Metaforen niet-weten; een kaartenhuis

,

Heel veel metaforen voor niet-weten.

Deze pagina is als serie verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.

Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van niet weten, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


Uitvegen maar

Wat is niet-weten voor jou? Zen? Onzin? Wijsheid zonder wijsheid? Scepsis? Twijfelzucht? Agnosticisme, relativisme, pragmatisme? Een tussenstadium of valkuil op weg naar nirwana? Existentialisme, anarchisme, stoïcisme? De donkere nacht van de ziel in afwachting van de mystieke godheid? Fatalisme, nihilisme, obscurantisme? Een vlucht in onwetendheid, onverantwoordelijkheid, immoraliteit en onvolwassenheid? Een levenshouding, omgangsideaal of managementstijl met het accent op openheid, onbevangenheid, bescheidenheid, vriendelijkheid en mededogen? Een pose, uitsloverij, egotripperij? Een transcendente werkelijkheid die iedere dualiteit overstijgt? Dementie, vervreemding, geestesziekte? Een antwoord op elke levensvraag, een panacee voor de problemen van alledag? Cognitieve therapie, autolyse, RET, het Werk van Byron Katie? Vrijdenkerij, veeldenkerij, niet-denkerij? Bewustzijn, stilte, leegte? Het totaal andere, het numineuze, het mysterie? Boeddha, mara, maya? Een einde aan het lijden? Een bron van lijden? Een bron van inkomsten? Een bron van ergernis? Een bron van vermaak? Een mes om al je gedachten bij de wortel af te snijden?

Voor mij is niet-weten een wegwerpwoord om de onvoorstelbare verandering in mijn denken mee aan te duiden die mij tien jaar geleden ongevraagd en onvoorzien is overkomen – niet geleidelijk maar plotseling, of je een zee leeggooit – en die zich niet onder woorden laat brengen, ook niet als niet-weten. Onder woorden brengen zou het einde ervan zijn, voel ik. Zwijgen doet het ook geen recht, en zo ontstaat vanzelf het spel van balletjes opgooien en weer wegslaan, met als resultaat de ene reeks dwaalteksten na de andere, nu deze weer.

Veel plaatjes en weinig woorden ditmaal, want plaatjes vullen geen gaatjes en gaten laten vallen is de kunst van vliegwerk. Als je aan het eind van deze reeks weet wat ik met niet-weten bedoel ben ik te duidelijk geweest en anders te onduidelijk.

Invullen maar.

zen uitvegen


De weg terug

Worden de blinden geopend, dan licht de lege ruimte op
Maar als beginsel volstaat zelfs de leegte niet
Werp liever alle dingen én de leegte weg
Opdat de geesteswind nooit meer door de kieren zal gieren

(Wumen Huikai in zijn vers bij koan 26 van de Poortloze Poort)

Een prachtig vers, als je het mij vraagt.
Maar waarom zou de geesteswind nooit meer door de kieren mogen gieren?
Doe eens gek, zei de gek, en werp zelfs het wegwerpen van alle dingen en de leegte weg en…

Hoor die ketel plots weer fluiten
Noch van binnen noch van buiten
Licht de lege ruimte op
Zet hem dan maar op je kop

fluitketel


Weten

zwaar bewolkt


Niet weten

licht bewolkt

 


Kijk je rijk

Voor elckerlyc

Meester Tja zegt tien keer hetzelfde met andere woorden of tien keer wat anders met dezelfde woorden, maar wat zegt hij nou?

‘Wie wéét die ziet het allemaal, wie niet weet die zíet het allemaal wel, en zo heeft elk zijn kijk.’

‘Wie wéét die heeft het goed gezien, wie niet weet die heeft het zien doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

‘Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft het zelf gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

Wie wéét die heeft het zélf gezien, wie niet weet die heeft zichzelf doorzien, en zo heeft elk zijn kijk.’

‘Wie wéét die heeft zichzelf ontzien, wie niet weet heeft afgezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

‘Wie wéét die houdt het voor onzienlijk, wie niet weet die houdt het voor gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

‘Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die heeft het wel gezíen, en zo heeft elk zijn kijk.’

‘Wie wéét die heeft het niet gezien, wie niet weet die is gezien, en zo heeft elk zijn kijk.’

‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elkeen rijk.’

‘Wie wéét geeft niemand gelijk, wie niet weet geeft niemand ongelijk, en zo blijft elk een rijk.’

Zwervelingen 379

 


Als ratten

‘Wat is weten?’
‘Van zinkend schip naar zinkend schip.’
‘Wat is niet weten?’
‘Verzuipen.’

als ratten


Een oude rat ziet licht een gat

‘Wat is weten?’
‘Alles dichttimmeren.’
‘Wat is niet weten?’
‘Overal kieren zien.’

een oude rat


Een kinderhand is gauw gevuld

Een gapend gat
Een gapend gat

‘Wat is weten?’
‘Overal kieren zien.’
‘Wat is niet weten?’
‘Door de kieren kijken.’
‘Wat is daar te zien?’
‘Een gapend gat.’
‘Wát?’
‘Noem het dan maar eindeloze vergezichten.’
‘Wauw!’

Ongekende vergezichten
Ongekende vergezichten

Onverholen

‘Wat is weten’
‘Een gapend gat.’
‘Wat is niet weten?’
‘Ook een gapend gat.’
‘Wat is dan het verschil?’
‘Een gapend gat.’

Abyssus


Wijsheid

uilenboek

 


Intervisie

‘Waarmee kun je weten vergelijken?’
‘Dingen zien.’
‘Waarmee kun je niet weten vergelijken?’
‘Tussenruimte zien.’
‘Welke tussenruimte?’
‘De ruimte tussen de dingen.’
‘Maar die kun je toch niet zien?’
‘Daardoor kun je dingen zien.’

tussenruimte

Een prachtig boek over de tussenruimte is Bewijsmateriaal van K. Schippers.


Verdwijnpunten

‘Wat is weten?’
‘Een perspectief op de wereld aanzien voor de wereld zelf.’
‘Hoe kan ik de wereld zelf zien?’
‘Dat je de wereld zelf zou kunnen zien is opnieuw een perspectief.’
‘Bedoel je dat je de wereld zelf niet kunt zien?’
‘Dat is opnieuw een perspectief.’
‘Bedoel je dat er niet zoiets is als de wereld zelf?’
‘Dat is opnieuw een perspectief.’
‘Er zijn alleen maar perspectieven, wou je zeggen.’
‘Dat is opnieuw een perspectief.’
‘Wat is niet weten?’
‘Geen perspectief.’
‘Daar kan ik me niets bij voorstellen.’
‘Doe dan maar elk perspectief.’
‘Is dit de waarheid of opnieuw een perspectief?’
‘Dat heb je goed gezien.’

