eerste is stellend, de tweede ontstellend.

Tip: Wat is non-dualisme?

Dwijsbegeerte wil zich van de waarheid bevrijden

Leerling: Wat is het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?

Meester: Wijsbegeerte wil de waarheid vinden, dwijsbegeerte wil zich ervan ontdoen.

Leerling: Wilt u de waarheid vinden of u ervan ontdoen?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Leerling: Ik bedoel, hebt u de waarheid gevonden of u ervan ontdaan?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Leerling: Laat ik het dan zo stellen, ben je beter af met de waarheid of zonder?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Leerling: Hebben we hiermee de waarheid gevonden of ons ervan ontdaan?

Meester: Ik zou het echt niet weten.

Leerling: Maar wat is nou het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte?

Meester: Dat is nou het verschil tussen wijsbegeerte en dwijsbegeerte.

Tip: Agnose!

Als alles wegvalt, valt ook het wegvallen weg

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Het weten valt weg.

Leerling: Ben je dan onwetend geworden?

Meester: Het niet-weten valt weg.

Leerling: Alles valt weg?

Meester: Het wegvallen valt weg.

Leerling: En dan is alles weer normaal?

Meester: Doe even normaal.

Tip: 100 Metaforen voor niet-weten

Het Boek der Dwijsheid is een dummy

Leerling: Waar kan ik meer over dwijsheid te weten komen?

Meester: In iedere kantoorboekhandel.

Leerling: Waar moet ik om vragen?

Meester: Een dummy.

Tip: De lege leer, Ø

Tussen nul en oneindig is het goed toeven

Leerling: Wat is het verschil tussen de dwaas, de wijze en de dwijze?

Meester: De dwaas heeft het verstand op nul en de blik op oneindig. De wijze heeft het verstand op oneindig en de blik op nul.

Leerling: En de dwijze?

Meester: Vraag dat maar aan de wijze.

Leerling: Waarom niet aan de dwijze?

Meester: Dwaas.

Tip: Wie ben je? Zelfbeelden, mensbeelden en drogbeelden

Dwijsheid en dementie leiden beide tot verstrooiing

Leerling: Wat is het verschil tussen dwijsheid en dementie?

Meester: Bij dwijsheid is het denken nog intact.

Leerling: En de overeenkomst?

Meester: Beiden leiden tot verstrooiing.

Lees ook: Dementie, spiritualiteit en niet-weten

Menen zonder menen (want armen zijn ook benen)

Leerling: Waarom verandert de dwijze nooit van mening?

Meester: Omdat hij geen mening heeft.

Jaren later

Leerling: Waarom verandert de dwijze steeds van mening?

Meester: Omdat meningen hem niet hebben.

Lees ook: Standpunten, vluchtlijnen en raakvlakken

Al is de wijsheid nog zo snel…

Leerling: Wijsheid is beweeglijker dan alle weten.

Meester: Niet-weten is beweeglijker dan alle wijsheid.

Tip: Dwaalspreuken voor in de vrolijke keuken

Drenkelingen in de zee van (niet) weten

Leerling: Wat is de overeenkomst tussen de wijze en de dwijze?

Meester: Beide zijn drenkelingen.

Leerling: Waarin verdrinkt de wijze?

Meester: In de zee van weten.

Leerling: En de dwijze?

Meester: In de zee van niet-weten.

Leerling: Maar ik wil helemaal niet verdrinken!

Meester: Ik weet het.

Leerling: Hoe moet dat nou?

Meester: Ik weet het niet.

Leerling: En wat is het verschil tussen de wijze en de dwijze?

Meester: En dat is het verschil tussen de wijze en de dwijze.

Tip: De Grote Weg (is niet moeilijk voor wie hem kwijt is)

Dwijsheid is kijken

Leerling: Wat is dwaasheid?

Meester: Kijken naar wat je weet.

Leerling: Wat is wijsheid?

Meester: Kijken naar wat je niet weet.

Leerling: Wat is dwijsheid?

Meester: Kijken.

Tip: Wat is spiritualiteit?

Het failliet van het bankroet

Leerling: Wat is dwaasheid?

Meester: Geestelijke rijkdom.

Leerling: Wat is wijsheid?

Meester: Geestelijke armoe.

Leerling: Wijsheid is geestelijke armoe?

Meester: Zeg maar gerust geestelijk bankroet.

Leerling: Wat is de wijsheid voorbij alle wijsheid?

Meester: Het failliet van het bankroet.

Leerling: Heb je dan nog minder dan niets of toch weer iets?

Meester: Zeg maar gerust alles.

Tip: Help ons uit de droom (maar laat ons onze dromen)

Wijsheid is niet weten wat wijsheid is

Leerling: Wat is wijsheid?

Meester: Niet weten wat wijsheid is.

Jaren later

Leerling: Wijsheid is niet weten wat wijsheid is.

Meester: Wijsneus.

Leerling: Wat zou u zeggen?

Meester: Dwaas.

Tip: De Poortloze Poort

Eén dwaas kan meer vragen beantwoorden dan honderd wijzen kunnen stellen

Honderd tegen een

Leerling: Eén dwaas kan meer vragen stellen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden.

Meester: Eén dwaas kan meer vragen beantwoorden dan honderd wijzen kunnen stellen.

Jaren later

Leerling: Eén dwaas kan meer vragen beantwoorden dan honderd wijzen kunnen stellen.

Meester: Wat leid je daaruit af?

Leerling: Dat vragen van meer wijsheid getuigt dan antwoorden.

Meester: Dwaas.

Tip: Meester Spoorloos en Agent Speurneus

Wijzen en dwazen, ze blijven maar grazen

Leerling: Wat is het verschil tussen de wijze, de dwaas en de dwijze?

Meester: De wijze weet je precies te vertellen hoe het zit.

Leerling: En de dwaas?

Meester: Ook.

Leerling: En de dwijze?

Meester: Niet.

Leerling: Wat is dan het verschil tussen de wijze en de dwaas?

Meester: Ik zou het ook niet weten.

Tip: De non-dualist en de non-filosoof

Misschien wel, maar misschien ook niet, zei Krumpie

Een gevleugelde uitspraak, meen ik, van het olifantje Krumpie, dacht ik, in mijn favoriete jeugdboek, geloof ik, De zeven wonderdaden van Kevertje Plop, of zoiets, van ene Jean Dulieu, of wie het ook was, luidt: ‘Misschien wel, maar misschien ook niet.’

Al rond mijn zevende, toen mijn vader dit verhaal aan mij voorlas onder een Philips hoogtezon (de onovertroffen Melanoma, meen ik), heeft deze uitspraak zich althans in deze vorm in mij vastgezet, ook al zou het nog decennia duren voor ik zelf een Krumpie werd.

Als definitie van dwijsheid kan hij zich meten met de beste – maar misschien ook niet.

Tip: Zeg maar tja tegen het leven

Dwijsheid is geen grond en geen zee maar een grondzee

Mayday, mayday

Dwijsheid is niet het einde van het weten. Daarvoor zou er eerst een weten moeten zijn. Een weten waarvan? Op welke gronden?

Geen gronden te vinden.

Zonder gronden geen weten.

Zonder weten geen einde van het weten.

Zonder einde van het weten geen niet-weten.

Dwijsheid is het einde van niet-weten.

Lees ook: Het regressieprobleem