Niet-weten in koancollecties

Citaten uit the Blue Cliff Record, the Book of Serenity, de Poortloze Poort en Samurai Zen.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Zen > Niet-weten in koancollecties

Tips: Niet-weten is het meest nabij, De Linji-lu, De Poortloze Poort


Inhoud

Blue Cliff Record

De Hekiganroku of Bi Yan Lu of Pi-yen-lu of Blue-Cliff Record of Blauwe Rots, is een collectie van honderd koans met inleidingen van Engo en gedichten van Setcho.

Bron: Two Zen Classics: Mumonkan & Hekiganroku, vertaald uit het Japans in het Engels en van commentaar voorzien door Katsuki Sekida, Weatherhill, New York, 1977.


Vuur zien

Waar rook is, ziet u vuur. U ziet geen hoorns boven het hek maar een os erachter. Ik geef u de vinger, u neemt de hand. Eén blik en u heeft het hele gebied al in kaart gebracht. Dit soort uitgekooktheid komt al te vaak voor onder kloosterlingen. Maar een pij maakt nog geen monnik. Pas als de mallemolen in uw geest eindelijk tot rust komt, zult u u de volmaakte vrijheid mogen smaken – in voorspoed en in tegenspoed, in geven en ontvangen. Maar zeg eens, hoe zal een dergelijk iemand zich gedragen?

(Engo’s inleiding tot koan 1)


1. Alles leeg, niets heilig

Keizer Wu van Liang vroeg Bodhidharma: “Wat is het hoogste principe van de heilige leer?” Bodhidharma zei: “Alles leeg, niets heilig.” De keizer zei: “Wie is het die hier voor me staat?” Bodhidharma zei: “Weet ik niet.”
De keizer begreep hem niet. Daarop stak Bodhidharma de rivier de Yangtze over en zocht zijn heil in het noordelijke koninkrijk Wei. De keizer deed zijn relaas aan Shiko, die zei: “Weet u wel wie u voor u had? De keizer zei: “Weet ik niet.” Shiko zei: “Niemand minder dan Bodhisattva Kannon, de drager van het Hartzegel van de Boeddha!” Dat speet de keizer zeer. Hij wilde Bodhidharma graag terugroepen, maar Shiko zei: “Dat heeft geen zin. Al stuurde u de hele wereld op hem af, die komt nooit weerom.”


Hij kan m’n kont kussen

De heilige leer? “Alles leeg!”
Wat is er heilig aan?
Dan: “Wie is het die hier voor me staat?”
“Weet ik niet.”
Ongetwijfeld weer aanleiding tot eindeloze interpretaties.
In het holst van de nacht stak hij heimelijk de rivier over.

Geen mens kon hem terugbrengen.
Nu, vele jaren later
vult Bodhidharma nog steeds uw geest – voor niets.
Denk niet meer aan hem!
Waaien doet het overal.

De meester kijkt om zich heen:
“Heeft iemand de aartsvader gezien?
Daar! Breng hem bij me:
Hij kan mijn kont kussen!”

(gedicht van Setcho bij koan 1)


2. Eenheid noch verschil

Tijdens een bijeenkomst zei Joshu: “De Weg is niet moeilijk voor wie geen onderscheid weet te maken. Maar spreek slechts één woord, en er zal verschil zijn – of eenheid. Deze oude monnik weet niets van eenheid. Begrijpt iemand wat ik bedoel?” Een monnik vroeg: “Als u niets van eenheid weet, waarin maakt u dan onderscheid?” Joshu zei: “Ik heb geen idee.” De monnik zei: “Hoe kunt u dan beweren dat u niet weet wat eenheid is?” Joshu zei: “Die vraag staat. Een mooi moment om te stoppen.”
Met deze woorden maakte hij een einde aan de bijeenkomst.


Vijf soorten blindheid

Zen onderscheid vijf soorten blindheid:

  1. De naïeve blindheid van de onwetende mens.
  2. De opzettelijke blindheid van de ketter.
  3. De ware blindheid van de verlichte: zijn wereldse ogen nu ziende blind.
  4. De blindheid van degene die zich vastklampt aan zijn verlichting en er fier op is.
  5. De overstijgende blindheid van de Boeddha. Deze verschijnt wanneer de ware blinde tot rijping komt in de beoefening van Zen.

(uit het commentaar van Sekida bij koan 10)


15. Geen gezever

Een monnik vroeg Ummon: “Wat als er geen gedachten opkomen en er zich niets voordoet?” Ummon zei: Geen gezever over eenheid.


