Gemoedsrust

Vrede sluiten met je onvrede, berusten in je onrust. Dwaalteksten over gelatenheid.

Tekst Hans van Dam.

arm van geest en verder, dwaalgids verlichting


Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van gemoedsrust, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


alle aanbevelingen op een rijtje


Goed genoeg

‘Wat is de troost van niet weten?’
‘Niet goed is ook goed.’
‘Waarom?’
‘Omdat je toch niet weet wat goed is.’
‘Nee.’
‘En omdat je toch niet weet waar niet goed allemaal nog goed voor is.’
‘Nee.’
‘Vandaar.’
‘Maar dan is goed ook niet goed.’
‘Klopt.’
‘Omdat je ook niet weet wat niet goed is.’
‘Precies.’
‘En omdat je ook niet weet waar goed allemaal weer niet goed voor is.’
‘Kun je nagaan.’
‘Noem dat maar troost.’
‘Noem het dan maar niet weten.’


Onbetamelijk

‘Heeft niet weten jou onverstoorbaarheid gebracht?’
‘Niet weten heeft mij niets gebracht.’
‘Heeft dat niets het karakter van onverstoorbaarheid?’
‘Van onverstoorbaarheid weet ik niets.’
‘Jij bent dus niet onverstoorbaar?’
‘Integendeel, zou ik haast zeggen.’
‘Integendeel?’
‘Ik ben compleet verstoorbaar.’
‘Maar jij bent toch…’
‘Zijn is verstoorbaar zijn.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Het is heel eenvoudig. Een waarneming is een verstoring van de vorige waarneming of van de stilte tussen twee waarnemingen. Een gedachte is een verstoring van de vorige gedachte of van de stilte tussen twee gedachten. Een gevoel is een verstoring van het vorige gevoel of van de stilte tussen twee gevoelens. Niet weten is een verstoring van het weten dat eraan vooraf ging. Weten is een verstoring van een ander weten of van een niet weten dat eraan vooraf ging. Slaap is een verstoring van de waak, waak weer van de slaap, honger van verzadiging en omgekeerd, rust van inspanning, en zo verder.’
‘Niet weten betekent dus niet dat je onverstoorbaar bent?’
‘Onverstoorbaar zijn alleen de doden.’
‘Mag ik aannemen dat de onvermijdelijke verstoringen jou sinds je niet weten in ieder geval niet meer storen?’
‘Wat?’
‘Dat je ze aanvaardt of zelfs omarmt, zoals het de verlichte betaamt?’
‘Wou jij beweren dat ik verlicht ben?’
‘Nou…’
‘Wou jij beweren dat de verlichte iets betaamt?’
‘Eh…’
‘Nou dan.’


Meevaller

‘Ken jij de weg naar onverstoorbaarheid?’
‘Ik ken er maar een.’
‘Zeg op.’
‘Zelfdoding.’
‘Wát?’
‘Maar dat kan wel op veel manieren.’


Wat zegt een naam

‘Hoe kom ik tot niet-oordelen?’
‘Eerst leer je dat je niets fout kunt doen.’
‘En dan?’
‘Leer je dat je niets goed kunt doen.’
‘En dan?’
‘Leer je dat je niets kunt doen.’
‘En dan?’
‘Leer je dat je niets kunt laten.’
‘En dan?’
‘Leer je dat er geen jij is.’
‘En dan?’
‘Leer je dat er geen niet-jij is.’
‘En dan?’
‘Leer je dat er niets te leren valt.’
‘En dan?’
‘Leer je dat er niets af te leren valt.’
‘En dan?’
‘Leer je dat ook nog af.’
‘En dan?’
‘Ben je af.’
‘En dan oordeel je niet meer?’
‘En dan oordeel je als vanouds.’
‘Wat heb je dan gewonnen?’
‘Misschien dat je er niet meer in gelooft?’
‘Misschien?’
‘Ja, dat is altijd maar weer afwachten.’
‘En als je er toch in gelooft?’
‘Misschien dat je daar dan niet meer over oordeelt?’
‘Misschien?’
‘Ja, dat is altijd maar weer afwachten.’
‘En als je er toch over oordeelt?’
‘Misschien dat je dáár dan niet meer in gelooft?’
‘Misschien?’
‘Ja, dat is altijd maar weer afwachten.’
‘En als je er toch in gelooft?’
‘Misschien dat je dáár dan niet meer over oordeelt?’
‘Misschien?’
‘Ja, dat is altijd maar weer afwachten.’
‘En als je er toch over oordeelt?’
‘Dat zien we dan wel weer.’
‘En dat wou jij niet-oordelen noemen?’
‘En dat wou jij niet-oordelen noemen.’


