Georges Bataille

‘Wij worden alleen dan volkomen blootgelegd wanneer wij zonder oplichterij naar het onbekende gaan.’ Citaten van Georges Bataille.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Georges Bataille

Tip: Postmodernisme


Inleiding: een atheoloog

Wil een historicus recht doen aan de herkomst van het boeddhisme dan kan hij een boeddhist omschrijven als een hindoeïst zonder Atman.
Wil een biograaf recht doen aan de bestemming van schrijver, dichter, filosoof en surrealist Georges Bataille (1897-1962) dan kan hij hem omschrijven als een moralist zonder moraal, een boeddhist zonder Boeddha of een mysticus zonder God.

Hoewel Bataille weinig ophad met het woord mystiek en liever sprak van ‘een innerlijke ervaring’, zag hij zichzelf toch als een erfgenaam van de ‘mystieke theologie, die echter afgesneden was van een God en schoon schip maakt’.
Een mysticus in christelijke zin was hij niet, en ook geen theoloog, orthodox of anderszins, maar wel zoals hij zelf graag zei een ‘atheoloog’.
De atheologie heeft ‘alleen het onbekende als object’.
Volgens Bataille, die zich liet inspireren door Maurice Blanchot, is de grondslag van elk spiritueel leven dat het ‘slechts:

  • zijn beginsel en doel kan hebben in de afwezigheid van heil, in het afzien van elke hoop,
  • de innerlijke ervaring kan affirmeren als autoriteit (maar elke autoriteit moet voor zichzelf boeten),
  • aanvechting van zichzelf en niet-weten kan zijn.’

Deze ‘grondslag’ doet denken aan de ‘grondslag’ van het zenboeddhisme, met name soto, waarin volgens Nico Tydeman iedere spirituele ambitie ‘tot op de draad versleten moet raken’.
Hij doet ook denken aan de ‘grondslag’, dat wil zeggen, de mokerslag van niet-weten, dat zelfs geen afgrond wil heten.
Om die reden zou je zowel zen als niet-weten atheologie kunnen noemen.
Maar een radicaal niet-weten heeft, in tegenstelling tot de innerlijke ervaring die het toch ook is, geen object, dus ook niet het onbekende; geen autoriteit, dus ook niet zichzelf; en geen beginsel of doel, dus ook niet de afwezigheid van heil en het afzien van hoop.
Daarom spreek ik liever van lege mystiek (leeg van God maar ook leeg van niet-God en zelfs van leegte ontledigd) of van mySstiek of van de lege leer of van groot ongeloof.
Nog liever zeg ik niets.

Bataille had zijn boek over atheologie, De innerlijke ervaring, samen met verwante geschriften van later datum willen bundelen tot een Atheologische Summa, La somme athéologique, maar het is er niet van gekomen.
Hoe atheologisch.
Wel zijn ze terug te vinden in zijn verzamelde werk, Oeuvres complètes, met name in de laatste twee delen.

Hieronder een aantal citaten uit De innerlijke ervaring, Georges Bataille, 1954, vertaald door Laurens ten Kate en Wim Kuijt, Uitgeverij Gooi en Sticht bv, Hilversum, 1989; en aan het eind nog een paar fragmenten uit de bloemlezing The Unfinished System of Nonknowledge van Stuart Kendall (2004).

bataille-innerlije-ervaring


dwaalgids mystiek, dwaalgids filosofie


Een nieuw raadsel

Dit boek is het relaas van een wanhoop. Deze wereld wordt de mens gegeven als een raadsel om op te lossen. Heel mijn leven – zijn wonderlijke, wanordelijke momenten als ook mijn zwaarwichtige meditaties – is heengegaan met het oplossen van het raadsel. Ik ben werkelijk tot de bodem van de problemen gegaan, hun nieuwheid en omvang maakten me geestdriftig. Binnengetreden in onvermoede streken heb ik gezien wat nog nooit een oog gezien had. Niets is bedwelmender: de lach en de rede, de afschuw en het licht doorgrondelijk geworden… er was niets waar ik geen weet van had, niets dat niet voor mijn koorts toegankelijk was. […] Ik ondervond er een gevoel van triomf door: misschien ongewettigd, voorbarig?… Het lijkt me niet. Wat mij overkwam, voelde al snel als een last. Mijn taak te hebben volbracht, dat schokte mijn zenuwen: mijn onwetendheid betrof onbeduidende punten, geen raadsels meer om op te lossen! Alles stortte ineen! Ik ontwaakte oog in oog met een nieuw raadsel, en dat, ik wist het direct, was onoplosbaar: dit raadsel was zelfs zo bitter, het liet me in een zo verpletterende machteloosheid, dat ik het onderging zoals God, indien hij is, het zou ondergaan. (23)


Alles in twijfel trekken

Onder innerlijke ervaring versta ik wat men gewoonlijk mystieke ervaring noemt: de toestanden van extase, van verrukking, in ieder geval van bezonnen emotie. Maar ik denk minder aan de confessionele ervaring, waartoe men zich tot nu toe heeft moeten beperken, dan aan een naakte ervaring, zelfs in oorsprong vrij van bindingen met welke confessie ook. Om die reden houd ik niet van het woord mystiek.

Evenmin houd ik van enge definities. De innerlijke ervaring beantwoordt aan de noodzaak waarin ik me bevind – het menselijk bestaan met mij –, alles in twijfel te trekken (tot vraag te maken), zonder dat er een rustpauze wordt geduld. Deze noodzaak speelde ondanks de geloofsovertuigingen al mee, maar haar consequenties zijn des te omvattender naarmate men deze overtuigingen niet heeft. De dogmatische vooronderstellingen stelden onterechte grenzen aan de ervaring: hij die al weet, kan een bekende horizon niet overschrijden. (27)


Geboren uit het niet-weten

Ik wilde dat de ervaring daartoe zou leiden waarheen zij voerde, haar niet naar een vooropgezet doel voeren. En ik zeg meteen dat zij naar geen enkele vluchthaven voert (doch naar een oord van verbijstering, van onzin). Ik wilde dat het niet-weten er de grondslag van vormde – waarmee ik met vinniger nauwgezetheid een methode volgde waarin de christenen uitblonken (zij volgden die weg voor zover het dogma dat toestond). Maar deze ervaring, geboren uit het niet-weten, blijft zich daar zonder twijfel in ophouden. Zij is niet onuitsprekelijk, men verraadt haar niet door over haar te spreken, maar de antwoorden op de vragen van de kennis, voor zover de geest deze nog bezat, onttrekt zij zelfs aan hem. De ervaring openbaart niets en kan geen geloof stichten, noch eruit voortkomen. (27)


Op de proef stellen

De ervaring is het tot vraag maken (op de proef stellen), in koorts en angst, van wat een mens weet van het feit dat hij is. Welk begrip hij in deze koorts ook moge ontvangen, hij kan niet zeggen: “Dit heb ik gezien, wat ik zag is zo”; hij kan niet zeggen: “Ik heb God gezien, het absolute of de grond der werelden”, en God, het absolute, de grond der werelden zijn niets indien ze geen categorieën van het verstaan zijn. (28)