25. Omdat je er niets aan hebt

De meester van Rengeho stak zijn staf op en zei tot zijn discipelen: “Wanneer in vroeger tijden een man de toestand van verlichting bereikte, waarom bleef hij daar dan niet in hangen?” Niemand wist het antwoord en hij antwoordde voor hen: “Omdat je er niets aan hebt in het dagelijks leven.” Toen vroeg hij: “Of wel soms?” Opnieuw antwoordde hij voor hen:

Zich niets van anderen aantrekkend,
Gooit hij zijn staf over zijn schouder
en reist linea recta
diep de duizend bergen in.


Geen spoor

Met zijn ogen vol zand, zijn oren vol klei,
Blijft hij zelfs niet in de duizend bergen hangen.
Vallende bloesem, bloeiende beken, geen spoor laat hij na.
Kijk goed uit je doppen en je zult hem nergens zien.

(Gedicht van Setcho bij koan 25)


28. Genoeg

Nansen bezocht Hyakujo Nehan Osho (Jo). Jo zei: “Bestaat er een leer die de heiligen niet hebben gepredikt?” Nansen zei: “Jazeker.” Jo zei: “Wat is de leer die nooit is gepredikt?” Nansen zei: “Het is niet de geest, het is niet de Boeddha, het zijn niet de dingen.” Jo zei: “Wat een preek.” Nansen zei: “Zo gaat het bij mij nou altijd. En bij u?” Jo zei: “Ik ben geen wijze. Hoe moet ik weten of iets een preek is of niet?” Nansen zei: “Ik kan u even niet volgen.” Jo zei: “Ik heb anders wel genoeg gezegd.”


29. Met al het andere

Een monnik zei: “Wanneer het allesverslindende kalpa-vuur weer oplaait en de hele kosmos vernietigt, zal ‘het’ dan ook ten onder gaan of niet?” Daizui zei: “Het zal ook ten onder gaan.” De monnik zei: “Het zal verdwijnen met al het andere?” Daizui zei: “Het zal verdwijnen met al het andere.”


Tevergeefs

Versperd door de dubbele barrière
Stelt de monnik zijn brandende vraag vanuit het hart van het kalpa-vuur.
Wonderbaarlijk de woorden: ‘Het zal verdwijnen met al het andere.’
Duizenden mijlen heeft hij rondgezworven, tevergeefs op zoek naar een meester.

(gedicht van Setcho bij koan 29)


44. De trom slaan

Kasan zei: “Leren door studie wordt ‘aanhoren’ genoemd; niet meer leren heet ‘nabijheid’; leren en niet-leren achter je laten heet waarlijk overgaan.” Een monnik zei: “Wat is waarlijk overgaan?” Kasan zei: De trom slaan.” De monnik zei: “Wat is de ware leer van de Boeddha?” Kasan zei: “De trom slaan.” De monnik hield aan: Ik zal u niet vragen naar de frase ‘deze geest is de Boeddha’, maar wat betekent ‘geen geest, geen boeddha’?” Kasan zei: “De trom slaan.” De monnik liet zich niet uit het veld slaan en zei: “Als de verlichte arriveert, wat zult u dan doen?” Kasan zei: “De trom slaan.”


Nog verder van huis

Zolang je ook maar het geringste onderscheid tussen goed en kwaad weet te maken, zal je geest in verwarring blijven. Pas wanneer al je prioriteiten in rook zijn opgegaan, zul je niet langer in het duister tasten. Maar zeg eens, wat is wijsheid: loslaten of vasthouden? Als je de oplossing nog steeds zoekt in concepten en gedachtenconstructies, ben je als een geest die verdwaald is in de mist. Wanneer je daarentegen het denken opgeeft ben je nog veel verder van huis. Snap je?

(Engo’s inleiding bij koan 51)


65. De schaduw van de zweep

Een filosoof zei tegen Boeddha: “Ik vraag niet om woorden, ik vraag ook niet om iets anders.” De Boeddha zweeg een poosje. De filosoof zei bewonderend: “De Gezegende, in zijn eindeloze goedheid, heeft de mist van mijn illusies weggeblazen en mij eindelijk op Weg geholpen.” Nadat de filosoof was heengegaan, vroeg Ananda aan de Boeddha: “Hoe heeft u hem in hemelsnaam op weg geholpen?” De Gezegende zei: “Een goed getraind paard rent al bij de schaduw van de zweep.”


