Jan van Delden

‘Stel jezelf de vraag: Wie ben ik? Uiteindelijk wordt het vanzelf stil, want er komt geen antwoord, geen gedachte, geen gevoel, maar wel een stilte omhoog. Ik noem dat: de weet-niet stilte.’ Citaten van non-dualist Jan van Delden.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Advaita > Jan van Delden


uit TERUG van nooit weggeweest; De reizen van Odysseus, Jan van Delden, Samsara, Amsterdam 2003:


Inhoud

Overboord

Bij de ingang van de tempel van Delphi staat: ‘Ken uzelve’. Je gaat op zoek naar jezelf, komt erachter wat je niet bent – de tempel is namelijk leeg – en bij de uitgang vind je het opschrift: ‘Maar niets te veel’. Dat wil zeggen, dat alle ideeën over hoe het pure zelf zou moeten zijn overboord moeten. (16)


Ikjes

In het begin van zijn reis is Odysseus zich, net als de meeste zoekers, amper bewust van zijn talrijke ikjes. Het zijn bijvoorbeeld de stoere en de bange, de domme en de allesweter, de zwartkijker en de optimist, de vrolijke en de verdrietige, de trouwe en de verrader, de hebberd en de heilige, de kruiper en de hooghartige, de geile en de kuise, de benepene en de ruimhartige, de minnaar en de moordenaar, de moedige en de lafaard, de vergevingsgezinde en de wraakzuchtige, de onnozele en de listige en ga zo maar door. (17)


Ballast

Die inwonende ikjes, spookhuurders van het lichaam, begeleiden ons om beurten op ons levenspad. Nu eens heeft de een, dan weer de ander het voor het zeggen. De ballast die we meetorsen is de waan dat wijzelf die wisselende ikjes zijn, woonachtig in een lichaam dat we hier voor het gemak Odysseus noemen. (18)


Verdwijntrucs

Of het nu om mescaline gaat of meditatie: ze kunnen je in dezelfde trance brengen. Trance is een soort vernauwing en die kun je ook hebben als je maar door blijft gaan met blind zuipen, blind allerlei neigingen uitleven zonder dat je ze herkent, zoals de greep die gokken op je kan hebben. Er zijn mensen die het prettig vinden om veertien uur per dag te werken: trance. Trance is lekker. Het is een verdwijntruc. Maar als je onbewust aan trucs verslaafd raakt, kom je er niet. Denk maar aan het beroemde verhaal van de yogi die aan zijn discipel een glaasje water vraagt, in trance raakt, honderd jaar later wakker wordt en zeg: ‘Ik heb dorst.’ Hij is geen millimeter opgeschoten, alleen de tijd is voor hem stil blijven staan. (20)


Niets

Dat de hoogste waarheid niets is, kunnen maar weinig mensen bevatten. (26)


Het verlichte ik

Zo kan ook je eerste ontmoeting met een leermeester en zijn simpele waarheid vertroebeld worden door je ‘manschappen’, je neigingen en ideeën dat je nog een persoonlijkheid bent, die nog de baas in je zijn. Zij zien niets in het niets en kunnen het dus nog niet begrijpen. Ze kunnen de boodschap nog niet aan, al krijgen ze wel een ervaring en staat ze de waarheid vlak voor de neus. Het verstand ziet het als niets en ze hadden toch naar een íets gezocht? Het is de waan dat God iets speciaals is, de hoop dat het absolute je verlicht zal maken, het is de droom van ‘het verlichte ik’, waarin niet begrepen wordt dat verlichting geen ‘ik’ kan herbergen. (26)


Het grootste struikelblok

Als je het niets, de leegte – het thuiskomen – nog bekijkt vanuit de hoofdrolspeler, het ego, zul je er weinig in zien omdat er niets te halen valt, en omdat je blijkbaar nog iets in de wereld van objecten zoekt. Dat is het grootste struikelblok voor de zoeker die zich door de leegte laat afschrikken. (27)


Blijven hangen

Afgeschrikt worden door het niets laat ook zien dat je nog niet doorhebt dat er in de wereld van de dingen niets te halen valt. Met te blijven hopen gaat de meeste tijd verloren, en blijven veel zoekers in dit stadium van de dualiteit hangen. (28)


Het ik-gebonden denken

Het denken dat schipbreuk moet lijden is het ik-gebonden denken: ik deug niet, ik had het beter kunnen doen; ik het het zus of zo moeten zeggen; zie je wel, ik ben gewoon lelijk of te dik, of te mager; m’n moeder heeft altijd al gezegd dat ik het niet kan; mijn vader heeft altijd al gedacht dat ik een nul ben; ik kan maar niet ophouden met roken en zuipen. Maar ook: kijk mij eens, ik heb het paard van Troje bedacht, dat soort uitsloverij.


Het functionele denken

Het functionele denken, zonder ‘ik’, is natuurlijk onmisbaar. Het dient bijvoorbeeld voor het oplossen van problemen in je werk. Of de ijskast is leeg, dus besluit je morgen boodschappen te doen. Als het om dit gewone denken gaat, los ‘jij’ erin op. Maar juist het geloof in het ik-gebonden denken moet je zien los te laten. Je moet loslaten dat het iets van jou is. Dat ik-gebonden denken is verantwoordelijk voor het lijden van het individu en daarmee van de hele mensheid. (29)


Slaaf

Wij zijn slaaf van onze gedachten, we geloven ze blindelings en we kunnen ze niet passeren. Als het denken zegt: ‘Dat heb ik gedacht’, wordt daar nooit een vraagteken bij gezet, rinkelt er geen enkele alarmbel. Wij zijn het allemaal eens met de leugen ‘ik denk dus ik ben’. Toch is dat niet waar en kan die waan eenvoudig worden ontmaskerd als je eenmaal openstaat voor de mogelijkheid om dat vanzelfsprekende gegeven nader te onderzoeken met de simpele vraag: wie of wat ben je dan als je niet denkt? (30)


Ezel

Is dat geloof, dat denken, niet de wortel die de ezel doet lopen, maar die het stomme dier nooit zal proeven? Als je naar je eigen leven kijkt, loop je ook voortdurend achter een wortel – een idee, een verwachting, een verlangen – aan. Het heeft echter geen zin het denken de oorlog te verklaren of onder dwang het denken te stoppen, zoals bijvoorbeeld met meditatietechnieken maar al te vaak wordt geprobeerd. Dat helpt niets. Het is de kop van de draak af slaan en er twee voor terugkrijgen. (30)


Waar ga je heen?

In de dualistische wereld zeg je bijvoorbeeld: ‘Ik ga slapen’. Maar waar ga je heen? Waar gaat die waaktoestand waarin je zojuist nog was naar toe? Als je gaat slapen, ga je in feite als belichaamd wezen dood. Niemand wil dat horen, want je denkt dat je morgen weer wakker wordt. Maar dat is niet per definitie waar. Als je droomt, leef je weer in een andere wereld met een ander lichaam en heb je geen enkele weet van de voorgaande waaktoestand. (32)


Niet te bewijzen

’s Morgens ontdekt je dat die droomwereld weer verdwenen is om plaats te maken voor een nieuwe waaktoestand waarin je weet dat je bijvoorbeeld om tien uur een afspraak hebt. Maar je kunt niet bewijzen dat die afspraak gisteren gemaakt is want het is een idee in het nu. En het nu kun je nooit verlaten. (32)


Als de onnozelheid sterft

Alleen de persoonlijkheid hoopt, het zelf neemt het leven zoals het is. Als de naïviteit is gestorven – wat vroeg of laat op ieders pad gebeurt – kun je nooit meer doen alsof je van niets weet. Je voelt op je klompen aan dat er iets niet klopt met die persoonlijkheid; je begint te vermoeden dat hij niet bestaat. Je leeft nog met alles erop en eraan, met je angst en je gevoelens. Je lijkt bijvoorbeeld nog in ideeën te kunnen vervallen, maar niet écht meer. Je lijkt nog verliefd te kunnen worden, maar het voelt al minder echt. Er blijft een diep besef over dat het leven wezenlijk anders in elkaar steekt. Dus iedereen die op weg is naar huis, maakt het moment mee dat de onnozelheid sterft. (38)


Door verschillende vensters tegelijk

Zo kan ik nu zeggen: Zeus speelt bange Jan of nerveuze Jan, of wat dan ook voor Jan. Dat beleef ik intens. Ik kan het niet uitschakelen. Ik zie dat Zeus dat allemaal doet, ik zie dat het niet uitmaakt of dit boek er wel of niet komt, maar tegelijkertijd kan ik niets doen aan het feit dat Jantje toch zenuwachtig wordt of het wel lukt. Is dat niet mooi? Dat je door verschillende vensters tegelijk kunt kijken, dat je alle niveaus tegelijkertijd kunt beleven en dat het helemaal vanzelf gebeurt? Als je er niet meer aan gaat sleutelen, speelt het zich gewoon allemaal af, en dat is het nu. Zo eenvoudig is het nu. Als je niet meer aan jezelf sleutelt, ben je waar je wezen moet. (41)


Broosheid

Wat is de grote boosdoener in de wereld? De vergankelijkheid. Wanneer kom je die tegen? Als je kind, geliefde of een familielid doodgaat. Dan wordt jouw hele wereld – jouw mooie, beschermde toverwereldje waar alles zo veilig is, waar de aandelen nog helemaal goed zitten en je pensioen geregeld is – ineens op zijn kop gezet en zie je dat het allemaal niets voorstelt, omdat het morgen afgelopen kan zijn. Maar in het dagelijks leven willen we dat niet zien. Je wilt niet elke seconde van je leven geconfronteerd worden met de broosheid van je bestaan. (42)


