Ger Vertogen

‘Geen verlichte mens zal het mysterie van zijn bestaan ooit doorgronden.’ Citaten en artikelen van emeritus hoogleraar natuurkunde Ger Vertogen.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Ger Vertogen


uit Weten het niet-weten, 2010:


Een illusie

De inhoud van een wetenschappelijke theorie wordt verondersteld onbeperkt geldig te zijn wat betreft plaats en tijd. Dit brengt met zich mee dat een theorie nooit te verifiëren valt gezien het beperkte aantal waarnemingen dat een mens kan doen. Verificatie van een theorie is bijgevolg een illusie. (15)


Vertrouwen

Een natuurwetenschappelijke theorie is gebaseerd op een aantal axioma’s die ook wel wetten of zelfs natuurwetten worden genoemd. Zo is de mechanica van Newton onder meer gebaseerd op de traagheidswet. Deze wet stelt dat een deeltje bij afwezigheid van krachten een rechte baan volgt. De fysische axioma’s zijn onbewezen stellingen die plausibel worden geacht. … Dit vertrouwen mag niet verward worden met het deductieve weten dat volgt uit de axioma’s. De axioma’s zelfs zijn een inductief weten, een weten dat gebaseerd is op een vertrouwen ontleend aan de ervaring. Bijgevolg is de houdbaarheid van de natuurwetenschappelijke zienswijze gefundeerd op vertrouwen. In hoeverre dit vertrouwen zich altijd bewaarheid is echter onbekend, dat weet de mens niet. (18)


Een hypothese

Overigens is de aanduiding van een natuurwetenschappelijk axioma als natuurwet enigszins misleidend. Hoe valt na te gaan of een door mensen opgesteld axioma inherent is aan de natuur? Zo bezien is de wet van de zwaartekracht geen natuurwet, maar een hypothese die is opgesteld door Newton om de baan van een planeet rond de zon te beschrijven. Zon en aarde trekken elkaar aan, omdat de mens dat zo wil beschrijven. (19)


Schimmen

Alle interpretaties van de wereld van de verschijnselen kom in wezen overeen met het verhaal van Plato over mensen die geketend zitten in een grot. Van jongs af aan zijn ze daar onbeweeglijk opgesloten met hun rug toegekeerd naar een opening waardoor het daglicht naar binnen valt. Bijgevolg zien zij slechts schimmen van het buitengebeuren op de wand van de grot tegenover hen. Hoogst onzeker is dan ook of hun beschrijving daarvan leidt tot betrouwbare conclusies aangaande de echte werkelijkheid buiten de grot. (19)


Ignoramus en ignorabimus

Volgens … von Helmholtz is het gedrag van alle systemen terug te brengen tot mechanica. Echter dit wordt al direct tegengesproken door de fysioloog Du Bois-Reymond. Deze eveneens vooraanstaande collega van von Helmholtz meent dat het onhoudbaar is om te beweren dat het gedrag van alle systemen, of ze nu fysisch, chemisch, biologisch of psychologisch van aard zijn, valt terug te brengen tot mechanica. Hij stelt dat wetenschappers moeten leren erkennen dat zij uiteindelijk ook niet ontkomen aan ‘ignoramus’ (wi weten niet) en ‘ignorabimus’ (wij zullen niet weten). (97)


In de richting van niet-weten

Ook de kwantumtheorie stelt kritische vragen bij de verabsolutering van het wetenschappelijke wereldbeeld. De opstellers van de kwantumtheorie concluderen zelfs tot de onhoudbaarheid van deze visie. Of de kwantumtheorie het laatste woord spreekt moet nog blijken, maar in ieder geval lijkt de conclusie gewettigd dat er tot nu toe geen wetenschappelijke grond bestaat voor de waarheidsclaim van het wetenschappelijke wereldbeeld. Integendeel, de kwantumtheorie lijkt eerder te wijzen in de richting van niet-weten. De mens weet ten diepste niet wat zijn werkelijkheid inhoudt. (101)


Een virtuele wereld

Zo stelt Bohr, een van de belangrijkste architecten van de kwantumtheorie, dat er helemaal geen kwantumwereld bestaat. Volgens hem is er alleen een abstracte kwantumfysische beschrijving. De kwantumwereld, de achter de verschijnselen gedachte wereld, is geen reële wereld zoals de kosmologen beweren maar een virtuele wereld, die stoelt op een metafysische interpretatie van het wiskundig formalisme. (102)


Slechts denkbeelden

De conclusie is duidelijk: de bewering dat het venster op de werkelijkheid zoals geopend door de evolutieleer of elke andere wetenschappelijke theorie schoon is, kan ondanks hun verdiensten niet wetenschappelijk worden onderbouwd. Het tegendeel daarentegen is wel waar: wetenschappelijk valt te onderbouwen dat dit venster niet schoon is in de zin dat het een beter perspectief op de werkelijkheid biedt dan het venster van andere levensbeschouwingen. Bijgevolg kan de bewering dat het wetenschappelijk venster op de werkelijkheid schoon is ook niet worden gezien als een geloofsuitspraak. Immers in die stelling kan niet geloofd worden omdat ze gewoon ‘niet waar’ is. Ook kosmologie en evolutieleer, hoe waardevol ook, zijn slechts denkbeelden van de geketende mens bij de schimmen op de wand voor hem. (103)


Metafysisch

De natuurwetenschap levert geen Godsbewijs. Weliswaar zijn voorkomende structuren van een indrukwekkende complexiteit maar dat betekent niet dat ze ontworpen zijn (Intelligent Design) of een ontwerper hebben (God). Dat is slechts een aanvechtbare metafysische speculatie. Dat geldt evenzeer voor het wetenschappelijke kompas. De daar gebruikte begrippen als oerknal, oersoep en macro-evolutie, de overgang tussen soorten, zijn eveneens metafysisch van aard, want ze zijn allesbehalve experimenteel toegankelijk. (104)


Een onafhankelijk waarnemer?

Gezien het reductionistische uitgangspunt van de wetenschap is de vraag naar het wezen van de menselijke geest beantwoord als deze te verklaren is uit de gedragingen van de materiedeeltjes waaruit de mens is opgebouwd. Is de veronderstelde geldigheid van het reductionisme echter wel juist? Immers natuurwetenschap gaat uit van het bestaan van een onafhankelijke waarnemer. Dat betekent dat ze alleen zinvol is in geval van een scherpe scheiding tussen een goed afgebakend object en subject. Maar is die eis hier wel haalbaar? Valt het object wel goed af te bakenen en hoe zit het met zijn scheiding van het subject? Vallen object en subject in dit geval niet samen? (105)


Projecties

Een nauw hiermee samenhangend probleem is de interpretatie van de ervaringen die door een mens worden opgedaan. Zijn waarnemingen zijn noch waardevrij noch objectief. Het valt niet in te zien hoe hij een subjectieve of intersubjectieve inkleuring kan vermijden. Of met de woorden van Einstein: ‘Pas de theorie bepaalt wat waargenomen wordt.’ Dit betekent dat het menselijk bewustzijn bepaalt hoe het zichzelf ziet. Zijn gewaar worden dicteert de mens wat hij gewaar wordt. De schimmen op de wand zijn in wezen projecties van zijn eigen bewustzijn. (106)


Het regressieprobleem

Valt er eigenlijk een wetenschappelijke theorie op te stellen over het bewustzijn zonder dat het object, dat wil zeggen het bewustzijn, bekend is? En valt er een exacte omschrijving van het bewustzijn te geven? Het enige dat te zeggen valt is dat het bewustzijn zich toont net zoals de logica zich toont. Het vraagt bewustzijn om over het bewustzijn te spreken net zoals logica nodig is om over logica te spreken. (106)


Solipsisme

Maar hoe valt uit te maken voor een waarnemer dat hij een mens met bewustzijn ziet of dat hij slechts zijn eigen bewustzijn ziet? Hoe weet een waarnemer dat hij een objectieve waarneming en geen subjectieve waarneming doet? Volgens het solipsisme is er geen ander bewustzijn dan het eigen. Geen mens kan er volstrekt zeker van zijn dat er nog een ander bewustzijn is, dat er een ander mens met bewustzijn is. Het belang van het solipsismeprobleem ligt in het feit dat het duidelijk laat zien dat de verklaring van het bewustzijn niet proefondervindelijk valt op te lossen. En dat betekent dat een wetenschappelijk gefundeerde theorie van het bewustzijn niet mogelijk lijkt. (106)


Het definitieprobleem

Aan taal blijkt een intrinsieke onzekerheid te kleven en wel aan de betekenis van de woorden. Die zijn minder duidelijk omschreven dan op het eerste oog lijkt. Weliswaar is een nauwkeurige definitie mogelijk onder welke omstandigheden een woord is te gebruiken en een bepaalde betekenis heeft. Echter het probleem van de intrinsieke onzekerheid is daarmee niet opgelost. Immers zo’n definitie vergt weer andere begrippen die op hun beurt weer gedefinieerd dienen te worden. Dit proces kan niet oneindig lang doorgaan. Uiteindelijk resteren ongedefinieerde begrippen. Bijgevolg loopt de analyse van een willekeurig begrip noodzakelijkerwijs dood op begrippen die genomen moeten worden voor wat ze zijn. (107)


Niet-weten

En als de mens al niet zeker is van de exacte betekenis van de gebruikte woorden, wat voor waarheid valt dan toe te kennen aan zijn uitspraken? Onontkoombaar lijkt zich de conclusie op te dringen dat een diepgaande analyse van het begrippenapparaat van de taal de mens leidt tot het inzicht van het niet-weten. (108)