verdwijnpunten


Uit zicht

‘Wat is weten?’
‘Steeds door hetzelfde raam kijken.’
‘Wat is niet weten?’
‘Steeds door een ander raam kijken.’
‘Kies je daarvoor of overkomt het je?’
‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’
‘Wat is de weg naar niet weten?’
‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’
‘Bedoel je dat er vele wegen naar niet weten zijn?’
‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’
‘Is er eigenlijk wel een weg naar niet weten?’
‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’
‘Is er eigenlijk wel zoiets als niet weten?’
‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’
‘Volgens mij kijk jij steeds door hetzelfde raam.’
‘Volgens mij zie jij mij steeds door hetzelfde raam kijken.’
‘En niet weten is steeds door een ander raam kijken?’
‘Het is maar net door welk raam je kijkt.’

ramen


Vensters van de ziel

‘Wat is weten?’
‘Door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet.’
‘Wat is niet weten?’
‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet.’
‘Ik geloof dat ik het zie.’
‘Dan is dat je raam.’
‘Zien dat je door een raam naar buiten kijkt en denkt dat je de wereld ziet is ook een raam?’
‘En zien dat door een raam naar buiten kijken en denken dat je de wereld ziet ook een raam is ook.’
‘Enzovoort.’
‘Nou, voort…’
‘Allemaal weten.’
‘Per definitie.’
‘Maar wat is dan niet weten?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Per definitie niet?’
‘Hoe dan ook niet.’
‘Want dat zou toch weer weten zijn.’
‘Per definitie.’

raam


Jigsaw

‘Wat is weten?’
‘Eindeloos puzzelen.’
‘Wat is niet weten?’
‘Stukjes zien.’

puzzelaar


Uitgelegd

‘Wat is weten?’
‘Stukjes zien.’
‘Wat is niet weten?’
‘Het hele plaatje zien.’

puzzle vraagteken


Gezichtsbedrog

‘Wat is weten?’
‘Een januskop.’
‘Een wat?’
‘Een god met twee gezichten.’
‘Waarom noem je het een god?’
‘Omdat iedereen het aanbidt.’
‘Wat zijn de twee gezichten van weten?’
‘Gewoon weten en weten van niet weten.’
‘Wat is weten van niet weten?’
‘Een schijngestalte van niet weten.’
‘Maar wat is dan niet weten?’
‘Geen gezicht.’

januskop jc en maria


Vals

‘Geen-gezicht is mijn ware gezicht.’
‘Toch weer een masker gevonden?’

masker 1

 


Ragebol

spinnewebhoofd

‘Wat is weten?’
‘Vastzitten in het web van je gedachten.’
‘Wat is niet weten?’
‘Rondlopen op het web van je gedachten.’
‘Ik streef ernaar het web van mijn gedachten helemaal te verlaten.’
‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’
‘Want het web van je gedachten verlaten kun je niet.’
‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’
‘Want er is helemaal geen web.’
‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’
‘Want er is helemaal geen je.’
‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Dan is dat de gedachte waarin je vastzit.’

ragebol


Wie is van hout?

‘Wat is weten?’
‘Een boom in een potje.’

boom in pot

‘Wat is niet weten?’
‘Een boom in de vrije natuur.’

boom

‘Nou, dan zou ik het wel weten.’
‘Nou, ik niet.’


Bij hoog en bij laag

‘Wat is weten?’
‘De boom der kennis.’
‘Wat is niet weten?’
‘De ongrond waarin de boom der kennis wortelt.’

ruimteboom


Krijg het heen en weer

‘Wat is weten?’
‘Een vlucht uit niet weten.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een vlucht uit het weten.’
‘Bedoel je dat we voortdurend heen en weer vluchten?’
‘Tenzij we vanzelf heen en weer gaan.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Gesteld dat we inderdaad heen en weer gaan.’
‘Hè?’
‘Want ik kan wel zoveel beweren.’
‘Is dit nou een vlucht uit het weten of een vlucht uit niet weten?’
‘Een vlucht uit het vluchten.’

schommel


Kraaienmars

‘Wat is weten?’
‘Denken dat tot stilstand probeert te komen.’
‘Wat is niet weten?’
‘Denken dat in beweging probeert te blijven.’
‘Welk denken zal uiteindelijk victorie kraaien?’
‘Ze zullen beide blijven kraaien…’
‘Maar?’
‘Nooit victorie.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ze elkaar aan de gang houden.’
‘Is dat een goede of een slechte zaak?’
‘Je probeert tot stilstand te komen.’
‘Kun je beter in beweging blijven?’
‘Je probeert opnieuw tot stilstand te komen.’
‘Volgens mij probeer jij in beweging te blijven.’
‘Je probeert nog steeds tot stilstand te komen.’
‘Is dit wat je bedoelt met ‘nooit victorie’?’
‘Maar we kraaien vrolijk verder.’

tredmolen kraai


Bordenwasser

‘Wat is weten?’
‘Een bord voor je kop.’
‘Wat is niet weten?’
‘Ook een bord voor je kop.’
‘Hoe kom ik van dat bord af?’
‘Welk bord?’
‘Elk bord.’
‘Wie zegt dat je ervan af kunt komen?’
‘Waar hebben we het anders over?’
‘Wat is denken dat je ervan af kunt komen?’
‘Nou?’
‘Een bord voor je kop.’
‘Omdat je er nooit van af kunt komen?’
‘Wat is denken dat je er nooit van af kunt komen?’
‘Nou?’
‘Een bord voor je kop.’
‘Toch wil ik ervan af.’
‘Waarom?’
‘Omdat ik dan beter af zal zijn.’
‘Wat is denken dat je beter af zult zijn zonder bord voor je kop?’
‘Een bord voor je kop?’
‘Hoe kom je erop.’
‘Omdat je beter af bent mét?’
‘Wat is denken dat je beter af bent met een bord voor je kop?’
‘Zeker weer een bord voor je kop.’
‘Wat is jezelf zien als iemand met een bord voor z’n kop?’
‘Bedoel je dat ik toch geen bord voor mijn kop heb?’
‘Wat is jezelf zien als iemand zonder bord voor z’n kop?’
‘Hoe moet ik mezelf dan zien?’
‘Wie zegt dat er iets te zien valt?’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Wat is denken dat er niets te zien valt?’
‘Een bord voor je kop?’
‘Wat is denken dat er toch iets te zien valt?’
‘Een bord voor je kop.’
‘Conclusie?’
‘Ik zeg niks.’
‘Waarom niet?’
‘Ik trap er niet meer in.’
‘Vind je dat we moeten zwijgen?’
‘Wel als we van het bord voor ons kop af willen.’
‘Dan is dat het bord voor je kop.’

bord voor je kop


Vragenvuur

‘Wat is weten?’
‘Op iedere vraag een antwoord.’
‘Wat is niet weten?’
‘Op ieder antwoord een vraag.’

vragenvuur

‘Wat is weten?’
‘Op ieder antwoord een vraag, op iedere vraag een antwoord.’
‘Wat is niet weten?’
‘Geen vraag en geen antwoord.’


