Jan van den Oever

‘Verlichting is geen staat van bewustzijn. Het is verdrinken in de ongrond.’ Citaten van advaitaleraar Jan van den Oever.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Advaita > Jan van den Oever


uit: Ik weet niet wie ik ben, Jan van den Oever, samensteller Han van den Boogaard, Samsara 2011.


Oplossen

Het gaat niet om het vinden van het antwoord, maar om het oplossen van de vraag. (5)


Ik weet niet wie ik ben

Ik weet niet wie ik ben. Dat is mijn eerste gegeven, vierentwintig uur per dag. Ik weet niet wie hier spreekt. En als ik het nu niet weet, weet ik het straks nog niet, en morgen ook niet. Er is geen seconde per dag dat ik het wel weet. (19)


In mij

Het enige dat ik over mezelf kan weten is dat ik ben. Maar wat dat zijn is, dat kan ik niet weten, want dat is een verschijning in mij. Al mijn zintuigen zijn bezig om een verschijning in mij te doen plaatsvinden. Mijn gehoor, mij stem, mijn ideeën over mezelf, mijn meningen over mijzelf zijn allemaal verschijningen, en ze verschijnen in mij, en dat ‘mij’ kan ik niet lokaliseren. Ik kan het zelfs geen naam geven. Ik kan er nog geen twee woorden over zeggen, want wat ik er ook over zeg is op zichzelf weer een verschijning in mij. (19)


Jij ook niet

En voor jou geldt hetzelfde. Je weet in feite niet wie er op dit moment leest. Je leest wel, maar je weet niet wie dat is. En je vraagt je dat ook niet af. Je stapt daar onmiddellijk overheen. Die wijsheid, je diepste eigen wijsheid, ruil je in voor duizenden ideeën en meningen over jezelf. Maar je weet gewoon niet wie je bent. (20)


Mystieke toestand

Er is sprake van een prachtige, mystieke toestand. Want als ik niet weet wie er spreekt tegen iemand die niet weet wie er leest, dan is er geen verschil tussen ons. (20)


Dat weet ik niet meer

Ik ben vroeger mensen tegengekomen die hier helemaal geen kennis over hadden, vaak met een christelijke achtergrond, die zeiden: ‘Jan, het enige wat ik hier nog over kan zeggen, is dat ik leef in Gods handen.’ En als ik dan vroeg: ‘Wat bedoel jij dan met God?’, dan zeiden ze: ‘Dat weet ik niet meer.’ Dan ben je thuis. (29)


Oningevulde aanwezigheid

Zolang God nog iets of iemand is, zit je nog steeds in de problemen. Maar waar zij naar verwezen was overgave die voortkomt uit passie en liefde voor God, of hoe je het ook wilt noemen. Je eigen wijsheid zegt allang tegen je: ik weet het niet. Dat moet je uitgangspunt zijn: ik weet het niet. Dat is schoon, en zit zo dicht bij oningevulde aanwezigheid. (30)


Levenslange passie

Dus ik vraag je: heb je er echt passie voor om niemand te zijn? Of wil je iemand worden, wil je verlicht worden? Zien vanuit passie is zien met het derde oog. Met dat oog zie je: ik heb alles gedaan; ik ben tegen frustraties opgelopen; soms zie ik het wel, dan weer niet. Dat is de taal van de schijngestalte, en voor die schijngestalte kun je geen levenslange passie opbrengen. Dat is onmogelijk. Maar wel voor niet-weten. (30)


Ongrond

Jacob Boehme zei: je moet leren vertrouwen op de ongrond.
Wat is ongrond?
Ik zal het uitleggen. Jacob Boehme zei dit: ik kon vertrouwen hebben in iedere bodem, maar ik moest leren vertrouwen op de bodemloosheid. Snap je wat ik bedoel? Kijk, de ene bodem kun je nog verruilen voor de andere. Dan bevalt er wel een keer een. Maar de bodemloosheid, de ongrond… (31)


Totaal kwetsbaar

We stellen ons vertrouwen in de gedachte dat we er morgenvroeg wel weer zullen zijn. Maar we weten het niet! We weten echt niet of we hier over vijf minuten nog levend zitten. Dat is de waarheid. Je kunt plannen maken, maakt niet uit: je weet dat niet. Er is dus een waarheid buiten alle concepten om die zo totaal kwetsbaar is, en dat weten we. (32)


Extase

Ik weet niet wie ik ben. Ik besefte dat al vroeg in mijn jeugd, die zich afspeelde aan het strand en in de duinen. Het was een jeugd vol vreugde en vrijheid. Mijn vader was visser, en soms ging ik mee met hem de Noordzee op. Aan boord hoefde ik niet mee te helpen. Dan ging ik vaak op de punt van het schip zitten. Daar bestond het schip niet meer. Op die momenten verdween ik in de lucht en de zee, en met mij verdween ook het verhaal van mij en mijn leven. Ik loste op in het niets. Het was een vorm van extase. Het was de mooiste tijd van mijn leven. (65)


