Friedrich Nietzsche

‘De ‘ware wereld’, hoe men die tot dusver ook heeft geconcipieerd – het was steeds de schijnbare wereld nog een keer.‘ Citaten van de Duitse filosoof, dichter en filoloog Friedrich Nietzsche.

Redactie, inleiding en titels Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Friedrich Nietzsche


Inhoud

Een bom onder het denken

Friedrich Nietzsche (1844-1900) is een van de meest geciteerde filosofen in de twintigste eeuw en behoeft geen introductie meer. Zijn filosofie is een bom onder het reguliere denken, al moet ik toegeven dat zijn bom in mij nooit tot ontploffing is gekomen. Ik begreep hem niet, misschien nog steeds niet, en probeerde wat ik voor zijn ideeën aanzag in te passen in mijn eigen gammele systematiek. Pas in de rokende puinhopen van mijn huidige denken meen ik enige verwantschap te bespeuren met de Duitse grootmeester. Niet dat het ertoe doet, want puinhopen hebben geen autoriteit nodig.

Omdat Nietzsche zo vaak aangehaald wordt, heb ik ervoor gekozen uit zijn nagelaten fragmenten te citeren, die veel minder bekend zijn dan zijn monografieën, en wel uit het laatste, zevende deel, dat fragmenten bevat uit de periode 1887-1889. In al zijn werk is munitie voor de weetnietgeest te vinden, al neemt het kaliber met de jaren toe. Nietzsche werd uiteindelijk gek, waarschijnlijk niet zozeer door zijn denkkracht of vrijheid van geest als wel door syfilis, een slopende ziekte die in het laatste stadium met waanzin gepaard gaat.

Aan het eind van deze pagina met Nietzsche-citaten komen collega’s Gabriel Marcel (1889-1973) en Patricia de Martelaere (1957-2009) nog even aan het woord.

De illustratie bovenaan deze pagina is gebaseerd op De lachende boeddha, een populair beeldje, te vinden in veel winkels, tempels, tuinen en huisaltaren, dat Maitreya voorstelt, de ‘toekomstige boeddha’ die volgens de overlevering licht en lucht zal brengen in bedompte bovenkamers en duistere achterkamers. Die snor, nog groter dan zijn genie, is natuurlijk van Nietzsche. Ze schijnt nog steeds te groeien.

Lees ook mijn briefwisseling Nietzsche noch zen.


Uit de Nagelaten Fragmenten 1887-1889:


Scepticus

Een geest die grote dingen wil en ook de middelen daartoe wil, is noodzakelijkerwijs scepticus: waarmee niet gezegd is dat hij het ook zou moeten lijken. Vrijheid ten opzichte van elk soort overtuiging, het vrij om zich heen kunnen kijken, behoort tot zijn sterkte. De grote hartstocht, het fundament en de macht van zijn wezen, is nog verlichter en despotischer dan hijzelf is – die hartstocht neemt zijn hele intellect in dienst (en niet alleen in beslag); hij ruimt bedenkingen op; hij geeft hem de moed onheilige (zelfs heilige) middelen aan te wenden, hij gunt overtuigingen, hij gebruikt en verbruikt zelfs overtuigingen, maar hij onderwerpt zich er niet aan. Dat betekent dat hij zich alleen soeverein weet. (20)


Nog een keer

De ‘ware wereld’, hoe men die tot dusver ook heeft geconcipieerd – het was steeds de schijnbare wereld nog een keer. ( 21)


Uit den boze

Als de wereldbeweging een doel had, zou dat al bereikt moeten zijn. Maar het enige basisfeit is dat zij geen doel heeft: en elke filosofie of wetenschappelijke hypothese (bijvoorbeeld het mechanistische denken) waarin zo’n eindtoestand wel noodzakelijk wordt, is door dat enkele feit weerlegd… Ik ben op zoek naar een wereldconceptie die aan dit feit recht doet: het komt erop aan het worden te verklaren zonder tot dergelijke finale bedoelingen je toevlucht te hoeven nemen: het worden moet op ieder ogenblik gerechtvaardigd blijken (oftewel niet op zijn waarde te schatten: wat op hetzelfde neerkomt); een rechtvaardiging van het heden omwille van iets toekomstigs of van het verleden omwille van het heden is beslist uit den boze. (29, 30)


Overbodig

Strenger nog: we mogen in het geheel niets zijnds toelaten – omdat dan het worden zijn waarde verliest en ronduit zinloos en overbodig blijkt.
Bijgevolg moeten we vragen hoe de illusie van het zijnde heeft kunnen (moeten) ontstaan
idem dito: hoe alle waardeoordelen die op de hypothese berusten dat er iets zijnds bestaat, hun waarde zijn kwijtgeraakt.
daarmee erken je echter dat die hypothese van het zijnde de bron is van alle belastering van de wereld
‘de betere wereld, de ware wereld, de wereld aan ‘gene zijde’, het ding op zich’ (30)


Het worden

1. het worden heeft geen doel, mondt niet uit in een ‘zijn’.
2. het worden is geen schijntoestand; misschien is de zijnde wereld schijn.
3. het worden heeft elk ogenblik dezelfde waarde: de som van zijn waarde blijft gelijk: anders uitgedrukt: het worden heeft helemaal geen waarde, want er is niets waaraan het gemeten zou kunnen worden en met betrekking waartoe het woord ‘waarde’ zin zou kunnen hebben.
de totale waarde van de wereld is niet te schatten, bijgevolg hoort het filosofisch pessimisme bij de komische dingen thuis (30, 31)


‘Dingen’

de uitdrukkingsmiddelen van de taal zijn onbruikbaar om het worden uit te drukken: het is eigen aan onze onverbrekelijke behoefte aan instandhouding om voortdurend die ene grovere wereld van iets blijvends, van ‘dingen’ enz. te poneren. (31)


Het ‘geheel’

– dat in het ‘proces van het geheel’ de arbeid van de mensheid niet in aanmerking komt, omdat een totaalproces (dit als systeem gedacht -) helemaal niet bestaat:
– dat er geen ‘geheel’ bestaat, dat elke schatting van de waarde van het menselijk bestaan, van de menselijke doelstellingen niet kan worden ondernomen met het oog op iets dat helemaal niet bestaat…
– dat de noodzakelijkheid, de oorzakelijkheid, doelmatigheid nuttige schijnbaarheden zijn (31)


Een uithoek

Van het ongelooflijk vele wat zich binnen een organisme afspeelt, vormt het deel waarvan we ons bewust worden maar een uithoek: en het beetje ‘deugd’, ‘onzelfzuchtigheid’ en soortgelijke ficties worden door de rest van het hele gebeuren rigoureus gelogenstraft. We doen er goed aan ons organisme in zijn volstrekte amoraliteit te bestuderen… (33)


Zijn mooiste apologie

Alle schoonheid en verhevenheid die wij aan de werkelijke en ingebeelde dingen verleend hebben, wil ik terugvorderen als eigendom en product van de mens: als zijn mooiste apologie. De mens als dichter, als denker, als god, als liefde, als macht -: o, over de koninklijke vrijgevigheid waarmee hij de dingen bedacht heeft, om er zelf arm van te worden en zich miserabel te voelen! Dit was tot op heden zijn grootste onzelfzuchtigheid: dat hij bewonderde en aanbad en voor zichzelf verborgen wist te houden dat hij het was die wat hij bewonderde had geschapen. – (34, 35)


Als alles stroomt

Waarde van de vergankelijkheid: iets wat geen duur heeft, wat zichzelf tegenspreekt, heeft weinig waarde. Maar de dingen waarvan we geloven dat ze duurzaam zijn, zijn als zodanig pure ficties. Als alles stroomt, is de vergankelijkheid een kwaliteit (de ‘waarheid’) en de duur en onvergankelijkheid louter schijn. (38)


Een ‘zin’

Het nihilisme als psychologische toestand zal moeten intreden, ten eerste als wij een ‘zin’ in al het gebeuren hebben gezocht, die er niet in ligt: zodat de zoekende ten slotte de moed verliest. Nihilisme is dan de bewustwording van de langdurige verspilling van kracht, de kwelling van het ‘tevergeefs’, de onzekerheid, het gebrek aan gelegenheid om hoe dan ook weer op adem te komen, om over wat dan ook nog gerust te kunnen zijn – de schaamte voor jezelf, alsof je jezelf al te lang hebt bedrogen…(38)


Een doel van het worden

Genoemde zin had geweest kunnen zijn: het ‘in vervulling gaan’ van een zedelijke hoogste canon in al het gebeuren, de zedelijke wereldorde; of de toename aan liefde en harmonie in de omgang tussen de levende wezens; of het dichterbij komen van een algemene gelukstoestand; of zelfs het afstevenen op een algemene niets-toestand – als er al een doel is, is er altijd nog een zin. Wat al deze voorstellingswijzen gemeen hebben, is dat er een iets door het proces zelf bereikt moet worden: – en nu begrijp je opeens dat er met het worden niets behaald, niets bereikt wordt… Dus de teleurstelling over een vermeend doel van het worden als oorzaak van het nihilisme: hetzij met het oog op een heel specifiek doel, hetzij, per generalisatie, het inzicht in de ontoereikendheid van alle doelhypothesen tot nog toe, die de algehele ‘ontwikkeling’ betreffen (- de mens niet meer medewerker aan, laat staan het middelpunt van het worden) (39)