Eindeloos

‘Wat is weten?’
‘Een leergesprek met jezelf.’
‘Komt daar ooit een eind aan?’
‘Voor de meeste mensen niet.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een dwaalgesprek met jezelf.’
‘Komt daar ooit een einde aan?’
‘Tot nog toe niet.’

papegaaien praat


Poedelprijs

‘Wat is weten?’
‘Een overwinning van de rede op de realiteit.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een overwinning van de rede op de rede.’
‘Ja, heeft de rede nou gewonnen of niet?’
‘Zo kun je het ook zeggen.’
‘Ik bedoel, heeft de realiteit nou verloren of niet?’
‘Zo kun je het ook zeggen.’

micro hersenpan


Fuiken lichten

‘Wat is weten?’
‘Een fuik.’
‘Wat is niet weten?’
‘Ook een fuik.’
‘Wat is dan het verschil?’
‘Uit de eerste kun je nog ontsnappen.’

‘Wat is weten?’
‘Een fuik.’
‘Wat is niet weten?’
‘De ruimte eromheen.’
‘Nou, dan zou ik het wel weten.’
‘Nou, ik niet.’

‘Wat is weten?’
‘Een fuik.’
‘Wat is niet weten?’
‘De ruimte eromheen.’
‘Wat is het verschil?’
‘In een fuik kun je nergens heen, al zou je wel willen.’
‘En in de ruimte eromheen?’
‘Wil je nergens heen, al zou je wel kunnen.’
‘Waar je ook bent, je gaat nergens heen.’
‘Niet dat ik weet.’
‘Wat maakt het dan nog uit?’
‘Ik zou het ook niet weten.’

fuik monnik


Gecondoliteerd

‘Wat als je uit de fuik van het weten ontsnapt?’
‘Dan kom je in de fuik van niet weten terecht.’
‘Hoe is het daar?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Zul je er ooit uitkomen?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Zit je er wel in?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Is er wel een fuik?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Is er wel een jij?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Weet je dan helemaal niets?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Niet weten is toch zeker geen fuik.’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Niet weten is ultieme vrijheid.’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Moet ik je nou feliciteren of condoleren?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat ik er nog in zit?’
‘Gecondoliteerd dan maar.’
‘Insgelijks.’

fuik


Hoogwerkers

‘Wat is weten?’
‘Vastklampen aan de neus van een vliegtuig…’

Vogel-op-neus-vliegtuig

‘Terwijl je gewoon kunt vliegen!’
‘Terwijl je gewoon kunt vallen.’


Plaats vergaan

‘Wat is weten?’
‘Vallen en opstaan.’
‘Wat is niet weten?’
‘Vallen.’

opstaan en vallen

 


Strik of strek

‘Wat is weten?’
‘Een val.’
‘Wat is niet weten?’
‘Ook een val.’
‘Wat is dan het verschil?’
‘De val van niet weten is vrij.’

valler


Voor de val

Meester Zuetsu heeft gezegd:

Wie eindelijk doorkrijgt dat hij niets begrijpt, heeft toch weer iets begrepen.
Nog even volhouden dus, maar wat?

Meester Zuetsu heeft ook gezegd:

Niet begrijpen is geen hogere vorm van begrijpen; transmissie wordt hier niet verleend.

Na enig aandringen verklaarde hij:

Nabij een hemellichaam is vallen geen kunst en in de eindeloze ruimte geen vliegwerk, maar wie zich veiliger voelt met een brevet kan zich tot zen wenden.
De leertijd is onbegrensd, maar je Zero staat al klaar.

kamikase


Altijd nooit

‘Wat is weten?’
‘Altijd gelijk hebben.’
‘Dat is mooi.’
‘En altijd ongelijk hebben.’
‘Hè?’
‘Zeg dat wel.’
‘Op hetzelfde moment?’
‘In verschillende opzichten.’
‘Of in hetzelfde opzicht?’
‘Op verschillende momenten.’
‘Wat is niet weten?’
‘Nooit gelijk of ongelijk hebben.’
‘Hè?’
‘Zeg dat wel.’
‘Op hetzelfde moment?’
‘Wanneer dan ook.’
‘In hetzelfde opzicht?’
‘In welk opzicht dan ook.’
‘Dat is niet zo mooi.’
‘Dat is weer weten.’

muur


Zwarte gaten

‘Wat is de beste metafoor voor het verschil tussen weten en niet weten?’
‘Het achterwerk.’
‘Waarom?’
‘Je staart je blind op de billen, maar het venijn zit in de aars.’
‘Waarvoor staan de billen?’
‘Voor dit soort vragen.’
‘Waarvoor staat de aars?’
‘Voor dit soort antwoorden.’
‘Staan ze voor illusie en werkelijkheid?’
‘Proet.’
‘Voor verschijnsel en bewustzijn?’
‘Proet.’
‘Voor vorm en leegte?’
‘Proet.’
‘Voor ego en zelf?’
‘Proet.’
‘Voor dualiteit en non-dualiteit?’
‘Allemaal billen.’
‘Maar wat is dan die aars?’
‘Proet.’

proet


Gebakken lucht

‘Wat is weten?’
‘Tien pond scheten.’
‘Wat is niet weten?’
‘Ook tien pond scheten.’
‘Wat is dan het verschil?’
‘Tien pond scheten.’
‘Rekenen is ook een vak.’
‘Endelgas is nog geen kak.’

endelgas


Het loopt wel los

‘Waarmee kun je weten vergelijken?’
‘Een analysator.’
‘Hoezo?’
‘Het verdeelt het denken en bindt zich aan de elementen tot het vastloopt.’
‘En niet weten?’
‘Een katalysator.’
‘Hoezo?’
‘Het versnelt het denken zonder een verbinding aan te gaan tot het vrijloopt.’

ana en kata


Enkel spel

‘Wat is weten?’
‘Vals spelen.’
‘Wat is niet weten?’
‘Spelen.’

valsspelen


Dubbel spel

‘Wat is weten?’
‘Volgens de regels spelen.’
‘Wat is niet weten?’
‘Met de regels spelen.’

spelregels


Een kaartenhuis

‘Wat is weten?’
‘De kaarten opnemen.’
‘Wat is niet weten?’
‘Je kaarten op tafel leggen.’

‘Wat is weten?’
‘Je kaarten sorteren.’
‘Wat is niet weten?’
‘Je kaarten schudden.’

‘Wat is weten?’
‘Doorgestoken kaart.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een blinde kaart.’

‘Wat is weten?’
‘Alles op één kaart zetten.’
‘Wat is niet weten?’
‘Helemaal van de kaart zijn.’

‘Wat is weten?’
‘Hartenjagen.’
‘Wat is niet weten?’
‘Schoppen.’

schoppen

‘Wat is weten?’
‘Strip poker
‘Wat is niet weten?’
‘Naturisme.’

‘Wat is weten?’
‘Blufpoker.’
‘Wat is niet weten?’
‘In je kaart laten kijken.’

