Johannes van het Kruis

‘Alleen wie als een onwetend kind zich van zijn kennis ontdoet en liefdevol wandelt in zijn dienst, zal Gods wijsheid bezitten.’ Citaten van de Spaanse heilige, dichter, mysticus en kerkleraar Johannes van het Kruis (1542-1591).

Redactie en titels (tenzij anders vermeld) Hans van Dam.

Bron: Heilige Johannes van het Kruis, Volledige Werken, Uitgeverij Paul Brand N.V. 1963, tenzij anders vermeld.

dwaalgids mystiek


Gedichten (titels origineel):


Donkere nacht

En una noche oscura,
con ansias, en amores inflamada,
oh dichose ventura!
salí sin ser notada,
estando uya mi casa sosegada.

Die donkerste der nachten,
Mijn angstig hart ontvlamd in liefde-dromen,
O diep-verblijdend trachten!
Ging ‘k uit, door geen vernomen,
Want heel mijn huis was reeds tot rust gekomen.

A oscuras y segura,
por la secreta escala, disfrazada,
oh dichosa ventura!,
a oscuras y en celada,
estando ya mi casa sosegada.

In ’t donker, vol verwachten,
De schuiltrap langs, vermomd, in veilig schromen,
O diep-verblijdend trachten!
In ’t donker, onvernomen,
Want heel mijn huis was reeds tot rust gekomen.

En la noche dichosa,
en secreto, que nadie me veía
ni yo miraba cosa,
sin otra luz y guía
sino la que en el corazón ardía.

Die nacht van diep verblijden,
In ’t dichte donker ongezien gebleven,
Toen ‘k niets kon onderscheiden,
Geen gids, die hulp kon geven,
Dan ’t ene licht in ’t innigst van mijn leven.

Aquésta me guiaba
más cierto que la luz del mediodía,
adonde me esperaba
quien yo bien me sabía,
en parte donde nadie parecía.

Die schijn, mijn gids, geleidde
Mij zekerder dan ’t licht der middagstonde
Tot waar zíjn hoop mij beidde,
Die ’t hart mij lang reeds kondde,
Op ergens in de hof verborgen sponde.

Oh noche que guiaste!
Oh noche amable más que el alborada!
Oh noche que juntaste
Amado con amada,
amada en el Amado transformada!

O nacht die mij geleidde,
O nacht meer dan de dageraad liefgezinde,
O nacht die samenvlijde
Minnaar en zielsbeminde
Waar Minnaar in beminde zích hervinde.

En mi pecho florido,
que entero para él solo se guardaba,
all quedó dormido, í
y yo Ie regalaba,
y el ventalle de cedros aire daba.

Aan ’t hart dat liefde kuste
Tot bloei die zich om Hem voor elk verheelde,
Lag Hij in slaap en rustte,
En wijl mijn ziel Hem streelde,
Wuifde de ceder-waaier koele weelde.

El aire de la almena,
Icuando yo sus cabellos esparcía,
con su mano serena
en mi cuello hería,
y todos mis sentidos suspendía.

Toen zo, van hoogste tinne,
De wind Hem zacht het haar uit-een kwam strijken,
Wondde zijn hand, vol minne,
Mijn hals bij ’t neder-reiken,
En deed mijn zinnen gans en al bezwijken.

Quedéme y olvidéme,
el rostto recliné sobre el Amado,
cesó todo, y dejéme,
dejando mi cuidado
entre las azucenas olvidado.

Ik bleef er, zelf-vergeten,
Hield mijn gelaat dicht óver Hem gebogen,
Stil alles, heen mijn weten, –
Heen wat mij had bewogen,
Tussen de lelies aan mijn geest onttogen.
(199 – 202)


In de vertaling van I. van Wilsum):

In een donkere nacht

In een donkere nacht,
in smachtende liefde ontbrand,
o zalig lot!
ging ik op weg, onbespied,
mijn huis lag verzonken in rust.

In de nacht, onbedreigd,
langs de geheime trap. in vermomming,
o zalig lot!
In het donker, verborgen,
mijn huis lag verzonken in rust.

In die gelukzalige nacht,
in stilte, door niemand gezien,
onzichtbaar ook voor mijzelf,
zonder ander licht, zonder gids,
behalve de gloed in mijn hart.

Dat was het licht dat mij leidde
zekerder dan het zonlicht des middags
daarheen waar Hij op mij wachtte
– Hij die ik zo goed kende –
en waar niemand verscheen.

O nacht die mij leidde;
O nacht, lieftalliger dan de ochtend;
O nacht die de eenwording bracht
van de minnaar met zijn beminde,
die haar, de beminde, deed opgaan
in haar geliefde.

Tegen mijn borst, met bloemen bezaaid,
rein gebleven terwille van Hem,
daar rustte Hij en sliep;
en ik liefkoosde Hem, en de ceders
wuifden Hem koelte toe.

Terwijl Zijn haar golfde in de wind
die neerdaalde uit de toren
sloeg Hij mij tegen mijn nek
met Zijn tedere hand,
waarop ieder gevoel mij ontvlood.

In vergetelheid leefde ik voort,
mijn hoofd rustend op mijn geliefde;
verloren voor alles en voor mijzelf,
en liet mijn zorgen varen
tussen de lelies, vergeten.


 

in de vertaling van H. Oosterhuis (zelfde bron):

Gedicht van de nacht
Toen zo ver ik zien kon
geen vuur brandde
geen licht gloorde
alsof licht nog nooit geroepen was
vuur nog niet uitgevonden
ben ik gegaan
mijn ziel in mij
een gloeiende draad
een laaiende strohalm.

Door spiegelgangen
ben ik gegaan
door open deuren naar buiten
de brandtrap af
de valkuil van de slaap voorbij
mijn ziel in mij
een gloeiende draad
een laaiende strohalm.

Zou zon bestaan
zouden sterrenwegen
opduiken begaanbaar
zou droomachtig mooi
boven mij
de stad van de maan –
of zou ’n enkele
man met ogen van
weerlicht mij wenkende
hoog aan de hemel staan
ik zou niet gaan in
dat licht.

Ik radeloos gelukkige
mijn ziel
zee onder schotsen fonkelend
zwart licht
gesternte onder puin en as
begraven onzienlijk licht
steekvlammen dun als berglucht
mijn gewrichten
dooraderend verwilderend
ontschaduwd licht
zenuwenziel
die arendsogen schroeit
in mijn gezicht.

Ziel
kleinste onbekende
doe mij gaan
door deze nacht
dit waanlandschap
dit onbestaan
tot waar wie op mij wacht
die achter namen woont
hartslag doodstilte duur
van dit ontvonkt moment
die wonder is dorst
lafenis de ongevonden
vondeling de zielsbeminde
die mij kent.


Ik drong binnen waar ik niet wist

Entreme, donde no supe,
y quedeme no sabiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Ik drong binnen, waar ik niet wist,

en bevond me in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Yo no supe dónde entraba,
pero, cuando alii me vi,
sin saber dónde me estaba,
grandes cosas entendi;
no dire lo que senti,
que me quede no sabiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Ik wist niet waarlangs ik inging,
maar toen ik zag dat ik daar was,
zonder dat ik wist waar ergens,
kreeg ik zicht op grote dingen;
toch uit ik niet wat ik zag;
want ik bleef in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

De paz y de piedad
era la ciencia perfecta,
en profunda soledad
entendida, via recta;
era rosa tan secreta,
que me quede b.ilbuciendo,
toda ciencia trascendiendo.

Vrede en vroomheid ging ze aan,
deze zeer volkomen kennis,
in de diepste eenzaamheid
zonder middel aangeworven;
en het was iets zo verborgens,
dat ik er slechts van kan staam’len,
alle weten overstijgend.

Estaba tan embebido,
tan absorto y ajenado,
que se quedó mi sentido
de todo sentir privado,
y el espiritu dotado
de un entender no entendiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Zó zeer was ik opgetogen,
zo verdiept en zo van zinnen,
dat mijn zelfbesef ontledigd
achterbleef van alle ervaren
en de geest verrijkt werd met een
door-niet-te-verstaan begrijpen,
alle weten overstijgend.

El que allí llega de vero,
de si mismo desfallece;
cuanto sabía primero,
mucho bajo le parece;
y su ciencia tanto crece,
que se queda no sabiendo,
toda ciencia trascendiendo.

Wie daartoe geraakt – ja waarlijk –
houdt zichzelf niet meer in handen;
wat tot dan hij heeft geweten
komt hem voor als zeer onedel;
en zo machtig groeit zijn kennis,
dat hij blijft in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Cuanto más alto se sube,
tanto menos se entendia,
que es la tenebrosa nube
que a la noche esclarecia;
por eso quien la sabía
queda siempre no sabiendo,
toda denda trascendiendo.

Stijgt men hoger, des te minder
kan men er begrip van krijgen,
wat het is: die duist’re wolkzuil
die de donk’re nacht verheldert;
wie eens van dit weten weet had,
blijft dan ook in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

Este saber no sabiendo
es de tan alto poder,
que los sabios arguyendo
jamás le pueden vencer;
que no llega su saber
a no entender entendiendo,
toda ciencia trascendiendo.

En dit niet-wetende weten
is van een zo hoog vermogen,
dat de wijzen met hun denkkracht
het nooit kunnen overtreffen;
nooit bereikt hun weten dit
door-niet-te-verstaan begrijpen,
alle weten overstijgend.

Y es de tan alta excelencia
aqueste sumo saber,
que no hay facultad ni ciencia
que le puedan emprender;
quien se supiere vencer
con un no saber sabiendo,
ira siempre trascendiendo.

Van zo hoge uitnemendheid ook
is dit allerhoogste weten,
dat er wetenschap noch geestkracht
is, die dit bewerken kan;
wie zichzelf ertoe kan brengen
door-niet-te-verstaan te weten,
zal steeds meer hierin doordringen.

Y, si lo queréis oir,
consiste esta suma ciencia
en un subido sentir
de la divinal esencia;
es obra de su clemencia
hacer quedar no entendiendo,
toda ciencia trascendiendo.

En als ’t u belieft te horen:
d’aard van deze hoge kennis
is een allerhoogst besef
van het Wezen van de Godheid;
’t is het werk van haar erbarmen
als Zij alle weten in dit
niet-weten doet overstijgen.
(204-208)


Ik leef, maar niet in mijzelf

Vivo sin vivir en mí,
y de tal manera espero,
que muero porque no muero.

Ik leef, maar niet in mijzelf,
en mijn hopen is zo hunk’rend,
dat ik sterf van niet te sterven,

En mí yo no vivo ya,
y sin Dios vivir no puedo;
pues sin él y sin mi quedo,
este vivir que sera?
Mil muertes se me hará,
pues mi misma vida espero,
muriendo porque no muero.

In mijzelf leef ik niet meer,
zonder God kan ik niet leven;
zonder Hem toch ben ‘k mijzelf niet.
Wat betekent zulk een leven?
Duizend doden doet het me aan,
want mijn leven zelf verhunkert
en het sterft van niet te sterven.

Esta vida que yo vivo
es privación de vivir;
y así es continuo morir
hasta que viva contigo.
Oye, mi Dios, lo que digo;
que esta vida no la quiero;
que muero porque no muero.

Zo te leve’als ik moet leven
is alsof men ’t leven derft
en een sterven zonder einde,
totdat ik bij U mag leven.
Wil, mijn God, mijn woord aanhoren:
dat ik van dit leven áf wil
en ik sterf van niet te sterven.

Estanda absente de ti,
que vida puedo tener,
sino muerte padecer,
la mayor que nunca vi?
Lástima tengo de mi,
pues de suerte persevero,
que muero porque no muero.

Moet ik leven ver van U,
wat voor leven is dat dan?
Sterft men niet veeleer een dood
erger nog dan ik ooit zag?
Deernis heb ik met mijzelf,
nu ik zo moet blijven leven
en ik sterf van niet te sterven.

El pez que del agua sale
aun de alivio no carece,
que en la muene que padece,
al fin la muerte le vale.
Que muerte habra que se iguale
a mi vivir lastimero,
pues si más vivo más muero?

Zelfs een vis die buiten water raakt,
zal alle troost niet derven;
in de dood die hij moet sterven
vindt hij toch nog baat tenslotte.
Maar wat dood is vergelijkbaar
met mijn deerniswekkend leven
waar méér leven méér doet sterven?

Cuando me pienso aliviar
de verte en el Sacramento,
haceme mas sentimiento
el no te poder gozar
i todo es para mas penar
por no verte como quiero,
y muero porque no muero.

Denk ik troost te vinden door
U in ’t Sacrament te schouwen,
dan berokkent mij nóg meer leed,
dat ik U niet smaken kan;
alles toch verzwaart mijn leed,
daar ‘k U zien wil en niet zie,
en ik sterf aan mijn niet-sterven.

y si me gow, Senor,
con esperanza de verte,
en ver que puedo perderte
se me dobla mi dolor;
viviendo en tanto pavor
y esperando como espero,
muerome porque no muero.

En verlustig ik mij, Heer,
in de hoop U te aanschouwen,
dan verdubbelt het besef dat
‘k U verliezen kan mijn smart;
waar ik leef in zulk een vrees
en verlang met zo’n verlangen,
ga ik dood aan mijn niet-sterven.

Sácame de aquesta muerte,
mi Dios, y dame la vida;
no me tengas impedida
en este law tan fuerte;
mira que peno por verte,
y mi mal es tan entero,
que muero porque no muero.

Haal mij weg vanuit dit sterven,
o mijn God, en geef mij ’t leven;
wil mij niet gevangen houden
in een strik zo sterk als deze;
‘k lijd om U te zien, bedenk het:
mijn ellende is zo volkomen,
dat ik sterf aan mijn niet-sterven.

Lloraré mi muerte ya,
y lamentare mi vida,
en tanto que detenida
por mis pecados esta.
Oh mi Dios!, cuando sera
cuando yo diga de vero:
vivo ya porque no muero?