Het eindpunt

Ik moest het zwaartepunt verleggen naar het tijdloze en de totale kwetsbaarheid die ik ben. Daar moest ik mij volledig aan overgeven. En in die overgave verdwenen alle ‘waarom’-vragen. Ze losten gewoon op in dat wat Is. Daar verzonk ik steeds meer in, en uiteindelijk verdronk ik erin. Ik verdronk in wat ik zocht. De bodem viel uit mijn bestaan. Dat was de Zelfrealisatie. Dat was het eindpunt. (81)


Niet te vatten

Het denken kwam weliswaar terug, maar dat diepe inzicht bleef. Ik besefte dat ik ieder ogenblik op de punt van het schip zat. Ik zag dat ik altijd ben wat er is, en dat het denken dat nooit zou kunnen bevatten. Ik mocht het denken niet meer vragen mij hierover iets duidelijk te maken. (81)


Geen identiteit

En toen hoefde ik er eigenlijk niets meer over te horen. Toen kon ik Nisargadatta en alle andere leraren loslaten en hield het zoeken op. Ik was teruggeworpen in mijn eigen wijsheid: dat ik niet weet wie ik ben, dat ik niet weet wie er spreekt en wie er denkt, dat ik niet weet hou oud ik ben, dat ik een wezen ben dat tijdloos is, waar geboorte en dood in verschijnen en verdwijnen, een wezen dat geen enkele identiteit heeft. (81)


Achterlijk

Het lijkt een contradictie dat je het denken moet gebruiken om tot inzicht te komen. Maar als je goed kijkt zie je dat er helemaal geen sprake is van iemand die denkt. Dat jij het denken niet doet. Laat het denken zijn gang maar gaan, ook tijdens de meditatie. Want het denken is niet tegen je. Het doet alleen zijn werk. Het kwebbelt, de hele dag door. Het zegt niet één keer tegen je dat je de vuilnisbak buiten moet zetten, maar wel veertig keer. Alsof je achterlijk bent. En we zijn achterlijk. Want we proberen met de kwebbeldoos de kwebbeldoos stil te krijgen! Zo gek waren we nog niet toen we begonnen met zoeken. (92)


De ongrond van het spel

Je kunt niet loskomen van het hele spel. Maar het idee van de vrije wil suggereert van wel. Alsof er een speler is die het spel speelt. Je bent het spel zelf. En als je dan aan me vraagt: Jan, wat is de diepste kennis die je ten aanzien van het spel bezit, wat biedt je het meeste houvast? Dan zijn dat niet de regels en ook niet de tijdsduur van het spel. Dan is dat de ongrond van het spel. Degene die niet weet wie hij is, en die toch is. (93)


Conceptloos

Jij wilt in die stilte nog een bodem plaatsen. Je wilt nog een eindconcept vinden. Maar je wezen is volkomen conceptloos. Het heeft geen bodem, het is bodemloos. (130)


Bodemloos

Als kind al lag ik op het schip van mijn vader naar de sterren te kijken, en dan hoorde ik spreken over de oneindigheid van het universum. Ik probeerde dat te bevatten. Net als iedere wetenschapper dat probeert. Je probeert die oneindigheid in te vullen. Dat is de kracht van het bestaan, om daar invulling aan te geven. Maar zolang je dat nog vanuit een ik-gedachte doet, zul je altijd moeite blijven houden met die oneindigheid, zul je een onzekerheid ervaren. Pas als je ziet dat ook je wezen bodemloos is, besef je dat je één bent met die oneindigheid, en zie je ook dat je nooit iets anders hebt gewenst en ook nooit iets anders bent geweest.


Je status quo

Je bent de ongrond. Je bent niet in de war. Je moet je niet verbazen dat je geen steun in het leven vindt, dat je geen antwoorden hebt. Dat is gewoon je status quo. Het is Boeddha’s wanhoop toen hij onder de Bodhiboom zat. (131)


Zoekt, en je zult niet vinden

Geef je concepten over je wezen prijs. Concepten zijn alleen bruikbaar in het alledaagse leven. Wat je bent is stilte, beschikbaarheid, ook voor die concepten. Je wezen zul je nooit kunnen vinden. Zoekt, en je zult niet vinden. Ik ging zoeken, ik ging voor het antwoord, maar op het eind loste de vraag op. Wat moet de ongrond nog met een antwoord? Dan wordt er weer in bodem in geplaatst. Uiteindelijk wil je geen enkel antwoord meer hebben. En dat is heel bevrijdend. Je bent een en al kwetsbaarheid. Dat wist ik altijd al wel, maar ik wilde juist aan die kwetsbaarheid ontsnappen door verlicht te worden, zodat ik er een beetje beter tegen zou kunnen. (132)