67. Met stomheid geslagen

Keizer Wu van Liang vroeg Fu Daishi om een lezing te houden over de Diamantsoetra. Fu Daishi beklom het spreekgestoelte, sloeg met zijn stok op de lessenaar en klom weer naar beneden. De keizer was met stomheid geslagen. Shiko zei tegen hem: “Heeft Uwe Majesteit het begrepen?” De keizer zei: “Nee, ik begrijp er niets van.” Shiko zei minzaam: “Daishi heeft niettemin zijn zegje gedaan.”


Niet preken, niet toehoren

Deze scene vond plaats in de magnifieke keizerlijke aula, ongetwijfeld in aanwezigheid van een groot aantal hoogwaardigheidsbekleders. Fu Daishi, in diepe concentratie, besteeg het spreekgestoelte en nam plaats. Er viel een aandachtige stilte. Toen nam hij zijn stok, sloeg op de lessenaar, en verliet zwijgend het spreekgestoelte weer. De toehoorders, die vol verwachting hadden zitten toekijken, waren verbijsterd. Toch was dit een zuivere demonstratie van de Diamantsoetra, waarin we uitdrukkingen aantreffen als ‘Er is geen leer om te prediken en dit wordt het prediken van de leer genoemd’; ‘De voorbije geest is niet bereikbaar, de huidige geest is niet bereikbaar, de toekomstige geest is niet bereikbaar’; en ‘Verblijf nergens, laat de geest zijn eigen gang gaan’. Een andere soetra zegt: ‘U predikt niets, ik hoor niet toe. Niet spreken, niet luisteren, dat is ware wijsheid.’

(uit het commentaar bij koan 67)


79. Ezel

Een monnik zei tegen Tosu: “Men zegt, ‘Iedere stem is een stem van de Boeddha’. Is dat waar?” Tosu zei: “Ja, dat is waar.” De monnik zei: “Nou, meester, dan zou ik maar geen winden meer laten.” Waarop Tosu hem een stokslag gaf. Toen vroeg de monnik: “De soetra zegt, ‘Harde woorden en zachte woorden, beide wijzen naar het Eerste Principe.’ Is dat waar?” Tosu zei: “Ja, dat is waar.” De monnik zei: “Nou, meester, dan mag ik u voortaan zeker wel ezel noemen?” Waarop Tosu hem nog een stokslag gaf.


80. En niets ligt vast

Een monnik vroeg Joshu: “Heeft een pasgeboren baby nou zes zintuigen of niet?” Joshu zei: “Alsof je een bal in een stroomversnelling gooit.” Later vroeg de monnik: “Wat bedoelde u daarmee?” Tosu zei: Het ene volgt op het andere, en niets ligt vast.


Naakt uitgestald

Niets goeds is volkomen goed. Niets slechts is volkomen slecht. Zonder goed of kwaad valt er niets te winnen en niets te verliezen. Alles ligt naakt uitgestald. Nu wil ik u vragen, wat bevindt zich voor mij en wat bevindt zich achter mij? Ongetwijfeld staat er nu weer een of andere goed bedoelende monnik op om mij te vertellen dat zich voor mij de boeddhazaal en de tempelpoort bevinden, en achter mij de zitkamer en de slaapkamer. Wat denkt u, heeft deze man het licht gezien? Als u hem doorziet, wil ik graag toegeven dat u de oude Boeddha in de ogen heeft gezien.

(Engo’s inleiding tot koan 84)


98. Mijn eerste fout

Op een keer verbleef Tempyo tijdens zijn bedevaart langs verschillende meesters, bij Sai-in. Steeds herhaalde Tempyo: “Zeg niet dat u het Boeddhisme begrijpt. Niemand kan er een zinnig woord over zeggen.” Op een dag hoorde Sai-in hem weer bezig en zei: “Ju-i! “(Tempyo’s eigennaam). Tempyo keek op. Sai-in zei: “Mispoes!” Tempyo liep weg en Sai-in riep: “Mispoes!” Tempyo kwam terug en Sai-in zei: “Ik zei net ‘Mispoes!’ Wie heeft het nu mis: jij of ik?” Tempyo zei: “Ik.” Sai-in zei weer: “Mispoes!” Tempyo zei niets. Sai-in zei: “Blijf deze zomer hier, dan kunnen we samen die mispoezen onderzoeken.” Maar Tempyo vervolgde zijn bedevaart.

Later, toen Tempyo abt was van zijn eigen tempel, zei hij tegen zijn discipelen: “Tijdens een bedevaart kwam ik terecht bij Sai-in, die twee keer ‘mispoes!’ tegen me zei. Maar het was niet op dat moment dat ik het mis had, maar toen ik aan mijn bedevaart begon. Dat was mijn eerste fout: de leer is overal.”