Het onvoorstelbare onbekende

Wanneer ik stellig zou beweren: “Ik heb God gezien”, zou wat ik zie veranderen. In plaats van het onvoorstelbare onbekende – tegenover mij in woeste vrijheid, mij woest en vrij tegenover zich latend – zou er een dood voorwerp zijn: de zaak van de theoloog – waaraan het onbekende onderworpen zou zijn, want in het geval van God is het duistere onbekende dat door de extase geopenbaard wordt, eraan onderworpen, mij te onderwerpen (het feit dat een theoloog naderhand het gevestigde kader doet springen, betekent eenvoudig dat het kader niet van nut is; het is voor de ervaring slechts een te verwerpen vooronderstelling). (28)


Een duisterder voorstelling

Ten aanzien van de ‘visioenen’, de ‘stemmen’ en de andere ‘vertroostingen’, gemeengoed in de extase, getuigt de heilige Johannes van het Kruis zo niet van vijandigheid, dan toch van terughoudendheid. De ervaring heeft voor hem alleen zin in het begrip van een God zonder vorm en zijnswijze. De heilige Teresa kende zelf uiteindelijk alleen waarde toe aan het ‘intellectuele visioen’. Zo zie ik het begrip van God, ook zonder vorm en zijnswijze (zijn ‘intellectuele’ en niet tastbare visioen), als een moment van stilhouden in de beweging die ons naar een duisterder voorstelling van het onbekende voert: van een aanwezigheid die in niets meer verschilt van een afwezigheid. (29)


Het onbekende

God onderscheidt zich van het onbekende doordat een diepe emotie, komend vanuit de diepten van de kindertijd, zich dadelijk in ons aan zijn evocatie bindt. Het onbekende daarentegen laat koud, laat zich niet beminnen, als het niet eerst als een woeste wind alle dingen in ons omverwerpt. (29)


Ontbonden beelden

Wanneer de poëzie het vreemde invoert, doet ze dat met behulp van het vertrouwde. Het poëtische is het vertrouwde dat zich ontbindt in het vreemde en wijzelf gaan mee. Het ontgaat ons nooit geheel en al, want de woorden, de ontbonden beelden zijn geladen met al eerder ondervonden emoties, verklonken met voorwerpen die ze aan het bekende binden. (29)


Een dunne draad

Het goddelijke of poëtische begrip is van dezelfde orde als de ijdele verschijningen van de heiligen, voor zover het ons nog in staat stelt, ons toe te eigenen wat aan ons voorbijgaat, en, zonder het te grijpen als een tastbaar goed, het tenminste aan ons te binden, te verbinden met wat ons al had geraakt. Op deze manier sterven wij niet helemaal: een ongetwijfeld dunne draad, maar een draad verbindt het begrepene met mij (al had ik het naïeve besef verbrijzeld, God blijft het wezen wiens rol door de Kerk is bepaald).


Naar het onbekende

Wij worden alleen dan volkomen blootgelegd wanneer wij zonder oplichterij naar het onbekende gaan. Het onbekende deel geeft aan de ervaring van God – of van het poëtische – haar grote autoriteit. Maar uiteindelijk eist het onbekende de alleenheerschappij op. (29)


Een vraagteken achter jezelf

Ervaring noem ik een reis naar het einde van het menselijk mogelijke. Niemand hoeft deze reis te maken, maar als men het doet, veronderstelt dat een ontkenning van de autoriteiten, de bestaande waarden die het mogelijk begrenzen. Doordat zij ontkenning van andere waarden, andere autoriteiten is, wordt de ervaring, die immers een positief bestaan heeft, zelf op positieve wijze de waarde en de autoriteit. (De paradox in de autoriteit van de ervaring: gebaseerd op het vraagteken, zet zij een vraagteken achter de autoriteit; positief vraagteken, want de autoriteit van de mens kan omschreven worden als een vraagteken achter zichzelf.) (31)


Schoon schip

De ervaring bereikt uiteindelijk de versmelting van het object en het subject, is als subject niet-weten en als object het onbekende. Daarop kan ze de intellectuele bedrijvigheid laten stuk lopen: herhaalde mislukkingen dienen haar even goed als de uiteindelijke gedweeheid die men mag verwachten. Wanneer dat is bereikt als een uiterst mogelijke, spreekt het vanzelf dat de filosofie in eigenlijke zin is opgeslokt, dat zij zich ontbindt, reeds losgemaakt van de eenvoudige poging tot een samenhang der kennis, zoals de wetenschapsfilosofie is. En zich ontbindend in deze nieuwe manier van denken, is zij slechts de erfgename van een fabuleuze mystieke theologie, die echter afgesneden is van een God en schoon schip maakt. (33)


De uitvluchten aanvechten

Het dramatische is niet: zich bevinden in deze of gene toestand, die altijd een positieve toestand is (zoals bijna verloren zijn, gered kunnen worden). Het is eenvoudigweg: zijn. Wanneer wij dit zien, doen we niets anders dan met volharding de uitvluchten aanvechten, waarmee wij gewoonlijk ontkomen. Geen sprake meer van heil: dat is de meest walgelijke uitvlucht. Het probleem – dat de aanvechting in naam van een autoriteit moet gebeuren – wordt als volgt opgelost: ik vecht aan in naam van de aanvechting die de ervaring zelf is (de wil tot het einde van het mogelijke te gaan). De ervaring, haar autoriteit, haar methode, onderscheiden zich niet van de aanvechting. (36)


Het onhoudbare niet-weten

Ik had kunnen denken: de waarde, de autoriteit, dat is de extase; de innerlijke ervaring is de extase, de extase schijnt de communicatie te zijn die zich tegenover de ineenschrompeling stelt waarvan ik sprak. Dan had ik geweten en gevonden (er is een tijd geweest dat ik dacht te weten, gevonden te hebben). Maar we bereiken de extase door het weten aan te vechten. Als ik stilhoud bij de extase en me er meester van maak, zal ik haar uiteindelijk definiëren. Maar niets kan weerstand bieden aan de aanvechting van het weten en aan het eind heb ik gezien dat men door het idee zelf van communicatie naakt achterblijft, niets wetend. Wat zij ook is, bij gebrek aan een positieve openbaring, in mij tot het uiterste aanwezig, kan ik de extase noch bestaansreden noch doel geven. Ik verblijf in het onhoudbare niet-weten, dat geen andere uitweg kent dat de extase zelf. (36)


Staat van naaktheid

Staat van naaktheid, van een onverhoorde smeekbede, waarin ik dit evenwel opmerk: hij heeft te maken met het ontwijken van uitvluchten. Dat houdt in: terwijl elke afzonderlijke kennis als zodanig blijft en alleen de grond, hun fundament wegzakt, begrijp ik terwijl ik ten onder ga, dat de enige waarheid van de mens, eindelijk doorzien, bestaat in een onverhoorde smeekbede. (37)


Deze moerassen

Zonder twijfel neig ik meer dan Nietzsche naar de nacht van het niet-weten. Hij verwijlt niet bij deze moerassen, waar ik, al verder wegzinkend, mijn tijd doorbreng. Maar ik aarzel niet langer: Nietzsche zou zelfs niet begrepen worden, indien men niet tot deze diepte zou gaan. (52)


Ben ik ontwaakt?