Onzekerheid

Wat ik probeer te doen is je stimuleren om moedig te zijn en te kijken naar je kwetsbaarheid; te zien dat die kwetsbaarheid geen minpunt is, dat die prachtig kan groeien en tot bloei kan komen. Maar die groei kan je onzeker maken. Als een concept groeit, voel je zekerheid. Als je je steeds bewuster wordt van de ongrond, van de bodemloosheid van je bestaan, groeit je zekerheid juist niet. Maar de rijping is dat je niets anders meer wilt. Je liefde richt zich nu op die ongrond. (189)


Een liefde voor het conceptloze

In mijn zoektocht ging mijn liefde aanvankelijk uit naar het antwoord, naar bevrijding, naar verlichting. Met mijn kwetsbaarheid en ongrond kon ik niets aanvangen. Maar uiteindelijk kwam er een liefde voor in de plaats voor iets wat ik een ander niet meer kon uitleggen. Ik werd kwetsbaar in mijn uitleg. Ik merkte dat ik er in vastliep. Want hoe wil je een liefde voor het conceptloze uitleggen, een liefde uit overgave? (189)


Fragmenten

Ik weet niet wie er spreekt, en jij weet niet wie er luistert. In alles wat ik zeg en doe is dat mijn uitgangspunt. Alleen op basis van die volstrekte gelijkwaardigheid kan ik hierover spreken, kan ik benoemen wat onbenoembaar is. Op basis van diezelfde gelijkwaardigheid kan er gezien worden dat er geen enkele status aan je essentie verbonden kan worden en dat al je ideeën over jezelf slechts fragmenten zijn in Dat wat je bent. (190)


Verdwenen

En als dat gezien wordt, niet als een mentale constructie, maar werkelijk diepgaand, dan zeg ik: laat het maar zien, leef het maar! Kun je in alle oprechtheid zeggen dat je leeg van binnen bent en volkomen woordeloos? Kun je zeggen dat je werkelijk niet weet wie je bent? Is er iets in je dat je een stille vreugde geeft die nooit ophoudt? Als het antwoord ‘ja’ is, zijn al je essentiële vragen verdwenen, en jij en ik eveneens. (190)


Vóór alle wensen en gedachten

Je spreekt steeds over totale kwetsbaarheid, maar ik weet nog steeds niet precies wat dat is.
Nou, weet jij zeker dat je hier over vijf minuten nog levend zit?
Nee, dat weet ik niet.
Is dat totale kwetsbaarheid, ja of nee?
In die zin wel ja.
Maar je wensen en verlangens doen alsof je over twee uur gewoon zeker weer naar huis gaat. De werkelijkheid is dat je dat niet zeker weet. Er is dus iets essentieels dat niet weet of je hier over vijf minuten nog levend zit. Dat zit vóór alle wensen en gedachten. Je wezen is onwetend van het volgende ogenblik. Dat is totale kwetsbaarheid, als je het goed bekijkt. In plannen en wensen is geen kwetsbaarheid te vinden. (201)


Gevangenschap

Ramana Maharshi stelde aan alle zoekers maar één vraag: wie ben je? En zodra je een antwoord tegenkomt, zit daar je gevangenschap! Je hele zoektocht loopt langs allerlei antwoorden, maar juist die antwoorden houden je gevangen. Pas als de vragen ophouden, val je in de ongrond. En daar schieten alle woorden tekort. Dan moet je genoegen nemen met het vraagteken, met niet-weten. Wat een bevrijding! (208)


Verdrinken

Verlichting is dus helemaal geen staat van bewustzijn.
Nee, absoluut niet. Het is verdrinken in de ongrond. (216)


Altijd thuis

Ik ben altijd thuis. Maar dat huis heeft geen afmetingen of kenmerken. Alle kenmerken verschijnen in mij. Ik ben altijd thuis, maar het is niet iets wat ik heb. Alle ‘iets’ verschijnt in mij. Ik weet niet wie hier spreekt. Ik weet het gewoon niet. Toch is er spreken. En er is ook een zeker enthousiasme omdat er een buffer is weggevallen van ‘kijk mij dit eens doen’. Die ik die steeds zit te calculeren, die is weggevallen. Het heeft heel mijn hart, inclusief alle onvolkomenheden. Maar mijn thuis is altijd dat.


