Hans Andreus

‘Ik weet niet wie ik ben / ik weet niet wie ik was / ik loop alleen maar men / wordt nooit van iets iets wijzer.’ Gedichten van Hans Andreus (1926-1977).

Redactie Hans van Dam; titels origineel.

Dwaalgids > Belletrie > Hans Andreus


Uit Waarom daarom, 1967:


Waarom daarom (of het klemtoonliedje)

Wil ik weten waaròm,
zoek ik Wáárom Dáárom op.
Hij heeft een harde houten kop,
maar hij is echt niet dom.

Vraag ik hem waaròm,
dan zegt-ie: ‘Wáárom? Wáárom?
Dáárom! Dáárom! Dáárom!
En voor de rest: daaròm!’

Zeg ik dan ontevreden:
‘Maar dáárom is geen reden,
zegt Wáárom Dáárom: ‘Doe niet zo stom,
daar gaat daaròm niet om!’

‘Waar gaat waaròm dan om?’
vraag ik dan weer. Maar hij:
‘Wáárom? Dáárom! – zoals ik al zei.
En daar blijf ik bij!’


Uilenwijsheid

Een dikke wijze uil die zei:
‘Die wijsheid dat is niks voor mij!

Want daar een uil voor wijs doorgaat,
vraagt iedereen me maar om raad.

Zodat ik altijd denken moet
en altijd denken is niet goed.

Je wordt er dun van en boosaardig
en ik blijf liever dik en aardig.

Dus neem ik nu een wijs besluit:
het is met al mijn wijsheid uit.

Vraagt iemand mij nu weer om raad,
dan hoort hij niets dan mallepraat!’


De papegaai

Er was een keer een papegaai,
die sprak zo mooi en wijs en fraai
als zelfs de knapste professoren
en dus liet hij zijn stem steeds horen:

‘Dames en Heren, hum, hum,
ik wil maar beweren, hum, hum,
zoals ik al zei, hum, hum, ja, ja,
enzovoort en etcetera!’

Die papegaai ging vaak op reis
en sprak dan mooi en fraai en wijs
in stadje, dorpje of gehuchtje –
overal hoorde je z’n kuchje:

‘Dames en Heren, uch, uch,
ik wil maar beweren, kuch, kuch,
zoals ik al zei, hum, hum, ja ja,
enzovoort en etcetera!’

Maar plotseling, op een goeie keer,
toen wou die papegaai niet meer.
Hij sprak: ’t Is leuk, dat vele praten,
maar wijs is hij die ’t na kan laten …

Dames en Heren, hum, hum,
ik wil maar beweren, hum, hum,
dat wie te veel praat, zelfs wijs en fraai,
die lijkt, hum, hum, op een papegaai!’

Hum, hum!

Jaja!


Uit Verzamelde gedichten, zesde druk, 2001:


Er drijven maar wolken over

Er drijven maar wolken over
wolken van grijs en wit
wolken waar licht op ligt
ik kan aan de wolken geloven.

Er drijven maar wolken over
wolken van langzaam op reis
wolken van grijs en grijs
ik moet aan de wolken geloven.

Ik kijk maar ik kijk er maar naar
ik kijk naar de wolken te kijken
begin op de wolken te lijken
ik drijf als een wolk de hemel weet waar.
(14)


’s Nachts

De regen van noem mij desnoods geen regen
wordt door geen oor wordt door de huid gehoord.
Booglamplicht geeft waarom daarom zijn zegen;
de hemel zwijgt en zwijgt van enzovoort.

En niemand komt niemand dan niemand tegen.
En niemand zegt ik ben een iemandswoord.
En niemand zegt ik ben maar ben verzwegen.
De hemel zwijgt en zwijgt want enzovoort.

En wij wijzelf gaan wonderlijke wegen:
wij varen om de tropen van de noord
figuurlijk zelfs met ons figuur verlegen.

En staan op straat en lopen toch weer door ‘t
noem mij desnoods noem mij desnoods dan regen.
De hemel zwijgt en zwijgt en enzovoort.
(15)


Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht.

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.


Kleine ballade

Ik loop maar in mijzelf
verzonken met mijzelf
de wegen zijn van glas
de hemel is van ijzer.

