Hugo Pos

‘Geloof en ongeloof, ik vree met beide, maar geen van twee dorst ik ten huwelijk vragen.’ Poëzie van jurist, schrijver en dichter Hugo Pos (1913-2000).

Redactie en titels Hans van Dam (tenzij anders vermeld).

Dwaalgids > Belletrie > Hugo Pos


uit Een uitroep zonder uitroepteken, 1987:


God mag weten wat

De schamele vrienden die ik heb gehad,
dronken brahmanen, niggerlovers, vrouwen,
zij zullen een legende om mij bouwen
van iets eigens, God mag weten wat.
(13)


Welke leer

Ik ben vannacht gepromoveerd
op Welke leer behoudt haar waarde
als straks, wie weet, de naakte aarde
bedreigd, diep in zich zelve keert?
(29)


Mijn leerstoel

Blijf anoniem, strooi kruimels voor de vogels,
wantrouw het meest je eigen initialen.
Mijn leerstoel is gericht op het beamen
van wat een ander denkt, sla dat maar over.
(34)


Niet waar gebeurd

Bedenk, mijn zoon, dat alles wat gebeurt
de keur van vroeger draagt en wij op onze beurt
het snoer van morgen rijgen. Niets is waar
en wat eens waar was is niet waar gebeurd.
(35)


Voor mij en mijn demonen

Ik vroeg mijn goeroe: ‘Waar ontspringt de droom,
in mij of buiten mij, of is er soms een zone,
een onderduikadres voor mij en mijn demonen,
met water gas en licht, tv, een zachte dood?’
(36)


Geen leer omhelzen

De dingen doen en aan het einde, basta.
Geen leer omhelzen. In het halfduister
de uitgang raden. Niet in paniek raken.
Hij weet wel dat je komt, het staat in zijn agenda.
(40)


Wat wit is

Als er geen leven is, is er geen dood,
dit is mijn koan, dit is het grote raadsel
dat ik poog op te lossen – Kameraden,

ik laat wat wit is open, je weet maar nooit.
(42)


Brief aan mijn dochter

De waarheid, beste meid, is altijd daar te vinden
waar ik niet ben. Ik ben gewend
te worden overstemd. Maar vrinden blijven vrinden.
Stem nooit op de partij. Doe wel. Je zwakgezinde vader.
(47; titel origineel)


Het grote ongewisse

De noeste kaste van horlogemakers,
de Rolexdragers, de verdomde Zwitsers,
bestaan het om het grote ongewisse
in tikke-takke, time is money, te vertalen.
(51)


Quitte

Het is geen pretje om te moeten kiezen,
Welles en Nietes, die alternatieven
heb ik geschrapt. Zonder de gloria
van winnen of verliezen speel ik nu quitte.
(54)


Rajastan

Ik heb een lot gekocht, de hoofdprijs is twee kamelen,
ben ik de zwengel of beslist het lot
wat er gebeuren gaat, de einder met ze delen
of, bij het huisaltaar, God danken, op is op.
(60; titel origineel)


De leegte overwint alles

Ik droomde dat ik in een droom gewikkeld lag
van wakker worden en de droom vervolgen,
en ik toen op een muur gekalkt zag
VACUUM OMNIA VINCIT, tenminste dat geloof ik.
(63)


Waar dan, waar?

Wat niet te zien is, wie zal me geloven,
rees uit de nevels helder voor mijn ogen
totdat mijn bril besloeg. Nu weet ik niet meer waar
ik schuilen kan, de regen valt, een afdak, waar dan,
waar?
(65)


uit Voordat ik afreis, 1993:


Geen van twee

OMAR KHAYYAM, hoe schamel klinkt mijn klagen
dat antwoord uitbleef en niet op kwam dagen.
Geloof en ongeloof, ik vree met beide,
maar geen van twee dorst ik ten huwelijk vragen.
(11)


Uitgevlakt

Alles is vluchtig, niets is nagelvast.
Er was een passer nodig, het beschrijven
van cirkels in het zand, om te bewijzen
dat wat vandaag beklijft morgen is uitgevlakt.
(12)


De Tao niet omschreven

De douanier is weg, de grenspost is gebleven,
de ziel te zeer verdacht. Het wein’ge dat we weten
is naamloos. Lao Tse, de Tao niet omschreven.
Ons lot is om te gaan en sterven aan het leven.
(16; titel origineel)


Teken aan de wand

Jong als Iskander. Verticaal
stond de ladder om de sterren te rapen
Venus, Saturnus! …
Wie las aan de wand dat de sporten ontbraken?
(29)