Nu beween ik reeds mijn dood
en bejammer ook mijn leven
in zoverre het nog standhoudt
ter oorzake van mijn zonden.
O mijn God, wanneer dan toch,
wanneer moge ik waarlijk zeggen:
Nu ik niet meer sterf, nu leef ik!
(208-211)


Na een waagstuk van mijn liefde

Tras de un amoroso lance,
y no de esperanza falto,
vole tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

Na een waagstuk van mijn liefde
‘k had de hoop niet opgegeven –
vloog ik op, zo hoog, zo hoog,
dat ik haalde wat ik najoeg.

Para que yo alcance diese
a aqueste lance divino,
tanto volar me convino
que de vista me perdiese;
y, con todo, en este trance
en el vudo quede falto;
mas el amor fue tan alto,
que le di a la caza alcance.

Om te kunnen komen tot dit
godd’lijk avontuur van liefde,
moest mijn opvlucht zo intens zijn,
dat ik van mijzelf geen weet hield;
en tóch bleef ik in gebreke
in mijn alles wagende opvlucht;
maar zo hoog streefde mijn liefde,
dat ik haalde wat ik najoeg.

Cuando más alto subia
deslumbróseme la vista,
y la más fuerte conquista
en oscuro se hacia;
mas, por ser de amor el lance,
di un ciego y oscuro salto,
y fui tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

En naarmate ik hoger opsteeg,
werd het voor mijn oog verblindend;
en het allerhoogst-bereikte
maakte ik buit in ’t diepste duister;
maar daar liefde het waagstuk opriep,
nam ik blind een sprong in ’t duister
en kwam uit zo hoog, zo hoog,
dat ik haalde wat ik najoeg.

Cuanto más alto llegaba
de este lance tan subido,
tanto mas bajo y rendido
y abatido me hallaba;
dije: No habni quien alcance;
y abatime tanto, tanto,
que fui tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

Even hoog als dit verheven
avontuur mij opgevoerd had,
even laag en diep verslagen
en ontdaan liet her mij achter;
ik zei: Niemand kan dat halen;
en ik dook zo diep de diepte in,
dat ik hoog de hoogte inging,
en ik haalde wat ik najoeg.

Por una extraiia manera
mil vuelos pase de un vuelo,
porque esperanza de cielo
tanto alcanza cuanto espera;
espere sólo este lance,
y en esperar no fui falto,
pues fui tan alto, tan alto,
que le di a la caza alcance.

Op een wonderlijke wijze
won ’t een vlucht van duizend vluchten:
daar de hoop op hemels leven
zoveel als zij hoopt, bemachtigt;
deze kans alleen verhoopte ik
en mijn hoop werd niet bedrogen,
want ik kwam zo hoog, zo hoog,
dat ik haalde wat ik najoeg.

(212-214)


Al is zij nachtelijk

Que bien se yo la fonte que mana y corre,
aunque es de noche.

Of ik de Bron ook ken! haar wellen en haar stromen,

al is Zij nachtlijk!

Aquella etema fante está escondida,
que bien sé yo dó tiene su manida,
aunque es de noche.

Die eeuwig-zijnde Bronaar stroomt verholen,
toch weet ik waar haar stroombed ligt verscholen,
al is Zij nachtlijk.

Su origen no lo sé, pues no le tiene,
mas se que todo origen de ella viene,
aunque es de noche.

‘k Weet haar begin niet, daar Zij niet ontstaan is,
wel, dat van Haar, wat aanvangt, uitgegaan is,
al is Zij nachtlijk.

Sé que no puede ser cosa tan bella,
y que cielos y tierra beben de ella,
aunque es de noche.

‘k Weet dat, waar er geen ding zo schoon en klaar is,
voor aarde en hemel lafenis in Haar is,
al is Zij nachtlijk.

Bien se que suelo en ella no se halla,
y que ninguno puede vadealla,
aunque es de noche.

Ik weet dat er geen grond in is te ontdekken,
en dat geen mens haar waat’ren door kan trekken,
al is Zij nachtlijk.

Su claridad nunca es oscurecida,
y sé que toda luz de ella es venida,
aunque es de noche.

Nooit wordt haar klaarheid mat van enig duister;
van Haar krijgt – weet ik – alle licht zijn luister,
al is Zij nachtlijk.

Sé ser tan caudalosos sus corrientes,
que infiemos, cielos riegan y las gentes,
aunque es de noche.

‘k Weet dat baar stromen zoveel water schenken,
dat zij de hemel, hel en mensen drenken,
al is Zij nachtlijk.

El corriente que nace de esta fuente
bien se que es tan capaz y omnipotente,
aunque es de noche.

En van de stroom, aan deze Bron onttogen,
ken ik de almacht en het groot vermogen,
al is Zij nachtlijk.

El corriente que de estas dos procede
se que ninguna de ellas le precede,
aunque es de noche.

‘k Weet dat de stroom die uit die beide ontstaan is,
door geen van beide toch voorafgegaan is,
al is Zij nachtlijk.

Aquesta etema fante esta escondida
en este vivo pan por damos vida,
aunque es de noche.

Verborgen stroomt die Bron van eeuwig leven
in ’t levend brood om leve’ aan ons te geven,
al is Zij nachtlijk.

Aquí se está, llarnando a las criaturas,
y de esta agua se hartan, aunque a oscuras,
porque es de noche.

Hierheen roept het de schepselen en zij vinden
er water voor hun dorst, zij ’t in den blinde,
want Zij is nachtlijk.

Aquesta viva fuente que deseo,
en este pan de vida yo la veo,
aunque es de noche.

Die Bron van leven, waarheen al mijn streven
zich richt, aanschouw ik in dit brood van leven,
al is Zij nachtlijk.
(216-219)


Romance XI op de Drieëenheid en op Christus

Zonder steun en toch gedragen
Sin arrimo y con arrimo
sin luz y a oscuras viviendo
todo me voy consumiendo

Zonder steun en toch gedragen,
zonder licht en in het donker,
raak ik restloos opgeteerd.

Mi alma está desasida
de toda cosa criada,
y sobre sí levantada,
y en una sabrosa vida,
sólo en su Dios arrimada.
Por eso ya se dirá
la cosa que más estimo,
que mi alma se ve ya
sin arrimo y con arrimo.

Losgekomen is mijn ziel van
alles wat geschapen is en
uit zichzelf omhooggeheven
en in een voortreflijk leven,
door haar God alleen gedragen.
Nu dan kan zij eind’lijk zeggen:
Wat ik ’t meest van al op prijs stel,
is wat nu mijn ziel gewaar wordt:
zonder steun en toch gedragen.

Y, aunque tinieblas padezco
en esta vida mortal,
no es tan crecido mi mal,
porque, si de luz carezco,
tengo vida celestial;
porque el amor de tal vida,
cuando más ciego va siendo,
que tiene al alma rendida,
sin luz y a oscuras viviendo.

En al doet mij ’t duister lijden
in dit sterfelijke leven,
toch lijd ik niet uitermate:
want al moet ik ’t licht ook derven,
toch leid ik een hemels leven;
want de liefde maakt het leven
zo, dat als het duister toeneemt,
des te meer de ziel zich prijsgeeft,
levend zonder licht in ’t donker.

Hace tal obra el amor
después que le conocí,
que, si hay bien o mal en mí,
todo lo hace de un sabor,
y al alma transforma en sí;
y así, en su llama sabrosa,
la cual en mí estoy sintiendo,
apriesa, sin quedar cosa,
todo me voy consumiendo.

Dit nu is het werk der liefde,
nu ik haar heb leren kennen:
of er goed of kwaad is in mij,
zij geeft alles iets voortreflijks,
en de ziel vormt zij in zich om;
en zo in die kostelijke
vlam die ik in mij gewaar word,
zonder enige spoor te laten,
raak ik restloos opgeteerd.
(242-244)


Romance XII op de Drieëenheid en op Christus

Nooit, om alle schoons tezamen
Por toda la hermosura
nunca yo me perderé,
sino por un no sé qué
que se alcanza por ventura.

Nooit om alle schoons tezamen
geef ik ooit mijzelven prijs;
wél aan een ik weet niet wat,
waar men per geluk slechts aankomt.

Sabor de bien que es finito,
lo más que puede llegar
es cansar el apetito
y estragar el paladar;
y así, por toda dulzura
nunca yo me perderé,
sino por un nos sé qué
que se halla por ventura.

Smaak in dingen die voorbijgaan
komt ten hoogste hierop neer,
dat het de begeerte afmat
en de goede smaak bederft.
Daarom: niet aan al wat zoet is
geef ik ooit mijzelven prijs;
wél aan een ik weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.

El corazón generoso
nunca cura de parar
donde se puede pasar,
sino en más dificultoso;
nada le causa hartura,
y sube tanto su fe,
que gusta de un no sé qué
que se halla por ventura.

Een groot moedig hart bekommert
zich niet of er grenzen zijn,
als het verder kán geraken,
of het moet té moeilijk zijn;
niets kan het tevreden stellen:
zijn geloof toch stijgt zo hoog,
dat het smaakt een ‘k weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.

El que de amor adolece,
del divino ser tocado,
tiene el gusto tan trocado
que al los gustos desfallece;
como el que con calentura
fastidia el manjar que ve,
y apetece un no sé qué
que se halla por ventura.

Hij die pijn lijdt door de liefde,
een door ’t goddelijk geraakte,
is zo anders in zijn zinnen,
dat zijn zinnen hem begeven;
als een koortsig mens die walg heeft
van de spijzen die hij ziet
en verlangt een ‘k weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.

No os maravilléis de aquesto,
que el gusto se quede tal,
porque es la causa del mal
ajena de todo el resto;
y así, toda criatura
enajenada se ve,
y gusta de un no sé qué
que se halla por ventura.

Wees daarover niet verwonderd,
dat de smaak zo anders wordt;
want de oorzaak van de kwaal
is ook anders dan al ’t and’re;
zo raakt al wat is geschapen
vreemd aan deze nieuwe smaak,
die ervaart een ‘k weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.

Que, estando la voluntad
de Divinidad tocada,
no puede quedar pagada
sino con Divinidad;
mas, por ser tal su hermosura
que sólo se ve por fe,
gústala en un no sé qué
que se halla por ventura.

Nu de wil geraakt is en
door de Godheid aangegrepen,
kan hij geen bevrediging
vinden dan in God alleen;
maar omdat Gods schoonheid enkel
zichtbaar is voor het geloof,
smaakt hij z’ in een ‘k weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.

Pues, de tal enamorado,
decidme si habréis dolor,
pues que no tiene sabor
entre todo lo criado;
solo, sin forma y figura,
sin hallar arrimo y pie,
gustando allá un no sé qué
que se halla por ventura.

Als u op dit ‘wat’ verliefd is,
doet het dan nog, dunkt u, pijn,
dat u geen genot meer vindt
in de schepsels en alleen
zonder vormen, zonder beelden,
zonder steun of vaste voet,
smaakt ver weg een ‘k weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden?

No penséis que el interior,
que es de mucha más valía
halla gozo y alegría
en lo que acá da sabor;
mas sobre toda hermosura,
y lo que es y será y fué,
gusta de allá un no sé qué
que se halla por ventura.

Meen niet dat uw wezenskern,
die van zoveel hoger waard’ is,
zijn genoegen vindt en blijdschap
in genot van deze aarde;
maar ver boven al die schoonheid
en wat is, zal zijn of was,
smaakt die een ‘k weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.

Más emplea su cuidado,
quien se quiere aventajar,
en lo que está por ganar
que en lo que tiene ganado;
y así, para más altura,
yo siempre me inclinaré
sobre todo a un no sé qué
que se halla por ventura.

Wie zichzelf wil overtreffen,
richte méér zijn zorg op wat
hij voor zich te winnen wenst
dan op wat hij heeft gewonnen;
zo zal ik ál hoger strevend,
mij steeds dieper nijgen langs
alles heen naar ‘k weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.

Por lo que por el sentido
puede acá comprehenderse,
y todo lo que entenderse,
aungue sea muy subido,
ni por gracia y hermosura
yo nunca me perderé,
sino por un no sé qué
que se halla por ventura.

Niet voor wat de geestvermogens
hier op aarde machtig worden
en voor al wat zij begrijpen,
ook al is het hoogverheven,
voor bevalligheid noch schoonheid
geef ik ooit mijzelven prijs;
wél: voor een ik weet niet wat,
dat slechts goed geluk doet vinden.
(245-249)


uit Johannes’ commentaar bij de strofen van zijn Geestelijk Hooglied:


Onbereikbaar

Want naar het woord van Sint-Jan (1:18) is de plaats waar de Zoon van God verborgen is, de schoot van de Vader, met andere woorden Gods Wezenheid. Deze is onbereikbaar voor de ogen van al het sterfelijke en verborgen voor het menselijk begrijpen. Daarom zei Isaïas (45:15) toen hij met God sprak: Gij zijt waarlijk een verborgen God. (278)


Verborgen

In dit leven kan de ziel deelachtig worden aan grootse mededelingen van God en aan zijn verheven tegenwoordigheid; zij kan een diepe en voortreffelijke kennis van Hem verwerven, maar toch is dit niet wezenlijk God. Het kan zelfs niet met Hem vergeleken worden. Hij blijft in waarheid voor de ziel nog steeds verborgen. Ondanks als dat verhevene behoort de ziel Hem daarom altijd te beschouwen als iemand die verborgen is en Hem te zoeken als iemand die verborgen is, terwijl zij zegt: ‘Waar houdt Gij u verborgen’?. (278)


Geen zeker bewijs

Want ook al ontvangt men verheven mededelingen en al heeft men het gevoel dat Hij aanwezig is, toch vormt dit geen zeker bewijs voor zijn genadenrijke tegenwoordigheid. Evenmin is dorheid en afwezigheid van dit alles een zeker teken dat Hij niet in de ziel aanwezig is. De profeet Job zegt dan ook (9:11): Als Hij tot mij komt, zie ik Hem niet, en als Hij heengaat, bemerk ik Hem niet. (278)


Geen mens weet

Als de ziel een verheven mededeling of een geestelijke gewaarwording of geestelijke kennis bespeurt, dan moet zij, hoe intens die ervaring ook mag zijn, zichzelf niet aanpraten dat hetgeen zij bespeurt een bezitten van God of een klaar schouwen van Gods Wezen is; of dat dit betekent dat zij nu God méér in bezit heeft of zich meer in God bevindt. En als al die tastbare en geestelijke mededelingen ontbreken en de ziel dus in dorheid en duisternis verkeert en zich verlaten voelt, dan moet zij daarom niet denken dat God in de ene toestand meer afwezig is dan in de andere. In werkelijkheid immers kan zij door het een niet met zekerheid weten dat zij in genade, en evenmin door het andere dat zij buiten de genade leeft. Of zoals de Wijze Man zegt (Pred. 9:1): Geen mens weet of hij in het oog van God liefde verdient of haat. (279)


Verborgen in het verborgene

Ik bedoel hiermee dat gij nooit uw voldoening moet willen zoeken in wat gij van God kunt begrijpen of gewaarworden. Richt uw liefde en genieting op wat gij van Hem niet kunt begrijpen en gewaarworden. Dat is – wij zeiden het reeks – Hem zoeken in geloof. God is immers ontoegankelijk en verborgen, zoals wij eveneens al gezegd hebben. Al hebt gij nog zozeer de indruk Hem te vinden, Hem te voelen of Hem te begrijpen, toch moet gij Hem steeds blijven beschouwen als verborgen. Gij moet Hem dienen als verborgen in het verborgene.