Ik weet niet wie ik ben
ik weet niet wie ik was
ik loop alleen maar men
wordt nooit van iets iets wijzer.

Er hangt een mist van licht
ik loop met mijn gezicht
mijn kleren en mijn huid
het leven in en uit.
(26)


Fluitspelen

Ik sta maar in de tijd
en blaas steeds weer altijd
de klanken die ik vond
met een gebroken mond

door het onwijs stuk hout
dat ik verborgen houd
binnen mijn handen ik
speel maar speel mijn muziek

ik weet niet meer waarom
ik weet niet meer waartoe
zomaar en nergens om
het doet er ook niet toe.
(27)


Het vrolijk einde

De zee vergaan
het land verbrand
staat het licht leeg.

Meneer al ben ik het
zelf pardon wat
betekent dit?

Niets is er nooit
gelukkig nooit
meer iemand thuis.
(29)


Liefste en dood

Duizelig van moeheid na het schrijven van letters
schrijf ik weer letters en woorden en zinnen
ik kan het niet helpen het schiet mij te binnen
het schiet mij te binnen ik schrijf het maar neer.

Wat weet ik een vogel met ogen van sterven
met ogen naar binnen het oog ingekeerd
die stond in de zee waar de zee bijna eindigt
met ogen van sterven ik wist er niets van.

Wat weet ik wat overal rondloopt met ogen
met ogen van droefheid-van-tin maar er valt
toch wel iets te zien het is net hoe het uitkomt
het leven de dood niemand weet er iets van.

Wat weet ik wat weet ik de liefste haar lichaam
haar mond en haar ogen wat weet ik misschien
de dood in haar lichaam het licht staat te huilen
nee dat niet ik dank je ik dank je nog wel.

Wat weet ik de straten de stenen de huizen
de kranten de wereld het gaan en het staan
maar het is niets waard zeggen 3 miljoen sterren
maar wat weten sterren niet eens mijn adieu

Niet eens mijn adieu het moment dat ik wegga
niet eens mijn ik wil wel de tijd dat ik blijf
niet eens maar een vogel met ogen van sterven
niet eens maar een wereld van liefste en dood.
(34)


[zonder titel]

Nog is de slaap der beminden niet ziende. Want alleen een blinde met de ogen van de ruimte kan de uren en ogenblikken tot in het oneindige verlengen, de tijd overmeesteren en de wereld tot een volgeling maken. Men weet het maar wie weet het? (150)


[zonder titel]

Met scherpe blinde ogen
gericht op het doel,
gaande langs zijn gevoel
en treurend alleen met zijn verstand,

met scherpe blinde ogen
gericht op een leven
boven een leven, boven
een wereld onder de wereld,

de man die schrijft verandert
steeds weer in zijn schrijvende hand,
die meer dan een mens kan geloven.
(179)


Gevaarlijke taal

Geloof mij niet.
Ik spreek de gevaarlijke taal.
Die ik nog inkleed, aankleed,
masker en maskeer, dom-
weg dichterlijk begraaf
onder de koude aarde
der hedendaagse woorden.
Die ik behang met sierselen
en leer spelen: taal,
spring, buitel en dans.
Zoals de dood ook speels werd,
speels als een nar, een hond.

Grote God, waarom,
waarom hecht ik nog aan
mijzelf? nog aan een ander: mens die schrikt
van gevaar? Laat mij gaan. Ik
heb u niets te zeggen, niemand
iets. Kijk in de spiegel.

Maar geloof mij niet
en nooit.
Mens, ik heb geen leven.
Mens, ik heb geen dood.
Misschien, misschien, misschien
zal ik een aanwijzing betekenen,
onverschillig of ik leven zal of sterven.
Sterf ik? Versier dan niet mijn echo.
Leef ik? Luister dan met een half oor.
En vind het zelf maar uit,
wanneer de moed nog niet gefaald heeft,
ge nog niet zit en glimlacht.
(196)


Met dubbele tong

Niet het naakte lied.
Het naakte lied heeft geen armen
om wat leeft te omarmen.
Het naakte lied heeft geen adem.
En het is koud, koud
van waarheid en gemis.