‘Wat is weten?’
‘Bluf.’
‘Wat is niet weten?’
‘Blut.’

‘Wat is weten?’
‘Full house.’
‘Wat is niet weten?’
‘Empty house.’

‘Wat is weten?’
‘Full house.’
‘Wat is niet weten?’
‘No house.’

‘Wat is weten?’
‘Full house.’
‘Wat is niet weten?’
‘Fool house.’

‘Wat is weten?’
‘Een plaatje.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een joker.’

‘Wat is weten?’
‘Een gele kaart.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een rode kaart.’

‘Wat is weten?’
‘Een haalbare kaart.’
‘Wat is niet weten?’
‘Onhaalbare kaart.’

‘Wat is weten?’
‘Onhaalbare kaart.’
‘Wat is niet weten?’
‘Een vrijkaart.’

‘Wat is weten?’
‘Een vrijkaart.’
‘Wat is niet-weten?’
‘Een passe-partout

‘Wat is weten?’
‘Een landkaart.’
‘Wat is niet-weten?’
‘Een zeekaart.’

‘Wat is weten?’
‘Een zeekaart.’
‘Wat is niet-weten?’
‘De zee.’

‘Wat is weten?’
‘Een kaartenhuis.
‘Wat is niet-weten?’
‘Ook een kaartenhuis.’
‘Wat is dan het verschil?’
‘Niet-weten is al ingestort.’


De Schreeuw

‘Wat is niet weten?’
‘Stilte.’
‘Wat voor stilte?’
‘Een oorverdovende stilte.’
‘Zo erg?’
‘Fortissimo furioso.’
‘Wat hoor je daarin niet?’
‘Antwoorden.’
‘Hoe is het in die oorverdovende stilte?’
‘Hoe weet ik dat nou.’
‘Jij bent daar toch?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Wat moet ik doen om er zelf te komen?’
‘Ik heb geen idee.’
‘Maar je kunt er toch wel komen?’
‘Wie zegt dat je erheen moet?’
‘Bedoel je dat ik er al ben?’
‘Wie zegt dat je bent?’
‘Is het er fijn?’
‘Waar?’
‘Of vervelend?’
‘Wat is het verschil?’
‘Het komt er dus op neer dat er helemaal geen antwoorden zijn?’
‘Dat zou nog steeds een antwoord zijn.’
‘AAARGH!’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat?’
‘Fortissimo furioso.’

de schreeuw


Gratis en…

‘Waarvoor staat niet weten?’
‘Voor niets.’


Onbetaalbaar

‘Wat heeft niet weten voor nieuws te bieden?’
‘Niet weten heeft niets te bieden, laat staan iets nieuws.’
‘Waarin onderscheidt het zich dan?’
‘In dat het er openlijk voor uitkomt.’
‘Waarvoor?’
‘Dat het niets te bieden heeft.’
‘Is dat alles?’
‘Kom er maar eens om.’
‘Hoezo?’
‘Overal kun je wel iets krijgen, maar waar krijg je nou niets?’
‘Als je hét niets bedoelt weet ik nog wel een paar adresjes.’
‘Maar ik bedoel gewoon niets.’
‘Dan zal het ook wel niets kosten.’
‘Integendeel, het zal je alles kosten.’
‘Niet weten brengt je niets maar kost je alles?’
‘Wat wil je nog minder.’
‘Geef mijn portie maar aan fikkie.’
‘Zeg maar gerust vuurzee.’
‘En als je eenmaal niet meer weet?’
‘Dan brengt het je alles en kost het je niets.’

geld pakhuis


Niets

‘Wat is de weg van niet weten?’
‘Geen weg.’

‘Wat is het doel van niet weten?’
‘Geen doel.’

‘Wat is de waarheid van niet weten?’
‘Geen waarheid.’

‘Wat is de leer van niet weten?’
‘Geen leer.’

‘Wat is de visie van niet weten?’
‘Geen visie.’

‘Wat is het standpunt van niet weten?’
‘Geen standpunt.’

‘Wat is het ideaal van niet weten?’
‘Geen ideaal.’

‘Wat is het motto van niet weten?’
‘Geen motto.’

‘Wat is het voorschrift van niet weten?’
‘Geen voorschrift.’

‘Wat is het woord van niet weten?’
‘Geen woord.’

negatief108


Alles

‘Wat is de weg van niet weten?’
‘Elke weg.’

‘Wat is het doel van niet weten?’
‘Elk doel.’

‘Wat is de waarheid van niet weten?’
‘Elke waarheid.’

‘Wat is de leer van niet weten?’
‘Elke leer.’

‘Wat is de visie van niet weten?’
‘Elke visie.’

‘Wat is het standpunt van niet weten?’
‘Elk standpunt.’

‘Wat is het ideaal van niet weten?’
‘Elk ideaal.’

‘Wat is het motto van niet weten?’
‘Elk motto.’

‘Wat is het voorschrift van niet weten?’
‘Elk voorschrift.’

‘Wat is het woord van niet weten?’
‘Elk woord.’

108


Zakkenvullers

‘Wat is spiritualiteit?’
‘Persoonlijke groei, Hans.’
‘Wat groeit er volgens jou?’
‘Kennis. Inzicht. Wijsheid.’
‘Hm.’
‘Wat groeit er volgens jou?’
‘Twijfel?’
‘Spiritualiteit is groeiende twijfel?’
‘Tot de bom barst.’
‘Om plaats te maken voor een hoger weten dan toch?’
‘Och.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Om plaats te maken?’
‘Maar waarvoor?’
‘Moet iedere ruimte dan meteen weer ingenomen worden?’

konijn in bos


Diepe wateren

“Op wat voor gronden berust onze kennis?”
“Op gronden tussen aanhalingstekens.”
“Wat als onze gronden inderdaad ‘gronden’ zijn?”
“Dan zijn onze bewijzen ‘bewijzen’, onze waarheden ‘waarheden’, onze zekerheden ‘zekerheden’, onze oordelen ‘oordelen’, onze standpunten ‘standpunten’, onze meningen ‘meningen’, onze normen ‘normen’, onze waarden ‘waarden’ en onze principes ‘principes’.”
Zijn onze gronden ‘gronden’?”
“Dat valt niet te bewijzen.”
“Waarom niet?”
“Omdat bewijzen dan ‘bewijzen’ zouden zijn.”
“Bedoel je dat er wel degelijk gronden zijn?”
“Dat valt niet te bewijzen.”
“Waarom niet?”
“Als ze bewijsbaar waren zouden het geen gronden zijn.”
“Wat betekent dit voor ons weten?”
“Dat het alleen maar ‘weten’ is.”
“En voor ons niet weten?”
“Dat het alleen maar ‘niet weten’ is.”
“En voor die aanhalingstekens?”
“Dat het alleen maar ‘aanhalingstekens’ zijn.”
“Wat is dan nog het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet weten’?”
“Een verschil tussen aanhalingstekens.”
“Een ‘verschil’.”
“Bij wijze van spreken.”
“Weten is ‘weten’ en niet weten is ‘niet weten’ en het verschil tussen ‘weten’ en ‘niet weten’ is een ‘verschil’, bij wijze van spreken?”
“Jij zegt het.”
“Betekent dit niet dat ze identiek zijn?”
“Identiek tussen aanhalingstekens dan toch.”
“Nou weet ik nog niks.”
“Nou niet weer meteen conclusies gaan trekken, hè.”