Een intrinsieke onzekerheid

Een vergelijkbare problematiek treedt op in de wiskunde. Ook in deze logische taal openbaart zich een intrinsieke onzekerheid zoals aangetoond door Gödel. Er kunnen wiskundige uitspraken worden gedaan waarvan niet kan worden aangetoond dat ze waar of onwaar zijn. Hij laat zelfs zien dat het een open vraag is of de wiskunde wel consistent is. Bijgevolg weten wiskundigen in wezen dus niet waar ze aan toe zijn als ze wiskunde bedrijven. … Ook de vraag naar de waarheid van de wiskunde lijkt de mens tot het inzicht van het niet-weten te leiden. (108)


Iedere waarneming is al theoriegeladen

Neem het woord ‘auto’. Dat woord puur genomen, verwijst niet naar een ding maar naar een voorstelling van dat ding. En het is weinig plausibel om aan te nemen dat iedereen dezelfde voorstelling heeft. Het is een illusie om te denken dat een woord naar een ding verwijst. Een woord doet iets met de menselijke geest. Het roept iets op in de geest dat niet los gezien kan worden van eigen ervaring. Maar hoe heeft de mens dan eigenlijk toegang tot het ding? Is dat door het waar te nemen? Maar pas de theorie beslist wat waargenomen wordt, iedere waarneming is al theoriegeladen! Ervaringen worden uitgedrukt in woorden. En die verwoording betreft al een interpretatie. (109)


‘Dingen’ en ‘ervaringen’

Zijn er eigenlijk wel dingen? Dat valt niet vast te stellen! Een ‘ding’ is immers ook weer een begrip van het bewustzijn. En dat geldt ook voor ervaring. Zodra ervaring benoemd wordt, is het geen ervaring meer. Dan is het uniek-zijn ervan verdwenen, immers met interpretatie gaat de algemeenheid van begrippen gepaard. (110)


Interpreteren

Wat is een woord dan wel? Is de enig zinvolle oplossing het woord te zien als de uitdrukking van een begrip in het bewustzijn? Maar ten gevolge waarvan is dat begrip dan ontstaan? Kennelijk lijkt ook een nadenken over taal en woorden te leiden tot een inzicht van niet-weten. In eerste instantie lijkt dit taalprobleem irrelevant. Immers wetenschappers zijn in staat met elkaar te communiceren en elkaars resultaten te reproduceren. Net zomin als in het leven van alledag heeft taal in het gewone wetenschappelijk bedrijf een problematisch karakter. De relevantie van het taal probleem komt pas aan het licht zodra wetenschappers hun resultaten gaan interpreteren in termen van kosmos, evolutie en menselijk bewustzijn. (110)


Op generlei wijze

Beoefening van de natuurwetenschap brengt een opmerkelijke dubbelervaring met zich mee. Enerzijds verkrijgt de mens door kennis van de verschijnselen daar een zekere greep op. Hij kan objecten zo manipuleren dat ze op een bepaalde manier werken. Voorbeelden hiervan zijn koelkasten, lasers en ruimtestations. Anderzijds echter ervaart hij ook het tegenovergestelde. Iets wat juist op generlei wijze manipuleerbaar en verklaarbaar is. Namelijk het feit dát deze verschijnselen zich aan hem voordoen, zich aan hem tonen. Hij schept ze niet zelf, zij manifesteren zich. (113)


Het mystieke kompas

De mens kan zijn ervaring dat hij stuit op onverklaarbaarheid religieus duiden, namelijk als verwijzing naar het mysterie van zijn bestaan. Dit mysterie wordt door christenen, joden en moslims God genoemd. Daarmee stelt hij zich open voor het inzicht dat hij uiteindelijk op een niet-weten stuit. Religies hebben weet van dit niet-weten. Zij aanvaarden dat het mysterie van het menselijk bestaan, zijn werkelijkheid, niet wetenschappelijk valt te duiden. Dat mysterie overstijgt, transcendeert de menselijke kennis. Dat inzicht van niet-weten, het besef dat de mens geen greep kan krijgen op het mysterie van zijn bestaan, ligt ten grondslag aan het mystieke kompas. (113)


Indeterminisme

De natuurwetenschap heeft het denken van de mensen sterk beïnvloed. Haar klassieke visie die gebaseerd is op een mechanica waar alles in ruimte en tijd verloopt volgens de causaliteitswet, heeft de secularisatie sterk in de hand gewerkt. Dat heeft geleid tot de opvatting dat wetenschap en religie niet met elkaar kunnen samengaan. Opmerkelijk is nu dat juist de eigen ontwikkeling van de natuurwetenschap heeft duidelijk gemaakt dat die opvatting onjuist is. Dit komt met name tot uiting in de thermodynamica en de kwnatumtheorie. De noodzaak van de thermodynamica ter beschrijving van veeldeeltjessystemen maakt de klassieke deterministische visie onhoudbaar. Volgens de kwnatumtheorie is iedere voorspelling over een toekomstig gebeuren onmogelijk zonder daarbij de waarnemer of het waarnemingsapparaat te betrekken. Dit maakt het onmogelijk subject en object te scheiden. (114)


Complementariteit

De fysica van de twintigste eeuw heeft duidelijk gemaakt dat het klassiek fysische denken te eng is. De verbanden waarin moet worden gedacht zijn veel groter en rijker dan aangenomen. Dankzij de kwantumtheorie is het oude begrip complementariteit, onder meer bekend uit de filosofie en theologie, weer op de voorgrond gekomen. Juist dit begrip maakt het mogelijk in te zien dat het idee van een materieel voorwerp dat onafhankelijk is van de wijze waarop het wordt waargenomen, een abstractie is en geen tegenhanger heeft in de werkelijkheid. (114)


Op de koop toe

Dit openbreken van de enge verbanden van de klassieke fysica kan niet anders dan een tolerantere houding van de natuurwetenschap tegenover de religie tot gevolg hebben. Immers de mens is, net als in de religie, ook in de natuurkunde gedwongen beelden te gebruiken die zijn bedoelingen slechts beperkt weergeven. Hem resteert slechts de benadering. En dat betekent dat hij af en toe tegenspraken op de koop toe moet nemen. (115)


Geen beslissend antwoord

Waarom is er iets en niet veeleer niets? Waar komt de mens vandaan en waar gaat hij naar toe? Waartoe is hij op aarde? Met die vragen opent deze verhandeling. Vervolgens is nagegaan of de natuurwetenschap hier een beslissend antwoord op kan geven. Dat blijkt niet het geval. Hoe indrukwekkend de successen van de natuurwetenschap ook mogen zijn, haar weten blijkt toch te grenzen aan niet-weten. (115)


Een grond

Ook al mag de natuurwetenschap dan geen grondslag zijn voor een levensbeschouwing, ze geeft wel een aanwijzing in een bepaalde richting. Al haar weten wijst de mens uiteindelijk op een niet-weten. Ze biedt hem geen rationele oplossing voor het mysterie van zijn bestaan, het definitieve gebied van niet-weten. Dat inzicht kan een grond zijn voor de levensbeschouwing van de mens. [De natuurwetenschap] lijkt te wijzen op het belang van het niet-weten als richtsnoer in het leven. Dat niet-weten staat voor een veranderd weten, een niet-weten dat uit weten voortkomt. Om dat niet-weten cirkelen onder meer de negatieve theologie van het Christendom en het Boeddhisme, denkrichtingen waarin de subject-object relatie wordt opgeheven. Meer algemeen gesteld: een reflectie over de natuurwetenschap lijkt voor nadere kennis van de werkelijkheid te verwijzen naar de inzichten van de mystiek. (115-117)


uit de lezing De grenzen van de wetenschap: waartoe zijn wij op aarde?


Zijn er onoplosbare raadsels

Spreken over de grenzen van de wetenschap brengt met zich mee een reflectie over de zin van ons bestaan. Vandaar dat ik mijn lezing wil voorzien van een ondertitel, namelijk de vraag: Waartoe zijn wij op aarde? Een vraag die ons mensen kwelt sinds mensenheugenis. Antwoorden van velerlei slag bestaan. Ook wij moeten met die vraag zien klaar te komen. En ons antwoord heeft grote gevolgen, want het bepaalt de wijze waarop we mens willen zijn. Hoe we willen omgaan met onze medemensen en onze wereld. En dus ook hoe we wetenschapper willen zijn. Ons antwoord hangt af van het antwoord op een andere vraag. Die vraag luidt: Kent de wetenschap grenzen? Of anders geformuleerd: Zijn er onoplosbare raadsels? De wetenschappelijke wereldbeschouwing zegt nee. Volgens deze levensovertuiging kent de wetenschap geen grenzen. Onoplosbare raadsels bestaan niet, niets blijft gesloten voor de mens, hij is de maatstaf van alle dingen. Zijn we als wetenschapper gehouden aan de wetenschappelijke wereldbeschouwing? Een antwoord op die vraag vereist een bezinning op de aard van de natuurwetenschap, het draagvlak van de wetenschappelijke wereldbeschouwing.