Meezitter

‘Wat is onverstoorbaarheid?’
‘Nergens meer mee zitten.’
‘Wanneer zal ik nergens meer mee zitten?’
‘Als alle hoop vervlogen is.’
‘Blijf ik zeker met de wanhoop zitten.’
‘Die vervliegt met de hoop.’
‘Zal ik wel antwoorden hebben?’
‘Je zult alle antwoorden kwijt zijn.’
‘Blijf ik zeker met de vragen zitten.’
‘Die vervliegen met de antwoorden.’
‘Blijf ik zeker met niets zitten.’
‘Met niets kun je niet zitten.’
‘Zit jij nog ergens mee?’
‘Ja maar nee.’
‘Ja of nee?’
‘Ja maar nee.’
‘Ja én nee?’
‘Ja maar nee.’
‘Ik wil een néé.’
‘Het zit niet mee.’
‘Wat een domper.’
‘Ik kan er niet mee zitten.’
‘En als je er toch mee zit?’
‘Dan kan ik daar niet mee zitten.’
‘En als je daar toch mee zit?’
‘Dan kan ik dáár niet mee zitten.’
‘Je zit er niet mee en als je er toch mee zit kan je daar niet mee zitten en als je er toch mee zit dat je er toch mee zit kan je daar niet mee zitten.’
‘Ik kan het ook niet helpen.’
‘En dit wou jij onverstoorbaarheid noemen.’
‘En dat wou jij onverstoorbaarheid noemen.’


Wallen

‘Wat is innerlijke vrede?’
‘Alles onder ogen zien.’
‘En als je dat niet kunt?’
‘Dan zie je dat maar onder ogen.’
‘En als dat ook niet helpt?’
‘Jij denkt nog steeds dat iets zal helpen.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Wat weet ik daarvan?’
‘Als jij het niet weet, wie dan wel?’
‘Wie zegt dat iemand het weet?’
‘Bedoel je dat niemand het weet?’
‘Wie zegt dat ik iets bedoel?’
‘Ik weet niet of ik dit wel wil weten.’
‘Dan zie je dat maar onder ogen.’
‘Als ik alles onder ogen zie, zal ik dan vrede hebben?’
‘Ooit iemand ontmoet die alles onder ogen zag?’
‘Persoonlijk?’
‘Nou?’
‘Jou?’
‘Dat weet je toch niet?’
‘Maar jij toch wel?’
‘Hoe weet ik dat nou.’
‘Verdraaid.’
‘Wat?’
‘Ik had me er heel wat meer van voorgesteld.’
‘Ook dat moet je onder ogen zien.’


Doldrums

‘Er bestaat geen ongunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.’
‘Er bestaat geen gunstige wind voor de zeeman die niet weet welke haven hij wil aandoen.’


Ten voeten uit

‘Wat is niet weten?’
‘Dat het je niet uitmaakt, Hans.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat je niet zou weten waarom.’
‘En als het je toch uitmaakt?’
‘Maakt niet uit.’
‘En als ook dat je nog uitmaakt?’
‘Maakt niet uit.’
‘Spreek je uit ervaring of heb je het bedacht?’
‘Wat maakt dat nou uit.’
‘Eerlijk zeggen.’

‘Nou?’
‘Ik heb het bedacht.’
‘Geen probleem.’
‘Maar het werkt niet.’
‘Geeft niks.’
‘Je wordt verdomme helemaal niet onverstoorbaar van niet weten!’
‘Maakt niet uit.’
‘Je wordt er verdomme helemaal niks van!’
‘Dat is niet weten.’


Gedachten zijn duistere machten

‘Wat is bezorgdheid?’
‘Denken dat je iets kan overkomen.’
‘Wat is gemoedsrust?’
‘Denken dat je niets kan overkomen.’
‘Wat denkt jij?’
‘Dat het denken je overkomt.’
‘Meen je dat nou?’
‘Ach.’
‘Waarom zeg je het dan?’
‘Het viel me zomaar in.’


Bij de wortel

‘Morgen moet ik naar de tandarts.’
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je bang bent, Hans?’
‘Als de dood.’
‘Dat is anders nergens voor nodig.’
‘Waarom niet?’
‘Morgen is alleen maar een gedachte.’
‘Dat morgen alleen maar een gedachte is ook.’


