Janwillem van de Wetering

‘Dogma’s’, schreeuwde ik. ‘Allemaal onzin. Onzin op onzin. Allemaal niks.’ Citaten van zenboeddhist, schrijver en zakenman Janwillem van de Wetering (1931-2008).

Redactie en titels Hans van Dam, fotobewerking Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Zen > Janwillem van de Wetering

Tips: Nico Tydeman, Ton Lathouwers, de Linji-lu, de Poortloze Poort


De Lege Spiegel (1972)

Uit De Lege Spiegel, Ervaringen in een Japans zenklooster, Janwillem van de Wetering, 2008:


Ongebonden

Toen ik voor het eerst aan een kinhin oefening meedeed, moest ik me uit de cirkel losmaken en ben ik de hal uitgelopen. Tegen een boom heb ik staan snikken van plezier. Ik, een zwerver, een beatnik (er waren toen nog geen hippies), een ongebondene, liep nu in de rij, op de maat.
Meditatie is een oefening om onthechting, losmaking te bereiken. Ik was gebonden door het idee, dat ik van mezelf had, dat ik ongebonden was. (21)


Afbreken

Milarepa moest huizen bouwen, maar iedere keer als hij een huis klaar had, zei Marpa dat hij zich in de plaats vergist had. Het huis moest niet hier staan, maar daar, op die heuveltop. En dan kon Milarepa het huis weer afbreken, de stenen één voor één naar de heuveltop sjouwen, het huis weer opbouwen, en later weer afbreken. Het leek me niet zo’n verschrikkelijke straf. Ik had liever huizen gebouwd, zelfs met de wetenschap dat ik ze weer af zou moeten breken, dan mediteren in een hal waar ik langzaam aan stukken werd gerukt. (29)


Ui

Een mens is als een ui. Als hij zich verdiept, door meditatie of andere oefeningen, door discipline, door strijd met het ‘zelf’, vallen de lagen van de ui één voor één weg. Tot de laatste laag wegvalt en er niets overblijft. Ik vond dat een nare gedachte: niets. Al die moeite om luchtledig te worden. (41)


Alles vernietigen

‘Maar dan ben je er niet meer’, zei ik. ‘En als je er niet meer bent is er ook niets meer om dat grote inzicht, die onmetelijke vrijheid te genieten.’
‘Kijk naar de meester’, zei Peter. Hij is er toch.’ …
‘Ja’, zei ik. Maar ik begreep hem niet. En toch begreep ik hem wèl. Ik wist dat hij gelijk had. Ik wist ook dat ik eens zou weten, vast en onomstotelijk weten, dat hij een diepe waarheid verkondigde. Dat alles vernietigd moet worden, alles moet worden opgegeven, iedere trots, iedere jaloezie, iedere betweterigheid, iedere haak of uitsteeksel waaraan de persoonlijkheid aan vast gegrepen kan worden. (41)


Weg ermee

Een Amerikaanse dame zei eens tegen de meester dat zij, diep in haar wezen, een heilige kern had waarin zij tot rust kon komen, en dat die kern altijd bij haar was, soms moeilijk bereikbaar maar in ieder geval aanwezig.
‘Ja’, zei de meester. ‘Daar hebt u veel last van, die kern zit u in de weg. Geef het maar op, wat u zich er ook van voorstelt. Weg ermee.’ (42)


Niets

Ik kon me niet voorstellen dat deze rustige, van kracht stralende man eens een verwende neurotische jongen was geweest. Ik zei dat tegen de meester en noemde de metamorfose een reïncarnatie in één leven. De meester schudde zijn hoofd. ‘Die reïncarnatie moet je maar vergeten’, zei hij. ‘In het hindoeïsme wordt veel over de Atman gesproken, het Goddelijke zelf, dat onveranderlijk is en vele levens leeft en in ieder leven zichzelf meer verwezenlijkt zodat, na alle louteringen, het laatste leven op aarde geleefd kan worden en het Nirwana, of de enige hemel, of de sfeer van God zelf, ten slotte werkelijkheid wordt. Maar het boeddhisme houdt zich nergens aan vast, ook niet aan een Goddelijk zelf. (55)