Wij kunnen niet oneindig zijn wat we zijn: woorden die elkaar teniet doen en tegelijkertijd onwrikbare balkjes die zich de onderbouw van de wereld wanen. Ben ik ontwaakt? Ik betwijfel het en zou kunnen huilen. Zou ik de eerste op aarde zijn die voelt dat de menselijke machteloosheid mij waanzinnig maakt? (60)


Plotseling onbekend

Blikken waarin ik de afgelegde weg gadesla. – Vijftien jaar geleden (misschien iets meer) keerde ik laat in de nacht naar huis terug, ik weet niet waarvandaan. De rue de Rennes was verlaten. Komend van St. Germain stak ik de rue du Four over (aan de kant van het postkantoor). Ik hield een geopende paraplu in de hand en ik geloof dat het niet regende. (Maar ik had niet gedronken: ik zeg het, ik ben er zeker van.) Ik had die paraplu zonder noodzaak geopend (behalve die waarvan ik verderop spreek). Ik was toen heel jong, chaotisch en vol lege opwinding: een rondedans van ideeën, ongepast, duizelingwekkend, maar toch al vol zorgen, onverbiddelijk, als een kruisiging, verbreidde zich… In deze schipbreuk van de rede waren de angst, het eenzaam verval, de lafheid, het lage allooi in hun element: een eindje verder begon het feest opnieuw. Zeker is: deze ongedwongenheid en het daarmee botsende ‘onmogelijke’ braken op hetzelfde moment in mijn hoofd los. Een ruimte, bezaaid met lachsalvo’s opende haar duistere afgrond voor mij. Bij het oversteken van de rue du Four werd ik in dit ‘niets’ onbekend, plotseling… ik ontkende die grijze muren die me insloten, ik stortte me in een soort verrukking. Ik lachte goddelijk: de paraplu was over mijn hoofd gezakt en bedekte me (met opzet bedekte ik me met die zwarte lijkwade). Ik lachte zoals misschien nog nooit iemand heeft gelachen, de laatste grond van iedere ding opende zich, blootgelegd, alsof ik dood was. (60)


Wie er niet aan sterft

De twijfel beangstigt me onafgebroken. Wat betekent de verlichting? Van welke aard ze dan ook is? Zelfs als de schittering van de zon me innerlijk zou verblinden en verbranden? Een beetje meer of minder licht verandert niets; hoe dan ook, zonnig of niet, de mens is niets dan de mens: niets dan de mens zijn, daar niet buiten treden; dat is de verstikking, de drukkende onwetendheid, het onverdraaglijke.

“De angst omkeren in genoegen, is de kunst die ik onderwijs”, “verheerlijken”: de hele betekenis van dit boek. De wrangheid in mij, het ‘ongeluk’ is slechts voorwaarde. Maar de angst die omkeert in het genoegen is nog steeds de angst: het is niet het genoegen, noch de hoop, maar de angst die kwaad doet en misschien ontbindt. Wie er niet aan ‘sterft’ slechts mens te zijn, zal nooit anders dan mens zijn. (61)


Ontweken angst

Als iemand voor de angst uitkomt, moet hij het niets van zijn beweegredenen aantonen. Hij stelt zich een uitweg voor uit zijn smarten: als hij meer geld had, een vrouw, een ander leven… De onnozelheid van de angst is eindeloos. In plaats van tot de diepte van zijn angst te gaan, babbelt de angstige, hij verlaagt zich en vlucht. Toch was de angst zijn kans: hij was uitverkoren naar de maat van zijn voorgevoelens. Maar wat een modderpoel, indien hij zich onttrekt: hij lijdt evenzeer en vernedert zich, wordt dwaas, vals, oppervlakkig. De ontweken angst maakt van een mens een rusteloze Jezuïet, maar vruchteloos. (61)


In de eeuwige stilte

Beven, wanhopen in de kou van de eenzaamheid, in de eeuwige stilte van de mens (dwaasheid van elke zin, denkbeeldige antwoorden van de zinnen, slechts de onzinnige stilte van de nacht antwoordt). Het woord God, ervan gebruik gemaakt hebben om de grond van de eenzaamheid te bereiken, maar van zijn stem geen weet meer hebben, haar niet meer horen. Haar niet kennen. God, laatste woord dat inhoudt dat elk woord iets verder tekort zal schieten: je eigen welsprekendheid opmerken (zij is onvermijdelijk), erom lachen tot aan de onwetende afstomping (de lach hoeft niet meer te lachen, de traan niet meer te tranen). (63)


Absoluut niets

Bespottelijk! dat men zegt dat ik pantheïst, atheïst, theïst ben!… Maar ik schreeuw tot de hemel: “Ik weet niets”. En ik herhaal met een komische stem (soms schreeuw ik zo tot de hemel): “Niets, absoluut niets”. (63)


Zij die niet weten

Zij die niet weten dat hun de grond onder de voeten ontbreekt, die zich aan wijze stellingen houden, wanneer zij, als ze het wisten, plotseling teruggebracht zouden worden tot het absurde, tot het smeken. (68)


De afwezigen

Om de draagwijdte van de kennis te bevatten keer ik terug tot de oorsprong. Eerst een klein kind, in elk opzicht gelijkend op de waanzinnigen (afwezigen) met wie ik vandaag de dag speel. De piepkleine ‘afwezigen’ staan niet in contact met de wereld, behalve via het kanaal van de grote mensen: het resultaat van een tussenkomst van de grote mensen is de kinderachtigheid, een maaksel. Het wezen dat ter wereld komt, dat wij aanvankelijk zijn, brengen de grote mensen van een vanzelfsprekendheid terug tot een prul. Dit lijkt me van belang: dat de overgang van de natuurlijke staat (die van de geboorte) naar de redelijke staat noodzakelijk plaatsvindt langs de weg van de kinderachtigheid. Het is vreemd dat wij van onze kant het kind zelf verantwoordelijk verklaren voor de kinderachtigheid, die het eigen karakter van de kinderen zou uitdrukken. De kinderachtigheid is de staat waarin wij het naïeve wezen plaatsen, vanwege het feit dat wij het moeten sturen, dat wij het zelfs zonder duidelijke wil, sturen in de richting van het punt waar wij zijn. Wanneer wij lachen om de kinderlijke absurditeit, verhult de lach de schaamte die wij hebben, wanneer wij zien waartoe wij het leven bij het verlaten van het niets terugbrengen. (69)


Een tegendeel van vergissingen

De vergissing van de kinderen: er waarheden van de grote mensen op na te houden. Iedere waarheid bezit een overtuigende kracht, en waarom haar in twijfel trekken, maar zij mondt uit in een tegendeel van vergissingen. Het is een feit dat onze waarheden het kind allereerst binnenlaten in een reeks vergissingen, waardoor de kinderachtigheid gestalte krijgt. (69)