Onverwacht

‘Sereniteit is niets verwachten.’
‘Je verwacht er nogal wat van.’
‘Waarvan?’
‘Van niets verwachten.’
‘Wat dan?’
‘Sereniteit zei je toch?’
‘Verdraaid.’


Blessing or disguise

‘Vergankelijkheid is eigenlijk een zegen.’
‘Hoezo?’
‘Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.’
‘Maar daar is de volgende alweer.’

‘Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.’
‘Maar daar is ze voor de zoveelste keer.’

‘Zelfs de meest kwellende gedachte is zo voorbij.’
‘De heerlijkste ook.’

‘Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.’
‘Hoezo?’
‘Iedere gedachte is zo voorbij.’
‘Deze ook.’
‘Verdraaid.’
‘Deze ook.’
‘Verdraaid.’
‘Deze ook.’
‘Wat nu?’
‘Deze ook.’
‘Niet te geloven.’
‘Die ook.’
‘Maar dat is wel precies wat ik bedoel.’
‘Wat?’
‘Vergankelijkheid is een zegen én een vloek.’
‘Die ook.’


Hangwerk

‘De verlichte heeft nog steeds emoties maar blijft er niet meer in hangen.’
‘Dit is waar menigeen blijft hangen.’

‘De verlichte heeft nog steeds meningen maar blijft er niet meer in hangen.’
‘Dit is waar menigeen blijft hangen.’

‘De verlichte heeft nog steeds ideeën maar blijft er niet meer in hangen.’
‘En als ie er nou toch in blijft hangen?’
‘Dan is hij niet langer verlicht of nooit verlicht geweest.’
‘Dit is waar menigeen blijft hangen.’


Sluitwerk

‘De verlichte heeft nog steeds een ego maar zit er niet meer aan vast.’
‘Is dit een mening of zit je eraan vast?’
‘Je kunt niet vastzitten aan je ego; het ego is vastzitten.’
‘Dit is waar menigeen vast komt te zitten.’
‘Bedoel je dat de verlichte geen ego meer heeft?’
‘Dit is waar menigeen vast komt te zitten.’
‘Help me nou eens een beetje.’
‘Waarmee?’
‘Ik zit helemaal vast.’
‘Of is dat ook maar een gedachte?’
‘Bedoel je dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?’
‘Of is dat ook maar een gedachte?’
‘Bedoel je dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit in de gedachte dat ik vastzit?’
‘Dit is waar menigeen vast komt te zitten.’
‘Ik wil niet meer vastzitten.’
‘Dit is waar menigeen…’
‘Jezus!’
‘Dit is waar…’
‘Waarom help je mij nou niet!’
‘Dit is waar iedereen vast komt te zitten.’


Pluk een roos

‘Word jij weleens boos, Hans?’
‘Waarom zou ik niet boos worden?’
‘Hoe kun je nou boos worden als je niks weet?’
‘Wie zegt dat je daar iets voor moet weten?’
‘Ik dacht dat jij dat wel zou weten.’
‘Vraag het liever aan iemand die niks weet.’
‘Zo iemand ben jij toch?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘En ik maar denken dat jij nooit meer boos zou zijn.’
‘En jij maar denken.’


Woeste hoogten

‘Word jij weleens woedend?’
‘Waarom zou ik niet woedend worden?’
‘Maar dan is het zeker zo voorbij?’
‘Waarom zou het zo voorbij zijn?’
‘Zodra je beseft dat je woede grondeloos is…’
‘Sinds wanneer heeft woede gronden nodig?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Maar zodra het tot je doordringt…’
‘Denk je soms dat ik mijn woede onder controle heb?’
‘Daar ging ik wel van uit.’
‘Nou, ik niet.’
‘Maar jij hoeft je toch alleen maar even te herinneren dat je niets weet?’
‘Wie zegt dat ik niets weet?’
‘Maar ik dacht…’
‘Als je zo goed kunt denken, leg mij dan maar eens uit hoe ik ervoor moet zorgen dat ik mij op het juiste moment herinner dat ik niets weet…’
‘Maar…’
‘Terwijl ik GODVERDOMME niet eens weet of ik niets weet.’

‘ALS JE DAT MAAR WEET!’