Een soort monisme

Het nihilisme als psychologische toestand treedt ten tweede in als er een geheel, een systematisering, zelfs een organisatie in en achter al het gebeuren is aangebracht: zodat de naar bewondering en verering smachtende ziel zwelgt in de totaalvoorstelling van een hoogste vorm van heerschappij en bestuur (- is het de ziel van een logicus, dan is de absolute consistentie en dialectiek van de werkelijkheid al voldoende om met alles verzoend te raken…). Een soort eenheid, een of andere vorm van ‘monisme’: en als gevolg van dit geloof de mens in een diep gevoel van samenhang met en afhankelijkheid van een oneindig aan hem superieur geheel, een modus van de godheid… ‘Het welzijn van de algemeenheid vereist de overgave van de enkeling’… maar ziedaar, er bestaat niet zo’n algemeenheid! In wezen heeft de mens het geloof aan zijn waarde verloren als er niet door hem heen een oneindig waardevol geheel werkzaam is: dat wil zeggen, hij heeft een dergelijk geheel geconcipieerd om aan zijn waarde te kunnen geloven. (39)


Een ware wereld verzinnen

Het nihilisme als psychologische toestand heeft nog een derde en laatste vorm. Gegeven die twee inzichten, dat er met het worden niets zal worden behaald en dat onder al het worden geen grote eenheid heerst, waarin de enkeling zich volledig mag onderdompelen, als in een element van de hoogste waarde: dan blijft als uitvlucht over, deze hele wereld van het worden als een illusie te veroordelen en een wereld als ware wereld te verzinnen, die aan gene zijde ervan ligt. (39)


Onverdraaglijk

Maar zodra de mens erachter komt dat die wereld enkel uit psychologische behoeften is opgebouwd, en dat hij daar geen enkel recht toe heeft, ontstaat de laatste vorm van nihilisme, die het ongeloof aan een metafysische wereld insluit, – die zichzelf het geloof aan een ware wereld verbiedt. Bij dit standpunt aangekomen geeft men toe dat de realiteit van het worden de enige realiteit is, verbiedt zichzelf alle sluipwegen naar achterwerelden en valse godheden – maar verdraagt deze wereld niet, die men toch niet wil loochenen… (40)


Waardeloos

Wat is er eigenlijk gebeurd? Het gevoel van waardeloosheid werd bereikt toen men begreep dat noch met het begrip ‘doel’, noch met het begrip ‘waarheid’ het algehele karakter van het bestaan geïnterpreteerd mag worden. Er wordt daarmee niets behaald en niets bereikt; in de veelheid van het gebeuren ontbreekt de overkoepelende eenheid: het karakter van het bestaan is niet ‘waar’, is bedrieglijk…, men heeft domweg geen reden meer om zichzelf een ware wereld aan te praten…
Kortom: de categorieën ‘doel’, ‘eenheid’, ‘zijn’, waarmee we een waarde in de wereld hebben gelegd, worden er door ons weer uitgehaald – en nu ziet de wereld er waardeloos uit… (40)


Geen reden meer

Stel dat we hebben ingezien in hoeverre de wereld niet meer met behulp van deze drie categorieën mag worden uitgelegd, en dat volgens dit inzicht de wereld voor ons waardeloos begint te worden: dan moeten we de vraag stellen waar ons geloof in deze 3 categorieën vandaan komt – laten we proberen of het niet mogelijk is om het geloof erin op te zeggen. Hebben wij deze 3 categorieën eenmaal van hun waarde beroofd, dan is het bewijs dat ze niet op het Al van toepassing zijn geen reden meer om het Al waardeloos te verklaren. (40)


Puur gefingeerd

Resultaat: het geloof in de categorieën van de rede is de oorzaak van het nihilisme, – we hebben de waarde van de wereld gemeten aan categorieën die betrekking hebben op een puur gefingeerde wereld. (40)


Hyperbolische naïviteit

Eindresultaat: alle waarden waarmee wij tot op heden de wereld allereerst voor onszelf appreciabel hebben proberen te maken en haar uiteindelijk, toen die waarden inadequaat bleken, juist daardoor van haar waarde hebben beroofd – al die waarden zijn, psychologisch gezien, het resultaat van bepaalde nuttigheidsperspectieven ter instandhouding en perfectionering van menselijke heerschappijvormen: en alleen ten onrechte geprojecteerd in het wezen van de dingen. Het is nog steeds de hyperbolische naïviteit van de mens om zichzelf te poneren als zin en waardemaatstaf van de dingen… (41)


Een tussenstadium

De hoogste waarden, in dienst waarvan de mens moest leven, vooral als ze hem zwaar vielen en een kostbaar beroep op hem deden: die sociale waarden heeft men ten behoeve van hun grotere volume, alsof het commando’s van God waren, als ‘realiteit’, als ‘ware’ wereld, als hoop en toekomstige wereld boven de mens gesteld. Nu de benepen herkomst van deze waarden duidelijk wordt, lijkt het Al ons daarmee van zijn waarde beroofd, ‘zinloos’ geworden… maar dat is slechts een tussenstadium. (41)


Nil admirari

Dat men de menselijke waarden eindelijk mooi in de enige hoek terug moge zetten waar ze thuishoren: als baliekluiverswaarden. Er zijn al veel diersoorten verdwenen; stel dat ook de mens zou verdwijnen, dan zou er niets aan de wereld mankeren. Je moet filosoof genoeg zijn om ook dit niets te bewonderen (- Nil admirari -) (41)


Wat dan ook of nog langer

Niet te verwarren: – Het ongeloof als onvermogen wat dan ook te geloven en, anderzijds, als onvermogen iets nog langer te geloven: in het laatste geval doorgaans als symptoom van een nieuw geloof – (42)


Een grootscheeps strekken van de leden

Een filosoof ontspant zich anders en middels andere dingen: hij ontspant zich bijvoorbeeld middels het nihilisme. Het geloof dat er helemaal geen waarheid bestaat, het nihilisten-geloof, betekent een grootscheeps strekken van de leden voor iemand die als krijgsman van de kennis onophoudelijk met louter lelijke waarheden in gevecht gewikkeld is. Want de waarheid is lelijk. (42)


Een valse eenheid

Hoe komt het dat de fundamentele geloofsartikelen in de psychologie stuk voor stuk de kwalijkste verdraaiingen en valsemunterijen zijn? ‘De mens streeft naar geluk’ bijvoorbeeld – wat is daar waar aan! Om te begrijpen wat leven is, welk soort streven en spanning leven is, moet de formulering evengoed voor boom en plant als voor het dier opgaan. ‘Waarnaar streeft de plant?’ – maar hier hebben we al een valse eenheid verzonnen, die niet bestaat: als we de plompe eenheid ‘plant’ vooropstellen, is de feitelijkheid van een miljoenvoudige groei in de vorm van eigen en halfeigen initiatieven verdonkeremaand en ontkend. Dat de laatste, kleinste ‘individuen’ niet naar het voorbeeld van een ‘metafysisch individu’ en atoom te begrijpen zijn, dat hun machtssfeer voortdurend verschuift – dat is van meet af aan zichtbaar: maar streeft elk van hen, als het aldus verandert, naar ‘geluk’? (42, 43)


Rechtgebreid

Ik houd aan de fenomenaliteit ook van de innerlijke wereld vast: alles wat ons bewust wordt, is eerst door en door rechtgebreid, vereenvoudigd, geschematiseerd, via uitleg tot stand gebracht – waarbij het werkelijke proces via de innerlijke ‘waarneming’, de causale verbinding tussen gedachten, gevoelens, begeerten, net als die tussen subject en object, voor ons absoluut verborgen blijft – en misschien pure inbeelding is. (43, 44)


Amoraliteit

Er zijn mensen die overal de vinger leggen op het amorele: als hun oordeel luidt: ‘dat is onrecht’, menen ze dat je het af moet schaffen en veranderen. Omgekeerd heb ík geen rust, zolang ik bij een kwestie nog geen helderheid heb over haar amoraliteit. Heb ik die te pakken, dan is mijn evenwicht weer hersteld. (45)


De nieuwe huiver

De moderne mens gelooft op proef nu eens in deze, dan weer in die waarde, om die vervolgens weer te laten vallen: de keten van overleefde en afgedankte waarden wordt steeds langer; de leegte en het gebrek aan waarden wordt almaar voelbaarder; de beweging is onstuitbaar – hoewel in grote stijl gepoogd is de ontwikkeling te vertragen –
Eindelijk waagt hij een kritiek op de waarden zonder meer; hij kent hun herkomst; hij weet genoeg om in geen enkele waarde meer te geloven; het pathos is daar, de nieuwe huiver… (46)


Opgeheven

Gaan we van de ervaring uit, van elk afzonderlijk geval waarin een mens aanzienlijk boven de menselijke maat is uitgestegen, dan zien we dat elke hoge graad van macht zowel vrijheid ten opzichte van goed en kwaad als ten opzichte van ‘waar’ en ‘onwaar’ impliceert en geen rekening kan houden met wat de goedheid wil: wij begrijpen datzelfde nogmaals voor elke hoge graad van wijsheid: – de goedheid is daarin evenzeer opgeheven als de waarachtigheid, rechtvaardigheid, deugd en andere criteria die tot het volkssentiment behoren. (47)


Levensvijandig

Gegeven ons menselijk leven, zoals het is, is alle ‘waarheid’, alle ‘goedheid’, alle ‘heiligheid’, alle ‘goddelijkheid’ in christelijke stijl tot nu toe een groot gevaar gebleken – nog altijd loopt de mensheid het risico aan een levensvijandige idealiteit te gronde te gaan (48)


‘gedesillusioneerden’

Als wij al ‘gedesillusioneerden’ zijn, dan niet met betrekking tot het leven: maar doordat ons aangaande alle soorten ‘wenselijkheden’ de ogen zijn opengegaan. Wij kijken half spottend, half woedend naar wat ‘ideaal’ heet: wij minachten onszelf alleen omdat we die absurde opwelling die ‘idealisme’ heet niet altijd kunnen bedwingen. (49)