Dit of dat

Alles, dat zal je merken, is illusie, tijdelijk, vergankelijk, ongrijpbaar, ook dat geheimzinnige zelf. Er was niets, er is niets, en er zal niets zijn. Maar als je logisch gaat denken, en iedere keer als jij denkt denk je in ‘dit’ of ‘dat’, dan stel je je ‘niets’ voor als de tegenstelling van ‘iets’. Dan zie je een leegte, en dan hang je je daar weer aan op. (55)


Zonder betekenis

‘Dat een neurotische jongen een evenwichtige man wordt is aardig om te zien maar zonder betekenis. Dat een mens vele levens heeft, en dat al die levens met elkaar verbonden zijn en in elkaar overgaan, is aardig om te weten. Maar wij zijn hier noch een opvoedkundig instituut, noch een school waar wijsbegeerte wordt onderwezen. Als je interesse hebt in filosofie en oosterse religie, als je wil leren over karma en reïncarnatie, dan kan je hier de poort uitgaan, tweemaal links af en driemaal rechts af en dan ben je bij de de Universiteit van Kyoto. Er zijn daar professoren die alle vragen kunnen beantwoorden, maar als je de antwoorden bekijkt, zijn het weer vragen. Het intellect is een prachtig instrument en het heeft zeker nut het te leren gebruiken, maar hier ontdek je een ander instrument. Als je de koans oplost heb je antwoorden die geen vragen meer zijn.’
‘Ja’, zei ik, ‘dat wil ik hebben. Inzicht’.
De meester keek me vriendelijk aan.
‘Inzicht op zichzelf is ook van geen betekenis.’ (55,56)


Wezens van een andere orde

Peter had satori gehad, daar kon ik zeker van zijn, in de kloosterhiërarchie werd hij net zo hoog aangeslagen als de hoofdmonnik. Zij, samen met de meester, waren wezens van een andere orde, die hun lichamen droegen zoals toneelspelers maskers en kostuums. Of maakte ik mezelf maar wat wijs? (97)


Is een wolk lid van de hemel?

‘Ben jij eigenlijk een boeddhist?’ vroeg ik? … ‘Je weet toch’, zei Han-san, ‘dat ‘ik’ niet besta. Ik verander steeds. Ieder moment ben ik anders. Ik besta zoals een wolk bestaat. Een wolk is ook een boeddhist. Jij noemt me ‘Han-san’ en doet net alsof ik gisteren was wat ik vandaag zou zijn. Maar dat moet jij weten. In werkelijkheid is er geen Han-san. En hoe kan een onwerkelijke Han-san een boeddhist zijn?’
‘Doe niet zo ingewikkeld’, zei ik, ‘ik bedoel alleen maar of je lid bent van de boeddhistische broederschap?’
‘Is een wolk lid van de hemel?’ vroeg Han-san. (136)


Het dagende niets (1974)

Uit Het dagende niets, Janwillem van de Wetering, 2008:


Dan maar niets

Niets zal van je overblijven. Je zult je naam verliezen, en je lichaam, en je karakter.
Je angst verdwijnt.
Dan moet het maar.
Er zal niets overblijven.
Dan maar niets. (28)


De neushoorn

Je begrijpt iets.
Je denkt dat je iets weet.
Je denkt dat je de deur hebt opengemaakt. En alles wat je vindt is de neushoorn.
De neushoorn van de twijfel staat voor je, en schudt met zijn machtige kop.
Hoe dikwijls heb ik de neushoorn al niet ontmoet?
Steeds weer. Steeds opnieuw de machtige twijfel, die daar lomp en machtig voor je staat, en je aankijkt vanuit kleine oogjes, achter een enorme dubbele hoorn, en de punt is op je voorhoofd gericht. (47)


Het doel ook niet

Ja, ja, daar zit je dan weer. Vroeger had ik antwoorden genoeg gehad. Ik wilde weten waarom ik leefde. Het nut van het bestaan. Het inzicht van de Boeddha. Het punt waar de vragen wegvallen. Het breken van het ego. Het opgaan in het al. Of, maar dat was wel heel ver gezocht, de ontmoeting met God.
Nu wist ik het doel ook niet meer. (49)


Huh?