Toestanden

Ik zie in sereniteit – hoe diep en constant ook – geen teken van iets groters, zoals verlichting of vereniging met god.
Evenmin zie ik in onrust of onvrede een teken van het tegendeel.
Niet-weten – agnose met een mooi woord – is niet een bepaalde gemoedstoestand, maar een consequent niet duiden van om het even wat, om niet te zeggen (een extra ontkenning kan nooit kwaad) een zelfs niet niet-duiden.
Ik doel op een duiden tussen aanhalingstekens en een niet-duiden tussen aanhalingstekens of, om een typisch taoïstische zinswending te gebruiken, een duidend niet duiden.
Welke gemoedstoestand daarvan ook het gevolg mag zijn.
Of de oorzaak.


Beketenissen

‘Als iemand nooit boos wordt, betekent dat toch dat hij verlicht is?’
‘Voor jou misschien.’
‘En voor jou?’
‘Waarom zou het iets betekenen?’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Waarom zou het niets betekenen?’
‘Wou jij beweren van wel?’
‘Misschien betekent het alleen dat hij zijn gevoelens onderdrukt.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien voelt hij ze wel, maar toont hij ze niet.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien toont hij ze wel, maar niet aan jou.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien toont hij ze wel, maar zie jij ze niet.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien is hij nooit boos, maar betekent het niets.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien betekent het iets maar weet niemand wát.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien betekent het iedere keer wat anders.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien betekent het voor iedereen wat anders.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Of misschien is de ambiguïteit ervan wel de belangrijkste betekenis.’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Dat mocht je willen.’
‘Als iemand niks weet, betekent dat toch dat hij verlicht is?’
‘Voor jou misschien.’
‘En voor jou?’


Zo waar als ik hier sta

‘Hisamatsu wist het heel treffend te zeggen.’
‘Dat zal best.’
‘Wil je niet weten wat?’
‘Je zult het me toch wel vertellen.’
‘Hij vroeg waar je moet gaan staan als er geen plek meer is om te staan.’
‘O, dat…’
‘Wat?’
‘Het probleem is niet dat er geen plek is.’
‘Wat is het probleem dan wel?’
‘Dat er dáár geen plek is.’
‘Ik zie het verschil niet.’
‘Hier is altijd plek.’
‘Maar als je nou niet hier wilt zijn?’
‘Dan is dat waar je bent.’
‘En als je je tegenzin niet kunt aanvaarden?’
‘Dan is dat waar je bent.’
‘Op die manier.’
‘Hier is altijd plek.’
‘Je zult wel gelijk hebben…’
‘Daar nooit.’
‘Maar ik wil niet meer hier zijn!’
‘Ik ook niet.’
‘Jij ook niet?’
‘Zullen we dan maar een ommetje gaan maken?’

‘Wat is er nou?’
‘Mijn ouders zijn ernstig aan het dementeren!’
‘Tja.’
‘Mijn vrouw is bij me weggelopen!’
‘Tja.’
‘Ik ben uit de ouderlijke macht ontzet!’
‘Tja.’
‘Ik ben ontslagen wegens fraude!’
‘Tja.’
‘Ik heb grote schulden!’
‘Tja.’
‘Er is vorige week prostaatkanker bij me geconstateerd!’
‘Tja.’
‘Ik slaap op straat!’
‘Tja.’
‘De remsporen staan in mijn onderbroek!’
‘Tja.’
‘Ik ruik naar uien en verschaald bier!’
‘Tja.’
‘Ik voel me net Job op de mesthoop!’
‘Tja.’
‘Ik wil niet op een mesthoop zitten!’
‘Tja.’
‘Ik overweeg serieus zelfmoord te plegen!’
‘Tja.’
‘Ik ben bang dat ik zelfs daar nog een potje van zal maken!’
‘Tja.’
‘Ook ben ik bang dat mijn poging onverhoopt zal slagen!’
‘Tja.’
‘Ik wil niet altijd overal zo bang voor zijn!’
‘Tja.’
‘Ik wil niet meer van mijn angst af willen!’
‘Tja.’
‘Ik wil niet meer van alles niet willen!’
‘Tja.’
‘En ik heb een schurfthekel aan onze gesprekken!’
‘Tja.’
‘Ze leiden tot niets!’
‘Nee.’
‘Nooit!’
‘Maakt niet uit.’
‘Wat?’
‘Hier is altijd plek.’