Beuzelaars

Zenbeoefenaars zijn zo beuzelachtig.
Ze leren maar, ze studeren maar, en alles tevergeefs.
Hoe zielig, hoe belachelijk is de oude Tempyo.
Hij zegt dat hij nooit op bedevaart had moeten gaan.
Mispoes! Mispoes!
Sai-in’s vriendelijke woorden verbleken naast de mijne.
Setcho vraagt: “Hoedt u voor de monnik die ‘mispoes!’ gaat zeggen.
Kunt u mij misschien vertellen wat het verschil is tussen mijn ‘mispoes’ en die van Tempyo?”

(gedicht van Setcho bij koan 98)


Ontwaak

We zaaien de oorzaak en oogsten het gevolg. We begonnen voorzichtig en eindigen in volmaaktheid. Van het begin af aan heb ik niets voor u achtergehouden. Wanneer ik sprak, had ik immers niets te zeggen.
Sommigen van u zullen vragen: U bent zo veel aan het woord geweest tijdens deze zomerretraite, en nu pas vertelt u ons dat u niets te zeggen had. Wat bedoelt u daarmee?
Mijn antwoord luidt: Ontwaak, en ik hoef u niets meer uit te leggen.
Nu vraag ik u: Zeg ik dit omdat ik zuiver in de leer ben of heeft het misschien bepaalde voordelen?

(inleiding van Engo tot koan 100)


Book of Serenity

De Ts’ung-jung lu of Shoyoroku of het Book of serenity of het Boek van Sereniteit is een collectie van honderd koans, met inleidingen en commentaren van Wansong en gedichten van Tiantong, die op hun beurt weer van commentaar zijn voorzien door Wansong.

Bron: Book of Serenity, One hundred Zen Dialogues, vertaald uit het Chinees in het Engels door Thomas Claery, Shambhala, Boston & London, 1988 / 2005.


1. De Gezegende geeft les

Op een dag nam de Gezegende plaats op het spreekgestoelte. Manjusri gaf een klap met de hamer en zei: “Luister aandachtig naar de dharma van de dharmakoning; de dharma van de dharmakoning luidt aldus.” Waarna de Gezegende meteen weer opstond.


2. Bodhidharma’s weet niet wie hij is

Keizer Wu van Liang vroeg aan de grote meester Bodhidharma: Wat is de diepste betekenis van de heilige waarheden?
Bodhidharma zei: Leeg – heilig bestaat niet.
De keizer zei: Wie bent u eigenlijk?
Bodhidharma zei: Niet weten.
De keizer begreep het niet.
Bodhidharma stak daarop de Yangtse over, kwam naar Shaolin en zat negen jaar lang voor een muur.


Korte metten

Ik zeg, de kwestie van de diepste betekenis daargelaten, wat moet je aan met heilige waarheden? Tianhuang zei: “Maak korte metten met profaniteit – heilige inzichten bestaan niet.” In het geschrift De Heldhaftige Mars staat geschreven: “Wie zich inlaat met heiligheid zal ten prooi vallen aan alle denkbare fouten.” Bodhidharma’s antwoord, “Leeg – heilig bestaat niet”, getuigt ontegenzeggelijk van diep begrip en een scherpe tong. Keizer Wu stond daar maar, zeverend als een oude dwaas, en wilde het nog niet opgeven. Hij vroeg: “Wie is het die mij antwoord geeft?” Hij bedoelde het misschien niet verkeerd, maar scheen niet te beseffen dat hij Bodhidharma net zo goed in zijn gezicht had kunnen spugen. Deze had niets anders te bieden dan nog een “weet ik niet”.

(uit het commentaar bij koan 2)


Wanspraak

De Mahayansamgraha zegt: “‘Bestaan’ is een overdrijving; ‘niet-bestaan’ is een onderschatting; ‘bestaan en niet-bestaan’ is een tegenstrijdigheid, en ‘bestaan noch niet-bestaan’ is een intellectualisering.” Laat dit tetralemma (van bestaan, niet-bestaan, beide, geen van beide) achter je, en de honderd ontkenningen worden spontaan uitgewist. […] Anderzijds, zonder het tetralemma of de honderd ontkenningen prijs te geven, in welk opzicht is de betekenis van het levende Boeddhisme niet duidelijk?

(uit het commentaar bij koan 6)


Wijsheid

De grote meester Nagarjuna heeft gezegd, “Wijsheid is als een groot vuur, dat men van geen enkele kant kan ingaan.” Maar hij heeft ook gezegd: “Wijsheid is als een heldere poel, die men van alle zijden kan ingaan.”