De bevrijding

De kinderachtigheid die zichzelf als zodanig kent, is de bevrijding, maar wanneer zij zich serieus neemt, zinkt ze weg. (71)


Algehele ontbloting

Tegen de hoogmoed. Het is mijn privilege vernederd te worden vanuit mijn diepe stomheid en zonder twijfel merk ik door de ander heen een nog groter stomheid op. Deze mate van ongevoeligheid maakt het stilstaan bij verschillen tot een vergeefse moeite. Wat ik meer heb dan de anderen; in mijzelf immense zalen vol afval, vol opsmuk aanschouwen; ik ben niet bezweken voor de ontzetting die de blikken gewoonlijk doet afwenden; terwijl ik een innerlijk failliet voelde, ben ik niet gevlucht, maar heb slechts in alle zwakte gepoogd mij aan de verandering te wijden, en vooral: ik ben er niet in geslaagd. Wat ik opmerk is de algehele ontbloting van de mens, met zijn diepe ongevoeligheid in het vooruitzicht, voorwaarde voor zijn zelfgenoegzaamheid. (75)


Het moment van niet-weten

De navolging van Jezus: volgens de heilige Johannes van het Kruis moeten wij in God (Jezus) het verval, de doodsstrijd, het moment van ‘niet-weten’, van het ‘lamma sabachtani’* navolgen; het christendom is, wanneer het tot de laatste druppel wordt leeg gedronken, afwezigheid van heil, wanhoop van God. Het raakt in zwijm op het punt dat het buiten adem aankomt bij zijn doelen. Gods doodsstrijd in de persoon van de mens is fataal, het is de afgrond waarin de duizelingwekkende verzoeking hem doet vallen. (75)

[*”Mijn God, mijn God waarom hebt gij mij verlaten?”, naar verluid de laatste woorden van Jezus aan het kruis; HvD]


Als een ziek kind

En bovenal ‘niets’, ik weet ‘niets’, ik kreun het als een ziek kind, wiens zorgzame moeder het voorhoofd vasthoudt (zijn mond geopend boven de waskom). Maar ik heb geen moeder, de mens heeft geen moeder, de waskom is de besterde hemel (in mijn arme kotsneigingen is het zo). (76)


Als een gek

Wat ik zie: de poëtische vaardigheid, de breedsprakige allure, het verbale plan, het vertoon en de val in het ergste: banaliteit, literatuur. Men bazuint rond dat men de mens gaat vernieuwen: men trekt hem een beetje meer in het oude spoor mee. IJdelheid! Dat is vlot gezegd (de ijdelheid is niet wat ze schijnt, zij is slechts voorwaarde voor een plan, voor een verwijzing van het bestaan naar later). Alleen een plan schenkt ijdele bevrediging; de bevrediging ontsnapt zodra men iets verwerkelijkt, men keert spoedig terug tot het niveau van het planmatige; zo vervalt men in een vluchtbeweging, zoals een beest in een eindeloze valstrik, op zekere dag sterft men als een gek. (77)


Niets wordt geopenbaard

Het vreemdst: het niet-weten zou een bekrachtiging zijn. Alsof ons van buitenaf werd gezegd: “Ziehier jezelf tenslotte”. De niet-weten-weg is de leegste van alle onzin. Ik zou kunnen zeggen: “Alles is volbracht.” Nee. Want eer ik kan veronderstellen dat ik het zeg, bemerk ik dadelijk dezelfde gesloten horizon als het ogenblik ervoor. Hoe meer ik voortga in het weten, zij het via de weg van het niet-weten, des te meer wordt dit laatste niet-weten zwaar, beangstigend. In feite wijd ik mij aan het niet-weten, dat is de communicatie, en zoals er communicatie is met de verduisterde wereld, tot een diepe afgrond gemaakt door het niet-weten, durf ik God uit te spreken: en op deze wijze is er een nieuw (mystiek) weten, maar ik kan niet stilhouden (ik kan niet – maar ik moet adem krijgen): “Als God eens wist”. En verder, steeds verder. God als de ram die voor Izaäk in de plaats kwam. Dat is geen offer meer. Verderop is het naakte offer, zonder ram, zonder Izaäk. Het offer is de waanzin, afzien van elk weten, de val in de leegte, en niets wordt noch in de val noch in de leegte geopenbaard, want de openbaring van de leegte is alleen een middel om nog eerder in de afwezigheid te vallen. (80)


Het niet-weten ontbloot

Deze stelling is het toppunt, maar moet als volgt verstaan worden: ontbloot, ik zie dus wat het weten tot nog toe verborg, maar indien ik zie, weet ik. In feite weet ik, maar wat ik heb geweten, wordt door het niet-weten ontbloot. Als de onzin de zin is, dan verliest zich de zin die de onzin is en wordt weer tot onzin (zonder de mogelijkheid stil te houden). (80)


Verrukking

Ik wil nogmaals het schema geven van de ervaring die ik zuivere ervaring noem. Allereerst bereik ik het uiterste van het weten […]. Ik weet aldus dat ik niets weet. Als ipse [zelf, mijzelf; HvD] heb ik (via het weten) alles willen zijn en zo val ik weg in de angst: de aanleiding voor deze angst is mijn niet-weten, de onzin zonder redmiddel (hier onderdrukt het niet-weten niet de bijzondere kennis, maar haar zin, het neemt haar hele zin weg). Naderhand kan ik weten wat de angst is waarvan ik spreek. […] Naarmate het ipse volhardt in zijn wil tot weten, in zijn wil ipse te zijn, duurt de angst voort, maar indien het ipse zich tezamen met het weten overgeeft, indien het zich in deze overgave wijdt aan het niet-weten, begint de verrukking. In de verrukking hervindt mijn bestaan een zin, maar de zin verwijst dadelijk naar het ipse, wordt mijn verrukking, een verrukking die ik als ipse bezit, daarbij bevrediging schenkend aan mijn wil alles te zijn. Zodra ik daarin terugkeer houd de communicatie, mijn zelfverlies op, ben ik opgehouden mij over te geven, ik blijf daar, maar met een nieuw weten. De beweging begint van hier af opnieuw; dit nieuwe weten kan ik uitwerken (dat heb ik zojuist gedaan). (82)


Niet meer dan een vorm van kennis

Als het niet-weten bereikt wordt, is het absolute weten niet meer dan een vorm van kennis te midden van andere. (84)


Waar ga ik heen?

