Huangbo

‘Alles loslaten is de dharma, en wie dat begrijpt is een boeddha; maar het loslaten van alle waanideeën laat geen dharma na om je aan vast te houden.’ Citaten van en postmoderne meditaties over de ch’anboeddhist Huangbo Xiyun.

Huangbo Xiyun (Huang Po Chu’an, Huang-po Hsi-yun, Obaku Ki-un) is een beroemde Chinese ch’anmeester uit de negende eeuw. Zijn belangrijkste leerling was wellicht Linji Yixuan (“Geloof niets van wat ik zeg!”) bekend van de Linji-lu.

Deze webpagina bevat 1. citaten uit de Huang Po Chu’an Hsin Fa Yao; 2. koans en citaten van geestverwanten van Huangbo en 3. fragmenten uit een postmoderne studie van de Huang Po Chu’an Hsin Fa Yao door Dale Wright.

Redactie en titels Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Zen > Huangbo

Tips: De Linji-lu, De Poortloze Poort


Inhoud

Huang Po Chu’an Hsin Fa Yao

Onderstaande citaten zijn ontleend aan In eenheid zijn, een vertaling van Ad van Dun uit 1996 van The zen teaching of Huang Po, op haar beurt een vertaling van Jon Blofield uit 1958 van de Huang Po Ch’uan Hsin Fa Yao, een werk over de Chinese ch’anmeester Huang Po opgetekend in de negende eeuw door diens leerling P’Ei Hsiu.

Je houdt je hart vast met al die tussenpersonen, waaronder ikzelf als redacteur en jij als lezer, maar vooruit, we wagen het erop:


Niets om in te toeven

[…] met het rechtstreeks uitschakelen van oordeelsvorming […] weet je zeker dat er helemaal niets is dat absoluut bestaat, niets waar je vat op kunt krijgen, niets waaraan je houvast kunt ontlenen, niets om in te toeven, niets subjectiefs of objectiefs. (61,62)


De Poort

De vierentachtigduizend methoden om de vierentachtigduizend waanideeën te bestrijden zijn slechts manieren om de mensen naar de Poort te nodigen. In feite bestaat geen ervan werkelijk. (65)


Geen dharma

Alles loslaten is de Dharma, en wie dat begrijpt is een Boeddha; maar het loslaten van alle waanideeën laat geen Dharma na om je aan vast te houden. (65,66)


In de Leegte vallen

Normale mensen kijken naar hun omgeving, terwijl volgelingen van de Weg naar de Geest kijken, maar de ware Dharma is beide te vergeten. Het eerste is vrij eenvoudig, maar het laatste is heel moeilijk. De mensen zijn bang om hun verstand te verliezen, zij denken dat ze in de Leegte zullen vallen en dat niets hun val zal kunnen stoppen. Zij weten niet dat de Leegte niet werkelijk leeg is, maar in feite het rijk is van de ware Dharma. (67)


Afzien van ideeën

Je hoeft slechts af te zien van ideeën omtrent bestaan en niet-bestaan met betrekking tot alles en iedereen, dan zul je De Dharma gewaar zijn. (70)


Het denken schuwen

Veel mensen durven hun geest niet te ledigen uit angst in Leegte te verdwijnen. Zij weten niet dat hun eigen Geest die leegte is. Onwetenden schuwen verschijnselen, maar niet het denken; wijzen schuwen het denken, maar niet verschijnselen. (78)


Wegwerpwoorden

Mijn woorden hadden een tijdelijke functie, maar jullie maken er allerlei concepten van. (85)


Geen dit en dat

Zodra gedachten of gewaarwordingen optreden, verval je in dualisme. Eeuwigheid en het huidig ogenblik zijn hetzelfde. Er is geen dit en dat. (93)


Denkbeeldig

Het verschijnen en verdwijnen van illusies zijn beide denkbeeldig. (94)


Nergens vat meer op

Zodra je ophoudt belang te hechten aan tegengestelde begrippen als ‘normaal’ en ‘verlicht’ zal de waan vanzelf verdwijnen. En als je dan daarna nog de geringste blijk ervan teniet wil doen, zul je erachter komen dat er helemaal niets meer over is waar je vat op kunt krijgen. (94)


Niet ‘Ik weet iets.’

Licht verwerft men niet; valt het ten deel,
dan zegt men niet: ‘Ik weet iets.’


Koele as

Waarom volgen ze mijn voorbeeld niet door elke gedachte te laten gaan alsof ze niets is, of alsof ze een stuk vermolmd hout is, of een steen, of de koele as van een gedoofd vuur? (98)


Zonder grondslag

Ontwikkel een geest die helemaal nergens op berust. (99)


Van eigen makelij

De Boeddha is in werkelijkheid een schepping van je eigen geest. Hoe kun je hem dan zoeken via geschriften? (99)


Niet-dharma

Jullie zien niet in dat de fundamentele leer van de Dharma is dat er geen dharma’s zijn, maar dat deze dharma van niet-dharma tegelijkertijd zelf een dharma is; en nu de leer van niet-dharma is overgedragen, hoe kan dan de leer van de Dharma nog een dharma zijn? (103)


Niet niet bestaan

Maar ook al is er wezenlijk niets dat een objectief bestaan leidt, toch moet je daarom niet gaan denken aan iets dat niet bestaat; en ofschoon de dingen niet niet bestaan, moet je geen idee gaan vormen van iets bestaands. (111)


Begripsmatig denken

Voorkom slechts begripsmatig denken, dat leidt tot ontstaan en vergaan, en tot alle kwellingen van de zintuiglijke wereld en al het andere; dan zul je geen Verlichtingsmethoden en dergelijke meer nodig hebben. (112)


Zelfs geen objectief zelf

In werkelijkheid zijn er geen levende wezens om verlost te worden […]. Als er zelfs geen objectief zelf bestaat, dan bestaat er zéker niet iets anders-dan-zelf! Weet dus dat noch Boeddha noch levende wezens objectief bestaan. (114)


Dwalen

Het is een waarschuwing: beschouw bestaansvormen niet als bestaand of niet-bestaand, anders verval je in de fout om ruimtelijke indelingen aan te brengen; het is een waarschuwing om individuen niet te beschouwen als onwetend of Verlicht; ook daardoor zou je vervallen in diezelfde fout. […] Alle begripsmatig denken heet dwalen. (120)


Bodhi

Bodhi betekent geen idee hebben van werkelijkheid of onwerkelijkheid. (126)


Als hout of steen

Wie de waarheid zoekt door middel van verstand en kennis raakt er alleen maar verder van verwijderd. Pas als je gedachten ophouden zich links en rechts te vertakken, pas als je elk idee van iets zoeken opgeeft, pas als je geest kalm is als hout of steen, dan pas zul je je op weg naar de Poort bevinden. (128)


Gedachten genereren dingen

Wanneer gedachten verschijnen, verschijnen alle dingen. Wanneer gedachten verdwijnen, verdwijnen alle dingen. (129)


Geen idee

Barmhartigheid betekent in feite geen idee vormen dat een Boeddha verlicht is, terwijl mededogen in feite betekent geen idee vormen dat levende wezens verlost moeten worden. (135)


Iets anders

De zaak zit zo: door aan ‘iets’ te denken schep je iets en door te denken aan ‘niets’ schep je iets anders. Laat dat zinloze denken volkomen oplossen, dan zal er niets meer overblijven om te gaan zoeken! (137)


Staat van niet-overwegen

Konden jullie maar leren hoe je een staat van niet-overwegen kunt vinden, dan zou de keten van oorzaak en gevolg het meteen begeven. (141)


Vals onderscheid

Geef die onzinnige gedachten op, ze leiden alleen maar tot vals onderscheid! Er is geen ‘zelf’ en geen ‘ander’. Er is geen ‘slechte begeerte’, geen ‘agressie’, geen ‘haat’, geen ‘liefde’, geen ‘overwinning’, geen ‘mislukking’. (141)