De laatste deur

En alle religies verwezen ernaar, naar die laatste deur. En achter die laatste deur zit niets. Geen wijsheid, geen mooie zinnen, niets. Ik kan er niets anders over zeggen. Ik kan er ook geen enkele status aan ontlenen. Maar wat wegviel was falen en mislukken. (217)


Uit een interview met Jan:


Mijn uitgangspunt

Als het zo is dat je zelf kunt zien dat je niet weet wie je bent – wat voor mij in alles wat ik doe een uitgangspunt is, wat onbenoembaar is – dan kan daar geen status aan verbonden worden. Alle idee van ‘ik’, wat die ook doet, is een fragment in Aanwezigheid, in Dat-Wat-Ik-Ben.


Geen verhaal meer nodig

Als dat gezien is, en dan niet als een mentale constructie, maar waarlijk gezien in de overgave, dan zeg ik: Laat maar zien dan, leef het maar. Dan heb je eigenlijk verder geen verhaal meer nodig. Alles wat je dan zegt is in wezen belachelijk, maar het mag niet belachelijk gemaakt worden want het kan zijn functie hebben in de overdracht, in een bepaalde vorm van de overdracht, een bepaald deel en op een bepaald moment in de overdracht.


Niets meer te zeggen

Want uiteindelijk komt het erop neer, of je, in alle oprechtheid, van binnen niets meer te zeggen hebt, volkomen woordeloos bent, waarbij iedere vorm van interpretatie al te veel is. Terwijl in je doen en laten, in je meningen en in je wensen alle interpretaties er zijn en alle meningen, want anders kun je geen week functioneren, zeker niet met vrouw en kinderen, dan heb je het de hele dag druk en dan hebben we het over van alles, en zo hoort het ook. Maar in de spirituele zin ben je aan het einde van je Latijn of aan het einde van je Sanskriet.


Je verlies is je winst

En dat is iets wat een soort stille vreugde geeft, een stille blijheid, en dan komt ten volle deze zin tot uiting: ‘Je verlies is je winst’. Dat kon je eerst niet begrijpen, maar met dit ‘verlies’ ben je kinderlijk blij, terwijl je dus niets gekregen hebt. Ieder groot verhaal, iedere theorie, iedere traditie – of het nu advaita is of monisme of wat dan ook – brengt je verder weg van wat je in feite zocht, terwijl je denkt dat het je dichterbij zal brengen.
Tegelijkertijd spreek ik vol respect over die tradities. Maar in de levende overgave doet het niet meer terzake, helemaal niks meer! (lacht).


Uit InZicht; wegen van radicaal zelfonderzoek, jaargang 13, nummer 1, februari 2011:


Op de stoel van de schepper

Dat leerde de bijbel ons ook al. Daarin staat dat de mens uit het paradijs viel toen hij zich de kenner, de bezitter ging wanen van goed en kwaad. Hij is op de stoel van de schepper gaan zitten en creëert zo elk moment opnieuw een wereld vol tegenstellingen, vol concepten die voor waar worden genomen. Hij is de bezitter van zijn eigen waarheid, en iedere kritiek op die waarheid wordt zo een kritiek op zijn eigen identiteit, de schijngestalte van het ‘ik’. Die is heel kwetsbaar want al zijn waarheden zijn slechts concepten en als zodanig wankel. Zijn beeld van zichzelf en de waarheid kan zomaar aangevallen of aangetast worden. Het moet constant bewaakt en verdedigd worden.


Totale kwetsbaarheid

Enthousiasme, verwondering, vertedering, verdriet, vreugde, gemis, angst, verwarring, ziekte, kwetsbaarheid zijn de wezenlijke ingrediënten van het bestaan. De onophoudelijke hang naar geluk, die suggereert dat je aan de genoemde ingrediënten kunt ontsnappen, frustreert het leven juist. Hoe moet je in vredesnaam de persoon die je denkt te zijn, maar waar je geen naam aan kunt verbinden, gelukkig maken? Er zijn gelukkige ogenblikken die verschijnen in jou, maar als het kind dat naar je lacht verandert in een kind dat sterft, dan verschijnt er diep verdriet in je. Dat is het leven. De totale kwetsbaarheid die buiten elke interpretatie om volkomen zichzelf is dient zich elk ogenblik aan.


Boerenbedrog

Als er in de spirituele zoektocht gesuggereerd wordt dat ontsnappen aan die kwetsbaarheid mogelijk is, noem ik dat boerenbedrog. Dat soort uitspraken staat slechts in dienst van het bevestigen en bestendigen van de bestaande hiërarchie, van de ongelijkheid tussen de ‘verlichte’ en de ‘niet-verlichte’. In het besef van het ontbreken van elke hiërarchie zeg ik iets anders: ga met me mee en laat de zee en de wolken spreken, of de bomen in het bos.