Fernando Pessoa

‘Wanneer wij denken, volstaat voor ons de onbegrijpelijkheid van het universum; het willen begrijpen is minder zijn dan een mens, want mens-zijn is weten dat het niet te begrijpen is.’ Citaten van schrijver en dichter Fernando Pessoa (1888-1935).

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Belletrie > Fernando Pessoa


Bron: Boek der Rusteloosheid, Fernando Pessoa, bezorgd door Richard Zenith, vertaald door Harrie Lemmens, De Arbeiderspers, 2009.


Inhoud

Grote ruimtes

Ik ben geboren in een tijd dat de meeste jongeren het geloof in God hadden verloren, om dezelfde reden als de ouderen het hadden gehad – zonder te weten waarom. En daar de menselijke geest er van nature toe neigt kritiek uit te oefenen omdat hij voelt en niet omdat hij denkt, koos de meerderheid van die jongeren vervolgens de Mensheid als surrogaat van God. Ik behoor echter tot de mensen die altijd aan de rand staan van de groep waartoe ze behoren, en niet alleen de menigte zien waar ze deel van uitmaken, maar tevens de grote ruimtes die zich daarnaast bevinden. Daarom heb ik God niet zo totaal laten vallen als zij en heb ik ook nooit de Mensheid aanvaard. (13)


Versterving en contemplatie

Wat rest mij en mijn weinige soortgenoten, die leven maar niet weten hoe dat moet, anders dan de versterving als levenswijze en de contemplatie als levensbestemming? Omdat we niet weten wat religieus leven is – en dat ook niet kúnnen weten, aangezien geloof niets met het verstand te maken heeft – en niet kunnen geloven in de abstractie van de mens – wat zouden we daar immers mee aan moeten? – bleef er als motief voor onze ziel niets anders over dan de esthetische beschouwing van het leven. (14)


Het boek der gewaarwordingen

Omdat we van de natuurwetenschap slechts het centrale beginsel overnemen dat alles onderworpen is aan fatale wetten waarop men niet zelfstandig kan reageren, aangezien zij die reactie immers zelf bewerkstelligd zouden hebben, en we bovendien vaststellen dat die regel overeenkomt met het andere, oudere maxime van de goddelijke fataliteit der dingen, zien wij af van de inspanning zoals de zwakkeren afzien van lichamelijke oefeningen, en buigen wij ons over het boek der gewaarwordingen met de angstvalligheid van een doorleefde eruditie. (14)


Als grote, onbekende landen

Omdat wij niets serieus nemen en onze gewaarwordingen als de enige werkelijkheid beschouwen, zoeken wij daar ons heil en verkennen we ze als grote, onbekende landen. En als wij ons, los van de esthetische beschouwing, ook bezighouden met het formuleren van de verschillende vormen en resultaten daarvan, dan is ons proza of onze poëzie, aangezien we anderen niet willen beïnvloeden of ergens toe aanzetten, slechts hetzelfde als hardop lezen, wat men doet om het subjectieve genot van het lezen volledig objectief te maken. (14,15)


Bergen als standbeelden

We weten heel goed dat ieder werk noodzakelijkerwijs onvolmaakt is en dat de minst zekere van onze esthetische beschouwingen die zal zijn van wat we opschrijven, maar onvolmaakt is alles, geen zonsondergang is zo mooi dat hij niet nog mooier zou kunnen zijn, geen bries die ons slaap geeft dat hij ons niet een nog rustiger slaap zou kunnen geven. En zo zullen wij, die tegen bergen op dezelfde manier aankijken als tegen standbeelden, evenzeer genieten van dagen als van boeken en alles dromen om het ons eigen te maken, tevens beschrijvingen en analyses vervaardigen die, als ze af zijn, vreemde dingen voor ons worden, waarvan we kunnen genieten als kwamen ze ’s avonds. (15)


Ik weet niets

Ik beschouw het leven als een herberg waar ik moet blijven tot de diligence van de afgrond arriveert. Ik weet niet waar die me heen zal voeren, want ik weet niets. Ik zou deze herberg kunnen beschouwen als een gevangenis, want ik ben gedwongen hier te wachten; ik zou hem ook kunnen beschouwen als een sociale ontmoetingsplaats, want hier tref ik anderen. Ik ben echter noch een ongeduldig noch een gewoon mens. Degenen die zich in hun kamer opsluiten en daar zonder te slapen apathisch in bed blijven wachten, laat ik voor wat ze zijn; degenen die converseren in de eetzalen en salons, vanwaar muziek en de stemmen gedempt tot mij doordringen, laat ik begaan. Ik ga bij de deur zitten, laaf mijn ogen en oren aan de kleuren en klanken van het landschap en zing langzaam, louter voor mijzelf, vage liederen die ik componeer terwijl ik wacht. (15,16)


Verder vraag of zoek ik niets

Voor ons allen zal de nacht vallen en de diligence komen. Ik geniet van de bries die mij wordt vergund, en van de ziel die mij werd gegeven om ervan te genieten, en verder vraag of zoek ik niets. Als datgene wat ik in het gastenboek schrijf op een dag wordt gelezen door andere reizigers en ook hen tijdens hun verblijf kan vermaken, dan is het goed. Wanneer zij het niet lezen en zich evenmin vermaken is het ook goed. (16)


In de algebra van het mysterie

Tot het donker wordt, ga ik gebukt onder een levensgevoel dat lijkt op dat van die straten. Overdag zijn ze vervuld van een drukte die niets betekent, ’s nachts zijn ze vervuld van een afwezigheid van drukte die niets betekent. Ikzelf ben overdag niets en ’s nachts ben ik mezelf. Er bestaat geen verschil tussen mij en de straten daar in de buurt van de Rua da Alfandega, behalve dat dat straten zijn en ik een ziel ben, wat misschien niets betekent ten aanzien van het wezen der dingen. Mensen en dingen hebben eenzelfde, want abstract lot – een even onbeduidende betekenis in de algebra van het mysterie. (17)


Salade

Dat alles gebeurt en niets van dat alles zegt mij iets, alles is vreemd aan mijn lot, ja zelfs vreemd aan het noodlot zelf – onbewustheid, dom en zinloos gevloek wanneer het toeval tegenwerkt, echo’s van onbekende stemmen – gemengde salade van het leven (18)


Twee afgronden

Wij verwezenlijken onszelf nooit. We zijn twee afgronden – een put die naar de hemel staart. (25)


Niets te vertellen

In deze indrukken, die geen samenhang hebben noch beogen te hebben, vertel ik onverschillig mijn biografie zonder feiten, mijn levensverhaal zonder leven. Het zijn mijn Bekentenissen en als ik daarin niets vertel, komt dat doordat ik niets te vertellen heb. (25,26)


Droom en schimmenspel

Ik overleef nietig op de bodem van iedere uitdrukking, als onoplosbaar poeder in een glas waaruit men slechts water heeft gedronken. Ik schrijf mijn literatuur zoals ik boekhoud – zorgvuldig en onverschillig. Tegenover de weidse sterrenhemel en het raadsel van vele zielen, het donker van de onbekende afgrond en de chaos van het niet-begrijpen – tegenover dat alles is wat ik opteken in het kasregister en wat ik schrijf op dit papier van de ziel in gelijke mate beperkt tot de Rua dos Douradores en nauwelijks verbonden met de grote rijke ruimtes van het heelal. Droom en schimmenspel is dit alles, en het maakt weinig uit of de droom een simpele aantekening in de boekhouding of goedgeschreven proza is. (27)


Sfinxen

Laten we sfinxen worden, ook al zijn het valse, tot we het punt bereiken dat we niet meer weten wie we zijn. Want in feite zijn wij ook valse sfinxen en weten we niet wie we werkelijk zijn. De enige manier om in overeenstemming te verkeren met het leven, is door niet overeen te stemmen met onszelf. Het absurde is het goddelijke.
Theorieën opstellen, ze rustig en oprecht overdenken, alleen maar om ze daarna te bestrijden – handelen en onze daden rechtvaardigen met theorieën die ze afkeuren. Een weg uitstippelen in het leven en vervolgens tegenovergesteld handelen aan het bewandelen van die weg. Er alle gebaren en gedragingen op na houden van iets wat we niet zijn en niet willen zijn, waarvoor we zelfs niet willen worden aangezien.
Boeken kopen om ze niet te lezen; naar concerten gaan om de muziek te horen noch om te zien wie er allemaal is; lange wandelingen maken omdat we het wandelen beu zijn, en een paar dagen op het land doorbrengen enkel omdat het land ons verveelt. (33)


Slapen

Plotseling, als een kind van het Mysterie, kraait, ondanks de nacht, een haan. Nu kan ik slapen, want het is ochtend in mij. En ik voel mijn mond glimlachen en lichtjes de zachte plooien verschuiven van de sloop, die op mijn gezicht plakt. Ik kan me overgeven aan het leven, ik kan slapen, ik hoef mezelf niet te kennen… (43)


Fantomen

Van de fantomen van het geloof overstappen op de spookbeelden van de rede is slechts veranderen van cel. Als de kunst ons bevrijdt van vastgeroeste abstracte fetisjen, bevrijdt ze ons ook van grootmoedige ideeën en sociale bekommernis – eveneens fetisjen. Een persoonlijkheid vinden door haar te verliezen – het geloof zelf staat borg voor die zin van het lot. (45, 46)


Aangeboren dronkenschap

Alsof de chirurgenhand van het noodlot mij ineens succesvol heeft verlost van een oude blindheid, kijk ik vanuit mijn anonieme leven op naar het heldere besef van hoe ik besta. En ik zie dat alles wat ik heb gedaan, alles wat ik heb gedacht en alles wat ik ben geweest een soort bedrog en een soort waanzin is. Het verbaast me wat ik allemaal niet kon zien. Het bevreemdt me wat ik allemaal was en waarvan ik nu zie dat ik het toch niet ben.
Alsof boven mij de zon door de wolken breekt, kijk ik naar mijn vroegere leven, en ik merk met metafysische verbluftheid dat mijn zekerste gedragingen, mijn helderste ideeën en mijn duidelijkste plannen uiteindelijk niet meer waren dan aangeboren dronkenschap, ingeschapen waanzin, grote onwetendheid. Ik heb niet eens toneelgespeeld. Ik wérd gespeeld. Ik was niet de speler maar diens spel. (49)


Ik weet niet

De stilte die voortkomt uit het ruisen van de regen verspreidt zich in een crescendo van grijze eentonigheid door de smalle straat waarnaar ik kijk. Ik sta wakker te slapen bij het venster, waartegen ik leun als tegen alles. Ik probeer de gevoelens te duiden die ik onderga bij dat gerafelde vallen van schemerig water dat afsteekt tegen de vuile gevels en nog meer tegen de openstaande ramen. En ik weet niet wat ik voel, ik weet niet wat ik wil voelen, ik weet niet wat ik denk, en ik weet niet wat ik ben. (52)


Met diepte en in kleur

Zonder ziel of denken, gewaarwording zonder iets waar te nemen, over een weg om bergen heen dolen en door dalen tussen steile hellingen, ver, verzonken en fataal… Verdwalen te midden van landschappen als schilderijen. Niet-zijn met diepte en in kleur. (53)


Geen rust

Maar er is geen rust – ach, en die zal er ook nooit zijn! – in het diepst van mijn hart, die oude put achter op het verkochte landgoed, die herinnering aan onder het stof bedolven kinderjaren op de zolder van het vreemde huis. Er is geen rust – en, wee mij, zelfs geen verlangen om rust te vinden… (54)