Is het noodzaak? Is het zuchten? Ik weet het niet meer. Waar ga ik heen? in welke richting begeeft zich deze wolk van gedachten, kleurloos, ik stel mij voor dat zij lijkt op het plotselinge bloed in een verwonde keel. (84)


Bezwijming zonder einde

Mijn moeilijkheid: totaal verlies van zekerheid, het verschil tussen een gebeeldhouwd object en de mist (gewoonlijk stellen we ons voor dat het verschrikkelijk is). Als ik de vreugde zou uitdrukken, zou ik tekort schieten: de vreugde die ik heb verschilt van andere vreugde. Ik ben eerlijk wanneer ik spreek van een fiasco, bezwijming zonder einde, afwezigheid van hoop. Toch… fiasco, bezwijming, wanhoop zijn in mijn ogen licht, blootstelling, luister. Daartegenover: dodelijke onverschilligheid – voor wat nog van belang is, opeenvolging van personages zonder vervolg, dissonanties, chaos. Als ik nog eens over evenwicht, euforie, macht spreek, zal men het alleen kunnen begrijpen op voorwaarde dat men (reeds) op mij lijkt. (84)


Ik zoek een barst

Ik wil niet meer, ik zucht,
mijn gevangenis
kan ik niet meer lijden.
Ik zeg dit
bitter:
woorden die mij verstikken,
laat me,
laat me los,
ik dorst
naar iets anders.
Ik wil de dood
deze heerschappij der woorden
niet aanvaarden,
aaneenschakeling
zonder vrees,
zo dat de vrees
begerenswaardig is;
het is niets
dit ik dat ik ben
slechts
laffe erkenning
van wat is.
Ik haat
dit instrumentele leven,
ik zoek een barst
mijn barst,
om gebroken te worden.
Ik houd van regen,
bliksem,
modder,
een wijde watervlakte,
het diepste der aarde,
maar niet van mij.
In het diepst der aarde,
o mijn tombe,
verlos mij van mij,
ik wil het niet meer zijn.
(86)


Een onverschilligheid voor de zekerheid

De hemel tussen de muren van een spookachtig grijs, het halfdonker, de vochtige onzekerheid van de ruimte, precies op het betreffende tijdstip: de godheid had toen een onzinnige aanwezigheid, doof, verlichtend tot aan de roes. Mijn lichaam had zijn snelle gang niet onderbroken, maar de extase deed zijn spieren licht verkrampen. Geen enkele onzekerheid ditmaal, maar een onverschilligheid voor de zekerheid. Ik schrijf ‘godheid’ zonder iets te willen weten, zonder iets te weten. Op een ander moment was mijn onwetendheid de afgrond waar ik boven hing. (88)


De schijn van een weten

Elk verdiept weten is zwaar van onmogelijkheid. De intentie, het plan vernietigen. Toch heb ik geweten dat ik niets wist en ziehier mijn geheim: “het niet-weten deelt de extase mede”. Het bestaan is sindsdien opnieuw begonnen, banaal en gegrond op de schijn van een weten. Ik wilde het ontvluchten, zei tot mezelf: dit weten is vals, ik weet niets, absoluut niets. Maar ik wist: “het niet-weten deelt de extase mede”, en ik had geen angst meer. Opgesloten heb ik geleefd (ellendig). (88)


Het vertoog breken

De uitweg? het is mij voldoende haar te zoeken: ik val terug, inert, meelijwekkend: een uitweg uit de planmatigheid, uit de wil tot een uitweg! Want het plan is de gevangenis waaruit ik wil ontsnappen (het plan, het discursieve bestaan): ik heb het plan opgevat om te ontsnappen uit het planmatige! En ik weet dat het voldoende is het vertoog in mij te breken, vanaf dat ogenblik is de extase er; alleen het vertoog verwijdert mij van haar, de extase die door het discursieve denken wordt verraden wanneer het haar weergeeft als uitweg, wordt verraden wanneer het haar weergeeft als afwezigheid van een uitweg. (88)


De ondoorgrondelijke hemel

Oneindige overschrijding in het vergeten, de extase, de onverschilligheid, voor mezelf, voor dit boek: ik zie wat het vertoog nooit heeft bereikt. Als een gapende bres sta ik open voor de ondoorgrondelijke hemel en alles in mij haast zich, stemt overeen in een laatste ontstemd zijn, al wat mogelijk is wordt uiteengebroken, gewelddadige kus, schaking, verlies in de volledige afwezigheid van het mogelijke, in de ondoorzichtige en dode nacht, een licht soms, niet minder onkenbaar, verblindend, als de bodem van het hart. (89)


Geen antwoord

En vooral geen object meer. De extase is geen liefde: de liefde is bezit waarvoor een object noodzakelijk is, dat tegelijk bezitter is van het subject en erdoor bezeten wordt. Er is geen subject-object meer, maar ‘gapende bres’ tussen deze beide en in de bres worden het subject en het object ontbonden, er is sprake van doorgang, communicatie, maar niet van het één naar het ander: het één en het ander hebben het onderscheiden bestaan verloren. De vragen van het subject, zijn wil tot weten, worden onderdrukt: het subject is er niet meer, zijn bevraging heeft noch zin noch beginsel waardoor zij kan worden ingevoerd. Zo blijft er geen enkel mogelijk antwoord over. Het antwoord zou moeten luiden: “zodanig is het object”, terwijl er geen sprake meer is van een onderscheiden object. (89)


De toegang tot het onbekende

Het leven zal zich in de dood verliezen, de rivieren in de zee en het bekende in het onbekende. Kennis vormt de toegang tot het onbekende. De onzin is de uitkomst van elke mogelijke zin. (135)


De lach van het onbekende

Het is een uitputtende dwaasheid te veronderstellen dat daar waar zichtbaar alle mogelijkheden ontbreken, men toch voorgeeft te weten, in plaats van zijn onwetendheid te kennen, het onbekende te erkennen, maar droeviger is de kwaal van hen die, als ze geen middelen meer hebben, ervoor uitkomen dat ze niet weten, maar zich desondanks stompzinnig verschansen in wat zij weten. Hoe dan ook, een mens kan niet voortdurend met de gedachte van het onbekende leven, en dat maakt het des te twijfelachtiger dat het verstand gulzig, doch blind in de dingen dat deel wil vinden waardoor het verplicht wordt een onbedaarlijke lach lief te hebben, de lach van het onbekende, die hem dooreenschudt. Maar zo is het ook met het licht: de ogen ontvangen slechts zijn weerspiegeling. (135)


De atheologie

Buiten de aantekeningen voor dit boek kende ik slechts Thomas l’obscur [van Maurice Blanchot, HvD] waarin, zij het nog verborgen, de vragen van de nieuwe theologie sluimeren (die alleen het onbekende als object heeft). Geheel onafhankelijk van zijn boek, mondeling, op zo’n manier evenwel dat hij het gevoel voor terughoudendheid volledig respecteerde, dat verlangt dat ik dichtbij hem smacht naar stilte, heb ik hem de grondslag van elk ‘spiritueel’ leven horen opstellen, dat slechts:
– zijn beginsel en doel kan hebben in de afwezigheid van heil, in het afzien van elke hoop,
– de innerlijke ervaring kan affirmeren als autoriteit (maar elke autoriteit moet voor zichzelf boeten),
– aanvechting van zichzelf en niet-weten kan zijn. (136)