‘Wees jezelf’

De volslagen onmondigheid van moralisten die van ons onder vele huiden weggestopte zelf vergen eenvoudig te zijn; die zeggen ‘wees jezelf’: alsof je daarvoor niet eerst iets zou moeten zijn, wat is… (49)


Essentie

‘Dingen die een op zichzelf staande hoedanigheid hebben’ – een dogmatische voorstelling waarmee absoluut gebroken moet worden (50)


Schijnbaarheid

In summa: wat bewust wordt, hangt af van causale betrekkingen die ons geheel en al onthouden blijven, – de opeenvolging van gedachten, gevoelens, ideeën in het bewustzijn drukt in geen enkel opzicht uit dat die reeks een causale reeks is: het is echter schijnbaar zo, en dat in de hoogste mate. Op die schijnbaarheid hebben we onze hele voorstelling van geest, rede, logica enz. gebaseerd (dat bestaat allemaal niet: het zijn gefingeerde synthesen en eenheden)… En die dan weer in de dingen, achter de dingen geprojecteerd. (55)


Verantwoordelijkheid

De omstandigheden waaruit een mens voortkomt van hem isoleren en hem, als een ‘zielsmonade’ als het ware zomaar daarin neerzetten of laten vallen: dat is een gevolg van de erbarmelijke metafysica van de ziel. Niemand heeft hem eigenschappen gegeven, God niet, noch zijn ouders; niemand is ervoor verantwoordelijk dat hij is, dat hij zo en zo is, dat hij onder deze omstandigheden is… De levensdraad die hij thans te zien geeft, valt niet los te wikkelen uit alles wat was en moet zijn: omdat hij niet het resultaat is van een lang gekoesterd plan, en al helemaal niet van een wil die uit is op een ‘ideaal van mens-zijn’ of een ‘ideaal van geluk’ of een ‘ideaal van moraliteit’, is het ook absurd om iets ergens op te willen ‘afwentelen’: alsof er ergens een verantwoordelijkheid zou liggen. (60)


Dwars door elkaar

Dat de mensheid een gezamenlijke taak heeft, dat zij als geheel op een of ander doel afgaat, deze erg onduidelijke en willekeurige voorstelling is nog tamelijk jong. Misschien kunnen we er nog vanaf komen, voor ze een ‘idee-fixe’ wordt… Zij is geen geheel, deze mensheid: zij is een onontwarbare hoeveelheid levensprocessen die oprijzen en wegzinken – zij kent geen jeugd en vervolgens volwassenheid en ten slotte ouderdom. De lagen liggen dwars door en over elkaar heen – en over een paar millennia kunnen er nog altijd jongere typen mens voorkomen dan waar wij vandaag de dag op kunnen bogen. (72)


Eén met God

Onder het gezag van het christelijk vooroordeel bestond dit probleem helemaal niet: de zin lag in de redding van de afzonderlijke ziel, de langere of kortere duur van de mensheid bleef buiten beschouwing. De beste christenen verlangden naar een zo spoedig mogelijk einde: – over wat voor de enkeling nodig was bestond geen twijfel… De taak was thans voor iedere enkeling dezelfde als ze in enigerlei toekomst voor een toekomstig iemand zou luiden: de waarde, de zin het hele waardenscala lag onvoorwaardelijk, eeuwig vast, één met God… Wat van dit eeuwige type afweek, was zondig, duivels, veroordeeld… (72)


Gewichtigheid

Het zwaartepunt van de waarde lag voor iedere ziel in zichzelf: hel of verdoemenis! Het heil van de eeuwige ziel! Extreemste vorm van eenzelvigheid… Voor iedere ziel bestond er maar één vervolmaking; maar één ideaal; maar één weg naar verlossing… Extreemste vorm van gelijkberechtiging, gekoppeld aan een optische vergroting van de eigen gewichtigheid tot in het onzinnige… Louter onzinnig gewichtige zielen, die met een ontzettende angst om zichzelf heen draaien. (72)


Men gelooft te weten

Nu gelooft geen mens meer aan deze absurde vorm van gewichtigdoenerij: en wij hebben onze wijsheid gefilterd door een zeef van verachting. Niettemin staat de optische gewenning om de waarde van een mens te zoeken in de mate waarin hij een ideale mens benadert daarmee nog recht overeind: men houdt in feite zowel het eenzelvigheidsperspectief als de gelijkberechtiging ten opzichte van het ideaal in stand. In summa: men gelooft te WETEN wat met het oog op de ideale mens de ultieme wenselijkheid is… (73)


Verwendheid

Dit geloof is echter alleen maar het gevolg van een enorme verwendheid door het christelijke ideaal: dat haal je er bij elke voorzichtige toetsing van het ‘ideale type’ meteen weer uit. Men gelooft, ten eerste, te weten dat de nadering tot één type wenselijk is; ten tweede, wat voor soort type dit is; ten derde dat elke afwijking ten opzichte van dit type een teruggang, een storende factor, een verlies aan kracht en macht bij de mens is… (73)


De hemel op aarde

Van toestanden dromen waarin deze volmaakte mens de overweldigende numerieke meerderheid aan zijn kant heeft: verder dan dat hebben ook onze socialisten, zelfs de heren utilitaristen, het niet geschopt. – Daarmee lijkt er een doel in de ontwikkeling van de mensheid te komen: in elk geval is het geloof in een voortschrijden richting het ideaal de enige vorm waarin vandaag de dag nog aan een soort doel in de geschiedenis van de mensheid wordt gedacht. In summa: men heeft de komst van het ‘RIJK GODS’ naar de toekomst verplaatst, op aarde, in het menselijke, – maar men heeft eigenlijk aan het geloof in het oude ideaal vastgehouden… (73)


De laagste worm

– je hebt geen recht, noch op bestaan, noch op werk, noch zelfs op ‘geluk’: het is met de individuele mens niet anders gesteld dan met de laagste worm. (81)


Iedereen

Iedereen stelt de vraag: ‘waarom is het leven niet zoals wij het wensen en wanneer zal het zo zijn?’ (82)


Onfris

N.B. N.B. ‘de mens, onschuldig, ledig, onsterfelijk, gelukkig’ – vooral dat denkbeeld van wat het ‘meest wenselijk’ is moet bekritiseerd worden.
Waarom is de schuld, de arbeid, de dood, het lijden (en, christelijk gesproken, de kennis…) in strijd met het meest wenselijke?
De onfrisse christelijke begrippen ‘zaligheid’, ‘onschuld’, ‘onsterfelijkheid’ — (82)


De halfzijdige bekwaamheid

Aan de poging om bij de godheid alle ‘slechte’ eigenschappen en oogmerken weg te denken, beantwoordt de poging om de mens te reduceren tot die ene helft die door zijn goede eigenschappen wordt gevormd: hij mag onder geen beding schade berokkenen, schade willen berokkenen…
Hoe dat wordt bereikt: door de mogelijkheid tot vijandschap af te kappen, het ressentiment met wortel en al uit te roeien, vrede over te houden als enige en enig goedgekeurde innerlijke toestand… (103)


Oorlog

Het uitgangspunt is volstrekt ideologisch: men heeft ‘goed’ en ‘kwaad’ als tegenstellingen geponeerd, men beschouwt het voortaan als consequent dat een goed iemand aan ‘het kwaad’ radicaal verzaakt en tegenstand biedt, men meent daarmee terug te keren naar het geheel, naar de eenheid, naar dat wat sterk is en een eind te maken aan de eigen innerlijke anarchie en verscheurdheid tussen tegengestelde waarden-impulsen. Maar: men beschouwt de oorlog als een kwaad – en voert niettemin oorlog!… Met andere woorden: men houdt nu pas echt niet op met haten, met nee-zeggen, met nee-doen: de christen bijvoorbeeld haat de zonde (niet de zondaar: want vrome list weet die twee uit elkaar te houden). – En juist door deze valse scheiding tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ is de wereld van wat hatenswaard is, van wat eeuwig moet worden bestreden enorm in omvang gegroeid. In de praktijk ziet ‘de goede’ zich door het kwaad omringd, ziet hij in alle doen en laten het kwade – hij vat ten slotte de natuur op als een kwaad, de mens als verdorven, en het goedzijn als genade. (103, 104)


Het kluizenaarstype

Het stoïcijnse type. Ofwel: het volmaakte rund. De standvastigheid, de zelfbeheersing, het onverstoorbare, de vrede als onbuigzaamheid van een langdurige wil – de diepe kalmte, de verdedigingstoestand, de berg, het krijgshaftige wantrouwen – de vaste grondprincipes, de eenheid tussen wil en weten, de hoogachting voor zichzelf. Kluizenaarstype. (104)


Het boeddhistische type

Het consequente type: hier wordt begrepen dat je ook het kwaad niet zou mogen haten, dat je er geen weerstand aan zou mogen bieden, dat je ook tegen jezelf geen oorlog zou mogen woeren: dat je je het lijden dat een dergelijke praktijk met zich meebrengt niet alleen maar laat welgevallen; dat je geheel en al in de positieve gevoelens leeft; dat je in woord en daad partij kiest voor de tegenstanders; dat je door een superfoetatie van vreedzame, goedige vergevingsgezinde, behulpzame en liefdevolle toestanden de bodem onder andere toestanden armer maakt…, dat je een voortdurende praktijk nodig hebt
wat is hier bereikt? – Het boeddhistische type: ofwel de volmaakte koe (104)