Hoe minder men van Hem begrijpt

Wees niet gelijk die talrijke onverstandige mensen, die een geringe dunk van God hebben, die menen dat God verder weg is of meer verborgen als zij Hem niet begrijpen, proeven of gewaarworden. Eerder is het tegendeel waar. Hoe minder men van Hem begrijpt in onderscheiden begrippen, des te dichter komt men bij Hem. De profeet David zegt immers: Hij sloeg de duisternis als een dek om Zich heen (Ps. 17:22) Als gij dus dicht bij Hem komt, moet de zwakheid van uw oog wel duisternis bespeuren. (283)


Zijn onbegrijpelijkheid begrijpen

Zo is een van de grote gunsten die God in dit leven terloops aan een ziel bewijst, dat Hij haar op duidelijke wijze zo’n verheven inzicht en gevoel van God geeft, dat zij duidelijk begrijpt Hem eigenlijk helemaal niet te kunnen begrijpen of voelen. Dit immers is een begrijpen en gevoelen dat overeenkomst vertoont met de wijze waarop zij die in de hemel zijn Hem zien. Degenen die Hem daar het best kennen, zien ook het helderst in hoe oneindig veel nog te begrijpen overblijft. Degenen die Hem daar minder duidelijk zien, hebben minder dan zij die Hem duidelijker zien de indruk dat hun nog veel te zien overblijft. (311)


Ik weet niet wat

Wie dit niet heeft gevoeld zal het mijns inziens niet ten volle begrijpen. Maar de ziel die het ervaart noemt het een ‘ik weet niet wat’, daar zij ziet dat haar nog te begrijpen overblijft datgene waarvan zij een verheven gevoel heeft. Omdat zij het immers niet begrijpt, kan zij het ook niet zeggen, hoewel zij het – zoals ik heb gezegd – kan gevoelen. Daarom zegt zij dat de schepselen haar maar iets blijven toestamelen, omdat zij haar geen volledig inzicht verschaffen. Dit wordt aangeduid met ‘stamelen’. Stamelen is het praten van kinderen en betekent dat men er niet in slaagt te zeggen en duidelijk te maken wat gezegd moet worden. (311)


Louter onwetendheid

Die drank van Gods zeer verheven wijsheid, die zij daar dronk, doet haar alles op deze wereld vergeten. Het komt de ziel voor, dat wat zij vroeger wist en zelfs wat heel de wereld weet louter onwetendheid is in vergelijking met dat weten. (418)


Een niet-weten

De meest eigen oorzaak waarom de ziel niets meer weet van deze wereld als zij in deze toestand gebracht is, bestaat in het feit dat zij geïnformeerd is door een bovennatuurlijk weten. In vergelijking daarmee is alle natuurlijk en scherpgeslepen weten van deze wereld eerder een niet-weten dan een wèl-weten. Wanneer de ziel dus eenmaal in dit zeer verheven weten geplaatst is, beseft zij van daaruit dat al dat andere weten dat geen weet heeft van dit weten eigenlijk geen weten is, maar niet-weten. Daarin valt dus niets te weten. Dit verklaart ook de waarheid, die in het volgende gezegde van de Apostel gelegen is, namelijk dat wat de grootste wijsheid is voor de mensen, dwaasheid is voor God (1 Kor. 1:25). Daarom zegt de ziel dat zij ‘van alles niets meer wist’ nadat zij gedronken had van die goddelijke wijsheid. (418)


De domste

Hoe waar het is dat de wijsheid van de mensen en van de hele wereld louter onwetendheid is, kan men niet begrijpen, en evenmin dat dit alles niet wetenswaardig is. Men kan het alleen begrijpen door deze gunst, dat God in de ziel verblijft en haar zijn wijsheid meedeelt en haar door deze dronk van liefde sterk maakt, zodat zij die waarheid helder gaat inzien. Dat geeft Salomon te kennen als hij zegt (Spr. 30:1-2): Dit is het visioen dat de man schouwde en uitsprak met wie God verkeerde; versterkt door het verblijf van God in hem zei hij: Ik ben de domste van alle mensen en ik bezit geen mensenwijsheid. (419)


Voor elkaar onwijs

Omdat hij zich in die overmaat van Gods verheven wijsheid bevindt, komt hem de profane wijsheid van de mensen als onwetendheid voor. Want het natuurlijke weten zelf en zelfs de werken die God verricht staan gelijk met niet-weten als we ze vergelijken met een kennen van God Zelf. Waar men immers geen weten heeft van God, weet men helemaal niets. Vandaar is het verhevene van God onwijs en zelfs dwaasheid voor de mensen, zoals ook Sint-Paulus zegt (1 Kor. 2:14). De wijzen van God en de wijzen van deze wereld zijn daarom voor elkaar onwijs. De ene groep kan immers de wijsheid van God en zijn wetenschap niet vatten, de andere die van de wereld niet. Daarom is de wijsheid van de wereld, zoals wij gezegd hebben, een niet-weten in vergelijking met de wijsheid van God. Hetzelfde geldt van Gods wijsheid vergelijken bij die van de wereld. (419)


Als Adam

Als de bruid van het Hooglied (6:11) gesproken heeft over haar omvorming door liefde in de Beminde, duidt zij dit niet-weten dat bij haar achterbleef aan met het woord Nescivi, dat is, Ik wist niet. In deze toestand is de ziel in zekere zin als Adam in zijn toestand van onschuld, die niet wist wat het kwaad was. Want zij is dan zo onschuldig dat zij het kwaad niet begrijpt en ook niets als kwaad beschouwt. Zij zal heel slechte dingen horen en ze zien met haar ogen, en zij zal niet kunnen begrijpen dat ze kwaad zijn; want in zichzelf bezit zij niet die ontvankelijkheid van waaruit men iets als kwaad kan beoordelen. God immers heeft bij haar de onvolmaakte gesteltenissen en de onwetendheid, waaronder ook het kwaad valt dat zonde is, weggenomen door de volmaakte gesteltenis van de werkelijke wijsheid. Dus ook wat dit betreft ‘wist ik van alles niets meer’. (419,420)


Andermans zaken

Een ziel als deze zal zich maar zelden mengen in andermans zaken, want zij weet zelfs niets van haar eigen aangelegenheden. Want door deze eigenschap wordt Gods geest gekenmerkt in de ziel waarin Hij verblijft. Hij doet haar terstond neigen naar niet-weten en zelfs naar een niet-willen-weten van andermans zaken. (420)


Bedrevenheid

Zo blijft de ziel in zo’n toestand dat zij op de wijze van vroeger niets meer weet. Hoewel de ziel in deze toestand van niet-weten blijft, moet men dit toch niet zo verstaan dat daarin de verworven bedrevenheid in de wetenschap die zij reeds bezat verloren gaat. Die bedrevenheid wordt bij haar eerder vervolmaakt door de meest volmaakte bedrevenheid: De bovennatuurlijke wetenschap die haar werd ingestort. Toch staat die bedrevenheid in de ziel niet meer zó op de voorgrond, dat het kennen noodzakelijk via die bedrevenheid verloopt, al verhindert dit niet dat het soms zo is. Want bij deze vereniging met de goddelijke wijsheid gaat die bedrevenheid samen met de hogere wijsheid van de andere wetenschappen, zoals een klein licht zich met een ander, een groot licht verenigt. (420)


Kreupelhout

Laat ons binnendringen in het kreupelhout van uw wonderbare werken en diepzinnige oordelen. Zij zijn zo talrijk en onderling zo verschillend, dat men kan spreken van kreupelhout. In dit oordelen en werken is de wijsheid overvloedig aanwezig. Die wijsheid is vol mysteries, zodat wij niet alleen kunnen spreken van kreupelhout, maar ook kunnen zeggen dat het dicht is. Dit komt overeen met wat David zegt (Ps. 67:16): Mons Dei, mons pinguis, mons coagulatus; dit betekent: De berg van God is een massale berg, dichtbegroeid. (468)


Ondoorgrondelijk

Dit dichte kreupelhout van Gods wijsheid en wetenschap is zo diep en onafzienbaar, dat de ziel er altijd dieper in kan doordringen, al weet zij nog zo veel van Gods wijsheid. Deze is immers onafzienbaar en haar rijkdommen zijn onbegrijpelijk. Dit doet Sint-Paulus dan ook uitroepen: O onpeilbare rijkdom van de wijsheid en wetenschap Gods! Hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beslissingen, hoe onnaspeurlijk zijn wegen! (Rom. 11:33) (468)


Zonder gedruis

[Mystieke theologie] betekent mysterieuze en verborgen wijsheid omtrent God, zonder gedruis van woorden en zonder enige medewerking van de lichamelijke of geestelijke zintuiglijkheid. In rust en stilte, verborgen voor al het zintuiglijke en natuurlijke van de ziel, onderricht God haar op een zeer verborgen en mysterievolle wijze, zonder dat de ziel weet hoe. (485)


Lijdelijk verstand

Sommige geestelijke schrijvers noemen dit een ‘begrijpen terwijl men niet begrijpt’. Dit begrijpen heeft immers niet plaats in wat filosofen ‘actief verstand’ noemen. Het actieve verstand werkt immers volgens uitdrukkingswijzen, voorstellingen en kenbeelden, geput uit de lichamelijke vermogens. Dit begrijpen echter heeft plaats in wat ‘vernemend of lijdelijk verstand’ heet. Dit verstand ontvangt op louter passieve wijze zonder dergelijke uitdrukkingswijzen enzovoort substantieel inzicht, vrij van ieder beeld. (486)


uit De Bestijging van de Berg Karmel:


Schets van de Bestijging van de Berg Karmel

 

Schets van de bestijging van de berg Karmel


de Berg der Volmaaktheid

(p1084-1085)

[Nota bene: de Berg der Volmaaktheid is dezelfde als de Berg Karmel. Onderstaande tekst bevat Johannes’ uitleg bij bovenstaande schets.]

[Onderaan de schets:]

Om te geraken tot het smaken van ALLES – heb smaak in NIETS.
Om te geraken tot het weten van ALLES – wil NIETS weten.
Om te geraken tot het bezit van ALLES – wil NIETS bezitten.
Om te geraken tot ALLES zijn – wees NIETS.

Om te geraken tot wat ge nog niet smaakt – moet ge gaan langs de weg van het niet-smaken.
Om te geraken tot wat ge nog niet weet – moet ge gaan langs de weg van het niet-weten.
Om te geraken tot het bezit van wat ge nog niet hebt – moet ge gaan langs de weg van het niet-bezitten.
Om te geraken tot wat ge nog niet zijt – moet ge gaan langs de weg van het niet-zijn.

Als ge bij iets blijft stilstaan – werpt ge u niet met hart en ziel op het Al. Om heel en al tot het Al te komen – moet ge u van alles ontdoen omwille van het Al.
Als ge eenmaal helemaal tot het bezit komt van het Al – moet ge het vasthouden zonder iets anders te willen.

In deze ontbloting vindt de geest rust. Omdat hij immers niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg naar omhoog en drukt hem niets bergafwaarts, want hij staat in het evenwicht van zijn nederigheid.


[De drie paden van de Berg, van links naar rechts:]

Weg van de geest der onvolmaaktheid: Naar de hemel – dat niet; eer – dat niet; vreugde – dat niet; weten – dat niet; troost – dat niet; rust – dat niet – Hoe meer ik dit wilde hebben, des te minder hield ik in de hand.

Pad naar de berg Karmel – Geest van volmaaktheid: niets, niets, niets, niets, niets, niets en ook boven op de berg niets.

Weg van de geest der onvolmaaktheid: Naar deze aarde – ook dat niet; bezitten – ook dat niet; vreugde – ook dat niet; weten – ook dat niet; troost – ook dat niet; rust – ook dat niet – Hoe meer ik dit wilde zoeken, des te minder hield ik in de hand.


[Top van de Berg, van links naar rechts, bijschriften bij de verschillende niveaus:]

Sinds ik dit niet meer wilde hebben, heb ik dit alles zonder het te willen.
Sinds ik het minder wilde, heb ik dat alles zonder het te willen. Vrede – Vreugde – Blijdschap – Genot – Wijsheid – Gerechtigheid – Sterkte – Liefde – Godsvrucht.
Om eer geef ik niet – Om pijn geef ik niet.

Hier is geen weg meer, want voor de gerechte bestaat er geen wet; hij is zichzelf tot wet.

Introduxi vos in terram Carmeli ut comederetis fructum ejus et bona illius – Ik heb u binnengeleid in het land van de Karmel, opdat ge van zijn vruchten en nog wel van zijn beste zoudt eten (Jer. 2:7).

Boven op deze berg woont alleen de eer en glorie van God.