Grondeloze aannames

De natuurwetenschap berust op een drietal aannames, dat wil zeggen op drie onbewezen stellingen die geloofwaardig gedacht worden. Zekerheid omtrent de juistheid van deze aannames is niet te verkrijgen. Het enig mogelijke is er ervaring mee op te doen, een ervaring die vertrouwen wekt. Anders gezegd: Natuurwetenschap is ten diepste gegrond op een niet weten. De eerste aanname betreft de relatie tussen de waarnemer, het subject, en wat deze waarneemt, het object. De natuurwetenschap gaat ervan uit dat het subject, de waarnemer, scherp te onderscheiden is van het object, van dat wat waargenomen wordt. Anders gezegd: het bestaan van een scherp afgebakende subject-object relatie is wezenlijk voor een natuurwetenschappelijke theorie. De tweede aanname is de geldigheid van de causaliteitswet, de wet van oorzaak en gevolg. Een natuurwetenschappelijke theorie beoogt het gedrag van een object te beschrijven als het gevolg van allerlei oorzaken. Ofwel de diverse waarnemingen moeten in een samenhangend verhaal van oorzaak en gevolg worden samengevat. Die causaliteitswet is echter alleen zinvol als oorzaak en gevolg afzonderlijk proefondervindelijk ofwel empirisch te onderzoeken zijn. De derde aanname is dat het gedrag van een totaliteit valt terug te voeren op haar samenstellende bestanddelen. Deze aanname staat bekend als het reductionisme. Probleem is echter wat zijn de samenstellende bestanddelen. Die problematiek leidt tot een tegenstrijdigheid in het eigen voorstellingsvermogen zoals Kant al opmerkte. Enerzijds is het moeilijk voorstelbaar dat steeds verder gereduceerd kan worden, anderzijds is het net zo moeilijk voorstelbaar dat de reductie uiteindelijk ophoudt.


Een niet-weten

De geëigende taal om de waarnemingen te kwantificeren en te structureren is de wiskunde. Daartoe worden begrippen die met de waarnemingen samenhangen, vertaald in wiskundige grootheden. Het waargenomen verband tussen deze wiskundige grootheden wordt vervolgens beschreven met behulp van een beperkt stelsel axioma’s. Deze gepostuleerde betrekkingen tussen wiskundige grootheden zijn de natuurwetten. Ook deze natuurwetten zijn onbewezen stellingen die plausibel geacht worden. Zekerheid omtrent hun juistheid is niet te geven. Nogmaals gezegd: de natuurwetenschappelijke zienswijze is ten diepste gegrond op een niet weten.


Een tautologie

Na het opstellen van de axioma’s van een natuurwetenschappelijke theorie, zoals de Newtonse mechanica, de kwantummechanica en de thermodynamica, volgen via wiskundige afleidingen allerlei betrekkingen tussen de diverse begrippen. In wezen zijn die relaties tautologieën, ze volgen immers logischerwijs uit de axioma’s. Door vervolgens de wiskundige grootheden te vertalen in de fysisch verwante begrippen zijn deze tautologieën direct te vertalen in natuurwetenschappelijk gedrag. Zon en aarde trekken elkaar aan op grond van de menselijke interpretatie van het wiskundig formalisme. Herhaalbaarheid en voorspelbaarheid zijn als het ware al ingebakken in de structuur van een theorie. Anders gezegd: een kwantitatieve voorspelling van gedrag berust ten diepste op een tautologie.


Als blinden

Tot slot van deze beschouwing over de aard van een natuurwetenschappelijke theorie moet worden opgemerkt dat de tekst die ontstaat uit de vertaling van het wiskundige formalisme uitsluitend uit woorden bestaat. De interpretatie van die fysische tekst is gebaseerd op de betekenis van de gebruikte woorden. Essentieel voor het verstaan van deze tekst is bijgevolg kennis van de werkelijkheid waarnaar deze woorden refereren. Als die kennis afwezig is zal de betekenis van de tekst niet te vatten zijn. De natuurwetenschappelijke interpretatie van een wiskundige tekst vooronderstelt dus kennis van de werkelijkheid waarover de woorden berichten. Maar wat te zeggen als het gaat over vermeende werkelijkheden als de oerknal, de oersoep en de kwantumwereld? Zijn we dan niet als blinden die moeten afgaan op wat hun stok hun vertelt over de wereld waarin ze ronddwalen?


Een kanstheorie

Opmerkelijk is dat de natuurkunde … al heeft aangetoond dat de wetenschappelijk wereldbeschouwing onhoudbaar is gezien de dan geldende stand van zaken. En nog opmerkelijker is dat zo weinig mensen, niet alleen toen maar ook nu, dat inzien. De oorzaak van die onhoudbaarheid is Plancks ontdekking van een nieuwe natuurconstante aan het eind van de negentiende eeuw. Die constante moet worden ingebouwd in de mechanica. Het gevolg is dat Newtons mechanica fundamenteel moet worden herzien. Ongeveer een kwart eeuw later ziet de nieuwe bewegingsleer, de zogeheten kwantummechanica, het daglicht. De constante van Planck speelt hierin een meer dan opmerkelijke rol. Zij heeft namelijk tot gevolg dat de nieuwe bewegingsleer niet langer deterministisch maar statistisch van aard is. Anders gezegd: de kwantummechanica is een kanstheorie. Haar succes is ongeëvenaard. De kwantummechanica beschrijft niet alleen de atomaire verschijnselen maar leidt ook tot de technologie van laser, elektronenmicroscoop en chip. Maar ze doet nog veel meer. De statistische aard van de nieuwe bewegingsleer stelt namelijk onze gebruikelijke perceptie van de werkelijkheid ter discussie. Het opgeven van de ‘oorzakelijkheid’ of ‘causaliteit’ brengt mee dat we moeten afzien atomaire processen te begrijpen door hiervan in gedachten beelden te vormen die met de realiteit overeenstemmen. Dit betekent dat het bestaan van de fundamentele objecten van de kwantumtheorie, zoals atomen en elektronen, afhankelijk is van de waarnemer en zijn waarneming en bijgevolg niet objectief. Het loslaten van de ‘oorzakelijkheid’ heeft dus enorme consequenties. Automatisch worden hierdoor de begrijpbaarheid en de realiteit van de geïntroduceerde begrippen ter discussie gesteld. Zo blijken bekende klassieke begrippen als ‘golf’ en ‘deeltje’ slechts beperkt bruikbaar.


De onhoudbaarheid van de wetenschappelijke wereldbeschouwing

De kwantumtheorie stelt kortweg dat wij de wereld niet kunnen bekijken zonder haar te beïnvloeden, ofwel de subject-object relatie is problematisch geworden. Dat inzicht trekt zelfs de toekomst van de fysica in twijfel. Daarnaast benadrukt de kwantumtheorie het unieke. Bepaalde experimenten zijn niet reproduceerbaar. Voorts beperkt ze de wet van oorzaak en gevolg vanwege haar statistisch karakter. Bijgevolg concludeerden de opstellers van de kwantumtheorie tot de onhoudbaarheid van de wetenschappelijke wereldbeschouwing.


De wetenschappelijke wereldbeschouwing

Waar komt de wetenschappelijke wereldbeschouwing in het kort op neer? Voor mij is het een verhaal zonder veel diepgang, zeker als je het met een aantal scheppingsverhalen vergelijkt. De wetenschappelijke mythe vertelt ons dat het Niets, de drager van Toeval, de Kosmos baart als een Oerknal. Zijn ontwikkelingsgang van Oerknal tot Nu is te doorgronden dankzij de wetenschap. Dat proces staat echter geschreven in wiskundige taal. Dat betekent dat het slechts aan weinigen voorbehouden is het licht in de duisternis te zien. Die uitverkorenen zijn voornamelijk kosmologen en theoretisch fysici die onvermoeibaar ons deze boodschap verkondigen. Centraal in de wetenschappelijke visie staat de evolutieleer. Het leven op aarde heeft zich ontwikkeld uit een Oersoep. Uiteindelijk is de mens ontstaan ten gevolge van toeval en de strijd om het bestaan met de bijbehorende overleving van de sterkste. Volgens deze visie is de mens dus slechts een nietig wezen op een onbeduidende planeet ergens in het heelal.


Scheppingsverhalen

Ik verbaas me iedere keer weer hoeveel natuurwetenschappers speculatieve verhalen als van oerknal tot nu en van oersoep tot mens voor waar en werkelijk houden. Het zijn geen natuurwetenschappelijke verslagen van het kosmische gebeuren vanaf de dagen van olim tot nu, maar verhalen die vallen in de categorie scheppingsverhalen. Immers noch het verhaal van oerknal tot aarde noch het verhaal van oersoep tot mens is falsificeerbaar. En daarmee behoren zij – overeenkomstig het falsificatievereiste van Popper – niet tot het
natuurwetenschappelijke taalspel. En laat ik maar zwijgen over de goedgelovigheid van al hun aanhangers. Mensen die als papegaaien alles nazeggen wat de priesters van de wetenschappelijke wereldbeschouwing beweren. Denk maar aan schrijvers als Dan Brown in zijn boek ‘Het Bernini Mysterie’ en Harry Mulisch in ‘De Ontdekking van de Hemel’. Maar het meest verbazingwekkende vind ik eigenlijk dat al die natuurwetenschappers zo weinig nagedacht hebben over hun vak. Het zijn uitstekende rekenmeesters en experimentatoren, maar geen reflectieve denkers. Immers de natuurwetenschap zelf bevat reeds de argumenten om hun fundamentalistische kijk onderuit te halen.


Vloeken in de kerk

Dát we er zijn kun je voor kennisgeving aannemen, weten hoe het komt dat je er bent, waardoor of waarom (of waarom-niet), zijn onbeantwoordbare vragen. Religies hebben weet van dit niet-weten. Zij aanvaarden dat het mysterie van ons bestaan niet wetenschappelijk valt te duiden. Dat mysterie overstijgt, transcendeert onze kennis. Dat inzicht van niet-weten, het besef dat we geen greep kunnen krijgen op het mysterie van ons bestaan, klinkt voor veel wetenschappers als vloeken in de kerk: dat er iets bestaat buiten de wetenschap om. Maar ze zullen er toch mee moeten leren leven.