Het christelijke type

Het inconsequente type: men voert oorlog tegen het kwaad- men gelooft dat de oorlog omwille van het goede voor de moraal en voor het karakter niet die consequentie heeft die de oorlog in andere gevallen met zich brengt (en waarom men oorlog als een kwaad verafschuwt). In feite is een dergelijke oorlog tegen het kwaad veel funester dan een of andere vijandigheid van persoon tot persoon; en gewoonlijk glipt ‘de persoon’ er minstens in de verbeelding weer tussen (de duivel, de boze geesten enz.). Het vijandige gedrag tegenover alles, het observeren, bespioneren van alles wat in ons slecht is en van slechte herkomst zou kunnen zijn, loopt op een zo gekwelde en onrustige geestesgesteldheid uit als maar denkbaar is: zodat nu ‘wonderen’, beloning, extase, een oplossing-in-het-hiernamaals wenselijk worden…
Het christelijke type: ofwel de volmaakte gluiper. (105)


Bevrediging

Ik kan, zoals ik dat altijd kon, behoefte hebben een goede daad te stellen en ik beleef daar genoegen aan; maar daarnaast wil ik ook kwaad doen en vind daar eveneens bevrediging in. Als deze indrukken zijn, als ze al ontstaan, wat tamelijk zelden het geval is, als altijd heel vluchtig… (118)


Negatie

Je kunt eindeloos over alles discussiëren, maar van mij is alleen een negatie zonder grootsheid en zonder kracht uitgegaan. Uiteindelijk vlei ik mezelf nog door zo te praten. Alles is altijd faible et mou. (119)


(Niet) geloven

door deze gedachte werd ook Stavrogin verteerd: ‘als hij gelooft, gelooft hij niet dat hij gelooft. Als hij niet gelooft, gelooft hij niet dat hij niet gelooft.’ (120)


De levende praktijk

De hele christelijke leer van wat moet worden geloofd, de hele christelijke ‘waarheid’ is ijdele leugen en bedrog: en precies het tegendeel van waar de christelijke beweging mee is begonnen…
juist wat in kerkelijke zin het christelijke is, is van meet af aan het anti-christelijke: louter zaken en personen in plaats van de symbolen, louter historie in plaats van de eeuwige feiten, louter formules, riten, dogma’s in plaats van de levende praktijk… Christelijk is de volmaakte onverschilligheid tegenover dogma’s, cultus, priesters, kerk, theologie. (135, 136)


Het type Jezus

Wie in Jezus een element van fanatisme meent te moeten zien, heeft het mis… […]
– alle tortuur ontbreekt in het geloof, het is een goede boodschap en de toestand van een ‘goede boodschapper’
– dit geloof is niet bevochten, kent geen ontwikkeling, geen catastrofe… veleer kinderlijk… de jeugd heeft zich bij zulke naturen als een ziekte in hen verschanst
– dit geloof fulmineert niet, berispt niet, straft niet, verzet zich niet –
– dit geloof brengt niet ‘het zwaard’… heeft er geen vermoeden van dat het scheiding teweeg kan brengen…
– dit geloof bewijst zich niet door wonderen, noch door een beloning in het vooruitzicht te stellen… het is zelf elk moment zijn eigen bewijs, beloning, wonder –
– dit geloof formuleert zichzelf niet omdat het leeft – … het houdt verder niets voor reëel… ‘waar’ d.w.z.: levend.
– de toevalligheden van de gegeven ontwikkelingsgraad, van de lectuur (de profeten) bepalen de begrippen-taal ervan: joods aan het christendom is vooral de joodse begrippenwereld. Voertuig de joodse psychologie: maar je moet oppassen voor verwarring-: een Christus in India zou zich van de formuleringen van de Sânkhya-filosofie hebben bediend, een in China van die van Lao-tse – het doet er helemaal niets toe – (137)


Vrije geest

Christus als ‘vrije geest’: hij heeft het niet begrepen op alles wat vast is (woord, formule, kerk, wet, dogma’s) ‘alles wat vast is, doodt…’ hij gelooft enkel in het leven en het levende – en dat ‘is’ niet, dat wordt…
: hij staat buiten alle metafysica, religie, geschiedenis, natuurwetenschap, psychologie, ethiek-: hij had er geen idee van dat zulke dingen bestaan… (137)


Wij geleerden

Ons privilege: wij leven in het tijdperk van de vergelijking, wij kunnen dingen narekenen zoals er nog nooit werd nagerekend: wij zijn het zelfbewustzijn van de geschiedenis in eigenlijke zin…
We genieten anders, we lijden anders: de vergelijking van zo ongehoord veel dingen is het eerste wat ons instinct ons ingeeft…
We begrijpen alles, we leven alles, we houden geen gevoel van vijandigheid meer over… Al komen we er daarbij zelf misschien slecht vanaf, onze tegemoetkomende en bijna liefdevolle nieuwsgierigheid bestormt onverschrokken de gevaarlijkste dingen…
We lijden eronder als we een keer zo onintelligent zijn om tegen iets partij te kiezen…
In feite brengen wij geleerden vandaag de dag de leer van Christus het best in praktijk… (140)


De nar

In de Oriënt is de nar een geprivilegieerd wezen; hij dringt door tot de hoogste raadscolleges zonder dat iemand hem durft tegenhouden; men luister naar hem, men stelt hem vragen. Het is een wezen waarvan men denkt dat het dichter bij God staat, omdat men veronderstelt dat hij deelheeft aan de goddelijke rede, aangezien zijn rede bij hem als individu is uitgedoofd. (150)


Alles verwerpen

Het begrip ‘verwerpelijke handeling’ brengt ons in de problemen: er kan niets zijn wat op zich verwerpelijk is. Niets van al wat er maar gebeurt, kan op zichzelf genomen verwerpelijk zijn: want je kunt niet willen dat het er niet was: want alles hangt zozeer met alles samen, dat iets willen uitsluiten alles uitsluiten betekent. Een verwerpelijke handeling: betekent een in haar geheel verworpen wereld. (194)


Alles beamen

En zelfs dan nog: in een verworpen wereld zou ook het verwerpen verwerpelijk zijn… En de consequentie van een denkwijze die alles verwerpt, zou een praktijk zijn die alles beaamt… Als het worden een grote ring is, dan is alles evenveel waard, even eeuwig, even noodzakelijk… (194)


Overboord

laten we de twee populaire begrippen ‘noodzaak’ en ‘wet’ overboord zetten: het eerste introduceert in de wereld een bedrieglijke dwang, het tweede een bedrieglijke vrijheid. ‘De dingen’ gedragen zich niet regelmatig, niet volgens een regel: er bestaan geen dingen (- dat is een fictie van ons) en ze gedragen zich evenmin onder de dwang van een noodzaak. Hier wordt niet gehoorzaamd: want dat iets zo is als het is, zo sterk, zo zwak, komt niet doordat het ergens aan gehoorzaamt of door een regel of een dwang… (213)


Niets reëels

Een vertaling van deze wereld van werking in een zichtbare wereld – een wereld voor het oog – vormt het begrip ‘beweging’. Hieronder is altijd stilzwijgend begrepen dat iets in beweging wordt gezet – hierbij wordt, hetzij in de fictie van een atoomklompje of zelfs van de abstractie daarvan, het dynamisch atoom, altijd nog een ding gedacht dat werkt – d.w.z. we hebben de gewoonte nog niet afgelegd waartoe de zintuigen en de taal ons verlokken. Subject, object, een dader bij het doen, het doen en dat wat dit doet, van elkaar gescheiden: laten we niet vergeten dat daarmee alleen maar een semiotiek en niets reëels wordt aangeduid. De mechanica als leer van de beweging is al een vertaling in de zintuigentaal van de mens. (214)


Geen enkele waarborg

Wij hebben eenheden nodig om te kunnen rekenen: dat is nog geen reden om aan te nemen dat zulke eenheden bestaan. We hebben het begrip eenheid ontleend aan ons ‘ik’-begrip, – aan ons oudste geloofsartikel. Als wij onszelf niet als eenheden beschouwden, hadden we nooit het begrip ‘ding’ gevormd. Thans, tamelijk laat, zijn wij er ruimschoots van overtuigd dat onze conceptie van het ik-begrip geen enkele waarborg biedt voor het reële bestaan van zo’n eenheid. (214)


Een dader

Dat wetenschap mogelijk is, moet een causaliteitsprincipe ons dat bewijzen?
‘uit dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen’:
‘een permanente wetmatigheid van de dingen’
‘een invariabele orde
is iets omdat het berekenbaar is, daarom al noodzakelijk?
dat iets zo en niet anders plaatsvindt, maakt nog niet dat daarin een ‘principe’, een ‘wetmatigheid’, een ‘orde’ ligt
kracht-kwanta waarvan het wezen eruit bestaat dat ze op alle kracht-kwanta macht uitoefenen
Bij het geloof in oorzaak en gevolg is de hoofdzaak altijd vergeten: het gebeuren zelf.
men heeft een dader ingevoerd, men heeft er het gedane weer als hypothese in ingevoerd (216)


Psychische ficties

alle vooronderstellingen van het mechanistische denken, stof, atoom, druk en stoot, zwaarte zijn geen ‘feiten op zich’, maar interpretaties met behulp van psychische ficties. (217)


Schijnbaarheid

Kritiek op het begrip ‘ware en schijnbare wereld’
van die twee is de eerste louter fictie, uit louter gefingeerde dingen opgebouwd
de ‘schijnbaarheid’ behoort zelf tot de realiteit: ze is een vorm van haar zijn, d.w.z.
in een wereld waar geen zijn bestaat, moet door de schijn eerst een bepaalde berekenbare wereld van identieke gevallen geschapen worden: een tempo waarin waarneming en vergelijking mogelijk zijn enz. (224)