Verhaaltjes in je hoofd

Veel mensen die een sterfgeval van een naaste hebben meegemaakt, zullen beamen dat de wereld naderhand nooit meer hetzelfde is. Een heleboel dingen ‘van de wereld’ zijn plotseling minder belangrijk geworden of hebben hun betekenis verloren. Er heeft zich een inzicht voltrokken. Hier zie je het verschil tussen inzicht en mentaal begrijpen. Mentaal begrijpen is niet meer dan een verhaaltje in je hoofd. Een inzicht is ook een verhaaltje in je hoofd, maar naar aanleiding van een innerlijke verandering die zich al heeft vertrokken. Voor die verandering heb je in wezen niets gedaan, dus is het verhaaltje in wezen overbodig. Verhaaltjes in je hoofd brengen nooit veranderingen teweeg, ze zetten in het beste geval de deur ervoor open. (42)


Een leugen

De vergankelijkheid en daarmee de betrekkelijkheid van de persoonlijkheid helemaal onder ogen komen is enorm moeilijk. … Als je inziet dat je eigen persoonlijkheid niet bestaat, zul je tegelijkertijd inzien dat de persoonlijkheid van de mensen om je heen, je maatjes en de mensen van wie je houdt, plus van wie je niet houdt net zo onecht is. Dan is er pas ruimte voor echte verandering. Zolang je nog denkt een persoonlijkheid te zijn, heb je niets aan het niets. Naarmate je persoonlijkheid meer als een leugen gaat doorzien, gaat het niets geleidelijk aan meer voor je betekenen en vormt dan steeds meer je eigen zelf. (43)


Waarom

De Sirenen belichamen in wezen alle antwoorden op de levensvraag ‘waarom’. Alle geloofssystemen, filosofie of kennis die een antwoord beloven op het Grote Waarom – inclusief het non-dualisme als je dat tot een ideeënstelsel laat verkalken – behoren tot de Sirenen. De bijbelse ‘zevende dag’ – de dag waarop God ziet dat alles goed is – zul je nooit beleven zolang je nog in die Waarom-vraag blijft hangen. (45)


Alles passeren

Je moet alles passeren en achter je laten. Uiteindelijk ook de manier waarop je deze hele Odyssee begrijpt. Bij het echte naar binnen gaan zul je lichaam en geest achter moeten laten. (46)


Wie of wat

Je denkt misschien dat je het doet om verlicht te worden, zonder te weten wat dat is. Nou, dan kun je mediteren tot je een ons weegt, maar verlicht zul je daar niet van worden. De centrale vraag is niet zozeer: wat is verlichting, maar wie of wat wordt er eigenlijk verlicht? (46)


Uw wil geschiede

Je kunt je kinderen leren naar rechts en links te kijken voor het oversteken, maar je kunt niet hun leven voor ze leiden. Niemand ter wereld heeft de macht om wat dan ook tegen te houden. Als je kinderen een hele nacht wegblijven, kun jij je wel zorgen liggen maken, maar dat helpt niets. Om thuis te komen, moet je daarom eerst inzien dat Zeus, of hoe je het ook wilt noemen, alle touwtjes in handen heeft. Dat is voor de meesten van ons een onmogelijke opdracht. Zeggen we bijvoorbeeld wel bij een begrafenis: ‘Uw wil geschiede,’ in het dagelijks leven doet geen mens dat. (50)


Niet dat je dat gelooft

Je verliest je niet langer in het uitstippelen van je leven en de drang om iets in de wereld te bereiken. Ja, je regelt nog wel de dingen op je werk, voor je kinderen en je pensioen, maar dat wil niet zeggen dat je gelooft dat alles wat je plant ook echt gaat gebeuren. Hetzelfde geldt voor een droom. Daarin kan ook sprake zijn van een verleden en een morgen en kun je bijvoorbeeld door een ander beschuldigd worden van iets wat je al je hele leven doet terwijl het toch echt in die droom pas verschenen is en weer helemaal verdwijnt als de droom voorbij is. Vervolgens verschijnt er weer iets anders in je aandacht. (53)


Word (niet) vervolgd

Door de waan van de tijd en het geloof een lichaam te zijn, verlies je op de zevende dag alles wat gekend is. De waaktoestand houdt op en er is even geen vorm, tot Zeus je een een nieuwe ochtend schenkt met een nieuwe wereld – als je zo gelukkig bent dat je niet in de waan trapt dat die een vervolg is van een gisteren. (56)


Geen bewijs voor te vinden

Wolter [Keers] wist mij voorbij de wereldwijd verspreide, rotsvaste waan te loodsen, dat de droom en de droomloze toestand in het hoofd van Jan plaatsvinden. Inzien dat daar geen bewijs voor te vinden is, was een openbaring van de eerste orde voor deze ongelovige Thomas. Ik heb toen een paar weken met dat ‘nieuwe kijken’ gestoeid en zelfs een camera bij mijn bed gezet om het bewijs van een ‘slapende Jan’ te leveren. Heel simpel en natuurlijk weerlegde Wolter dat dan weer, door me erop te wijzen dat er wel weer eerst een waaktoestand moest zijn, om die nachtelijk gemaakte film te zien en dat je nooit het bewijs voor een zich gelijktijdig afspelen van droom- en waaktoestand uit je droom kunt halen. (60)


Niet meer dan een geloof

De hoofdrolspeler van de waaktoestand kan nooit in de droom en droomloze toestand komen om daar iets te controleren. Het is niet meer dan een geloof dat we ’s nachts tijdens het slapen in een bed liggen, want je kunt het niet bewijzen. (60)


Geen toeters en bellen

Dus zien dat je niet íets bent heeft niets te maken met al die toeters en bellen die vaak worden beschreven over de verlichting van leermeesters die allang dood en begraven zijn. Want in het gewone leven verandert er door dat inzicht helemaal niets! Jan eet gewoon zijn eten en gaat door met wat het leven in hem afdraait. (61)


Denkknoop

Ik heb echt in de waan geleefd dat ik … op de een of andere manier mijn lichaam moest kwijtraken. Die waan was erg hardnekkig en het ging zelfs zover dat ik dacht dat ik moest sterven als Jan, om me te kunnen bevrijden van mijn lichaam, om van golf weer water te kunnen worden. Die denkknoop heeft me bijna het leven gekost en kan voor jou ook een drempel zijn alvorens je thuis kunt komen. … Er zit je nog één idee in de weg, namelijk hoe essentie eruit moet zien. (65)


Elke nacht

Vlak voordat je in het grote ongekende water verdwijnt – in het niets – heb je het idee dat je doodgaat of dood moet, want je verkeert in de waan dat jij een lichaam bent. … Je beseft niet dat je het lichaam al elke nacht kwijtraakt als je gaat slapen. … Je blijft, alleen zonder lichaam. (69)


De echtheid doorbreken

Begin maar vraagtekens te zetten bij het feit dat ‘je’ vanavond gaat slapen. Durf maar eens te denken: ik ga vanavond dood. Bám. Om vijf voor tien. Deze wereld met alles erop en eraan verdwijnt en komt nooit meer terug. Ik vertrek zonder iets mee te nemen. Het is een oefening. Er verandert niets aan je leven. Je wordt ’s morgens weer geboren met het idee dat je er gisteren ook was, maar daar is geen enkel bewijs voor. Het enige waar dat kijken toe dient, is de echtheid van deze toestand te doorbreken. Hij kan niet echt zijn, hij bestaat uit bewustzijn, niet uit materie, jij bent geen zak met bloed en botten en een zootje ikjes. (70)


Het laatste restje waan

Je moet leren om het denken los te laten en het niets-zijn te omarmen om zo niet meer de vorm, de hoofdrolspeler te hoeven zijn. Als het laatste restje waan dat je iets kunt doen of begrijpen wordt weggenomen, duikt er uit het niets een riviermond op en beland je veilig en wel aan land. (72)


Slechts een geloof

In die waaktoestand heerst – onafhankelijk van cultuur en geloof – het waanidee dat je alleen waarheid en geluk kunt vinden als je je aan de regels van goed en kwaad houdt. … Het is een waanidee dat de waaktoestand tijdens mijn droom gewoon doorgaat en dat de droom zich in mijn slapende hoofd afspeelt. Daar is geen bewijs voor, en dus is het slechts een ‘geloof”. Maar dat is zo ongehoord, dat zelfs de strengste atheïst het gelooft. Noch in de droom noch in de waaktoestand, noch in de droomloze slaap, is ruimte voor iets anders dan jouw onafgebroken aanwezigheid, waarin zich maar één toestand tegelijk kan afspelen. (81)


Een wereld die altijd maar doorgaat?

Dat kunnen maar weinig mensen behappen. Je gelooft klakkeloos dat een droom zich tijdens je slaap in je hoofd afspeelt. Maar de waaktoestand is totaal gescheiden van de droom. Als zich een droom afspeelt in jou, bestaat de waaktoestand er voor jou niet. Het hele [idee] is dat de drie toestanden tegelijkertijd bestaan. Alsof er een wereld is die altijd maar doorgaat, of je nu droomt of in de droomloze slaap verkeert. Maar als je durft te kijken, zie je de wereld ’s morgens geboren worden en als je in slaap valt, gaat hij met met alles erop en eraan. (81)


Niet zoiets als een jij

Dezelfde waan vind je bij vele zoekers. Dat er gestreden, gewerkt en gevochten moet worden er er uiteindelijk ook een soort externe macht zou zijn die beoordeelt of je er wel goed genoeg voor bent. Maar zelfrealisatie is aan geen enkele voorwaarde gebonden. Het is de realisatie van wat altijd al is geweest en zal blijven, en dat er niet zoiets als een ‘jij’ bestaat. (82)


Omdat ze niet bestaan

We doen dus maar even alsof die rechters in ons er echt zijn en alsof geen mens op aarde aan hun strenge terechtwijzingen ontkomt, al heeft niemand ze ooit gezien. We geloven dat we gestraft worden voor slechte daden en beloond worden voor goede. Hier graaft dan ook het geloof in het ‘doenerschap’ naar zijn eigen wortels, maar kan ze niet vinden omdat ze niet bestaan. (84)