Zoals Hij niet kent

God vindt nergens rust in en is nooit verzadigd. Elk bestaan wordt bedreigd, bevindt zich reeds in het niets van Zijn onverzadigbaarheid. En evenmin als Hij tot rust kan komen, kan God weten (het weten is rust). Hij is onwetend zoals hij dorst heeft. En zoals Hij niet kent, ontkent Hij Zichzelf. Als hij zich aan Zichzelf zou openbaren, zou Hij zich als God moeten herkennen, maar Hij kan dat zelfs geen ogenblik toestaan. (137)


Niets houdt stil

Het was zinloos tegenover de vlucht van losbrekende gedachten – belust op verre mogelijkheden – een verlangen naar rust te stellen. Niets houdt stil, hoogstens voor even. Petrus wilde op de berg Tabor tenten opslaan teneinde angstvallig aan het goddelijk licht een onderdak te geven. Dorstend naar een stralende vrede leidde zijn weg niettemin al naar Golgota (naar de trieste wind, naar de uitputting van het lema sabachtani). (137)


Onverstaanbaar

Ieder van ons kan gemakkelijk inzien dat deze wetenschap waar hij trots op is, zelfs compleet met de antwoorden op alle vragen die ze volgens de regels kan opstellen, ons uiteindelijk in het niet-weten zou achterlaten; dat het bestaan van de wereld op geen enkele wijze kan ophouden onverstaanbaar te zijn. Geen enkele verklaring van de wetenschappen (noch, algemener, van de discursieve kennis) zou daar iets aan kunnen verhelpen. Zonder twijfel laten de vaardigheden die ons gegeven werden om dit of dat van alle kanten te begrijpen en talrijke oplossingen voor verschillende problemen aan te dragen, de indruk achter het begripsvermogen in ons ontwikkeld te hebben. Maar deze geest van aanvechting, die de kwelgeest van Descartes was, staat, als hij ons op onze beurt bezielt, niet langer stil bij ondergeschikte zaken: het gaat er voortaan minder om of de gangbare stellingen goed of slecht gefundeerd zijn, dan om te beslissen of de oneindige behoefte tot weten die besloten ligt in de oorspronkelijke intuïtie van Descartes, bevredigd zou kunnen worden wanneer de best begrepen stellingen eenmaal vastgelegd zijn. Anders gezegd, de geest van aanvechting komt er nu toe de laatste affirmatie te formuleren: “Ik weet slechts één ding, dat een mens nooit iets zal weten”. (140)


Onherroepelijk niet-weten

Kennen wil zeggen: in verband brengen met het bekende, vatten dat een onbekend ding hetzelfde is als een ander, bekend ding. Dit veronderstelt ofwel een stevige grond waar alles op rust (Descartes), ofwel de circulariteit van het weten (Hegel). In het eerste geval, als de grond wegzinkt…; in het tweede geval, zelfs als men ervan verzekerd is een goed gesloten cirkel te hebben, bemerkt men het onbevredigende karakter van het weten. De oneindige keten van bekende dingen is voor de kennis slechts zelfvoltooiing. De bevrediging berust op het feit dat een project van het weten, dat bestond, daarmee aan zijn einde gekomen is, volbracht is, op het feit dat er niets meer te ontdekken valt (tenminste niets belangrijks). Maar dit circulaire denken is dialectisch. Het brengt de uiteindelijke tegenspraak met zich mee (die de hele cirkel treft): het absolute, circulaire weten is onherroepelijk niet-weten. Verondersteld dat ik het inderdaad bereik, weet ik dat ik nu niets meer zou weten dan ik al weet. (143)


Een uiterste verscheuring

Als ik het absolute weten ‘mimeer’, ben ik hierin noodzakelijk God zelf (binnen het systeem kan er, zelfs in God, geen kennis bestaan die aan gene zijde van het absolute weten ligt). Het denken van dit ikzelf – van het ipse – kon slechts absoluut worden door alles te worden. De Fenomenologie van de Geest [van Hegel, HvD] vormt twee essentiële bewegingen die een cirkel voltooien: dat is de geleidelijke voltooiing van het zelfbewustzijn (van het menselijke ipse), het ipse wordt alles (wordt God) en daardoor wordt het weten voltooid (vernietigt het in zich de bijzonderheid en voltooit het zo de ontkenning van zichzelf, wordt het tot het absolute weten). Maar indien ik op deze wijze, als door besmetting en mime, in mij de circulaire beweging van Hegel volbreng, definieer ik, aan gene zijde van de bereikte grenzen, niet meer iets onbekends, maar iets onkenbaars. Onkenbaar, niet vanwege de ontoereikendheid van de rede, maar door haar natuur (en men zou zich in Hegel’s ogen zelfs geen zorg hoeven te dragen voor dit ‘aan gene zijde’, behalve wanneer men het absolute weten niet zou bezitten…). Verondersteld dat ik op deze wijze God ben, dat ik in de wereld ben terwijl ik de verzekering van Hegel heb (terwijl ik het donker en de twijfel onderdruk), verondersteld dat ik alles weet, zelfs waarom de voltooide kennis vereiste dat de mens, de ontelbare bijzonderheden der ‘ikken’, en de geschiedenis ontstaan, juist op dat moment stelt zich de vraag die het menselijke, goddelijke bestaan doet binnentreden… het verst doorgedrongen in de onomkeerbare duisternis; waarom moet wat ik weet, er zijn? Waarom is dit een noodzaak? In deze vraag ligt een uiterste verscheuring verborgen – ze wordt niet van meet af aan duidelijk -, die zo diep gaat dat alleen de stilte van de extase eraan beantwoordt. (143)


Een blinde vlek

In het verstand bevindt zich een blinde vlek: deze herinnert aan de structuur van het oog. Zowel in het verstand als in het oog kan men deze slechts moeilijk aan het licht brengen. Maar terwijl de blinde vlek van het oog zonder gevolgen blijft, wil het verstand van nature dat zijn blinde vlek meer betekenis heeft dan het verstand zelf. Voor zover het verstand hulpmiddel is voor het handelen, is de vlek evenzeer te verwaarlozen als bij het oog. Maar voor zover men in het verstand de mens zelf in het vizier neemt, ik bedoel een verkenning van het mogelijke van het zijn, slokt de vlek de aandacht op: het is niet langer de vlek die zich in de kennis verliest, maar de kennis in haar. Zo sluit het bestaan de cirkel, maar het heeft dit niet gekund zonder de nacht in zich op te nemen, waar het slechts buiten kan treden om ernaar terug te keren. Zoals het van het onbekende naar het bekende ging, moet het op het toppunt omkeren en naar het onbekende terugkomen. (145)


De circulaire onrust

Het handelen introduceert het bekende (het gefabriceerde), daarna brengt het verstand, dat met het handelen verbonden is, de niet gefabriceerde, onbekende elementen één voor één met het bekende naar het onbekende. Het bestaan brengt uiteindelijk de blinde vlek van het verstand aan het licht en wordt er onmiddellijk volledig door opgeslokt. Het zou slechts anders kunnen gaan indien zich ergens een mogelijk rustpunt zou aandienen. Maar niets daarvan: het enige wat blijft, is de circulaire onrust – die zich in de extase niet uitput en vanuit haar opnieuw begint. (145)