Vegeterenden van de waarheid

Wie leeft als ik gaat niet dood: hij houdt op, verwelkt, vervegeteert. Op de plaats waar hij zich bevond is hij niet meer, in de straat waar hij liep ziet men hem niet meer, het huis waar hij woonde wordt bewoond door niet-hem. Het is alles en dat noemen wij het niets; maar zelfs dit drama van de ontkenning kunnen wij niet met applaus opvoeren, want wij weten niet eens zeker of het niets is, wij vegeterenden van de waarheid en het leven, stof op de buiten- en de binnenkant van de ramen, kleinkinderen van het noodlot en stiefkinderen van God, die de Eeuwige Duisternis huwde toen zij weduwe werd van de Chaos die ons heeft verwekt. (55)


Doorsneden door de rede

Uit de Rua dos Douradores vertrekken naar het Onmogelijke… Van mijn bureau opkijken naar het Onbekende… Maar dat doorsneden door de Rede – het Grote Boek dat zegt dat we hebben bestaan. (55)


Zonder lading of doel

In het draaiende bestel als stuifmeel zijn dat een onbekende wind opwaait in de middaglucht en de roerloze schemering neerlaat op de plek van het toeval, niet te onderscheiden tussen grotere dingen. Zelfverzekerd dat alles zijn, vrolijk noch bedroefd, de zon dankbaar voor haar glans en de sterren voor hun afstand. Niet méér zijn, niet méér hebben, niet méér willen… De muziek van de hongerlijder, het lied van de blinde, de relikwie van de onbekende reiziger, de voetstappen in de woestijn van de kameel zonder lading of doel. (58)


Drijfzand

Ik hoop dat ik naar de onmetelijkheid van de afgrond aller dingen tenminste de glans van mijn ontgoocheling kan meenemen alsof het de glans van een grootse droom was, en de schittering van mijn ongeloof als een witte vlag – een witte vlag in zwakke handen die door het slijk en het bloed der zwakkeren wordt gesleept, maar hoog opgestoken wordt wanneer we wegzakken in het drijfzand, uit protest, om te tarten of als gebaar van wanhoop, dat weet niemand. Niemand weet het, omdat niemand ook maar iets weet, en het drijfzand verzwelgt zowel degenen die vaandels dragen als degenen die er geen hebben. En het bedekt alles, mijn leven, mijn proza, mijn eeuwigheid. Ik draag het besef van mijn nederlaag mee als een overwinningsvaandel. (68)


Een put van gebaren

Ik ben een put van gebaren die zich niet eerst aankondigen in mijzelf, van woorden waar ik niet eens aan dacht terwijl ik mijn lippen bewoog, van dromen die ik ben vergeten tot het einde te dromen. Ik ben de ruïne van gebouwen die nooit meer zijn geweest dan ruïnes, omdat degene die ze bouwde het halverwege hun bouw moe werd ze te bouwen. (78)


Als stemmen in de nacht

Het leven van de menselijke ziel beweegt zich volledig in het halfdonker. Wij leven in een schemering van het bewustzijn, nooit zeker van wat we zijn of denken te zijn. Zelfs de besten van ons hebben ijdelheden en tekortkomingen die we niet kunnen zien. Wij zijn iets wat zich afspeelt in de pauze van een toneelstuk; soms vangen we door bepaalde deuren een glimp op van wat misschien alleen het decor is. De hele wereld is warrig, als stemmen in de nacht. (80)


Wat, wie

Deze bladzijden, waarop ik dingen noteer die slechts helder voor me zijn terwijl ik ze schrijf, heb ik zojuist herlezen en nu vraag ik mij af: wat is dit en waar dient het voor? Wie ben ik wanneer ik voel? Wat sterft in mij wanneer ik ben? (80)


Verstikt door conclusies

Zoals iemand die van grote hoogte het leven in een dal tracht te zien, zo beschouw ik mijzelf vanaf een bergtop en ben daarbij een onduidelijk en rommelig landschap. Tijdens die uren, waarin er een afgrond gaapt in mijn ziel, bedrukt het kleinste detail me als een afscheidsbrief. Ik voel me constant als kort voor het ontwaken en lijd in de huls van mezelf, verstikt door conclusies. Ik zou willen schreeuwen, als mijn stem iemand zou bereiken. Maar ik verkeer in een diepe slaap die zich van het ene gevoel naar het andere verplaatst, als wolken die over het gras van uitgestrekte weiden trekken en ze beurtelings donker- en lichtgroen maken van schaduw en zon. (81)


Een ander

Herlezen? Leugens! Dat durf ik niet. Kan ik niet. Wat heb ik aan herlezen? Wat daar staat is een ander. Ik begrijp er al niets meer van… (81)


Bederven als levensdoel

Ach, maar wat zou ik niet graag ten minste in één ziel wat vergif, rusteloosheid en verontrusting strooien. Dat zou mij een beetje troost bieden voor mijn onvermogen om te handelen. Bederven als levensdoel. Maar wordt er wel een ziel geraakt door mijn woorden? Hoort iemand die buiten mijzelf? (82)


Broodkorsten

In de regel wordt onze voorstelling van het onbekende gekleurd door onze notie van het bekende: als wij de dood een slaaptoestand noemen, dan doen we dat omdat de dood van buitenaf een slaaptoestand lijkt; en als we de dood een nieuw leven noemen, doen we dat omdat de dood iets anders dan het leven lijkt. Uit kleine misvattingen over de werkelijkheid knutselen wij ons geloof en onze hoop, en we leven van broodkorsten die wij koeken noemen, zoals arme kinderen die spelen dat ze gelukkig zijn. (82)


Moe

Het moe-zijn van alle illusies en wat in illusies schuilt – hun verlies, de zinloosheid ze te hebben, de moeheid vooraf dat je ze alleen maar hebt om ze te verliezen, het verdriet dat je ervan overhoudt, de intellectuele schaamte omdat je ze hebt gehad terwijl je wist dat het zo zou eindigen. (85)


Een overtollig schip

Ik zal opgaan in de mist als iemand die vreemd is aan alles, een menselijk eiland, losgeraakt van de droom van de zee, een overtollig schip aan de oppervlakte van alles. (105)


Systemen en loze praat

De metafysica heeft me altijd een voortgezette vorm van latente waanzin geleken. Als we de waarheid kenden, zouden we haar zien; al het andere zijn systemen en loze praat. Wanneer wij denken, volstaat voor ons de onbegrijpelijkheid van het universum; het willen begrijpen is minder zijn dan een mens, want mens-zijn is weten dat het niet te begrijpen is. (105)


Stof

Men brengt mij het geloof in de vorm van een dichtgeknoopt pakje op een vreemd presenteerblad, en men wil dat ik het aanneem, maar niet openmaak. Men brengt mij de wetenschap als een mes op een bord, om de bladzijden open te snijden van een boek waar niets in staat. Men brengt mij de twijfel als stof in een doosje, maar waarom brengt men mij het doosje als het alleen stof bevat? (106)


Verstrooide premissen

De werkelijkheid zien als een vorm van de illusie en de illusie als een vorm van de werkelijkheid is even noodzakelijk als zinloos. Het beschouwende leven moet, zuiver en alleen om te kunnen bestaan, de objectieve gebeurtenissen opvatten als verstrooide premissen van een onbereikbare conclusie; maar het moet tegelijkertijd de droominhouden zo opvatten dat ze in zekere zin de aandacht daarvoor, die ons beschouwend maakt, waard zijn.


Vermenigvuldigen

Ieder ding is al naargelang men het opvat een wonder of een hindernis, een alles of een niets, een weg of een probleem. Het telkens op een andere manier beschouwen betekent het vernieuwen, het vermenigvuldigen met zichzelf. Daarom heeft een beschouwende geest die zijn dorp nooit heeft verlaten, toch het hele universum tot zijn beschikking. (109)


De menselijke slak

Het is beter, ja, veel beter de menselijke slak te zijn die bemint en van niets weet, de bloedzuiger die afstotelijk is zonder het te weten. Niet-weten als leven hebben! Voelen als vergeten! Hoeveel verhalen zijn niet verloren gegaan in het wit-groene kielzog van de uitgevaren karvelen, als koud speeksel op het hoge stuurwiel dat als neus dient onder de ogen van de oude kajuiten! (109)


Bij iedere onbepaalde indruk

Het kleinste voorval – een verandering vanwege het licht, het opgerolde vallen van een dor blad, een verwelkt bloemblad dat loslaat, een stem aan de andere kant van de muur of de voetstappen van degene die daar spreekt, samen met die van degene die waarschijnlijk naar hem luistert, de half openstaande poort van het landgoed van weleer, de binnenplaats met de bogen van de schuren rondom in het maanlicht – al die dingen, die niet van mij zijn, binden linten van weerklank en weemoed om mijn gevoelige denken. Bij elk van die gewaarwordingen ben ik een ander, ik vernieuw mij smartelijk bij iedere onbepaalde indruk. (116)


Wie weet

Wie weet zelfs maar wat hij denkt of verlangt? Wie weet wat hij in zijn eigen ogen is? Hoeveel dingen waarvan we het prettig vinden dat ze niet kunnen bestaan, suggereert muziek ons niet. Hoeveel dingen die nooit gebeurd zijn, brengt de nacht ons in herinnering en bewenen wij! (118)


Een spoor en een schijngestalte

De toekomst ken ik niet, het verleden heb ik al niet meer. Het een bedrukt me als de mogelijkheid van alles, het ander als de werkelijkheid van niets. Ik heb verwachtingen noch heimwee. Wat kan ik, wetend wat mijn leven tot nu toe is geweest – zo vaak en op zoveel gebieden het tegenovergestelde van wat ik had gewenst – anders aangaande mijn leven van morgen denken dan dat het zal zijn wat ik niet denk, wat ik niet wil, wat me van buitenaf overkomt, zelfs al is het op grond van mijn eigen wil? En in mijn verleden is er niets waaraan ik terugdenk met het zinloze verlangen het te herhalen. Ik ben nooit meer geweest dan een spoor en een schijngestalte van mezelf. (123)


Oppervlakkig

Alles zo oppervlakkig! Wij en de wereld en het mysterie van beiden. (124)


Niet meer

Het leven is voor ons wat wij eronder verstaan. Voor de boer, wiens akker alles voor hem is, is die akker een rijk. Voor de keizer, wiens rijk voor hem nog altijd weinig is, is dat rijk een akker. Hij die arm is bezit een rijk; hij die groot is bezit een akker. Inderdaad, wij bezitten niet meer dan onze gewaarwordingen; daarop en niet op wat zij zien, moeten wij derhalve de realiteit van ons leven grondvesten. (124)


Hoeveel keizers

Hoe weinig uit de werkelijke wereld volstaat voor onze beste overpeinzingen. Dat ik ’s middags laat ben gaan eten, dat mijn lucifers op zijn, dat ik het doosje op straat heb gegooid, slechtgehumeurd omdat ik later dan gewoonlijk heb gegeten en omdat het zondag is met in de lucht de dreiging van een lelijke zonsondergang, dat ik niemand ben op de wereld, en alle metafysiek. Maar hoeveel keizers ben ik niet geweest! (126)


Geen enkele

Ik heb geen enkele opvatting over mijzelf, zelfs niet de opvatting dat ik geen opvatting over mijzelf heb. Ik ben een nomade van het bewustzijn van mijzelf. De kudden van mijn innerlijke rijkdom zijn bij mijn eerste wachtbeurt ontsnapt. (129)


Zo helder

Ik voel mij zo helder vandaag alsof ik niet besta. Mijn denken ligt bloot als een skelet, zonder de lappen vlees van de illusie om mezelf uit te drukken. En de stellingen die ik hier aanneem en weer verwerp, zijn nergens uit voortgekomen – tenminste niet uit iets wat zich op de voorste rijen van mijn bewustzijn zou bevinden. (133)


Niet-denken

De commentator van Vergilius had het mis. Vooral van begrijpen worden wij moe. Leven is niet-denken. (134)