Mest scheppen

In de Lotus Soetra staat een zin over twintig jaar lang mest scheppen; dit symboliseert de noodzaak om alles uit je geest te bannen wat neigt naar het vormen van concepten. Op een andere plaats stelt dezelfde soetra diepzinnigheid en betweterij gelijk aan een hoop koeienstront die opgeruimd moet worden. (146)


Nergens op rekenen

[Wijsheid] wil zeggen dat we van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat nergens op moeten rekenen. (154)


Al dat gepraat

Sterker nog, geen van de talloze theorieën leidt enig bestaan buiten jullie eigenlijke geest. Al dat gepraat over Bodhi, nirvana, het Absolute, de Boeddhanatuur, Mahayana, Theravada, Bodhisattva’s, enzovoort, het is alsof je herfstbladeren voor goud verkoopt. (171)


Geen enkel houvast

In werkelijkheid is er niets te grijpen […] – zelfs niet-grijpen kan niet gegrepen worden. Daarom zegt men: ‘Er is geen enkel houvast’. (173)


Zelfs geen geen niet begrijpen

Verder moeten jullie, wanneer het tijdstip van inzicht aanbreekt, niet denken in termen van begrijpen, niet-begrijpen, of geen niet-begrijpen, want geen van deze levert enige greep op. (173)


Geen spoor

Maar als er onverwachts één mens zou verschijnen, iemand voor wie vormen of namen geen aanleiding tot gevolgtrekking zouden zijn, dan verzeker ik jullie dat je hem door alle werelden heen zou kunnen zoeken zonder ooit een spoor van hem te vinden! (174)


Kennis vernietigt kennis

Kennis vernietigt wel degelijk kennis – de ene kennis ontkracht de andere kennis – en dan blijft er geen kennis meer over om te grijpen. (180)


Geen probleem

Ik verzeker jullie dat alle dingen vanaf het allereerste begin nooit een probleem hebben gevormd. Waarom zou je dus proberen ze te verklaren? Waarom proberen te zuiveren wat nooit besmet is geweest? (182)


Drie miljoen eeuwen

Al beoefen jij drie miljoen eeuwen lang middelen om verlichting te verwerven, als je je niet ooit ontdoet van je overtuiging dat er werkelijk iets bereikt kan worden, zul je evenveel eeuwen van je doel verwijderd blijven als er zandkorrels langs de Ganges zijn. (195)


De leegte voorbij

Bodhidharma’s geest ging zelfs verder dan de leegte. (195)


Huangbo en geestverwanten

Onderstaande teksten (in de geest) van Huangbo zijn afkomstig uit de annotaties van The record of Linji. Ik kwam ze tegen toen ik aan de Linji lu werkte, en kan de verleiding niet weerstaan om ze hier op te nemen.


Blinde vlekken

Een monnik zei: “Wat is de diepere betekenis van de patriarchen?”
Meester Shitou zei: “Zie je al dat onkruid? Daar is in geen dertig jaar geschoffeld.”

Later vertelde iemand dit aan meester Yunyan. Die zei: “Een os eet nooit het onkruid in zijn eigen wei.” (p125)


Relatief

Lekenbroeder Pang en eerwaarde Qifeng liepen eens te wandelen toen Pang zei: “Ik ben u steeds één stap voor.” Qifeng zei: “Het is maar net van welke kant je het bekijkt.” (141)


Teveel

Een monnik zei: “Wat is de eerste aanwijzing?” Meester Zhaozhou kuchte.
De monnik zei: “Is dat alles?” De meester zei: “Wat ben ik toch een oud wijf.” (145)


Hints

Meester Xuefung zei: “Ik hoorde dat Linji Drie Aanwijzingen gaf. Klopt dat?” Taiyuan zei: “Inderdaad.” “Wat is de eerste aanwijzing?” vroeg Xuefeng. Taiyuan keek hem zwijgend aan. “Dat is de tweede aanwijzing,” zei Xuefung. “Hoe zit het met de eerste?” Daarop trok Taiyuan zich terug. Xuefeng was onder de indruk en vroeg hem zijn discipel te worden. (145)


Verder

Alleen het oog dat alles doorziet, weet dat de geest volslagen leeg is. Iemand met zo’n oog overstijgt illusie én verlichting. Alleen wie illusie en verlichting overstijgt, heeft het oog dat alles doorziet. (Bodhidharma, 153)


Onvermijdelijk

Wie de patriarchen en de boedddha’s niet doorziet, zal door hen beduveld worden. (Dongshan, 157)


Niet zoeken

De honderden soorten kennis halen het niet bij niet-zoeken. Niet-zoeken is het ultieme. De ware wegloper is degene die er geen geest op nahoudt, niets predikt en niets te doen heeft. Omdat hij er geen geest op nahoudt, niets predikt en niets te doen heeft, leeft hij op z’n gemak. (Huangbo, 159)


Leger

Een monnik zei: “Is de dharma hetzelfde als de lege hemel?” Meester Huangbo zei: “Wat zou er in een lege hemel ‘hetzelfde’ moeten zijn als wat, of ‘anders’ dan wat?” Hij vervolgde: “Alles wat ik zeg, zeg ik onder voorbehoud, maar jij blijft er maar conclusies uit trekken.” “Bedoelt u dat ik niets meer mag concluderen?” vroeg de monnik. “Ik zou je er nooit van weerhouden. Maar concluderen behoort tot het rijk van het weten. Waar geweten wordt is geen plaats voor de wijsheid zonder wijsheid”, zei de meester. “Het is niet juist, de dharma te verontreinigen met kennis”, concludeerde de monnik. De meester zei: “Wat betekent ‘juist’ voor wie niet weet?” (164)


Modeshow

Bodhi (verlichting), nirvana, bhutatathata (zo-heid), boeddhanatuur – het zijn stuk voor stuk de kleren van de keizer. (Zhaozhou Congshen, 162)


Schimmen op het kerkhof

Er is geen Boeddha, er zijn geen patriarchen. Bodhidharma was een ongeschoren barbaar en de Boeddha z’n strontstok. De bodhisattva’s van de tien stadia zijn mestkruiers. Degenen die equivalente verlichting hebben bereikt zijn boerenpummels. Bodhi en nirvana zijn stalpalen voor ezels. De twaalf afdelingen van het onderricht zijn dagdromen van de duivel. Zij die de vier vruchten hebben geplukt en zij die de drie waardigheden hebben bereikt en zij die over bodhicitta beschikken en zij die de tien stadia hebben voltooid, zijn schimmen op een kerkhof. Kan één van hen zelfs maar zichzelf bevrijden? (Deshan Xuanjian, 168)


Een rad voor ogen draaien

De volmaakte verlichte geest van de tathagata’s kent geen bodhi en geen nirvana, geen bereiken van het boeddhaschap en geen niet-bereiken van het boeddhaschap, niet het schijnbare draaien van het rad van geboorte en dood en niet het niet-draaien van het rad van geboorte en dood. (170; passage uit de Yuanjue Jing—de Soetra van de volmaakte verlichting)


Los

De geest kent geen geest.
Hij kent geen hebzucht of losbandigheid.
De geest is leeg en van zichzelf los.
Hij drijft en zweeft en zinkt met alle dingen mee.
Hij is helder noch troebel, oppervlakkig noch diep.
(171; Farong, eerste patriarch van de Niutouschool, in de Xin Ming)


Klatergoud

Kortom, bodhi en dat soort dharma’s bestaan helemaal niet. Alles wat de tathagatha predikte, diende alleen maar om mensen over te halen. Zoals je een kind een geel herfstblad voorhoudt en zegt dat het van goud is. Ook de dharma die samyaksambodhi (onovertroffen verlichting) wordt genoemd, bestaat niet. Als je dat eenmaal begrijpt, waarom zou je je dan nog druk maken? Doe wat de omstandigheden van je vragen, forceer niets en je geest zal helder zijn. (Huangbo, 171)