Weten door niet-weten

Maar wat is onze levenshouding? Kiezen wij als richtsnoer voor ons leven de zinloosheid van ons bestaan? Of kiezen wij het inzicht van niet-weten als richtsnoer? Willen wij ons openstellen voor het inzicht van Eckhart dat de enige, onmetelijke, ongeschapen, eeuwige waarheid alleen te aanschouwen en te kennen valt door in een niet-weten te geraken? Met dat niet-weten bedoelt hij een veranderd weten, een niet-weten dat uit weten voortkomt.


Voorbij de Verlichting

door Ger Vertogen en Patrick Chatelion Counet in Trouw 14/05/05.

‘Door de hand van de kwantumtheorie heeft de moeder van de Verlichting, de natuurkunde, haar eigen kind omgebracht. Het ideaal van de Verlichting – alles in de kosmos herleiden tot voorspelbare bewegingen – is dood. ‘Morsdood’, zeggen de grondleggers van de kwantumtheorie zelf. Toch lijkt het alsof niemand vandaag de dag dit zo ziet. Men blijft de keizers garderobe roemen.’ Emeritus hoogleraar theoretische natuurkunde Ger Vertogen en theoloog Patrick Chatellion Counet over ‘de openbaring van het niet-weten’: ‘Geen verlichte mens zal het mysterie van zijn bestaan ooit doorgronden.’

In 1687 verschijnt Philosophiae Naturalis Principia Mathematica (De Wiskundige Beginselen van de Natuurfilosofie), waarin de theoloog Newton een nieuwe bewegingsleer presenteert. Achteraf beschouwd, luidt de verschijning van dit boek het tijdperk van de Verlichting in, waarin het theologisch denken langzamerhand wordt vervangen door het rationalisme.

Het revolutionaire boek van Newton is in wezen een wiskundige verwoording van een theologische kijk op de natuur. Newton ziet in al wat hij waarneemt de hand van God. Bijgevolg meent hij dat kennis van God mogelijk is via kennis van de wereld. Daartoe wil hij de kosmos hypothesevrij beschrijven. Dat blijkt een illusie. Hij ziet zich genoodzaakt te eisen dat ruimte en tijd aan God gekoppeld zijn. In dat postulaat komt zijn beeld van God als almachtig en absoluut heerser naar voren. Omgekeerd denkt Newton ook dat kennis van God leidt tot kennis van de wereld. Zowel de mystiek als de Bijbel, gezien als het woord van God, zijn voor hem essentieel als kennisbron.

De mechanica van Newton blijkt buitengewoon succesvol. Haar zegetocht begint in 1759. Dan wordt deze theorie op indrukwekkende wijze bewaarheid. Zoals voorspeld keert de komeet die Halley in 1682 had waargenomen terug aan de hemel.

In tegenstelling tot de oude mechanica van Aristoteles doet het in de nieuwe bewegingsleer van Newton niet ter zake of een materieel object beweegt op aarde of aan het hemelgewelf. Het opgestelde rekenschema wordt universeel geldig gedacht. Daarmee doet het absolute zijn intrede in de aardse vergankelijkheid.

Die stap maakt een dermate grote indruk op de filosoof Voltaire dat hij een populair-wetenschappelijke bestseller over de theorie van Newton schrijft: Elements de la philosophie de Newton. Voltaire’s boek is een zeer belangrijke aanzet tot de Verlichting. Daarin vertelt hij onder meer de anekdote van de appel, de illustratie van de gelijkwaardigheid van de beweging van het hemellichaam maan en de val van de aardse appel. De vrucht die het symbool werd voor de zondeval van de oude mens, valt thans in handen van de nieuwe, verlichte mens. Bijbel en Verlichting, theologie en wetenschap zullen steeds verder uit elkaar groeien. Diezelfde wetenschap zal echter ook het ideaal van de Verlichting vernietigen.

De Verlichting

Voltaire generaliseert de mechanica van Newton door te stellen dat al wat beweegt aan natuurwetten moet zijn onderworpen. Hij ziet God als een horlogemaker die de machinerie van het heelal geschapen en in beweging gezet heeft en vervolgens op zijn lauweren is gaan rusten. Tijdgenoten van Voltaire, de zogeheten Encyclopedisten, gaan nog een stapje verder. Zij reduceren de natuur of werkelijkheid tot een in zichzelf gesloten systeem van materiële objecten. Alle verschijnselen inclusief God en de menselijke ziel zijn tot een beweging van materiële objecten te herleiden. Deze objecten, waartoe ook de levende wezens behoren, zijn geordend in ruimte en tijd en onderhevig aan natuurlijke processen die strikt voldoen aan causale wetten. Al deze processen en wetten kunnen wetenschappelijk beschreven en verklaard worden.

Deze opvatting is in wezen niets anders dan het oude materialisme in een nieuw jasje. Leukippos en Demokritos leerden al in de Oudheid dat de kosmos gezien moet worden als een verzameling van oneindig veel onveranderlijke, onvergankelijke en ondeelbare deeltjes, de atomen. Al wat bestaat en geschiedt, is volgens hen te reduceren tot bewegingen en botsingen van atomen en de veranderingen in hun ruimtelijke composities. Leven en natuur zijn te verklaren vanuit wereldlijke oorzaken. De goden zijn volstrekt irrelevant, zij verklaren niet maar zíjn te verklaren.

Dit materialisme verloor in de Oudheid zijn maatschappelijke invloed als gevolg van de overweldigende opkomst van het christendom. De theologie onttroonde de filosofie en werd de koningin van de wetenschappen. De hernieuwde opkomst van het materialisme, de Verlichting, draait die rangorde weer om. Zij voorziet het oude materialisme van een wetenschappelijke onderbouwing waardoor deze leer weer de boventoon gaat voeren. Bijgevolg verliest de theologie haar zetel aan haar materialistische tegenhanger, de mechanistisch-deterministische natuurfilosofie.

Deze machtswisseling heeft consequenties voor de ethiek. Het christendom grondt zijn ethiek op het gebod om God lief te hebben en je naaste gelijk jezelf. De Verlichting daarentegen mag de door haarzelf gestelde grenzen van het weten niet overschrijden (weten is meten) en maakt de mens (en de mens-alleen) tot maat van alle dingen. De Verlichte mens wordt zichzelf-tot-norm, auto-nomos. De Franse Revolutie formuleert deze ethiek in a-theïstische termen als: vrijheid, gelijkheid en broederschap. De weerklank daarvan vinden we in de Preambule van de Europese Grondwet waarin, zij het na veel politiek gehakketak, geen verwijzing naar God voorkomt. Of de juridische verwerping van transcendentie het einde van de religieuze oriëntatie van de Westerse cultuur inluidt, valt nog te bezien.

Het wetenschappelijke wereldbeeld

Het materialistische wereldbeeld vindt verdere onderbouwing in de negentiende eeuw met de komst van een drietal nieuwe natuurwetenschappelijke theorieën. Twee daarvan zijn fysische theorieën, de warmteleer en de elektrodynamica, met nieuwe deterministische wetten. De derde is een biologische theorie, de evolutieleer, die in eerste instantie in strijd lijkt met het verklaringsmodel van de Verlichting. De overgangen in biologische systemen zijn immers absoluut onvoorspelbaar.

Evolutie vereist de opname van het begrip toeval in het verklaringsmodel. Maar hoe zit het dan met het beleden determinisme van de natuurwetten? Planten en dieren zijn namelijk in de optiek van de Verlichting slechts mechanische systemen die uit zeer veel deeltjes bestaan. Dat brengt met zich mee dat het gedrag hiervan volledig wordt bepaald door de bewegingsvergelijkingen bij gegeven beginvoorwaarden. Hoe valt het benodigde toeval dan te rijmen met dit vastgelegde gedrag? Het antwoord is even eenvoudig als onbevredigend. Er is een onvoorstelbaar grote hoeveelheid informatie nodig om evolutionair gedrag te kunnen berekenen. Die informatie is echter niet bekend, met name de beginvoorwaarden niet. En wat wel bekend is (of lijkt) valt rekenkundig gezien niet te hanteren.

Toeval is dus synoniem met menselijke onkunde. Daarom zou de onvoorspelbaarheid van biologische systemen louter bedrieglijk zijn, een illusie teweeggebracht door menselijke beperkingen. In de wetenschappelijke wereldbeschouwing van de Verlichting is voor toeval geen plaats. Dus stellen ‘verlichte’ denkers dat een biologisch systeem wel degelijk vastligt, ‘gedetermineerd’ is. Echt verlichte denkers zouden durven toegeven dat dit een wens is, maar geen feit.

Hermann von Helmholtz, de rijkskanselier van de Duitse fysica in de tweede helft van de negentiende eeuw, herhaalt onder grote bijval de Verlichtingsideologie: ,,De natuurwetenschap heeft tot einddoel de bewegingen, die ten grondslag liggen aan alle veranderingen, en hun drijvende krachten te vinden, dat wil zeggen om in mechanica over te gaan.” Daarmee worden alle systemen – fysisch, biologisch en psychologisch – ingesloten en loopt Helmholtz vooruit op Stephen Hawkings ‘Theorie van Alles’.

Zijn Berlijnse collega, de beroemde fysioloog Emil Du Bois-Reymond, meende toentertijd al dat wetenschap haar grenzen heeft. Wetenschappers moeten leren erkennen: ,,Wij weten het niet (ignoramus) en wij zullen het niet weten (ignorabimus)”. Zijn overtuiging vindt geen waardering in de wetenschappelijke gemeenschap die sterk vertrouwt op vooruitgang. Du Bois-Reymond noemt een aantal problemen die volgens hem onoplosbaar zijn, zoals ‘het wezen van dat wat zich toont als zowel materie als energie’, ‘het ontstaan van het leven’ en ‘de aard van het bewustzijn’. Inderdaad zijn deze problemen, meer dan honderd jaar later, nog steeds onopgelost.