Der mensen duisternis

Binnen de ruimte die elastisch is
verlichten wij der mensen duisternis,
de vragen die wij stellen, geen orakel
maakt ooit een eind aan uw bekommernis.
(32)


Van twijfel nooit genezen

De Bhagvad-Gita, keer op keer gelezen,
Ardjoena’s vraag, ze kon de mijne wezen,
volbracht de taak, wat is er misgegaan
dat ik van twijfel nooit nog ben genezen.
(42)


Voor mani

‘Gelukkig het water waar niemand van drinkt.’
Profeten, wijzen, stel dat al uw woorden
de slaap van ons, gerusten niet verstoorden,
is het niet beter dat het water stinkt?
(46; titel origineel)


Voor Primo Levi

‘Dat schrijven een geluksgevoel kan schenken.’
Ik las die zin en ik ben blijven denken
heel ons balorig leven staat beschreven
in een geheimschrift dat zich niet laat lezen.
(60; titel origineel)


De schakelaar, dacht ik

Juist toen ik dacht dat denken mij bezwaarde
en ik mij overgaf aan wat het troebel lot
voor mij in petto had vielen de lichten uit.
De schakelaar, dacht ik, links onder aan de trap.
(63)


Grootspraak

Beschouw wat ik blijmoedig zeg
niet als mijn laatste woord, ik dreg
mijn grootspraak uit het protoplasma,
dat ik aan leven in mij heb.
(65)


Met losse treden

Het hier en nu, het alomvattend heden,
beschouw ik als een trap met tal van losse treden
of ik naar boven loop of naar benêe,
ik heb een leuning nodig voor mijn schreden.
(67)


Derwaarts

Gedroomd dat ik de emir was die kon bepalen
de strafmaat voor de twijfelaars die falen.
Nu loop ik langs het pad dat derwaarts voert
en kan de afstand schatten noch bepalen.
(71)


Waarom notuleren

Straks als het over is, niemand meer weet
wat er geweest is, laat het maar, vergeet
de annotaties. Waarom notuleren
wat hoofd-, wat bijzaak was, wat schaduwbeeld?
(75)


Wie haal ik in?

Tot slot: dat ik zo’n lange weg
heb afgelegd om aan te komen bij het begin.
Verdomd, in cirkelgang gelopen
en nooit bedacht: wie haal ik in?


uit Tot in de n-de, n-de graad, 1998:


Tot alles is de mens in staat

Wat heeft de eeuw ons aangedaan
dat ik het boek niet dicht kan slaan:
Tot alles is de mens in staat
tot in de n-de, n-de graad.
(16)


Potsierlijk

De plattegrond van ons potsierlijk leven
valt van geen tekentafel af te lezen,
computer, passer, liniaal, bedreven
als we zijn, wat heeft het opgeleverd?
(18)


De weg

Het was nog vroeg, de straten leeg, verlaten,
een Bodhisattva met een bedelnap
vroeg mij de weg. Had hij niet in de gaten
dat mij de moed ontbrak om het aan hem te vragen.
(20)


Meer is er niet

Het joelen van de wind, het woelen van het bloed,
het groeien van het jaar. Als gij dat samenvat
dan kent ge heel mijn leven
meer is er niet dan dat.
(26)


Gelukt

De goeroe met de kas vandoor –
wij, volgelingen, opgelucht
dat het de goeroe is gelukt
net zo te zijn als U en ik.
(48)


Als er geen doel is

1
Als er geen doel is kun je ook niet scoren
zei mijn doelman van het A.F.C.,
ik lig in bed, doodziek, wij bidden met z’n twee,
de zuster doet ook mee: A.F.C. gaat nooit verloren…

2
Als er geen doel is kun je ook niet scoren
ik wandel langs het strand, sta stil en proef de zee,
de meeuwen krijsen, ik krees zeker mee
was ik als meeuw en niet als mens geboren.

3
Als er geen doel is kun je ook niet scoren
een oude joodse vrouw verzucht
scoren brengt maar ongeluk
dank God dat soms gelijkspel lukt.

4
Als er geen doel is kun je ook niet scoren
Voi che entrate, eer gij binnengaat
de hemelpoort, het helle consulaat,
zing: A.F.C. gaat nooit verloren.
(51)


Demontage

Het spiegelbeeld in duigen lag
de scherven stierven aan mijn voeten
ik keek de demontage aan
met onuitsprekelijk genoegen.