aanh tekens monnik

 


Herpes perplex

‘Wat is niet-weten?’
‘Een ziekte.’
‘Wat voor ziekte?’
‘Een genezende ziekte.’
‘Waarvan geneest de ziekte van niet weten?’
‘Van complexiteit.’
‘Wat komt ervoor in de plaats?’
‘Perplexiteit.’
‘Geen eenvoud?’
‘Dat is een andere ziekte.’
‘Hoe heet die andere ziekte?’
‘Herpes simplex.’
‘Hoe heet de ziekte van complexiteit?’
‘Herpes complex natuurlijk.’
‘En hoe heet de ziekte die geneest van zowel complexiteit als simpliciteit?’
‘Herpes perplex.’
‘Mij te moeilijk allemaal.’
‘Noem het dan maar niet weten.’
‘Dat kan ik nog wel onthouden.’
‘Ik zou het maar vergeten.’

herpes is Grieks voor ‘voortwoekerende wond’
herpes simplex is medisch voor koortsuitslag (koortslip)

clown


Luctor et submergo

‘Hans, weet jij een leuk motto voor niet weten?’
‘Luctor et submergo.’
‘Wat betekent dat?’
‘Ik worstel en ga onder.’
‘Prettig vooruitzicht.’
‘En ‘ik’ is niet het enige dat ondergaat.’
‘Wat nog meer?’
‘Alleen maar de hele wereld.’
‘Toe maar.’
‘En daarmee het hele weten.’
‘Het moet niet veel gekker worden.’
‘En daarmee het hele niet weten.’
‘Niet weten gaat ook ten onder?’
‘Zeker weten.’
‘Nou, dan heb je alles wel zo’n beetje gehad.’
‘Dat mocht je willen.’
‘Wat is er dan nog over?’
‘Niet-ik en niet-wereld bijvoorbeeld.’
‘Die gaan ook ten onder?’
‘Submergo et submergo.’
‘Wat nog meer?’
‘Het ondergaan bijvoorbeeld.’
‘Dat ook al?’
‘Zeker weten.’
‘Maar dan ben je ook helemaal uitgeworsteld?’
‘Daar zou ik maar niet van uitgaan.’
‘Want niet weten is nergens van uitgaan.’
‘Daar zou ik maar niet van uitgaan.’
‘Ik weet eerlijk gezegd niet of ik daar wel heen wil.’
‘Ik weet eerlijk gezegd niet of je daar wel weg kunt.’

water haan


Voor glimwormen

‘Hans, wat is niet weten?’
‘Een wormgat naar gene zijde.’
‘Wat is gene zijde?’
‘Wat is deze zijde?’
‘Waar is dat wormgat dan voor nodig?’
‘Welk wormgat?’
‘Weet je dat ook al niet?’
‘Wat is niet weten?’

wormgaten


Luchtwortels

Onkruid vergaat niet; tuinieren onder de bodhiboom.

‘Wat is niet weten?’
‘Het weten met wortel en al uitrukken.’
‘Toe maar.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Het weten terugsnoeien tot de grond.’
‘En dan?’
‘Kijken hoe het weer opkomt.’
‘Waarom zou je het weten niet met wortel en al uitrukken?’
‘Omdat het geen wortels heeft?’
‘Is dat een antwoord of een vraag?’
‘Wat jij wilt.’
‘Doe dan maar een antwoord.’
‘Dan snoei ik het vast terug.’
‘En dan?’
‘Kijken hoe het weer opkomt.’

bonsaiboom


Stavast

‘Wat is niet weten?’
‘Een surplace van de denker.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Je gedachten gaan nog steeds overal heen…’
‘Maar jijzelf gaat niet meer mee?’
‘Zoiets.’
‘Prachtig.’
‘Maar ja.’
‘Wat?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’

surplace

‘Wat is niet weten?’
‘Een surplace van je gedachten.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Jij gaat nog steeds overal heen…’
‘Maar je gedachten gaan niet meer mee?’
‘Zoiets.’
‘Prachtig.’
‘Maar ja.’
‘Wat?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’


Undo

Steeds opnieuw beginnen

‘Waarmee kun je niet weten vergelijken?’
‘Ctrl-Z.’
‘Wat?’
‘Het commando ongedaan-maken op de computer.’
‘Wat wordt er ongedaan gemaakt?’
‘Je vorige gedachte.’
‘Waarmee?’
‘Je huidige gedachte.’
‘Waarmee maak je die dan weer ongedaan?’
‘Je volgende gedachte natuurlijk.’
‘Eindelijk snap ik het.’
‘Ctrl-Z.’

ctr z

 


Niet weten uit te sluiten

‘Wat is niet weten?’
‘Ruimte.’
‘Waarvoor?’
‘Overal voor.’
‘Zonder onderscheid?’
‘Met, zonder, maakt niet uit.’
‘Dus ook voor weten?’
‘Zeker weten.’

schedel


De macht van niet-weten

‘Wat is de crux van niet weten?’
‘Zelfs niet weten van niet weten.’
‘Ai, een dubbele ontkenning.’
‘Ja ja.’
‘Ai, een dubbele bevestiging.’
‘Je had commentator moeten worden.’
‘Bedoel je met ‘zelfs niet weten van niet weten’ dat je toch kunt weten?’
‘Als ik dat eens wist.’
‘Is dit een bevestiging of een ontkenning?’
‘Ai, een paradox.’

De-macht-van-het-vraagteken

 


Dubbel of niets

Onthecht van onthechting, het loslaten losgelaten en het relativeren gerelativeerd.

schoolborden spreuken

‘Niet-weten is alles afbreken.’
‘Ook het afbreken.’

‘Niet-weten is alles verliezen.’
‘Ook het verliezen.’

‘Niet-weten is alles ontkennen.’
‘Ook het ontkennen.’

‘Niet-weten is alles weerspreken.’
‘Ook het weerspreken.’

‘Niet-weten is alles relativeren.’
‘Ook het relativeren.’

‘Niet-weten is niets geloven.’
‘Ook dit niet.’

‘Niet-weten is niets afwijzen.’
‘Ook niet het afwijzen.’

‘Niet-weten is overal aan twijfelen.’
‘Ook aan het twijfelen.’

schoolbord leeg

‘Niet-weten is ruimte voor alles.’
‘Ook voor ruimtegebrek.’

‘Niet-weten is overal voorbijgaan.’
‘Ook aan het voorbijgaan.’