De ontnuchtering

Twee eeuwen na Newton merkt Mach op dat diens mechanica niet voldoet aan de wet van oorzaak en gevolg (causaliteitswet). Doel van een fysische theorie is de wereld van verschijnselen te ordenen. Daartoe gaat een mens, de waarnemer, uit van een bepaalde zienswijze. Essentieel daarbij is dat de waarnemer, het subject, scherp te onderscheiden is van dat wat hij waarneemt, het object. Voorts is iedere fysische theorie erop gericht de gedragsverandering van een object te beschrijven als het gevolg van oorzaken. Oorzaak en gevolg moeten bijgevolg afzonderlijk proefondervindelijk te onderzoeken zijn. Naast het bestaan van een scherp afgebakende subject-object relatie is dus ook de causaliteitswet een onontbeerlijke voorwaarde voor iedere fysische theorie.

Wezenlijk is voorts het inzicht dat de denkbeelden van de waarnemer niet los te denken zijn van zijn experimenten. Zijn gedachten en inzichten bepalen de zeggingskracht van zijn experimenten. Elektronen worden waargenomen, omdat ze ooit bedacht zijn. Essentieel is ook dat alleen herhaalbare experimenten relevant zijn voor een fysische theorie. Dat betekent dat de individualiteit van de waarnemer als het ware wordt buitengesloten. Hij is echter wel degelijk aanwezig in de fysische theorie. De relevante begrippen die onlosmakelijk verbonden zijn met de waarnemingen, zijn immers door de waarnemer bedacht. Zon en aarde trekken elkaar aan, omdat de waarnemer dat zo wil beschrijven.

De kritiek van Mach noopte Einstein tot het formuleren van de algemene relativiteitstheorie. Deze theorie kreeg zijn definitieve vorm in 1915. Essentieel hierin is het optreden van twee natuurconstanten, de lichtsnelheid en de gravitatieconstante. Opmerkelijk is verder dat een louter filosofische overweging aangaande de aard van de fysica ten grondslag ligt aan de relativiteitstheorie.

In deze eeuw ontstaat ook de kwantumtheorie, een tweede kritiek op de mechanica van Newton. Door de hand van de kwantumtheorie brengt de moeder van de Verlichting, de natuurkunde, haar eigen kind om. Het ideaal van de Verlichting – alles in de kosmos herleiden tot voorspelbare bewegingen – is dood. ‘Morsdood’, zeggen de grondleggers van de kwantumtheorie zelf. Toch lijkt het alsof niemand vandaag de dag dit zo ziet. Men blijft de keizers garderobe roemen. Vooral natuurwetenschappers zelf – terwijl die toch het meest naakt zijn. Ontkleed door de kwantumtheorie.

De kwantumtheorie ontstaat naar aanleiding van het warmtegedrag van vaste stoffen. Om het lichtspectrum van een gloeiende metaaldraad te beschrijven, is Max Planck genoodzaakt een nieuwe natuurconstante te introduceren in de negentiende-eeuwse fysica. Het destijds opkomende onderzoek aan atomaire processen benadrukt vervolgens de essentiële rol die deze natuurconstante speelt in de fysica. Een nieuwe mechanica rond de constante van Planck blijkt nodig om de gevonden resultaten bevredigend te beschrijven.

De zoektocht naar die nieuwe bewegingsleer, de kwantummechanica, eindigde een kwart eeuw na de vondst van Planck. De rol van zijn constante blijkt opmerkelijk. De nieuwe bewegingsleer blijkt een kanstheorie te zijn. Ze is ongekend succesvol zowel qua beschrijving van de atomaire verschijnselen als qua toepassingen zoals in laser, elektronenmicroscoop en chip.

Deze materiële successen verblinden de moderne mens voor de theoretisch-pijnlijke en wereldbeschouwelijk-choquerende boodschap van de kwantumtheorie. Namelijk dat we, uiteindelijk, nergens meer zeker van kunnen zijn.

De statistische aard van de kwantumtheorie stelt de gebruikelijke perceptie van de werkelijkheid ter discussie. Het opgeven van de causaliteit brengt mee dat ervan afgezien moet worden atomaire processen te begrijpen door hiervan in gedachten beelden te vormen die met de realiteit overeenstemmen. Dit betekent dat het bestaan van de fundamentele objecten van de kwantumtheorie, zoals atomen en elektronen, afhankelijk is van de waarnemer en zijn waarneming. Daarnaast worden de begrijpbaarheid en realiteit van geïntroduceerde begrippen ter discussie gesteld. Begrippen als ‘golf’, ‘deeltje’, ‘positie’ en ‘hoeveelheid van beweging’ blijken nu beperkt houdbaar. Bijgevolg is de kwantumwereld, de achter de verschijnselen gedachte wereld, geen fysische maar een virtuele wereld, die stoelt op een metafysische interpretatie van het wiskundig formalisme. Niels Bohr, een van de belangrijkste architecten van de kwantumtheorie, zegt dan ook dat er helemaal geen kwantumwereld bestaat. Volgens hem is er alleen maar een abstracte kwantumfysische beschrijving. De taak van de fysica is niet om op te sporen hoe de natuur is, maar wat over de natuur te zeggen valt, aldus Bohr.

De kwantumtheorie stelt kortweg dat een waarnemer de wereld niet kan bekijken zonder haar te beïnvloeden. Ofwel: de subject-object relatie is problematisch geworden. Dat inzicht trekt zelfs de toekomst van de fysica in twijfel. Daarnaast benadrukt de kwantumtheorie het unieke. Bepaalde experimenten zijn niet reproduceerbaar. Bijgevolg ontkracht zij het mechanisch-deterministische wereldbeeld van de negentiende eeuw. Statistiek doet immers geen betrouwbare uitspraak over verleden en toekomst.

Volgens de kwantumtheorie is het Verlichtingsideaal bijgevolg een illusie vanwege de beperkte geldigheid van de causaliteitswet en de subject-object relatie. Het toeval is niet langer te zien als de manifestatie van gebrek aan informatie. De schikgodinnen zijn weer verrezen. Hun verrijzenis betekent tevens de dood van de mechanisch-deterministische duiding van de evolutie. Voortaan is de Verlichting nog slechts een atavisme.

De verlichting voorbij

Op grond van de huidige inzichten is het menselijk bestaan nog steeds een mysterie en zal dat ook blijven. Natuurlijk zijn er voorspellingen mogelijk, maar die betreffen niet al het gebeuren. De fysica geeft een indrukwekkende beschrijving van een aantal verschijnselen en op grond daarvan zijn voorspellingen mogelijk. Zo kan de baan van de planeet Mercurius worden berekend, maar niet het tijdstip waarop de baan is begonnen of zal eindigen. Daarover kan alleen worden gespeculeerd. En dat is geen natuurkunde meer. Of met de woorden van Wittgenstein: ,,Dat de zon morgen zal opgaan is een hypothese.” En dat betekent: we weten niet of hij zal opgaan.

Vooral de kwantumtheorie toont de grenzen van de natuurwetenschap. En daarmee onderstreept zij het ignorabimus van Du Bois-Reymond. Met de relativering van de natuurwetenschap verliest de Verlichting haar ideologische basis. En daarmee is het tijdperk van de Verlichting in wezen voorbij.

Ligt er nog iets voorbij de Verlichting? Eén van de gevolgen van het natuurwetenschappelijke wereldbeeld van de Verlichting was het einde van de religie. De autonome mens werd in staat geacht de Geest van God te doorgronden – hetgeen automatisch zijn non-existentie zou bevestigen. Is er daarom sprake van een terugval in die duistere periode van vóór de Verlichting? Of is het einde van de Verlichting een progressieve – vóórtschrijdende – terugval? De openbaring van het niet-weten in de kwantumtheorie, is dé profane openbaring van de afgelopen eeuw. Maar niet-weten is tegelijk een eeuwenoud kentheoretisch inzicht dat alle grote religies kenmerkt en als ‘negatieve theologie’ wordt aangeduid. Geen verlichte mens zal het mysterie van zijn bestaan ooit doorgronden. Ook een verwijzing naar ‘God’ draagt niet bij tot de oplossing van dat mysterie. Niet-weten is een religieus inzicht. Het betekent dat men niet weet.


De ‘Theorie van Alles’

Door Ger Vertogen in Streven, november 2001.

Een theorie die alles verklaart, is dat droom of werkelijkheid?

‘Zoals eertijds de filosofie de theologie verdrongen heeft, zo maakt thans de natuurwetenschap korte metten met de ethiek; maar al dat moderne statistiekengedoe met het ethische zal ons lijnrecht in het onmenselijke voeren.’

Søren Kierkegaard
Wat wordt eigenlijk bedoeld met het begrip natuurkunde? Gaat het hier alleen maar om een wijze van zien en doen, een methodologische leer die zijn bruikbaarheid meer dan bewezen heeft, die behoort tot de meest indrukwekkende prestaties van het menselijk denken? Of is er meer aan de hand? Geeft de natuurkunde het definitieve antwoord op de vragen die het mensdom beroeren sinds de dagen van olim, – de aloude vragen naar oorzaak, ontstaan en vergaan van de kosmos en de betekenis van de mens? Leidt al het fysische speurwerk uiteindelijk tot de enig ware kosmologie, het alomvattende verhaal van de kosmos? Die opvatting van de natuurkunde als ultieme theorie wordt tegenwoordig met kracht naar voren gebracht onder de naam ‘Theorie van Alles’. Nogal wat natuurkundigen van naam (onder meer Hawking, ’t Hooft en Weinberg) vertolken deze ideologie in woord en geschrift. Kennelijk verabsoluteren zij een bruikbare leer tot de enig ware leer. Maar zijn er argumenten voor die fundamentalistische visie op natuurkunde als de enig waardevrije – cultuurvrije – zienswijze? Weliswaar is de ‘Theorie van Alles’ nog niet geconcretiseerd, maar aan de haalbaarheid ervan wordt niet getwijfeld. Is die overtuiging terecht? Heeft de fysica de langverbeide waarheid binnen handbereik gebracht of gaat het hier om een nieuwe mythe van de westerse cultuur: het verhaal van oerknal tot warmtedood, van Niets tot Niets?