De oude Japanse meester had, in de ruim twintig jaar van zijn meesterschap, altijd geweigerd de woorden ‘boeddhisme’ of ‘zen’ te gebruiken en als de een of andere fanatieke volgeling zich op de principes van het boeddhisme of de woorden van de Boeddha beriep had de meester altijd verbaasd gekeken, alsof hij niet begreep waarover gesproken werd. (89)


Satori

Misschien heb je nu wel satori gehad. De grote ervaring uit de boekjes over zen.
Is het van belang wát je nu precies hebt gehad?
Welnee.
Niets is van belang.
Ook satori niet.
Vergeet het woord.
Leef alsof je er nog nooit van gehoord hebt. (90)


Geen flauw idee

‘Ik heb vele persoonlijkheden’ zei ik ‘en geen één ervan is de echte. Vermommingen zijn het, allemaal.’
Ik stond op en trok mijn jas aan.
‘En wie staat hier dan voor me?’
‘Ik heb geen flauw idee’ zei ik, en trok de deur achter me dicht. (126)


Twijfel

Een zenmeester moedigt de twijfel aan. Hij is een gids in een land van moerassen en ravijnen. Wanneer de discipel denkt vaste grond onder de voeten te hebben en een duidelijk doel te zien zal de meester hem een nieuwe vraag geven en dan doemt de twijfel weer op, machtig en lomp als een neushoorn die zijn kop schudt en met zijn dubbele hoorn dreigt. (129)


Het is maar spel

Je ben acht jaar oud. Het is zondagavond. Je mag nog een uurtje opblijven.
De familie speelt monopoly. Je doet mee.
Je verliest. Je verliest steeds meer. Je maag krampt van angst. Je bent bijna alles kwijt. Het hoopje geld voor je is verdwenen. De huizen worden van je straten gegrist. De laatste straat wordt verkocht. Je moet het opgeven. Je bent verloren.
Het zweet staat op je voorhoofd.
En opeens weet je dat het maar een spel is. Je springt op van vreugde en je slaat de kap van de lamp. De kap valt op tafel en er valt een kopje thee om. De anderen worden boos op je maar je gaat lachend naar bed. Het is de eerste keer dat je weet dat alles een spel is, dat je nooit iets zult kunnen verliezen.
Je weet dat je niets hebt, dat je niets bent.
En je weet dat niets-hebben en niets-zijn een onmetelijke vrijheid oplevert. (139)


Het hol van de groene draak

De filosofen zijn in het hol van de groene draak, de draak die zo moeilijk te overwinnen is, en als hij dan eindelijk op de grond ligt en je stroopt hem zijn huid af dan heeft hij nog een huid, en daaronder weer een huid. De kooplui zijn in het hol van de groene draak, ze vechten met de tegenslag van het bestaan, en ze winnen wel eens, en wat ze in hun handen hebben blijkt niet werkelijk te zijn. De generaals zijn in het hol van de groene draak, en de politici. En ook de zendiscipelen. Ze willen weten wat Satori is. We zijn bang voor de leegte in ons zelf en we proberen de leegte te vullen. Met ideeën, met namen, met definities.’ (141)


Dat weet je ook niet

Drie miljard mensen wonen op een bol.
De bol hangt in het niets.
Waar zijn die drie miljard mensen mee bezig?
En waarom, meneer de zenstudent, wil je dat weten?
Dat weet je ook niet. (149)


Aasvogel

Niet zo’n gekke vergelijking dacht ik. Hij is de aasvogel, ik ben het aas. Hij hapt hele stukken uit me. Ik ben niet van belang, de Boeddha is niet van belang, het Nirwana is niet van belang. Alles wat ik doe is leeg, en zelfs de leegte is noch het begin, noch het einde, noch het doel van ons bestaan. Alles waar ik me aan vast tracht te houden is zonder substantie. (160)


Vrijheid

Weet je dat werkelijk? vroeg ik. Heb je de vrijheid meegemaakt? Wat is dat dan, die vrijheid? Zit je dan op een wolk, zoals de Boeddha op de bidprentjes, en bekijk je van verre het gedoe van de mensen? Waar is die wolk?
Ach, die wolk is hier natuurlijk. Die wolk is niet ergens buiten het heelal. Je moet het nooit te ver zoeken. De vrijheid is hier, altijd hier. Wanneer je probeert te ontsnappen maak je een dwaze vergissing.
En hoe weet je dat die vrijheid bestaat?
De vrijheid bestaat, zei ik koppig.
Ben je bang? vroeg ik. Heb ik nu de pijnlijke plek in je geloof aangeraakt? Wil je er niet verder over praten? Word je kribbig omdat ik tegen de plank sta te schoppen waar je op staat? Denk je dat, als ik die plank wegschop, je naar beneden zult vallen, diep in het niets? Ben je bang dat je iets kwijtraakt? Heb ik je status geraakt? (165)