Moordenaars en huurlingen

Beste mensen, zoek niet naar de Boeddha. Hij is een grote moordenaar. Hoeveel mensen heeft hij al niet aan zich weten te binden? Zoek niet naar Manjusri of Samantabhadra. Het zijn huurlingen. Wat vreselijk dat goed bedoelende mensen als jullie hun vergif innemen en zich vervolgens nog het air van chanmeester aanmeten ook. (Deshan Xuanjian, 176)


Mysterieus maar heus

De grote weg heeft geen wortels
Leeg, helder, maar altijd daar
De grote weg heeft geen substantie
Duister, mysterieus, maar altijd heus
De grote weg heeft niets te doen
En toch verdient ze alle respect
De grote weg kent geen geest
En toch omvat ze alle dingen
De grote weg is zonder vorm of kenmerk
Zonder activiteit, geest of opzet
En toch komt ze allen tegemoet
(anoniem, 178)


Voorbij de geest

Deze leer, dat is de geest. Los daarvan is er geen leer. Deze geest, dat is de leer. Los daarvan is er geen geest. Geest is echter geen-geest en geen-geest is er ook al niet. Vernietig de geest en daar heb je de geest. (Huangbo, 180)


Uitgezocht

Je vindt het niet buiten jezelf,
Je vindt het niet binnen jezelf.
De maraweg en de boeddhaweg—
beide lopen dood.
Waar wou je boeddha en mara zoeken
Als samsara van zichzelf al leeg is?
(Zhigong, 190)


Rien ne va plus

Daar samsara en nirwana slechts een droom zijn, kunnen ze ook niet verschijnen of verdwijnen, ontstaan of vergaan. Wat er ook wordt gerealiseerd, er valt niets bij te winnen of te verliezen. Je hoeft niets te aanvaarden of af te wijzen, niets te doen of na te laten, niets te behouden of te verwerpen. Binnen deze realisatie is er niemand die iets realiseert en niets dat gerealiseerd wordt. (191; uit de Soetra van de volmaakte verlichting)


Een illusie en een droom

In die tijd ondervroegen diverse goden Subhuti, zeggende: “Volgens u is de verlichting van de Boeddha slechts een illusie en een droom. Is nirvana dan ook alleen maar een illusie en een droom?”
Subuthi antwoordde: “Ik zeg u dat de verlichting van de Boeddha slechts een illusie en een droom is. Ik zeg u dat nirvana slechts een illusie en een droom is. En zelfs al was er een dharma die nirvana overtrof, dan zou ik u opnieuw zeggen dat het slechts een illusie en een droom is.”

(192; uit de Mohe bore boluomi jing, een vertaling van de Maha-prajna-paramitasoetra door Kumarajiva)


Niets kwadraat

Als het erop aankomt, valt er niets te bereiken. Ook “er valt niets te bereiken” valt niet te bereiken. (Huangbo, 197)


Hangen of wurgen

Een monnik zei: “Mag een leerling de Weg dan niet begrijpen?” Meester Nanquan zei: “Welke Weg? Begrijpen?” “Ik weet het niet”, zei de monnik. De meester zei: “Niet weten is nabij, maar als je het letterlijk neemt dan hang je.” (211)


Echt illusoir

Als je gelooft dat alle dingen echt zijn, dan zit je daarin vast. Als je gelooft dat alle dingen een illusie zijn, dan zit je daarin vast. (Huangbo, 230)


Rauw

De koning van Zhenzhou zei: “Meester, u bent nu al behoorlijk oud. Mag ik vragen hoeveel tanden u nog heeft?” “Ik heb nog maar één tand”, zei meester Zhaozhou. “Maar hoe kunt u dan nog eten?” zei de koning. “Zelfs met één tand lust ik alles rauw”, zei de meester. (233)


Rijk noch arm

Begeerte en karma, wat een onzin. Alle oorzaken en gevolgen zijn evenzovele dromen en illusies. Er is geen rijk te verlaten, geen verlichting te vinden. (Farong, 239)


Ra ra

Ik zoek de Weg niet, toch zit ik er niet naast. Ik houd geen eredienst van zes uur, toch minacht ik de Boeddha niet. Ik mediteer niet veel, toch ben ik niet lui. Ik beperk me niet tot één maaltijd per dag, toch ben ik geen vreetzak. (Jayata, 269)


Pilaarheilige

Een monnik zei: “‘Beweging is het zaad van de dharmakoning, stilstand de wortel ervan’. Maar hoe zit het dan met de koning zelf?” De meester wees naar een pilaar en zei: “Vraag het maar aan die mooie meneer daar.” (298)


De pot verwijt de ketel

Daowu Zongzhi ging weg bij meester Yangshu en vervoegde zich bij meester Nanquan. Deze zei: “Hoe heet je?” “Zongzhi.” “Hoe bereik je het rijk waar de wijsheid niet reikt?” Zongzhi zei: “Het is absoluut verboden daarover te spreken.” Nanquan zei: “Waarom doe je het dan toch?” (313)


Flapuit

Op een dag verscheen meester Fashen voor zijn monniken met een scheve mond, alsof hij een beroerte had gehad. Hij zei: “Wie kan mijn mond genezen?” De monniken struikelden over hun eigen voeten in hun haast om hem een of ander medicijn te bezorgen. Toen het nieuws zich begon te verspreiden, lieten ook de leken uit de wijde omtrek zich niet onbetuigd. De meester weigerde ieder medicijn. Zeven dagen later sloeg hij zich ten overstaan van alle monniken op zijn mond, die meteen weer z’n normale stand aannam. De meester zei: “Al die jaren heb ik hier met mijn lippen staan flapperen, en nog steeds is er niemand die mij daarvan kan genezen.” (321)


Postmoderne meditaties op Huang Po

De Philosophical Meditations on Zen Buddhism van Dale S. Wright, Cambridge University Press, 1998 / 2000, is een postmoderne studie van het zenboeddhisme gebaseerd op het werk Huang Po Ch’uan Hsin Fa Yao van en over de Chinese Ch’an monnik Huang Po, en de vertaling daarvan door John Blofeld, getiteld: The Zen Teaching of Huang Po on the Transmission of Mind.

In zijn Philosophical Meditations probeert Wright aan te tonen dat verlichting, gewoonlijk opgevat als tijdloos en universeel, gesitueerd is, dat wil zeggen, historisch bepaald, waardoor het in ieder tijdgewricht opnieuw uitgevonden en vormgegeven moet worden.


Uit hoofdstuk 3, UNDERSTANDING: the context of enlightenment:


Lucht

Wat wordt hier met ‘leegte’ bedoeld? Hoewel de oorspronkelijke Sanskriet term, sunyata, voortkomt uit het wiskundige getal, ‘nul’, is de Chinese term waarmee het vertaald wordt, en die zo veelvuldig wordt aangetroffen in de Huang Po geschriften, k’ung, ‘lucht’ of ‘ruimte’. De lucht krijgt zo de overdrachtelijke betekenis van het vacuüm, de ‘lege’ ruimte waarin zich geen dingen bevinden. In de loop der tijd ontwikkelde deze metafoor zich tot een brandpunt van theorievorming. ‘Leegte’ werd het centrale filosofische begrip van de Mahayana-traditie. (51)


Leegte

Wat betekent het? ‘Leegte’ is een universeel predicaat; het is overal op van toepassing. Alle dingen zijn ‘leeg’. Overal is ‘leegte’. Dat iets ‘leeg’ is betekent dat zijn bestaan afhangt van andere entiteiten en meeverandert wanneer de condities waarvan het afhankelijk is, veranderingen ondergaan. De entiteit bestaat niet op zichzelf, heeft geen eigenheid (Sanskriet: svabhava), geen substantie (Chinees: tzu-hsing). Het ding is niet zelf-bepalend; in zichzelf zou het nooit geworden zijn wat het is. Zijn bestaan en aard kunnen volledig toegeschreven worden aan de talloze factoren die eraan ten grondslag liggen. Ontstaan, verandering en vergaan zijn volledig te wijten aan omstandigheden buiten het ding om. Het ‘lege’ ding zelf is zonder substantie. (51)