Met de ‘Theorie van Alles’ wordt in wezen een rekenschema gelanceerd als de ultieme oplossing van het mysterie van het bestaan. Het wiskundige model (woord) is werkelijkheid (vlees) geworden. Maar is dat wel de boodschap van dat schema? En hoe daarachter te komen? Daarbij moet niet vergeten worden dat het eigenbelang van natuurkundigen als hoge-energiefysici en kosmologen sterk gebaat is met die interpretatie. Door de natuurkunde als de enig mogelijke weg naar de oplossing van het mysterie van het bestaan te propageren hopen zij voldoende geldelijke steun te verwerven voor hun peperdure onderzoek. Hun reclamecampagne is goed doordacht. Prachtige propagandafilms en boeken brengen hun boodschap van een liefdeloos, zinloos en onpersoonlijk wereldbeeld aan de man als de ultieme waarheid over het menselijk bestaan. Maar wat ze altijd verzwijgen is dat die beelden en verhalen te oppervlakkig zijn om inzicht te geven in de fysische denkwereld, dat de alledaagse beelden en de omgangstaal niet toereikend zijn om het wezenlijke van de fysische zienswijzen uit te drukken. Al die reclame geeft een vals en intimiderend beeld van de natuurkunde, verwisselt model en speculatie voor de werkelijkheid. Zo is de oerknal geen feit en het atoom geen miniatuurplanetenstelsel.

Inzicht in de betekenis van de fysica is alleen te verkrijgen door de taal ervan, de wiskunde, te leren. Anders zijn fysische uitspraken niet te beoordelen. Niemand betwist dat hij veel tijd moet besteden aan het leren beheersen van taal, wil hij anderen adequaat deelgenoot maken van zijn gedachten. Net zo moet hij de wiskundige taal leren om geestelijk contact te krijgen met de fysische denkwereld. Niet-wiskundig geschoolde buitenstaanders krijgen hooguit het inzicht van een papegaai, kunnen knollen niet van citroenen onderscheiden. Zij zijn absoluut niet bij machte zich te realiseren welke vooronderstellingen ze voor zoete koek slikken, en velen krijgen dikwijls gevoelens van onbehagen en desinteresse voor deze vreemde wereld. Dat blijkt onder meer duidelijk uit veel uitspraken van theologen en filosofen over de consequenties van de moderne fysica voor hun eigen disciplines.

Is populair-wetenschappelijke voorlichting dan zinloos? Absoluut niet, mits ze maar voldoet aan het criterium van Einstein. Hij stelde voor alleen die populair-wetenschappelijke publicaties te drukken waarvan vastgesteld is dat ze door een intelligente, kritische leek begrepen en gewaardeerd worden. Zijn boek Über die spezielle und die allgemeine Relativitätstheorie is een schoolvoorbeeld van verantwoorde populair-wetenschappelijke berichtgeving. Wiskundige taal wordt hierin allesbehalve vermeden, maar speelt een essentiële rol. Hoe het niet moet laat Hawkings bestseller A Brief History of Time zien. Weliswaar zijn er miljoenen exemplaren verkocht, maar dat verkoopcijfer is geen graadmeter voor de kwaliteit van het boek. Het zegt daarentegen alles over de marketing en het gemak waarmee mensen zijn te misleiden.

De propaganda voor de ‘Theorie van Alles’ wil dat de natuurkunde waardevrij is. Maar is dat wel zo? Vragen naar de waardevrijheid van de natuurkunde betekent een bezinning op de aard van de natuurkunde. Waar draait het in die leer om? Wat zijn haar uitgangspunten en doelen? Wat betekenen haar resultaten? En hoe gaat ze te werk, van welke werkwijze maakt ze gebruik? Pas na een dergelijke reflectie is het zinvol het gestelde absolute karakter van de natuurkunde al dan niet te verwerpen. Gezien de vereiste kennis van de wiskundige taal wordt hier afgezien van een analyse van grote fysische theorieën als de kwantummechanica en de relativiteitstheorie. Hun onderlinge consistentie en het al dan niet problematisch ervaren karakter van hun inhoud komen niet aan de orde. Alleen de methode van de natuurkunde en de daarmee gepaard gaande vooronderstellingen staan hier ter discussie. Dat is overigens voldoende om uit te maken of de ‘Theorie van Alles’ al dan niet een hersenschim is.

Wat de propagandisten verzwijgen

De beoefening van natuurkunde berust op het vermogen van de mens lessen uit het verleden voor de toekomst te trekken. Natuurkunde is pas mogelijk als de mens gebeurtenissen in tijd en ruimte zinvol kan duiden. Daarbij zijn niet alle menselijke ervaringen relevant voor de natuurkunde. Alleen zintuiglijke waarnemingen doen er toe. En dan nog alleen maar aspecten daarvan. Natuurkunde betreft slechts kwantificeerbare aspecten van zintuiglijke waarnemingen, aspecten die in getallen zijn uit te drukken. Daartoe worden fysische kwaliteiten aan zintuiglijk waargenomen dingen toegedicht, ofwel worden de dingen gekarakteriseerd door meetbare eigenschappen.

De zintuiglijke waarneming vooronderstelt een scherpe scheiding tussen het waarnemende subject en het waargenomen object. Een ik, de zelfbewuste en onafhankelijke westerse mens, stelt zich tegenover de zogenaamde buitenwereld. Anders gezegd: een fysische meting vooronderstelt het bestaan van een onafhankelijke waarnemer. Wil de zintuiglijke waarneming zinvol interpreteerbaar zijn, dan moet het object niet alleen scherp afgebakend zijn van het subject maar ook van de andere objecten. Natuurkunde baseert zich op de idee dat deze onderscheidingen mogelijk zijn. Centraal daarbij staat de idee van een afgesloten systeem, een systeem dat scherp begrensd is tegenover andere objecten en niet beïnvloed wordt door de waarnemer.

Natuurkunde gaat niet alleen over een empirisch weten in de zin van ‘als ik dit doe, dan gebeurt er dat’. Er is veel meer aan de hand. Interpretatie van de meetgegevens is minstens zo belangrijk. Om meetgegevens te interpreteren is theoretische begripsvorming nodig. En theoretische begripsvorming zit weer onlosmakelijk vast aan zintuiglijke waarnemingen of, om het met Einstein te zeggen: ‘Pas de theorie beslist over wat kan worden waargenomen’.

Daarmee rijst meteen de vraag naar de status van de ingevoerde begrippen, van de kwaliteiten die de mens aan de dingen heeft toegekend. Wat betekenen de menselijke inzichten in de natuur als de mens weggedacht wordt? Hebben deze concepten realiteitswaarde buiten hem om? Zijn ze abstracties ontsproten aan de menselijke geest of vertegenwoordigen ze dingen in de realiteit? Is een atoom een theoretisch concept of een ding? Bestaat zwaartekracht? Hier doen mensbeelden hun intrede. Hoe wordt de mens gezien? Als een schitterend ongeluk, als kroon van de schepping of als representatie van het alomtegenwoordige bewustzijn? De visie op de mens bepaalt in wezen in hoeverre natuurkunde en mens te scheiden zijn.

Pirsig behandelt deze kwestie heel indringend in zijn bestseller Zen en de Kunst van het Motoronderhoud. Hij gebruikt hiervoor de vraag naar het al dan niet bestaan van de zwaartekracht en de wet van de zwaartekracht voor het optreden van Newton. Appels (!) leerden Newton het bestaan ervan, volgens Voltaire. De valbeweging van een appel zal in het jaar nul wel dezelfde geweest zijn. Maar valt daaruit te concluderen dat de wet van de zwaartekracht toen al bestond? Of anders gezegd: ontdekte Newton een bestaande wet, of stelde hij een wiskundige beschrijving van de valbeweging op? Voor Pirsig kleven er problemen aan het verabsoluteren van een wiskundige beschrijving tot het werkelijke bestaan van een natuurwet. Hij meent dat alle wetenschap in de geest bestaat. De natuur is geen ding dat ontdekt moet worden. De idee dat de begrippen waarmee de wetenschap werkt een objectief bestaan hebben, is louter fictie, een menselijk bedenksel.

Beaming van het bestaan van atomen of de zwaartekracht mag best, maar mist in wezen elke vorm van argumentatie. In fysische kring wordt nogal eens de argumentatie gehoord dat de ervaring als fysicus hiertoe noopt. Maar die argumentatie overtuigt allesbehalve, omdat er ook fysici zijn die dit niet zo ervaren. Zij zien de ingevoerde theoretische begrippen als scheppingen van de menselijke geest, als een nuttige beschrijving van de wereld waarin de mens gesteld is. De natuurkundige beschrijving houdt zich immers alleen bezig met ideale situaties, die hoogstens benaderd kunnen worden in de praktijk.