Buiten mezelf

Ik weet zelf niet of het ik dat ik op deze kronkelige bladzijden voor u tentoonstel, echt bestaat of slechts een esthetische, valse voorstelling van mijzelf is. Ja, zo is het. Ik beleef mezelf esthetisch in een ander. Ik heb mijn leven als een standbeeld gehouwen uit een materiaal dat vreemd is aan mijn wezen. Ik heb me zozeer buiten mezelf geplaatst en mijn zelfbewustzijn werkt zo louter artistiek dat ik mijzelf soms niet herken. Wie ben ik achter deze onwerkelijkheid? Ik weet het niet. (135)


Slechts van dichterbij

Ons leven zo inrichten dat het voor de anderen een mysterie is, dat wie ons beter kent ons slechts van dichterbij niet kent dan de anderen. Zo heb ik mijn leven haast gedachteloos gemodelleerd, maar instinctief zo kunstzinnig dat ik voor mezelf een totaal niet helder en duidelijk individu ben geworden. (136)


Al gezien

Alles wat ik nog nooit had gezien, had ik al gezien.
Alles wat ik nog niet heb gezien, heb ik al gezien. (140)


Het landschap dat wij zijn

Voor ons, eeuwige wandelaars door onszelf, bestaat alleen het landschap dat wijzelf zijn. Wij bezitten niets, omdat wij niet eens onszelf bezitten. Wij hebben niets, omdat wij niets zijn. Welke handen moet ik uitstrekken naar welk heelal? (143)


Het pad naar de leegte

Op de weg naar de abstracte afgrond, die op de bodem der dingen ligt, moet men door verschrikkingen heen die de mensen van de wereld zich niet kunnen voorstellen, en krijgt men angsten die de menselijke ervaring niet kent; de kaap die naar het onbepaalde punt van de gemeenschappelijke zee leidt, is wellicht menselijker dan het abstracte pad naar de leegte van de wereld. (146)


Die onzichtbare afgrond

Ver van de wegen van mezelf, blind van de aanblik van het leven, dat ik liefheb, bereikte ik ten slotte eveneens de laatste leegte der dingen, de ongrijpbare rand van de grens der wezens, de deur zonder plaats van de abstracte afgrond van de wereld. Door die deur, Hoogheid, ben ik naar binnen gegaan. Over die zee, Hoogheid, heb ik gezworven. Die onzichtbare afgrond, Hoogheid, heb ik aanschouwd. (146)


Gelukkig

Gelukkig de makers van pessimistische systemen! Ze kennen niet alleen de troost iets te hebben gedaan, maar ook het genot alles te hebben uitgelegd en deel te zijn geworden van de universele pijn. (148)


Wat kan mij het schelen

Ik klaag niet over de wereld. Ik protesteer niet in naam van het heelal. Ik ben geen pessimist. Ik lijd en ik klaag, jawel, maar ik weet niet of lijden de regel is en of het menselijk is te lijden. Wat kan het mij schelen te weten of dat waar is of niet? (148)


Nihil expedit

Hoe meer ik het schouwspel van de wereld gadesla, de onophoudelijke verandering van alles, des te overtuigder raak ik van de fictie die alles eigen is, van het valse aanzien dat iedere werkelijkheid geniet. En bij dat gadeslaan, dat iedereen die nadenkt wel ooit doet, lijkt de bonte parade van zeden en gewoonten, de complexe loop van vooruitgang en beschaving, de grandioze chaos van rijken en culturen – lijkt dat alles mij een mythe en een fictie, gedroomd te midden van duisternis en vergetelheid. ALleen weet ik niet of de hoogste definitie van al die dode doeleinden, dood zelfs wanneer ze verwezenlijkt zijn, ligt in de extatische onthouding van Boeddha, die, toen hij de leegte der dingen inzag, uit zijn extase opstond met de woorden: ‘Nu weet ik alles’, of in de te routineuze onverschilligheid van keizer Severus: ‘Omnia fui, nihil expedit – ik ben alles geweest, niets is de moeite waard.’ (152)


Verwerping

Om het hoofd te bieden aan de brute onverschilligheid die schijnbaar in de kern van alles ligt, hebben de mystici de verwerping ontdekt. De wereld ontkennen, zich van haar afwenden als van een moeras aan de rand waarvan wij elkaar ontmoeten. Haar ontkennen als Boeddha, door haar absolute werkelijkheid te ontkennen; haar ontkennen als Christus, door haar betrekkelijke werkelijkheid te ontkennen. (153)


Chrysanten

Ik zoek mijzelf en vind me niet. Ik behoor tot uren als chrysanten die duidelijk uit vazen steken. God heeft van mijn ziel iets decoratiefs gemaakt. (154)


Een nog niet getekende kwitantie

De kwalen van het verstand doen helaas minder pijn dan die van het gevoel, en die van het gevoel helaas minder dan die van het lichaam. Ik zeg ‘helaas’ omdat de menselijke waardigheid eigenlijk het tegendeel zou verlangen. Geen enkele beklemmende gewaarwording van het mysterie kan net zoveel pijn doen als liefde, jaloezie of heimwee, net zo verstikken als hevige fysieke angst, net zo vervormen als woede of eerzucht. Maar ook slaagt geen van de pijnen die de ziel verscheuren erin zo werkelijk pijn te zijn als kiespijn, darmkrampen of (denk ik) barensweeën. Wij zijn nu eenmaal zo geaard dat ons verstand, dat bepaalde emoties of gewaarwordingen veredelt en verheft boven andere, ze ook omlaag haalt wanneer het de analyse ervan uitstrekt tot een onderlinge vergelijking. Ik schrijf alsof ik slaap en mijn hele leven is een nog niet getekende kwitantie. (159,160)


In de kantlijn

Alles wat de mens laat zien of uitdrukt, is een opmerking in de kantlijn van een geheel uitgewiste tekst. Uit die opmerking leiden wij min of meer de betekenis af van de tekst die er had moeten staan, maar altijd blijft er twijfel en er zijn veel mogelijke betekenissen. (168)


Geen vast criterium

‘De mens is een ziek dier’, zei Rousseau en dat is gedeeltelijk waar. ‘De mens is een dier met rede’, zegt de Kerk en ook dat is gedeeltelijk waar. ‘De mens is een dier dat werktuigen gebruikt’, zegt Carlyle en het is eveneens gedeeltelijk waar. Maar deze en soortgelijke definities zijn altijd onvolledig en raken de kern niet. En de reden is heel simpel: het is niet eenvoudig om de mens van het dier te onderscheiden, omdat we daar geen vast criterium voor hebben. Een mensenleven verloopt met dezelfde innerlijke onbewustheid als een dierenleven. (168)


Uit het ongerijmde

‘Alles komt voort uit het ongerijmde’, wordt er in de Anthologia Graeca gezegd. En inderdaad, alles komt voort uit het ongerijmde. Afgezien van de wiskunde, die alleen met dode getallen en lege formules te maken heeft en daardoor volmaakt logisch kan zijn, is de wetenschap niet meer dan een kinderspel in de schemering, een poging om vogelschaduwen te vangen en de schaduw van gras dat wiegt in de wind, tegen te houden. (169)


De ironie

De superieure mens verschilt van de inferieure mens en diens broeders de dieren door de simpele eigenschap van de ironie. De ironie is de eerste aanwijzing dat het bewustzijn bewust is geworden. En de ironie doorloopt twee stadia: het stadium dat Socrates aanduidde toen hij zei: ‘Ik weet alleen dat ik niets weet’, en het stadium dat Sanches [Francisco Sanches, 1551-1623, Portugees arts en filosoof] toen hij zei: ‘Ik weet niet eens of ik niets weet.’ De eerste stap gaat tot het punt waarop we dogmatisch twijfelen aan onszelf, en iedere superieure mens zet die stap en bereikt dat punt. De tweede stap gaat tot het punt waarop wij niet alleen aan onszelf twijfelen, maar ook aan de twijfel, en slechts weinig mensen hebben dat punt bereikt in het korte maar toch al zo lange tijdsbestek dat wij, de mensheid, de zon en de nacht hebben zien schijnen boven de gevarieerde oppervlakte van de aarde. (169,170)


Dolen

Jezelf kennen is dolen, en het orakel dat zei: ‘Ken uzelf’, gaf daarmee een werk op dat groter was dan de werken van Hercules, en een raadsel dat duisterder was dan dat van de Sfinx. Jezelf bewust niet kennen, ziedaar de weg. En jezelf bewust niet kennen is het actieve gebruik van de ironie. Ik ken niets wat groter is, noch iets wat meer eigen is aan de mens die werkelijk groots is, dan de geduldige en expressie analyse van de wijzen waarop wij onszelf niet kennen, het bewuste registreren van de onbewustheid van onze bewustheden, de metafysiek van de autonome schaduwen, de poëzie van het avondrood der teleurstelling. (170)


Altijd weer

Maar altijd weer bedriegt ons iets, altijd weer wordt een analyse minder scherp, altijd weer ligt de waarheid, hoewel onecht, een straat verder. En dat vermoeit meer dan het leven, wanneer dat vermoeit, en de kennis en het denken over dat leven, die altijd blijven vermoeien. (170)


Net als de daken

Ik sta op van de stoel waar ik mijzelf, met mijn ellebogen verstrooid op de tafel, die ongeordende indrukken heb verteld. Ik richt me op, richt mijn lichaam in zichzelf op en loop naar het raam, hoog boven de daken, vanwaar ik kan zien hoe de stad in een langzaam intredende stilte gaat slapen. De maan, groot en van een volkomen wit wit, beschijnt droevig de gladgestreken verschillen van de huizen. En het lijkt alsof hij het hele mysterie van de wereld huiveringwekkend verlicht. Hij lijkt alles te tonen, en alles is schaduw met hier en daar een flauw lichtschijnsel, onechte, verspringende tussenruimtes, incoherenties van het zichtbare. Er waait geen zuchtje wind en het lijkt of het mysterie groter is. Ik voel walging in mijn abstracte denken. Nooit zal ik een bladzijde schrijven die mijzelf of wat dan ook onthult. Een vlinderlichte wolk zweeft wazig boven de maan, als een schuilplaats. Net als deze daken weet ik niets. Net als de hele natuur heb ik gefaald. (170,171)


Het vage vermoeden van een illusie

Een van de dingen die ik het vaakst overdenk, is de hardnekkige onberedeneerdheid van het leven achter de waas van het intellect. De irreële vermomming van het leven laat mij alleen maar nog beter de onbewustheid zien die ze niet verdoezelt. Van zijn geboorte tot zijn dood leeft de mens als slaaf van dezelfde uiterlijkheid als de dieren hebben. Zijn leven lang leeft hij niet maar vegeteert hij op een hoger niveau en ingewikkelder. Hij laat zich leiden door normen waarvan hij noch weet dat ze bestaan, noch dat hij zich erdoor laat leiden, en zijn ideeën, gevoelens en daden zijn allemaal onbewust – niet omdat het bewustzijn eraan ontbreekt, maar omdat ze geen dubbel bewustzijn hebben. Het vage vermoeden van een illusie – dat is alles wat de allergrootste mens heeft. (171)


Broeders in onwetendheid

En zoals het nutteloze lijk van de gewone man wordt neergelaten in de gemeenschappelijke aarde, zo laat ik het even nutteloze lijk van mijn proza, geschreven om te helpen, in de algemene vergetelheid zakken. Wat zou ik dus spottend doen over de varkenskarbonades, de wijn en het liefje van een ander? Broeders in onwetendheid, verschillende bestaanswijzen van hetzelfde bloed, diverse vormen van dezelfde erfenis – wie van ons kan de ander verloochenen? Je kunt je vrouw verloochenen, maar niet je moeder, je vader of je broer. (171)