‘Niet-weten is bevrijding.’
‘Ook van de vrijheid.’

‘Niet-weten is loslaten.’
‘Ook het loslaten.’

‘Niet-weten is onthechting.’
‘Ook van onthechting.’

‘Niet-weten is nergens over oordelen.’
‘Ook niet over oordelen.’

‘Niet-weten is geen standpunten hebben.’
‘Ook niet over standpunten.’

‘Niet-weten is van niets weten.’
‘Ook niet van niet-weten.’

schoolbord schoongeveegd


Navigeren zonder kompas

‘Wat is niet weten?’
‘Tegen de stroom in gaan, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Met de stroom meevaren.’

‘Wat is niet weten?’
‘Met de stroom meevaren, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Dwarsbomen.’

‘Wat is niet weten?’
‘Dwarsbomen, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Tegen de stroom in gaan.’

waterval kano


Voor de bijl gaan

‘Wat is niet weten?’
‘Alles weghakken, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Het bijltje achter de hand houden.’

‘Wat is niet weten?’
‘Het bijltje achter de hand houden, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Het bijltje erbij neergooien.’

‘Wat is niet weten?’
‘Het bijltje erbij neergooien, Hans.’
‘Hm.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Alles weghakken.’

boombijl


Demasqué

‘Wat is niet weten?’
‘Een ontmaskering.’
‘Wat komt er onder het masker tevoorschijn?’
‘Wie zegt dat er iets tevoorschijn komt?’
‘Bedoel je dat er niets tevoorschijn komt?’
‘Dan had ik dat wel gezegd.’
‘Nou, daar kan je mee voor de dag komen.’
‘Dat zeg ik.’
‘Wat?’
‘Een ontmaskering.’

dubbel masker


Prijsjagers

Voor winnaars

‘Wat is niet weten?’
‘De hoofdprijs.’
‘Wat moet ik ervoor betalen?’
‘De hoofd-prijs.’

Voor verliezers

‘Wat is niet weten?’
‘De hoofd-prijs.’
‘Wat moet ik ervoor betalen?’
‘De hoofdprijs.

hoofdgroet


Misverstanden over het onverstand

‘Wat is niet weten?’
‘Niet weten?’
‘Hoe zou jij het noemen?’
‘Noemen leidt tot misverstanden.’
‘Hoe zou jij het niet-noemen?’
‘Niet noemen leidt tot misverstanden.’
‘Hoe zou jij het omschrijven?’
‘Omschrijven leidt tot misverstanden.’
‘Hoe zou jij het niet-omschrijven?’
‘Niet omschrijven leidt tot misverstanden.’
‘Hoe zou jij het demonstreren?’
‘Demonstreren leidt tot misverstanden.’
‘Hoe zou jij het niet-demonstreren?’
‘Niet demonstreren leidt tot misverstanden.’
‘Wat voor misverstanden eigenlijk?’
‘Neem alleen al het woordje het.’
‘Als in ‘hoe zou jij het noemen’?’
‘Alsof er een of ander het is.’
‘Wou jij zeggen van niet?’
‘Hoe kom je daar nou weer bij.’
‘Allemaal misverstanden.’
‘En dan dat woordje misverstand.’
‘Ook dat is al een misverstand?’
‘Alsof je iets verkeerd kunt doen.’
‘Bedoel je dat je niets verkeerd kunt doen?’
‘En dan dat woord verkeerd.’
‘Is dat dan ook verkeerd?’
‘Alsof je ook iets goed kunt doen.’
‘Alweer een misverstand?’
‘Alsof je nooit iets goed kunt doen.’
‘Opnieuw een misverstand.’
‘En dan dat woordje doen.’
‘In plaats van ondergaan?’
‘En hopla, nóg een misverstand.’
‘Maar wat is nou niet weten?’
‘Niet weten?’

misverstand


Bungeejumpers

‘Wat bindt de mens aan zijn weten?’
‘Een elastiek.’
‘Wat heeft dat voor gevolg?’
‘Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.’
‘Jij ook?’
‘Iedereen.’
‘Wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Jij blijft rustig in de buurt van het weten rondscharrelen.’
‘En jij?’
‘Ik doe aan bungeejumpen.’

‘Wat bindt de mens aan zijn niet weten?’
‘Een elastiek.’
‘Wat heeft dat voor gevolg?’
‘Hoe harder je wegloopt, hoe harder je terugschiet.’
‘Jij ook?’
‘Iedereen.’
‘Wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Ik blijf rustig in de buurt van niet weten rondscharrelen.’
‘En ik?’
‘Jij doet aan bungeejumpen.’

bungijump


Als het water stil staat

‘Als je met elastiek aan het weten gebonden bent dan is weten je natuurlijke staat.’
‘Inderdaad.’
‘Als je met elastiek aan niet weten gebonden bent dan is niet weten je natuurlijke staat.’
‘Inderdaad.’
‘Wat is nou je natuurlijke staat, weten of niet weten?’
‘Wil je dat echt weten?’
‘Inderdaad.’
‘Dan zal dat het verschil wel zijn.’
‘Waartussen?’
‘Jou en mij.’
‘Wil je het niet weten of weet je het gewoon niet?’
‘Weet ik ook al niet.’
‘Bij wie moet ik dan wezen?’
‘Wie zegt dat iemand het weet?’
‘Wou jij zeggen van niet?’
‘Wat weet ik daarvan?’
‘Maar wat is nou je natuurlijke staat?’
‘Dat is nou je natuurlijke staat.’
‘Weten of niet weten?’
‘Heen en weer gaan tussen weten en niet weten?’
‘Heen en weer gaan is je natuurlijke staat?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘Dat zou een hoop verklaren.’
‘Als er al een natuurlijk staat is.’
‘Daar zeg je me wat.’
‘En iemand die daarin kan verkeren.’
‘Daar ging ik inderdaad eventjes van uit.’
‘Misschien is niet weten of er een natuurlijke staat is wel je natuurlijke staat.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Misschien is niet weten of er iemand is die daarin kan verkeren wel je natuurlijke staat.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Maar misschien ook niet.’


Steeds opnieuw beginnen

‘Wat is de les van vandaag?’
‘Het afleren van de les van gisteren.’
‘Wat is de les van morgen?’
‘Het afleren van die van vandaag.’
‘Enzovoort.’
‘Nou, voort…’
‘Wat is de laatste les?’
‘Het afleren van het afleren.’
‘En dan?’
‘Ben je weer terug bij af.’

lessenaar


Schoon schip

‘Met welke toverspreuk bezweer jij het weten?’
‘Ik hoef het niet te bezweren.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het zelfbezwerend is.’
‘Hoe lang duurt dat, ongeveer?’
‘Zo lang als een gedachte, ongeveer.’
‘Geef eens een voorbeeld.’
‘ ‘Omdat het zelfbezwerend is’, bijvoorbeeld.’


