Idolen van de zoeker

‘Je hoeft niet te ontwaken om tot alles in staat te zijn, en het helpt ook geen zier.’ Dwaalteksten over meestervervalsers, dweepzieken, gevallen helden en dolende heiligen.

Verder lezen: Elf plaatjes van de ezel, Goeroes, goeroelopers en ouwehoeroes, Meester Hans, Meester Schaap en Broeder Ezel.

Idolen van de zoeker

Andrew Cohen
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Alexander Smit
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Osho
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Sai Baba
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Sri Rishi Prabhakar
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Paramhamsa Nityananda
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Kirtanananda Swami
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Kardinaal Simonis
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Moeder Theresa
Je denkt: Ik word net als zij.
Wat blijkt: Zij is een van ons.

Genpo Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Maezumi Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Eido Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Sasaki Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Baker Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Walter Nowick
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Seung Sahn Soen Sa Nim
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Rients Ritskes
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Lama Kelsang Chöpel
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Mettavihari
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Jim Jones
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Joseph Mengele
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Adolf Hitler
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Jozef Stalin
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Pol Pot
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Mao Zedong
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Osama Bin Laden
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Hans van Dam
Je denkt: Hij is een van ons.
Wat blijkt: Ik ben net als zij.

Jij
Je denkt: Ik blijf steeds mezelf.
Wat blijkt?


Andrew Cohen wordt beticht van geestelijke en lichamelijke mishandeling en geldklopperij.

Alexander Smit zou een driftige, geldbeluste womanizer zijn geweest.

Osho zou een megalomane materialist en een paranoïde querulant zijn geweest.

Sai Baba zou een oplichter en een fraudeur zijn geweest die zich vergreep aan talloze leerlingen, jong en oud.

Sri Rishi Prabhakar zou chantage hebben gepleegd en seksuele omgang met leerlingen hebben gehad.

Paramhamsa Nityananda zou zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik, vrijheidsberoving en verkrachting.

Kirtanananda Swami zou zich schuldig hebben gemaakt aan fraude, afpersing en seks met minderjarigen.

Kardinaal Simonis zou niet daadkrachtig hebben opgetreden tegen pedofiele priesters en seksueel misbruik in de katholieke kerk hebben proberen te verhullen.

Moeder Theresa zou een potentate zijn geweest die graag in het gezelschap van rijken verkeerde terwijl ze de armoede verheerlijkte en spirituele hulp bood waar medische hulp geboden was.

Genpo Roshi zou herhaaldelijk seks met leerlingen hebben gehad en exorbitante tarieven voor retraites gerekend hebben, en moest aftreden als hoofd van de Kanzeon sangha.

Maezumi Roshi zou een alcoholist zijn geweest die zijn gezin verwaarloosde en beschonken in bad verdronk.

Eido Roshi zou zich vijftien jaar lang bezondigd hebben aan seks met leerlingen en moest zich terugtrekken als hoofd van de Zen Studies Society.

Sasaki Roshi wordt ervan beschuldigd meer dan een halve eeuw seks met leerlingen gezocht te hebben onder het motto ‘ware liefde is jezelf weggeven’.

Baker Roshi wordt beticht van machtsmisbruik en extravagantie.

Walter Nowick zou zich als leider van de eerste Amerikaanse zen-gemeenschap grillig en onverantwoordelijk hebben gedragen.

Seung Sahn, grondlegger van de kwan-um school of zen, zou seksuele relaties met leerlingen hebben gehad en al te lichtvaardig transmissie hebben verleend.

Rients Ritskes, stichter van een keten van zenscholen, wordt beticht van titelfraude.

Lama Kelsang Chöpel wordt beticht van titelfraude, intimidatie, en seks met leerlingen.

Mettavihari wordt beticht van jarenlange seks met leerlingen, gebruik van giften voor persoonlijke doeleinden en contacten met de georganiseerde misdaad.

Jim Jones zou zich schuldig hebben gemaakt aan machtsmisbruik, hersenspoeling en de gedwongen zelfmoord van bijna duizend sekteleden.

Joseph Mengele zou wrede, pseudowetenschappelijke medische experimenten hebben uitgevoerd op Joodse gevangenen tijdens de tweede wereldoorlog.

Adolf Hitler, Jozef Stalin, Pol Pot en Mao Zedong zouden in de twintigste eeuw een schrikbewind hebben uitgevoerd in Duitsland, Rusland, Cambodja en China, met tientallen miljoenen slachtoffers als resultaat.

Osama Bin Laden zou de oprichter van de Arabische terreurorganisatie Al Qaida en het brein achter 9-11 zijn geweest.