Rechtgebreid

‘Schijnbaarheid’ is een rechtgebreide en vereenvoudigde wereld, waar onze praktische instincten de hand in hebben gehad: zij is voor ons geheel naar wens: want we leven erin, we kunnen erin leven: bewijs van haar waarheid voor ons… (224)


Incongruent

: de wereld, afgezien van de voorwaarde waaronder ons leven erin mogelijk is, de wereld die wij niet tot ons zijn, onze logica en psychologische vooroordelen hebben gereduceerd
bestaat niet als wereld ‘op zich’
zij is in essentie een relationele wereld: zij heeft, al naargelang de omstandigheden, vanuit elk punt een verschillend aanzien: haar zijn is in essentie op elk punt anders: zij oefent op elk punt druk uit, elk punt biedt haar weerstand – en wat daaruit als optelsom resulteert, is in alle gevallen volledig incongruent. (224)


Een dwaling

We hebben absoluut niet de ervaring van een oorzaak
: psychologisch gezien komt voor ons dit hele begrip voort uit de subjectieve overtuiging dat wij er de oorzaak van zijn dat bijvoorbeeld onze arm beweegt… Maar dat is een dwaling
: we maken een onderscheid tussen onszelf, de daders, en het doen, en dit schema passen we overal toe, – we zoeken naar een dader bij elk gebeuren..
: wat hebben we gedaan? we hebben een gevoel van kracht, van inspanning, weerstand, een gevoel in de spieren dat al het begin is van de handeling zelf, misverstaan als oorzaak
: of de wil om dat en dat te doen opgevat als oorzaak, omdat de actie daarop volgt – oorzaak, d.w.z. —
: ‘oorzaak’ komt helemaal niet voor: van een aantal gevallen waarin ze ons gegeven leek en van waaruit wij haar geprojecteerd hebben om het gebeuren te begrijpen, is bewezen dat dit zelfbedrog was.
: ons ‘begrijpen van een gebeuren’ bestond erin dat we er een subject bij fantseerden dat er verantwoordelijk voor was dat er iets gebeurde en hoe het gebeurde. (227)


Inherent

Het ding, het subject, de wil, het oogmerk – alles is aan het concept ‘oorzaak’ inherent. (227)


Erbij gedacht

Wij zoeken naar dingen om te verklaren waarom er iets veranderd is. Zelfs nog het atoom is zo’n erbij gedacht ‘ding’ en ‘oersubject’..
Eindelijk begrijpen we dat dingen, dus ook atomen niets veroorzaken: omdat ze helemaal niet bestaan… dat het begrip causaliteit volkomen onbruikbaar is (228)


Angst voor het ongewone

In summa: een gebeuren is noch veroorzaakt, noch veroorzakend
Causa is een vermogen om iets te veroorzaken, dat bíj het gebeuren is gefantseerd..
er bestaat geen zintuig voor causaliteit, zoals Kant meent
men verbaasd zich, men is ongerust, men wil iets bekends waaraan men houvast heeft…
zodra ons in het nieuwe iets ouds wordt aangetoond, zijn we gerustgesteld.
Het zogenaamde causaliteits-instinct is alleen maar de angst voor het ongewone en de poging daarin iets bekends te ontdekken
een zoeken niet naar oorzaken maar naar iets bekends…
De mens is meteen gerustgesteld als hij bij iets nieuws — hij doet geen moeite te begrijpen in hoeverre het lucifertje vuur veroorzaakt (228)


Gelatenheid

De wijze vermoeidheid. Pyrrho. De boeddhist. Vergelijking met Epicurus.
Pyrrho. Tussen nederige mensen leven, nederig. Geen trots. Op de manier van het gemene volk leven; achting hebben voor en geloven in wat ieder gelooft. Op je hoede voor wetenschap en geest, alsook voor alles wat opgeblazen is… Eenvoudig: onbeschrijflijk geduldig, zorgeloos, mild.
Gelatenheid, meer nog zachtmoedigheid. (229)


Het ongeloof in de gewichtigheid

Een boeddhist voor Griekenland, midden in het tumult der scholen opgegroeid; laat gekomen; vermoeid; het protest van de vermoeide tegen de opwinding van de dialectici; het ongeloof van de vermoeide in de gewichtigheid van alle dingen. Hij heeft Alexander gezien, hij heeft de Indische boetedoeners gezien. Op zulke laatkomers en geraffineerden heeft al het laagstaande, al het armoedige, zelfs al het idiote een verlokkende uitwerking. Dat narcotiseert: dat doet de leden strekken: Pascal. Anderzijds voelen ze te midden van het gewoel en onherkenbaar opgaand in de menigte een beetje warmte: ze hebben warmte nodig, deze vermoeiden… (229)


Onverschilligheid

Het conflict achter zich laten; geen wedkamp; geen wil meer om uit te blinken: de Griekse instincten verloochenen. – Pyrrho leefde samen met zijn zus, die vroedvrouw was. –
De wijsheid zo inkleden dat je er niet meer door uitblinkt; haar een mantel van armoede en lompen omhangen; de nederigste taken uitvoeren: naar de markt gaan en speenvarkens verkopen…
Vredigheid; klaarheid; onverschilligheid; geen deugden die veel omhaal vergen. Je ook in de deugd gelijkmaken aan anderen: ultieme zelfoverwinning, ultieme onverschilligheid.


Wijsheid maakt niet wijs

Pyrrho, net als Epicurus, twee vormen van de Griekse decadentie: verwant in hun haat tegen de dialectiek en tegen alle toneelspelers deugden – die twee dingen samen heetten toendertijd filosofie -; met opzet liefde opvatten voor het laagstaande; daarvoor ordinaire, zelfs verachte namen kiezen; een toestand vertegenwoordigend waarin je noch ziek, noch gezond, noch levend, noch dood bent… Epicurus naïever, idyllischer, dankbaarder; Pyrrho bereisder, afgeleefder, nihilistischer…
Zijn leven was een protest tegen de grote identiteitsleer (geluk = deugd = kennis).
Het juiste leven vind je niet door wetenschap: wijsheid maakt niet ‘wijs’..
Het juiste leven wil geen geluk, ziet af van geluk… (230)


Geen kennisorgaan

Ik zie met verbazing dat de wetenschap er vandaag de dag in berust dat ze op de schijnbare wereld is aangewezen: een ware wereld – hoe die ook moge zijn, daarvoor hebben we in elk geval geen kennisorgaan.
Hier zou wel eens de vraag gesteld mogen worden: met behulp van welk kennisorgaan poneert men eigenlijk deze tegenstelling? (232)


Enkel relationeel

Dat een wereld die voor onze organen toegankelijk is, ook als afhankelijk van deze organen wordt opgevat, dat we een wereld als subjectief bepaald opvatten, daarmee is niet gezegd dat een objectieve wereld hoe dan ook mogelijk is. Wie houdt ons tegen te denken dat de subjectiviteit reëel, essentieel is?
het ‘op zich’ is zelfs een ongerijmd concept: een ‘hoedanigheid op zich’ is onzin: we hebben het begrip ‘zijn’, ‘ding’ enkel als relationeel begrip… (232)


Waardeloos

De ellende is – dat met de oude tegenstelling ‘schijnbaar’ en ‘waar’ het daarmee correlerende waardeoordeel zich heeft voortgeplant: minder waard en absoluut ‘waardevol’.
de schijnbare wereld geldt voor ons niet als een ‘waardevolle’ wereld; de schijn moet en zal een instantie tegen de hoogste waardevolheid zijn. Waardevol op zich kan enkel een ‘ware’ wereld zijn. (232)


De wereld die wij zijn

Het is van kardinaal belang de ware wereld af te schaffen. Zij is de grote twijfelzaaister en waardevermindering van de wereld die wij zijn: Zij was tot dusver de gevaarlijkste aanslag op het leven.
Oorlog aan alle vooronderstellingen op grond waarvan men een ware wereld heeft gefingeerd. (233)


De onvrije wil

Niemand van de oude filosofen heeft de moed gehad tot een theorie over de ‘onvrije wil’ (dat wil zeggen tot een theorie die de moraal negeert).