Schenk iedere onbekende zijn masker
en mijzelf ook
een ander gezicht. Wij weten
altijd wel beter,
maar bestaan slechts dubbelzinnig,
alleen door
het onberekenbaar visioen.

Er moet een mantel van weten zijn,
die wij kunnen verdelen.
(207)


[zonder titel]

Te zeggen: ik.
Dan niet meer weten.
Te zeggen: jij,
vriend, vriendin, vrouw,
dan trachten de vleugels te spreiden.
Het kan ook eenvoudiger:
zitten aan een cafétafel tussen mensen,
gaan waar de millioenen gaan,
hardlopen of stilstaan
en zeggen: ik,
u, jij –
en niet meer weten.

Woorden weten het wel.

Wij niet.
(245)


[zonder titel]

Ook de zienden echter zijn blind.
Nooit blind genoeg. Ze zijn onzichtbaar.
Licht valt weg. Is er een terug?

Maak mij onverschillig voor de richting.
Ziek van silhouetten
en van grijpen naar de lucht,

ben ik gelijk een ander, maar draag
inzicht als een man op mijn schouder.
Een stervende. Ik ken hem niet.


Lichamen

Lichamen: koperkleurige kajaks,
aan land gebracht,

veranderend: onbegrijpend
rekt zich het lichaam aan het lichaam.

De woorden worden snelle schaduwen van vuur.
(353)


De nacht is lang

Vraag mij uw droom niet.
Ik sta alhaast zonder.
Vraag mij uw
tweede werkelijkheid;
vraag mij uw ongeveinsde beeldspraak.

Ik ga wel om
in de werelden,
maar zonder nog veel vertrouwen,
zwerf hier oplettend
als de kat in het vreemde pakhuis.

Vraag mij wat ik weet
en ik zal u nauwelijks antwoorden.
Ik zal zeggen:
de nacht is lang.
(360)


uit Misschien

V
Dodelijk in mij
een ander woord.

Het is rond,
want het weet weinig

van rechtlijnig.
Maar het licht

op wanneer ik
mij niet verdedig

en wij bestaan
in het zinledig.
(403)

VII
De aarde en de sterren –
maar zij kennen elkaar niet.
De ruimte gelooft ons wel
en de wereld een oude vrouw.
Over de aarde kruisen
krankzinnig geworden mieren.
En wij zwemmen in diepe waters.
Maar wie weet, wie weet, wie weet?
(405)

XV
Geloof mijn woorden,
muzikale zwerfstammen,
brandstichters,
diefachtigen.

Hun muziek gaat langzaam
over de wegen van de aarde.

Hoor de liederen, hoor het laatste woord:
verlorengaan is verdergaan.
(413)


Lied om te leven en dood te gaan

Niet de cocon van een god,
maar in de huid van een mens,
een mens om het licht heen gebouwd,
met een horizon achter de hand.

Een horizon die niet bestaat.
En het hart zoekt begrenzingen hier
in een huis van steen, in een vrouw,
in een boom in verbluffende bloei.

Het water stijgt, het vuur brandt
en de lucht valt langzaam als sneeuw
en de mens gaat rond in zijn huis
en in zijn lichaam om het licht heen gebouwd.

O lichaam dat niemand begrijpt,
o lichaam dat vraagt om gehoor:
de stem die het lichaam verwoest
denkt niet aan de pijn van de huid,

de pijn aan de huid van de mens,
de pijn in het merg van het been,
de pijn van het lichaam dat hongert,
de pijn van de liefde die dorst.

En zo duidelijk is niet een mens,
dat hij weet wat er met hem gebeurt.
En die wij dan liefhebben, zij
schaduwen ons naar het dal,

Naar de nauwe vallei van een mens,
naar zijn lichaam, zijn huis en zijn vrouw
en een boom in verbluffende bloei.
Maar wij weten niet wat er gebeurt.

Behalve dat namen vervagen
tot bleke en stervende manen,
behalve dat mensen verdwijnen
en de stem zelfs verdrinkt in het licht.