Verbaasd

Het leven is een grote verschrikking. En het is wonderlijk mooi. Het woord ‘wonder’ wordt te veel gebruikt en heeft zijn waarde verloren. Maar we leven in wonderen. De lijsters in het park, de eenden die in de gracht drijven, de planerende meeuwen, maar ook de auto op de Rijksweg, de graafmachine in de polder, en de grote vierkante flatgebouwen. Wie de tijd en de rust neemt om te kijken is tot het diepst van zijn wezen verbaasd, en voelt de leegte van zijn diepste wezen. (176)


Vergeten

‘Laat los! Laat los!’
De zenmeester zegt het tegen de discipel. De discipel vraagt altijd. Hij wil weten. Hij wil zijn. Hij wil hebben. Hij wil dat de meester hem van alles geeft.
Maar de meester geeft niets.
‘Wat moet ik dan loslaten?’ vraagt de discipel maar de meester is doorgelopen en luistert niet.
Hij moet zichzelf loslaten. Zijn ideeën. Ook het inzicht dat hij denkt gevonden te hebben. Hij moet vergeten wie hij denkt te zijn en hoe hij denkt te heten. (176)


Zuivere leegte (2000)

Uit Zuivere leegte; Ervaringen van een respectloze zenleerling, Janwillem van de Wetering, 2000:


Los van de leegte

Ik had gelezen dat de kern van het boeddhistische geloof niets is. Het idee deed me aan Harley-Davidsons en naakte vrouwen denken. Ik wilde weten hoe ik in dat niets kon komen. ‘Waarom’, vroeg Roshi, ‘moet ik je de leegte wijzen? Je bent niets. Je bent nooit iets geweest.’
‘Hier met dat niets’, zei ik.
‘En dan wat, Jan-san?’
‘Dan blijf ik erin.’
‘Je blijft waar je al bent? Je houdt je vast aan je leegte?’
‘Los van de leegte, Roshi?’
Hij buitelde over de bank en klapte in zijn handen. ‘Laat los. Laat los!’ (46)


Nooit meer twijfelen

Ik had me, in de zomer van 1960, voor ik Daitoku-ji verliet, bij Roshi gemeld om boeddhist te worden. Dat kon, zei Roshi. Ik zou enige simpele geloftes moeten afleggen terwijl hij, in zijn brokaten pak, voor een altaar danste en boog (hij deed dat voor), terwijl zijn monniken zingend op trommels sloegen. … ‘Dan hoef je nooit meer te twijfelen’, zei Roshi. ‘Dan weet je waar je bent.’ Hij sloeg zich op de borst. ‘Ik ben boeddhist.’
Hij zei ook dat hij er zelf nooit aan begonnen was. Ja, als jongen had hij, omdat zijn ouders dat zo graag wilden, iets voor een altaar gemurmeld, maar wist hij veel? Hij sloeg me op mijn schouder en praatte met een schorre stem, gebruikte stoere taal zoals samoerai dat doen in Japanse vechtfilms. ‘Wat stelt die Boeddha-kerel eigenlijk voor?’
Hij lachte daverend. (51)


Niets iets niets

Er moeten tijden geweest zijn dat zen leuk was. Ik las een historische zenroman waarin twee Chinese dronken lorren hand in hand op Berg Sumeru dansen als ze geen dada-gedichten op berkenbast schrijven (niets iets iets niets ha iets niets?) en potsen maken als hun iets zinnigs gevraagd wordt. De burgerij was dol op de twee wijzen. Er werd eten op met mos begroeide rotsen voor hen neergezet. En drank. Ze waren natuurgoeroes, mysterieuze mysteriën, begrijpende lolmakers. (76)