12. Noord en zuid

Dizang vroeg aan Xiushan: “Waar kom jij vandaan?” Xiushan zei: “Uit het zuiden.” Dizang zei: “Hoe staat het met het zuidelijke Boeddhisme?” Xiushan zei: “Er wordt stevig gediscussieerd.” Dizang zei: “En hoe verhoudt dat zich tot mijn bezigheid, het planten van rijst?” Xiushan zei: “Zo is de wereld nou eenmaal.” Dizang zei: “De wát?”


19. De berg Sumeru

Een monnik vroeg Yunmen: “Als je geen gedachten hebt, kun je dan iets fout doen of niet?” Yunmen zei: “De berg Sumeru.”


Pas dan

Nationaal Leraar Yuantong Shan zei: “Deze kwestie wordt overal besproken. Sommigen stellen dat men gedachten produceert zodra men deze vraag toelaat, een fout zo groot als de berg Sumeru. Sommigen vergelijken het met de berg Sumeru: onberoerd door de acht winden, standvastig door de eeuwen heen. Sommigen vergelijken de Weg met de berg Sumeru, waar men nou eenmaal niet doorheen kan. Dergelijke ideeën getuigen alle van onbegrip voor Yunmen’s bedoelingen, maar dat kan men pas inzien als de bodem uit de emmer gevallen is en de rode draad voorgoed is gebroken.

(Uit het commentaar bij koan 19)


20. Niet-weten is het meest nabij

Dizang vroeg aan Fayan: Waar ga jij heen?
Fayan zei: Op bedevaart.
Dizang zei: Waar is dat goed voor?
Fayan zei: Dat weet ik niet.
Dizang zei: Niet-weten is het meest nabij.

niet-weten is het meest nabij

Uit het commentaar bij koan 20:


Maar blijf er niet in hangen

Nanquan heeft gezegd: “De Weg bestaat niet in weten of niet-weten. Weten is vals bewustzijn, niet-weten is onverschilligheid.” Als mensen iemand horen zeggen dat niet-weten het meest nabij is, en dat dit is hoe Fayan tot verlichting kwam, gaan ze meteen over tot niet-weten, niet-begrijpen – “alleen maar dit”. Ze beseffen niet dat de uitspraken van weleer omvattend zijn als de hemel. Als niet-weten het meest nabij is, wat moeten we dan met het gezegde van Heze: “Dit ene woordje ‘weten’ opent de deur naar talloze wonderen”? Bevestig van harte wat je bevestigt, maar blijf er niet in hangen. Ontkent van harte wat je ontkent, maar blijf er niet in hangen.


Fossiel

Ook de verlichting van Fayan versteent al te gauw tot een fossiel. Meester Dayin van Boshan zei hierover: “Hij maakt nog steeds goede sier met rampspoed.”


Tussen gedachten in

De oude meester Cizhou heeft gezegd: “Als je loopt, als je zit, verblijf dan in het moment voordat er een gedachte opkomt, onderzoek het en je zult het niet-zien zien. Leg het dan weer naast je neer. Als je dat doet verstoort het gewone leven de meditatie niet en de meditatie niet het gewone leven.”


Het doel allang vergeten

Na een diepgaand onderzoek is alles eindelijk bij het het oude.
Nu zelfs de fijnste draden zijn gebroken, heeft hij het niet-weten bereikt.
Te lang of te kort – het is gedaan met knippen en oplappen.
Hij gaat mee met het lage en het hoge, en alles vereffent zichzelf.
Bij overdaad neemt hij het ervan, bij schaarste trekt hij de broekriem aan.
Rustig zwervend door het land, loopt hij alleen maar zijn neus achterna.
Een bedevaart van tien jaar – het doel allang vergeten.

(Gedicht van Tiantong bij koan 20)

Uit het commentaar bij het gedicht van Tiantong bij koan 20:


Op grootse wijze

Toen Dizang zijn vraag stelde, wilde hij weten waar het Fayan om te doen was. Fayan antwoordde niet zoals hij deed om in Dizang zijn meerdere te erkennen. Dizang zei daarop: “Niet-weten is het meest nabij.” Het verlichtte Fayan op grootse wijze dat dit niet-weten werkelijk het meest nabij was.


Opmerkelijk

Linji vroeg Luopu: “Waar kom jij vandaan?” Luopu zei: “Uit het stadje Luan.” Linji zei: “Er is iets dat ik je zou willen vragen, mag dat?” Luopu zei: “Ik begrijp niets.” Linji zei: “Opmerkelijk. Al zoek je stad en land af, je vindt haast nergens iemand die niets begrijpt.”