Ficties, vervalsingen en sofismen

In de hele ontwikkeling van de moraal komt geen waarheid voor: alle begripsmatige elementen waarmee wordt gewerkt, zijn ficties, alle psychologica waarbij men houvast zoekt, zijn vervalsingen; alle vormen van logica die men in dit rijk van de leugen binnensleept, zijn sofismen. Waarin de moraalfilosofen zelf uitblinken: in de volkomen afwezigheid van elke zuiverheid, van elke intellectuele zelfdiscipline: ze beschouwen ‘mooie gevoelens’ als argumenten: hun ‘hoog opgezette borst’ zien ze voor blaasbalg van de godheid aan… (241)


Onbruikbaar

Er bestaat noch ‘geest’, noch rede, noch denken, noch bewustzijn, noch ziel, noch wil, noch waarheid: allemaal ficties die onbruikbaar zijn. (249)


Onzin

Het begrip ‘waarheid’ is onzinnig… het hele rijk van ‘waar’ en ‘onwaar’ heeft alleen te maken met relaties tussen wezens, niet met het ‘op zich’.. Onzin: er bestaat geen ‘wezen op zich’, de relaties constitueren pas wezens, net zo min als er ‘kennis op zich’ kan bestaan… (250)


Over de oorsprong van de religie

Net zoals de onontwikkelde mens thans nog gelooft dat de wonder er de oorzaak van is als hij woedend is, de geest oorzaak dat hij denkt, de ziel dat hij voelt, kortom zoals ook nu nog zonder bezwaar een hele reeks psychologische entiteiten worden gepostuleerd die voor oorzaken moeten doorgaan: zo heeft de mens in een stadium van nog grotere naïviteit juist diezelfde verschijnselen met behulp van psychologische, personele entiteiten verklaard. De toestanden die hem vreemd, meeslepend, overweldigend toeschenen, legde hij uit als obsessie en betovering voortvloeiend uit de macht van een persoon. Zo voert de christen, die als type mens vandaag de dag het meest naïef en achtergebleven is, de hoop, de rust, het gevoel van ‘verlossing’ terug op een psychologische geïnspireerdheid door God: omdat hij een in esentie lijdend en door onrust gekweld type is, doen zich bij hem gevoelens van geluk, van verhevenheid en van rust vanzelf voor als het vreemde, als iets waarvoor een verklaring nodig is. (252, 253)


Een duizendvoudige complexiteit

Dat een wereld waarvoor het ons aan alle fijngevoeligere organen ontbreekt, zodat we een duizendvoudige complexiteit nog als eenheid ervaren, zodat we causaliteit in dingen fantaseren waar elke grond van beweging en verandering voor ons onzichtbaar blijft (de opeenvolging van gedachten, van gevoelens is immers slechts het zichtbaar-worden van die gedachten en gevoelens in het bewustzijn; dat deze opeenvolging iets met een causale aaneenschakeling te maken zou hebben, is volstrekt ongeloofwaardig: het bewustzijn levert ons nooit een voorbeeld van oorzaak en gevolg)— (272)


De enorme misgrepen

1. de onzinnige overschatting van het bewustzijn, waarvan een eenheid, een wezen gemaakt wordt, ‘de geest’, ‘de ziel’, iets wat voelt, denkt, wil –
2. de geest als oorzaak, met name overal waar doelmatigheid, systeem, coördinatie verschijnen
3. het bewustzijn als hoogst bereikbare vorm, als opperste soort zijn, als ‘God’
4. de wil overal in geprojecteerd, waar van werking sprake is
5. de ‘ware wereld’ als geestelijke wereld, als toegankelijk middels bewustzijnsfeiten
6. waar maar van kennis sprake is, die kennis verabsoluteerd tot vaardigheid van het bewustzijn (272)


Grof en gelijkgemaakt

In de ontwikkeling van de rede, van de logica, van de categorieën is de behoefte doorslaggevend geweest: de behoefte, niet om te ‘kennen’, maar om te subsumeren, te schematiseren, met als doel verstaanbaarheid, berekenbaarheid…
het rechtbreien, verdichten zodat gelijkenis en gelijkheid ontstaat – volgens hetzelfde proces dat elke zintuiglijke indruk doormaakt, ontwikkelt zich de rede!
Hier is geen preëxistente ‘idee’ aan het werk geweest: maar alleen het nut, het feit dat de dingen voor ons alleen berekenbaar en hanteerbaar worden als we ze grof en gelijkgemaakt zien… (276,277)


Een onvermogen

De subjectieve dwang die maakt dat we op dit punt niet kunnen tegenspreken, is een biologische dwang: het instinct van het nut om te redeneren zoals we redeneren, zit ons in het lijf, we zijn bijna dit instinct… Maar wat een naïviteit om daaruit een bewijs te halen dat we zo een ‘waarheid op zich’ in handen zouden hebben…
Het niet-kunnen-tegenspreken bewijst een onvermogen, geen ‘waarheid’. (276)


Denken

We geloven dat gedachte en gedachte, zoals die in ons op elkaar volgen, in een of ander causaal verband staan: speciaal de logicus, die inderdaad alleen maar van gevallen spreekt die nooit in de werkelijkheid voorkomen, is aan het vooroordeel gewend geraakt dat gedachten gedachten veroorzaken, – hij noemt dat – denken… (276)


Een afsluiting

In summa: alles wat bewust wordt, is een eindverschijnsel, een afsluiting – en veroorzaakt niets – alle opeenvolging in het bewustzijn is volstrekt atomistisch. En wij hebben de wereld proberen te begrijpen met de omgekeerde opvatting, – alsof er niets anders werkte en reëel was dan denken, voelen, willen. (277)


Oorsprong van de ware wereld

Dat de filosofie de weg kwijtraakte, komt doordat men met de logica en de categorieën van de rede meende te beschikken over het criterium voor de waarheid resp. de realiteit, in plaats van ze te zien als middelen om de wereld af te stemmen op nuttigheids-doeleinden (dus ‘principieel’ op een nuttige vervalsing). Het ‘criterium voor de waarheid’ was in feite louter en alleen het biologische nut van zo’n systeem van principiële vervalsing: en omdat een dierlijke species niets belangrijkers kent dan zijn zelfbehoud, mocht men hier inderdaad van ‘waarheid’ spreken. De naïviteit was alleen dat de antropocentrische idiosyncrasie als maat van de dingen, als richtsnoer werd genomen voor wat ‘reëel’ en ‘irreëel’ was: kortom, dat iets voorwaardelijks werd verabsoluteerd. En zie, nu viel de wereld opeens in een ware en een ‘schijnbare’ wereld uiteen: en juist de wereld, voor het bewonen en inrichten waarvan de mens zijn rede had uitgevonden, juist die werd door hem in diskrediet gebracht. (277)


Tegenstelling, tegenspraak

Het beginsel van tegenspraak leverde het schema: de ware wereld, waarheen men de weg zoekt, kan niet met zichzelf in tegenspraak zijn, kan niet wisselen, kan niet worden, heeft geen oorsprong en geen einde.
Dat is de grootste dwaling die begaan is, de eigenlijke noodlottigheid van alle dwaling op aarde: men geloofde met de vormen der rede een criterium voor de realiteit te hebben, terwijl men die had om de realiteit de baas te worden, om op een slimme manier de realiteit verkeerd te begrijpen…
En ziedaar: opeens werd de wereld bedrieglijk, en exact vanwege de eigenschappen die haar realiteit uitmaken: wisseling, worden, veelheid, tegenstelling, tegenspraak, oorlog. (278)


Noodlottigheid

Opeens was de noodlottigheid er in alle hevigheid:
1. hoe kom je af van de bedrieglijke, de louter schijnbare wereld? (-het was de werkelijke, de enige)
2. hoe word je zelf zoveel mogelijk tegengesteld aan het karakter van de schijnbare wereld? (Begrip van het volmaakte wezen als tegengesteld aan elk reëel wezen, of beter gezegd als tegenspraak tot het leven…
3. de hele intentie van de waarden was gericht op belastering van het leven (278)


Wegdenken

In de werkelijke wereld, waar nu eenmaal alles aaneengeketend en alles door alles bepaald is, betekent iets veroordelen en wegdenken alles wegdenken en veroordelen. (278)


De moed tot de aanval

de dood aan het kruis bewijst geen waarheid, alleen maar overtuiging, alleen maar een idiosyncrasie (-zeer populaire dwaling: de moed hebben te staan voor je overtuiging -? nee, de moed tot de aanval op je overtuiging hebben!!! (284)


Anders zijn

De verlokkingen die van dit begrip uitgaan, zijn van drieërlei aard:
een onbekende wereld: – we zijn avonturiers, nieuwsgierig, – het bekende schijnt ons moe te maken (- het gevaar van het begrip schuilt in de suggestie dat we ‘deze’ wereld zouden kennen…
een andere wereld, waar het anders is: – iets in ons slaat aan het rekenen, onze stille berusting, ons zwijgen verliest daarbij zijn waarde, – misschien komt alles goed, we hebben niet voor niets gehoopt… de wereld waar het anders, waar wij zelf – wie weet? anders zijn… (289, 290)


Wilszwakte

Wilszwakte: dat is een beeldspraak die misleidend kan werken. Want er bestaat geen wil, en dus bestaat er noch een sterke, noch een zwakke wil. De veelheid en disgregatie van aandriften, het gebrek aan onderling systeem resulteert in een ‘zwakke wil’; de coördinatie van die aandriften onder de hegemonie van één enkele resulteert in een ‘sterke wil’; – in het eerste geval is het de oscillatie en het ontbreken van een zwaartepunt; in het tweede de precisie en de duidelijke richting (325)


Een grote verademing

Maar wij, wij die aan het worden zijn onschuld willen hergeven, zouden de missionarissen van een zuiverder idee willen zijn; dat niemand de mens zijn eigenschappen heeft gegeven, noch God, noch de maatschappij, noch zijn ouders en voorvaderen, noch hijzelf, – dat er niemand schuld aan hem draagt… Een wezen dat ervoor verantwoordelijk kan worden gemaakt dat iemand zelfs maar bestaat, dat iemand zo en zo is, dat iemand onder deze omstandigheden, in deze omgeving geboren is, zo’n wezen ontbreekt. – En het is een grote verademing dat zo’n wezen ontbreekt… (350)


De onschuld van alle bestaan

We zijn niet het resultaat van een eeuwig oogmerk, van een wil, van een verlangen: er wordt met ons geen poging ondernomen om een ‘ideaal’ van volmaaktheid’, of een ‘ideaal van geluk’ of een ‘ideaal van deugd’ te bereiken, – we zijn evenmin de misgreep van God, waarop hijzelf angst zou moeten krijgen (- zoals bekend begint met die gedachte het Oude Testament). Elke plaats, elk doel, elke zin ontbreekt, waarop we ons zijn, ons zo-en-zo-zijn zouden kunnen afwentelen. Vooral: niemand zou het kunnen: je kunt het geheel niet berechten, meten, vergelijken of zelfs ontkennen. Waarom niet? […] bijvoorbeeld omdat er niets is buiten het geheel. En nogmaals, dat is een grote verademing, daarin ligt de onschuld van alle bestaan. (350)