Relationeel

Deze ‘leegte’, deze negativiteit in de kern van het ding, is de ‘natuur’ of ‘essentie’ van alle dingen, zonder enige uitzondering. Wanneer boeddhisten een zaak in overweging nemen – een entiteit, een situatie, een idee – leidt deze ‘afhankelijkheid’, deze ‘instabiliteit’, deze ‘leemte’ van binnen steeds weg van de zaak zelf naar de omstandigheden, naar andere dingen, situaties en ideeën, die op hun beurt weer naar andere verwijzen, ad infinitum. Lege dingen zijn wat ze zijn door hun context; hun bestaan is relationeel. (52)


Geen-zelf

Niet alleen zijn entiteiten, situaties, en ideeën ‘leeg’ – dat wil zeggen, relatief afhankelijk van andere factoren en processen – maar hetzelfde geld voor de ik die deze entiteiten, situaties en ideeën nu overweegt. ‘Geen-zelf’, de bewering dat het ‘zelf’ ‘leeg’ is, is misschien de meest bekende boeddhistische doctrine. Maar wat houdt die in? ‘Geen-zelf’ betekent dat er geen permanent zelf; geen afgescheiden, onvergankelijke entiteit, essentie of ziel ten grondslag ligt aan het menselijk bestaan. Het betekent ook dat menselijke wezens niet zelf de dienst uitmaken, net zomin als welke andere dingen dan ook. Het zelf heeft niets eigens, het heeft geen oorspronkelijke natuur. Het ontstaat in samenhang met de rest van de wereld en is, op zichzelf beschouwd, niets. Net als de andere dingen zijn wij ingebed in de wereld; we bestaan alleen maar als inhoudsloos knooppunt in een eindeloos netwerk waarin het zelf en het andere elkaar volkomen doordringen. (52)


Uit hoofdstuk 5, RHETORIC: the instrument of meditation:


Vrijheid is geen chaos

Het onconventionele van de retoriek van zen krijgt soms te veel nadruk. Taal stolt zelfs in de meest vernieuwende gemeenschappen tot een nieuwe verzameling normen; er ontstaan nieuwe paradigma’s op de ruïnes van de oude. Dat ook zen hiervan niet gevrijwaard bleef, zien we aan de opmerking van een monnik die, in antwoord op de weigering van een zen-meester om zich nader te verklaren, verzucht: “Alle zen-meesters zeggen hetzelfde.” Zelfs de minimalistische karakterisering “onconventioneel” is alweer een conventie en een patroon. Men kan alleen maar vrij zijn van linguïstische normen op een bepaalde manier en in een karakteristieke stijl. … Vrijheid is nou eenmaal geen chaos; het moet een eigen orde en vorm hebben om herkenbaar te zijn als vrijheid. (90)


Een beetje theoretisch

Het volgende voorbeeld komt uit The Transmission of the Lamp:
Meester Hsiang-yen vroeg een rondreizende monnik waar hij vandaan kwam. Hij antwoordde dat hij van het klooster op de berg Kuei kwam. De meester vroeg: Wat voor dingen beweert meester Kuei-shan tegenwoordig? De monnik antwoordde dat iemand hem had gevraagd wat het betekende dat de patriarch van zen uit het westen was gekomen, waarop meester Kuei-shan zonder iets te zeggen zijn vliegenkwast had opgestoken. Toen vroeg Hsiang-yen wat Kuei-shan’s discipelen daarvan gemaakt hadden. De monnik zei dat het betekende dat de geest ontwaakt in het concrete; dat de Werkelijkheid zich manifesteert in alledaagse situaties. Hsiang-yen zei: Niet slecht, maar wel een beetje theoretisch. De monnik vroeg hem hoe hij het gebaar zou uitleggen. Zonder iets te zeggen hield de meester zijn vliegenkwast omhoog. (91)


Gevaarlijk

In welk opzicht was de retoriek die werd gebezigd in het bergklooster Huang Po, gevaarlijk? Scherp en zonder terughoudendheid stelde zij het gezonde verstand en het normale taalgebruik ter discussie. Doel hiervan was het eeuwige grijpen en vastklampen van de leerling te ontregelen en te ondermijnen. Deze retoriek was daarom gevaarlijk en verbijsterend, omdat zij het gemeenschappelijke wereldbeeld van de goegemeente niet onderschreef. (96)


Twijfel zaaien

Om een glimp op te vangen van waar je staat, is ontwrichting een noodzakelijk kwaad. Gevraagd naar de taal van zen, zei meester Tzu-man: “Hij verstoort de hemel en doet de aarde op zijn grondvesten schudden.” Zen-retoriek desoriënteert. “Meester Yang-shan zei: ‘Begrijpt u dan niet dat geen enkele doctrine voldoet?'” De verteller voegt er vervolgens aan toe: “Toen dit commentaar Kuei-shan ter ore kwam, merkte hij op: ‘Hier wordt taal niet gebruikt om vragen te beantwoorden en uitsluitsel te geven, maar om te ontregelen en alternatieve zienswijzen mogelijk te maken. Deze religieuze discours zet niet aan tot geloven maar tot twijfelen.'” (97)


Op zijn kop

Wanneer je deze discursieve wereld betreedt, is het bepaald onthutsend om te beseffen dat je er niet alleen geen kaas van kunt maken, maar dat daarin geen verbetering zal optreden zolang je blijft wie je denkt te zijn, namelijk een autonoom individu in een objectieve wereld. De taal van zen zet het hele idee van een in de wereld handelend zelf op zijn kop. (97)


Beerput

Monniken komen naar het klooster, en wij naar onze teksten, in de overtuiging dat we heel wat van zen afweten, en van wie we zijn en waar we mee bezig zijn. Maar de zen-retoriek begint deze overtuiging te ondermijnen vanaf het moment dat we eraan blootgesteld worden. Zen ontwricht, zowel zichzelf als de lezer, door ieder houvast omver te werpen en niets nieuws aan te reiken waarin men nog kan geloven. In de Recorded Sayings of Lin-chi lezen we hoe de meester aan de greep van de toehoorder ontsnapt wanneer hij beweert: “Volgers van de Weg, geloof geen woord van wat ik zeg. Waarom niet? Beweringen zijn grondeloos. Het zijn alleen maar vluchtige plaatjes aan een lege hemel.” Of, “Volgers van de Weg, neem de Boeddha niet te serieus. Zoals ik het zie is hij niets meer dan de eerste de beste beerput.” (98)


Des duivels

Als je een flinke stapel zen-literatuur achter de kiezen hebt, blijven er weinig opties over die niet ergens expliciet verworpen zijn: “Kuei-shan: ‘Hoeveel van de veertig rollen in de Nirwana Soetra zijn van de Boeddha en hoeveel van de duivel?’ Yang-shan: ‘Ze zijn allemaal des duivels.’ Kueishan antwoordde: ‘Dan hoeft niemand je zienswijzen verder te corrigeren.'” Wat valt er immers nog te corrigeren als er geen zienswijzen meer over zijn? Wanneer we met Huang Po beweren dat “de weg geen principes heeft waarover men kan spreken”, geven we uitdrukking aan een fundamenteel principe van de weg van zen – dat we alleen tot de open ruimte van de verlichting kunnen ontwaken door iedere zekerheid kwijt te raken. (99)