Drie nachten

Wij mogen zeggen, dat de overgang die de ziel doorloopt op weg naar de vereniging met God, om drie redenen ‘nacht’ genoemd kan worden.
Ten eerste vanwege het punt vanwaar de ziel uitgaat. Zij moet immers gaan, terwijl haar streefvermogen afstand doet van alle dingen van de wereld die zij bezat en die zij zich nu moet ontzeggen. Dit ontzeggen en afstand-doen is als een nacht voor de mens in heel zijn zintuiglijkheid.
Ten tweede vanwege het middel of de weg, waarlangs de ziel naar deze vereniging moet gaan. Deze weg is het geloof, dat voor het verstand ook duister is als een nacht.
Ten derde vanwege het eindpunt waar zij heengaat. Dat is God. In dit leven is Hij evenzeer een donkere nacht voor de ziel.
Deze drie nachten moeten door de ziel gaan of, beter gezegd, de ziel moet door deze nachten gaan om tot de goddelijke vereniging met God te komen. (515)


Dwaasheid voor God

Vergeleken met de oneindige wijsheid van God is alle wereldse wijsheid en menselijke behendigheid niets anders dan het hoogste onverstand, zoals Sint-Palus aan de Korinthiërs schrijft, waar hij zeg: Sapientia hujus mundi stultitia est apud Deum. De wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God (1 Kor. 3:19) Iedere ziel dus die een beroep doet op al haar kennis en behendigheid om daardoor tot vereniging met de wijsheid van God te geraken, is in Gods ogen hoogst onverstandig en zal ver verwijderd blijven van Gods wijsheid. Want onverstand weet niet wat wijsheid is, volgens het woord van Sint-Paulus, dat deze wereldse wijsheid dwaasheid is in het oog van God. (522)


Onwetend als een kind

Zij toch die menen heel wat te weten, zijn voor God zeer onwetend. Van hen immers zegt de Apostel als hij aan de Romeinen (1:22) schrijft: Dicentes enim se esse sapientes, stulti facti sunt. Dit betekent: Zij beweerden wijzen te zijn, maar werden dwazen. Alleen wie als een onwetend kind zich van zijn kennis ontdoet en liefdevol wandelt in zijn dienst, zal Gods wijsheid bezitten.


De weg van het niet-weten

Dit soort wijsheid leerde Sint-Paulus ook aan de Korinthiërs (1 Kor. 3:18-19): Si quis videtur inter vos sapiens esse in hoc saeculo, stultus fiat ut sit sapiens. Sapientia enim hujus mundi stultitia est apud Deum. Dit betekent: Als iemand onder u wijs meent te zijn, dan moet hij dwaas worden om wijs te zijn. Immers de wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God. Om dus te komen tot vereniging met de wijsheid van God, moet de ziel eerder de weg van het niet-weten bewandelen dan die van het weten. (522)


Van binnen hol

God beval daarom (Ex. 27:8) dat het altaar, waarop de Ark van het Verbond moest rusten, van binnen hol moest zijn. Hij deed dit om de ziel te doen begrijpen hoe ontledigd van alle dingen God haar wil hebben om een waardig altaar te zijn voor het verblijf van Zijne Majesteit. (528)


Van de volgende vier teksten (pp 556-557) zijn de titels origineel. De teksten komen grotendeels overeen met die op de schets van de bestijging van de berg Karmel:


Weg om in het bezit te komen van het Al

Om te geraken tot het smaken van alles, heb smaak in niets.
Om te geraken tot het bezit van alles, wil niets bezitten.
Om te geraken tot alles zijn, wees niets.
Om te geraken tot het weten van alles, wil niets weten.


Weg om te geraken tot het Al

Om te geraken tot wat ge nog niet smaakt, moet ge gaan langs de weg van het niet-smaken.
Om te geraken tot wat ge nog niet weet, moet ge gaan langs de weg van het niet-weten.
Om te geraken tot het bezit van wat ge nog niet hebt, moet ge gaan langs de weg van het niet-bezitten.
Om te geraken tot wat ge nog niet zijt, moet ge gaan langs de weg van het niet-zijn.


Weg om geen beletsel te stellen aan het Al

Als ge bij iets blijft stilstaan, werpt ge u niet met hart en ziel op het Al.
Om volledig tot het Al te komen, moet ge u volledig van alles ontdoen.
Als ge eenmaal volledig tot het bezit komt van het Al, moet ge het vasthouden zonder iets anders te willen.
Als ge immers in het Al nog iets aparts wil bezitten, houdt ge God niet voor uw zuivere schat.


Aanwijzing dat men in het bezit is van het Al

In deze ontbloting vindt de geest zijn rust en ontspanning.
Omdat hij immers niets najaagt, vermoeit hem niets op de weg naar omhoog
en drukt hem niets neer op de weg naar beneden;
want hij staat in het evenwichtspunt van zijn nederigheid.
Verlangt hij immers iets, dan geraakt hij juist daardoor vermoeid.


Geen oog en geen oor

Wie ertoe wil komen zich met God in vereniging te verbinden, mag niet gaan langs de weg van het begrijpen en moet ook geen steun zoeken bij de smaak, het gevoel of de verbeelding; hij moet daarentegen gaan geloven in zijn wezen, dat niet valt binnen het bereik van zijn verstand, verlangen, verbeelding of enige andere gewaarwording. Dat wezen kan in dit leven ook niet begrepen worden. Het hoogste dat in dit leven van God kan worden ervaren en gesmaakt, staat nog oneindig ver van God en van het zuiver bezitten van Hem af. Isaïas (64:4) en Sint-Paulus (1 Kor. 2:9) zeggen: Nec oculus vidit, nec auris audivit, neque in cor hominis ascendit, quae praeparavit deus iis gui diligunt illum. Dit betekent: wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben, heeft geen oog gezien, geen oor gehoord, en noch in het hart noch in de gedachte van een mens is het opgekomen. (567)


Aan alles voorbijgaan

Het is dus duidelijk dat de ziel, wil zij daarmee in dit leven tot volmaakte vereniging komen door genade en liefde, in duisternis moet verkeren met betrekking tot alles wat kan binnenkomen door het oog, wat kan opgenomen worden door het oor, wat men zich kan voorstellen door de verbeelding en wat omvat kan worden met het hart, waarmee hier de ziel wordt aangeduid. Zo bereidt een ziel zich grote moeilijkheden op haar weg naar deze hoge staat van vereniging met God, als zij zich hecht aan enig begrijpen, ervaren, verbeelden, menen, aan eigen wil of eigen werkwijze, aan welke andere inspanning ook of aan iets van zichzelf, als zij zich niet van dat alles kan losrukken of ontdoen. Want zoals wij zeiden is dat waarheen zij onderweg is verheven boven dat alles, ook al is dit het hoogste wat men weten of smaken kan. Zo moet zij dus aan alles voorbijgaan tot aan het niet-weten. (568)


Wat geen wijze heeft

Daarom staat op deze weg het op-weg-gaan gelijk met het verlaten van de eigen weg. Of beter gezegd: het is een voortgaan naar het einddoel. Het opgeven van de eigen handelwijze staat gelijk met het binnentreden van wat geen wijze heeft, namelijk God. Omdat de ziel die tot deze toestand komt reeds geen methodes of eigen handelwijze meer kent, hecht zij er zich ook nog minder aan en kan zij er zich ook niet aan hechten. Ik bedoel hier wijzen van begrijpen, smaken, gevoelen. Zij bevat weliswaar al deze wijzen in zich, maar zoals iemand die niets heeft en alles bezit. Als zij immers de moed kan opbrengen innerlijk en uiterlijk uit haar natuurlijke beperking te treden, treedt zij in het bovennatuurlijke dat geen wijze meer kent en in de kern alle wijzen bevat. Daarom staat het aankomen hier gelijk met het weggaan ginds. Of zij van hier of van ginds weggaat, zij moet in ieder geval ver van zichzelf weggaan, vanuit deze nederige toestand naar de toestand die boven alles verheven is. (568)


Opdat de niet-zienden zien

Wanneer men dus op deze weg zijn vermogens blind maakt, moet men licht zien. Dit zegt de Zaligmaker in het Evangelie (Jo. 9:39) als volgt: In judicium veni in hunc mundum: ut qui non vident, videant, et qui vident, caeci fiant. Dit betekent: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat de niet-zienden zouden zien en de zienden blind worden. (569)


Een toestand van blindheid

Om tot God te komen moet het [verstand] eerder langs de weg van het niet-begrijpen gaan dan langs de weg van het willen-begrijpen. Het moet zich eerder in een toestand van blindheid en duisternis brengen om de goddelijke straal te naderen dan zijn ogen open doen. (587)


Niemand kent de weg

Vandaar noemt men de contemplatie, waardoor het verstand meer verheven kennis van God krijgt, mystieke theologie, dit wil zeggen geheime wijsheid over God. Want voor het verstand zelf, dat ze ontvangt, is zij geheim. Daarom noemt Sint-Dionysius ze ook straal van duisternis. De profeet Baruch zegt hierover (3:23): Niemand kent de weg naar de wijsheid, niemand is vertrouwd met haar paden. (588)


In een wolk

Toen Salomon de bouw van de tempel voltooid had, daalde God in duisternis neer en vervulde de tempel zo dat de kinderen van Israël niet konden zien. Toen sprak Salomon en zeide: De Heer heeft beloofd in duisternis te zullen wonen. Ook aan Mozes vertoonde God Zich op de berg in een wolk (vgl. Ex. 24:15-18) waarin Hij verborgen was. Telkens als God Zich intens meedeelde, verscheen Hij in duisternis. Dit is bijvoorbeeld te zien bij Job (38:1, 40:1) van wie de Heilige Schrift verhaalt dat God tot hem sprak vanuit duistere luchten. (590)


Eén met duistere luchten

Om in dit leven tot de vereniging en onmiddellijke omgang met God te komen, moet de ziel noodzakelijk één worden met de ‘duisternis’, waarvan Salomon zei (1 Kon. 8:12) dat God beloofde er in te wonen. Dit is dus duidelijk. De ziel moet één worden met de ‘duistere luchten’, waarin God Zich verwaardigde zijn geheimen aan Job te openbaren. Zij moet in de duisternis de kruiken van Gedeon in de hand nemen om in haar handen te hebben (dit wil zeggen in de activiteit van de wil) het licht dat de liefdesvereniging is, ofschoon in de duisternis van het geloof. (590)


Genot der zinnen

Wat immers hun gezichtsvermogen nemen [geestelijk levende mensen] gewoonlijk verschijningsvormen waar en personen uit het andere leven, zoals bepaalde heiligen en gestalten van engelen, zowel goede als slechte, lichtglanzen en ongewone schitteringen.
Met de oren vernemen zij soms ongewone woorden, die nu eens gezegd worden door gestalten die zij zien, dan weer gezegd worden door gestalten die zij zien, dan weer worden gesproken zonder dat zij zien wie ze zegt.
Met de reuk nemen zij soms zeer zoete geuren waar zonder dat zij weten waar deze vandaan komen.
Ook kan men met de smaak soms zeer zoete smaak proeven en in de tastzin kan men een groot genot gewaarworden. Soms is dit zo groot dat het door merg en been schijnt te gaan, zodat men ervan geniet, erdoor opbloeit en in genot baadt. Dit is gewoonlijk het geval bij wat men zalving van de geest noemt. Bij zuivere zielen verspreidt dit zich vanuit de geest over de ledematen. Dit genot der zinnen is heel gewoon bij geestelijk levende mensen. (592)


Geheel en al ontvluchten

Al deze dingen kunnen de lichamelijke zintuigen bereiken op de weg van God. Toch dient men te weten dat men nooit daarop zijn zekerheid moet bouwen en ze ook niet mag toelaten. Eerder moet men ze geheel en al ontvluchten zonder te willen onderzoeken of ze goed of slecht zijn. … Wie zulke dingen op prijs stelt, vergist zich dus schromelijk. Hij stelt zich ernstig aan het gevaar bloot misleid te worden. Minstens stelt hij in zichzelf over de gehele lijn een belemmering voor zijn gang naar het geestelijke. Al die lichamelijke dingen staan immers, zoals wij zeiden, in geen enkele verhouding tot het geestelijke. Daarom moet men deze dingen steeds beschouwen als met meer zekerheid afkomstig van de duivel dan van God. (593)


Meditatie

[Meditatie] is een redenerende act door middel van beelden, gestalten en voorstellingen. Die worden gemaakt en verbeeld door de genoemde zintuigen: bijvoorbeeld men stelt zich Christus voor aan het kruis of aan de geselkolom of in een andere episode uit zijn lijden; of men stelt zich God voor in grote majesteit op zijn troon of men beschouwt en verbeeldt zich de heerlijkheid als een zeer schoon licht enzovoort; en op dezelfde manier alle andere hetzij goddelijke hetzij menselijke dingen die binnen het bereik van de verbeeldingskracht liggen.
Al deze verbeeldingen moet uit de ziel verwijderd worden. Dit moet gebeuren doordat men haar met betrekking tot dit zintuig in het duister laat, zodat zij tot de vereniging met God kan komen. Die verbeeldingen kunnen immers in geen enkele verhouding als naaste middel tot God staan. Zij kunnen dit net zo min als de lichamelijke waarnemingen, die het voorwerp uitmaken van de vijf uitwendige zintuigen. (601)


Niet de minste gelijkenis

Wanneer de ziel dus in dit leven tot de vereniging met die hoogste rust en dat hoogste goed wil komen, dan moet zij door alle graden van overwegingen, gestalten en inzichten volledig heengaan. Zij hebben immers niet de minste gelijkenis met en staan in geen verhouding tot het einddoel waar zij naar toe gaan, namelijk God. Daarom zegt Sint-Paulus in de Handelingen van de Apostelen (17:29): Non debemus aestimare auro vel argento, aut lapidi sculpturae artis, et cogitationis hominis divinum esse simile. Dit betekent: Wij moeten het goddelijke niet waarderen of schatten als gelijkend op goud of zilver of op kunstig gebeeldhouwde steen, of op wat een mens met zijn verbeelding kan tot stand brengen. (602)