Maar dat is teveel om te zeggen
en lang niet genoeg om te leven.
Wat namen heeft, heeft nooit bestaan
en ik geloof niet dat ik ben.

Want eerst als de dood niet meer weet van de pijn,
eerst als de liefde de grens van de huid
overschrijdt in de nacht van de stilte,
dàn zullen de woorden gaan slapen.

Tot dat uur de huid van een mens
en niet de cocon van een god.
Tot dat uur het niet willen zeggen,
dat alles hier leeft van alsof.

Alsof wij de huizen bewoonden,
alsof wij ons lichaam bewoonden,
alsof wij de vrouw antwoord vroegen,
alsof wij hier stonden in bloei.

Alsof wij onder angst bukten,
alsof wij de tranen verdrongen,
alsof wij van hoop op redding
bestonden als van een soort brood.

Zolang dan de huid van een mens
en niet teveel denken aan vlinders.
Gelovigen, vromen en bidders
en alle mensen die koud

of warm of waanzinnig leven,
geloof aan de huid van de mens,
de mens om het licht heen gebouwd,
maar de mens en de mens en de mens.
(429)


Langzaam sterf het verleden

Langzaam sterft het verleden: gezichten worden doodse ovalen
in de herinnering, lichamen hebben geen warmte meer,
in de zon brandende steden worden vreemde stapels steen,
landschappen tonen zich hard en onwerkelijk: brekende verf.

Zo raakt men alles kwijt en wordt men er toe gedwongen
tenslotte die zwervende tent te bewonen: het ogenblik –
en niet te zien naar verleden of toekomst als heiligen proberen,
alleen is men geen heilige maar een vragend wezen, een mens,

bekommerde nomade die van hard licht wel iets afweet,
maar het niet steeds kan velen aan zijn weggedoken ogen,
verborgen ook voor de anderen met hun vlaggen en hun wimpels
en hun krioelende wereld eenzamer nog dan de zijne.
(506)


Stille drinker

Doodgaan is door de hals van de fles gaan,
geslikt worden door een altijd drinkende kosmos,
die nooit iets uitlegt maar drinkt en zwijgt.
(521)


Dag

Boom min boom,
mij min mij,
de uitkomst al tevoren
weggewaaid:

dat is de goede
raad van de dag.
(542)


[zonder titel]

Ik weet haast niets meer
van alles wat ik eens heb willen zeggen.
Ik wil haast niets meer zeggen.
Alleen iets van het licht.
(605)


[zonder titel]

Het licht verliest
zo snel zijn gezicht
dat ik denk dat het dat
niet heeft.
Ik weet ook
niet hoe ik leef.
(620)


[zonder titel]

Niets zal ik zien.
Ik,
dit
ik
niet.
Want liefde zal mij blinde ogen geven
en ik zal nergens, nergens meer zijn,
weg in de nacht van het licht,
omdat ik,
omdat
dat
er niet is.
(629)


In Biberach

In Biberach, omstreeks Vijftienhonderd,
paste een brave magister
het Onzekerheidsprincipe toe
van Heisenberg,

want hij (de magister) zuchtte en zei:
‘Ich leb und weisz nit, wie lang’
en hij zuchtte nog eens en zei:
‘Ich sterb und weisz nit, wann.’
en hij zuchtte weer eens en zei:
‘Ich fahr und weisz nit, wohin.’
en hij zette zijn hoed op en zei:
‘Mich wundert, dasz ich fröhlich bin.’
(645)


Waaier

Waaieren uit
elkander; ijle
ophopingen van stof
verstuiven uit de vouwen van mijn lichaam.
Zo groot als alles, ben ik niets.
Ik wuif mij dodelijke koelte toe
en mijn hand trilt van weer leven.
Op de waaier staat niets geschreven.
(650)


Wat dan nog

Soms waag ik het
werkelijk
niets
te zeggen.

Soms waag ik mij
aan de stilte
die dan terugslaat.

Licht stokt
later weer tot stof.

Maar wat dan nog?
(651)


De golf-deel-theorie

Van mijzelf
als golf
weet ik niet zoveel.