Shocktherapie

‘Is niet weten een vorm van psychotherapie?’
‘In niet weten gaat ieder idee van ik en niet-ik verloren.’
‘Wat wil je daarmee zeggen?’
‘Wie of wat zou er dan nog behandeld moeten worden?’
‘Ik noch niet-ik?’
‘In niet weten gaat ieder idee van ziek en gezond verloren.’
‘Wat wil je daarmee zeggen?’
‘Wat zou dan nog het doel van de behandeling kunnen zijn?’
‘Ziek noch gezond worden?’
‘In niet weten gaat ieder idee van doel en middel verloren.’
‘Ik geef me gewonnen.’
‘In niet weten gaat ieder idee van winnen en verliezen verloren.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘In niet weten gaat ieder idee van weten en niet weten verloren.’
‘Zo te horen gaat in niet weten ieder idee verloren.’
‘ ’t Idee.’


Heiltherapie

‘Word je van niet weten een beter mens?’
‘In niet weten gaat ieder idee van beter en slechter verloren.’
‘En?’
‘Hoe zou je er dan beter van kunnen worden?’
‘Misschien bedoelde ik niet zozeer beter als wel menselijker.’
‘In niet weten gaat ieder idee van menselijk en onmenselijk verloren.’
‘Zo te horen word je er geen heilige van.’
‘In niet weten gaat…’
‘Ieder idee van heilig en profaan verloren, ja ja.’
‘Jij zegt het.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘In niet weten gaat ieder idee van verloren gaan verloren.’
‘Het verloren gaan gaat ook verloren?’
‘Aan de lopende band.’
‘En dan is alles weer gewoon?’
‘In niet weten gaat ieder idee van gewoon en ongewoon verloren.’


De dwaasheid voorbij alle dwaasheid

‘Is heilig noch profaan een goede omschrijving van de staat van niet weten?’
‘Wie zegt dat niet weten een staat is?’
‘Is heilig noch profaan een goede omschrijving van niet weten?’
‘Hoe moet ik dat weten?’
‘Jij weet toch alles van niet weten?’
‘Ik weet er minder van dan wie ook.’
‘Ik dacht dat jij hier de expert was.’
‘Ik – weet – niets – van – niet – weten.’
‘Ach, natuurlijk.’
‘Wat natuurlijk?’
‘De waarheid is voorbij de woorden.’
‘De wát?’
‘De waarheid.’
‘Welke waarheid?’
‘De waarheid van niet weten.’
‘Hoor nou toch eens wat je zegt.’
‘Wat zeg ik dan?’
‘Niet weten heeft geen bal met waarheid te maken.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Waarheid is iets wat je zeker weet. Iets waarover geen enkele twijfel bestaat. Hoe kan niet weten nou waarheid zijn?’
‘De wijsheid van niet-weten is…’
‘Niet weten heeft niets met wijsheid te maken, uilskuiken.’
‘Zelfs niet met de wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Je stapelt de ene dwaasheid op de andere.’
‘Is wijs noch dwaas een goede omschrijving van de staat van niet-weten?’


Uitgevonden

Klein verstand vindt alles vanzelfsprekend.
Gemiddeld verstand vindt veel vanzelfsprekend.
Groot verstand vindt weinig vanzelfsprekend.
Briljant verstand vindt niets vanzelfsprekend.

Onverstand vindt niets.


Niet weten is…

De werkelijkheid bestrijden met de middelen van het realisme
Luchtkastelen bestrijden met de middelen van het idealisme
Gedachten bestrijden met de middelen van de psychologie
Kennis bestrijden met de middelen van de wetenschap
Stellingen bestrijden met de middelen van de filosofie
Bewijzen bestrijden met de middelen van de logica
Woorden bestrijden met de middelen van de taal
Niet weten bestrijden met niet weten
En gauw weer terug naar af


Redekundig ontleden

Toen een professor taalkunde hem vroeg wat niet weten is, zei meester Zuetsu:

Geen onderwerp zijn!
Geen gezegde zijn!
Geen onderwerp van gezegden zijn!
Geen gezegde van onderwerpen zijn!
Zin zonder onderwerp of gezegde zijn!
Onderwerp of gezegde zonder zin zijn!
Zin zonder zin zijn!
Iedere zin zijn!
Niet onderwerpen!
Niet onderworpen zijn!
Niet zeggen!
Niet ongezegd blijven!


Knock-out

White-out

ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten
ik ril bij de gedachte dat
ik mijn gedachten niet kan witten

Black-out

ik heb een zilversmid gekend
die zonder zilver kwam te zitten
ik ril bij de gedachte dat
ik mijn gedachten steeds moet witten

(vrij naar Hugo Pos)


Doorlopende voorstelling

Een kind weet wat niet weten is
Een aap weet wat niet weten is
Ook jij wist wat niet weten is
Totdat je het wou weten

Geen kennis of onwetendheid
Geen weg en geen doel
Geen blijspel en geen treurspel
Geen heilsboodschap of onheilstijding

Geen therapie en geen geestesziekte
Geen vraagstuk en geen panacee
Geen waarheid en geen leugen
Geen dwaasheid en geen wijsheid

Geen houvast en geen laatlos
Geen hel en geen hemel
Geen openheid en geen liefde
Geen gevangenschap en geen vrijheid

Geen worden en geen zijn
Geen eenheid en geen non-dualiteit
Geen zusheid en geen zoheid
Geen essentie en geen singulariteit

Geen atheïsme en geen pantheïsme
Geen scepticisme en geen pyrronisme
Geen stoïcisme en geen defaitisme
Geen cynisme en geen nihilisme

Geen boeddha en geen sangha
Geen dharma en geen karma
Geen samsara of nirwana
Geen vorm en geen leegte

Geen geest en geen niet-geest
Geen ingrond en geen ongrond
Want weten wat niet weten is
Is nevernooit niet weten

Een kind weet wat niet weten is
Een aap weet wat niet weten is
Ook jij wist wat niet weten is
Al wil je het niet weten


Tegen dovemansoren

Meester Soit heeft het op vele manieren gezegd:

Niet weten is hier, wij zijn daar.

Niet weten is thuis, wij zijn uit.

Niet weten is binnen, wij zijn buiten.

Niet weten is in ons hart, wij zijn in ons hoofd.

Niet weten is inwonend, wij zijn vreemdelingen.

Niet weten is nooit weggeweest, wij zijn nooit teruggegaan.

Niet weten is het meest nabij, wij zijn zolang op bedevaart.

Laatst schreeuwde hij om middernacht:

NIET WETEN IS NIET VAN DE STERREN!

Maar zijn stem draagt niet zo verre.

’t Zij zo, heeft hij steeds gezegd.

Ik blijf het zeggen, blijft hij zeggen.

En ook dat is dan maar zo.

’t Zij zo is het meest nabij.