Linji hanteerde graag het dodelijke zwaard, en wist ook wel raad met het zwaard dat leven geeft, maar hij kon niet op tegen de scherpte van Dizang als deze mensen doodde in een uiterste poging hen te helpen. Maar toch: “ik weet het niet” en “ik begrijp niets” zijn beide toereikend. Je moet je bevrijden van het kleinste obstakel voordat je het punt van niet-weten en niet-begrijpen hebt bereikt.


Geen poot

Op een keer verzocht Guishan iedereen om in het veld te komen werken. Daar aangekomen zei Yangshan: “Wat is het hier laag, wat is het daar hoog.” Guishan zei: “Water nivelleert alles. Breng hier en daar maar op gelijke hoogte met water.” Yangshan zei: “Zelfs water heeft geen poot om op te staan, meester, de hoge plaatsen zijn gewoon hoog en de lage gewoon laag.” Guishan zei: “Zo is het.”


Van eenden en kraanvogels

In Sengzhao’s verhandeling “Wijsheid bevat geen kennis” staat: “De non-dualiteit van alle dingen betekent niet dat je de poten van een eend langer maakt of die van een kraanvogel korter, dat je bergen afgraaft en valleien opvult zodat ze niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Vandaar: “Te lang of te kort – het is gedaan met knippen en oplappen / Hij gaat mee met het lage en het hoge, en alles vereffent zichzelf.”


Voegen

Zhang Wujin zei: “Alle voorbereiding is tijdverlies. Het komt erop aan zich te voegen.” Dit is de wijze waarop men vrijuit spreekt en handelt, dit is hoe men zijn neus achterna gaat. In de lente bloeien de bloemen, in de herfst vallen de bladeren. Als je het zo bekijkt, wat valt er dan nog voor te bereiden? Vandaar dat Xuansha de bergen niet verliet en Baoshou de rivier niet overstak. Zonder hun turf te verlaten waren ze bekend met de hele wereld.

Een gedicht van Jiofan gaat zo:

Het gezicht een sorteermachine.
Oog, oor, neus en tong maken fijne onderscheidingen.
Binnenin de schedel geen enkele kennis.
U laat ik gaarne de buitenwereld – wat heb je nou aan wonderen?


Hoge posities

De mond vroeg de neus: Eten is aan mij, spreken is aan mij, waar bent u eigenlijk goed voor dat u zo pontificaal boven mij uitsteekt?
De neus zei: Van vijf bergen neemt de middelste nou eenmaal de belangrijkste positie in.
Toen vroeg de neus aan de ogen: En waaraan ontleent u beiden eigenlijk uw verheven positie?
De ogen zeiden: Wij zijn als de zon en de maan. Waarlijk, wij hebben de gave van verlichting en reflectie. Maar wij willen de wenkbrauwen weleens vragen: welke deugd rechtvaardigt in hemelsnaam uw positie boven de onze?
De wenkbrauwen zeiden: Niets pleit voor onze aanwezigheid op deze eenzame hoogte. Wij willen best naar beneden, dan kunt u voortaan van bovenaf toezien. Maar zeg eens, welke van de gaten in het gezicht behoort aan u?


Miauw

Zo zei zenmeester Baoyue Ming tijdens een lezing: “Een van de ouden heeft gezegd, ‘Bij de ogen spreekt men van zien, bij de oren van horen’ – maar waarvan spreekt men bij de wenkbrauwen? (Een lange stilte.) Bij verdriet rouwen we, bij geluk verheugen we ons. Iedereen is bekend met de nuttige functies maar niemand kent de grootste, de enige, de overbodige functie. Maar hoe zit het, wat betekent het dat eerwaarde Pindola zijn wenkbrauwen met beide handen borstelde?” (Wanson borstelde zijn wenkbrauwen en zei: ‘Miauw’.)


37. Geen enkel houvast

Guishan vroeg Yangshan: “Als iemand plotseling zei: ‘Alle kennende wezens hebben niets dan een actief bewustzijn, grenzeloos en onhelder, en verder geen enkel houvast’, hoe zou je dat bewijzen in de ervaring?” Yangshan zei: “Als er een monnik komt, dan roep ik: ‘Hé, jij daar!’ Als hij opkijkt, zeg ik: ‘Nou?’ Als hij dan aarzelt, zeg ik: ‘Het actieve bewustzijn is grenzeloos en onhelder en er is geen enkel houvast.'”
Guishan zei: Prima!