Uitgekauwd

Is er geen oorspronkelijkheid meer? Moet iedere nieuwe zenmeester van de laatste duizend jaar … steeds dezelfde verzameling van stukgepeuterde, verkreukelde, uitgekauwde en uitgespuugde koans opdienen? En doen alsof hij zijn bij elkaar gespiekt mengsel hoogstpersoonlijk heeft opgekookt? Kan hij zijn eigen verhaaltjes niet verzinnen? Grappige gebeurtenissen uit eigen verleden vertellen? Sinds wanneer zijn improvisaties uit de mode? (77)


Met bad en al

Ja mevrouw, ik het het kind met het badwater weggegooid en de badkuip ging ook mee. Weg met het zenkind en alle rotzooi die het met zich meezeult – wie heeft dat nodig? (83)


Kraampraat

Ik weet niets van ‘verlichting’.
Roshi wilde er ook niets over weten. Ik vroeg hem over het satori waar ik over las, tijdens de lange scheepsreis naar Japan, in een boek van Dr. D. T. Suzuki. ‘Wat is satori, Roshi? Wat is die verlichting die je krijgt als je koans oplost, als je door de illusie heen kijkt?
‘Bah’, zei Roshi. ‘Verlichting? Alsjeblieft zeg. Gooi weg die kraampraat. Ik wil je daar nooit meer over horen.’ (84)


Belangrijkdoenerij

Al twijfelend begon ik iets te begrijpen. Als je gelooft in een ‘eigen wezen’ en dat gaat opsporen (om er een prijskaartje aan te hangen?), ben je vanaf het begin al verloren, want je valt in de sloot van belangrijkdoenerij.


Omdat het er nooit was

Wat ben ik dan wel als ik me niet met mijn tijdelijke hulpmiddelen vereenzelvig? Mu. Zuivere leegte. Maar zelfs Mu is een veel te ingewikkeld woord om mijn eigen wezen mee aan te duiden.
Ik snauwde, tijdens het zoveelste ‘eigen wezen’-sanzen, dat Sensei tijd en moeite verknoeide. ‘… Ik zal mijn wezen nooit ontdekken. En weet je waarom? Omdat het er nooit was.’
‘Waar nooit was?’
‘Waar dan ook nooit was.’
‘Wat je zegt’, zei Sensei schor. (104)


Mystiek

Hij werkte me een beetje op de zenuwen, omdat hij maar bleef volhouden dat ik ‘mystiek’ zou zijn. Ik wilde niet mystiek zijn, ik wilde helemaal niets zijn. (106)


Onzin op onzin

‘Dogma’s’, schreeuwde ik. ‘Allemaal onzin. … Onzin op onzin. Allemaal niks.’ (111)


Noch gelijk noch ongelijk

Zelfs als jij en ik het met elkaar eens worden over wat we denken waar te nemen, zelfs dan zijn jouw waarnemingen nog altijd de jouwe en de mijne nog altijd de mijne, en onze samenwerking bewijst in het geheel niet dat er een onderliggende werkelijkheid is die onze waarnemingen gelijkstelt. Het is niet zozeer dat wij alle twee ongelijk hebben. Je kunt beter zeggen dat we geen van tweeën noch ongelijk noch gelijk hebben. (124)


Nog wankeler

Wat ben ik anders dan een door jou vastgestelde combinatie van jouw zintuiglijke waarnemingen van mijn eigenschappen? En, om onze conclusies betreffende de werkelijkheid nog wankeler te maken, is het vice versa niet net zo? (124)


Iets is niets

We hebben elkaar niet gefantaseerd, we hebben elkaars bestaan niet verkeerd begrepen, we hebben alleen maar onwerkelijke ideeën geschapen over wat jij en ik zijn. Dus wat is werkelijk?
Waarschijnlijk, veronderstelde Hume, hoogstwaarschijnlijk – niets. Er bestaat een goede kans, concludeerde Hume, dat alleen het niets werkelijk is. Het niets, dat onder al onze waarnemingen schuilgaat, stelde Hume (zoals Einstein absolute ruimte ontkent en Stephen Hawking absolute tijd), is de enige werkelijkheid.
Iets is niets. Niets is.(124)