Maar zelfs als ik mij uitspeel
als deel,
kan ik nog overal naar toe,

maar weet van geladen
stilte niet
wat ik doe.
(653)


Eenvoudige semantiek

Ik ben benieuwd naar,
maar ook bang voor,
het meervoud van bijvoorbeeld
stoelen.
(655)


Soms een lichte weerstand

Soms wel wat veel, mijn God, de samenhang
van al die weefsels leegte die ik ben
en die ik blijven zal mijn leven lang,
zolang ik ze als leegte niet erken,

blind blijf van ik, mijn God, het ellenlang,
het levenslang gebeuren dat ik doe,
de golven op het scherm, het trillend, bang
bewegend beeld – ik kijk al zo lang toe,

maar zie de gek niet die in U gelooft
en die met licht en leegte spelen kan;
ik zie alleen de haastige denkman,

die zich met formuleringen verdooft:
de kruisweg van de aarde naar de zon,
de liefde tussen kern en electron.
(669)


Het ideaal waarnaar wij streven

Geen idee.
Geen vergelijking met.
Geen zicht op.
Geen vorm van.
Geen inhoud in.
Geen grens aan.
Geen kant langs.
Geen scheiding in.
Geen idee.

En heel de rest een kwestie
van verkeerde identificatie?

Geen idee, etc.
(670)


Achteruitzicht

Het weer ligt stil. Geen wind.
De lucht laag, onbeweeglijk.
De bomen ontegenzeggelijk
kaal. Nergens begint

iets tot leven te komen.
Geen onverstoorbare vink
slaat. Geen vrouw die zingt.
Zelfs geen worm die de kop opsteekt

uit de grijzende grond.
Ik moet dus wel
wachten tot dit bleke gezwel,
tot de winter openbreekt

en een God groen als een kind
van overal naar mij toekomt,
babbelend als een gek
als hij doet dat hij spreekt.
(693)


uit Drie Christus-gedichten

Nu deze man die luistert naar mijn naam
tot bijna niets is teruggebracht: een huid
van warmte of koude en ogen uit-
kijkend als die van een kind voor het raam

naar wat er ook gebeuren mag maar zonder
vooruit te denken dit of dat – en nu ik
niet meer in woorden die mijn brood zijn stik
maar drijf op stilte of ga rustig onder,

nu ik weer minder wijs mag zijn dan ooit,
geen toekomst heb, ook naar de geest berooid
mijn eigen spel hoe dodelijk ook weer speel

nu het zover met mij is gebeurt het wel
dat ik de dwaas die kermde aan het kruis
nabij mij voel. Hij zwerft hier door het huis.
(703)


Meningen

Niet te geloven:
iedereen heeft meningen
alsof het niets is.
(710)


Ouder worden

Alleen maar meer dan
vroeger verward en geloof
mezelf nog minder.
(710)


Sprookje voor armen van geest

Eens leefde ik
als gras,
als een steen.

Lucht en aarde,
ze waren één
beweging

die nooit tot
iets dienen zou.
En ik leefde

nog lang en gelukkig
met haast niets
dat ik wou.
(733)


Hand

De woorden die blijven staan
en ik die daartussen beweeg –
ik leef
om een dubbelganger neer te schrijven,

dacht ik, maar ik denk
dat er meer is:
een gemis
als een hand wenkende,

lege hand alles
wegvagende,
wenkende, vragende:
kom.
(738)


Leegte 1

De leegte heeft één
goede eigenschap: leegte,
wat je ook invult.
(750)


uit de cyclus Jubal

Maar àls ik al de waarheid wist, hetgeen de hemel verhoede, sprak Jubal vroom, wat zou ik dan de waarheid zeggen? Om niet meer dan gelijk te hebben?
De oude explicateurs zijn dood, zei Jubal. De nieuwe trouwens ook. (760)

De eerder aangekondigde lezing van professor Jubalus: Is Iedere Identiteit Slechts Een Identificatie Met? zal Woensdagavond a.s. geen doorgang vinden i.v.m. gerezen bezwaren van de kant van het Algemeen Vakverbond van Vormingsleiders, alsmede van de zijde van het Nationaal Instituut voor de Gedragswetenschappen.
Tevens werden het paspoort, het rijbewijs en de girobetaalpas van prof. Jubalus ingetrokken en zullen brieven en stukken aan hem gericht officieel worden vernietigd. (766)