De fundamentele aandoening

Een monnik vroeg Yunan: “De Bloemenkrans Soetra stelt dat de fundamentele aandoening van onwetendheid zelf de onveranderlijke kennis van alle boeddha’s is. Dit principe is uiterst diepzinnig en mysterieus, en moeilijk te verstaan.”
Yunan zei: Dit principe is uiterst helder en duidelijk, en eenvoudig te verstaan.
Op dat moment was er net een jongen aan het vegen. Yunan riep hem en de jongen keek op. Yunan wees naar hem en zei: “Is dit geen onveranderlijke kennis?” Toen vroeg Yunan aan de jongen: “Waar is je boeddhanatuur?”
De jongen keek vertwijfeld om zich heen en maakte dat hij wegkwam. Yunan zei: “Is dit niet de fundamentele aandoening?”

Als je dit kunt begrijpen, wordt je onmiddellijk een boeddha. De verbijstering van de jongen en de aarzeling van de monnik verschillen niet; de fundamentele aandoening van onwetendheid en het grenzeloze, onheldere bewustzijn zijn ook hetzelfde. (163)

(uit het commentaar bij koan 37)


Dat was het al

Koning Milinda vroeg de eerbiedwaardige Nagasena: “Ik wil u wat vragen. Kunt u antwoorden?” Nagasena zei: “Gaat uw gang.” De koning zei: “Dat was mijn vraag al.” Nagasena zei: “Dat was mijn antwoord al.” De koning zei: “Hoe luidde het antwoord?” Nagasena zei: “Hoe luidde de vraag?” De koning zei: “Ik heb niets gevraagd.” Nagasena zei: “Ik heb niets geantwoord.”

(uit het commentaar bij koan 40)


Steen der wijzen

Eén aanraking met de steen der wijzen en ijzer wordt goud; één woord van de ultieme waarheid en een gewoon man wordt een wijze. Maar als je weet dat goud en ijzer niet twee zijn, dat gewoon en wijs op hetzelfde neerkomen, dan heb je er eigenlijk niets aan. Maar zeg eens, wie of wat moet er nou eigenlijk aangeraakt worden?

(inleiding tot koan 43)


45. Kennis noch geen-kennis

Het Geschrift der Volmaakte Verlichting zegt: ‘Breng geen waangedachten voort maar probeer ze ook niet te onderdrukken of te vernietigen. Voeg geen kennis toe maar zoek het ook niet in geen-kennis.’


48. Vimalakirti zwijgt

Vimalakirti vroeg: “Hoe gaat een Bodhisattva de non-dualiteit binnen?” Manjusri zei: “Geen woorden, geen begrippen, geen verklaringen en geen instructies. Alle vragen en antwoorden achter je laten – dit is hoe men de non-dualiteit binnengaat.” Toen vroeg Manjusri. “We zijn nu beiden aan het woord geweest. Zeg eens, beste man, hoe gaat een Bodhisattva de non-dualiteit binnen?” Vimalakirti zei niets.


Ten dode

Een monnik vroeg Zhaozhou: “Wat is het mysterie in het mysterie?” Zhaozhou zei: “Hoe lang ben je al verbijsterd?” De monnik zei: “O, al zo lang.” Zhaozhou zei: “Iedereen behalve ik verbijstert zich ten dode.”

(uit het commentaar bij het gedicht bij koan 67)


74. Grondeloze grond

Een monnik vroeg aan Fayan: “Volgens een boeddhistisch gezegde rusten alle dingen op een grondeloze grond. Wat is die grondeloze grond?” Fayan zei: Vorm gaat vooraf aan vormgeving, namen gaan vooraf aan benoemen.


Grondeloosheid is de grond

Manjusri vroeg Vimalakirti: “Wat is de grond van het lichaam?” Vimalakirti zei: “Begeerte is de grond van het lichaam.” Manjusri zei: “Wat is de grond van begeerte?” Vimalakirti zei: “Vals onderscheid is de grond van begeerte.” Manjusri zei: “Wat is de grond van vals onderscheid?” Vimalakirti zei: “Verkeerde begripsvorming is de grond van vals onderscheid.” Manjusri zei: “Wat is de grond van verkeerde begripsvorming?” Vimalakirti zei: “Grondeloosheid is de grond van verkeerde begripsvorming.” Manjusri zei: “Wat is de grond van grondeloosheid?” Vimalakirti zei: “Grondeloosheid heeft geen grond, Manjusri, alle dingen berusten op een grondeloze grond.”

(uit het commentaar bij koan 74)


Waar vandaan?