Het niets dat overblijft

Als de zoektocht de laatste adem uitblaast, verandert vaak je manier van leven en valt de sociale structuur weg die door het zoeken was bepaald. In het begin blijf je je daar nog wel aan vasthouden, maar op een gegeven moment transformeert het zich toch. Je gaat zien dat het thuis-zijn niets met ideeën te maken heeft. Je gaat niet meer op je opinies en meningen in. Maar het zal tijd vergen om met het niets dat overblijft vertrouwd te raken, zeker nu je huis nog besmet is door de vrijers. (133)


Als je het toch niet kunt bewijzen

Waar hoor je de regen als die op het dak tikt? Buiten je of binnen je? Je hoort dat geluid binnen jezelf en hebt geen oor dat naar buiten kan gaan en daar, bij het dak een geluid gaat halen. Hetzelfde geldt voor alle zintuigen. Als je die lijn doortrekt, zie je dat alles al binnen je kennen is en dat het bestaan van een object een geloof is dat je net zo goed kunt weglaten of als onwaar passeren als je het toch niet kunt bewijzen. (184)


Het loslaten van de Odyssee zelf

Na het doden van de vrijers lijkt de zoektocht van Odysseus definitief ten einde, maar nu moet hij nog elk idee en ieder spoor van de reis en zijn thuiskomst weer kwijtraken. … Je kunt het vergelijken met een schilderij dat je na jaren van de muur haalt. De verkleuring van het behang ‘vertelt’ nog het ‘verhaal’ van het schilderij. … Voor de zoeker betekent dat niets meer, maar ook niets minder, dan het loslaten van de Odyssee zelf. (199)


Schimverhalen

Je bent nu wel af van die echtheidsbeleving van de objecten en de claim van een ikje dat voortdurend ‘ik ben van jou’ zegt, maar het geklets van die ikjes gaat in het Schimmenrijk gewoon door, ook als je je aandacht er niet meer aan verliest. Het geklets van de vrijers is gewoon een stuk van het allesomvattende decor geworden, een verhaal binnen het totaal van het kennen. Ze zijn nu wel op hun plaats gezet en ontdaan van materie en vorm, maar gaan gewoon door met het weven van hun schimverhalen. Ik noem dat ‘de loodsvisjes die de haai volgen’. (200)


Eeuwig tasten

Het is misschien een teleurstelling dat je na zoveel moeite om je vrijers te doden nog niet echt van ze af bent. … De vrijers blijven eeuwig tasten in het duister van het dodenrijk. Het maakt niet uit of het licht van het kennen volop schijnt in hun duisternis, ze blijven in hun ‘doenerschap’ geloven. Zij bepalen toch de richting van de haai? … Alleen als hun leven aan een zijden draadje hangt, wordt de naam van God nogal eens gebruikt om de angst voor het verdwijnen te verzachten in de hoop dat hij bestaat en hun goedgezind zal zijn. Maar ja, zo staan de zaken nu eenmaal voor vrijers. (200)


Geloof het maar niet

Voor jou is dat hele gebeuren gewoon een leuke ‘ruimtevuller’ geworden. De vrijers lossen op tot een onafgescheiden deel van die ene ervaring, tot een onafgebroken stuk binnen het hele decor van het kennen. In veel tradities heerst daarover verwarring. Als je eenmaal op dat punt bent aangekomen, zou het denken met alle verhalen stoppen en verdampen. Dat heb ik ook geloofd en ik heb een paar jaar naarstig naar de definitieve verdwijning van die schimmen moeten zoeken. … Het klopt wel als de tradities zeggen dat er geen denken en geen wereld meer voor jou bestaan, maar dat slaat op het wegvallen van de echtheidsbeleving van objecten. Het wil niet zeggen dat je dan geen getuige meer van het schimmenspel van de vrijers hoeft te zijn. (201)


Oorlogjes

Dus zelfs ‘thuis’ blijven die schreeuwlelijken van de persoonlijkheid nog doorgaan, al heb je ze bij jezelf doorzien. … Als het nog niet helemaal helder is, krijg je toch weer strijd. Je kunt dus thuis zijn, één zijn geworden, alles begrepen hebben en toch nog in de ellende zitten omdat je doorgaat met je te bemoeien en je te mengen in de oorlogjes die er zogenaamd nog heersen. (209)


Niemand zeikt tegen mij

Er is geen dialoog tussen golven en ook geen dialoog tussen water. Het water heeft niemand in zich! Maar wat is dan die dialoog? Niets anders dan een spel van het water zelf. Het voltrekt zich gewoon. Nu is het moment gekomen om te laten bezinken dat alles alleen maar bewustzijn is. Dus zit er geen ander tegen mij te zeiken, dus moet ik ophouden die ander nog als ander te zien. (211)


Niets dan een verdroming

De genade overal het water te zien, maakt het verschil uit tussen de beleving van een steeds wisselende hemel-en-helsituatie en de beleving van het onveranderlijke en blijvende geluk van ‘de zevende dag’. De genade heeft er geen moeite mee om ’s morgens als een 52-jarige te worden geboren en ’s avonds als deze waaktoestand met alles erop en eraan weer compleet op te lossen en zo plaats te maken om vervolgens als een geheel nieuwe show in de droomtoestand weer te verschijnen. Die ‘getuige’ van welke show dan ook, ben jijzelf en die komt en gaat niet. … Alles bestaat uit het kennen zelf. Alles wat we als inhoud van het kennen, als show of toestand zien, is niets anders dan een ‘verbeelding’ of ‘verdroming’ van het bewustzijn zelf. (214)


Onzin

Als verlichting een feit is en je inziet dat je zuiver bewustzijn bent, kun je door de schok van dat inzicht een poos in de natuurlijke staat belanden, waarin alles zoals het is goed en perfect lijkt, inclusief de minder goede dingen. Maar geleidelijk dringt de schaduwkant zich weer op en schijnt niet overal de zon meer. Dat is moeilijk. Je denkt dat je de vrijers hebt gedood. Onzin. Hun schimmenspel in de Hades gaat gewoon door en hun familieleden blijven je achtervolgen. Je opinies komen terug. Maar nu niet meer als gekende dingen, maar als het kennen van opinies. (214)


Het echte werk

Je bent onder water, kijkt naar boven, ziet het gelazer van die golfjes en je beseft: hè verrek, het is allemaal water. Dan ga je weer naar boven en denk je: dat kan ik nooit meer níet zien. Maar je bent nog geen twee seconden terug in je golf en je buurman geeft je een trap tegen je ballen. Dán moet je in die strijd herkennen dat die buurman geen buurman is, maar water, en dat is verdomd moeilijk. Je zult moeiteloos moeten weten dat alle schoppen die je krijgt niet komen van een golf – van een buurman of een belastinginspecteur – maar van het water. Dat is het moeilijkst. Dat is de praktijk. Dat is het echte werk. (215)


Lullige verhalen

Het moeilijkste is om te accepteren dat de wereld gewoon doorgaat, ook al heb je ‘het’ gezien. Beter gezegd, niet de wereld, maar het kénnen van die wereld gaat door. … Ook al heb je alles gezien, dan nog zal het je geen millimeter helpen als je niet leert om niet meer in een van die lullige verhalen te trappen. Je raakt er zo vanzelf wel van doordrongen dat alles wat nu gebeurt het bewustzijn zelf is. (215)


Ik hoef geen oefeningen te doen

Elke discussie in jezelf bloedt automatisch dood. Want wie is er nog om ergens de schuld van te geven? Wat heeft het nog voor zin om ergens kwaad over te worden als alles uit jezelf bestaat? Wat valt er dan in godsnaam nog te doen of te laten? Moet ik dan nog bewust worden? Nee, dat heeft geen enkele zin, want ik bén het gewoon. Niets heeft mij ooit bewust gemaakt, ik bén bewustzijn. Of er nu wel of geen show binnen het kennen plaatsvindt, het maakt mij geen donder uit. Ik kan niet komen of gaan. Ik kan nergens heen, ik hoef niets te onthouden, ik hoef geen oefeningen te doen, ik hoef niet bewúst te worden. (216)


Het niet-weten

Jarenlang heb ik geprobeerd om bewúst bewust te worden. Dat is klinkklare onzin. Hoe zou dat moeten? Ik bén toch bewustzijn? Er kan niets gebeuren zonder mij. Bewustzijn is dus nooit iets bewust doen. Bewustzijn is moeiteloos bewust alleen maar zijn. Bewust zíjn. Het niet-weten van dat bewuste zijn is het allerhoogste inzicht; het niet-weten is het echte vanzelf gaande alles-weten. (216)


Ook niet aan dat nerveuze mannetje

Dat is de meest ultieme ontspanning die er te bereiken is: het besef dat er nooit werkelijk iets te doen of te laten valt. Dat alles zich vanzelf voltrekt. Dan kan er bijvoorbeeld nog steeds het kennen van een nerveus mannetje zijn. … Er valt volstrekt niets meer te doen, ook niet aan dat nerveuze mannetje. Waar moet ik heen? Alles wat hier gebeurt is oké. Of ze Jantje nu vierendelen of doodzoenen, het maakt voor het er-zijn niets uit; het verhaal en zijn gebeuren heeft niets meer met jou als er-zijn te maken, want het is honderd procent water. (216)


Ze lossen niet op

Dus die zogenaamde ‘echtheid’ van Jan gaat gewoon door. Jantje heeft honger, Jantje is chagrijnig, onredelijk, moe… Tegelijkertijd zie je dat het niet waar is. … Als ik niet meer hoef in te gaan op de aandachtvragerij van de schimmen en de familieleden van de vrijers en nu mijn aandacht als onveranderlijk zie, kan ik hun hele opiniewereld zien passeren; dus weg goed en kwaad. Maar die zak van een buurman en die lieve buurvrouw lossen niet op. Binnen het kennen zullen ze blijven. (217)