Hoe natuurkundigen werken

De werkwijze van de natuurkunde bestaat uit een wisselwerking tussen experiment en theorie. Waarnemingen, experimenten en theorie gaan hand in hand. Theoretische overwegingen leiden tot waarnemingen en experimenten. En omgekeerd leiden waarnemingen en experimenten tot een theorie die op haar beurt weer leidt tot het doen van nieuwe waarnemingen en experimenten. Wezenlijk in dat gebeuren is de abstractie van de fysische praktijk van meten tot wiskunde en vervolgens de concretisering van wiskunde in voorspellingen van metingen. Daartoe worden wiskundige symbolen gedoopt met namen uit de fysische praktijk. Vervolgens worden die symbolen gevat in een wiskundig schema door ze onderling te verbinden via een stelsel van definities en axioma’s. De natuurwetten zijn niets anders dan betrekkingen tussen deze wiskundige symbolen. Dankzij de fysische naamgeving van de symbolen is vertaling van de wiskundige resultaten naar de wereld van de fysische verschijnselen mogelijk. Zonder interpretatie blijft de wiskundige formule een lijnenspel. Kortom, het wisselwerkingsproces mondt uit in een wiskundige theorie, waarvan de symbolen al dan niet als beelden uit de wereld van de fysische verschijnselen zijn op te vatten. Wezenlijk daarbij zijn de vooronderstellingen die aan de theorie voorafgaan. De context waarbinnen de begrippen toepasbaar zijn, bepaalt de geldigheid van fysische wetten.

Essentieel voor de werkwijze van de natuurkunde is dat verschijnselen herhaalbaar moeten zijn. Anders is een betrouwbare beschrijving niet mogelijk. Daarnaast is de methode reductionistisch. Centraal staat de idee dat het beschouwde systeem is uiteen te leggen in zijn wezenlijke bestanddelen. Zo wordt een koperdraad gezien als opgebouwd uit koperatomen. Op zijn beurt is een koperatoom samengesteld uit een positief geladen koperkern en negatief geladen elektronen. De kern is weer samengesteld uit protonen en neutronen. En ook die beide laatste deeltjes bestaan uit subdeeltjes, de quarks. En hier houdt de reductie (voorlopig) op. Er zijn fysici die de reeks willen voortzetten door ook bestanddelen voor de quarks in te voeren, maar die voortzetting lijkt vooralsnog overbodig.

Het resultaat van deze werkwijze is een gezicht van de natuurkunde waarin geen menselijke trekken zijn te ontwaren. Immers, het uiteindelijke resultaat is een rekenschema (theorie) dat ingaande getallen (input) omzet in uitgaande getallen (output). Wat na al het menselijk geploeter overblijft, zijn als natuurwetten bestempelde rekenregels. En de zeggingskracht van die regels is meer dan indrukwekkend. Die regels geven een geweldige greep op het leven in deze wereld. Denk maar aan de mathematisering van de elektromagnetische verschijnselen in de negentiende eeuw. De resulterende elektromagnetische theorie heeft geleid tot enorme technologische consequenties waarzonder de huidige maatschappij ondenkbaar is. Uit de grote ontdekking van de fysica van elektriciteit en magnetisme volgen de grote uitvindingen van de elektrotechniek. Daarmee leverde de fysica het bewijs van haar maatschappelijke relevantie. Dan wordt door de elektrotechniek het bewijs geleverd dat de wetenschap de basis is van de techniek. De negentiende-eeuwse elektrotechniek was tevens van beslissende betekenis voor de natuurkunde van de twintigste eeuw. Dankzij de gevoelige meetapparatuur die door de elektrotechnische industrie werd ontwikkeld, zijn gebieden als atoom- en kernfysica ontsloten. Nieuwe theorieën als de relativiteitstheorie en kwantummechanica zien het licht. De wiskunde blijft daarbij dominant aanwezig.

De ultieme ideologie van leven en dood

Aan het eind van de zeventiende eeuw stelde Newton een nieuwe bewegingsleer op. Daarin is niet langer relevant of een materieel object beweegt op aarde of aan het hemelgewelf. Volgens dit inzicht is het rekenschema – de bewegingswetten – universeel geldig. Daarmee doet het absolute in de aardse vergankelijkheid zijn intrede. Een zeer invloedrijke interpretatie van Newtons bewegingsleer wordt gegeven door de Verlichtingsfilosoof Voltaire. Hij zet de eerste stap in de richting van de ‘Theorie van Alles’ door uit de nieuwe mechanica te concluderen dat al wat beweegt aan natuurwetten is onderworpen. Daarop lanceren de encyclopedisten het naturalisme, de idee van de alomvattende theorie dat alle verschijnselen als beweging van delen kunnen en moeten worden verklaard. Voor hen is dit de enig zinvolle kijk op de werkelijkheid. Het naturalisme, nu de ‘Theorie van Alles’ genoemd, gaat ervan uit dat de natuur of werkelijkheid een gesloten systeem is van materiële dingen. Deze dingen, waartoe ook de levende wezens behoren, zijn geordend in ruimte en tijd en onderhevig aan natuurlijke processen die strikt voldoen aan causale wetten. Al deze processen en wetten kunnen wetenschappelijk beschreven en verklaard worden.

De wetenschappelijke wereldbeschouwing van het naturalisme heeft het denken in de negentiende en twintigste eeuw sterk beïnvloed. Denk maar aan het invloedrijke logisch positivisme van de Wiener Kreis. Het wereldbeeld van veel hedendaagse wetenschappers en intellectuelen verschilt in wezen niet van het mechanisch-deterministische wereldbeeld van de negentiende eeuw. Dit blijkt onder meer duidelijk uit de populair-wetenschappelijke literatuur waar deze overtuiging met kracht wordt uitgedragen. Daarin wordt het als vanzelfsprekend voorgesteld dat alles valt uiteen te leggen in bestanddelen. De methode is verworden tot een ideologie, het metafysisch reductionisme. Het staat buiten kijf dat reductionisme als uitgangspunt van een natuurwetenschappelijke beschouwing van de wereld van de verschijnselen erg succesvol is. Reductionisme is een waardevolle leidraad bij het doen van onderzoek. Maar het proclameren van die leidraad tot de enig ware zienswijze op de werkelijkheid mist iedere argumentatie.

In wezen betekent die zienswijze dat de wereld van het kleine een kopie van de wereld van het grote is. Bestaan atomen uit een kern en elektronen die als planeten om de kern cirkelen? Is het atoom niets anders dan een deeltje dat de som is van andere deeltjes – elektronen, protonen en neutronen – mits de som maar goed gemaakt wordt? Opmerkelijk is dat het problematische van die voorstelling meestal wordt genegeerd. Juist de fysica van de twintigste eeuw heeft de oorspronkelijke opvatting van de encyclopedisten van vraagtekens voorzien. Die fysica heeft in de vorm van de kwantumtheorie de beperkte bruikbaarheid van begrippen als ‘deeltje’ en ‘bestaan uit’ laten zien. Daarnaast is de vanzelfsprekendheid waarmee begrippen als ‘aanschouwelijkheid’, ‘realiteit’ en ‘causaliteit’ in de fysica worden gehanteerd zeer discutabel geworden. Het heeft er dan ook alle schijn van dat het naturalisme is verworden tot een naïef realisme, een geloof in de objectieve werkelijkheid van de bestanddelen van fysische theorieën.

Deze houding is kenmerkend voor veel hedendaagse fysici. En dat is toch wel merkwaardig. De kwantumtheorie ontstond in de eerste drie decennia van de twintigste eeuw en de opstellers ervan waren zich wel bewust van de kentheoretische problemen die deze theorie opwierp. Zij achtten het negentiende-eeuwse wereldbeeld niet meer houdbaar. Het problematische van een strikt reductionistisch standpunt blijkt onder meer uit de onmogelijkheid een levende cel te begrijpen als de som van de samenstellende atomen ervan. Een uiteenleggen van die levende cel in de chemische en fysische bestanddelen ervan doet het leven verdwijnen. Maar hoe moet er ‘gesommeerd’ worden om het leven weer terug te krijgen? Een wiskundige uitdrukking voor leven bestaat niet. Laat staan dat de uitkomst van een berekening als leven kan worden geïnterpreteerd.

De mens als zodanig komt niet voor in dit metafysische wereldbeeld dat de wereld terugbrengt tot een kwestie van deeltjes of velden en hun wisselwerking. Maar dat is alleen maar schijn. De mens is impliciet aanwezig en wel als waarnemer, experimentator en opsteller van theorieën. Natuurkunde is een venster waardoor de mens naar de werkelijkheid kijkt. En over die ervaringen wil hij een verhaal vertellen dat orde in de chaos brengt. Omgekeerd vertelt natuurkunde ook een verhaal over de mens: hoe hij greep krijgt op de wereld waarin hij gesteld is. Of, met de woorden van Niels Bohr, een van de belangrijkste grondleggers van de kwantumtheorie: natuurkunde gaat over wat mensen over de natuur kunnen zeggen. En dat verhaal is zonder meer indrukwekkend, zelfs zo indrukwekkend dat veel toonaangevende fysici het verhaal willen presenteren als de waarheid omtrent de grond van het bestaan. De natuurkunde is niet langer meer een menselijke activiteit die verwondering wekt. Voor hen gaat het om een rapportage hoe en waarom de wereld is zoals ze is. De feitelijke visie van Bohr vervangen zij door een geloofsuitspraak. Zij belijden dat fysische wetten absolute gegevenheden zijn, die onafhankelijk zijn van de mens. En daarbij vergeten zij hun eigen mens-zijn. Zij zien het problematische van waardevrij onderzoek en de beperktheid van de taal en de daarbij gebruikte begrippen over het hoofd.