Rivieren ben ik opgegaan,
de bergen die ik eens beklom
zijn er niet meer, misschien verzonnen
zoals zoveel in mijn bestaan.

Als ik niet ben waar ik op leek
toen ik nog in de spiegel staarde
vanwaar er iemand naar mij keek,
hooghartig het geheim bewaarde,

spaar mij uw hoon en pesterij
dat komt ervan is overbodig
ik ben op heterdaad betrapt
het ik-regime wordt afgeschaft.
(53)


Voor de krekels

Van nu af aan ook tegen beter weten,
zal ik des avonds voor de krekels preken.
Je vraagt me spottend of ze mij verstaan.
Natuurlijk niet, dat is waar ik op reken.
(63)


De slotsom

‘Wat is de slotsom van je leven?’
Mij stoort haar vraag, ik ben te bezig
en zeg maar wat: ‘het is zinledig.’
Schot in de roos: ‘Doe niet zo melig.’
(70)


Uit het ongerijmde

Te laat geboren, nee zeg jij, te vroeg –
is dit een koan, vrucht van Zen-praktijken
of de verwoording uit het ongerijmde,
wij weten niet vanwaar en ook niet waarnaartoe.
(71)


Wie vraagt Hij wat

Ik droomde dat ik heel gelovig was
en God bediende die aan tafel zat
en voor Hij at de handen vouwde, bad,
en ik mij afvroeg aan Wie vraagt Hij wat.
(82)


Niet te stuiten

Waartoe die komma’s kreet de jonge dichter
beletsels zijn het voor een vrije vaart
van de gedachten. – Kameraad,
om die te stuiten is geen vorst bij machte.
(83)


uit Het talmen van de tijd, 2000:


De rechtsgrond

Wat is de rechtsgrond van het lange leven
ik ben jurist en stel de malste vragen,
God aan de lijn: ‘Het recht eens soeverein
is meten buitentijds met ongelijke maten.’
(7)


Wij evenmin

Ik heb de doden niet geteld, het had geen zin,
Wat leeft dat is een minderheid daartussenin,
de as waar om de aarde draait weet niet
van einde en begin, wij evenmin.
(18)


Terwijl ik niet meer weet

Ik denk aan haar terwijl ik niet meer weet
was het toen lente of nog volop zomer,
is ze van mij geweest of was het veel gewoner
wat op en af, meer niet, zoiets als haasje over.
(19)


Tot in de dood verdwaald

Lag in het gras en viel in slaap
toen in mijn droom de doodgewaande
mij niet herkende, rond bleef dwalen
mijn lief, tot in de dood verdwaald.
(35)


De dood voorbij, het leven verre

Een ruimteschip, ik stel me voor
verdwalen tussen maan en sterren
waar koerst het heen, ik stel me voor
de dood voorbij, het leven verre.
(36)


Waarnaartoe

Wat weten wij van lot en loterij
Op het station verdringen zich de mensen
ze denken dat ze weten waarnaartoe…
De doden zwijgen en dat geeft te denken.
(39)


Het doden van de tijd

Vordert het werk? Op zo’n vraag
past een mallotig antwoord. Nee,
veeleer het doden van de tijd
met een speelgoedgeweer.
(59)


Een tijdgenoot van Jezus

Een tijdgenoot van Jezus, zou ik dan
luidkeels geroepen hebben om zijn bloed
of hem doen onderduiken, uit handen van Pilatus
weren, hem zijn sublieme dood hebben onthouden?
(75)


Bron onbekend:


Niet één dag

Zoals de zwanen modder mijden
meed ik het duister van de geest
de blubber komt nu bovendrijven
ik ben niet één dag zwaan geweest.


uit Twaalf Balladen, 2005:

(titels origineel)


uit de Ballade voor de banaan

Ik heb mijn naam bevestigd
aan een bananenstronk
prop als ik dood ben vrienden
iets van mij in uw mond

en als gij lust verzadigd
u in uw hangmat vleit
denk dan aan deze dichter
niet aan de eeuwigheid

bananen zijn gezonder
voor darmen en gemoed
dan alle speculaties
van wat er komen moet


uit de Ballade van het Millennium

Het Hier en Nu, de Zen-adepten
begaan geen zonden, mediteren,
vanuit de leegte is te leren
hoe wij onszelve moeten sturen

en als we dan zijn aangekomen
bevrijd van ego en verlangens
waarom dan hier te blijven hangen
Nirwana lonkt, wij zijn gevangen

in ons omhulsel, het broze lijf
is slechts een tijdelijk verblijf
liefde is niet het hoogste goed
een speeltje is het, honingzoet

om van de toegemeten tijd
met spel en liflaf door te komen
ook het vernuft verschaft respijt
en rommelt wat met genen, klonen,