Nederig

Dus de Jan in mij wordt nederig omdat hij ziet dat er niets van hem bij is dat alles bewustzijn is. Alles wat er gebeurt, gebeurt door dat ene en niet omdat er een persoon in zou zitten. Dan is er nog wel leven, maar er zit niemand in. Niemand is echt niemand geworden. Niemand word zich ergens van bewust, ‘ik ben wie ik ben, bewustzijn’. (217)


Het land waar geen weten nodig is

Nu komt in de meeste gevallen langzaam en heel geleidelijk maar moeiteloos jouw natuurlijk zelf naar boven en is het land waar geen weten nodig is om te zijn ‘bereikt’. In het ‘bereiken’ schuilt nog de angel van het ‘op reis gaan’ om ‘thuis’ te komen. Maar de reizen van Odysseus bleken nooit te hebben plaatsgevonden toen hij zich dat weer mocht realiseren. (218)


Het mysterie

Die paradox bevat het mysterie dat alles één heilig verbond was, is en zal blijven. Het is het mysterie van de schoonheid en onvoorstelbaarheid van ons wezen, maar woorden schieten altijd tekort in de eenvoud van het er-zijn. (218)


Afbreken

Dat constant in de aandacht houden van het ene beeld is het ‘toetsen aan het beeld van het ene’. Maar dat moet niet gebruikt worden om de heelheid van Zeus, het water, te bewijzen of te willen bereiken, maar juist om de schijnbare echtheid van de dualiteit te ontmaskeren. Met de aandacht op het beeld van de heelheid breek je het geloof af in de betovering van de onderhoudende kracht, die met alle ingrediënten van gevoel, emotie, denken, lichaam en zintuigen jouw aandacht in zijn greep probeert te houden. (221)


Valstrik

Zolang jij gelooft dat je nog ergens oorlog maakt, opinies hebt, of disciplines gebruikt, is er nog iets niet begrepen en verdeel je jezelf alleen maar. Pas op dat je het spel niet kwijtraakt en in de ‘valstrik’ van Zeus trapt en dat is… het woord. (211)


Een nieuwe kijk

Het [verhaal van Homerus] geeft ieder van ons die, met of zonder geloof, de wereld van de begrippen durft te onderzoeken de mogelijkheid om een onvoorstelbare nieuwe kijk op onszelf te krijgen. Het geeft zelfs de grootste twijfelaar de kans om zijn twijfel te betwijfelen en zo los te komen van het idee dat het denken en de gevoelens van hem zijn. Het laat zien dat je kunt ophouden om de oorlogjes, die je met jezelf en je omgeving hebt, als van jou te zien… (229)


Zien langstrekken

Alleen als je de zoekmachine naar huis in je voelt draaien, betekent dat abstracte thuiskomen iets voor je en mag je het denken en zijn verhalen zien langstrekken zonder dat het er-zijn er iets meer of minder wordt. (229)


Functie noch taak

Je bent meestal alleen om je weg te vinden tegen de stroom in van de logica van de wereld. Tegenwoordig word je in de westerse wereld niet meer lichamelijk vervolgd als je het realisatieproces benoemt of beschrijft, zoals Socrates, Jezus of Meester Eckhart. Hoe eerder je echter weet dat je beter je mond kunt houden, des te meer mag je zien dat het zijn wat je bent geen functie noch taak heeft, omdat er niets en niemand anders is dan het allesomvattende er-zijn. (230)


Totaal faillissement

Heb je dat virus, dat verlangen naar huis, dan is de grootste drempel leren inzien dat er geen persoonlijkheid is, geen vrije wil, geen lichaam en geen vrijerswereld, terwijl de verhalen van hun bestaan in de waaktoestand wel blijven doorgaan. Mag je dat allemaal zien, dan vindt er een ommekeer plaats van ‘ik ben dat kleine hoofdrolspelertje in een wereld die echt is en steeds maar doorgaat’ naar het ongedefinieerde, allesomvattende er-zijn. Dat proces van het doenerschap (‘ik ben de bedenker van het paard van Troje’) naar ‘als Zeus mij niet naar huis brengt, vergeefs probeer ik het’ is in de praktijk het grootste obstakel. Er is eerst een afbraak, een totaal faillissement van het ego-idee voor nodig om die hindernis te kunnen nemen. (230)


Schimmenverhaal

Het onder ogen komen van het faillissement van het ego betekent het einde van het gisteren-en-morgenverhaal inclusief de binnen- en buitenvrijers en het lichaam én je ziet dat alles van Zeus, het ongedefinieerde alomvattende is. Maar omdat er niet iemand in Zeus is, wil dat zeggen dat er noch enig doel, noch enig bereiken is in het realiseren van wat we al zijn. Zodra we dat beginnen te zien, zal er een sterke tegenactie komen, omdat de vrijers en hun vasthoudende kracht, die de voedingsbodem is van het doenerschapsgevoel, bedreigd worden en zij er alles aan zullen doen om het Jantjes-verhaal in stand te houden. Voor velen van ons is … de neiging dan groot om weer helemaal op te gaan in dat schimmenverhaal. Dan doe je net alsof jij naar huis wilt, maar dan wel op een veilige manier door de waarheid tot een object te maken. Zo verlies je je in het doenerschap van het eeuwige takenpakket van het ego en zijn vrijers. (230)


Onverteerde wetendheid

De weg uit de dualiteit is voor de meesten van ons zo abstract dat we liever niet willen horen dat je er bij thuiskomst nog niet bent. Toen ik mijn mentor vroeg waarom hij mij wel en een ander niet waarschuwde voor wat er allemaal nog gedaan en gelaten moet worden na thuiskomst, antwoordde hij simpel: ‘Dan beginnen ze er helemaal niet meer aan.’ Ik heb me toen voorgenomen dat anders te doen, waarmee ik mijn onverteerde wetendheid over het niet-bestaan van het doenerschap nog liet blijken. (231)


In paniek

Zo raak je doordrongen van het feit dat je dus niet in een van die toestanden* kunt vastzitten noch wonen. Ja, dat brengt je denken behoorlijk in paniek, want dan moet ik dus iets anders zijn dan ik altijd dacht dat ik was! Dat proces is vaak moeilijk, zo niet dramatisch en kan heel lang duren. Vrouwen denken dan meestal dat ze gek worden en mannen dat ze doodgaan. Maar na die woestijnperiode ga je steeds meer en duidelijker zien dat je niet dit lichaam in de waaktoestand kunt zijn. Dus zie je het lichaam steeds meer als object en komen de vrijers, je honderdacht ikjes met al hun verschillende neigingen, los van hun ene ik-zijn. (232)

* de waaktoestand, de droom en de droomloze slaap


Hemel noch hel

Het zichtbaar krijgen van alle vrijers is in de praktijk niet zoals bij Odysseus iets wat je in een dag kunt zien gebeuren. Je hebt jarenlang naar hun pijpen gedanst en het is moeilijk om ze allemaal onder ogen te komen en hun vervolgens geen aandacht meer te geven. Als ik het op mijzelf betrek, heb ik er na thuiskomst nog tien jaar over gedaan om hun automatisme definitief kwijt te mogen raken. Of iemand je dan de hemel in prijst of de hel toewenst, het is voor jou één pot nat water en je laat je niet meer onwijs maken dat er iets anders is dan water – ook niet als het golfje, dat je ooit als van jou alleen had gezien, een pak op zijn donder krijgt of erger. (233)


Honderdtachtig graden

Als alles water is en de golven nooit iets anders kunnen zijn dan water, waren alle hindernissen en alle hulp niets anders dan water in vermomming. Het onder ogen komen van de gevolgen van dat inzicht ten opzichte van onze ideeën over goed en kwaad, dood en leven en het morele beleven van wat er in deze wereld gebeurt, is een standpuntverandering van honderdtachtig graden. Want er is geen schuld, noch van dader, noch van slachtoffer. (233)


Niet wat er gebeurt

Je zult er misschien nog wel getuige van zijn dat Jan zijn zoon voor de ploeg weghaalt en niet ten strijde wil trekken, maar als dat niet mogelijk is, zal Jan gewoon strijden. Maar je weigert het vechten te zien als iets van jou tegenover anderen, zoals de jou omringende ‘golven’ het wel ervaren, en je blijft moeiteloos in alles het water herkennen. In jouw beleving dood je niet, doe je niets en laat je niets; alleen Zeus regelt alles. Geef alle verantwoordelijkheid aan Zeus en de zevende dag is een feit, ondanks de oorlog of wat dan ook. Het is uiteindelijk niet wat er gebeurt dat ons gevangen houdt, maar onze beleving ervan. (233)


Dankbaarheid

De dankbaarheid van het zien dat er niets te bereiken valt, dat alles wat er lijkt te worden bereikt ons toevalt en dat we nooit iets doen noch gedaan hebben, maakt dat we er constant bewust van zijn dat we alles krijgen. Dat is een groot verschil met vroeger, toen Jantje nog kankerde op alles en vooral op anderen. Het is dankbaarheid naar alles en iedereen, inclusief de vrijers die mij hielpen duidelijk te krijgen hoe de vork in de steel steekt. (233)


Doe wat er gebeurt

Hoewel ik nu zie dat mijn mentor nooit Wolter [Keers] is geweest, omdat er niets anders is, was en zal zijn dan het kennen, Zeus zelf dus, blijf ik toch gewoon Wolter zien als mijn grote hulp in de nooit bestaande gekende kant van de drempel. Laat die schijnbare tweeheid met zijn schimmenspel maar gewoon bestaan. Heb dat ene lief en doe wat er gebeurt. Wat maakt het uit als je zeker weet dat het golvenspel niet uit golven maar uit water bestaat? Dan kun je nog steeds rustig de golf Wolter op een voetstukje zetten met aan zijn voeten een erende Jannemangolf. En dat doet geen ikje trouwens, maar zie je vanzelf gebeuren. (234)


Het leven een spel

Dat alles zien gebeuren is de oceaan van vrede die nergens heen hoeft en alles als zichzelf proeft zonder verzadigd te raken, noch te veranderen. … Dan valt ook al je interesse weg in antwoorden op nieuwsgierige vragen van hoe het nu toch allemaal zit. Al die dingen zijn eigenlijk onzin want je ziet vanzelf dat er maar één waarheid is, want alles is Zeus zelf. Je houdt dan vanzelf op om nog in wat voor verhaal dan ook te geloven en dan wordt het leven vanzelf een spel. (234)


uit Zelfrealisatie; Is dit nu alles?, Jan van Delden & Peter van Steenwijk, Samsara 2007:


Niks te zeggen

Let op, een traditie vind ik erg mooi hoor, maar ik moet er wel bij zeggen dat het een hulpmiddel is. Waar gaat het nu eigenlijk om? Helemaal niet om die goeroes, die moet je er allemaal uittrappen. Die zijn allemaal niet echt. Als een meester het echt heeft begrepen dan weet hij dat hij niks te zeggen heeft. Dat er niemand is. En dat alles wat opgebouwd is ook weer moet worden afgebroken. (9)


De echte boodschap

Je moet het op alle niveaus zien en dat wordt in geen enkele traditie openlijk aangegeven. Iedereen die met deze sport bezig is, heeft er een eigen mening over. Maar ik kom er geen eentje tegen die zegt dat je alles – inclusief de realisatie – moet loslaten. Zie de teksten op de Tempel van Delphi. Bij de ingang staat: Ken Uzelve, maar als je eruit gaat staat er, onder andere: Niets teveel. Dat is de echte boodschap.