Zonder weerwoord

Allerlaatste mogelijkheid. Dat het niet-weten nog steeds weten zou zijn. Ik zou de nacht verkennen! Maar nee, het is de nacht die mij verkent… De dood lest de dorst naar het niet-weten. Maar afwezigheid is nog geen rust. Afwezigheid en dood zijn in mij zonder weerwoord en slokken me op, wreed en zeker. (146)


Laatste onbekende

Het ipse en het geheel zinken beide weg onder de aanslagen van het discursieve verstand (dat onderwerpt); alleen de middenweg kan men in zich opnemen. Maar in zijn redeloosheid kan het trotse ipse, zonder dat het zich moet vernederen, terwijl het de middenweg naar het duister verwijst, in het enkel en onverhoeds opgeven van zichzelf (als ipse) de redeloosheid van het geheel bereiken (in dit geval is kennis nog bemiddeling – tussen mij en de wereld – maar negatief: het is de verwerping van de kennis, de nacht, de vernietiging van elke middenweg, die deze negatieve bemiddeling schragen). Maar het geheel wordt in dit geval slechts voorlopig het geheel genoemd; het ipse dat zich in het geheel verliest, gaat in zijn richting als naar iets dat tegengesteld is (een tegendeel), maar het gaat niet minder van het onbekende naar het onbekende, en er is zonder twijfel strikt genomen nog kennis wanneer het ipse zich van het geheel onderscheidt, maar als het zichzelf opgeeft, vindt er versmelting plaats: in de versmelting blijven noch het ipse noch het geheel voortbestaan, het is de vernietiging van alles wat niet ‘laatste onbekende’ is, de afgrond waarin men onder is gegaan. (150)


Als in een gat

Voor wie onbekend is met de ervaring is het voorgaande duister – maar het is ook niet voor hem bestemd (ik schrijf voor degene die, wanneer hij in mijn boek binnentreedt, erin zou vallen als in een gat, en er niet meer uit zou komen). (151)


Ruïneren

Ik nam mijn toevlucht tot schokkende beelden. In het bijzonder staarde ik naar het fotografisch beeld – of soms ook naar de herinnering die ik ervan heb – van een Chinees die tijdens mijn leven gemarteld moet zijn. Van deze marteling had ik vroeger een reeks opeenvolgende opnamen. Aan het einde kronkelde de ter dood veroordeelde, de borst gevild, armen en benen afgesneden bij elleboog en knie. De haren rechtopstaand op het hoofd, afzichtelijk, verwilderd, vol bloedige strepen, mooi als een wesp. (155)

[…]

Van de jonge en verleidelijke Chinees waarover ik sprak, uitgeleverd aan de wet van de beul, hield ik met een liefde waarin het sadistisch instinct geen rol speelde: hij deelde mij zijn pijn mee of veeleer zijn overmaat aan pijn, en dat was juist wat ik zocht, niet om ervan te genieten maar om dat in mij te ruïneren wat zich tegen de ruïne verzet. (156)


De nacht op wie ik wachtte

Plotseling weet ik, bespeur ik het zonder te schreeuwen, het is geen object, DE NACHT, HIJ is het op wie ik wachtte! Als ik het object niet gezocht had, had ik hem nooit gevonden. Het was noodzakelijk dat het bespiegelde object van mij een in scherven uiteengevallen spiegel zou maken, scherven die ik geworden was opdat de nacht zich uiteindelijk aan mijn dorst zou aanbieden. Als ik niet in ZIJN richting was gegaan, zoals de ogen naar het object van hun liefde gaan, als een hartstocht hem niet vol verwachting gezocht had, zou HIJ slechts de afwezigheid van licht zijn. (160)


Zelfs de duisternis niet

De nacht beschouwend, zie ik niets, heb ik niets lief. Ik blijf onbeweeglijk, verstijfd, opgeslokt door HEM. Ik kan mij een subliem landschap van verschrikking voorstellen, de aarde in een vulkaan geopend, de hemel vol vuur, of elk ander visioen dat de geest in ‘verrukking’ kan brengen; hoe mooi of schokkend hij ook is, de nacht gaat boven het beperkt mogelijke uit, en toch is HIJ niets, er is niets tastbaars in HEM, uiteindelijk zelfs de duisternis niet. In HEM vervaagt alles, maar, buiten de perken getreden, doorkruis ik een lege diepte, en de lege diepte doorkruist mij. In HEM communiceer ik met het ‘onbekende’ dat tegenover het ipse staat dat ik ben, ik word ipse, mijzelf onbekend, twee termen verwarren zich in een zelfde verscheuring, nauwelijks onderscheiden van een leegte – onmogelijk ervan te onderscheiden door iets wat ik kan vatten -, niettemin verschilt zij er meer van dan de kleurrijke wereld. (161)


Ongekende onwetendheid

Ik laat het aan God over zichzelf te ontkennen, zich te verfoeien, in de afwezigheid, in de dood te werpen wat hij aandurft, wat hij is. Wanneer ik God ben, ontken ik hem tot in de grond van de ontkenning. Als ik slechts mijzelf ben, ken ik hem niet. Voor zover in mij de heldere kennis voortbestaat, benoem ik hem zonder hem te kennen: Ik ken hem niet. Ik poog hem te kennen: dadelijk ben ik niet-weten, ben ik God, ongekende onwetendheid, onkenbaar. (168)


Overgeleverd

Als ik eerlijk, naïef over het onbekende dat me omringt, waar ik vandaan kom, waar ik heenga, zeg dat het van dien aard is dat ik van zijn nacht niets weet noch kan weten, denk ik dat niemand in een zo grote overeenstemming leeft met de zorg die dit onbekende eist, als ik, verondersteld dat het zich bemoeit met of zich ergert aan de wijze waarop men het ondervindt. Ik denk het, niet dat ik de behoefte zou hebben tot mezelf te zeggen: “Ik heb alles gedaan, nu kan ik uitrusten”, maar een zwaardere eis is ondraaglijk. Ik kan mij geenszins van het onbekende een beeld scheppen dat door mij bezeten wordt (ik heb een veronderstelling geopperd: zelfs als het waar is, blijft het absurd, maar tenslotte: ik weet niets), deze gedachte is naar mijn mening al godslasterlijk. Evenzo is het in aanwezigheid van het onbekende een godslastering, moreel te zijn (vol schaamte als een zondaar het onbekende te lokken). De moraal is de rem op de mens die ingevoegd is in een bekende orde (de gevolgen van zijn daden, die kent hij), het onbekende maakt deze rem onklaar, men wordt overgeleverd aan het rampzalige vervolg. (173)


Schijn van kennis

Ik heb slechts een verslapte aandacht voor de filosofieën van de tijd – die schijnbare antwoorden geven in de vorm van een analyse van de tijd. Ik vind het naïever te zeggen: voor zover de dingen die men als illusies kent niettemin de weerloze prooi zijn van de tijd, worden ze terugverwezen naar de duisternis van het onbekende. Niet alleen tast de tijd ze aan, vernietigt zij ze (de kennis zou ze desnoods een beetje kunnen volgen in de aantasting), maar het kwaad, dat in de dingen de tijd is, dat ze uit de hoogte beheerst, dat ze breekt, ontkent, is het onkenbare zelf, dat er op elk opeenvolgend moment in openbreekt, zoals het in ons openbreekt die het zouden leven als we ons niet zouden uitsloven het te ontvluchten in de valse schijn van de kennis. (174)