Triktrak

Hoe minder werkelijkheid Hume aantrof hoe vrolijker hij werd. Een onwerkelijk ego heeft weinig nodig. Hij speelde triktrak bij de open haard, bood warme wijn aan, genoot van zijn studies (met name die over het niets), die ‘de beheersende hartstocht van mijn leven zijn en me het allergrootste genoegen bereiden.’ (125)


Troost

De boeddha’s gaan koel tekeer in het nergens. Niemand hoeft te bewijzen dat hij bestaat, rechten heeft, gerespecteerd moet worden. Wat zich als bestaand opdringt ergert, wat, daaronder, niet bestaat troost. (126)


De volmaakte verliezer

En zo worstelden we ons verder, zoals dat is voorgeschreven bij koanstudie. We herhaalden de vragen en antwoorden precies zoals Sensei dat had geleerd. Zodra de monnik ‘ja’ zegt ontkent de meester het bestaan van wat zojuist werd bevestigd. De monnik kan niet winnen omdat hij niet mag winnen. Een goede monnik is de volmaakte verliezer. Zendiscipline is zodanig ontworpen dat de onderzoeker, al vorderend, steeds meer loslaat. (136)


Wie zegt u?

Er zal, op een goede dag, geen zen meer zijn, geen ch’an, dhyana, of hoe de vergeten meesters hun sekte, school, pad of richting ook noemden. Geen ruimte, geen tijd, geen Hart-soetra, geen weg, geen niet-weg. …
‘En dan?’, vroeg ik.
‘En dan begint alles weer overnieuw’, zei ik.
‘Precies op dezelfde manier’, zei ik. ‘Alleen anders.’
‘Niemand weet meer wie de Boeddha was’, zei ik.
‘Hij heet dan anders’, zei ik. (137)


Wie kan ooit begrijpen

Wie kan ooit begrijpen hoe zijn eigen leven zo zonderling kan verlopen? Weten we ooit wat we met ons scenario aanmoeten? Is er een spoor van rechtvaardigheid in ons bestaan? Hoe komt het dat we iedere keer dezelfde fouten maken? Waarom komen onze inzichten altijd net even te laat? Waarom krijgen we nooit vat op de omstandigheden die ons zo gek maken? Als het lijkt dat alles in orde is gekomen, ons bestaan eindelijk in evenwicht is, waarom blijft het dan niet zo, al is het maar een weekje? Hoe bestaat het dat we nooit de tijd krijgen om aan iets te wennen, zelfs niet aan ellende? (143)


Betekent niks niet

Hij zei dan dat zijn echte naam nu Charlie was. ‘Mij Charlie die voor monnik Dazi-Kawa speelt, maar echt-waar, echt-waar mij Charlie. Ik vroeg wat echt-waar echt-waar betekende en hij zei ‘betekent niks niet’ en liet zijn mooie witte stevige rechte tanden zien. (162)


Welke geen-richting?

‘Dit zou u kunnen helpen bij het richting geven van uw geestelijke zoektocht’, zei de oude heer. Ik probeerde een zennig antwoord te geven. ‘Ik geloof soms, eerwaarde, dat er geen richting is misschien.’
Het nobele gelaat glimlachte begrijpend. ‘Welke geen-richting bedoel je? In mijn leerschool classificeren we negenhonderdnegenennegentig geen-richtingen op de weg naar de Boeddha. (163)


De grote schoonmaak

De meditatie bestaat uit visualisatie. Je stelt je voor dat je je portefeuille met geld, rijbewijs, paspoort, geldkaarten, je horloge, je sieraden, alles wat je in je zakken hebt, in het vuur gooit en je kijkt toe hoe het verbrand. Je kleedt je uit en je verbrandt je kleren en schoenen. Je scheert je haar af en verbrandt dat ook. Je roept gieren op, snijdt een slagader door, ze drinken je bloed. Je geeft ze je afgestroopte huid, je spieren, je zenuwen, je hart, je lever, alle organen. Je kijkt toe hoe ze van je darmen smullen. Je breekt je botten en voert ze aan de vogels. Je laat de beenderen van je hand bij de gierenbekken naar binnen lopen. (211)


Helemaal geen spiegel

De gebarsten spiegel, de lege spiegel, de spiegel die de waarheid laat zien, helemaal geen spiegel, zonder handvat, zonder lijst, de vrije doorvlucht.


collage-janwillem-van-de-wetering