In mij

In mijn geval was Jan eerst ‘op weg naar zelfrealisatie’ maar dat is godsonmogelijk want er is geen Jan. De ommekeer kwam voor mij toen ik zag dat ik niet alleen niks was, maar dat al die jantjes met die hele santenkraam die de wereld heet, in mij – dat allesomvattende niets – verschijnen. (9)


Een verhaaltje

Blijf onthouden dat ik hier een verhaaltje vertel! (19)


Die hele show

Laat je niet verleiden door te denken dat die hele show (dromen en waaktoestand) waar is… Hou er zicht op dat die hele show jou nodig heeft en geen van die shows jou kan beïnvloeden. (19)


De nulstand

Zonder verhalen ben je hier.
Met verhalen ben je hier.
De verhalen kleven je niet meer aan.
Je staat op nul.
Zonder iets in handen te hebben ben je hier.
En ook met lege handen draait alles door.
In de nulstand ben je – zonder zelf – gewoon Jezelf.


Is dit nu alles?

Voortdurend zal er een stem in je klinken die roept: ‘Kom op zeg! Is dit nu alles?’ (32)


Nul-komma-nul

Zo had ik niet door dat ik ontelbaar veel regeltjes in me had die me de hele dag bezighielden door te oordelen en veroordelen. Als je dat dus niet boven tafel krijgt, heb je niks aan welk inzicht dan ook, nul-komma-nul! Als ben je honderd jaar in samadhi met God, je bent geen millimeter opgeschoten als je niet die grote bende ruzie- en oorlogmakers over de kling hebt gejaagd. (35/37)


Helemaal

Een belangrijke vraag die je jezelf moet stellen nadat je het inzicht over wat je wezenlijk bent hebt gekregen, luidt: kun je de afwezigheid van jou als hoofdpersoon helemaal accepteren? Anders gezegd: kun je nu alle verwachtingen, vooroordelen, oordelen en ideeën die in je hoofdpersoon zijn verankerd, en die je als zijnde onecht hebt gezien, ook echt helemaal loslaten? (48)


Erom lachen

Herken en onderzoek dus alle jantjesneigingen en -vooroordelen, en plaats ze in het licht van je inzicht. Haal de achterste stoel er weer bij. Waar zit je? Op de achterste stoel van de eerste oorzaak? Ja? Dan is al dat geklets onzin en kun je het naast je neerleggen, of beter nog: erom lachen. (48)


Hopeloos saai

Laat maar gebeuren wat er gebeurt, en probeer je niets aan te trekken van de stemmetjes in je die zeggen: ik doe dit en ik doe dat, en die zich bemoeien met alles wat er gebeurt. Die voortdurend beweren daat het anders had kunnen gebeuren en ook zou moeten gebeuren. Wat hebben die stemmetjes voor waarde? Geen enkele, want alles gebeurt toch altijd zoals het gebeurt. Ga proberen te leven met het feit dat er geen ik bestaat, ook niet als ik in het verhaal van het leven heel goed dan wel heel slecht ben, of misschien wel hopeloos saai. Kijk of het wel echt een ik is die een beslissing neemt. (48)


Doorbreek je geloof

Wijs het geloof in het ik doe het van je jantjes af en blijf in de stille vrede van het simpele gaan zoals het gaat. Zie in dat het voortdurende ‘ja maar…’ bij de taal van de jantjes hoort. Ga er niet op in en doorbreek zo uiteindelijk je geloof in die stemmetjes. (49)


De harmonie van het niet-weten

In plaats van je te ontspannen in de stilte en de harmonie van het ‘niet-weten’ en gewoon ‘er-zijn’, blijft je ik zich verzetten totdat hij het als de hoofdpersoon ook door heeft en hij kan zeggen: ‘Ik heb het helemaal begrepen.’ Helaas, dat zal niet gebeuren, want jouw ‘aangeleerde’ hoofdpersoon, jou ik-persoonlijkheid kan de smaak van … dat allesomvattende en ondefinieerbare ‘niets zijn’, nooit bevatten. (49)


Spookverhalen

Geloof niemand, zelfs niet je eigen meester of goeroe. Val hem juist aan en twijfel aan wat hij zegt. Net zolang totdat het je zelf helemaal duidelijk wordt hoe de vork in de steel zit. Pas als je het wezen van je eigen ik tot op het bot hebt ontbeend, kun je zelf zien dat het een geestverschijning was. Vol ‘spookverhalen’ die je lieten geloven dat dit wereldtoneel met alles erop en eraan echt is en dat jantje daar maar een klein onderdeel van is. Levend van de wieg tot het graf en gaande van a naar b. (51)


Doorzien

Alle verhaaltjes van je ik-ben denken moeten totaal gepasseerd en doorzien worden, zonder dat ze hoeven te verdwijnen of zich moeten aanpassen. … Het is niet het ik-ben denken, of het denken zelf, dat in de weg zit en weg moet, maar je geloof in het jantje dat zegt: ‘ik ben kwaad, bang, teleurgesteld’, of wat dan ook. (52)


Erom lachen

De realiteit van zelfrealisatie is jammer genoeg niet iets wat je hebt bereikt, want je hebt geen weg afgelegd. Als die zelfrealisatie zuiver en totaal is, word je daarentegen vervuld van een intense bescheidenheid. Lach er maar lekker om. Ik vergelijk het maar weer met de film en het filmdoek. Als je erom lacht, kun je uiteindelijk genieten van die film. (52)


De eenvoud zelf

Tegelijkertijd heb je ook allerlei ideeën en vooroordelen over hoe een goeroe of een leermeester zou moeten zijn. Hoe hij zich moet gedragen en hij eruit moet zien. Hij moet bijvoorbeeld geen materiële rijkdom om zich heen velen, geen vlees eten en zeker geen kauwgom kauwen en in de natuur weggooien. Niet bang zijn voor koud water, om maar niet te spreken van seks hebben met een veel jongere partner. Daarnaast heeft hij natuurlijk speciale bovennatuurlijke eigenschappen. Hij is helderziend, heldervoelend, helderhorend en helderwetend tegelijk. Kortom: hij is buitengewoon. Terwijl zelfrealisatie in feite het tegendeel en de eenvoud zelf blijkt te zijn. Erken eerst dat alle zoekers, en dus ook jouw jantje, een oordeel hebben over van alles en nog wat. (55)


Gedachtespoken

Het is het beste om dat aangeleerde automatisme te leren herkennen en vervolgens te leren passeren, want verslaan is niet mogelijk. Dat is het probleem met alle valkuilen: je denken komt altijd met het verhaal dat jij of jantje iets verkeerd doet en dat jantje eerst dit moet doen, of dat moet laten om dat automatisme weer kwijt te raken. Het geloof in dat nepverhaal is het enige wat zit tussen jou en wat je in wezen bent. Dus als je allereerst onder ogen durft te komen dat ook jouw jantje oordeelt en veroordeelt over alles en iedereen, en dus ook z’n mening heeft over jouw goeroe of leermeester, dan is dat de beste aanpak om die ‘gedachtespoken’ te passeren. (56)


De weet-niet stilte

Ramana Maharshi zei … ‘Stel jezelf de vraag: Wie ben ik?’ Uiteindelijk wordt het vanzelf stil, want er komt geen antwoord, geen gedachte, geen gevoel, maar wel een stilte omhoog. Ik noem dat: ‘de weet-niet stilte.’ (78)


Heb jij een lichaam?

Jij woont in je lichaam en van daaruit richt je je vijf zintuigen op de wereld om je heen. Zo doe je dat, dat ben je nu eenmaal zo gewend. Maar ben je bereid echt te onderzoeken of jij een lichaam hebt? Ben je bereid je af te vragen of dat echt bestaat? (81)


Je kunt er niet bij

Het niet-bestaan van je lichaam ga ik bewijzen door je zintuigen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen. Ik maak bijvoorbeeld met mijn vinger contact met een tafel; die voelt hard en glad aan. Ik kan in mijn vinger wel de hardheid voelen, maar ik kan het object, de tafel, niet echt bereiken. Mijn voelzintuig houdt bij mijn vinger op. (81)


In mij

Met mijn ogen zie ik de tafel, maar het beeld is in mij. Met mijn oren hoor ik het geluid van de vinger op de tafel, maar ik hoor het niet buiten mij, maar binnen in mij. Het wordt gekend in mij. (81)


Kun jij uit je vinger?