Zwaar

Met een enorme krachtinspanning sta ik op van mijn stoel, maar ik heb de indruk dat ik hem meeneem en dat hij zwaarder is geworden, omdat het de stoel van het subjectivisme is. (175)


Vermoeiend

Wie ben ik voor mezelf? Alleen maar een eigen gewaarwording. Mijn hart loopt ongewild leeg, als een lekke emmer. Denken? Voelen? Wat is alles toch vermoeiend als het een bepaald iets is! (175)


Wit

Op zekere dag, ik weet niet precies wanneer, trof ik mijzelf aan in deze wereld; tot dan toe had ik sinds mijn geboorte geleefd zonder te voelen. Als ik vroeg waar ik was, bedroog iedereen mij en spraken ze elkaar allemaal tegen. Als ik vroeg wat ik moest doen, loog iedereen en zeiden ze allemaal iets anders. Als ik bleef staan, omdat ik niet wist hoe ik verder moest, was iedereen verbaasd dat ik niet doorliep, hoewel niemand wist waar de weg naartoe leidde, of terugkeerde – ik die, ontwaakt op het kruispunt, niet wist vanwaar ik was gekomen. Ik zag dat ik op het toneel stond en mijn rol niet kende, die de anderen meteen opdreunden terwijl ze haar evenmin kenden. Ik zag dat ik gekleed ging als page en geen koningin had, waarvan ik zelf de schuld kreeg. Ik zag dat ik een boodschap in mijn handen had die ik over moest brengen, en toen ik zei dat het papier wit was, werd ik uitgelachen. En ik weet nog steeds niet of ze lachten omdat alle vellen papier wit zijn of omdat alle boodschappen zich laten raden. (177)


Ons wereldbeeld

Voor ons staat of valt alles met ons wereldbeeld; ons wereldbeeld wijzigen betekent de wereld wijzigen voor onszelf, dat wil zeggen, is de wereld wijzigen, want die zal voor ons nooit iets anders zijn dat wat ze is voor ons. (182)


De troon

Dadeloosheid biedt soelaas voor alles. Niet-handelen geeft ons alles. Verbeelden is alles, wanneer het niet naar handelen neigt. Niemand kan koning van de wereld zijn, tenzij in zijn dromen. En ieder van ons wil, als hij zichzelf echt kent, koning van de wereld zijn. Al denkend niet-zijn is de troon. Al wensend niet-willen is de kroon. We bezitten datgene waar we van afzien, omdat we het in onze dromen ongeschonden houden, eeuwig in het licht van de zon, dat er niet is, of van de maan, dat er niet kan zijn. (186)


Alleen in je ziel

Vandaag is zo’n dag dat de eentonigheid van alles aanvoelt als een gevangenis. Hoewel, het is niet de eentonigheid van alles, het is de eentonigheid van mij. Ieder gezicht dat je gisteren hebt gezien, is vandaag een ander gezicht, want vandaag is gisteren niet. Iedere dag is de dag die het is, en er is er nooit eerder zo een geweest. Alleen in je ziel ligt de identiteit – de identiteit die de ziel voelt met zichzelf, ook al is die vals – waardoor alles op elkaar lijkt en eenvoudig wordt. (189)


Door onmogelijke bossen

Wij bevolken dromen, we zijn schimmen die door onmogelijke bossen dolen, waarin de bomen huizen, gewoonten, ideeën, idealen en filosofieën. (202)


Altijd vreemd

Het kinderlijke instinct van de mensheid dat maakt dat zelfs de trotste onder ons, als hij een mens is en niet gek is, hunkert, allergelukzaligste Vader, naar een vaderlijke hand om hem, op wat voor manier dan ook, door het mysterie en de verwarring van de wereld te leiden. Ieder van ons is een stofkorrel die de wind van het leven optilt en weer laat vallen. We moeten steun en beschutting zoeken, ons handje in een andere hand leggen; want het tijdstip is altijd onzeker, de hemel altijd ver en het leven altijd vreemd. De hoogste heeft alleen maar een betere kennis van de leegte en onzekerheid van alles. Het kan zijn dat we worden geleid door een illusie, maar het bewustzijn leidt ons zeker niet. (203)


Een vaag en warrig verhaal

Ik dool en blader innerlijk, zonder te lezen, een boek door waarvan de tekst doorspekt is met vluchtige beelden, waaruit ik traag een gedachte ontwikkel die ik nooit tot het einde doordenk. Er zijn mensen die net zo snel lezen als dat ze kijken, maar, als ze dan ophouden, niet alles hebben gezien. Zo haal ik uit het boek waarvan de bladzijden omslaan in mijn ziel, een vaag en warrig verhaal, herinneringen aan een andere zwerver, stukjes beschrijvingen van een schemering of maneschijn, met tussendoor brede parklanen waarover onophoudelijk zijdeachtige gestalten schrijden. (204)


Het einde van een eindeloze weg

Toen ik ook het dromen moe werd, kreeg ik een vreemd, vals gevoel, alsof ik aan het einde van een eindeloze weg was gekomen. Ik stroomde uit mijzelf weg naar ik-weet-niet-waar, en daar ben ik nutteloos blijven liggen. Ik ben iets wat ik was. Daar waar ik denk dat ik ben en waar ik mij zoek, vind ik mij niet, en ik weet niet wie het is die mij zoekt. (205)


Onder een omgevallen muur

Ik weet niet wat ik wil of niet wil. Ik weet niet meer hoe ik moet willen, ken de emoties of gedachten niet meer waardoor je gewoonlijk weet dat je iets wilt of graag iets zou willen. Ik weet niet wie ik ben of wat ik ben. Als iemand die begraven ligt onder een omgevallen muur, lig ik onder de neergestorte leegte van het hele universum. (208)


Geen hoog en laag

Caesar gaf een volmaakte definitie van eerzucht toen hij zei: ‘Liever de eerste in een dorp dan de tweede in Rome!’ Ik ben niets, in het dorp noch in een of ander Rome. De kruidenier op de hoek wordt tenminste gewaardeerd van de Rua da Assuncao tot aan de Rua da Vitória; hij is keizer van een blok. Ik superieur aan hem? Waarin dan wel, als het niets geen hoog en laag kent en geen vergelijking toestaat? (211)


Een wirwar van oude straten

Sommigen zeggen dat leven zonder hoop onmogelijk is, anderen dat het leven met hoop leeg is. Ik, die hoop noch wanhoop, zie het leven als een simpel uiterlijk schilderij waar ook ik op sta en waar ik naar kijk als een schouwspel zonder handeling, louter gemaakt om de ogen te verstrooien – een ballet zonder samenhang, het dwarrelen van bladeren in de wind, wolken waarin het zonlicht van kleur verandert, een wirwar van oude straten her en der in de stad. (215)


Dieplood

Ik heb mij gepeild en het dieplood laten vallen; ik vraag mij onophoudelijk af of ik diep ben of niet, met als enig dieplood nu mijn blik, die mij helder afgetekend in de donkere spiegel van een diepe put mijn gezicht toont, dat naar mij kijkt terwijl ik ernaar kijk. (216)


Een speelkaart

Ik ben een soort speelkaart, een oude, onbekende kleur, als enige overgebleven van het zoek geraakte spel. Ik heb geen betekenis, ik ken mijn waarde niet, ik kan mij nergens mee vergelijken om mijzelf te ontdekken, ik heb geen nut waardoor ik mij zou kunnen leren kennen. En terwijl ik mij zo in achtereenvolgende beelden beschrijf – niet zonder waarheid, maar wel met leugens – zit ik allengs meer in de beelden dan in mijzelf, zeg ik wie ik ben tot ik niet meer ben, schrijf ik met mijn ziel als inkt die alleen goed is om er zichzelf mee te beschrijven. Maar mijn reactie verslapt en ik berust opnieuw. Ik keer in mij terug tot wat ik ben, ook al is dat niets. (217)


Koninkrijken en naaisterjurken

Ja, wij verdwijnen allemaal en wij verdwijnen volledig. Er zal niets overblijven van wat gevoelens had en handschoenen droeg, van wat sprak over de dood en de gemeentepolitiek. Zoals hetzelfde licht de gezichten van de heiligen en de overschoenen van de voetgangers verlicht, zo zal ook dezelfde afwezigheid van licht het niets dat overblijft van sommigen die heiligen waren, en anderen die overschoenen droegen, in het donker hullen. In de weidse werveling waarin de wereld willoos wordt rondgeslingerd, als dorre bladeren in de wind, zijn koninkrijken niet meer waard dan naaisterjurken, en blonde kindervlechten zijn opgenomen in dezelfde dodelijke cirkeling als scepters die voor imperia staan. Alles is niets en in het atrium van het Onzichtbare, waar door de openstaande deur alleen maar een andere, gesloten deur te zien is, dansen, als slaven van de wind die ze zonder handen voortduwt, alle dingen, groot en klein, die voor ons en in ons de waarneembare wereld vormden. Er is slechts schaduw en dwarrelend stof, en de enige stem is het geluid van wat de wint optilt en wegdraagt, de enige stilte die van wat de wind laat liggen. (226)


Slaapdronken kinderen

Met wat ik van mijzelf denk, draai ik reeds tussen de bladeren en het stof van het atrium in de betekenisloze baan van niets, ritselend op de schone plavuizen, waarover schuin invallend zonlicht een laatste gouden gloed legt. Alles wat ik heb gedroomd, alles wat ik heb gedaan of niet heb gedaan – dat alles zal in de herfst vergaan als de opgebrande lucifers die links en rechts op de grond liggen, of de proppen papier, of de grote imperia, alle religies en alle filosofieën die de slaapdronken kinderen van de afgrond hebben gemaakt om mee te spelen. (227)


Niet eens

We weten niet eens of het einde van de dag een zinloos verdriet is van ons, of dat wat wij zijn vals is tussen schemeringen en er in feite niet meer is dan de grote stilte zonder wilde eenden die neerdaalt over de meren, waar de rietstengels geleidelijk verslappen. We weten niets, we bewaren niet eens de herinnering aan de verhalen uit onze kinderjaren, algen, of de late streling van toekomstige luchten, een bries waarin de vaagheid zich langzaam ontvouwt in sterren. (227-228)


Tussenruimte

Wolken… Ik besta zonder dat ik het weet en ik zal doodgaan zonder dat ik het wil. Ik ben de ruimte tussen wat ik ben en wat ik niet ben, tussen wat ik droom en wat het leven mij heeft gemaakt, het abstracte en lijfelijke midden tussen dingen die niets zijn, omdat ik ook zelf niets ben. (229)


Ik ken me niet

Wolken… Ik onderzoek mezelf en ken me niet. Ik heb niets gedaan wat nut heeft, en zal nooit iets doen wat goed te praten is. Het deel van mijn leven dat ik niet heb verkwist met het warrige interpreteren van niets, heb ik verspild met het schrijven van prozagedichten op de niet over te brengen gevoelens waarmee ik het onbekende universum tot het mijne maak. (229)


Wijd en warrig

Wolken… Ze zijn als ik, een wanordelijke overgang tussen hemel en aarde, geleid door een onzichtbare impuls onwerend of niet onwerend, vrolijk makend wit of somber stemmend zwart, ficties van tussenspel en misleiding, ver van het lawaai van de aarde en zonder de stilte van de hemel te bezitten. Wolken… Ze trekken maar voorbij, trekken altijd maar voorbij, zullen eeuwig voorbijtrekken, donkere strengen die onregelmatig worden afgerold, een valse hemel die zich wijd en warrig uitstrekt. (229, 230)