Hans van Dam besteedt bijna al zijn tijd en geld aan zichzelf en zijn lief, en kijkt voortdurend weg van bijna alle misstanden in de wereld. Hij heeft gefraudeerd, gesmokkeld, ingebroken, gestolen, geheeld, gelogen, geroddeld, geslagen, seks met minderjarigen gehad, sodomie en overspel gepleegd, gehoereerd, gemanipuleerd, geïntimideerd, gediscrimineerd, gepest, gevandaliseerd, gedood en opdracht, aanleiding en gelegenheid gegeven tot het doden van vele wilde en tamme dieren, vissen, planten en insecten. Als dat opportuun was geweest zou hij naar zijn eigen oordeel tot veel ergere dingen in staat zijn geweest, en nog steeds zijn.
Daarnaast heeft hij inmiddels duizenden misleidende teksten over niet weten op zijn geweten.

Jij…

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad, naar aanleiding van de ophef die ontstond over het wangedrag van de Thaise boeddhist Mettavihari.

IJdele hoop

Je hoeft niet te ontwaken
Om tot alles in staat te zijn
En het helpt ook geen zier

Je ware aard

Meester: Je bent al een boeddha, ook al weet je het niet!

Leerling: Ik blijf maar een mens, ook al wil ik het niet.

Tien jaar later

Leerling: Je bent al een boeddha, ook al weet je het niet.

Meester: Je blijft toch een mens, ook al wil je het niet.

Twee verschillen

‘Als jij nog steeds tot alles in staat bent, wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Twee verschillen.’
‘Wat is het eerste?’
‘Dat ik het onder ogen zie.’
‘Zet dat zelfbewustzijn geen rem op ongewenst gedrag?’
‘Daar sta ik niet voor in.’
‘Volgens mij namelijk wel.’
‘En dat is het tweede.’

Een ongelijke strijd

‘Vind jij dat we onze idolen moeten bestrijden?’
‘Je veronderstelt een vrije wil.’
‘Wat is de vrije wil?’
‘Het grootste idool van de moderne mens.’
‘Wat is het tegenovergestelde van de vrije wil?’
‘De onvrije wil natuurlijk.’
‘Wat is de onvrije wil?’
‘Het grootste idool van de spirituele mens.’
‘Waar neig jij naar?’
‘Naar niet neigen.’
‘Is dat jouw idool?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Niet weten dan?’
‘Ik geloof het niet.’
‘Niet geloven?’
‘Zeg, ik blijf niet aan de gang.’
‘Ik probeer je alleen maar te betrappen.’
‘Ik jou ook.’
‘Maar het lukt niet.’
‘En het lukt best.’
‘Maar jij blijft mijn grootste idool.’
‘Vind jij dat we onze idolen moeten bestrijden?’

Menschliches, Allzumenschliches

‘Wat betekent het om mens te zijn?’
‘Niet weten wat het betekent om mens te zijn.’

‘Wat betekent het om mens te zijn?’
‘Niet weten wat je van jezelf kunt verwachten.’

‘Wat betekent het om mens te zijn?’
‘Dat wil je niet weten.’

Kort en klein

‘Hoe zou jij je medemens kenschetsen?’
‘Wil je de lange versie of de korte?’
‘Doe de lange maar.’
‘Je weet maar nooit.’
‘Als dit de lange is, wat is dan de korte?’
‘Tja.’
‘Hoe zou jij jezelf kenschetsen?’
‘De lange versie zeker?’
‘Graag.’
‘Tja.’
‘O.’
‘Nee, dat is de korte.’
‘ ‘O’?’
‘Ja.’
‘Korter kan haast niet.’

‘Op die manier.’
‘Kon het toch korter.’

‘Zo kun je het ook zeggen.’
‘Nou, zeggen.’
‘Hoe zou jij jezelf kenschetsen?’
‘Je weet maar nooit.’
‘Voorspelbaar.’

Uitgerekend

‘Is de mens dan helemaal onvoorspelbaar?’
‘Dan zou hij toch weer voorspelbaar zijn.’
‘Waarin?’
‘In zijn onvoorspelbaarheid natuurlijk.’
‘Bedoel je dat hij toch berekenbaar is?’
‘Rekenen is rekenen.’
‘Maar?’
‘Ik reken nergens op.’