Volgens jou reiken jouw zintuigen naar buiten. Daar, buiten je, voel, ruik, zie, hoor en proef je. Maar is dat wel zo? Kun jij uit je vinger? Kun je zeggen dat je buiten je vinger geweest bent? Nee! Dus is er alleen maar in jou een idee over een buitenwereld, maar die buitenwereld ben je nog nooit tegengekomen. Datzelfde geldt voor zien, horen, proeven en ruiken. (81)


Alleen het kennen

Bestaat er dus wel echt een object buiten mij, of is er alleen het kennen van een object buiten mij? Elke ervaring speelt zich binnen in jou af, en dus is er geen tweeheid, maar alleen het kennen van een ervaring. Bijvoorbeeld: met diezelfde vinger kun je ook je eigen been aanraken, maar ook dat speelt zich binnen jou af en dus kan die vinger nooit je been bereiken. Daarmee is het bestaan van je lichaam aan het wankelen gebracht. (81)


Je hele lichaam?

Ga overdag maar eens je lichaam bestuderen. Voel je altijd je hele lichaam? Welnee. Dan is het een teen, dan weer is het je tong, dan weer niks, en dan is er plotseling kiespijn en vergeet je de rest van je lichaam. Maar je hele lichaam? Totaal? (81)


Dematerialiseren

Als je zou inzien dat je altijd binnen dat kennen bent, dat het kennen vanzelfsprekend de basis is van al je handelingen, ga je alles herwaarderen. Want als er alleen maar kennen is, woont daar niemand. Er is geen ander. Er is alleen het kennen van de ander. Maar als jij die ander niet kunt bereiken, is er niemand. Als het kennen de essentie is, ontdek je dat je altijd bij jezelf zit. Als je in het kennen zit, heb je die ander van zijn stoel gehaald en zie je daar alleen nog het kennen zelf. Je de-materialiseert als het ware alle mensen, en brengt ze terug tot wat ze zijn en waar ze op zitten, namelijk op jouw achterste stoel. (83)


Verboden te geloven

Alles mag. Doe alle dingen die je leuk vindt: op vakantie gaan, stappen, maakt niet uit wat. Niets is verboden, alles mag, maar let wel: inclusief de gevolgen die het voor je jantjes heeft! Het is alleen verboden om te geloven dat je gedachten en gevoelens van jou zijn. (84)


Simpelweg mezelf

Alle oorlogjes die ik in de wereld ooit gehad heb, houden dan op. Zij houden er niet mee op om tegen mij te schoppen, bij wijze van spreken, maar ik kan ophouden erop in te gaan. Nu zijn jullie voor mij geen mensen meer, maar simpelweg mezelf. Als er nog plekken zijn die dat niet doorhebben en nog tegen Jantje willen schoppen, hoef ik daar geen ruzie meer mee te hebben. Ik voel me ook niet meer aangesproken, en ik ben niet de doener van wat de jantjes doen of laten. … Ik zie dat dit allemaal in mij verschijnt. (85)


Hoe, dat weet ik niet

Jan is hier gewoon, hij staat hier wat te praten, maar hoe hij dat doet, dat weet ik niet. Het gebeurt gewoon. Er is geen doener. Als hier op deze plek geen doener zit, zit daar waar jullie zitten ook geen doener. Nergens. Natuurlijk doen we de hele dag van alles en we denken het nog steeds te doen, maar als we heel goed kijken, zien we dat het niet echt zo gebeurt. Het verschijnt in ons. Net zoals elke gedachte of gevoel zomaar in ons verschijnt. (85)


Verdampt

De dingen zijn er nog, maar de echtheid ervan is verdampt. Al het gekende komt en gaat. En bij dat gekende waarmee je je zo vertrouwd voelt, horen ook woorden en begrippen als: gisteren en morgen, leven en dood. Het onveranderlijke en altijd aanwezige ‘Nu-zijn’ dringt zich meer en meer naar voren. Ook al houd je de schijn van ‘Jan en een wereld’ op door gewoon met te spelen met: ‘Ik zie je morgen!’ en ‘Vorige week was ik jarig!’ (87)


Elke seconde weer

Dan lost spontaan – elke seconde weer – het geloof in het hele verhaal op. (91)


Bullshit

Je kunt ook zelf tot de conclusie komen dat er helemaal niet zoiets als zelfrealisatie bestaat. Dat het de grootste bullshit is die er bestaat. … Maar dat zeg ik pas op het eind van mijn verhaal tegen je. Vroeger durfde ik dat helemaal niet te zeggen want ik dacht: dan lopen jullie gillend weg. Als je in het verhaal van Jantje heel lang hebt gezocht en heel serieus bezig bent geweest, en je krijgt dan te horen dat er helemaal geen verlichting bestaat, tja, dat moet je wel kunnen behappen. (91/93)


Geen eigen leven

Tot slot is het nog zaak af te rekenen met de waan dat al het gekende een eigen leven leidt, onafhankelijk van dat kennen wat je hebt gevonden. Alles wat er gebeurt en verschijnt, valt altijd terug in de stilte. Als er geluid is, valt het uiteindelijk altijd terug in stilte. De stilte blijkt daarvan altijd de basis te zijn. (97)


Niets te zeggen

Stilte heeft niets te zeggen. De eerste oorzaak heeft volstrekt niets te melden en heeft geen enkel intellectueel verhaal nodig om te zijn. Als het gaat om het onpersoonlijke, vormloze kennen is ook advaita, de leer van het non-dualisme, uiteindelijk flauwekul en fake. (97)


Geen leuke speurtocht

Omdat je geleidelijk aan afkickt van het idee dat je iemand bent, storten steeds meer ‘menselijke dingen’ in elkaar. Dat kan heel eng zijn, want daarmee storten alle ervaringen die je hebt gehad met je vrienden, je kennissen, één voor één in elkaar. En dat kan heel erg pijnlijk zijn voor je. Dit is geen leuke speurtocht! (98)


Als je het hem vraagt

Aan Nisargadatta werd, vlak voordat hij doodging, gevraagd, heb je dan geen pijn? Toen antwoordde hij: Als je het aan hem vraagt, schreeuwt hij het uit, maar hier is er geen pijn. (100)


Zonder standpunt

Natuurlijk moet je niet die e-mail openen. Als ik dat wel doe, zegt Jantje meteen: ‘Auw! Die pijn is niet te harden!’ Wat je natuurlijk op het niveau van je Jantje kunt doen, is vragen om een pijnstiller, of dat de dokter bijvoorbeeld die steenpuist doorprikt. Snap je? Je bent nu veel radicaler en begint niet meteen toe te geven aan de protesterende en aandacht vragende jantjes, die schreeuwen: ‘Ik gebruik geen chemische middelen!’ of ‘Ik probeert het wel vol te houden, want ik moet niets van die troep in me hebben’, terwijl je misschien wel aan het doodgaan bent. Elk oordeel en vooroordeel over wat dan ook, heb je dan losgelaten. Elk standpunt dat je ooit als Jantje had, laat je dan op een gegeven moment los. (101)


Onbewijsbaar

Als Jantje probeert het verleden of de toekomst bij zich te houden, dan kan … ik zeggen: ‘Ja hallo, daar heb ik geen bewijs van!’ Op dat soort gedachten hoef je dan niet meer in te gaan of er aandacht aan te geven. Dan kan ik niet lijden. Als Jantje beweert dat ik al dagenlang, en ook nog zo-even, pijn had, kan hij dat niet bewijzen. … Mijn aandacht kan niet van het nu naar gisteren gaan. Aandacht kan onmogelijk het nu uit. Niemand, inclusief Jantje, kan het nu uit. Kijk daar maar eens naar. Als je dat onder ogen durft te komen zul je zien dat dat zo is. Je bent nooit uit het nu geweest. Er is nooit één ervaring in je leven geweest waarin je één tel zonder het nu en zijn aandacht was. Vertel me anders maar eens hoe je bij ‘morgen’ en ‘gisteren’ komt. Dat lukt je niet. Dat zijn allemaal spookbeelden die nu in die ondefinieerbare aandacht verschijnen om vervolgens weer op te lossen, zonder dat dat aan het nu en die aandacht iets verandert. (102)


Ik groei haar

Als iemand zegt ‘ik ben verantwoordelijk’, dan zeg ik: ‘Ik long, ik groei haar, ik slokdarm, ik maag.’ Daarmee zie je dat het absurd is te stellen dat jij, als ikje, dat kunt doen. Je jantjes speelt daar geen rol in. Die ander zegt dan: ‘Je bent niet goed wijs.’ ‘Ik long, ik hart’, dat geloof je toch niet? Daar hoort toch geen ik in te zitten? Of wel soms? … Maar waarom wordt ‘ik ben verantwoordelijk’ dan wel serieus genomen? Hoe komt dat? Dat hebben we geleerd.’ (106)


Het echte begrijpen

Blijf het begrijpen vóór. Dat is het echte begrijpen. (123)


Niet omdat ik het wilde

Ondertussen kan ik tegen zoekers zeggen: ‘Als je een vrije wil zou hebben, zou je ophouden iets te willen en zou je Nu gelukkig zijn.’ Je zou dan toch allang gelukkig zijn geworden! Je moet toch toegeven dat je er niet in geslaagd bent jezelf gelukkig te maken. Achteraf ga je zien dat je het dus niet in handen hebt, dat het niet door een ‘jou’ komt dat je niet gelukkig bent. Ik wilde heel lang van het roken af, maar je kunt wel zeggen dat je van het roken af wilt, maar dat wil nog niet zeggen dat je dat ook kan doen. Ik ben er nu vanaf, maar niet omdat ik het wilde, en het gebeurde ook niet op het moment dat ik het wilde. (124)


Ik weet het niet

Een ander advies is onderzoek doen naar die ‘vrije wil’ door een huis te gaan kopen en tijdens het zoeken naar een huis je af te vragen waarom je het ene huis wel en het andere huis niet wilt. Je kunt je gaan afvragen waarom je iets mooi vindt; je kunt je afvragen waarom je die ene auto koopt en niet die andere. Onderzoek het. Kijk of het waar is dat jij dat allemaal doet. Dan kom je erachter dat je bij het antwoord ‘ik weet het niet’ uitkomt. en dat je dus niet echt weet waarom je iets ‘doet’. (125)