Niet eerder of later

Deze leer mag geen verwarring stichten. Daarom zal het goed zijn […] duidelijk te maken wanneer en in welke periode het voor de geestelijke mens nuttig is, de activiteit van het redenerend mediteren met behulp van beelden gestalten en voorstellingen achterwege te laten. Men moet deze immers niet eerder of later loslaten dan de geest dit vraagt. […] Daarom zullen wij hier enige kenmerken en aanwijzingen opsommen die de geestelijke mens in zich moet hebben en waardoor hij te weten komt of het goed is in deze tijd dat alles na te laten of niet. (605)


Het eerste kenmerk

Het eerste kenmerk bestaat hierin dat hij in zich ontdekt dat hij niet meer kan mediteren of redeneren met de verbeeldingskracht en dat hij er geen smaak meer in vindt, zoals dat vroeger wel het geval was. Veeleer treft hij nu dorheid aan in datgene wat vroeger de zintuiglijkheid gewoonlijk boeide en waar ze sappig voedsel uit haalde. (605)


Het tweede kenmerk

Het tweede kenteken bestaat hierin dat hij geen zin meer heeft de verbeelding of de zintuiglijkheid te richten op iets particuliers, of dit nu iets uiterlijks is dan wel iets innerlijks. Ik zeg niet dat dit vermogen niet heen en weer gaat – zelfs in diepe ingetogenheid gaat het gewoonlijk vrij zijn gang -; ik beweer alleen dat de ziel er geen zin in moet hebben, de verbeelding opzettelijk op andere dingen te richten. (605)


Het derde kenmerk

Het derde en zekerste teken bestaat hierin dat de ziel graag in een toestand verkeert van eenzaamheid en liefdevolle aandacht voor God; en dit zonder enige bijzondere overweging, in innerlijke vrede, rust en ontspanning, zonder activiteit en inspanning van de vermogens, geheugen, verstand en wil – tenminste zonder redenerende werkzaamheid, waarbij men van het ene naar het andere gaat – maar alleen in een toestand van algemene, liefdevolle oplettendheid en aandacht, waarover we gesproken hebben, zonder enig bepaald begrip en zonder uitdrukkelijk te weten waarover het gaat. (606)


Onbepaalde kennis

Deze onbepaalde kennis, waarover wij aan het spreken zijn, is soms zo fijn en teer, dat de ziel, ook al is zij er mee bezig, niet in staat is ze te zien of op te merken. Dit is des te meer het geval naarmate die kennis zuiverder, eenvoudiger, volmaakter, geestelijker en inwendiger is. Zoals wij zeiden gebeurt dit vaker als de ziel in zich helderder, volmaakter en eenvoudiger is. Dit is zij wanneer deze kennis zich meester maakt van een ziel die zuiver is en ver verwijderd van alle particuliere inzichten en kennis, waarop verstand of zintuiglijkheid vat zouden kunnen hebben. (611)


Hoe eenvoudiger hoe duisterder

En dat is de reden waarom het verstand de algemene kennis minder bemerkt en de indruk heeft dat zij duisterder is, naarmate de ziel zuiverder, volmaakter en eenvoudiger is. Wanneer anderzijds de ziel zelf minder zuiver en eenvoudig is, heeft het verstand de indruk van een helderder kennis, waarop het meer vat heeft. Want die kennis is dan omkleed, vermengd en omhuld met enige begrijpelijke vormen, waar verstand of zintuiglijkheid op kunnen steunen. (612)


Onzichtbaar

Als wij een zonnestraal beschouwen die door het venster binnendringt, dan zien wij het volgende. Hoe meer die straal met stofjes en pluisjes bevolkt is, des te meer maakt zij op het zintuig van het gezicht de indruk tastbaar, merkbaar en duidelijk te zijn. […] Hoe zuiverder zij is, des te duisterder en minder vatbaar voor het oog zij schijnt te zijn. […] Hetzelfde is het geval met het geestelijk licht ten opzichte van het oog van de ziel, het verstand. Deze onbepaalde kennis, en dit bovennnatuurlijk licht, waarover wij aan het spreken zijn, storten zich daar zo zuiver en eenvoudig in uit, zo ontdaan en los van alle verstandelijk kenbare voorstellingen die objecten zijn van het verstand, dat het die onbepaalde kennis niet gewaar wordt of te zien krijgt. Integendeel, soms (wanneer dit licht zuiverder is) maakt het op het verstand de indruk duisternis te zijn, omdat het het verstand vervreemdt van zijn gewone lichtbronnen, van zijn gestalten en voorstellingen, en dan wordt het goed de duisternis gewaar en ziet het ze duidelijk. (613)


Nescivi

Zo iets overkwam ook David die, toen hij uit eenzelfde vergetelheid ontwaakte, zei (Ps. 101:8) Vigilavi, et factus sum sicut passer solitarius in tecto. Dit betekent: Ik ontwaakte en ben geworden als een eenzame mus op het dak. ‘Eenzaam’ zegt hij, namelijk van alle dingen vervreemd en ontdaan; ‘op het dak’: het verstand is namelijk op het hoge gericht. En zo wordt de ziel als iemand die van die dingen geen weet heeft; zij heeft immers alleen weet van God zonder te weten hoe. Zo verklaart de bruid in het Hooglied (6:11) onder de uitwerkingen die deze slaap en vergetelheid in haar bewerkten ook dit niet-weten, als zij zegt dat zij naar Hem afdaalde, met het woord: Nescivi. Dit betekent: Ik wist niet. (613, 614)


Des te donkerder

Uit de vergelijking die wij gegeven hebben moge ook het volgende duidelijk zijn geworden. De ziel moet het licht niet voor zuiverder, verhevener en helderder houden op grond van het feit dat het verstand de indruk heeft dat het meer begrijpelijk en vatbaar is, zoals de zonnestraal, wanneer zij vol stofjes is, beter waarneembaar voor het oog. Het is dus duidelijk dat, zoals Aristoteles en de theologen zeggen, het goddelijk licht des te donkerder is voor ons verstand naarmate het hoger en verhevener is. (615)


Vrij, ontbloot, zuiver en enkelvoudig

Daarom zeg ik dat het verstand zich niet in beslag moet laten nemen door en zijn voedsel niet moet zoeken in al die waarnemingen, visioenen van het verbeeldingsvermogen of welke andere vormen van kenbeelden ook, zoals deze zich aanbieden onder de gedaante van een voorstelling, beeld of een of ander particulier begrip. Het doet er niet toe of zij onwaar zijn en van de duivel komen of dat zij zich doen kennen als waar en van God afkomstig. Ook moet de ziel ze niet willen toelaten of bezitten; dan zal zij vrij, ontbloot, zuiver en enkelvoudig kunnen zijn, zonder enige bepaalde manier of wijze, zoals dat wordt vereist voor de vereniging. (620)


Geen gestalte of wijze

De reden hiervoor is de volgende. Op het ogenblik dat zij worden waargenomen, stellen al die genoemde vormen zich reeds tegenwoordig, zoals wij gezegd hebben, in de gestalte van iets bepaalds en op een beperkte wijze. De Wijsheid van God nu, waarmee het verstand zich moet verenigen, kent geen enkele gestalte of wijze en valt ook niet onder enige beperking of onder een afgebakend en particulier begrip; Zij is immers geheel zuiver en enkelvoudig. (621)


Wil de ziel in God vallen

Wanneer men nu wil dat twee uitersten, zoals de ziel en de goddelijke Wijsheid, met elkaar verenigd worden, dan moeten zij noodzakelijk iets gemeenschappelijks hebben waardoor zij op elkaar lijken. Hieruit volgt dat ook de ziel zuiver en enkelvoudig moet zijn, niet begrensd of gebonden aan een of ander particulier inzicht, niet afgebakend of begrensd door een of andere vorm, kenbeeld of voorstelling. God valt immers niet onder een voorstelling of vorm noch onder een particulier inzicht. Wil de ziel in God vallen, dan mag zij daarom niet vallen onder een voorstelling of afgebakend begrip. (621)


Afwijzing en niet-aanvaarding

Als het waar is – en het is waar – dat de ziel God veeleer moet leren kennen door hetgeen Hij niet is dan door hetgeen Hij wel is, dan moet zij om tot Hem te gaan tot het uiterste voortgaan in afwijzing en niet-aanvaarding van de natuurlijke en bovennatuurlijke waarnemingen. (710)


Kaalgeschoren

Natuurlijke mededelingen van het geheugen zijn al die mededelingen die kunnen gevormd worden uit de waarneming van de vijf lichamelijke zintuigen: horen, zien, ruiken, smaken en tasten; en verder alles wat het geheugen op deze manier kan maken en vormen. Van al deze mededelingen en vormen moet het geheugen zich ontledigen en ontdoen. Het moet proberen hun waarnemingen die bij wijze van beeld in haar aanwezig zijn, kwijt te raken. Dan laten zij in haar geen enkele mededeling of afdruk van iets achter. Het is dan alsof het kaalgeschoren is, alsof er nooit iets in is geweest. Het is alles kwijt en heeft alles vergeten. (711)


Vele dwalingen

Dat men noodzakelijk in vele dwalingen moet vallen wanneer men zich bezighoudt met mededelingen en uitweidingen is duidelijk; en ook dat dikwijls het ware vals moet schijnen en het zekere twijfelachtig en omgekeerd, omdat wij nauwelijks een waarheid grondig kunnen kennen. Van dat alles bevrijdt het geheugen zich als het zich ontdoet van alle uitweidingen en mededelingen. (717)


Het onomvattelijke

De ziel kan haar aandacht slechts richten op één ding. Als zij zich nu hecht aan de waarnemingen van het geheugen en daarin belang stelt, en als zij zich bezighoudt met waarneembare dingen, zoals met de mededelingen van het geheugen, dan kan zij niet vrij worden voor het onomvattelijke, namelijk God. Want zoals wij altijd gezegd hebben, moet de ziel om tot God te komen eerder gaan langs de weg van het niet-begrijpen dan langs de weg van het begrijpen; zij moet het veranderlijke en omvattelijke verwisselen voor het onveranderlijke en onomvattelijke. (721)


IJdel

Al zou derhalve voor de mens geen ander voordeel het gevolg zijn dan dat hij zich door dat vergeten en zich ontledigen van het geheugen bevrijdt van de last en de verwarring, dan betekende dat voor hem al grote winst en een groot goed. Want de druk en verwarring, die van moeilijkheden en tegenspoed in de ziel ontstaan, dienen tot niets. Ook dragen zij niet tot verbetering van diezelfde moeilijkheden en tegenspoed. Integendeel, gewoonlijk verergeren zij niet alleen de omstandigheden, maar betekenen zij ook schade voor de ziel zelf. Daarom zei David (Ps. 38:7): Waarlijk, ijdel is de verontrusting van ieder mens. (722)


Afdalen in de afgrond van het geloof

[Andere mededelingen] hebben betrekking op iets bovennatuurlijks, zoals visioenen, openbaringen, inspraken en gewaarwordingen langs bovennatuurlijke weg. Wanneer dergelijke dingen door de ziel zijn gegaan, blijft daarvan gewoonlijk een beeld, een vorm, een voorstellingen of een ingedrukte mededeling achter in de ziel, het geheugen of de fantasie. Soms zijn deze zeer levendig en krachtig. Ook hiervoor moeten wij een richtlijn geven om te voorkomen dat het geheugen zich hierin verwart. Want dan zou dit alles een belemmering gaan vormen voor de vereniging met God in zuivere en ongedeelde hoop. Ik beweer dat de ziel om dit goed te bereiken nooit aan deze duidelijke en onderscheiden dingen moet terugdenken. […] Wij moeten immers altijd uitgaan van de volgende veronderstelling. Hoe meer de ziel zich hecht aan een wel onderscheiden en heldere natuurlijke of bovennatuurlijke waarneming, over des te minder kracht en geschiktheid beschikt zij om af te dalen in de afgrond van het geloof, waar al het overige verslonden wordt. (723)


Vergissen

Het is duidelijk dat de geestelijke mens zich dikwijls moet vergissen in zijn oordeel, indien hij zich bezighoudt met genoemde mededelingen en vormen en daarover nadenkt. Want niemand kan de dingen volledig kennen die op natuurlijke wijze door zijn verbeelding gaan; en ook kan hij er geen volwaardig en zeker oordeel over hebben. Veel minder kan hij dit hebben over de bovennatuurlijke dingen die ons bevattingsvermogen te boven gaan en maar zelden voorvallen. Daarom denkt hij vaak dat het iets van God is, terwijl het iets is van zijn fantasie. En dikwijls zal hij menen dat van God komt wat van de duivel komt en dat van de duivel is wat van God is. (725)


Eigendunk of ijdelheid

De reeds genoemde bovennatuurlijke waarnemingen van het geheugen betekenen bovendien voor geestelijke personen een gevaarlijke gelegenheid om te vallen in een of andere vorm van eigendunk of ijdelheid. Dit gebeurt als zij er op uit zijn ze als iets van gewicht te beschouwen. Iemand die dergelijke dingen niet heeft, loopt volstrekt geen gevaar er in te vallen omdat hij niets waarneemt waarop hij zich kan laten voorstaan. Zo verkeert integendeel iemand die ze wel ontvangt in de naaste gelegenheid te gaan denken dat hij heel wat is omdat hij die bovennatuurlijke mededelingen heeft. Natuurlijk kan hij ze aan God toeschrijven en Hem danken en zichzelf voor onwaardig houden. Maar met dat al blijft gewoonlijk in de geest een zekere geheime voldoening achter en een waardering daarvoor en voor zichzelf, waaruit ongemerkt een grote geestelijke hoogmoed in hem ontstaat. Dit kunnen dergelijke mensen heel duidelijk merken aan de tegenzin en afkeer die zij krijgen voor degenen die hun geest niet prijzen en de dingen die zij hebben niet waarderen. Ook kunnen zij het merken aan de pijn die het hen doet, wanneer zij denken en men hun zegt dat andere diezelfde dingen of betere hebben. (726)


In grote nederigheid

De deugd bestaat niet in waarnemingen en gevoelens over God, al zijn deze nog zo verheven, noch in iets dat men op die wijze in zich kan gewaarworden. Integendeel, zij bestaat in wat men niet in zich gewaarwordt, dit wil zeggen in grote nederigheid en minachting van zichzelf en van al het eigene. (727)