Schijndilemma’s

‘Waar moet je gaan staan als er geen plek meer is om te staan?’
‘Lekker blijven zitten.’
‘Zo kan ik het ook.’
‘Dat mocht je willen.’
‘Voor je staat iemand met een mes, achter je iemand met een pistool, links iemand met een zwaard en rechts iemand met een knots. De man voor je vraagt hoe je wilt sterven. Wat zeg je dan?’
‘Wie zegt dat ik wil sterven?’
‘Je moet sterven; je kunt alleen nog kiezen op welke wijze.’
‘Wie zegt dat ik kan kiezen?’
‘Als je weigert te kiezen, zal er voor je worden gekozen.’
‘Wie zegt dat ik kan weigeren?’
‘Omdat je weigert te kiezen rijt de man met het mes je buik open. Je darmen vallen eruit en je sterft een langzame, pijnlijke dood. Heb je nou je zin?’
‘Ik niet; jij?’


Het orakel van-Zelphi

‘Ik weet echt niet meer wat ik doen moet.’
‘Maar ik kan je precies vertellen wat er gaat gebeuren.’
‘Kun je nou ook al waarzeggen?’
‘Iedereen kan waarzeggen.’
‘Wat gaat er dan gebeuren?’
‘Je zult niets doen totdat je in actie komt.’
‘Ja, zo kan ik het ook.’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat heb je daar nou aan.’
‘Ik dacht dat het je misschien gerust zou stellen.’
‘Daar is heel wat meer voor nodig.’
‘Wat dan?’
‘Ik wil weten waarom ik nu nog niet in actie kom.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Ik wil weten wanneer het eindelijk zover zal zijn.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Ik wil weten wat ik dan ga doen.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Ik wil weten hoe het afloopt.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘En ik wil weten of ik juist heb gehandeld.’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’
‘Verdraaid.’
‘Wat is er?’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Je weet alles wat je moet weten.’
‘Wat dan?’
‘Dat je niets zult doen tot je in actie komt.’
‘Ja, en dan?’
‘Dan zul je in actie blijven tot je ophoudt.’
‘Schertsfiguur.’
‘Hela, waar ga je heen?’
‘Val dood!’
‘Kom terug!’

‘Zeg eens eerlijk, had je dit voorzien?’
‘Nee.’
‘En toch kwam je in actie.’
‘Schei toch uit.’
‘Ga eerst eens rustig zitten.’

‘Zeg eens eerlijk, had je dit voorzien?’
‘Nee.’
‘En toch kwam je tot rust.’
‘Wat heb je hiervan opgestoken?’
‘Dat alles vanzelf gebeurt.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Dat alles gaat zoals het gaat.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Dat alles op zijn pootjes terechtkomt.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Dat je niet moet gaan zitten gissen.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Wat heb je wel gezegd?’
‘Bij mijn weten niets.’
‘Hè?’
‘Zeg dat wel.’
‘Waar ben jij nou eigenlijk mee bezig.’
‘Niets zeggen, zou ik zeggen, maar wie ben ik.’
‘Wat heeft dat nou voor zin!’
‘Daar kun je alleen maar naar gissen.’


Stapperdestap

‘Wat moet je doen als je het allemaal niet meer weet?’
‘Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest.’
‘En dan?’
‘Wachten tot je eerste stap een richting voor je kiest.’
‘Enzovoort?’
‘Nou, voort…’

Man die bijna in put stapt


Stroomverklikker

Wijze raad voor elke daad

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan ga ik bij de NSB.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan ga ik bij het verzet.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan zit ik het uit.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan duik ik onder.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan vaar ik naar Engeland.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Dan pleeg ik zelfmoord.

– Je moet met de stroom meegaan, jongen.
– Ik kan niet zwemmen.


Impassepartout

‘Als je in een totale impasse…’
‘Waarvan?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Wat wil er niet passeren?’
‘O.’
‘Als je luchtwegen bijvoorbeeld verstopt zitten passeert de lucht niet.’
‘Dan heb je pas echt een probleem.’
‘Alleen als je niet dood wilt.’