Niet van buiten

Als je alle ervaringen als je ongedefinieerd ervaren herkent zit die ik-gedachte toch niet meer in de weg? Ook niet als hij neurotisch, stom, achterlijk, of zeikerig doet. Zeker als je mag zien dat er geen zintuigen bestaan, dus geen binnen en geen buiten, geen materie… en dat het volstrekt onmogelijk is om wat er ook in je verschijnt, te zien als iets dat van buiten je is, laat staan dat het een object kan zijn. Dat kan gewoon niet! (131)


Een knal

Ik bedoel: het valt niet te ontkennen dat als je lichaam zich stoot, het heel erg zeer doet. Maar allebei zijn het waarnemingen in mij en niet omgekeerd. Het is niet zo dat het lichaam dat ding daar waarneemt. Het is niet zo dat je been het object waarneemt. Dat maakt je denken ervan. Nee… als je een knal krijgt tegen dat, wat het denken ‘been’ noemt, voel je gewoon dat er in het ondefinieerbare ervaren het ervaren van pijn is. Als je dat doorkrijgt, ga je steeds meer zien dat het verhaal van een wereld buiten jou allemaal onzin is. Maar kan je er dan met ‘anderen buiten je’ over praten? Nee toch? (131)


Binnen mezelf

Stel dat er een slechte goeroe bestaat, stal dat zo iemand bestaat, wie maakt die slechte goeroe dan slecht en waar verschijnt hij in? Verschijnt die nou buiten jou of in jou? Nou dan… je hebt alles binnen je! Wat kun je dan nog doen? Ik snap niet hoe dat moet. Ik kan hele batterijen verhalen van jantjes en andere medespelers aanhoren, maar die zijn allemaal binnen mijzelf. Ik kan allemaal verhalen horen over planeten die, weet ik veel, lichtjaren ver weg zijn in andere dimensies enzovoorts, maar die zijn allemaal binnen mezelf. (131)


Denk-nar

Aldus ontstaat de terreur van het denken met zijn gevoelens en emoties die door de meeste mensen voor zoete koek worden geslikt. We mogen graag opscheppen over de nobele kanten van die ‘denknar’ en kijken niet voorbij automatismen als: ‘Ik denk dat toch? Ik voel dat toch?’ We schatten met z’n allen dit ‘ik-denk-en-voel-wezen’ niet op zijn werkelijke waarde en wanen ons in de hemel wanneer dat denken wordt geprezen. Om maar niet te spreken van de innerlijke dialoog die zich in zo’n situatie afspeelt: ‘Wat heb ik dat toch goed, fout, stom, slim, of noem maar op gedaan!’ Of je denken beweert: ‘Ik kan het toch niet’, of: ‘Zie je wel dat niemand van mij houdt?’ En wat de ‘anderen’ betreft, daarover zijn de gedachten in het algemeen kort en krachtig: het is altijd hun schuld. (135)


Maya

Het verhaal dat wij het zelf zijn die deze hoofdpersoon in de waak- en droomtoestand spelen, en dat wij het zelf zijn die denken, en dus gedachten kunnen maken, is de leugen die ‘maya’ (illusie) heet. Lijd je aan de identificatie met die tijdelijke vis en wil je daarvan af, sleutel dan niet aan die vis, want dat zal je niet verder brengen dan het inzicht dat je er niets mee opschiet. (135)


Ze hoeven niet weg te gaan

In veel boeken staat dat je van je jantjes af kunt komen en dat dat de uiteindelijke realisatie is. Het is niet waar. Althans, ik ben het er niet mee eens. Je kunt je er wel vrij van weten, maar dat betekent niet dat ze ook weg hoeven te gaan. Daarin zit het verschil tussen de gangbare tradities en mijn inzicht. Ik ben het er mee eens dat je er geen last meer van hoeft te hebben, maar ik ben het er niet mee eens dat ze moeten verdwijnen om jezelf te kunnen zijn. Ik ben er met én zonder vorm, en draag alles wat er in mij komt. Dat noem ik zelf-liefde en die kan nooit weg. (148)


Het werk

Om te mogen zien dat er geen jantjes zijn, maar alleen het kennen ervan, is het soms nodig eerst uit de greep van hun aandacht vragen te komen. Dus in mijn ogen is het werk: Hoe leer ik de jantjes passeren om zo de aandacht onpersoonlijk en breed te houden, in plaats van het veranderen van de jantjes? Het is ook wat [Byron] Katie volgens mij zegt: stop ermee om het denken als waar te zien. (155)


Het intellect laten zijn

Ik houd steeds de achterste stoel in beeld en zie dat de stoel van de waaktoestand niet echt is en Byron Katie doet het met haar vier vragen. Het intellect laten zijn wat het is en er tegelijk totaal aan voorbijgaan is die genade die we zoeken, en je kunt wachten tot je een ons weegt, voordat jantje het daarmee eens is. Die blijft kletsen. (161)


Alles is een gedachte

Een persoon is een gedachte, de wereld is een gedachte, elke ervaring is een gedachte, want je komt nooit iets echts (als massa) tegen. Je kunt je zintuigen immers niet uit! Een mens, of wat dan ook als object buiten je kennen, moet al binnen jou zijn en dan is het een gedachte. Alles is een gedachte. (163)


Niet-weten zijn

Absolute overgave betekent simpelweg: niet-weten zijn. (164)


Punt

Ik zie/volg het verhaal dat er een gierig jantje langs komt. Punt. Vervolgens zie ik dat mijn moeder erg ziek is. Punt. Dan komt de gedachte: hoe kan Jan nu zeiken over 75 eurocent voor een kop thee als zijn moeder zo ziek is? Punt. De punt is de opening naar het steeds doorzien en afbreken van het verhaal dat verteld lijkt te worden. Dat is ‘sneller schieten dan je schaduw.’ Het steeds de ene draad in het oog houden, is het verhaal van het breiwerk steeds als niet waar doorzien, terwijl het verhaal gewoon doorgaat. Punt. (165)


Vrij van de rechter

Dan kan dat verhaal geen echt verhaal zijn en daarna hoef je niet meer hierover met die Jan in dialoog te gaan. Al je vragen geef je aan het niet-weten, de stilte, in plaats van aan het denken. Dan heb je de linkerhand vrij van de rechter. (165)


Gewoon maar wat doen

Verlichting vinden is niet moeilijk. Het alle jantjes naar hun zin maken is bij voorbaat onmogelijk, en ja, verder is het gewoon maar wat doen. (165)


Alsof ze echt zijn

We moeten er dus niets mee. Het gebeurt gewoon zo en we kijken er niet naar. We zijn het kijken! We zijn dit en daar kan je niets mee doen of laten. Het ophouden je gedachten te volgen alsof ze echt zijn, geeft de ontspanning. (165)


De roeispaan van La Rousselie

Symbool van het doenerschap. Door Odysseus aan het einde van zijn reis begraven in het land dat zee noch zout kent; geen land en schepen heeft. Dit betekent dat Odysseus zijn doenerschap achterlaat in het niet-weten. (174)


Radio-interview 24-12-2009

Uit een radio-interview met Patrick Kicken (Veronica), 24 december 2009:

Patrick: Je zegt nu een mooi woord: verwondering. Is dat niet, wel, niet één van de kenmerken, dat je keer op keer weer verwonderd raakt, door gebeurtenissen, mensen, planten, dieren, insecten, dat je niet meteen met het hoofd erbij bent, om er een label op te plakken van goed slecht, lelijk, mooi?

Jan: Ja.

Verwondering is een mooi, eh, mooi bijeffect, om het effe zo te noemen, hè?

Ja. Maar het meest moeilijke is, dat verwondering altijd te maken heb: ik weet het niet, en dat is weer de grootste taboe in de wereld.

Wat… hoe bedoel je… ik weet het niet, dat je ergens…

Nou de geest, die dus, la maar zeggen, waar vanuit ik de dingen zie, is altijd de niet-weet-geest. Dus ik-weet-niet, ik-begrijp-het-niet, snap je, ik weet niet wat het is, ik ben verwonderd.

Ja.

Hè, dus het is nooit een begrijpende geest die verwonderd is, want een begrijpende, die geest die zegt,” nou, ik heb het begrepen”.

Ja.

Snap je? Een verwonderde geest is altijd een geest die dus open is en dus… geen kern heeft van een wetendheid.

Ja. Maar wat wij zijn in essentie valt toch ook niet te begrijpen? Kom ik weer terug bij het begin.

Absoluut niet, nee absoluut niet! Dus is dat niet-weet-geest, voor mij de allerhoogste staat, dat klinkt misschien heel vervelend en moeilijk en, eh, voor intellectuele dinges, en mensen, en, ik moet ook gewoon mijn hoofd gebruiken als ik een internet, eh spoorboekje moet of een internetspoor … Maar het gaat erom, dat als ik gelukkig ben, hè, als ik gewoon mij zelf ben, gewoon helemaal dinges, dan heb ik daar dus niks voor nodig, heb ik geen kennis nodig, dan heb ik heb niet zo iets van buiten, heb ik geen informatie nodig.

Dat is een mooie omschrijving. Mensen denken inderdaad: Als ze maar van alles weten, van een persoon of wat dan ook, van iets dan ook, dan… dan pas kunnen ze accepteren, of ermee in vrede zijn, of wat dan ook, maar de onwetendheid is natuurlijk, ja, wat eigenlijk nog het allermooiste is, althans zo ervaar ik dat dan.