Chinezen hebben meer verleden
dan westerlingen, lang geleden
op zoek naar de onsterfelijkheid
om van die drang nooit te genezen

de negers, ach hun bangste dromen
zijn jammerlijk wel uitgekomen
de Indianen weten beter
dan wie dan ook, het tij was tegen

de armen, zieken en de rijken
de paus, de keizer, zijn gelijkelijk
gebonden aan de loop der tijden
de draaitol, aarde, kent een einde

dat wij niet kennen, al de zieners
kunnen geen zekerheid ons bieden
het interregnum, ons beleven
is slechts een maatstok ons gegeven.


uit de Ballade van de Jeugdige Lezer

er is een tijd om hard te lopen
er is een tijd om stil te staan
de Prediker wist dat de zinnen
koppig hun eigen wegen gaan

de zoektocht naar het hart der dingen
verzandde in ijdel praten
de hamvraag mijden, weinig wagen
de afgrond achter mij gelaten

De Bosatlas kent nieuwe drukken
de vragen blijven open staan
waarom het niet heeft mogen lukken
of is daar geen beginnen aan.

Alwie zich aan een uitspraak waagt
het is de taak van de filosofen
wordt een konijn dat alsmaar knaagt
het bot is nimmer afgekloven.


uit de Ballade van de Ouderdom

Mijn wereld die is opgebouwd
uit drijfhout, leem, gedachtesnippers,
hoe komt het dat die het nog houdt
bouwmeester, ik, een bouwval is het.

Bepaalt het lot het hoe en wat
zijn wij pionnen, losse stukken
of is het enkel grootheidswaan
dat wat wij willen ook moet lukken


Ballade van de Ommekeer

Al wat wij weten keert zich om en om
de koningin geëerd, van achteren bekeken
prompt wordt ze net een meid die ik eens had bereden,
al wat wij weten keert zich om en om.

Al wat wij weten keert zich om en om
in vuur en vlam geraakt, een vrouw verblind aanbeden
eerst op de tast gewaar, een beeld, ijskoud van leden,
al wat wij weten keert zich om en om.

Al wat wij weten keert zich om en om
wat mij bezield heeft in dit lange leven
is tot vandaag een raadsel mij gebleven,
al wat wij weten keert zich om en om.

Al wat wij weten keert zich om en om
wat laat ik na, wat heb ik weg te geven
heb ik iets toegevoegd of veeleer afgeschreven
al wat wij weten keert zich om en om.

Al wat wij weten keert zich om en om
de poes gestreeld, de hond een hap gegeven
het wist niet uit het grauw, door mij goedlachs bedreven,
al wat wij weten keert zich om en om.

Trouw. Jarenlang heb ik decreten
gehoorzaamd zonder ooit te weten
of het niet wijzer was Godbeter
ze met het huisvuil mee te geven

al wat wij weten keert zich om en om.

Al wat wij weten keert zich om en om
van denkpatronen waar ik even
aan tippen mocht, wat is gebleven?
al wat wij weten keert zich om en om.


Ballade voor de (on)gelovigen

Vanuit de zesde klas bekeken
is het meisje uit de eerste klas
een wurmpje dat pas komt kijken
en niet bij zesdeklassers past.

Vanuit het wurmpje bekeken
zijn jongens uit de zesde klas
bezitters van geheime wapens
al zijn ze nog zo groen als gras.

De joden en Arabieren
aartsvader Abraham gemeen,
Semieten, welhaast één familie
totdat Sir Mohammed verscheen

De Christenen verhieven Jezus
van dissident tot zoon van God
van doodslag in zijn naam bedreven
het bloed blijft druipen, droogt niet op.

Wij atheïsten zonder vrezen
hebben de hemel uitgehold
maar vonden niet dat wat wij zochten
ook ongeloof is klatergoud.

Zal ik straks voor de vogels preken
zoals Franciscus heeft gedaan,
hij wordt geprezen, toch weet niemand
of zij zijn taal hebben verstaan.

Stel dat zij van zijn vrome woorden
een pietsie hadden opgevangen
dan ware ze, helaas, niet langer
de schuldelozen, onbevangen.

Gelovigen en goddelozen
weten de waarheid aan hun zijde
maar zal de dood straks onderscheiden
wie Heiden, Christen, Moslim, Jood?