Een schaduw, zoals alles

Vloeiend eindigt de overgave van de dag tussen uitgeputte paarstinten. Niemand zal me zeggen wie ik ben of weten wie ik was. Ik ben van de onbekende berg afgedaald in het dal dat ik niet kende, en in de traag vallende avond waren mijn schreden slechts sporen op de open plekken in het bos. Iedereen die ik heb bemind, is mij vergeten in de schaduw. Niemand wist van de laatste boot. Op het postkantoor wist men niets van de brief die niemand ooit zou schrijven. Alles was echter onecht. Men vertelde geen verhalen die anderen al hadden verteld, en men kan ook niets met zekerheid zeggen over degene die destijds vol hoop was vertrokken om nergens aan boord te gaan, zoon van toekomstige mist en besluiteloosheid. Ik heb een naam onder de dralers en die naam is een schaduw, zoals alles. (230)


Het slaapwandelen van ons onbegrip

Hoeveel dingen die wij als juist of terecht beschouwen, zijn in feite slechts de overblijfselen van onze dromen, het slaapwandelen van ons onbegrip! Is er wel iemand die weet wat juist of terecht is? Hoeveel dingen die wij als mooi beschouwen, zijn eigenlijk niet meer dan voorbijgaande mode, fictie van plaats en tijdstip? Hoeveel dingen die wij als de onze beschouwen, zijn eigenlijk slechts datgene waarvan wij perfecte spiegels of doorzichtige omhulsels zijn, volledig vreemd aan onze aard! (231)


Het fijne zand van vernielde zekerheden

Hoe meer ik nadenk over ons vermogen om ons te vergissen, des te meer glijdt het fijne zand van vernielde zekerheden tussen mijn slappe vingers door. En op momenten dat mijn nadenken een gevoel wordt en mijn geest daardoor vertroebelt, rijst de hele wereld voor mij op als mistige schaduw, schemerige hoeken en randen, een fictie van het tussenspel, een uitblijven van de morgenstond. Alles verandert in iets absoluuts wat aan zichzelf gestorven is, een stilstand van details. En zelfs mijn zintuigen, waarmee ik mijn denken verplaats om het te vergeten, zijn een soort slaap, iets vers wat volgt, iets anders, gespleten, toeval van schaduwen en verwarring. (231)


Allebei gelijk

Vandaag kwam ik op straat kort na elkaar twee vrienden van me tegen die ruzie met elkaar hadden gehad. Ze vertelden mij allebei het verhaal van hun ruzie. Ze spraken allebei de waarheid. Ze zetten allebei hun redenen uiteen. Ze hadden allebei gelijk. Ze hadden allebei volkomen gelijk. Het was niet zo dat ze twee verschillende dingen zagen, of twee verschillende kanten van dezelfde zaak, nee, allebei zagen ze de dingen precies zoals ze waren gebeurd, allebei keken ze er op dezelfde manier tegen aan, maar ze zagen allebei iets anders en dus hadden ze allebei gelijk. Ik raakte in de war van dat dubbele bestaan van de waarheid. (232)


Geen goed doen

Wij bevinden ons allemaal aan boord van een schip dat uit een ons onbekende haven op weg is naar een andere haven die wij evenmin kennen, en moeten jegens elkaar de beminnelijkheid van reisgenoten betrachten. Geen goed doen, want ik weet niet wat goed is en evenmin of ik goed doe wanneer ik denk dat ik dat doe. Weet ik wat voor kwaad ik wellicht aanricht wanneer ik een aalmoes geef? Weet ik wat voor kwaad ik aanricht wanneer ik opvoed of onderricht? (232)


Een abstract middelpunt

Dat is mijn moraal, of mijn metafysica, of, anders gezegd, dat ben ik: ik leef langs alles heen – zelfs langs mijn eigen ziel -, hoor nergens bij, verlang nergens naar, ben niets – een abstract middelpunt van onpersoonlijke waarnemingen, een omgevallen spiegel die naar de gevarieerdheid van de wereld is gekeerd. Met dat al weet ik niet of ik gelukkig ben; het interesseert me ook niet. (234)


Alleen maar indrukken

Wij weten nooit wanneer we oprecht zijn. Misschien zijn we het wel nooit. En zelfs als we vandaag het een menen, kunnen we morgen net zo oprecht precies het tegenovergestelde menen. Ik voor mij heb nooit overtuigingen gehad. Altijd alleen maar indrukken. (237)


Dichter-zijn

Meningen hebben is verraad plegen aan jezelf. Geen meningen hebben is bestaan. Alle meningen hebben is dichter-zijn. (237)


Als uit de slaap van een ander

Alles vervluchtigt voor me. Mijn hele leven, mijn herinneringen, mijn verbeelding en wat die bevat, mijn persoonlijkheid, alles vervluchtig. Voortdurend voel ik dat ik een ander ben geweest, dat ik als een ander heb gevoeld, dat ik als een ander heb gedacht. Ik kijk dan naar een schouwspel met een niet-bijpassend decor. En dat schouwspel ben ik.
Soms vind ik in de gebruikelijke warboel van mijn literaire laden teksten die ik tien, vijftien jaar, of misschien nog langer geleden heb geschreven. En vele daarvan lijken me afkomstig van een vreemde: ik herken mezelf niet in die woorden. Iemand moet ze hebben geschreven en die iemand was ik. Ik heb ze zelf gevoeld, maar in een ander leven, waaruit ik nu ontwaakt ben als uit de slaap van een ander. (237)


Hoe kon ik worden wat ik al was?

Nog maar een paar dagen geleden schrok ik van een korte tekst uit mijn verleden. Ik weet heel zeker dat mijn op zijn minst relatieve aandacht voor de stijl dateert van enkele jaren terug. In een la vond ik een veel oudere tekst waarin die aandacht duidelijk zichtbaar was. Ik snapte mezelf dus vroeger niet. Hoe kon ik in godsnaam worden wat ik al was? Hoe kon ik vandaag van me weten wat ik gisteren niet wist? En alles wordt warrig als een doolhof van mezelf waarin ik zelf verdwaal. (238)


Hoevelen ben ik?

Mijn God, mijn God, wie neem ik hier waar? Hoevelen ben ik? Wie is ik? Wat is die ruimte die er is tussen mijzelf en mij? (238)


Een ander ik

Ik heb de meest tegenstrijdige meningen, de meest uiteenlopende geloofsovertuigingen. Dat komt doordat ik zelf nooit denk, praat of handel… Het is altijd een droom van mij, waarin ik mij even belichaam, die denkt en spreekt en handelt voor mij. Als ik spreek, is dat een ander ik. (240)


Het gebaar

Ik heb het zelf opgegeven te zoeken naar alles wat ik in het leven heb gezocht. Ik ben als iemand die verstrooid iets zoekt waarvan hij tijdens het wegdromen onder het zoeken is vergeten wat het was. Reëler dan het gezochte voorwerp wordt het reële gebaar van de zichtbare handen die al omkerend, verschuivend en optillend zoeken, want zij bestaan wit en lang, met beide exact vijf vingers. (241)


De innerlijke schaduw

Alles wat ik ben of was, of wat ik denk dat ik ben of was, dat alles verliest ineens – met deze gedachten en het plotselinge donker worden van de hoge wolk – het geheim, de waarheid, het geluk misschien dat ligt in ik-weet-niet-wat dat het leven als bed heeft. Dat is alles wat me rest, als een zon die verstek laat gaan, terwijl het licht langzaam zijn handen van de hoge daken af laat glijden en in de eenwording van de daken de innerlijke schaduw van alles zichtbaar wordt. (241,242)


Waar wezen schaduwen zijn

Geleidelijk verlies ik het heldere besef dat ik samenlevend met dit alles besta, dat ik mij, terwijl ik hoor en nauwelijks zie, werkelijk beweeg tussen schaduwen die wezens voorstellen, en plaatsen waar wezens schaduwen zijn. Het wordt mij donker en wazig steeds onbegrijpelijker hoe dit alles kan bestaan tegenover de eeuwige tijd en de eindeloze ruimte. (243)


Een bewustzijnsduisternis

Ik voel mij afgedwaald van mezelf, buiten mijn bereik. De morele drang om te vechten, de intellectuele inspanning om te ordenen en te begrijpen, het onrustige artistieke streven om iets voort te brengen wat ik nu niet begrijp, maar wat ik mij herinner begrepen te hebben en schoonheid noem, dat alles verdwijnt uit mijn intuïtieve begrip van de werkelijkheid, dat alles lijkt mij niet eens de moeite waard om als zinloos, leeg en ver weg beschouwd te worden. Ik voel mij slechts een lege ruimte, de schijn van een ziel, de plaats van een wezen, een bewustzijnsduisternis waar een vreemd insect niet eens tevergeefs de warme herinnering van een lamp zoekt. (244)


Zonder contouren

Innerlijk Standbeeld zonder contouren, Uiterlijke Droom zonder droominhoud. (245)


Zand

Ik ben altijd een ironische dromer geweest, ontrouw aan mijn innerlijke beloften. Ik heb altijd als een ander, als een vreemde genoten van de wegen die mijn dromen insloegen, als een toevallige beschouwer van wat ik meende te zijn. Ik heb nooit geloof gehecht aan wat ik geloofde. Ik vulde mijn handen met zand, noemde het goud en liet het door mijn vingers glijden. (245)


‘Werkelijkheid’

Dat voorval uit de verbeelding dat we de werkelijkheid noemen. (248)


Snot van de subjectiviteit

De menselijke ziel is een gekkenhuis van karikaturen. Als ze zich werkelijk kon openbaren en er geen grotere schande zou bestaan dan alle bekende en gedefinieerde schandes, dan zou ze, net zoals men zegt van de waarheid, een put zijn, maar dan wel een donkere put, vol vage echo’s, bevolkt door allerlei lagere wezens, levenloos slijm, slakken zonder wezen, snot van de subjectiviteit. (265)


Een heldere slaapdronkenheid

Ik verlies mij als ik mij vind, ik twijfel als ik geloof, ik heb niet wat ik heb. Ik slaap alsof ik aan het wandelen was, maar ik ben wakker. Ik word wakker alsof ik lag te slapen en behoor mijzelf niet toe. Het leven is één grote slapeloosheid en een heldre slaapdronkenheid kenmerkt ons denken en doen. (266,267)


Vergeten

Ik kan me niet bezighouden met metafysische speculaties, want ik weet uit eigen ervaring maar al te goed dat alle systemen verdedigbaar en verstandelijk mogelijk zijn; en om te genieten van de intellectuele kunst om systemen te bouwen zou ik moeten vergeten dat het doel van metafysische speculaties het zoeken naar de waarheid is – en dat kan ik niet. (273).