Ja, ja. Maar dat niet weten is niet een stomheid, het is dus een een absoluut gewaarzijn, hè, ik bedoel… Bij de aikido, la maar zeggen, dat vind ik een mooie sport, dan wordt het san shi genoemd, dat is dus een breedheid waarin je dus niet verdedigt, als de aanvaller tegen je over staat, maar je staat in totale openheid met het geheel en omdat je dus niet meer als vanuit persoon kijkt maar eigenlijk vanuit een ongedefinieerde openheid, kan je, ben je dus geen …, ben je niet meer mee aan het doen; met Ajax – Feyenoord… je bent niet meer aanvaller of verdediger, je staat er gewoon in de openheid, en dan gebeurt dus de dingen zoals ze moeten gebeuren en niet zoals je denkt dat ze gebeuren.


Radio-interview 1-11-2009

Uit een radio-interview met Rinus van Warven, programma Tendens, Radio Gelderland, 1 november 2009:

Rinus: Wie ís Jan van Delden?

Jan: Ja, dat is dan gelijk, nou, Jan van Delden is, ja, als je het ziet als mens, is die gewoon een mannetje uit Den Haag, hè, iemand uit Den Haag. En als je het aan mijzelf vraagt, mijn eigenste eigen, dan ben ik, ja, iets wat niet te benoemen valt. Hè, dus als Jan van Delden ben ik een lichaam die geboren is in Den Haag en een mamma en pappa heeft, voor mijzelf ben ik dus nooit geboren, en ben ik dus altijd zo geweest als ik nu ben.

En hoe bent u?

Ja, ik zou het niet weten.

Uhm, goed, wie Jan van Delden is, u zou het niet weten. Wie is Rinus?

Ik zou het ook niet weten. Ik bedoel, Rinus is iemand die tegenover me zit, hè, la maar zo zeggen, Jan zit, Jan schijnt hier te zitten en Rinus zit daar, en die zit mij nu te interviewen, en dit is een gesprek tussen Rinus en Jan, maar als ik naar mijzelf kijk, heeft dat er volstrekt niet waar, in mijzelf is er volstrekt helemaal niets aan de hand, is alles helemaal één geheel, hè, en kan ik geen scheiding maken, tussen Rinus en Jan.

[…]

Rinus: Omdat je bang bent voor de stilte, je durft niet stil te zijn...

Jan: Maar daar zit nog achter, je bent bang wat die stilte geeft, hè, het is niet alleen bang zijn voor de stilte, het is ook bang wat daar dan opkomt. Hè, die stilte, niet alleen de stilte komt op, maar er komt nog iets is nog iets anders op waar je bang voor bent…

Waar zijn we bang voor?

Gewoon puur ons eigenste zelf onder ogen te komen, namelijk zonder maskers. In de wereld is er maar één groot taboe, hè, dat is dat niemand mag weten dat ik het niet weet, dat is het grootste taboe.

Kijk maar, iedereen probeert Jan van Delden te zijn, en dan, wat is je beroep, hè, dan beginnen ze al, ben je een man, hoe oud ben je, ze proberen ons te definiëren tot iets.
Het dus de taal is altijd iets makend, nooit jezelf makend, je moet altijd iets worden. Maar het lullige is dat we niks zijn. Dus daardoor krijgen we zoveel ellende, daarvoor vinden we nooit geluk omdat we constant op zoek zijn, naar iets wat we niet kan brengen in woorden.

Niemand weet, niemand weet, dat ik Repelsteeltje heet

Ja, voilà, Socrates, maar, hè, die werd gedood om dat feit.

Niemand mag weten dat ik het niet weet.

Juist. En als je dus naar iemand gaat, die het wel beweert te weten, en je zegt, nou moet je even goed horen, net zoals Socrates, die zegt: “Ik zit met een probleem. De Tempel van Delphi heeft gezegd, van dat ik de enige in Athene ben die het weet, maar ik weet helemaal geen bal, nou kom ik bij u met een probleem, u schijnt het te weten, kunt u mij a.u.b vertellen wat er hier aan de hand is? Hè, want hier vertelt iemand dat ik het weet, en ik weet helemaal niks.” Nou dat is zijn dood. Die mensen vinden dat niet leuk, alle mensen die het, beweren het te weten, die weten het natuurlijk niet. Hè, dat hebben we geleerd.

Het is ook wel lullig, het is ook niet hun schuld, er zit geen schuld in. Kijk als jij gewoon ineens kinderen krijgt, wordt je ineens pappa genoemd of mamma en dan moet je dan, maar jij weet niet het verschil, ik bedoel, er is buiten en ineens, ineens ben je pappa en nu ben je mamma. Dan moet je het schijnbaar maar weten, nou dat is flauwekul natuurlijk. Dus we hangen ons vast aan woorden.

Maar een van de allergrootste wijzen, u heeft zijn naam net genoemd, die Socrates die was één, hij is waarschijnlijk een van de grootste filosofen op aarde geweest, die zei gewoon van: “Er is maar een ding: ik weet het gewoon niet.”

Ja, hoe meer je weet, hoe meer je erachter komt dat je het niet weet, nou ja, zo simpel is het. Ga dat maar vertellen. Kijk dat is wel mooi om het op de kast te hebben, en het anderen zien doen, maar bij jezelf, in je eigen leven, dat is bedreigend.


Video-interview mei 2010

Uit een video-Interview met Patrick Kicken, La Rousselie, mei 2010:

Patrick: … wat zal de rest er wel niet van denken. Maar ’t Is uiteindelijk het oordeel wat je zelf velt, toch?

Jan: Ja.

Want de buitenwereld, ja…

Nou ja, die kan er ook wel wat van zeggen, maar die bevestigt wel of niet jouw denken.

Ja.

Als ze je denken niet bevestigt, dan heb je er geen last van, want dan hoor je het niet, maar als jij dus nog iets hebt, en de buitenwereld zegt dat, dan schrik je je rot, want dan denk je: “Oh, dat zijn er twee.”

Dan zijn we al met zijn tweeën.

We zijn met z’n tweeën, dan zal het wel waar zijn.

Ja.

Wat je niet door hebt, dat de houdingen eigenlijk allemaal camoufleren, dat je het gewoon niet weet.

De houdingen camoufleren dat je het niet weet?

Daar is het ego bang voor.

Niet weten?

Ja.

Ja. Maar wat valt er dan wèl te weten?

Nou ja, er valt niks te weten, ik bedoel, er valt alleen maar te zijn. Om te zijn hoef je niks te weten, dat gaat is, dat is, dat is sprakeloos aanwezig, dat kan al, dat kan niet anders, het is er al.

Maar toch, kennis is macht, zegt men?

Ja (zucht), en wat bedoelen ze dan mee, je bedoelt kennis over de wereld, bedoel je?

Kennis over het algemeen, is macht.

Ja, nou ja, dat is dan een woord die ik niet helemaal dekt. Maar als je kennis, van la maar zeggen, dat je dus, la maar zeggen, het niet-weten bent, als je dat kennis noemt, dus… De tempel van Delphi-achtig, “Ken uzelve”, ja, dan kom je er dichter bij. Maar dan nog is het grote gevaar, dat je jezelf kent, is nog, dat er nog een heel gevaarlijk gebied komt, dat is namelijk “niets te veel”, en dat staat bij de uitgang.
De ingang van de tempel van Delphi staat “Ken uzelve”, dus dan ga je erheen, dan ga je naar binnen, naar de tempel, daar is dus niks, hè. Maar dat niks moet je, als je naar buiten gaat, niet toch niet nog iets van maken, dat is nog – een behoorlijke drempel kan dat zijn.

[…]

Jan: In het verhaal kan ik zien, naar het moraal van de wereld, nou daar heb ik mijn slecht-Jantjes hebben wat slechts gedaan, en daar hebben mijn goede Jantjes hebben iets goeds gedaan, maar dat blijft yin-yang, er blijft altijd die tegenstelling. Vrijheid heeft niks met tegenstellingen, nul, het niet-weten heeft niks met tegenstellingen. Kan daar helemaal niks mee.


van internet-tijdschrift Amigo:


De weet-niet-geest

Er valt namelijk niets meer te doen, dus komt de ‘weet-niet-geest’ naar voren: de stilte treedt in. Dat is de
stilte die als antwoord verschijnt als je de vraag ‘wie ben ik?’ consequent stelt. (Amigo 1)


Geen zeggenschap

Jan kan nooit meer die kapsoneslijer en of schijterbroek van vroeger zijn, want ik heb hem zo haarscherp in de gaten; ik zie dat hij niets te zeggen heeft, want hij heeft geen zeggenschap over het zeggen. (Amigo 3)


Uitgegeten

Maar je trapt niet meer in die langskomende gedachten en dat is voldoende […]. (Amigo 4)


Uit Amigo 11:


Je laat het gewoon passeren

De linkerhand blijft een schijnbaar verhaal vertellen en jij zegt figuurlijk, als het zo mag: ‘Ja hoor schat, je hebt helemaal gelijk’. Kortom je laat het gewoon passeren, zijn verhaal vertellen, meer niet… maar je gelooft het verhaal NOOIT. Zo is er dus geen dualiteit, alleen een gebeuren van gewoon er-zijn.


Niet mee vechten

Je moet ook met die aandacht het geloof in het denken, voelen, het hele verhaal van Jan en zijn wereld mogen doorzien als vals, als niet waar, niet bestaand en tegelijk daar niet mee gaan vechten of negeren of welke discussie dan ook mee hebben…
En ja, hoe vink je dat realiseren aan en laat je het aan staan? Mijn antwoord op dat dilemma: slijmen met Jans wereld, die hele wereld moeiteloos dragen maar nooit geloven.


van Jan’s site:


Geen-antwoord

Als je vroeger Ramana Maharishi vroeg hoe je naar de stilte moest komen, zei hij: “Stel de vraag: wie ben ik wezenlijk?” Het antwoord is: stilte. Of “ik weet het niet” maar dan vloeit de stilte daaruit voort.


Vrijheid

Het geloof in het denken is het enige dat tussen jou en de vrijheid ligt.


Verdomd zeker

Ik weet niks, maar dat weet ik wel verdomd zeker.


Voor iedereen

Ik speel met stoelen, metaforen en dans met Odysseus om het niet-weten weer beschikbaar te maken voor iedereen.