Het ontoegankelijke

Als de waarheid die een vrouw haar minnaar aanreikt het onbekende is (het ontoegankelijke), kan hij deze noch kennen noch bereiken, maar zij kan hem breken: als hij gebroken is, wat zal hijzelf worden behalve het onbekende, het ontoegankelijke dat in hem sluimert? Maar een dergelijk spel kunnen minnaar en minnares nooit meester worden noch vastleggen noch naar believen verduurzamen. Wat communiceert (ieder van hen doorboort de ander ermee) is het blinde deel dat niet kent noch gekend wordt. En zonder twijfel bestaan er geen geliefden die men niet bezig ziet hardnekkig de liefde te doden, haar trachten te beperken, zich haar toe te eigen, haar muren te geven. (177)


Onder het masker

Bekend zijn! hoe zou hij er geen weet van kunnen hebben dat hij het is, de onbekende, onder het masker van zomaar een mens. (190)


Ondergaan in de onzin

Als men tot het einde gaat moet men zichzelf uitwissen, de eenzaamheid, het moeilijk lijden dat zij brengt ondergaan, ervan afzien erkend te worden: daarbij als afwezig zijn, waanzinnig, willoos en hopeloos ondergaan, elders zijn. Het denken (vanwege datgene wat het diep in zich heeft) moet levend begraven worden. Ten overstaan van het zijn maak ik het openbaar terwijl ik weet dat het van te voren miskend zal worden. Zijn bedrijvigheid moet een einde nemen, verborgen blijven, of bijna eerloos, als een grijsaard in een hoek. Op dit punt kan ik, en het denken met mij, slechts ondergaan in de onzin. Het denken ruïneert en zijn verwoesting is niet aan de massa mede te delen, zij richt zich tot hen die het minst zwak zijn. (195)


In het duister laten

Wat in de lach verborgen is moet het blijven. Als onze kennis verder gaat opdat we dit verborgene kennen, moeten we het onbekende waardoor onze kennis verwoest wordt, deze nieuwe kennis die ons blind maakt, in het duister laten (waar we zijn), zodat de anderen naïeve blinden blijven. (195)


Dat ik niets moge weten

Wie ben ik
niet ‘ik’ nee nee
maar de woestijn de nacht de onmetelijkheid
die ik ben
wat is
woestijn onmetelijkheid domme nacht
vlug niets zonder weg terug
en zonder iets te hebben geweten
Dood
respons
spons druipend van droom
van zon
doorboor me
dat ik niets moge weten
dan deze tranen.
(202)


Wie aan de citaten uit De innerlijke ervaring niet genoeg heeft en de Engelse taal beheerst, kan zijn hart ophalen aan de bloemlezing The Unfinished System of Nonknowledge, teksten van Georges Bataille ingeleid en samengesteld door Stuart Kendall, vertaald door Michelle Kendall en Stuart Kendall, 2004.

Wie er dan nog niet genoeg van heeft en de Franse taal beheerst, kan zich begraven in de twaalfdelige Oeuvres complètes, die meer dan zevenduizend pagina’s beslaat.

Drie fragmenten uit The Unfinished System of Nonknowledge:


Er is geen sleutel

Onderzoeksprincipe, tasten:
Uitsluiting van al het niet-wetenschappelijke onderzoek, tegelijkertijd bewijs voor de begrensdheid van wetenschappelijk onderzoek… Voorbij deze grenzen, niets meer…
De grenzeloze vraag, de essentiële vraag stellen is onmogelijk. De onmogelijkheid om van een analytische benadering tot de essentiële vraag te komen. Zijn antwoorden op analytische vragen wel mogelijk, en zo ja, welke essentiële waarheid openbaren deze antwoorden? Waartoe leiden deze antwoorden? En waarom ben ik op dit papier, schrijvende, op zoek naar de sleutel? Ik stel me voor: er is geen sleutel, deze ontelbare waarheden waarmee de wetenschap het universum bevolkt heeft, betekenen niets voor me, tenzij als maat voor mijn verlangen om een specifiek probleem op te lossen. De sleutel zou me de betekenis geven van mijn waarheid, van een overheersende waarheid, in de menigte waarin zij verloren gaat. Wie ben ik? Anders dan deze terminale vraag (de terminale vraag) die samen met mij ten onder gaat in deze nacht. Steeds vernietig ik in mijzelf elk ontluikend antwoord en, dankzij mijn inspanningen, die tot geen enkel voorstelbaar resultaat kunnen leiden, zie ik alleen het punt waarop ik, terwijl de kapotte brug en de rails van de intelligentie in de leegte verdwijnen, niets meer ben dan de voortrazende trein, de catastrofe … Een bliksemflits in de nacht, onbegrijpelijke waarheid, alleen mogelijk door de opheffing van de waarheid, alleen mogelijk door een soortgelijke opheffing van de vraag. (259)


De goddelijke duisternis

In het duister tasten…
Zou dit de mogelijkheid veronderstellen om het licht aan te doen?
Onvermijdelijk…
Maar niet de zekerheid van deze mogelijkheid.
Als er geen God is?
Wordt het licht aangedaan in God?
Maar zou, in plaats van God, slechts regelmaat heersen, zou dan God noch de mens weten wat het [is]?
Tot slot is er de plaats van God in de mens. En of God nou bestaat of niet, hij zou op deze plaats afwezig zijn. Gehijg, verrukkingen, dat lukt nog wel, maar [God?]
We weten hoe God zich gemanifesteerd heeft aan degenen die hem aanbidden.
Deze plaats, dat weten we, is die van het goddelijke – het soevereine tegendeel van het planmatige, het doelgerichte, dat niet zou weten hoe het zich ergens ondergeschikt aan moest maken. Maar de mens maakte het goddelijke ondergeschikt aan de doelgerichtheid: hij verving de goddelijke duisternis door het postulaat van een goddelijk licht equivalent aan ons enige zekere licht, dat van de doelgerichtheid. (260)


Mediteren

taal impliceert het idee van doelgerichtheid
de ineenstorting van de taal
de dissociatie van de taal
impliceert het Surrealisme
dat als monisme vernietiging is
ofschoon dualisme stompzinnig is
is er alleen tegengesteldheid, niet twee
filosofische principes slechts van de banale dualiteit
van werk en spel
werk dat in de constructie van taal
verbonden wordt met spel, met taal, maakt van de wereld
een realiteit die overeenstemt met het principe van
werk, van doelgerichtheid,
maar het omgekeerde is waar
wat de geleerden niet hebben begrepen, als
doelgerichtheid oplost, wat er van taal wordt,
wat ons geruststelt
we kunnen mediteren – wanordelijk – over
de ontoegankelijke betekenis van al wat is
(261)