Het zal nu wel duidelijk zijn:
Heer Jubal is tegen
een vaste personage

(for, said he, nothing itches
like your image)

en daarom zie je hem ook niet
en als je hem ziet
is hij het niet.
(767)

Ik wou dat ik wist wie ik was,
maar al zie ik mij helder als glas,
dan zie ik vierhonderd
personen verwonderd
te kijk lopen onder het glas.
(768)

Dame Zilvermunt,
eigenlijk alles
op de wereld

had beter gekund
of slechter
of krommer

of rechter
(hoewel waarom
liever recht dan krom).
(785)


Spray

Feilloos werkt de zon
en ook de volle bomen
bieden geen onderkomen
tegen dit licht,

want dun en doorzichtig
wordt het groen, zelfs het asblond
dek van de straatweg.
De blik zoekt schichtig

omgrenzing en maat
om zich aan te hechten
in al dat losweg

schijnende, alles verkleinende
en verstuivende: Spray
of Eternal Day.
(796)


Objekt

Kijk je er naar,
draait het weg
binnen zijn afmetingen
en de tijd
dat je er naar kijkt.

De naam hou je over:
een vervalste
handtekening.
(797)


Makro, mikro

Waarschijnlijk hebben de begrippen
groot en klein
geen enkele betekenis,
zijn het illusies
van het oog en van het denken
die ons wel vaker de vreemdste
dingen kunnen voorschotelen,
zoals:
Hier loop ik –
Daar maak jij
dat half wuivende gebaar –
en meer van zulke fraaie
maar buitenissige hypothesen.
(798)


De dagen van Gallup

Beantwoord een vraag
en de grenzen zijn getrokken
waarbinnen het antwoord koning is.

Maar niet voor lang: rebellerende troepen
rukken onmiddellijk
naar de hoofdstad op.
(799)


In memoriam Eddie Hoornik

Zich sterkend aan een dood die hij al zoveel malen
gestorven was en die hij toch nog vreesde
maar niet zoals de meesten haatte
of ontkende in de rekenende systemen,

bleef hij wel een vreemde
maar dan vooral voor die wetenden met hun
waarheid kraakhelder
als een opgemaakt bed.

Zijn groot en moeizaam toch achteloos lichaam
herinnerde zich ook te veel –

en onder zijn praten of een gebaar
of zelfs de woorden van vrienden
zag je hem soms even zitten:
doodstil.

Misschien dat zo’n pauze nu
zich openvouwend
hem redt van
(want het omhulsel kwijtgeraakt)

de man die hij nooit was.
(802)


Het nut van verdubbeling

Ik kijk naar
wat ik denk
dat ik denk.

En/of voel.

Al wi ik voorstel
ga ik na.

Zelden
geloof ik mezelf.

Toch denk ik:
velen
ben ik zo nader.
(803)


The street where you live

In het grauw maar verschuivend licht
telkens de straat even kantelend
als de manke gang van kinderen
bij het spel van de goot en de stoeprand.

Maar hier speelt niemand
en de blik schampt
af op het ijs van een spiegelruit
en krijgt van de ogen in rijen en lagen
geen blik weerom.

Wiens wereld is dit? Niemandswereld.

Ga maar terug
naar het land van toch.
(809)


[zonder titel]

Mijn huis wordt afgebroken,
geen muur blijft overeind,
geen steen op de andere.

Mijn ogen en mijn vingers
raken al niet meer aan
de dikke huid van de dingen.