Geen enkele

Geen enkele vorm, geen voorstelling, geen beeld, geen mededeling, die in het geheugen kan komen, is God of iets dat op Hem lijkt. Hierbij maakt het niets uit of het iets hemels, iets aards, iets natuurlijks of iets bovennatuurlijks is. (729)


Geen goed of slecht

Natuurlijkerwijze heeft de ziel al rust, wanneer zij bevrijd is van die beelden en vormen. Maar nu is zij ook nog bevrijd van de zorg of die vormen goed of slecht zijn, hoe zij zich moet gedragen tegenover de eerste en hoe tegenover de tweede. Ook hoeft zij nu geen inspanning en tijd te verknoeien met te proberen er bij de geestelijke leiders achter te komen of die waarnemingen goed of slecht zijn en of ze tot de ene soort behoren of tot de andere. Dit hoeft zij niet te weten; zij hoeft immers met geen enkele rekening te houden. (732)


Uit het Tweede Boek van de Donkere Nacht:


De donkere nacht

De donkere nacht is een invloed van God op de ziel die haar loutert van haar onwetendheid en habituele onvolmaaktheden, natuurlijke zowel als geestelijke. De contemplatieven noemen dit ingestorte beschouwing of mystieke theologie. Hierin onderwijst God de ziel op geheimvolle wijze en onderricht Hij haar in de volmaaktheid van de liefde, zonder dat zij iets doet of de wijze waarop begrijpt. (882)


Pijn en kwelling

Waarom noemt de ziel dan het goddelijk licht (dat, zoals wij zeiden, de ziel verlicht en loutert van haar onwetendheid) hier ‘donkere nacht’? Daarop kan men antwoorden dat de goddelijke Wijsheid om twee redenen niet enkel nacht en duisternis is voor de ziel, maar ook pijn en kwelling. De eerste reden is de verhevenheid van de goddelijke Wijsheid die de aanleg van de ziel te boven gaat en zo duisternis voor haar wordt. De tweede reden ligt in de aardsheid en onzuiverheid van de ziel. Daarom is zij pijnlijk en bedroevend en ook donker voor haar. (882)


Een straal van duisternis

Om de eerste reden te bewijzen moet men een bepaalde leer van de Filosoof vooropstellen die zegt, dat naarmate de goddelijke dingen helderder en duidelijker in zich zijn, zij op natuurlijke wijze des te duisterder en verborgener zijn voor de ziel. Het is hiermee als met het licht: hoe helderder het wordt, des te meer verblindt en verduistert het de pupil van een nachtuil; of als me de zon: als men er recht tegenin kijkt, veroorzaakt zij meer duisternis in het gezichtsvermogen en neemt het weg; zij gaat het zwakke gezichtsvermogen te boven. Zo veroorzaakt ook dit goddelijk licht van de beschouwing geestelijke duisternis, wanneer het een ziel binnendringt die nog niet geheel verlicht is. Want het gaat het verstand niet alleen te boven, maar berooft het ook van de act van zijn natuurlijk inzicht en verduistert het. Daarom noemen Sint-Dionysius en andere mystieke theologen die ingestorte beschouwing een straal van duisternis, voor de ziel namelijk die niet verlicht en gelouterd is. Want de natuurlijke kracht van het verstand wordt door haar groot bovennatuurlijk licht overwonnen en weggenomen. (883)


Wolken

Daarom zei ook David (Ps. 96:2): Wolken en duisternis omringen God. Niet dat Hij zo is in Zich, maar wel wel is Hij dat voor ons zwak verstand, dat door zo’n onmetelijk licht verblind wordt en in duisternis blijft. Want het kan dat licht niet verdragen. Daarom drukte dezelfde David (Ps. 17:13) dit ook uit door de woorden: Door het hevig schitteren van zijn aangezicht kwamen wolken aangeschoven, dit wil zeggen: wolken tussen God en ons verstand. Dit is de reden waarom deze schitterende straal van zijn geheimvolle wijsheid in het verstand grote duisternis veroorzaakt, als God iets van Zichzelf mededeelt aan een nog niet omgevormde ziel. (883)


Een wreed sterven van de geest

De derde wijze van lijden en pijn die de ziel hier verduurt, komt voort uit de twee uitersten, te weten het goddelijke en het menselijke, die hier samengaan. Het goddelijke is die louterende beschouwing en het menselijke is het subject, de ziel. Omdat het goddelijke binnendringt om haar te hernieuwen en te vergoddelijken, ontdoet het haar van de habituele gehechtheden en eigenschappen van de oude mens. Hiermee is zij nog hecht verbonden, zij zit er nog helemaal aan vast en heeft er de vorm nog van. Door haar in een diepe, dichte duisternis te dompelen verbrijzelt en verbreekt het goddelijke op zo’n manier de geestelijke zelfstandigheid van de ziel, dat de ziel zich bij de aanblik van haar ellende voelt wegteren en vergaan in een wreed sterven van de geest. Alsof een wild dier haar heeft opgeslokt, voelt zij zich in zijn donkere buik verteerd worden, terwijl zij dezelfde benauwenis verduurt als Jonas (2:1) in de buik van het zeemonster. (885)


Dor, leeg en in duisternis

Omdat God de ziel hier loutert met betrekking tot haar zintuiglijke en geestelijke substantie en met betrekking tot haar inwendige en uitwendige vermogens, dient zij op al die niveaus in een toestand van leegte, armoede en verlatenheid te worden gebracht. Zij moet dor, leeg en in duisternis achterblijven. Het zintuiglijk niveau immers wordt gelouterd door dorheid, de vermogens door de leegte van hun waarnemingen en de geest door dichte duisternis. Dit alles doet God door middel van die donkere beschouwing. Daarin heeft de ziel te lijden van de leegte en het wegvallen van al deze natuurlijke steunpunten en waarnemingen. Dit is een zeer beangstigend lijden. Het is als het ware het lijden van iemand die men ophangt of zo opgetild houdt, dat hij niet kan ademen. (887)


Verteren

Zo wordt hier het getuigenis van Ezechiël (24:10) bewaarheid die zegt: Verzamel de beenderen, waaronder Ik vuur zal aanleggen, het vlees worde verteerd en al het samengevoegde moet koken en de beenderen verteren. Hieronder wordt de pijn verstaan die geleden wordt bij de leegte en armoede in de substantie van de zintuiglijke en geestelijke ziel. (887)


Geen steun meer

Omdat de ziel in deze smidse gezuiverd wordt als goud in de smeltoven, zoals de Wijze Man (Wijsh. 3:6) zegt, ervaart zij deze grote ontreddering in uiterste armoede in het diepste van haar wezen, alsof zij op het punt stond te sterven. Dit blijkt uit wat David (Ps. 68: 2-4) hierover zei, toen hij in de volgende bewoordingen tot God riep: Red mij, o God! Want het water is tot mijn ziel doorgedrongen; ik zit vast in een modderpoel en voel geen steun meer; ik ben in het diepste van de zee geraakt en de stroom sleurt mij mee. Ik ben afgemat van mijn schreien en schor is mijn keel; mijn ogen staan mat van het staren naar God. (888)


Niets

Hier wordt niet enkel het verstand van zijn licht en de wil van zijn gehechtheden gezuiverd. Maar ook het geheugen wordt gezuiverd van zijn redeneringen en het meegedeelde. Daarom moet zij met betrekking tot al die vermogens als niets worden. Zo gaat in vervulling wat David (Ps. 72:22) in deze loutering over zichzelf zegt, namelijk: Ik ben tot niets geworden en wist het niet. (894)


Opgeslorpt

Dit niet-weten heeft betrekking op dat verstrooid-zijn en die vergeetachtigheid van het geheugen. Deze verstrooiingen en die vergeetachtigheid worden veroorzaakt door de innerlijke ingekeerdheid, waarin deze beschouwing de ziel opslorpt. Want om de ziel met haar vermogens voor te bereiden en te gewennen aan het klimaat van het goddelijke met het oog op de vereniging met God in liefde, moet zij eerst met al die vermogens in dat goddelijk en duister geestelijk licht van de beschouwing worden opgeslorpt. Daardoor werd zij onttrokken aan alle gehechtheid en waarneming van het geschapene. Dit duurt voor ieder overeenkomstig de intensiteit van de beschouwing. Hoe enkelvoudiger en zuiverder dit goddelijk licht in de ziel doordringt, des te meer verduistert het haar. Het ontledigt en vernietigt haar met betrekking tot haar particuliere waarnemingen en gehechtheden aan hemelse en aardse dingen. (894)


Licht en toch duister

Als zij met haar goddelijk licht in de ziel doordringt, gaat zij het natuurlijk licht van de ziel te boven. Daardoor verduistert en berooft zij haar van alle natuurlijke waarnemingen en gehechtheden die zij vroeger met het natuurlijke licht waarnam. Zo laat zij zich niet alleen in het duister, maar ontledigt haar ook met betrekking tot haar vermogens en verlangens, zowel op geestelijk als op natuurlijk niveau. Zij laat haar zodoende leeg en in het duister achter en zuivert en verlicht haar zo met het geestelijk licht van God. Toch meent de ziel dat zij zonder licht en in het duister is. (895)


Algemeen

Dit geestelijk licht is zo enkelvoudig, zuiver en algemeen, dat het niet is afgestemd of gespecialiseerd voor een particuliere kennis op natuurlijk of goddelijk niveau. Want met betrekking tot al deze waarnemingen laat het de vermogens van de ziel in een toestand van leegte en vernietiging. (896)


Zo’n armoede van geest

Zo wordt in de geest waar wat Sint-Paulus (2 Kor. 6:10) zegt: Nihil habentes, et omnia possidentes (niets hebbend en toch alles bezittend). Zo’n rijkdom is te danken aan zo’n armoede van geest. (896)


De algemene vrijheid van geest in alles

Er rest ons nog hier over deze gelukkige nacht het volgende te zeggen. Ofschoon hij de geest verduistert, dient hij toch enkel om hem in alles licht te geven. Ofschoon hij hem vernedert en ellendig maakt, dient hij toch enkel om hem te verheffen en op te beuren. Ofschoon hij hem arm en leeg maakt aan elk natuurlijk bezit of natuurlijke gehechtheid, dient hij toch enkel om hem op een goddelijke manier te doen reiken tot het smaken en genieten van alle hemelse en aardse dingen. Dit is de algemene vrijheid van geest in alles. (897)


Niet één

Eén enkele gehechtheid in de geest, één enkele particuliere – actuele of habituele – kennis waaraan hij vasthoudt, is al genoeg om niet te kunnen ervaren, smaken of delen in de fijnheid en het diep genot van de geest der liefde, die alle smaak op alles overtreffende wijze in zich bevat. (897)


Die donkere nacht van de beschouwing

Om tot deze verheven toestand te komen, is het daarom voor de ziel goed en noodzakelijk, dat die donkere nacht van de beschouwing haar vernietigt en eerst haar aardse gesteltenissen verwijdert. Dit doet die nacht door haar in een toestand te brengen van duisternis, dorheid, benauwenis en leegte. Want het licht dat haar gegeven moet worden, is een zeer verheven, goddelijk licht. Het overtreft ieder natuurlijk licht. Natuurlijkerwijze past het niet in het verstand. (898)


Substantiële duisternissen

Om tot vereniging met dat goddelijk licht te kunnen komen en goddelijk te worden in de staat van volmaaktheid, is het dus nodig dat het verstand eerst met betrekking tot zijn natuurlijk licht gezuiverd en ontdaan wordt. Op actuele wijze moet het verduisterd worden door deze duistere beschouwing. Die duisternis moet zolang duren als nodig is om de eigen gesteltenis van het verstand te verwijderen en tot niets terug te brengen. Die gesteltenis heeft het verstand immers al lang; zij bestaat in een eigen manier van begrijpen die zich hierin heeft gevormd. In haar plaats moet nu de verlichting door God en het goddelijke licht komen. De kracht die het verstand vroeger bezat om te begrijpen is een natuurlijke kracht. Daaruit volgt dat de duisternissen die het hier te verduren heeft, diep en verschrikkelijk en heel pijnlijk zijn. Omdat zij in de diepste substantie van de geest gevoeld worden, schijnen het substantiële duisternissen te zijn. (898)


Ontdaan van de oude mens

Zoals Isaïas (64:4) immers zegt, heeft geen oog het gezien, geen oor het gehoord en is het in het hart van geen mens opgekomen wat God bereid heeft enzovoort. Daarom moet de ziel eerst in een toestand gebracht worden van leegte en armoede van geest. Die moet haar louteren van elke steun, troost en natuurlijke waarneming met betrekking tot al het hemelse en aardse. Zo ontledigd zal zij zich dan in een toestand van armoede van geest bevinden; zij zal ontdaan zijn van de oude mens omdat nieuwe en gelukkige leven te gaan leiden, dat haar door deze nacht ten deel valt. Dit leven bestaat in de vereniging met God. (899)


Pelgrim en vreemdeling

Daarom moet [de geest] afgesneden worden van zijn gewoon en natuurlijk aanvoelen. Daarom moet hij door middel van deze louterende beschouwing terechtkomen in een toestand van hevige angst en benauwenis. Aan het geheugen moet iedere lieflijke en vredige mededeling onttrokken worden. Het moet innerlijk het gevoel en de stemming krijgen van een pelgrim en vreemdeling ten opzichte van alle dingen, zodat het de indruk krijgt dat het vreemd staat tegenover alles: heel anders dan vroeger het geval was. (900)


Als een blinde

Wanneer gij dus, geestelijke ziel, uw verlangen verduisterd ziet, uw gevoelens dor en krachteloos, uw vermogens voor elke innerlijke inspanning ongeschikt, dat moet gij daarover niet treuren. Beschouw het veeleer als een groot geluk. God gaat u immers vrijmaken van uzelf door u het werk uit handen te nemen. Want hoe goed ge daarmee ook te werk gingt, ge zoudt nooit zo nauwkeurig, zo volmaakt en veilig – wegens de onreinheid en traagheid van die vermogens – werken als nu. Nu immers neemt God u bij de hand; Hij leidt u als een blinde in het duister; Gij weet niet waarheen of waarlangs. Met uw eigen ogen en voeten zoudt gij er nooit in slagen daar te komen, hoe goed ge ook zoudt lopen. (924)