De amoraliteit van de moralist

Je moet heel amoreel zijn om metterdaad moraal te maken… De middelen van de moralisten zijn de schrikbarendste middelen die ooit werden gehanteerd; wie de moed niet heeft tot de amoraliteit van de daad, deugt misschien voor heel veel, maar hij deugt niet voor moralist. (371)


Gloeiend ijzer

De moraal is een menagerie; zij vooronderstelt dat ijzeren tralies nuttiger kunnen zijn dan vrijheid, zelfs voor wie erachter gevangen zit; zij vooronderstelt verder dat er dierentemmers zijn die voor schrikbarende middelen niet terugdeinzen, – die weten hoe je met gloeiend ijzer omspringt. Deze verschrikkelijke species die de strijd met het wilde dier aangaat, noemt zich ‘priester’. (371)


‘Begrijpen’

De ‘innerlijke ervaring’ dringt pas tot ons bewustzijn door, nadat ze een taal heeft gevonden die het individu begrijpt… d.w.z. een vertaling van een toestand in voor dat individu bekendere toestanden –
‘begrijpen’ betekent in zijn naïeve vorm niets anders dan: iets nieuws tot uitdrukking kunnen brengen in de taal van iets ouds, bekends
bijv. ‘ik voel mij slecht’ – zo’n oordeel vooronderstelt een grote en late neutraliteit van de observator -: de naïeve mens zegt altijd: dat en dat zorgt ervoor dat ik me slecht voel – het wordt hem pas echt duidelijk dat hij zich slecht voelt, als hij een reden ziet om zich slecht te voelen… (376)


Valsemunterij

De oorzaken van de dwaling liggen evenzeer in de goede wil van de mens als in zijn kwade wil -: in duizend gevallen verbergt hij voor zich de realiteit, hij vervalst haar om maar niet onder zijn goede wil te hoeven lijden
Bijv. God als bestierder van het menselijke lot: of de dusdanige uitleg van zijn kleine lotgevallen dat alles daarin tot heil van zijn ziel zou zijn beschikt en uitgedacht – dit gebrek aan ‘filologie’ dat voor een fijnzinniger intellect toch moet doorgaan voor onzindelijkheid en valsemunterij, wordt doorgaans onder inspiratie van de goede wil bedreven…
De goede wil, de ‘nobele gevoelens’, de ‘verheven toestanden’ zijn in hun middelen even grote valsemunters en bedriegers als de affecten die op morele gronden afgewezen en als egoïstisch bestempeld worden, zoals daar zijn liefde, haat, wraak. (376, 377)


De waan die gelukkig maakt

De dwalingen zijn dat wat de mensheid het duurst moet bekopen: en over het geheel genomen zijn het de dwalingen van de ‘goede wil’ die haar het diepst hebben geschaad. De waan die gelukkig maakt, is verderfelijker dan de waan die direct pijnlijke gevolgen heeft: die laatste scherpt de blik, maakt wantrouwig, zuivert de rede, – de eerste sust de rede in slaap… (377)


Het bewijst niets

De instemming van het geweten, het behaaglijke gevoel ‘vrede te hebben met zichzelf’ is van dezelfde orde als het plezier dat een kunstenaar aan zijn eigen werk beleeft – het bewijst helemaal niets…
Zelfvoldaanheid is evenmin een waardemaatstaf voor datgene waarop ze betrekking heeft als het ontbreken ervan een tegenargument is tegen de waarde van iets. Wij weten bij lange na niet genoeg om de waarde van onze handelingen te kunnen meten: het lukt ons tegenover dat alles niet een objectief standpunt in te nemen: ook als we een handeling verwerpen, zijn we geen rechters, maar partij. (377)


Dom

De nobele opwellingen die handelingen begeleiden, bewijzen niets ten voordele van hun waarde: een kunstenaar kan met het allergrootste innerlijke pathos iets armetierigs creëren. Je kunt beter zeggen dat deze opwellingen misleidend zijn: ze lokken onze blik, onze kracht weg van de kritiek, van de voorzichtigheid, van de argwaan dat we een domheid begaan… ze maken ons dom – (377, 378)


De schijn van een hogere macht

Vroeger heeft men de toestanden en de gevolgen van fysiologische uitputting belangrijker geacht dan de gezonde toestanden en hun gevolgen, omdat die eerste zo rijk zijn aan plotselinge, schrikwekkende, onverklaarbare en onberekenbare verschijnselen. Men was er bang voor: men vermoedde hier de overgang naar een hogere wereld. Men heeft de slaap en de droom, men heeft de schemer, de nacht, de angstaanjagende natuur verantwoordelijk gesteld voor het ontstaan van twee werelden: vooral met het oog hierop zouden de symptomen van de fysiologische uitputting moeten worden bekeken. Eigenlijk disciplineren de oude religies de vrome mens tot een toestand van uitputting, waarin hij zulke dingen wel beleven moet… Men geloofde een hogere orde te zijn binnengegaan, waar alles ophield bekend te zijn.- De schijn van een hogere macht. (378)


De goede mens

Voor elke sterke en natuur gebleven soort mens horen liefde en haat, dankbaarheid en wraak, goedheid en woede, ja-doen en nee-doen bij elkaar. Je bent goed tegen de prijs dat je ook slecht kunt zijn; je bent slecht omdat je anders niet in staat bent goed te zijn. Vanwaar nu die ziekte en ideologische onnatuur die deze dubbelheid afwijst -, die leert dat het het hoogst is om maar halfzijdig te functioneren? Vanwaar de hemiplegie van de deugd, de uitvinding van de goede mens? De eis loopt erop uit dat de mens bij zichzelf die instincten afkapt waarmee hij vijand kan zijn, schade kan berokkenen, razend kan zijn, om wraak kan schreeuwen… (386, 387)


Onnatuur

Met deze onnatuur correspondeert dan die dualistische conceptie van een louter goed en een louter slecht wezen (God, geest, mens), waarbij in het eerste alle positieve, in het laatste alle negatieve krachten, oogmerken, toestanden zijn samengebald. – Een dergelijke waarderingswijze meent ‘idealistisch’ te zijn; ze twijfelt er niet aan een hoogste vorm van wenselijkheid in de conceptie ‘van het goede’ ingebracht te hebben. Bereikt ze haar hoogtepunt, dan denkt ze zich een toestand uit waarin al het kwaad is geannuleerd en in waarheid alleen nog de goede wezens over zijn gebleven. Ze beschouwt het dus niet eens als een uitgemaakte zaak dat in die tegenstelling tussen goed en kwaad deze twee elkaar wederzijds bepalen; nee, omgekeerd: het laatste moet verdwijnen en het eerste moet overblijven, het ene heeft recht van bestaan, het andere zou helemaal niet mogen bestaan… Wat wenst daar eigenlijk? (386)


Zowel het ja als het nee

Deze denkwijze, waarmee een bepaald type mens wordt geteeld, gaat van de volgende absurde veronderstelling uit: ze vat het goede en het kwade op als realiteiten die met elkaar in tegenspraak zijn (niet als complementaire waardebegrippen, wat de waarheid zou zijn), ze raadt aan partij te kiezen voor het goede, ze eist dat de goede radicaal aan het kwaad verzaakt en weerstand biedt, – ze verloochent daarmee in feite het leven, dat in al zijn instincten zowel het ‘ja’ als het ‘nee’ heeft. Niet dat ze dit begrijpt: ze droomt er omgekeerd van terug te keren naar het geheel, naar de eenheid, naar de levenskracht: ze stelt dit zich voor als een toestand van verlossing, waarin eindelijk aan de eigen innerlijke anarchie, aan de onrust tussen twee tegengestelde waarde-impulsen een eind wordt gemaakt. (386, 387)


Zonde

En zelfs hier nog krijgt het leven gelijk – het leven dat het ‘ja’ niet van het ‘nee’ weet te scheiden -: wat helpt het om met alle geweld de oorlog voor iets slechts te houden, geen schade te willen berokkenen, niets negatiefs te willen doen! Men voert toch oorlog! Men kan helemaal niet anders! De goede mens die aan het kwaad verzaakt heeft, en behept is met, zoals hem wenselijk lijkt, die hemiplegie van de deugd, houdt beslist niet op oorlog te voeren, vijanden te hebben, nee te zeggen, nee te doen. De christen bijvoorbeeld haat de ‘zonde’… En wat is voor hem niet allemaal ‘zonde’! (387)


Imaginair

Alles wat eenvoudig is, is slechts imaginair, is niet ‘waar’. Maar wat werkelijk, wat waar is, is noch één, noch zelfs maar reduceerbaar tot één. (392)


Simplex sigillum veri

1ste stelling. De gemakkelijke denkwijze zegeviert over de moeilijkere – als dogma: simplex sigillum veri. – Dico: dat duidelijkheid een argument voor waarheid zou zijn, is een volslagen kinderachtigheid…
2de stelling. De leer van het zijn, van het ding, van louter vaste eenheden is honderd keer zo eenvoudig als de leer van het worden, van de ontwikkeling
3de stelling. De logica was bedoeld als vereenvoudiging: als uitdrukkingsmiddel, – niet als waarheid… Later werkte ze als waarheid… (437)


Hadden wij een weg?

wil je ze vangen?
spreek ze toe
als verdoolde schapen:
‘jullie weg, o jullie weg
je bent hem kwijtgeraakt’
Iedereen die hen zo paait
lopen ze achterna.
‘Hoezo? hadden wij een weg?
zeggen ze heimelijk tegen zichzelf:
we schijnen echt een weg te hebben!’
(450)


Vluchten

Stijgen jullie,
is het waar dat jullie stijgen,
jullie hogere mensen?
Worden jullie niet, pardon,
als een bal
de hoogte in geduwd
– door het laagste in jullie?…
vluchten jullie niet voor jezelf, jullie stijgenden?
(450)


Spel

jullie stijve wijzen,
voor mij werd alles spel
(451)


Vergeet

Werp je zwaarte de diepte in!
Mens, vergeet! Mens vergeet!
Goddelijk is de kunst van het vergeten!
Wil je vliegen,
wil je op grote hoogten thuis zijn:
werp het zwaarste wat je heb in zee!
Hier is de zee, werp je in zee!
Goddelijk is de kunst van het vergeten!
(452)


Ach

ach, dat je meende
te moeten verachten,
terwijl je alleen ervan afzag!
(453)


Pas op

ben je breekbaar?
pas dan op voor kinderhanden!
Het kind kan niet leven
als het niets in stukken breekt…
(454)


Kul

hun zin is onzin,
hun clou is klucht en kul
(458)


Graaf, worm!