Ik moet opnieuw beginnen
in een onbewoonbaar land.
(825)


[zonder titel]

Steeds op de achtergrond
een kalme
lachende derde:

wat ik tegen
mijn verwarde
zin in schrijf,

maakt hij rond
en soms zo licht
als hij ook van

zichzelf is,
net als ik
als ik ’t wist.
(833)


Na de eerste schrik

Na de eerste schrik
verwonderd, verbijsterd

over plotseling
deze rare tussen-

vorm van bestaan:
een spartelen in

de witte netten
van zon en maan,

als per ongeluk
door een achteloze visser

in snel nu verzinkende
diepten uitgezet.
(861)


Hoed vol gaten

Ik wil niets
meer bewijzen,

vooral
mezelf niet,

ik wil reizen
door de tijd,

een hoed op
vol gaten,

licht
in het hoofd.
(915)


Imaginaire ander

Hoe
imaginair de

imaginaire
ander

die me leest
en in wie

ik verander,
min of meer en

geen idee
hoe?
(925)


Wijsheid

Toch heeft het licht een zware
golfslag hier voor ons. En wat baat ons
wijsheid? Wijsheid is niets
dan verjaarde tranen parels nabootsend.
(933)


Het licht is geen lieve moeder

De afgekapte doodskreet
van het kleine roemloze dier in de nacht –

de menselijke
paniek van te zien
dat de spiegel met immer beschikbaar
spiegelbeeld leeg wordt –

het licht is geen lieve
moeder, het buigt
zich hier niet over

en de bidder, de smekeling
vindt geen gehoor.
(936)


uit Dag van de zon

Dienstbaar niet
maar op kousevoeten toch onsteek je
het vuur van de natte morgen
en wekt mijn verbazing
dat ik er ben.
(945)


Achterhaald symbool

Ze hebben gezegd: het licht
is een achterhaald symbool.
Maar wat weten ze van het licht
dat de zekere vormen ontmantelt

tot stormen van licht waarin
soms een glimp, een hint, van licht
dat zich zo stilhoudt dat het bijna
is of het er niet is,

jawel, maar ondertussen
met zo’n finaliteit
het laatste van plaats en tijd
herleidend tot nihil

dat ik het met woorden omspeel,
het hart in de keel?
(946)


Weerbarstige demiurg

Enkel static wat ik hoor.
Ruis, geknetter, gekerm.
Huilende robots. Dodenzwerm.

Iedere golflengte geprobeerd.
Altijd zit ik verkeerd.

Ik kan je niet uit de ruimte halen,
kan je niet opsporen.

Je komt niet door.
(948)


Zeg ik dit

Zeg ik dit,
wordt ook dat waar.

Zeg ik wit,
ligt zwart op de loer.

Mooi
is een vaste levenshouding,

maar is het ook geen tot treurigheid
stemmende metgezel,

het gelijk dat men weet
aan zijn zijde?
(950)


uit Steeds

Steeds achter de weer hoopvol opgelaten
vliegers aan lopend van mijn eigen woorden,
heeft mij ook dat niet duidelijk gemaakt
wat of ik hier al meer dan vijftig jaar

nu eigenlijk te zoeken heb of waar
het om begonnen is, zo er ooit iets
mocht wezen als een berekend meesterplan
(en dat is meer dan ik geloven kan)
(952)


Ik kijk

Ik kijk naar de bomen want ik houd van bomen,
elk steevast in zijn kaveltje grond,
veranderlijk met weer en seizoen en ’s winters
in bedrieglijke dodendans nog nobel.

De luchten schat ik op hun lichtgehalte;
vaak maakt een dag van zon me al gelukkig,
maar aarde word ik en ik drink ontzettend
wanneer het regent na een tijd van droogte.

Een enkele maal zie ik een oude vriend
die zich tot hier gewaagd heeft en we praten
zonder veel zwaarte over nu en vroeger.

Van alles wat ik weet werd ik niet wijzer,
maar ’s nachts vang ik de seinen uit ’t heelal
geduldig op en respekteer hun kode.
(953)


Nihilistisch maar dan ook konwekwent

Er:
is er niet.

Is:
is er niet.

Niet:
is er niet.

Is er niet:
is er niet.
(955)


Kortste afstand

Ik beweeg me liever zonder
het (schijnbare) principe te volgen
van de (schijnbaar) kortste afstand
tussen twee punten

of ook: ik wacht roerloos
een waarheid af bitter noch zoet:
die van het eenmaal fantastische
helder
ontregelde.
(956)


[zonder titel]

Het leven per dag en per uur
wordt per uur betaald
het leven per voetstappen hinkt
wezenloos door de straten.