Laten gaan

Bovendien moet deze open of lege ruimte niet op haar beurt een kennisobject worden. We zijn niet in staat om te bepalen wat zij voorstelt aangezien zij zichzelf pas manifesteert in het vacuüm dat ontstaat wanneer de zen-beoefenaar verdreven wordt uit de positie van het determinerende, representerende subject. De open ruimte laat zich niet objectief voorstellen omdat zij de grondvesten waarop representatie is gebaseerd, heeft vernietigd. De retorische praktijk van ontregelen en ondermijnen is dan ook gericht op het uitlokken van een soortgelijke respons, die van loslaten, van laten gaan. Het doel is het vervangen van een stelsel van overtuigingen, niet door een ander stelsel maar door de ervaring van grondeloosheid, leegte of openheid. (99)


Niet-weten als de waarheid

Dit is volgens mij de betekenis van de uitspraak die zen-meester Fa-yen tot realisatie zou hebben gebracht: “niet-weten benadert de waarheid het dichtst”. Deze uitspraak maakt in één klap duidelijk de ‘de waarheid’ niet een kwestie van de juiste overtuiging is, maar van het ontbreken van iedere overtuiging. ‘Weten’ wordt hier voorgesteld als een onnatuurlijke vorm van vastklampen. Het staat voor de menselijke begeerte die de ‘openheid der dingen’ van zijn troon stoot. De retoriek van de ontregeling streeft naar een ontwaken uit deze ‘houding’. (99)


Niet bang

De zen-meester is degene die niet langer op zoek is naar vaste grond onder zijn voeten, die zich realiseert dat alle dingen en situaties berusten, niet op vaste grond en een substantieel zelf, maar op verschuivende, contingente relaties. Daar hij de leegte van ieder ding heeft gezien, is hij niet meer bang voor verandering en relativiteit. De zen-meester laat zich niet intimideren door de negativiteit van een situatie of conversatie. In gesprekken hoeft hij zijn mannetje niet meer te staan en wankelt hij niet wanneer hij aan het kortste eind trekt. Hij stelt niet van te voren vast hoe een ontmoeting zou moeten verlopen. Wat hij zegt komt sowieso niet van hem. Sterker nog, in boeddhistische termen, heeft hij helemaal geen zelf – zijn rol in de dialoog is slechts om op zelfloze wijze te weerspiegelen wat het ook maar is dat zich op ieder moment mag voordoen. (101)


Uit hoofdstuk 7, FREEDOM: the practice of constraint:


Afbakenen

Een aanzienlijk deel van het zen-jargon betreft de omstandigheden waarvan men zich zoekt te bevrijden. Veel van de gebruikte metaforen hebben te maken met begrenzing en inperking. Als we vragen waarvan we dan bevrijd moeten worden, komen we sleutelwoorden tegen als ai, belemmeren; chang, afschermen; ch’u, vasthouden; chueh-ting, fixeren; pien, insluiten; ke, begrenzen; chien, bezien vanuit een onwrikbaar standpunt; en talloze andere metaforen over afbakenen en inperken. (134)


Doorbreken

Een ander deel van het zen-jargon is eveneens negatief maar fungeert als een tegenhanger van het bovenstaande. Obstructies worden overwonnen door een volgende, radicale ontkenning, die correspondeert met het fenomeen van de plotselinge bevrijding. Vrijheid komt tot stand door een proces van liquideren, li; afsnijden, tuan; vernietigen mieh; kortsluiten, p’o; uitputten, chin; doorbreken, chueh; en zo voort. (134)


Voorbij goed en kwaad

Men moet bevrijding door negatie niet verwarren met de bekende religieuze tegenhanger van het overwinnen van het kwade door het goede. Het onderscheidende van de negatie in de zen-traditie is juist dat het uit de denkpatronen breekt die de dichotomie van goed en kwaad in het leven hebben geroepen. (135)


Niet vastklampen

De volgende twee passages uit de Pai-chang kaung-lu laten zien wat het betekent om de dualiteit te overwinnen door je nergens aan vast te klampen:

“Wat betekent bevrijding van de geest? De meester zegt: Zoek niet de Boeddha, de Dharma of de Sangha. Zoek geen deugd, kennis of intellectueel begrip. Wanneer zuiverheid en onzuiverheid te zijner tijd opgaan in niet-zoeken, hou dan niet vast aan dit niet-zoeken en zie het op de juiste wijze. Blijf niet aan de meet hangen, streef niet naar de hemel en vrees niet de hel. Niet gehinderd worden door vrijheid of gebondenheid, is wat men bevrijding van lichaam en geest noemt.”

“Wanneer de geest van zuiverheid en onzuiverheid is ontdaan, blijft hij niet hangen in vrijheid of gebondenheid. Hij is zich niet bewust van doen, niet-doen, vrijheid of gebondenheid. Precies op dit moment, hoewel hij nog steeds in samsara verblijft, is de geest vrij.” (135)


Je eigen leegte

Op de achtergrond van verklaringen als deze vinden we doctrines uit het hart van het boeddhistische gedachtengoed, in het bijzonder die van vergankelijk, geen-zelf, het overwinnen van begeerte en, bovenal, het Mahayana concept van leegte. Vrijheid in zen heeft de gedaante van een zich verdiepend besef van je eigen leegte of grondeloosheid, van het feit dat je middenin de stroom van het leven staat en voortdurend bent blootgesteld aan de wederwaardigheden ervan. (135)


Troonsafstand

Vrijheid in het boeddhisme is dan ook eerder een kwestie van afstaan dan van verkrijgen. Het is geen troonsbestijging maar een abdicatie. Het is geen uitdrukking van macht maar een laten gaan, een loslaten. In de retoriek van Huang Po: “Het veld ruimen is de dharma!” De metaforen van vaste grond, zekerheid en stabiliteit worden vervangen door die van grondeloosheid en ronddrijven. (135)


Doodsangst

Vandaar dat zen-praktijken in dienst staan van het opgeven van bestaande zekerheden en het ophouden met het streven naar zekerheid. Ze proberen de zen-beoefenaar zijn zelfbeeld te ontnemen. Dit door te moeten maken is volgens de zen-literatuur bijzonder beangstigend. Veelvuldig treffen we de beeldspraak aan van de eindeloze lege ruimte en de doodsangst die deze kan opwekken in mensen die er enigszins voor open staan. De Huang Po fascikel van de Transmission of the Lamp vergelijkt de ervaring van vrijheid met het hangen boven een bodemloze afgrond met niets om je aan vast te houden. In veel zen-teksten wordt het moment van bevrijding vergeleken met een sprong van een honderd voet hoge mast. (135)


Vervreemding

Dit soort beelden suggereert dat vrijheid bestaat in een diepgaande vervreemding van zichzelf en van de wereld. Het licht van de verlichting maakt een eind aan de vanzelfsprekendheid van de dingen. Normaliteit wordt ontmaskerd als een welbepaalde maar willekeurige zienswijze die net als alles, vroeger of later ten prooi zal vallen aan de vergankelijkheid. (136)


Verloochening

Dit idee van vrijheid komt niet overeen met het vrijheidsideaal van de Europese Verlichting, dat emancipatie opvat als volwassenwording en het verkrijgen van steeds meer controle. Het Europese ideaal behelst zelfbeschikking, een bewustzijn dat zijn eigen processen bepaalt, bevrijding van gezag en onderdrukking van buitenaf en het doorzien van onvolwassen denkbeelden. Vrijheid in zen daarentegen gaat over het einde van de autonomie, het opgeven van de wil tot macht in al zijn gedaanten – de wil tot verklaren, de wil tot zekere kennis te vinden, de wil tot beheersen, de wil tot veiligheid, en zo voorts. Vrijheid in zen betekent verloochening. (137)


Illusoir

In tegenstelling tot de moderne Europese obsessie met kentheoretische problemen – hoe de werkelijkheid nauwkeurig te representeren door fouten zoveel mogelijk uit te sluiten – zien boeddhisten de wereld en het menselijk kennen als geheel en al illusoir. Liever dan een methode te ontwikkelen om waar van vals te onderscheiden, stellen boeddhisten dat iedere methode net zozeer getekend wordt door subjectiviteit en onwetendheid als het veld waarin ze zekerheid moet verschaffen. (137)