Geheel veilig

Want God is, zoals wij gezegd hebben, hier de leermeester en de gids van deze blinde, de ziel. Daarom kan zij, nu zij dit begint te begrijpen, waarlijk zich verheugen en zeggen: ‘In ’t donker, geheel veilig’. (925)


Verduisterd in zijn donkerste

Want hoe meer de ziel tot Hem nadert, des te dichter duisternis wordt zij gewaar. Wegens haar zwakheid voelt zij die duisternis des te dieper. Het is ermee als met iemand die steeds dichter bij de zon komt. Haar grote stralenkracht geeft hem meer duisternis en pijn vanwege de zwakheid en onzuiverheid van zijn ogen. Welnu, zo onmetelijk is het geestelijk licht van God en zozeer gaat het het natuurlijke verstand te boven, dat men meer verblind en verduisterd wordt naarmate men dichter bij Hem komt. Daarom zegt David in psalm 17 (v. 12) dat God de duisternis als een dek om Zich heensloeg en dat Hij van het donkere water in de wolken van de lucht een tent om Zich heen bouwde. Dit donkere water in de wolken van de lucht betekent de donkere beschouwing en de goddelijke Wijsheid in de zielen, zoals wij hier uitleggen. Die zielen voelen dit als iets wat om Hem heen is als een tent, waarin Hij verblijft wanneer God hen dicht naar Zich toehaalt. Zodoende is datgene wat in God licht is en hoogste helderheid, voor de mens de donkerste duisternis. Dit zegt ook Sint-Paulus (1 Kor. 2:14). Het komt overeen met wat David in diezelfde psalm (17:13) verklaart met de woorden: Voor het schitteren in zijn bijzijn vluhctten de wolken en watersluizen, dit wil zeggen: voor het natuurlijk verstand. Het licht van dit verstand wordt immers, zoals Isaïas in het vijfde hoofstuk (v. 30) zegt:, verduisterd in zijn donkerste – obtenebrata est in caligine ejus. (926)


Gedwongen de ogen sluiten

Wat hebben wij toch een ellendig leven! Wij leven in zo’n groot gevaar en hebben zoveel moeite de waarheid te kennen. Het meest heldere en ware wordt immers voor ons het meest duistere en onzekere, en daarom vluchten wij weg van wat het beste voor ons is. Wat onze ogen het meest verlicht en vervult, dat lopen wij na en dat omhelzen wij, ofschoon het voor ons het slechtste is en ons bij elke pas doet struikelen. Hoe groot is het gevaar en de vrees waarin de mens leeft! Het natuurlijk licht van zijn ogen dat hem moest leiden, is het eerste dat hem verblindt en bedriegt op zijn weg naar God! Als hij goed wil zien waarlangs hij gaat, is hij gedwongen de ogen te sluiten en moet hij in het duister gaan om veilig te zijn voor zijn vijandige huisgenoten, namelijk zijn zintuigen en vermogens. (926)


Water

Er is ook nog een andere reden, niet minder afdoende dan de vorige om volledig te doen begrijpen dat deze ziel in het duister veilig gaat. Deze is gelegen in de sterkte die dit donkere, pijnlijke en duistere water van God terstond in de ziel oproept. Want al is het ook donker, het is tenslotte toch water. Daarom moet het de ziel wel verkwikken en versterken in wat het beste voor haar is, ofschoon het op duistere en pijnlijke wijze geschiedt. (927)


Geheim

Ten eerste noemt [de ziel] die donkere beschouwing ‘geheim’. Het is immers, zoals wij boven al hebben aangeduid, mystieke theologie. De theologen noemen deze geheime wijsheid. Sint-Thomas zegt ervan dat zij de ziel wordt meegedeeld en ingestort door liefde. Dit geschiedt in het geheim, verborgen voor de activiteit van het verstand en de andere vermogens. Genoemde vermogens kunnen haar dus niet verwerven. De Heilige Geest stort ze in de vermogens en ordent ze in de ziel, zoals de bruid in het Hooglied (2:4) zegt, zonder dat zij weet of begrijpt hoe het gebeurt. Daarom wordt die beschouwing ‘geheim’ genoemd. En werkelijk, niet alleen de ziel begrijpt het niet, maar ook niemand anders, ja zelfs de duivel begrijpt er niets van. (928)


Onuitgesproken

Niet alleen echter om deze reden noemt zij die beschouwing ‘geheim’, maar ook omwille van de affecten die zij in de ziel teweegbrengt. Deze beschouwing is niet alleen geheim in de duisternis en de kwelling van de loutering, omdat deze wijsheid van liefde de ziel zo loutert, dat de ziel er niets over kan zeggen. Die beschouwing blijft ook later bij de verlichting geheim, wanneer deze wijsheid zich met groter klaarheid meedeelt. Dan is zij nog zó geheim voor de ziel, dat de ziel het niet kan zeggen of er een naam aan kan geven om het uit te drukken. Want de ziel heeft daardoor niet alleen geen lust om ze uit te drukken, maar ook vindt zij niets van die aard of iets wat er op lijkt, dat er bij past om een zo verheven begrijpen en een zo fijn geestelijk ervaren aan te duiden. En zelfs al had zij nog zoveel lust om het te zeggen en al beschikte zij over nog zoveel aanduidingen, toch zou die beschouwing altijd geheim blijven en onuitgesproken. (929)


Van geest tot geest

De wijsheid van deze beschouwing betekent een spreken van God tot de ziel, van zuivere geest tot zuivere geest. Daarom neemt alles wat onder het niveau van de geest ligt, zoals de zintuiglijkheid, het niet op. Zo is het voor haar geheim en begrijpt zij het niet, kan zij het niet onder woorden brengen en gevoelt zij er ook geen lust toe. Zij ziet immers niet hoe dat zou moeten gebeuren. (930)


Onmetelijke woestijn

Dit is niet de enige reden waarom zij ‘geheim’ genoemd wordt en het is. Het gebeurt bovendien nog omdat het eigen is aan de mystieke wijsheid, de ziel voor zichzelf te verbergen. Want behalve wat gewoonlijk plaatsgrijpt, neemt deze wijsheid soms de ziel op en sleurt haar mee in haar geheime afgrond. Daardoor ziet de ziel duidelijk dat zij zeer ver van elk schepsel af staat en verwijderd is. Dit is van die aard dat zij de indruk heeft dat men haar in een zeer diepe en wijde eenzaamheid brengt, waar geen enkel menselijk schepsel komen kan. Het is alsof zij terechtkomt in een onmetelijke woestijn die nergens een grens heeft; hoe dieper, breder en eenzamer deze is, des te meer verkwikking, genot en liefde verschaft zij de ziel. Want deze voelt zich dan in die mater verborgen als zij zich boven elk tijdelijk schepsel verheven ziet. (931)


Niet weten en niet kennen

Deze goddelijke beschouwing bezit dus de eigenschap dat zij geheim is en boven het natuurlijke vermogen verheven. Dit komt niet alleen doordat zij iets bovennatuurlijks is, maar ook omdat zij de weg is die de ziel leidt en brengt tot de volmaaktheden van de vereniging met God. Omdat dit iets is wat onbekend is op het menselijk niveau, moet men het benaderen door op menselijk niveau niet te weten en door op goddelijk niveau niet te kennen. (931)


In de praktijk

Want de goddelijke werkelijkheden en goddelijke volmaaktheden worden, mystiek gesproken, zoals hier het geval is, niet gekend en niet begrepen zoals ze zijn, wanneer men ze zoekt en er zich op toelegt, maar zoals ze zijn, wanneer men ze heeft gevonden en in praktijk gebracht. (932)


Door vele wateren

In dit opzicht immers zegt de profeet Baruch (3:31) van de goddelijke Wijsheid: Niemand is er die haar wegen kan kennen of haar paden uitvorsen. Ook de koninklijke profeet (Ps. 76:19-20) spreekt op dezelfde wijze over deze weg van de ziel, wanneer hij met God spreekt: Uw stralen schitterden en verlichtten de aardbol, de aarde schudde en beefde. Door de zee loopt uw weg en uw paden door vele wateren, en uw voetstappen zullen niet kenbaar zijn. (932)


Geheim en verborgen

Geestelijkerwijze gesproken kan dit alles begrepen worden in verband met wat wij hier bespreken. Want dat ‘de stralen van God de aardbol verlichten’ betekent de verlichting die deze goddelijke beschouwing teweegbrengt in de vermogens van de ziel; dat ‘de aarde beeft en schudt’ betekent de pijnlijke reiniging die deze beschouwing veroorzaakte; als hij zegt dat ‘de weg en het pad van God’, waarlangs de ziel tot Hem gaat, ‘door de zee loopt’ en dat ‘zijn voetstappen door vele wateren gaan en daarom niet kenbaar zijn’, dan betekent dit dat deze weg, die naar God leidt, voor de zintuiglijkheid van de ziel even geheim en verborgen is als de weg die door de zee leidt geheim is voor die van het lichaam: de paden en voetstappen worden hier niet gekend. Want de paden en voetstappen die God uitzet in de zielen welke Hij tot Zich wil brengen door hen in de vereniging met zijn Wijsheid groot te maken, hebben de eigenschap dat men ze niet kent. (932)


De wegen van de grote wolken

Daarom worden in het boek Job (37:16), waar dit doen van God geprezen wordt, deze woorden gezegd: Kent gij misschien de wegen van de grote wolken en de volmaakte wetenschappen? Daaronder worden de wegen en paden verstaan, waarlangs God de zielen, die hier door ‘de wolken’ zijn aangeduid, doet toenemen en volmaakt worden in zijn wijsheid. (932)


uit Johannes’ commentaar bij de strofen van het gedicht Levende vlam van liefde:


Die vreemdelingen werden

Welzalig de ziel die Gij, zo verschrikkelijk en zo machtig, op zo’n zachte en fijne wijze aanraakt! Vertel dit aan de wereld. Neen, vertel het de wereld niet, want de wereld heeft geen weet van de tedere wind. Zij zal U niet opnemen want zij kan U niet opnemen en niet zien (Jo. 14:17). O mijn God en mijn leven! Slechts zij zullen uw zacht aanraken bemerken en ervaren, die vreemdelingen werden voor deze wereld en zacht geworden zijn. Zo past het zachte bij het zachte. Op deze manier kunnen zij U gewaarworden en genieten. Zulke zielen raakt Gij op nog fijnere wijze aan, omdat de substantie van hun ziel zacht en zuiver en rein geworden is. Zij is vreemdeling geworden voor ieder schepsel, voor ieder gezicht en voor iedere benadering door het schepsel. Gij blijft op verborgen wijze rusten in de substantie van de ziel. Gij verbergt hen in de schuilplaats van uw gelaat, dat is het Woord, voor de verwarring van de mensen (Ps. 30:21).


Wijde en omvattende ruimte

Nu dient men het volgende te weten. Iets is des te ruimer en ontvankelijker naarmate het fijner is in zich; iets verspreidt zich en deelt zich des te meer mee naarmate het subtieler en fijner is. Het Woord is onmetelijk subtiel en fijn. Hij is de aanraking die de ziel aanraakt. De ziel is de wijde en omvattende ruimte wegens de fijnheid en grote zuiverheid waartoe zij in deze toestand gekomen is. O tedere aanraking! (1005)


Vrij van gewicht

Ook dient men het volgende te weten. Die aanraking is subtieler en fijner en veroorzaakt daar waar zij de ziel raakt meer genot en vreugde naarmate de aanraking minder gewicht heeft en minder volume vertoont. Deze goddelijke aanraking vertoont geen enkel volume en heeft geen gewicht. Het Woord immers dat ze veroorzaakt, heeft met geen enkele wijze of stijl iets te maken. Het Woord is vrij van ieder gewicht, iedere vorm, iedere voorstelling en alle bijkomstigheden. Door dit laatste juist wordt de substantie gewoonlijk ingesnoerd, beperkt en begrensd. De aanraking, waarvan hier sprake is, kan dus niet onder woorden worden gebracht, en wel juist omdat zij substantieel is, dit wil zeggen omdat zij uit Gods substantie komt. Voor een laatste maal: hoe onzegbaar teder is de aanraking door U, o Woord! (1005)


Een wonderbaar feit

Op de eerste plaats dient hier opgemerkt te worden dat deze krochten van de vermogens [van de ziel: geheugen, verstand en wil], als ze niet leeg en zuiver en rein zijn van alle aanhankelijkheid aan het geschapene, niet merken hoe groot de leegte is van hun diep bevattingsvermogen. In dit leven is elke kleinigheid, die zich vastzet in de vermogens, voldoende om ze zo te hinderen en te boeien, dat zij niet merken hoeveel nadeel zij lijden door het gemis van hun oneindig goed, ja dat ze hun bevattingsvermogen niet meer beseffen. Hoewel deze vermogens oneindige goederen kunnen bevatten, blijkt het geringste goed genoeg om ze zo te hinderen, dat zij de oneindige goederen niet kunnen opnemen voordat zij volledig ontruimd zijn. Dit is een wonderbaar feit. (1027)


Armoede van geest

Zij [die zielen leiding moeten geven] dienen er voor te zorgen, de ziel vrij te maken en haar in een toestand van eenzaamheid en rust te brengen, zodat zij aan geen enkele particuliere kennis, hogere noch lagere, vastzit, dat zij ook niet geboeid wordt door verlangens naar een of ander genot of lust of een andere gewaarwording, zodat zij leeg blijft in zuivere onthechting aan ieder schepsel, in een toestand van geestelijke armoede. Dit laatste is juist wat de ziel van haar kant moet doen, volgens de raad van de Zoon Gods die zegt: Wie geen afstand doet van al wat hij bezit, kan mijn leerling niet zijn (Lc. 14:33). Dit moet men niet alleen verstaan als een in de wil afstand doen van tastbare en tijdelijke goederen, maar ook als een afstand-doen van geestelijk bezit, waarin de armoede van geest ligt opgesloten. (1040)