Koning keizer admiraal

‘Ik heb het dwepen afgezworen.’
‘Welk dwepen?’
‘Elk dwepen.’
‘Oei.’
‘Dat is opletten geblazen hoor.’
‘Je moet toch wat.’
‘Ik zie het als een keuze.’
‘Dweep jij met de vrije wil?’
‘Ik heb het dwepen afgezworen, zeg ik toch.’
‘Dweep jij met niet-dwepen?’
‘Verhip.’
‘Boter op je lip.’
‘Krijg de pip.’
‘Koning keizer admiraal…’
‘Dwepen doen we allemaal?’
‘Is dat waar?’
‘Zeg jij het maar.’
‘Als het maar rijmt.’
‘Dat rijmt niet.’
‘Zeurpiet.’
‘Waar dweep jij mee?’
‘Ik?’
‘Aha, jij waant je iemand.’
‘Wie?’
‘Aha, jij waant je niemand.’
‘Tja.’
‘Aha, jij waant je weteloos.’
‘Volgend onderwerp.’
‘Almaar verder gaan, is dat jouw ding?’
‘Wat?’
‘Gate gate paragate parasamgate?’
‘Schei toch uit.’
‘Steeds opnieuw beginnen?’
‘Hè?’
Zen mind, beginner’s mind.’
‘Daar hou ik me allemaal niet mee bezig.’
‘Waar hou je je allemaal wel mee bezig?’
‘Op dit moment?’
‘Nou?’
‘Met jou.’
‘Oei.’
‘Maar om dat nou dwepen te noemen…’

Dweepslag

De leerling dweept met de meester.
De advaitavadin dweept met het bewustzijn.
De sanyassin dweept met de nieuwe mens.
De jnani dweept met het hoofd.
De bhakti dweept met het hart.
De bodhisattva dweept met mededogen.
De boeddhist dweept met leegte.
De daoïst dweept met het onzegbare.
De gnosticus dweept met geheime kennis.
De universalist dweept met eeuwige wijsheid.
De mutist dweept met stilte.
De mysticus dweept met god.
De numinist dweept met het onbekende.
De nuïst dweept met het heden.
De eternalist dweept met de eeuwigheid.
De monist dweept met eenheid.
De holist dweept met heelheid.
De non-dualist dweept met ondeelbaarheid.
De idealist dweept met de geest.
De yogi dweept met het lichaam.
De tantrist dweept met het zinnelijke.
De transcendentalist dweept met het bovenzinnelijke.
De illuminaat dweept met het licht.
De obscurantist dweept met de duisternis.
De zenboeddhist dweept met het kussen.
De dwijze dweept met niet-weten.
De anarchist dweept met niet-dwepen.
En jij?

Een oud kunstje

‘Jij bent een heel bijzonder mens, Hans.’
‘Ja hoor.’
‘Nee, echt.’
‘Vanwege mijn ongeëvenaarde wijsheid zeker.’
‘Je haalt me de woorden uit de mond.’
‘Een koud kunstje.’
‘Hoe dat zo?’
‘Je bent de zoveelste die het zegt.’
‘Dat bewijst het eens te meer.’
‘Ik weet precies waar jij mee bezig bent.’
‘Dan weet je meer dan ik.’
‘Ik loop al heel wat jaartjes mee.’
‘Waar ben ik dan mee bezig?’
‘Mij tot autoriteit te verklaren.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Om bij mij je gelijk te kunnen halen.’
‘Welk gelijk dan wel?’
‘Welk gelijk dan ook.’
‘Je hebt helemaal gelijk.’
‘Zie je wel.’
‘Jij bent een heel bijzonder mens.’

Geen oor om mee te horen

‘Ik heb enorme bewondering voor jou, Hans.’
‘Alleen maar om je in groot gezelschap te kunnen wanen.’
‘Je wantrouwt mijn motieven?’
‘Ik neem niet aan dat een mens door motieven wordt bewogen.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Ik neem niet aan dat een mens niet door motieven wordt bewogen.’
‘Mijn bewondering is anders oprecht.’
‘Daar twijfel ik niet aan.’
‘Maar?’
‘Je bewondert een innerlijk afgodsbeeld.’
‘Volgens mij heb ik een heel realistisch beeld van jou.’
‘Hoe kan een beeld nou realistisch zijn.’
‘Hoe moet ik je dan zien?’
‘Zoals ik ben.’
‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Geen idee.’
‘Doel je op het niets?’
‘Dat is nog steeds een voorstelling.’
‘Waarop doel je dan?’
‘Wat dacht je van niet voorstellen?’
‘Hoe kan ik nou niet voorstellen?’
‘Ik kan me er ook niets bij voorstellen.’
‘Je kunt je toch alleen maar íets voorstellen?’
‘Stel je dan maar alles voor.’
‘Bedoel je dat je alles bent?’
‘Dat is nog steeds een voorstelling.’
‘Jij laat je geen oor aannaaien, hè?’
‘Geen oor om mee te horen.’
‘Alleen al daarom heb ik enorme bewondering voor jou.’
‘Alleen maar om je in groot gezelschap te kunnen wanen.’