De eindeloze complexiteit

Eerst hield ik mij bezig met metafysische speculaties, daarna met wetenschappelijke ideeën. Ten slotte trokken mij de sociologische aan. Maar in geen van die stadia van mijn zoektocht naar de waarheid vond ik zekerheid en verlichting. Ik las steeds weinig over mijn aandachtsveld, maar bij het weinige dat ik las werd ik moe van de vele tegenstrijdige theorieën, die allemaal even goed onderbouwd waren, even aannemelijk klinken en uitgingen van een feitenbestand dat altijd alle feiten leek te bevatten. Telkens als ik mijn vermoeide ogen dan opsloeg van de boeken, of mijn verstoorde aandacht van mijn gedachten verplaatste naar de wereld om mij heen, zag ik slechts één ding, dat lezen en denken ontdeed van elk nut en een voor een alle bloemblaadjes aftrok van de gedachte mij in te spannen: de eindeloze complexiteit van alles, de onmetelijke som, de haast onmogelijke verifieerbaarheid van de weinige feiten die onontbeerlijk zouden zijn om er een wetenschap op te baseren. (274)


Het heilige instinct

…het heilige instinct geen theorieën te hebben… (278)


De nieuwe kleren van de keizer

Een enkeling onder ons, bevrijd of verdoemd, ziet ineens – en ook hij maar zelden – dat alles wat wij zijn datgene is wat wij niet zijn, dat wij ons vergissen in wat klopt, en geen gelijk hebben in wat wij juist achten. En die enkeling, die een kort ogenblik het naakte universum ziet, creëert een filosofie of droomt een godsdienst; en de filosofie verbreidt zich en de godsdienst verspreidt zich, en degenen die in de filosofie geloven, gebruiken haar als kleren die ze niet zien, en degenen die in de godsdienst geloven, zetten haar op als een masker en vergeten dat ze het dragen. (283)


Vrolijk

En zo, onszelf en elkaar niet kennend en daardoor onszelf en de ander vrolijk begrijpend, zwieren wij rond over de dansvloer en onderhouden wij ons tussendoor menselijk, nietig en ernstig op de klanken van het grote orkest der sterren en onder de laatdunkende, verstrooide blikken van de organisatoren van het spektakel. Alleen zij weten dat wij gevangenzitten in de schijn die zij voor ons schiepen. Maar wat de zin is van die schijn en waarom die schijn of om het even welke andere bestaat, of waarom zij, evenzeer slachtoffer van een illusie, ons de schijn hebben bezorgd die ze ons bezorgd hebben – dat weten ongetwijfeld zijzelf niet eens. (283)


De pretentie

Ik heb altijd een bijna fysieke afkeer gehad van alles wat geheim is – intriges, diplomatie, geheime genootschappen, occultisme. Vooral die twee laatste hebben me altijd zeer gestoord: de pretentie van sommige lieden dat ze, op grond van een bijzondere verstandhouding met goden of meesters of demiurgen, onder elkaar, met uitsluiting van de rest van ons, de grote geheimen kennen die ten grondslag liggen aan de wereld! (283)


Treurmars

In de grote verwarring van hun onzekere lot zijn goden en mensen voor mij gelijk. Ik zie hen op deze obscure vierde verdieping in dromen voorbijtrekken en ze betekenen voor mij niet meer dan voor degenen die in hen geloofden. Negerfetisjen met troebele, verschrikte ogen, diergoden van de wilden uit dichte oerwouden, figuurlijke voorstellingen van Egyptische symbolen, heldere Griekse godheden, stijve Romeinse goden, Mithras, heerser over de zon en het gevoel, Jezus, heer van de consequentie en de caritas, verschillende criteria voor dezelfde Christus, heiligen als nieuwe goden van nieuwe steden, allemaal trekken ze voorbij, een voor een, in die treurmars (bedevaart of begrafenis) van de dwaling en de illusie. Allemaal lopen ze voort, en achter hen aan komen als lege schaduwen de dromen, waarvan de slechtste dromers denken dat ze, omdat ze op de grond liggen, met de aarde verbonden zijn – armzalige begrippen zonder ziel of vorm, zoals Vrijheid, Mensheid, Geluk, een Betere Toekomst, de Sociale Wetenschap – en die zich in het eenzame duister voortslepen als bladeren die een eindje vooruit worden geveegd door de sleep van een door bedelaars gestolen koningsmantel. (301)


Iets onbeschofts

Een mening is iets onbeschofts, zelfs als ze niet oprecht is. (303)


O nacht

O nacht, waarin de sterren liegen dat ze licht zijn, o nacht, enig ding zo groot als het heelal, maak mij met lichaam en ziel deel van uw lichaam, opdat ik mij verlies in louter duisternis en ook nacht word, zonder dromen die de sterren in mij zijn, zonder hoop op een zon die schijnt vanuit de toekomst. (308)


Tot nul herleid

Er zijn dagen die filosofieën zijn, interpretaties van het leven, kritische kanttekeningen in het boek van ons universele lot. Dit is zo’n dag. En ik heb, volkomen ongerijmd, de indruk dat de tekst van dat zinloze en diepzinnige commentaar zal worden geschreven met het absurde potlood van mijn zware oogleden en tot nul herleide brein. (309,310)


Nooit wakker

Ik weet bijna zeker dat ik nooit wakker ben. Misschien droom ik als ik leef, misschien leef ik als ik droom, of misschien, ik weet het niet, zijn droom en leven bij mij vermengde, gekruiste dingen, waaruit mijn bewuste zijn zich vormt doordat ze in elkaar doordringen. (312)


Een literair persoon

Soms bekruipt mij midden in het actieve leven, waarin ik natuurlijk net zo bewust van mezelf ben als iedereen, een vreemd gevoel van twijfel; dan vraag ik me af of ik wel besta, of ik niet de droom van een ander ben, en ik kan me bijna lijfelijk voorstellen dat ik een literair personage ben en mij in de waarheid van een grandioos verhaal beweeg op de hoge golven van een stijl. (312)


Matroesjka

Het is me vaak opgevallen dat bepaalde romanfiguren een reliëf voor ons krijgen dat degenen die onze kennissen en vrienden zijn, degenen die in het zichtbare en werkelijke leven met ons praten en naar ons luisteren, nooit zouden kunnen bereiken. En dat leidt ertoe dat ik mijmer over de vraag of niet alles in de wereld een reeks dromen en romans is die als doosjes in elkaar steken – het ene in het andere en dat weer in het andere -, een raamvertelling – zoals Duizend en één nacht, die zich onecht afspeelt in de eeuwige nacht. (313)


Alsof men mij schildert

Als ik denk, lijkt alles me absurd; als ik voel lijkt alles me vreemd; als ik wil, is wat ik wil iets in mij. Altijd als er in mij wordt gehandeld, herken ik dat ik dat niet was. Als ik droom, lijkt het alsof men mij schrijft. Als ik voel, lijkt het alsof men mij schildert. Als ik wil, lijkt het alsof men mij op een wagen zet, als koopwaar die verstuurd wordt, en dat ik, naar het mij voorkomt uit eigen beweging, naar een plaats ga waar ik pas heen wil als ik er ben. (313)


Geen zichtbare relatie

De ontaarde opvatting die zegt dat wij als zielen het gevolg zijn van een materieel iets genaamd hersenen, die slechts bestaat binnen een ander materieel iets genaamd schedel, deel ik niet, heb ik nooit gedeeld en zal ik waarschijnlijk ook nooit delen. Ik kan geen materialist zijn, zoals die opvatting geloof ik heet, want ik kan geen duidelijke, of liever geen zichtbare relatie leggen tussen een zichtbare massa van grijze of andersgekleurde materie en het iets genaamd ik dat achter mijn blik de hemel ziet en denkt en zich hemelen verbeeld die niet bestaan. (356)


Onafgebroken

Ik slaap nooit: ik leef en ik droom, of liever, ik droom als ik leef en als ik slaap, wat ook leven is. Mijn bewustzijn kent geen onderbreking: ik neem waar wat mij omringt als ik nog niet slaap of als ik niet goed slaap, en ik begin onmiddellijk te dromen als ik echt slaap. Zo ben ik een onafgebroken reeks al dan niet samenhangende beelden die altijd doen alsof ze van buiten komen. Sommige, als ik wakker ben, schuiven tussen de mensen en het licht, andere, als ik slaap, tussen de geesten en het niet-licht dat je kunt zien. Ik weet werkelijk niet hoe ik het een van het ander moet onderscheiden, en ik durf ook niet met zekerheid te stellen dat ik niet slaap wanneer ik wakker ben, of niet wakker aan het worden ben wanneer ik slaap. (365)


Afgrondelijk diepe raadsels

Het leven is een kluwen dat iemand verward heeft. Het heeft zin als het helemaal afgerold of netjes opgerold wordt, maar zoals het is, is het een probleem zonder eigenlijk kluwen, een onontwarbaar iets rond niets. Ik voel dit – dat ik later zal opschrijven, want ik ben de zinnen al aan het dromen – terwijl ik door het donker van mijn halve slaap heen samen met de landschappen uit vage dromen het ruisen van de regen buiten waarneem, dat mijn dromen nog vager maakt. Het zijn afgrondelijk diepe raadsels van de leegte en daardoorheen druipt zinloos de uiterlijke klaagzang van de niet-aflatende regen, een groot detail in het landschap van het oor. (366)


Daal af

Uiteindelijk blijft er van vandaag over wat er van gisteren over is gebleven en wat er van morgen over zal blijven: de onverzadigbare, eeuwige begeerte altijd dezelfde en tegelijk een ander te zijn. Daal over de treden van mijn dromen en vermoeidheid af uit je onwerkelijkheid, daal af en kom de wereld vervangen. (367)


Profetisch gedroomd

Ik heb alles verwerkelijkt wat ik wilde, zegt de zwakke, en hij liegt; de waarheid is dat hij alles wat het leven van hem heeft verwerkelijkt, profetisch heeft gedroomd. Wij verwerkelijken niets. Het leven werpt ons weg als een steen en hoog in de lucht zeggen wij: ‘Kijk hoe ik beweeg.’ (370)


De waarheid

Alles is theater. En als ik de waarheid wil? Dan pak ik de roman weer op… (371)


Alles is hetzelfde

Ik houd van uitdrukkingen, want ik weet niets van wat zijn uitdrukken. Ik ben als de meester van de heilige Marta: ik stel me tevreden met wat mij gegeven is. Ik zie, en dat is al heel wat. Wie is er in staat om te begrijpen? Misschien komt het door deze scepsis ten aanzien van het begrijpbare dat ik op dezelfde manier aankijk tegen een boom als tegen een gezicht, tegen een affiche als tegen een glimlach. (alles is natuurlijk, alles is kunstmatig, alles is hetzelfde. (380)


Spiegel

Poppen, illustraties, bladzijden die bestaan en worden omgeslagen. Mijn hart is er niet bij, en ook mijn aandacht nauwelijks, die eroverheen loopt als een vlieg over een blad papier. Weet ik wel wat of ik voel, denk, besta? Niets: alleen objectief schema van kleuren, vormen en uitdrukkingen, waarvan ik de zinloze, slingerende, nog niet verkochte spiegel ben. (380)


De ultieme kennis

Het zoeken naar de waarheid – of dat nu de subjectieve waarheid van de overtuiging is, de objectieve van de werkelijkheid of de maatschappelijke van het geld en de macht – levert altijd als beloning voor wie zich ermee belast, de ultieme kennis op van het feit dat ze niet bestaat. (381)


Leugenspoken

Ik bezit mijn lichaam niet – hoe kan ik er dan mee bezitten? Ik bezit mijn ziel niet – hoe kan ik er dan mee bezitten? Ik begrijp mijn geest niet – hoe moet ik er dan mee begrijpen? Wij bezitten lichaam noch waarheid – zelfs geen illusie. Wij zijn leugenspoken, illusieschimmen en mijn leven is vanbinnen en vanbuiten leeg. (383)


De grenzen

Kent iemand de grenzen van zijn ziel, zodat hij kan zeggen – ik ben ik? (383)


Wat je eet

Bezitten wij ook maar iets? Als wij niet weten wat wij zijn, hoe kunnen we dan weten wat we bezitten? Als je over wat je eet zou zeggen: ‘Ik bezit dit’, zou ik je begrijpen. Want zonder enige twijfel neem je wat je eet op in jezelf, je verandert het in jezelf, je voelt hoe het binnenkomt en van jou wordt. Maar wat je eet, noem je niet je ‘bezit’. Wat noem je dan bezitten? (384)


Waanzin

De waanzin die beweren heet, de ziekte die geloven heet, de laagheid die gelukkig-zijn heet – dat alles riekt naar wereld, smaakt naar het treurigste wat de aarde is. (384)


Een punt

Het leven houdt het midden tussen een uitroep en een vraag. Bij twijfel is er een punt. (395)