De open ruimte van verzaking

In plaats van bevrijding op te vatten als een daad van toe-eigening waarbij het subject iets bereikt of verkrijgt, beschrijft zen het als iets wat ons overkomt. Plotseling ontwaken is iets dat zich buiten onze wil om aan ons voltrekt. Sterker nog, ontwaken wordt gezien als iets dat eerst mogelijk wordt in de open ruimte van de verzaking, waarin men de controle volledig heeft opgegeven. (137)


Uit hoofdstuk 8, TRANSCENDENCE: “going beyond” Huang Po:


De meester overtreffen

De Transmissie van de Lamp verhaalt hoe, toen de novice Huang Po zich voor het eerst bij zen-meester Pai-chang vervoegde, deze tegen hem zei: “Als uw ontwaken gelijk is aan dat van uw meester, zal uw licht maar half zo sterk zijn als het zijne. Alleen wanneer u hem weet te overtreffen, heeft transmissie waarlijk plaatsgevonden.” (139)


De brand erin

In teksten over de transmissie van de geest van Huang Po’s leerling Lin-chi, neemt het idee van het ‘overtreffen’ al een centrale positie in. Toen Huang Po het ‘verder gaan’ van Lin-chi officieel wilde erkennen en een bediende vroeg om de heilige attributen die hij zelf van zijn meester geërfd had, tevoorschijn te halen, antwoordde Lin-chi ogenblikkelijk: “De brand erin!” Hoe is het mogelijk dat de heilige teksten van zen het beeld schetsen van een transmissie waarin een opvolger de felst begeerde symbolen van de traditie zomaar aan de vlammen wil prijsgeven? Dit is een radicaal beeld, en, ook al heeft iemand het ooit zo gezegd, daarom hoeven we het nog niet letterlijk te nemen. Maar de betekenis laat zich niet misverstaan. Lin-chi demonstreert zijn realisatie door deze radicaal af te wijzen. (140)


Ook zen is zonder substantie

Een interessante en historisch gezien belangrijke toepassing van hedendaagse anti-essentialistische geschiedschrijving vinden we bij Foulk in The Ch’an School. Na een diepgravende studie van Chinese zen-instituten tijdens de Sung dynastie concludeert Foulk dat zen, in weerwil van talloze claims van Japanse zen-apologeten, geen onveranderlijk, definiërend kenmerk bezit. Geen enkele methode of doctrine, geen enkel genre of instituut blijkt bestand tegen de tand des tijds. De tendens van de zen-traditie om zichzelf voorbij te streven, laat kennelijk geen enkel aspect ongemoeid. (146, voetnoot 8)


Niet verstoffelijken

[Met het] Mahayana-concept van ‘leegte’ wordt bedoeld het ontbreken van essentie (svabhava) of eigenheid (tzu-hsing); het vraagt om een perspectief van waaruit niets – niet de geest, niet de transmissie, niet de leegte zelf – wordt verstoffelijkt of geobjectiveerd. Zo bezien is leegte het boeddhistische equivalent van vergankelijkheid. ‘Leegte’ beschrijft wat er gebeurt wanneer de dingen vorm en eigenschappen krijgen, en wat dat op den duur betekent. Het behoeft geen betoog dat deze omschrijving zelf ook ‘leeg’ is. (148)


De traditie voorbijstreven

De zen-doctrine van het overtreffen, van het voorbijstreven van de meester door de leerling, van het ‘verder gaan’, het transcenderen van de overlevering, is gebaseerd op een diep inzicht in andere belangrijke boeddhistische principes: vergankelijkheid, voorwaardelijkheid, geen-zelf en leegte. Hoewel de traditie deze doctrine niet altijd heeft onderschreven, en haar zelfs met alle middelen heeft bestreden, is het een onontkoombaar en intrigerend feit dat zij überhaupt bestaat. De traditie voorbijstreven, ‘verder gaan’, ervan afwijken – dit zijn de eisen van de traditie zelf. Het is niet iets dat van buitenaf is ingefluisterd of opgelegd. Alleen maar de traditie volgen, haar huidige verschijningsvorm kritiekloos overnemen, betekent dat er geen transmissie heeft plaatsgevonden. (155)


De historiciteit van het absolute

De doctrine van het voorbijstreven kon alleen maar voortvloeien uit een diep besef van historiciteit: wat wij zijn als mens wordt volledig door de geschiedenis bepaald. Historie betekent hier niet zozeer een kracht die van buitenaf aangrijpt op de menselijke essentie, maar ‘iets’ waarvan wij volkomen zijn doortrokken en waaraan wij ons onmogelijk kunnen onttrekken. Weliswaar zijn er slechts een paar uitzonderlijke boeddhisten geweest die zo ver hebben willen gaan. De meeste boeddhisten zagen wel de historiciteit van de dingen in ‘deze wereld’ maar niet die van het rijk van de boeddha’s, van het nirwana en van de transmissie van geest tot geest. Wie de meester van het Huang Po klooster ook geweest mag zijn, waarschijnlijk was hij een van deze uitzonderingen: “De geest is niet de geest en transmissie is niet echt transmissie.” (156)


Uit hoofdstuk 9, MIND: the “great matter” of Zen:


Met en zonder

Het is even dodelijk voor de geest om een systeem te hebben als om er geen te hebben. Daarom zal het tegelijkertijd met en zonder moeten leren leven. (Friedrich Schlegel) (157)


Buiten spel gezet

Deze strategie uit zich hierin dat de Huang Po geschriften hun eigen doctrine van ‘Eén Geest’ radicaal ondermijnen. De theorie is nog niet uiteengezet of het werk van deconstructie neemt al een aanvang: “Geest is van zichzelf geen-geest, maar geen-geest is het evenmin. Geest opvatten als geen-geest maakt er toch weer een bestaand ding van. Stem er daarom stilzwijgend op af en laat alle begrippen varen, in overeenstemming met het gezegde: ‘De weg der woorden is afgesneden en het denken buiten spel gezet.'” (163)


Begrippen afvoeren

Begrippen worden net zo snel weer afgevoerd als opgevoerd. Op deze manier bieden de Huang Po geschriften weerstand tegen iedere poging tot systematisering; het is onmogelijk om er consistente theorieën aan toe te schrijven. Wat er aan doctrines te vinden is, lijkt, in combinatie met de uitdrukkelijke ondermijning ervan, ten doel te hebben een loslaten te bewerkstelligen, het laten gaan van alle begrippen, tot en met de allerlaatste. (163)


Ketterij

Een belangrijke zin bij Huang Po luidt: “Verblijven in zienswijzen is niet de weg.” Ketterij bij Huang Po is niet dat men er de verkeerde zienswijzen op nahoudt maar dat men er überhaupt zienswijzen op nahoudt. (163)


Steeds wisselende standpunten

Hoe kan dat? Hoe houdt men er in hemelsnaam geen zienswijzen op na? … Heel wat zen-literatuur uit deze tijd demonstreert een speelse, voortdurende verschuivende houding ten aanzien van de diverse opvattingen over de weg. Er worden steeds nieuwe standpunten ingenomen; dat is onvermijdelijk. Zodra bepaalde zienswijzen naar voren zijn gebracht, worden ze alweer ingetrokken, tegengesproken, bekritiseerd of op een andere manier in een nieuw daglicht geplaatst. (163)


Geen geest, geen Boeddha

Het verhaal gaat dat Matsu, de grondlegger van deze stijl van zen, voortdurend van standpunt wisselde, zodat zijn volgelingen nooit wisten waar ze aan toe waren:

Een monnik zei: Meester, waarom zegt u “Geest is de Boeddha”?
Matsu zei: Om de kinderen te sussen.
De monnik zei: En als de kinderen stil zijn, wat dan?
Matsu zei: Geen geest, geen Boeddha! (163)