Psychonaut

Je hoeft de wereld niet te verlaten om het tja te leren kennen
Je hoeft je huis niet te verlaten om het tja te leren kennen
Je hoeft je bed niet te verlaten om het tja te leren kennen
Je hoeft alleen je hersenpan te lichten
om je gedachten te zien wemelen
boven niets


Geen halve maatregelen

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Weet ik niet meer.’
‘Hoe kan dat nou?’
‘Ik heb ze meteen verbrijzeld.’


Niemand weet

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Dit zijn de stenen tafelen van niet weten.’

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Dit zijn niet de stenen tafelen van niet weten.’

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Niemand weet wat voor stenen tafelen dit zijn.’

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Niemand weet wat voor stenen dit zijn.’

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Niemand weet wat dit zijn.’

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Niemand weet wat.’

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Op de ene staat: Niemand weet.’
‘En op de andere?’
‘Wat?’

‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’
‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’


‘Wat staat er op de stenen tafelen van niet weten?’

‘Gij zult niet weten?’

‘Gij zult niet gebieden?’

‘Gij zult niet beitelen?’

‘Tja?’

‘Niets dan?’

‘Is dat wat er staat of weet je het niet?’


Hard of zacht

‘Waarmee kun je de stenen tafelen van het weten vergelijken?’
‘Gewapend beton.’
‘En die van niet weten?’
‘Lava.’


Een meesterlijk motto

‘Heb jij een motto, Hans?’
‘Tja.’
‘Is dat jouw motto of weet je het niet?’
‘Tja.’


Voor het leven

‘Heb jij een motto?’
‘Ja.’
‘Wat dan?’
‘Zeg maar tja tegen het leven.’
‘Is dat alles?’
‘Nee.’
‘Wat dan nog meer?’
‘Zeg maar tja tegen je motto’s.’


Credo nulli

‘Wie heeft er een motto?’
‘Ik!’
‘Is dat je motto of heb je er een?’
‘Ik heb er een.’
‘Voor de draad ermee.’
‘Credo nulli.’
‘Wat betekent dat?’
‘Niemand geloven.’
‘Wie zegt dat?’
‘Erasmus.’
‘En?’
‘Wat?’
‘Geloof je hem?’

‘Wie heeft er een motto?’
‘Credo nulli!’
‘Wie zegt dat?’
‘Dat doet er niet toe.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik er zelf ook zo over denk.’
‘En?’
‘Wat?’
‘Geloof je jezelf?’

‘Wie heeft er een motto?’
‘Credo nulli nulli!’
‘Wat betekent dat?’
‘Zelfs niet geloven dat je niemand moet geloven.’
‘Wie zegt dat?’
‘Niemand, volgens mij.’
‘En?’
‘Wat?’
‘Geloof je niemand?’


Kruiswoord

Een monnik zit een kruiswoordpuzzel te maken.
Monnik: God, drie letters.
Abt: Tja.


Geen kunst

‘Wat is niet weten?’
‘De kunst van het weglaten.’
‘Wat blijft er over na een leven lang weglaten?’
‘Tja.’
‘Dat is ook niet veel.’
‘Och.’
‘Het enige wat rest is de kunst van het weglaten?’
‘Ook afgedankt.’


Zware kost

‘Ik vind niet-weten onverteerbaar.’
‘Maakt niet uit.’
‘Hoezo?’
‘De voedingswaarde is nihil.’


En nu?

‘Er is een tijd geweest dat ik dacht te weten.’
‘Er is een tijd geweest dat ik dacht niet te weten.’

‘Er is een tijd geweest dat ik dacht niet te weten.’
‘Er is een tijd geweest dat ik dacht dat er een tijd was geweest.’

‘Er is een tijd geweest dat ik dacht dat er een tijd was geweest.’
‘Er is een tijd geweest dat ik dacht dat er geen tijd was geweest.’

‘Er is een tijd geweest dat ik dacht dat er geen tijd was geweest.’
‘Tja.’

‘Tja.’
‘Er is een tijd geweest dat ik dacht dat ik het niet beter kon zeggen.’
‘En toen?’
‘Was er een tijd dat ik dacht dat ik het beter niet kon zeggen.’
‘En nu?’
‘Zo kun je het ook zeggen.’


Light

1. Lichthartig

‘Wat is weten?’
‘Blablabla.’
‘Wat is niet weten?’
‘Tralala.’

2. Lichtvoetig

‘Hoe heet de dans van het weten?’
‘De bla-bla-bla.’
‘Hoe heet de dans van niet weten?’
‘De tja-tja-tja.’


De tja-tja-tja

De tja-tja-tja is een symbolische dans waarbij twee tegenliggers elkaar
steeds terzelfder zijde, nu eens links, dan weer rechts, proberen te
passeren.

Met een spiegel kun je de tja-tja-tja ook in je eentje dansen.
Dan ben je je eigen tegenligger.
Een betere definitie luidt dan ook: Symbolische dans waarbij een of twee
tegenliggers…

Gevorderden kunnen de tja-tja-tja zelfs dansen zonder partner of spiegel, dus zonder reële of denkbeeldige tegenligger.
Een nog betere definitie is daarom: Symbolische dans waarbij geen, een of twee tegenliggers…

Uit de vorige definitie blijkt wel dat het aantal tegenliggers bij de tja-tja-tja niet van belang is.
Als het er niet toe doet, draagt het ook niet bij tot de definitie, zodat we de tja-tja-tja simpelweg kunnen definiëren als een symbolische dans.

Moet je letterlijk in beweging zijn om de tja-tja-tja te dansen?
Welnee, het gaat vooral om de beweeglijkheid van geest, zodat we de tja-tja-tja ook kunnen definiëren als een symbool, punt.

Waarvoor staat de tja-tja-tja symbool?
Zelfs dat is onzeker, al wordt weleens gesuggereerd dat hij juist daarvoor symbool staat.
We kunnen de definitie dus net zo goed helemaal achterwege laten.

Tja, misschien moeten we maar toegeven dat we ook omtrent de tja-tja-tja volledig in het duister dansen.


De stilte van de storm

Niet weten is geen gedachtenstilte.
Het is geen voel-, spreek- of handelverbod.
Integendeel, ik denk, voel, spreek en handel erop los.

Niet weten is het herroepen van iedere gedachte.
Deze ook.
Het terugnemen van elke conclusie.
Deze ook.
Het ontzeggen van al het gezegde.
Dit ook.

Niet om iets te bereiken of te bewijzen.
Gewoon, omdat je dat nou eenmaal doet.
Omdat je het nou eenmaal niet kunt laten.
Ja, weet ik veel waarom.


Kortweg

1.

doen
hechten
weten

niet doen
niet hechten
niet weten

niet doen aan niet doen
niet hechten aan niet hechten
niet weten van niet weten

niet doen aan niet doen aan niet doen
niet hechten aan niet hechten aan niet hechten
niet weten van niet weten van niet weten



‘doen’
‘hechten’
‘weten’

2.

doen
hechten
weten

‘doen’
‘hechten’
‘weten’

”doen”
”hechten”
”weten”

”’doen”’
”’hechten”’
”’weten”’



tja
tja
tja