De classificeerders

De classificeerders van dingen, ik bedoel de wetenschapsmensen wier wetenschap alleen maar uit classificeren bestaat, weten over het algemeen niet dat het classificeerbare eindeloos is en dus niet kan worden geclassificeerd. Maar waar ik ronduit versteld van sta, is dat ze het bestaan van onbekende classificeerbare grootheden niet kennen, dingen van de ziel en het bewustzijn die zich in de tussengebieden van de kennis bevinden.
Zelf maak ik, misschien omdat ik te veel denk of te veel droom, geen onderscheid tussen de bestaande werkelijkheid en de droom, die de niet-bestaande werkelijkheid is. En zo voeg ik tussen mijn beschouwingen over hemel en aarde dingen die niet glinsteren in de zon of betreden kunnen worden – vloeibare wonderen van de verbeelding.
Ik verguld mij met fictieve zonsondergangen, maar het fictieve leeft wanneer ik het bedenk. Ik verheug me over imaginaire briesjes, maar het imaginaire leeft wanneer ik het me voorstel. Ik heb een ziel op grond van verschillende hypothesen, maar die hypothesen hebben een eigen ziel en ze geven mij dus hun ziel. (397)


Onoplosbaar en levend

Er bestaat geen ander probleem dan dat van de werkelijkheid, en dat is onoplosbaar en levend. Wat weet ik van het verschil tussen een boom en een droom? De boom kan ik aanraken, ik weet dat ik de droom heb. (397,398)


Een actrice

De buitenwereld is als een actrice op het podium: ze is er, maar is iets anders. (403)


Een stapel bakstenen

Omdat ik zoveel als ik kan observeer en nadenk, heb ik gemerkt dat de mensen de waarheid niet kennen en het ook niet met elkaar eens zijn over wat echt wezenlijk of nuttig is in het leven. De meest exacte wetenschap is de wiskunde, die in de beslotenheid van haar eigen regels en wetten leeft; door haar toepassingen kan ze weliswaar andere wetenschappen verhelderen, maar ze verheldert alleen maar wat die ontdekken, ze helpt niet te ontdekken. In de andere wetenschappen wordt alleen als zeker aangenomen wat van geen belang is voor de hoogste doelstellingen van het leven. De fysica weet wel wat de uitzettingscoëfficient van ijzer is, maar kent niet het ware mechanisme van de wereldbouw. En hoe hoger wij klimmen ten aanzien van wat wij zouden willen weten, des te dieper dalen wij ten aanzien van wat wij werkelijk weten. De metafysica, die onze voornaamste leidraad zou moeten zijn, omdat zij zich als enige richt op de hoogste doeleinden van de waarheid en het leven, is niet eens een wetenschappelijke theorie, maar slechts een stapel bakstenen, waarmee deze of gene handen onooglijke huizen bouwen die geen enkele specie bijeenhoudt. (410)


Mens en dier

Ook heb ik gemerkt dat mens en dier alleen maar van elkaar verschillen door de manier waarop ze zich iets wijsmaken over hun leven of geen weet hebben ervan. Dieren weten niet wat ze doen: ze worden geboren, groeien op, leven en sterven zonder gedachte, overpeinzing of besef van de toekomst. Maar hoeveel mensen leven anders dan de dieren? Wij slapen allemaal en het verschil tussen ons ligt alleen in onze dromen en de mate en kwaliteit van het dromen. Misschien wekt de dood ons, maar ook daarop bestaat geen antwoord, tenzij dat van het geloof, voor degenen voor wie geloven ‘hebben’ betekent, dat van de hoop, voor degenen voor wie verlangen ‘bezitten’ betekent, en dat van de liefdadigheid, voor degenen voor wie geven ‘ontvangen’ betekent. (410,411)


Alsof het een eeuwige waarheid is

Het regent op deze koude, sombere wintermiddag, alsof het zo eentonig heeft geregend vanaf de eerste bladzijde van de wereld. Het regent, en alsof de regen mijn gevoelens striemt, richten ze hun wazige blik op de grond van de stad, waar water stroomt dat niets voedt, niets wast en niets verblijdt. Het regent, en ineens voel ik tot mijn grote ontsteltenis dat ik een dier ben dat niet weet wat het is, dat zijn gedachten en gevoelens droomt en in een ruimtelijk gebied van het zijn weggekropen zit als in een hol, blij met een beetje warmte alsof het een eeuwige waarheid is. (411)


Een overmaat

Ieder van ons is meerdere anderen, is velen, is een overmaat aan zelven. Daarom is degene die zijn omgeving veracht, niet dezelfde als degene die zich erover verblijdt of eronder lijdt. In de uitgestrekte kolonie van ons zijn bevinden zich lieden van allerlei slag, die verschillend voelen en verschillend denken. (416)


In de zon liggen

Zo leven wij en dat is bar weinig om ons verheven te voelen boven de dieren. We verschillen alleen van ze door het uiterlijke detail dat wij kunnen praten en schrijven, door ons abstracte intellect, dat ons afleiding biedt voor ons concrete intellect, en door ons vermogen om onmogelijke dingen te bedenken. Dat zijn echter allemaal bijzaken van onze wezenlijke gesteldheid. Praten en schrijven voegen niets nieuws toe aan ons oorspronkelijke instinct om te leven zonder te weten hoe. Ons abstracte intellect dient alleen maar om systemen of pseudo-systemen te vormen van wat bij de dieren in-de-zon-liggen is. (426)


Morgenvroeg een ander

Weten is doden, dat geldt voor het geluk zoals het voor alles geldt. Maar niet-weten is niet-bestaan. […] Dit is vanmiddag mijn geloof. Morgenvroeg is dat niet meer het geval, omdat ik morgenvroeg een ander ben. Wat voor geloof zal ik morgen aanhangen? Ik weet het niet, want daartoe zou ik al daar moeten zijn. Zelfs de eeuwige God in wie ik vandaag geloof, zal het nooit weten, vandaag niet en morgen niet, want vandaag ben ik en morgen heeft Hij misschien nooit bestaan. (427)


Tegenspreken

Denken in zinnen die elkaar tegenspreken, en daarbij hardop praten over klanken die geen klanken en kleuren die geen kleuren zijn. Zeggen – en begrijpen, wat overigens onmogelijk is – dat we beseffen dat we geen bewustzijn hebben, en dat we niet zijn wat we zijn. Dit alles verklaren met een geheime, gezochte betekenis die de dingen misschien hebben aan hun bovenaardse, goddelijke kant, en niet veel geloof hechten aan die uitleg om hem niet te hoeven laten vallen. (435)


Het vreemde loert

Iedere dag gebeuren er dingen in de wereld die niet verklaarbaar zijn door de wetten die we kennen van de dingen. Iedere dag worden ze even besproken en vergeten, en hetzelfde mysterie dat ze bracht, draagt ze weer weg, waarna het geheim omslaat in vergetelheid. Zo luidt de wet dat wat onverklaarbaar is, vergeten moet worden. In het zonlicht gaat de zichtbare wereld gewoon door. Het vreemde loert naar ons vanuit de schaduw. (443)


Een witte vergetelheid

Mij zien bevrijdt me van mezelf. Ik moet bijna lachen, niet omdat ik mezelf begrijp, maar omdat ik, een ander geworden, mezelf niet meer kan begrijpen. Hoog aan de hemel staat als een zichtbaar niets een piepkleine wolk, een witte vergetelheid van het hele universum. (445)


Gekken

Toen ik zag met welk een helderheid van geest en logische samenhang bepaalde gekken hun krankzinnige ideeën rechtvaardigen tegenover zichzelf en de anderen, verloor ik voorgoed mijn overtuigde zekerheid van de helderheid van mijn helderheid van geest. (450)


Een vreemdeling in eigen ziel

Heel goed weten dat we zelf niet bepalen wie we zijn, dat wat we denken of voelen altijd een vertaling is, dat we niet echt wilden wat we willen, en dat waarschijnlijk niemand dat ooit heeft gewild – dat alles op ieder moment weten en voelen bij ieder gevoel, is dat niet een vreemdeling in de eigen ziel zijn, een balling in de eigen zintuiglijke gewaarwordingen? (452)


Bezoedelen

De waarheid zeggen, vinden wat je hoopt te vinden, ontkennen dat alles slechts schijn is – hoevelen doen dat niet wanneer ze wankelen en afglijden, en hoe bezoedelen de beroemde namen met hoofdletters als op landkaarten de subtiliteit van de sobere bladzijden die wij hebben gelezen! (459)


Redeloosheid

De liefde windt op en vermoeit, handelen versnippert en faalt, niemand komt tot inzicht, en denken maakt alles wazig. We kunnen dus beter afzien van alle verlangen en hoop, van de ijdele pretentie de wereld te verklaren en van het dwaze voornemen haar te verbeteren of te besturen. Alles is niets, of, zoals het heet in de Anthologia Graeca, ‘alles komt voort uit redeloosheid’, en het is een Griek en dus een man van de rede die het zegt. (465)


Omdat ik denk

Ik ken mijzelf niet omdat ik denk. Ik weet dus niet wat ik echt denk. Als ik gelovig was, zou ik anders zijn; maar ik zou ook anders zijn als ik gek was. Of met andere woorden: als ik een ander was, zou ik anders zijn. (466)


Verschrikkelijke woorden

Naast deze zaken uit de profane wereld zijn er natuurlijk ook nog de geheime leren van de esoterische ordes, de echte mysteries, die geheim zijn, en de versluierde, die gesymboliseerd worden in openbare riten. En er zitten occulte of half occulte facetten aan de grote katholieke riten, zowel in de Mariaverering binnen de Rooms-Katholieke Kerk als in de Ceremonie van de Geest bij de Vrijmetselarij. Maar wie zegt ons uiteindelijk dat de ingewijde, wanneer hij in het hart van de mysteries woont, niet slechts een gretige buit van een nieuw gezicht van de schijn is? Wat voor zekerheid heeft hij, als een gek zekerder is van zijn gekheid? Spencer zei dat wat we weten een sfeer is die naarmate hij wijder wordt op meer punten raakt aan wat we niet weten. En ook vergeet ik in dit hoofdstuk over wat inwijdingsriten kunnen aanrichten, niet de verschrikkelijke woorden van een meester der magie. ‘Ik heb Isis gezien,’ zegt hij, ‘ik heb Isis aangeraakt en toch weet ik niet of zij bestaat.’ (466, 467)


Als een vage glimlach

Alles is ijdel als poken in as, vaag als het moment waarop de ochtend nog niet gloort. En het licht valt zo zuiver en volmaakt op de dingen, verguld ze zozeer met een treurig glimlachende werkelijkheid! Heel het mysterie van de wereld daalt neer tot het voor mijn ogen de gestalte aanneemt van banaliteit op straat. Ach, hoe strijkt het alledaagse zo vlak voor ons langs het geheim! Hoe plooit het moment zich aan de oppervlakte van dit complexe, door het licht beroerde menselijk leven, als een vage glimlach om de lippen van het mysterie! Wat klinkt dit allemaal modern! En in wezen zo oud, zo occult, met zo’n andere betekenis dan die welke in dit alles glanst! (473)


Kletstantes

Alle idealen en ambities zijn één grote waanzin van mannelijke kletstantes. Geen enkel rijk is het waard dat men er een pop voor stukmaakt. Geen enkel ideaal verdient het offer van een speelgoedtrein. Welk rijk is nuttig, welk ideaal voordelig? Het is allemaal de mens en de mens is altijd hetzelfde – veranderlijk maar onverbeterlijk, waggelend zonder vooruit te komen. (474)


Een toeschouwer

Net als iedereen die zichzelf kent, ken ik mezelf vaak niet… Ik ben een toeschouwer van mezelf in de verschillende vermommingen waarin ik leef. Van alles wat verandert, bezit ik datgene wat steeds hetzelfde is, van alles wat zich voordoet, datgene wat niets is. (476)