De ultieme theorie: een kolos op lemen voeten

Waardevrij onderzoek impliceert dat de onderzoeker zich niet laat leiden door emoties of cultuurbepaalde ballast. Weliswaar behoren die zaken tot het mens-zijn, maar volgens de aanhangers van de ‘Theorie van Alles’ zijn ze te beschouwen als uitingen van een conglomeraat van velden en deeltjes, dus in de grond van de zaak irrelevant. Zo zijn ervaringen van liefde, schoonheid en mededogen materieel en meetbaar, te reduceren tot fysische verschijnselen. Dat idee komt duidelijk tot uiting in de opvatting dat een begrip als bewustzijn of geest terug te brengen is tot biologische structuren en daarin optredende chemische reacties en elektrische verschijnselen. Maar is hun materialistische oplossing van het vraagstuk van lichaam en geest wel houdbaar? In ieder geval is de visie dat het materialistische principe – de idee dat alles is terug te brengen tot deeltjes en velden in onderlinge wisselwerking – volstaat om de werkelijkheid te verstaan, niet onomstreden in natuurwetenschappelijke kring.

De natuurkunde kan niets beginnen met de voorstelling van de geest als niet-materieel bewustzijn. Ze is daartoe niet uitgerust. De natuurwetenschap heeft wel geresulteerd in een indrukwekkende beschrijving van de mens als robot van vlees en bloed, een vleesgeworden computer die functioneert dankzij een complex systeem van onderling gekoppelde neuronen. Dat beeld maakt duidelijk dat het bewustzijn onmiskenbaar materiële aspecten heeft. Immers, het gedrag van de mens valt te beïnvloeden met behulp van fysische en chemische middelen zoals elektroshocks en drugs. Maar de vraag of het bewustzijn uitsluitend materiële aspecten heeft, is daarmee nog niet beantwoord. Het robotmodel mag een geschikte werkhypothese zijn voor neurobiologisch onderzoek, maar realiteit is dit model van de mens als geïncarneerd computerprogramma geenszins. Volgens Popper moet aan een wetenschappelijke theorie de eis gesteld worden dat ze empirisch falsificeerbaar is. Anders valt er niet te ontkomen aan allerlei ideologische voorkeuren die in wezen niets verklaren. En dat is juist het probleem met de visie dat de mens een robot is. Er is bewustzijn nodig om over bewustzijn te spreken, net zoals logica nodig is om over logica te discussiëren. Maar hoe valt definitief vast te stellen dat iemand of iets anders een bewustzijn heeft? Daarvoor is nodig te weten wat een bewustzijn is. En dat probleem voert direct naar een van de oudste raadsels van de filosofie, het probleem van het solipsisme.

Het uitgangspunt van de ‘Theorie van Alles’ is overigens niet onproblematisch. Ook het ‘al wat bestaat is een conglomeraat van interagerende velden en deeltjes’ werpt vragen op. Zo valt hieruit niet te begrijpen dat een bewustzijn de blik op zichzelf kan richten, vragen kan stellen over zijn bestaan en er antwoorden op kan geven. Welke reden heeft een robot om te vragen naar de zin van zijn bestaan? Kan hij (of zij: als dat onderscheid nog geldt) lijden? Kan hij verwondering tonen? Kan hij mediteren over leven en dood? Kan hij vragen naar de aard van zijn bewustzijn? Tot nu toe is niet gebleken dat kunstmatige intelligentie daartoe in staat is. Kunstmatige intelligentie kan veel, maar wat er op dat gebied in de toekomst ook bereikt wordt, het enige wat men te weten zal komen, is wat er mogelijk is zonder menselijk bewustzijn.

Bovendien dringt zich de vraag op of mensen wel wetenschappelijk kunnen verklaren dat ze voelen, willen en denken. Dat ze een bewustzijn hebben, dat ze weet hebben van zichzelf en van de wereld van de verschijnselen, de dingen buiten hen. Wetenschap is per definitie reductionistisch. Een wetenschappelijke verklaring van de menselijke geest baseert zich dus op de aanname dat de menselijke geest zichzelf eenduidig kan ontleden. Maar is die aanname wel zinvol? Wetenschap baseert zich op het bestaan van een onafhankelijke waarnemer. Zinvolle wetenschap vereist een scherpe scheiding tussen een goed afgebakend object en een subject. Maar is die eis hier wel haalbaar? Is het object wel goed af te bakenen, en hoe zit het met zijn scheiding van het subject? Vallen object en subject in dit geval niet samen?

Overigens is het heel goed denkbaar dat de tegenstelling materieel versus spiritueel kunstmatig is. Het menselijk wezen, dat deels geest, deels materie is, is daar een prachtig voorbeeld van. Waarom dat menselijke bedenksel van een tegenstelling tussen het materialistische en het spiritualistische principe? Het is niet eens duidelijk wat begrippen als ‘materie’ en ‘geest’ precies inhouden. De controverse van lichaam en geest vloeit direct voort uit het bedenksel dat de wereld verstaan kan worden vanuit één enkel principe dat kennelijk een onproblematische inhoud voor zijn bedenkers heeft. Maar beide principes zijn ook als elkaar aanvullend in plaats van uitsluitend te zien, als twee zijden van dezelfde medaille of twee vlakken van een veelvlak. Beide zijn te zien als vensters op diezelfde werkelijkheid, het absolute. Ze representeren in hun vermeende tegenstelling als het ware een verwijzing naar het mysterie van het bestaan.

Er lijkt niet te ontsnappen aan de conclusie dat natuurkunde resulteert uit de wisselwerking tussen de menselijke geest en de wereld van de verschijnselen. De geest schept de taal, de begrippen, die de wereld van de verschijnselen toegankelijk maken. Alles wat zich aan de mens opdringt uit die wereld is eerst door de mens voorbewerkt, theoretisch, begrippelijk of hoe dan ook. Maar hoe staat het met die taal? Is taalgebruik onproblematisch?

Taal bestaat uit woorden waaraan een betekenis is toegekend en die betekenis maakt het ons mogelijk min of meer eenduidig met elkaar te communiceren. Het gebruik van die begrippen lijkt in eerste instantie geen probleem te vormen gezien de alledaagse ervaring. Maar een kritische analyse van de begrippen leert anders. Dan blijkt dat er een intrinsieke onzekerheid kleeft aan de betekenis van de woorden. Woorden blijken minder duidelijk omschreven dan aanvankelijk gedacht. Weliswaar kan nauwkeurig gedefinieerd worden onder welke omstandigheden een woord gebruikt mag worden en een bepaalde betekenis heeft, maar daarmee is het probleem van de intrinsieke onzekerheid niet opgelost. Immers, zo’n definitie vergt weer andere begrippen die op hun beurt weer gedefinieerd dienen te worden. Uiteindelijk blijven dan altijd ongedefinieerde begrippen over. De analyse van een willekeurig begrip loopt op den duur noodzakelijkerwijs dood op begrippen die genomen moeten worden voor wat ze zijn. En die vaststelling heeft zo haar consequenties. Want hoe is de al dan niet terechtheid van het vertrouwen in de gebruikte begrippen te bepalen? Is die kennisbron het gezond verstand? Maar hoe is dat gezond verstand dan te omschrijven? En is er nog wel waarheid toe te kennen aan uitspraken als de exacte betekenis van de gebruikte woorden niet duidelijk is?

De intrinsieke onzekerheid van taal vormt voor het alledaagse leven geen enkel probleem. Verreweg de meeste mensen zijn zich dan ook van geen probleem bewust. Maar het wordt anders bij reflecties over zaken als ‘waarheid’, ‘bewustzijn’ en ‘werkelijkheid’. In de wiskunde bestaat een vergelijkbare problematiek. Ook deze logische taal kampt met een intrinsieke onzekerheid. Gödel toonde aan dat wiskundige uitspraken mogelijk zijn zonder dat kan worden aangetoond dat ze waar of onwaar zijn. Hij liet zelfs zien dat het een open vraag is of de wiskunde wel consistent is. In wezen weten wiskundigen dus niet waar ze aan toe zijn als ze wiskunde bedrijven, maar toch trekken zij zich daar niets van aan. Die intrinsieke onzekerheid vormt geen enkele belemmering voor wiskundigen om hun professionele werk te doen. Echter, zodra kentheoretische vragen over de wiskunde worden gesteld, is de intrinsieke onzekerheid niet langer te ontlopen. De vraag naar de waarheid van de wiskunde voert regelrecht in het moeras van de onzekerheid.

Een waarheid als een koe

De ‘Theorie van Alles’ is een waardig vertegenwoordiger van de huidige maatschappij met haar megalomanie, beursspeculaties en luchtkastelen. Die visie geeft de verkondigers de status van hogepriesters, is gebaseerd op speculaties, en gaat voorbij aan de realiteit van het mens-zijn. In wezen gaat het om een misbruik van natuurkunde. Argumenten voor een waardevrije natuurkunde zijn er niet, er kan alleen maar over gedroomd worden. Natuurkunde is een mentale constructie van de werkelijkheid, een conceptualisatie van de wereld van de verschijnselen door de menselijke geest. Dwingende redenen om een objectief bestaan aan deze begrippen toe te kennen ontbreken. Fysisch waarnemen betekent kijken naar de eigen voorstellingen van de wereld. Maar daarbij is wel waakzaamheid vereist om zich door de successen van deze denkbeelden niet te laten bedwelmen. Want het gevaar van een verwording van de werkelijkheid in een ‘ik-hier’ tegenover een ‘dat-daar’ met de daarbij horende inhumane consequenties is dan levensgroot.

Natuurkunde als zodanig geeft geen enkele aanleiding tot een liefdeloze, zielloze en onpersoonlijke kosmologie als de ‘Theorie van Alles’. Die wereldbeschouwing is een typische uiting van de agressieve westerse cultuur. Een fysicus die propaganda maakt voor een dergelijk wereldbeeld spreekt niet als fysicus, maar doet een uitspraak over zichzelf.