Tussen twee ijzeren bergen

Wanneer monniken zich op het zen-pad begeven, trainen ze hun geest om zich niet meer op de wereld te richten maar op de Boeddha en de Dharma. Wat een schok moet het dan zijn wanneer Huang Po ineens de boel omkeert: “Hij die ziet dat er geen Boeddha is en geen Dharma, mag zich een monnik noemen!” En wat betreft de theorie van de geest: “geest is geen geest!” “Wie gelooft in ‘geest’ of ‘geen-geest’ zit gevangen “tussen twee ijzeren bergen”. (163)


Niet vastklampen

Toch mag men deze stroom van ontkenningen niet opvatten als een bevestiging van de filosofische doctrine van ‘grondeloosheid’. Zelfs die mogelijkheid wordt ontkend. Misschien zijn we het beste af wanneer we een en ander opvatten als een meta-filosofische aanbeveling over hoe om te gaan met de zienswijzen die onvermijdelijk in ons opkomen. Net als bij andere vormen van Boeddhisme, is ‘niet vastklampen’ hier de weg. (164)


De droom van volledige aanwezigheid

Een van de stokpaardjes van deconstructie, zoals dat naar voren komt uit de postmoderne geschriften van Jacques Derrida en anderen, is dat de ‘droom van volledige aanwezigheid’, in welke vorm dan ook, alleen maar het verlangen verraadt om de eindigheid te overstijgen. Dit verlangen, zo wordt gesteld, is onvervulbaar, en kan best overwonnen worden. De wereld vertoont zich nooit aan ons zoals ze is, maar is altijd reeds representatie, het product van een systeem van tekens waardoor het van a tot z bepaald wordt. We zien de werkelijkheid steeds doorheen de bril van onze taal en cultuur, en het is onmogelijk om deze bril af te zetten. (165)


Geen kern

Vanuit diverse boeddhistische standpunten is de zoektocht naar vaste grond illusoir, het resultaat van verlangens die men maar het beste op kan geven. Door de lagen van middellijke ervaring een voor een weg te pellen zullen we nooit bij een kern uitkomen – geen onmiddellijke ervaring op de bodem van de geest. In plaats daarvan vinden we, in boeddhistische termen, voorwaardelijkheid, vergankelijkheid en geen-zelf. Dit wil zeggen dat de ervaring niet teruggebracht kan worden tot een ‘kleinste gemene veelvoud’, zelfs niet door opperste meditatieve concentratie. Alle ervaring is ‘leeg’, hetgeen voor ons eindige mensen betekent dat de “put geen bodem heeft”. (165)


Tot onze nek

Wat we ook vinden zal voorwaardelijk en wederkerig afhankelijk blijken te zijn van iets anders, en dus relatief, niet absoluut. Wanneer Huang Po claimt dat de “geest leeg is”, bevinden we ons tot onze nek in het klassieke Boeddhisme, dat onze verlangens naar een ultieme grond of waarheid om ons mens-zijn op te funderen, zo graag ondermijnt. Het komt mij voor dat ons denken over zen, struikelt op het punt waarop we toegeven aan dit verlangen, en ‘zen-geest’ verstaan als een volmaakt gepolijste spiegel. (166)


Haalbaar noch wenselijk

Als het al mogelijk was onze geest te ‘zuiveren’ van alle taal, kennis en ervaring, zouden we dan nog wel kunnen functioneren deze wereld, of zelfs maar in de wereld zijn? Niet op een manier die we redelijkerwijs menselijk zouden kunnen noemen. Het ideaal van ‘zuivere ervaring’ zoals opgevat door westerse interpreten van zen, lijkt haalbaar noch wenselijk. (167)


Geen enkele praktijk

Geen enkele praktijk, wetenschappelijk noch spiritueel, leidt tot de zuivere aanwezigheid van de dingen. ‘Dingen’ manifesteren zich nou eenmaal aan geesten die altijd al een complexe, culturele conditionering achter de rug hebben. (167)


Uit hoofdstuk 10, ENLIGHTENMENT: the awakening of mind:


Verlichting is niet iets bepaald

Verlichting heeft geenszins het karakter van een afsluiting door middel van een begripsmatige bepaling; er is niets objectiefs dat vastgesteld of voorgesteld kan worden in het bewustzijn. Zoveel is zeker bij Huang Po: door ‘geest’ of ‘leegte’ het primaat te verlenen sluit hij de mogelijkheid van inhoudelijke bewustwording uit. Opgevat als de open ruimte waarbinnen alle weten zich voltrekt, is geest zelf niet een van de dingen die zich laat kennen. (191)


Ironie

Omdat er geen standpunt bestaat buiten of boven datgene wat in verlichting ervaren wordt, geen positie van waaruit ‘geest’, ‘leegte’, of ‘Boeddha’ zich laten vatten, kan Huang Po de verlichting op twee manieren aan de orde stellen. De eerste is door middel van ironie. De zoektocht naar de ervaring van verlichting is ironisch in die zin dat er ‘niets’ te ervaren valt. Het is de ervaring van afwezigheid en eindigheid. De stijlfiguur van ironie maakt korte metten met de verwachtingen en het vastklampen van zoekers. Huang Po’s favoriete zin is de disclaimer van de Boeddha zelf dat hij door zijn verlichting niets bereikt heeft. En zoals Lin-chi het zei: Huang Po’s verlichting “stelde niets voor”. Deze ironie heeft tot doel de zenbeoefenaar open te stellen voor de meer verfijnde, niet-objectieve sfeer waarbinnen het besef van geest of leegte het karakter krijgt van een ontsluiting of doorbraak. (191)


Niets zo nabij

De andere manier waarop Huang Po de verlichting aan de orde stelt, volgt een soortgelijk patroon. Omdat hij geen algemeen geldige beweringen over verlichting kan doen, gebruikt hij retoriek om de ervaring van verlichting hier en nu gestand te doen. Huang Po laat zien hoe de open ruimte van de geest zich op geen enkele wijze laat thematiseren en tegelijkertijd zo nabij is dat niets fundamenteler voor het zelf kan zijn. Verlichting ervaren is als het proeven van het proeven zelf, het voelen van het voelen zelf. Smaak en gevoel zijn paradoxaal genoeg zo nabij, dat niets verder van het bewustzijn af ligt. (192)


Deconstructie

De neiging tot objectivering van verlichting is inherent aan zowel het monastieke als het filosofische boeddhisme – hoe meer je over het nirwana praat, hoe meer je het als iets gaat zien, als iets voorbij deze wereld. … Huang Po zocht de oplossing in een terugkeer naar het alledaagse, en een grondige deconstructie van het onderscheid tussen gewoon en verlicht. “U hoeft zich alleen maar te bevrijden van uw concepten van gewoon en verlicht om te ontdekken dat er geen andere Boeddha is dan de Boeddha in uw geest.” (192)


Het lege zelf

Huang Po’s idee van ontwaken is een vastberaden “sprong van een honderd voet hoge mast.” Hoe valt deze plotselinge daad te rijmen met de weg der geleidelijkheid? Net als iedereen, kunnen zen-novicen niet ineens hun actuele zelfbeeld opzij zetten om totaal iemand anders te worden. Wel kan hun zelfbeeld stukje bij beetje worden afgebroken, maar alleen wanneer het vervangen wordt door een ander beeld (zelfs al is dit niet meer dan het idee dat ieder zelfbeeld losgelaten moet worden). Dit nieuwe zelfbeeld, dat men zich al denkende en mediterende eigen maakt, vervangt van lieverlee het oude. Het verschil tussen beide is, idealiter, dat het nieuwe zelfbeeld de ‘leegte’ belichaamt; het wordt gekenmerkt door openheid en flexibiliteit, die zich manifesteren als een totaal voorbehoud ten aanzien van zichzelf en van ieder weten. De leegte verkondigt zijn eigen leegte en verwijst aldus naar zichzelf. (196)