Dit is wat de ziel kan doen

Als de ziel zich op deze manier ontledigt van alle dingen en zodoende met lege handen staat en zonder eigendom – dit is wat de ziel kan doen, zoals wij gezegd hebben – dan is het onmogelijk dat, waar de ziel het hare heeft gedaan, God zou nalaten het zijne te doen, namelijk Zichzelf mededelen aan de ziel, minstens in het geheim en in stilte. Dat is nog minder mogelijk dan dat de zon niet zou schijnen aan een serene en wolkenloze hemel. (1040)


Wanneer God het huis niet bouwt

Als een zon staat God boven de zielen om Zich aan hen mede te delen. Dat diegenen dus die hen moeten leiden zich tevreden stellen met hen daarvoor geschikt te maken volgens de evangelische volmaaktheid: naaktheid en ontlediging van zinnen en geest; dat zij niet verder willen gaan met het optrekken van het gebouw: dit is alleen het werk van de Vader der lichten, vanwaar niet dan goede gift en volmaakte gave komt. (Jac. 1:17). Immers, zoals David (Ps. 126:1) zegt, wanneer God het huis niet bouwt, is het zwoegen van de bouwlieden ijdel. (1041)


Ontledigd

Zegt daarom niet: ‘Och, de ziel gaat toch niet vooruit, want zij doet niets.!’ Want als zij werkelijk niets doet, dat zal ik u hier door het feit zelf dat zij niets doet bewijzen dat zij veel doet. Als het verstand wordt ontledigd van particuliere – natuurlijke of geestelijke – inzichten, dan gaat het vooruit. Hoe meer het nu ontledigd wordt van particulier inzicht en afzonderlijke acten van begrijpen, des te meer gaat het verstand vooruit op de weg naar het hoogste bovennatuurlijke goed. (1041)


Niet in onderscheiden begrippen

Zegt niet: ‘O, zij begrijpt niet meer in onderscheiden begrippen en daarom kan zij niet vooruitgaan!’ Integendeel, ik zeg u: als zij in onderscheiden begrippen begrijpt, zal zij niet vooruitgaan. De reden hiervan is de volgende. God, naar Wie het verstand streeft, gaat het verstand te boven. Aldus is Hij onbegrijpelijk en ontoegankelijk voor het verstand. Als het verstand dus naar God wil gaan door begrippen, komt het God niet meer nabij, maar raakt het verder van Hem verwijderd. Daarom moet het afstand nemen van zichzelf en van zijn inzicht om op de weg van het geloof nader te komen tot God door te geloven en niet door te begrijpen. (1042,1043)


Door niet-begrijpen

De ziel komt nader tot God niet door begrijpen, maar door niet-begrijpen. Daarom moet ge niet bezorgd zijn, want zij gaat vooruit, als het verstand niet teruggaat. Dit laatste zou gebeuren als het zich zou willen vullen met onderscheiden inzichten en allerlei redeneringen en begrippen en niet zonder activiteit wil blijven. Als het zich ontledigt van alles wat het kan bevatten, gaat het vooruit. Niets van dit alles is immers God. Wij hebben immers gezegd dat een in-beslag-genomen hart God niet kan bevatten. (1042)


De duisternis van het geloof

In deze toestand van volmaaktheid betekent niet-teruggaan vooruitgaan; de vooruitgang van het verstand betekent dat het nog meer de geloofshouding aanneemt. Dit betekent dus dat het in nog groter duisternis terechtkomt. Het geloof betekent immers duisternis voor het verstand. Omdat het verstand God niet kan begrijpen, moet het noodzakelijk tot Hem gaan door het niet-begrijpen. Omdat hetgeen gij veroordeelt het verstand tot welzijn zou strekken, dient ge te weten dat het niet bezig moet zijn met onderscheiden inzichten. Daardoor kan het immers niet nader tot God komen. Om tot Hem te komen moet het er zich eerder van ontdoen. (1042)


Onvoorstelbaar

Evenmin hoeft men bang te zijn, als het geheugen ontledigd is van zijn gestalten en voorstellingen. Omdat God immers geen gestalte of voorstelling heeft, is het geheugen veilig, als het voortgaat zonder gestalte en voorstelling. Dan nadert het meer tot God. Hoe meer het steunt op de verbeeldingskracht, des te verder raakt het van God verwijderd en des te meer verkeert het in gevaar. God is immers onvoorstelbaar; de verbeeldingskracht kan Hem dus niet omvatten. (1044)


uit Brieven:


Leeg en duister

God is onbegrijpelijk en ontoegankelijk. Om de activiteit van zijn liefde op God te richten moet de wil bijgevolg zijn activiteit niet richten op wat hij in zijn verlangen kan aanraken en bevatten, maar op wat hij niet kan begrijpen en waar hij niet bij kan komen. Op deze wijze blijft de wil het zekerst en op de meest waarachtige wijze liefhebben naar de smaak van het geloof. Het geloof is immers wat de gewaarwordingen betreft ook leeg en duister. Boven alle gewaarwordingen uit die het kan ervaren met het begrip van zijn inzichten, blijft het geloven en lief hebben boven alles wat het zou kunnen begrijpen. (uit brief 29, pagina 113)


Een breedheid van het hart

Met God alleen moeten jullie tevreden willen zijn. Weet ook dat ge alleen die kommer zult hebben en ervaren waaraan ge uw hart wil onderwerpen. De arme van geest immers blijft in de ontbering standvastiger en blijer. Als zijn al ziet hij immers het niets! Zo ondervindt hij in alles een breedheid van het hart. Gelukkig niets en gelukkige vergetelheid van het hart! Het is zo sterk dat het alles onderwerpt. Niets wil het aan zichzelf onderwerpen. Het verliest alle zorg om des te feller te branden in liefde. (uit brief 32, p118)


In niets iets bezitten

Zeker, wat u achterlaat zal u heel wat kosten. Maar het is niets want u moest het toch gauw achterlaten. Om God in alles te bezitten moet u in niets iets bezitten. Hoe zou immers een hart dat al iemand toebehoort nog helemaal van iemand anders kunnen zijn? (uit brief 33, p120)


Verdachte veronderstellingen

Kijk nou eens wat er allemaal kan omgaan in een ziel die in een toestand verkeerd als de uwe. Nu zij in duisternis verkeert en in die toestand van ontlediging en geestelijke armoede, denkt u dat allen u ontvallen en u alles ontbreekt. Maar dat is geen wonder want in deze toestand hebt u ook de indruk dat God u ontvalt. Maar u ontbreekt niets! Het is nergens voor nodig met iets bezig te zijn. Ge hebt niemand, ge kent niemand en ge zult niemand vinden. Dat zijn allemaal maar verdachte veronderstellingen die geen grond hebben. (uit brief 35, p123)


U zou het er wel mooi afbrengen

Wie niet anders wil dan God wandelt helemaal niet in duisternis al zou het er nog donkerder en armoediger uitzien. En wie niet rondloopt met verkeerde vooronderstellingen en eigen zin, noch wat God noch wat de schepselen betreft; die noch in het een noch in het ander zijn eigen wil doet, die hoeft zich nergens aan te stoten en die heeft ook niemand nodig om mee te praten. Het gaat goed met u! Laat het zo en u zult vreugde vinden. Wie bent u eigenlijk dat u zorg zou hebben over u zelf? U zou het er wel mooi afbrengen! (uit brief 35, 124)


Wat wilt u dan?

U bent nooit beter geweest dan op het ogenblik! Nooit bent u immers zo nederig geweest en zo onderworpen. Nooit hebt u zo’n geringe dunk van uzelf en van de dingen van de wereld gehad. Nooit hebt u uzelf als zo slecht gekend en God als zo goed. Nooit hebt u Go zo zuiver en zo belangeloos gediend als op het ogenblik. Nooit was u zo weinig bezig met de onvolmaaktheden van uw wil en van uw hele persoon, zoals u dat vroeger misschien wel gewoon was. Wat wilt u dan? (uit brief 35, 124)


Een grote gunst

Wat zoudt ge dan nog andere waarnemingen nodig hebben, of ander licht of wat zoetigheid hier en daar? Overigens zijn die altijd vol van voetangels en klemmen. Bovendien gevaren voor de ziel die zich met die mededelingen en verlangens gauw vergist en misrekent! En ook haar eigen vermogens brengen haar op een dwaalspoor! Het is dus een grote gunst van God als hij die vermogens in duisternis doet verkeren; als Hij de ziel zo arm maakt dat ze door haar vermogens niet op een dwaalspoor kan worden gebracht. (uit brief 35, 124)


De verborgen schat

[in brief 38 raadt Johannes van het Kruis ene zuster Maria del Nacimiento aan dat ze, in haar eigen woorden; HD] de verborgen schat moest blijven zoeken in de akker ook al had ze de indruk hem niet te vinden. Als zij hem immers vond was hij ook niet meer verborgen en bijgevolg ook geen schat. (126)


Hecht er geen geloof aan

Als iemand, prelaat of geen prelaat, u ooit een brede leer zou willen aanpraten, hecht er dan geen geloof aan en aanvaard ze niet, al zou hij ze bevestigen door wonderen. Meer boetvaardigheid, mijn zoon, en meer onthechting van alles. En zoek geen Christus zonder kruis. (uit brief 39, p126)


Geen aandacht aan schenken

Met betrekking tot het vrijwillig bezig zijn met iets in gedachten: Niet biechten en er geen aandacht aan schenken en er ook niet bezorgd over zijn! Of dat nu oordelen zijn of verkeerde dingen of voorstellingen of dat u door iets bewogen wordt zoals dat gebeurt. (uit brief 40, p127)


Geen gevaarlijker dief

Nu hebt u gezien, dochter, hoe goed het is geen geld te hebben. Dat ontglipt ons toch en het troebleert ons. U hebt ook gezien dat de schatten van de ziel verborgen zitten en in toestand van vrede verkeren. Zozeer zelfs dat wij zelf niet eens meer weten wáár ze zitten en ze zelf niet in het oog kunnen krijgen. Er bestaat immers geen gevaarlijker dief dan die al in huis zit. God moge ons bevrijden van onszelf! (uit brief 41, p129)


Het verlangen arm te zijn

Wat de tijdelijke aangelegenheden van uw huis betreft: ik zou liever niet hebben dat u er zich zoveel zorg over maakt. Daardoor zult u immers God gaan vergeten. U zult er tijdelijke en geestelijke moeilijkheden door krijgen. Onze zorg immers brengt ons in een noodtoestand. Werp al uw zorg, dochter, op God. Hij zal u voeden (Vgl. Ps. 54:23). Wie immers het meerdere geeft en graag geeft, kan in het mindere niet tekortschieten. Zorg ervoor dat u nooit het verlangen ontbreekt in iets gebrek te lijden en arm te zijn. Want zogauw u dat verlangen mist, zal u ook de geest ontbreken en zult u slapper worden in de deugd. (uit brief 44, p 130)


De kostelijke vrucht der zelfvergetelheid

De dingen die niet bevallen kunnen zo goed en zo passend zijn als ze maar willen, ze zullen ons altijd als slecht voorkomen en als iets dat tegen ons indruist. Men moet goed inzien dat het noch voor mij noch voor iemand anders slecht is. Wat mij betreft, och het komt me goed van pas. Nu ik vrij ben en ontheven van zielzorg, kan ik, als ik dat wil, met Gods hulp genieten van de vrede, de eenzaamheid en van de kostelijke vrucht der zelfvergetelheid en alle dingen vergeten. (133)
(uit brief 46, p133)


Spreuken van licht en liefde

Nota bene: de toeschrijving van de kleinere geschriften aan Johannes van het Kruis is minder zeker dan die van de overige geschriften.


Uit Gebed van een op god verliefde ziel (1089-1095)


30. U, mijn Heer, kende ik niet. Want ik wilde nog op de hoogte zijn van de dingen en daar smaak in vinden.

31. Laat alles maar veranderen; wij vinden het best, Heer God, als wij maar rust mogen vinden in u.

33. Voor wat niet voelbaar is, dat wat ge niet voelt; voor wat voelbaar is, de zintuiglijkheid; en voor de geest van God, de gedachte.

48. Een mens, bij wie het genot in de dingen geen blijdschap wekt, terwijl de tegenzin hem geen droefenis veroorzaakt, die mens heeft waarlijk alles overwonnen.

49. Als ge het tot heilige ingekeerdheid wilt brengen, moet ge er niet willen komen door toe te laten maar door te verloochenen.

52. God is nu eenmaal ontoegankelijk. Dit moet ge niet trachten te verhelpen met wat uw vermogens kunnen begrijpen en uw zintuiglijkheid kan waarnemen. Want dan zoudt ge u met het mindere tevreden stellen, terwijl uw ziel het vederlichte zou verliezen dat nodig is om tot Hem te geraken.


Uit Voor andere Ongeschoeide Karmelietessen te Beas: Stippellijnen voor de liefde 1095-1102):


9. Tracht een liefdevolle aandacht te hebben voor God, zonder verlangen iets particuliers te ervaren of te begrijpen met betrekking tot Hem.

14. Zorg er altijd voor dat de dingen niets te betekenen hebben voor u en gij niets voor de dingen; maar vergeet alles en volhard in ingekeerdheid met uw Bruidegom.

44. Als ge wilt schitteren en niet voor dom en dwaas doorgaan, werp dan de dingen die niet van u zijn van u af; dan kunt ge schitteren met wat u overblijft. Maar als ge alle dingen die niet van u zijn terzijde schuift, zult ge zeker belanden bij niets. Ge moet dus pralen op niets, tenminste als ge niet in ijdele illusies wilt vervallen.

46. Als ge u hebt losgerukt van het uiterlijke en ontdaan van het innerlijke en onthecht aan de dingen van God, dan zal voorspoed u niet remmen en tegenspoed u niet hinderen.

56. Heb graag dat noch gijzelf noch anderen u kennen. Let niet op het goede en evenmin op het kwade van anderen.


Uit Andere raadgevingen (1103):


1. Wie weet te sterven aan alles zal in alles het leven bezitten.

4. Nederig is hij die zich in zijn eigen niets verbergt en zich aan God weet over te geven.