Maar wij hebben de nacht gestolen
wij hebben ons schuldig gemaakt
aan heling van zomer en schemer
wij hebben de morgen verdiend
met werken voor ons brood
het harde brood van de liefde.

Wij staan met lichamen op
die niets meer kunnen begrijpen
wij weten niet hoe het komt
dat een stem nog raaskalt in ons.
(995)


[zonder titel]

Ik kan niet van
mijn voorhoofd leven
ik ga dood aan muren.

Ik heb om stilte gevraagd
ik heb mijn gedachten
als katten verdronken.

Ik wil ja
of nee knikken zonder
iets te bedoelen.
(998)


XI

Wie dus is Valentijn?
Eén die zich niet gelooft; de laatste man op aarde en niemand in de hemel. Wel volgt hij nimmer de rechte lijn maar steeds de strenge wetten van de kromme, maar waar hij staan moet bevindt zich een sprekend beeld en waar hij vertrekt zijn alleen de resten van een bitter bachanaal. Zo werd hij: gebaar, aanraking, oogopslag – niet veel minder en nauwelijks meer. (1006)


3 Bij een schilderij

Niets dan het zwartste vlak.
Met moet de ogen scherpen
om het voorgestelde te zien:
een zwart kleed uitgespaard in zwart
en daarboven het kleine
wijze hoofd van de wijsgeer.

Maar waarin is hij wijs?

Ik dacht:
in het niets meer willen weten,
in de armoe van zijn kennis:
het boek hem een ornament,
oudergewoonte,
maar hij gelooft zich al zo lang niet meer.

Hij is te oud en te moe om te reizen
binnen of buiten zijn lichaam.
Hij wacht kalm en zonder hoop
op een schijn van kans.
(1021)


De bladeren

De bladeren stromen te hoop
met driftige stroomversnellingen
in het licht van de zon en met de wind mee.
Er bestaat een miljoen
soorten groen.
Ik wou dat ik wist
waar ik dit ogenblik aan denk.
Maar de grote stilte graaft
een gat in mijn hoofd.
(1040)


Minder heimwee dan wel veel nikkel

Het brood doodsbleek geworden,
de spelen loom en lauw,
de nieuwe goden vernikkeld:
artikelen van kou.

En de nobelste theaters,
monden naar het licht,
waarin het onderaardse
tong kreeg, geadeld werd,

zij staan vergrijsd als ouden
van dagen in hun hemd;
geen tweede jeugd kan baten:
nacht en licht zijn onbekend.

Misschien dat overmorgen
het nikkelstalen hart
breekt door de losse grap
van tijd en ruimte, dansende

zotskappen van de leegte
of zeg: licht zonder zin,
geen zekerheden wegend,
geen toekomst in de zin.
(1053)


Een stukje lopen

Sluik haar van de maan
laag over de aarde.

Onderin het gras
schuifelt geluid niet te herkennen.

Terwijl men toch de eigen vreemde
voetstap al tegenkomt.
(1057)


The exploration of space

Waarschijnlijk wil de ontdekker
alleen de leegte. Hoe vreemd dan,
maar niet onbegrijpelijk zijn blijdschap,
wanneer de leegte zich vult.

Geen tegenspraak ook. Want hoe verder
hij valt, des te duidelijker wordt hem:
geen leegte zonder mijn dwaze
komst hier, geen ruimte zonder

de schaduwen die ik haar maak.
(1073)


Noordenwind

De wind komt uit het noorden
hol en zwart van regen,
terwijl ik hier in mijn kamer,
de lamp over mijn schouder,
meelevende witte kraanvogel,
woord na woord opteken, –
maar het gaat niet om wat woorden
uitgespaard op de nacht,
niet om de vormen van licht,
ook al heb ik die beschreven
in maten en in soorten,
zelfs niet om het pijnlijk inzicht
dat al wat je ooit kunt weten
een nutteloze wedloop
met onwerkelijke obstakels is;
het gaat – of het zal eens gaan –
om een koele harde vrede,
meer dan wat ook vanzelfsprekend,
lief en leed eindelijk eender,
geen voor meer en geen tegen,
ja en nee afgedaan.
(1081)