Het grote mysterie

De laatste daad van de zoeker wordt voorgesteld als een sprong waarmee men voorgoed de veiligheid en zekerheid van het gewone ik achter zich laat. Met deze daad springt de zen-beoefenaar in de ‘leegte’, de peilloze afgrond die het ‘grote mysterie’ wordt genoemd. Omdat vanaf dit punt iedere grond grondeloos is, wordt deze sprong omschreven als beangstigend, het verlaten van het bekende ik als veilige thuishaven. Beangstigend omdat het een sprong in het onbekende is, een mysterie waarin de zen-beoefenaar niets meer in de melk te brokkelen heeft. (196)


Het uiteenvallen van het subject

Waarom wordt het plotselinge ontwaken voorgesteld als een val in de leegte; waarom niet in de gracieuze armen van de Boeddha of in het Zuivere Land of op de vaste grond van een hogere zekerheid? Omdat dit beeld aansluit bij de beleving en bij de begripsvorming daaromtrent. Zoals Huang Po het ziet, heeft de Boeddha met zijn verlichting ‘niets’ bereikt – geen kennis, geen vaste grond, geen geruststelling, geen zekerheden. De verlichte is niet ontsnapt aan de eventualiteiten van het dagelijks leven. Hij is niet verlicht in de zin van ‘alwetend’. In plaats daarvan stellen de Huang Po-teksten verlichting voor als de desintegratie van het subject, dat zijn Waterloo vindt in de totale grondeloosheid van het bestaan. De illusie van de vrije wil wordt doorzien en de gebeurlijkheid van het leven erkend. (197)


De uitdaging

Daarom laten de Huang Po geschriften Bodhdharma de uitdaging van de verlichting als volgt onder woorden brengen: “Wanneer we de aard van de geest herkennen, kunnen we alleen maar bevestigen dat hij ondenkbaar is. Door hem te doorzien, bereiken we niets; als we hem vatten, kunnen we niet zeggen dat we weten. Als ik u dit zo zeg, kunt u er dan weerstand aan bieden?” Zo bezien is verlichting een aanpassing van de mens die alle vaste grond onder de voeten verliest, en ophoudt ernaar te zoeken. Verlichting treedt slechts op wanneer en zodra men iedere claim iets te weten of te bezitten of te hebben bereikt, opgeeft. Zij volgt het boeddhistische begrip ‘leegte’ in zijn afwijzing van iedere aanspraak op absolute waarheid, inclusief de claim iets te weten dat absoluut waar is voor alle claims. (197)


Het zelf voorbij

Deze expansieve openheid wordt omschreven als moeilijk en vreeswekkend. Wanneer men zich openstelt voor de ruimere sferen voorbij het persoonlijke zelf, openbaart zich onvermijdelijk de grondeloosheid en vergankelijkheid van dat zelf – zijn eigen leegte. Verlichting is niet slechts een kwestie van persoonlijke groei. Integendeel, door de veiligheid van ieder concreet zelfbeeld op te geven, stelt men zich bloot aan transpersoonlijke ruimten voorbij het zelf. (198)


Als hout of steen

De verlichte geest is te vergelijken met hout of steen omdat “deze niet discrimineren”, en “de dingen nemen zoals ze zijn, en zichzelf zonder enige terughoudendheid ter beschikking stellen aan de realiteit.” In andere opzichten zijn hout en steen natuurlijk niet met de verlichte geest te vergelijken. De zin waarin ze dat wel zijn, is echter belangrijk voor Huang Po. Deze zin correspondeert met de negatieve dimensie van de zen-beoefening, de opvatting van de weg als opgeven, loslaten, niet-vastklampen en niet-zoeken. (198)


Opgeven

Huang Po draagt zijn leerlingen op de gedachte dat er “in werkelijkheid niets te begrijpen valt” in de praktijk te brengen. Je moet je zoektocht naar zekerheid, naar een vaste, eeuwige grond, opgeven. Geef jezelf over aan de wereld. Probeer geen houvast te vinden, want welke schat je ook aan het einde van je zoektocht projecteert, hij zal er niet zijn. “Verlang er bovenal niet naar een toekomstige Boeddha te worden; uw enige zorg is, terwijl de gedachten elkaar eindeloos opvolgen, ze stuk voor stuk te laten gaan.” (199)


Moeiteloos

De Huang Po geschriften ontkennen niet de noodzaak voor toewijding en inzet. Maar uiteindelijk moet deze inspanning zichzelf achterhalen en opheffen, zodat het doen niet-doen wordt en geen inspanning meer kost. Daarom zegt Huang Po: “Dit is niet iets dat u kunt bereiken zonder inspanning, maar als u eenmaal het punt hebt bereikt dat u nergens meer aan vasthoudt, zult u de dans van de Boeddha dansen, in overeenstemming met het gezegde: ‘Ontwikkel een geest die nergens op berust.'” (199)


Het einde van de Dharma

Ontkenning van het zelf als hoofdingrediënt van verlichting zien we ook terug in het boeddhistische gedachtegoed. Hoewel de ideeën van het boeddhisme gedacht moeten worden, komen deze ideeën uiteindelijk neer op het opgeven van alle ideeën, op de leegte ervan: “Alles laten gaan is de Dharma, en hij die dit begrepen heeft is een Boeddha, maar het laten gaan van alle ideeën betekent tevens het einde van een Dharma om aan vast te houden.” (199)


Laten gaan

De leer van het loslaten was essentieel in het Huang Po klooster. Consequent loslaten betekende echter wel dat ook deze leer losgelaten moet worden. Dit is het beeld van de Boeddha’s, het beeld van verlichting dat Huang Po schetst. De zenpraktijk wordt verondersteld niet tot definitieve kennis of vaste grond te leiden, maar eerder tot een openheid die zich het beste laat omschrijven als ‘laten gaan’. Vandaar dat de geschriften van Huang Po als einddoel niet een ‘waar zelf’ postuleren, en geen beschrijving bevatten van ‘de dingen zoals ze werkelijk zijn.’ In plaats daarvan schrijft het oefeningen voor en geeft het voorbeelden van meesters die al denkende voortdurend hun gedachten loslaten. (199)


Voorbijstreven

Alhoewel verlichting in de ene historische context werd opgevat als een onveranderlijke essentie die doorgegeven werd van de ene meester op de andere, werd in een andere historische context Huang Po verondersteld om zijn meester voorbij te streven. Het idee van het voorbijstreven laat zien hoezeer de traditie op dat moment open stond voor de mogelijkheid dat verlichting zelf veranderlijk was. Men had zich duidelijk de vraag gesteld: als alle dingen leeg zijn, wat betekent dat dan voor de verlichting? Dit is wellicht de allermoeilijkste vraag, moeilijker nog dan de ‘leegte van de leegte’. De sleutel tot de oplossing van dit vraagstuk bevindt zich reeds in de tekst van Huang Po. Verlichting is leeg, en daaruit volgt dat geen enkele gedachte over of ervaring van verlichting definitief is. (204)


Nooit het laatste woord

Hoewel de hedendaagse vorm van verlichting door de eeuwen heen steeds weer als het laatste woord wordt beschouwd, wordt haar absoluutheid steevast ondermijnd door transformaties in andere dimensies van de context of het standpunt van waaruit haar formulering definitief scheen. Nieuwe manieren om het doel onder woorden te brengen, nieuwe manieren om te praktiseren, maken het keer op keer noodzakelijk om ‘voorbij’ datgene te gaan wat men voordien nastreefde. (205)


Uit het slothoofdstuk CONCLUSION: Zen in theory and practice:


Leren zeilen

Als we ontdekken dat we in deze wereld geen grond of rots hebben om op te staan en op rond te lopen, maar alleen maar ziedende zeeën en lucht en wind, is de volwassen reactie niet om te weeklagen over het verlies van zekerheid maar om te leren zeilen. (James Boyd White) (207)