Geen enkele

Ik heb nooit iemand gehad die ik ‘meester’ kon noemen. Geen enkele Christus is voor mij gestorven. Geen enkele Boeddha heeft mij de weg gewezen. In de hoge sferen van mijn dromen is er geen enkele Apollo of Athene aan mij verschenen om mijn ziel te verlichten. (482)


Alsof ik niet meer besta

Eindelijk rust ik. Alle resten en afval verdwijnen uit mijn ziel alsof ze nooit hebben bestaan. Ik ben alleen en word kalm. Op een ogenblik als dit zou ik mij kunnen bekeren tot een godsdienst. Maar niets trekt me naar boven, ook al trekt me evenmin iets naar beneden. Ik voel me vrij, alsof ik niet meer besta en ik me daar toch bewust van ben. (483)


Geen ziel, maar rust

Ik zie, ongericht en hulpeloos. Ik ben aandachtig toeschouwer van geen enkel schouwspel. Ik voel geen ziel, maar rust. De uiterlijke dingen, die helder zijn en stilstaan, zelfs die welke bewegen, zijn voor me zoals de wereld voor Christus moet zijn geweest toen Satan hem hoog verheven boven alles op de proef stelde. Ze zijn niets en ik begrijp dat Christus zich niet liet verleiden. Ze zijn niets en ik begrijp niet hoe die oude, doorgewinterde Satan kon denken dat hij hem daarmee in verleiding kon brengen. (484)


Stroom

Stroom traag, onbekende ziel, gekabbel dat niet te zien is achter grote gevallen takken! Stroom nutteloos, zonder reden, bewustzijn dat bewustzijn is van niets, een vage glans in de verte tussen open plekken in het gebladerte, waarvan niemand weet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat! Stroom, stroom en laat mij vergeten! (484)


Omdat ik afdwaal

Als ik denk, is dat omdat ik afdwaal; als ik droom, is dat omdat ik wakker ben. Alles in mij raakt in de war van mij en weet niet hoe het moet zijn. (488)


Voorbij

In de mystieke staat alleen datgene bereiken wat er prettig aan is, zonder alle eisen die deze stelt; extaticus zonder god zijn, mysticus of epopt zonder inwijding; de dagen doorbrengen met mediteren over een paradijs waarin je niet gelooft – dat alles verkwikt een ziel die weet wat niet-weten is. Hoog boven mij, een lichaam hierbeneden in de schaduw, drijven stille wolken; hoog boven mij, een ziel gevangen in een lichaam, drijven onbekende waarheden… Alles drijft hoog over… En alles gaat voorbij, zowel boven als beneden, geen wolk laat meer achter dan regen, geen waarheid meer dan pijn… Ja, alles wat hoog is, drijft hoog over en gaat voorbij; alles wat wenselijk is, is ver weg en gaat ver weg voorbij… Ja alles trekt ons aan, alles blijft vreemd en alles gaat voorbij. (491)


Dat niet eens

Verpulvering van de persoonlijkheid: ik ken noch mijn ideeën, noch mijn gevoelens, noch mijn karakter… Als ik iets voel, voel ik dat vaag in de persoon van iemand die zichtbaar in mij verschijnt. Ik heb mijzelf vervangen door mijn dromen. Iedereen is slechts zijn droom van zichzelf. Ik ben dat niet eens. (528)


Een vloeiende staat van onbekendheid

Vaste en duidelijk omlijnde meningen, instincten, passies en een stabiel en bekend karakter hebben – dat alles mondt uit in de verschrikking dat de ziel verandert in een uiterlijk materieel object. In een aangename, vloeiende staat van onbekendheid met de dingen en zichzelf verkeren is de enige levenswijze die een wijs iemand past en hem goeddoet. (539)


Ondoorgrondelijk

Onze persoonlijkheid moet ondoorgrondelijk zijn, ook voor onszelf: vandaar onze plicht om altijd te dromen en onszelf op te nemen in onze dromen, zodat we geen mening over onszelf kunnen hebben. (540)


De kleinste dingen

Verder is van de gewaarwordingen die zo doordringend pijn doen dat het aangenaam wordt, de van het geheim uitgaande rusteloosheid een van de meest complexe en uitgebreide. En het geheim wordt nergens zo zichtbaar als bij het kijken naar de kleinste dingen, die, omdat ze niet bewegen, het geheim volmaakt laten zien, want ze staan stil om het door te laten. Het is moeilijker het gevoel te hebben iets geheims te zien bij het kijken naar een veldslag – en toch kan het denken aan de absurditeit dat er mensen en samenlevingen bestaan, en gevechten daartussen, in onze gedachten het meest de vlag der verovering van het geheim laten wapperen – dan bij het kijken naar een steentje op de weg, dat, omdat het geen enkel idee oproept behalve dat van het feit dat het bestaat, als we er verder over doordenken geen enkel ander idee kan oproepen dan, onmiddellijk daarna, dat van het mysterie van zijn bestaan. (542)


Voor de ongedefinieerden

Dat wij allemaal verschillend zijn, is een axioma van onze natuur. Wij lijken alleen uit de verte op elkaar, wanneer we een omvang hebben waarin we niet onszelf zijn. Het leven is dus voor de ongedefinieerden; alleen twee mensen die zichzelf nooit definiëren en geen van beiden iemand zijn, kunnen samenleven. (563)


Dagelijkse meditatie

Overwegend dat iedere stap van mijn leven mij in aanraking bracht met de verschrikking van het nieuwe en dat iedere nieuwe persoon die ik leerde kennen een nieuw levend fragment was van het onbekende, dat ik op mijn tafel zette voor een schrikwekkende dagelijkse meditatie – besloot ik mij overal van te onthouden, niets na te streven, mijn handelen tot een minimum te beperken, mij ze veel mogelijk te onttrekken aan mensen en gebeurtenissen, mijn onthouding te verfijnen en de afwijzing tot het uiterste door te drijven. (573)


Verdwaal

Ik volg de loop van mijn dromen, maak van ieder beeld een tree naar een ander beeld, vouw toevallige metaforen open tot grote schilderingen van een innerlijk visioen; ik ontdoe mij van het leven en leg het weg als een pak dat knelt. Verstop mij tussen bomen ver weg van de wegen. Verdwaal. En ik slaag er gedurende een paar licht verstrijkende momenten in mijn plezier in het leven te vergeten, de gedachte aan licht en drukte weg te duwen en via al mijn gewaarwordingen bewust en absurd te eindigen met een rijk van beklemmende ruïnes, om met vlaggen en trommels triomfantelijk binnen te trekken in een grote, laatste stad, waar ik niets zou bewenen en niets zou wensen, zelfs mijzelf niet om het bestaan zou vragen. (575, 576)


Niets zweren

Ik vertrok niet uit een bekende haven. Ook nu nog weet ik niet welke haven het was, want ik ben er nooit geweest. Tegelijk was het rituele doel van mijn reis het zoeken van niet-bestaande havens – havens die alleen het binnenvaren in een haven waren; vergeten bochten van rivieren, zee-engten tussen volkomen onwerkelijke steden. Wanneer u dit leest, zult u het ongetwijfeld absurd vinden. Maar u hebt nooit gereisd zoals ik.
Ben ik wel vertrokken? Ik zou het niet durven zweren. Ik heb mij in andere streken bevonden, in andere havens, ik ben door steden gekomen die niet deze stad waren, ook al waren noch deze stad, noch die andere steden werkelijk steden. Zweren dat ik het was die vertrok en niet het landschap, dat ik het was die andere landen bezocht en niet zij die mij bezochten – dat kan ik niet. Ik, die niet weet wat het leven is, niet eens weet of ik het leef of dat het leven mij leeft (welke betekenis het inhoudsloze werkwoord ‘leven’ ook moge hebben), zal beslist niets zweren. (581)


Niets heeft zin

U vraagt zich waarschijnlijk af wat de zin van deze woorden is, maakt u nooit die fout. Ontdoe u van de kinderlijke misvatting naar de zin van dingen en woorden te vragen. Niets heeft zin. (581)


Absurd

Ik heb over de oevers van rivieren gelopen waarvan ik de namen niet kende. Aan cafétafeltjes in bezochte steden ontdekte ik dat alles mij vaag voorkomt, als in een droom. Soms vroeg ik me zelfs af of ik niet nog steeds aan tafel in ons oude huis dromerig voor me uit zat te staren! Ik kan u niet verzekeren dat dat niet het geval is, dat ik daar nu niet nog steeds ben, dat dit allemaal, met inbegrip van dit gesprek met u, niet onecht en verzonnen is. Wie bent u eigenlijk, meneer? Ook dat is absurd: dat kunt u niet uitleggen… (584)


Tevergeefs

Alle grote tragedies van mijn leven spelen zich af tussen de gewaarwording en het besef daarvan. In dat onbepaalde, donkere gebied van bossen en watergeluiden, zelfs ongevoelig voor het lawaai van onze oorlogen, verloopt mijn bestaan, dat ik tevergeefs probeer te zien… (586)


Absoluut niets

Het is logisch dat ik zo ben. Zo moet een dromer zijn. Alle werkelijkheid verwart me. Wat anderen zeggen, jaagt me angst aan. De werkelijkheid van de andere zielen verrast me voortdurend. Alle handelen, voorzover ik het zie één groot netwerk van onbewuste gedragingen, lijkt me een absurde illusie zonder plausibele samenhang, absoluut niets. (587,588)


Een zachter bed

Ik ben niet gevlucht voor het leven, in de zin dat ik een zachter bed voor mijn ziel zoek, ik ben slechts van leven veranderd en heb in mijn dromen dezelfde objectiviteit aangetroffen als eerder in het leven. (590)


Tussen de dwaling en de schijn

En moge naar u, o dood, onze ziel en ons geloof uitgaan, onze hoop en onze groet!
Vrouwe van de Laatste Dingen, Vleselijke Naam van het Mysterie en de Afgrond – bemoedig en troost wie u zoekt, zonder u te durven zoeken!
Vrouwe van de Troost, Meer dat in het maanlicht slaapt tussen rotsen, ver van de modder en vervuiling van het Leven!
Moedermaagd van de absurde Wereld, vorm van de onbegrepen Chaos, breid uw koninkrijk uit over alle dingen – over de bloemen die aanvoelen dat ze verwelken, over de roofdieren die van ouderdom beven, over de zielen die geboren werden om u te beminnen tussen de dwaling en de schijn van het leven!
Het leven, spiraal van het Niets, eindeloos hunkerend naar wat niet kan. (598)


Als een schouwspel in de mist

Ik ben gemaakt van de ruïnes van het onvoltooide, en mijn wezen zou kunnen worden omschreven als een voortdurende opgave. Ik dwaal af als ik mij concentreer; alles in mij is decoratief en onzeker, als een schouwspel in de mist. (605)


Een slaapwandelaar

Ik schrijf met een grote uitdrukkingskracht; wát ik voel, weet ik niet eens. Ik ben voor de helft een slaapwandelaar en voor de andere helft niets. (605)


Voorbij

Soms is de geconcentreerde stroom beelden en zinnen die aan mijn afwezige geestesoog voorbijtrekt zo groot, zo snel en zo overdadig dat ik woedend word, kronkel en huil omdat ik ze moet verliezen – want ik verlies ze. Elk beeld en elke zin kent zijn korte ogenblik en bestaat daarbuiten niet. En zoals een een verliefde het heimwee overhoudt naar een lieftallig gezicht dat hij in een flits gezien en niet gefixeerd heeft, rest mij de herinnering aan mijn wezen als de herinnering aan doden, het vooroverbuigen over de afgrond van een vluchtig verleden van beelden en gedachten, dode figuren in de mist waaruit ze zelf zijn voortgekomen. Ongrijpbaar, afwezig, onwezenlijk, dwaal ik van mezelf alsof ik verdrink in niets; ik ben voorbij en dat woord, dat spreekt en stopt, zegt en bevat alles. (606)