De hoofdprijs

‘Handen omhoog!’
‘Doe het zelf.’
‘Ik kan je zo doodschieten, hoor.’
‘Dat had je gedacht.’
‘De trekker overhalen is een koud kunstje.’
‘Maar ben je bereid de prijs te betalen?’
‘Jij bent hier degene die de prijs gaat betalen.’
‘Niet als je raak schiet.’
‘Dan betaal jij.’
‘Waarmee?’
‘Met je leven.’
‘Poe.’
‘Wat poe.’
‘Dat is toch al niet van mij.’
‘Wat kan het mij nou helemaal kosten?’
‘Dat wil je niet weten.’
‘Nou?’
‘Wroeging, depressies, slapeloosheid, medicijnverslaving, alcoholverslaving, nachtmerries, verstoting, minachting, zelfhaat, suïcide, gevangenisstraf…’
‘Mij maak je niet gek.’
‘Dan doe je het toch zelf.’
‘Jouw leven is in mijn handen.’
‘Dat kan best wezen…’
‘Maar?’
‘In wiens handen is het jouwe?’


Salomonsvoordeel

‘Stel, iemand betwist jou het voogdijschap over je kind. De rechter dreigt het kind in tweeën te hakken als jullie het onderling niet eens worden. Wat nu?’
‘Hakken is voor mietjes.’
‘Dat daargelaten.’
‘Ik ben het met niemand oneens.’
‘Maar het is toch zeker jouw kind?’
‘Een kind is van niemand.’
‘Bedoel je dat je het kind zonder strijd zult afstaan?’
‘Dat zien we dan wel weer.’
‘Bedoel je dat je misschien toch de strijd zult aangaan?’
‘Dat zien we dan wel weer.’
‘Hoe kun je strijd verantwoorden als kinderen van niemand zijn?’
‘Strijd is ook van niemand.’
‘Zelfs niet van degene die strijdt?’
‘Wie zal het zeggen.’
‘Wat is er eigenlijk wel van jou?’
‘Wat eigenlijk niet.’
‘Dat is heel wat anders.’
‘Dat komt op hetzelfde neer.’
‘Ik snap er niks meer van.’
‘Daar heb je het al.’
‘En als de rechter het kind aan een onafhankelijke partij toewijst?’
‘Wat is de vraag?’
‘Ben je het daar dan wel mee eens?’
‘Ik ben het met niemand eens.’
‘Behalve met jezelf natuurlijk.’
‘Ken ik niet.’
‘Waarom ben je het met niemand eens?’
‘Ik weet niet of ik het daar wel mee eens ben.’
‘Uit principe?’
‘Of bij gebrek aan principes.’
‘Maar eigenlijk?’
‘In de praktijk.’


Raad ten einde

Meester: Sorry.
Leerling: Waarvoor?
Meester: Dat ik geen antwoorden heb.
Leerling: Dat is nog steeds geen antwoord.

Leerling: Sorry.
Meester: Waarvoor?
Leerling: Dat ik geen vragen heb.
Meester: Dat is nog steeds geen vraag.

Leerling: Wat nu?
Meester: Geen idee.
Leerling: Mijn idee.
Meester: Tja.


Ed en Willem Waanders

‘Sommige mensen verkeren in de waan dat er iets te doen valt.’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat er niets te doen valt.’
‘Bedoel je dat iedereen in een waan verkeert?’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat iedereen in een waan verkeert.’
‘Bedoel je dat niet iedereen in een waan verkeert?’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat niet iedereen in een waan verkeert.’
‘Wat bedoel je dan?’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat ik iets bedoel.’
‘Bedoel je soms niets?’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat ik niets bedoel.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat ze het niet meer weten.’
‘Ben jij niet zo iemand?’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat ze iemand zijn.’
‘Bedoel je dat we niemand zijn?’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat er niemand is.’
‘En zo kunnen we maar doorgaan.’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat er geen einde aan komt.’
‘Maar alles is vergankelijk natuurlijk.’
‘Sommige mensen verkeren in de waan dat alles voorbij gaat.’
‘Wat is nou de waan; dat er iets te doen valt of dat er niets te doen valt?’
‘Dat je daartussen moet kiezen?


Nomen nescio

Sereen is hij die het leven aanvaardt.
Rusteloos is hij die het leven afwijst.
Maar hoe noemen we hem die het leven niet kent?
Die niet weet of er eigenlijk wel zoiets is als ‘het leven’ en die het ook niet meer kan schelen?
Die niet weet of hij iemand is of niemand of iemand en niemand of iemand noch niemand of wat dan ook?
Die nu eens dit denkt, dan weer dat?
Die zijn gedachten niet gelooft, zelfs niet de gedachte dat hij zijn gedachten niet gelooft?
Hoe noemen we hem op wie de woorden ‘hem’, ‘sereen’ en ‘rusteloos’ helemaal niet meer van toepassing zijn?