(459)


Geen rust

zo spreekt elke veldheer:
‘gun noch de overwinnaar
noch de overwonnene rust!’
(460)


Aan zijn volmaaktheid

niet aan zijn zonden en grote dwaasheden:
aan zijn volmaaktheid leed ik, toen ik
het meest aan de mens leed
(461)


Een burcht

een gedachte
nu nog vloeibaar-heet, lava:
maar alle lava bouwt
een burcht om zich heen,
elke gedachte drukt zichzelf
uiteindelijk dood met ‘wetten’
(461)


Zijn hoogste hindernis

deze hoogste hindernis,
deze gedachte aller gedachten,
wie wierp haar op!
Het leven zelf wierp voor zichzelf
zijn hoogste hindernis op:
over zijn eigen gedachte springt het voortaan heen
(462)


Tot geen geloof

heimelijk verbrand,
niet voor zijn geloof,
eerder omdat hij tot geen geloof
de moed meer vond
(462, 463)


Zeden

wat om je heen woont,
woont binnen de kortste keren bij je in:
waar je lang gezeten bent,
groeien zeden op.
(463)


’s Nachts

(’s Nachts, besterde hemel)
o deze doodstille herrie!
(463)


Voor onze voeten

waarheden voor onze voeten,
waarheden waarop je kunt dansen
(464)


Een ‘ideaal’

Wat voor houding iemand ten opzichte van zichzelf heeft, of hij zichzelf iets wijsmaakt, of hij erop staat ondubbelzinnig met zichzelf om te gaan, – of hij zichzelf verdraagt dan wel een ‘ideaal’ nodig heeft… De idealist riekt wat mij betreft slecht… (469)


Voor het labyrint

Als wij al filosofen zijn, wij Hyperboreeërs, dan lijken we het in elk geval op een andere manier te zijn dan men eertijds filosoof was. Wij zijn beslist geen moralisten… Wij geloven onze eigen oren niet als we ze horen praten, al deze eertijdsen. ‘Ziehier de weg naar het geluk’ – zo komt elk van hen op ons toegestoven, met een recept in de hand en met zalving op het hiëratisch smoelwerk. ‘Maar wat kan ons het geluk schelen?’ – vragen we hoogstverbaasd. ‘Ziehier de weg naar het geluk – zo vervolgen deze heilige schreeuwlelijken: en dat daar is de deugd, de nieuwe weg naar het geluk!’… Maar alstublieft, mijn heren! Wat kan ons nou uw deugd schelen! Waarom zonderen mensen als wij ons af, worden filosofen, worden rinocerossen, worden holenberen, worden spoken? Toch om van de deugd en van het geluk af te zijn? – Wij zijn van nature veel te gelukkig, veel te deugdzaam om er niet een kleine verzoeking in te bespeuren filosofen te worden: dat wil zeggen immoralisten en avonturiers… Wij hebben een speciale nieuwsgierigheid voor het labyrint, we doen moeite om met mijnheer Minotaurus kennis te maken, over wie gevaarlijke verhalen de ronde doen: wat schieten wij op met uw weg omhoog, met uw strik die wegvoert? naar geluk en naar deugd voert? naar uzelf voert, vrees ik… U wilt ons met uw strik redden? – Wel wij, wij verzoeken u dringend, hangt u zich daaraan maar op!… (484)


Uit De Vrolijke Wetenschap geciteerd in De mens zichzelf een vraagstuk, Gabriel Marcel, 1956:


Ronddolen

‘Waarheen God is gegaan,’ schreeuwde hij, ‘dat zal ik jullie zeggen. Wij hebben hem gedood … Jullie en ik! Wij zijn het, wij allen waren zijn moordenaars! Maar hoe is dat ons gelukt? Hoe hebben we de zee kunnen leeg maken? Wie heeft ons een spons gegeven om de hele horizon uit te wissen? Wat hebben we gedaan toen we de ketting losmaakten, waarmee deze aarde aan de zon vastzat? Waar gaat ze nu heen? Waar gaan wij zelf heen? Gaan wij ver van alle zonnen? Vallen we niet steeds maar door? Naar voren, naar achteren, opzij, naar alle kanten? Bestaat er nog wel een boven en een beneden? Dolen we niet rond als in een eindeloos niets?’ (30)


uit De mens zichzelf een vraagstuk, Gabriel Marcel, 1956:


Het idee van waarde

Volgens Nietzsche ontstaat het nihilisme doordat men de begrippen zin en totaliteit in hun volstrektheid op de wereld heeft trachten toe te passen. Wanneer men in elk gebeuren een totaliteit en een organisatie veronderstelt van zodanige aard, dat het welzijn van het geheel aanspraak zou mogen maken op de toewijding van het individu, dan komt men tenslotte blijkbaar tot de ontdekking, dat er eigenlijk geen geheel bestaat. Het idee van waarde kan na deze verdwijning van het Al hier niet blijven voortbestaan, want daaraan ontleende het zijn karakter van oneindigheid. (34)


uit de scepsis voorbij van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:


De chaotische werkelijkheid

[Later komt Nietzsche] meer en meer tot het besef dat ook het verlangen naar objectiviteit moet ontmaskerd worden als een subjectief verlangen en dat de werkelijkheid dermate chaotisch is dat niet wetenschappelijke neutraliteit, maar alleen artistieke creativiteit een uitkomst kan bieden. (85)


Geen waarheid

[Waarheid zal], in de geest van het nihilisme en het irrationalisme, blijken neer te komen op het vermoeden dat er geen echte waarheid kan zijn, omdat iedere waarheid haar oorsprong vindt in een subjectieve strategie om een op zich chaotische werkelijkheid vertrouwd en hanteerbaar te maken. (85)


Zelfs niet chaotisch

Hoe het ook zij, de gedachte dat de werkelijkheid in haar diepste wezen volkomen chaotisch is en dat alles wat wij erover kunnen zeggen – zelfs dit: dat zij chaotisch is – ons uiteindelijk alleen maar iets leert over onszelf, is de grondgedachte van Nietzsches hele filosofie. (85,86)


Niet meer zijn

Het enige alternatief lijkt te zijn: niet meer te kennen, niet meer te zijn. Zoals David Hume al zei: we hebben geen andere keuze dan tussen een verkeerde rede en helemaal geen rede. Maar waar Hume, die ondanks alles toch nog, heimelijk, een optimist was, lakoniek voor de verkeerde rede koos, lijkt Nietzsche de voorkeur te geven aan een onleefbare ‘waarheid’ boven een leefbaar compromis. Wat indien een onverzettelijke drang tot Waarheid uiteindelijk leidt tot de keuze om niets meer te geloven, en dus niet meer te zijn? Het is deze exploratie van de consequenties van een radicaal irrationalisme en nihilisme die van Nietzsche, in tegenstelling tot Hume, een type hedendaags (volgens sommigen: postmodern) denker maakt. (89)


Alles is vergissing

In een zoeken naar steeds grotere zekerheid, steeds beter beveiligde kennis worden almaar meer vergissingen als vergissingen ontmaskerd, tot op den duur de gehele vermeende ‘waarheid’ op losse schroeven blijkt te komen staan. […] In plaats van de geruststellende waarheid als leugen komt nu de verschrikkelijke Waarheid aan het licht: alles is vergissing, precies omdat, en in zoverre alles houvast. is Alleen wie alles loslaat vindt de Waarheid. Maar hij verdrinkt. (90)


Leven zonder waarheid

[Maar] hoe kan hij, in alle ernst, verondersteld worden zonder enig houvast – dat wil zeggen zonder enig bedrog – nog als een min of meer normaal mens te blijven functioneren? Hoe kan hij leven zonder waarheid; of: hoe kan hij zijn Waarheid overleven? (91)


uit Wat Blijft, Patricia de Martelaere, 2002:


Noodzakelijke leugen

‘De waarheid is de leugen zonder dewelke een bepaald soort dier niet kan leven’, heet het bij Nietzsche, en hetzelfde geldt uiteraard voor alle waarden. (19)


Geen enkele vorm van zijn

Nietzsche predikt in zijn eigen filosofie de chaos en het universele worden, waarin niet alleen God dood is maar zelfs geen enkele vorm van ‘zijn’ meer overblijft. De dingen zijn niet wat ze zijn, en zelfs wijzelf hebben geen eigen identiteit – hoe zou wat dan ook door wie dan ook met zekerheid kunnen worden gekend? (19)