Magistraat Liu Yudan vroeg aan Yunju: “Waar komt de regen vandaan?” Yunju zei: “Van uw vraag.” De magistraat bedankte hem opgetogen. Yunju vroeg: “Waar komt de vraag vandaan?”
De magistraat zei niets.

(uit het commentaar bij het gedicht bij koan 74)


Trossen los!

Verroer je, en je begraaft je lichaam op tienduizend voet diepte; verroer je niet en je schiet ter plekke wortel. Je moet zowel aan stuurboord als aan bakboord de trossen losgooien en het midden laten voor wat het is; daarna moet je een paar sandalen aanschaffen en nog wat verder reizen voordat realisatie binnen handbereik komt.

(inleiding tot koan 89)


Echte dromen

In het noordoosten ligt een land waar ze altijd waken en nooit dromen. In het midden ligt een land waar ze de helft van de tijd dromen en de andere helft waken – ze beschouwen hun droomleven als onwerkelijk en hun waakleven als werkelijk. In het zuidoosten ligt een land waar ze praktisch altijd dromen en maar eens in de vijftig dagen wakker worden; zij houden de waaktoestand voor onwerkelijk en hun dromen voor onwerkelijk. De realiteit of irrealiteit van waken en dromen zijn niet eenvoudig vast te stellen.

(uit het commentaar bij het gedicht bij koan 90)


Poortloze Poort

De Wumenguan of Wumen Kuan of Mumonkan of Poortloze Poort is een verzameling van 48 koans verteld en becommentarieerd door de Chinese zenmeester Wumen Huikai (1183 – 1260).

Hieronder vind je enkele van deze koans in de Nederlandse vertaling door T. Meurs en R.H. Bathgate van de Engelse transcriptie van (naar ik aanneem) het Chinese origineel door Nyogen Senzaki en Paul Reps uit de bundel Zen-zin, Zen-onzin, Paul Reps, 1972.

voor mijn eigen vertaling, zie de Poortloze Poort

(titels origineel)


16. Tempelklokken en gewaden

Ummon vroeg: De wereld is zo wijd; waarom antwoordt u op een tempelklok en doet u rituele gewaden aan?


18. De drie pond van Tozan

Een monnik vroeg aan Tozan, terwijl deze wat vlas aan het wegen was: Wat is Boeddha?
Tozan zei: Dit vlas weegt drie pond.


19. Het leven van elke dag is de weg

Joshu vroeg Nansen: Wat is de weg?
Nansen zei: Het leven van elke dag is de weg.
Joshu vroeg: Kan het geleerd worden?
Nansen zei: Als je het probeert te leren, zul je er ver vanaf zijn.
Joshu vroeg: Als je het niet leert, hoe kun je dan weten dat het de weg is?
Nansen zei: De weg behoort niet tot de wereld van waarneming, noch behoort hij tot de wereld van niet-waarneming. Kennis is een begoocheling en niet-kennis is zinloos. Als je de ware weg, over de twijfel heen, wilt bereiken, plaats jezelf dan in dezelfde vrijheid als de lucht. Je noemt hem evenmin goed als niet goed.
Bij deze woorden werd Joshu verlicht.


20. De verlichte

Shogen vroeg: Waarom staat de verlichte niet op en verklaart hij zichzelf niet?
En hij zei ook: De spraak hoeft niet van de tong te komen.


21. Gedroogde mest

Een monnik vroeg Ummon: Wat is Boeddha?
Ummon antwoordde hem: Gedroogde mest.


28. Het uitblazen van de kaars

Tokusan studeerde zen onder leiding van Ryutan. Op een avond kwam hij bij Ryutan en stelde veel vragen. De leraar zei: De avond is al ver gevorderd. Waarom gaat u niet naar bed?
Dus boog Tokusan, opende het scherm om naar buiten te gaan, en merkte op: Het is erg donker buiten.
Ryutan bood Tokusan een brandende kaars aan om hem te helpen zijn weg te vinden. Op hetzelfde ogenblik dat Tokusan hem aannam, blies Ryutan hem uit. Op dat moment werd de geest van Tokusan geopend.


29. Niet de wind, niet de vlag

Twee monniken debatteerden over een vlag. De een zei: De vlag beweegt.
De ander zei: De wind beweegt.
De zesde patriarch kwam er toevallig langs. Hij vertelde ze: niet de wind, niet de vlag; de geest beweegt.


34. Leren is niet de weg

Nansen zei: De geest is niet Boeddha. Leren is niet de weg.


39. Het zijspoor van Ummon

Een zenstudent zei tegen Ummon: De schittering van Boeddha verlicht het hele heelal.
Voor hij de zin af had, vroeg Ummon: Je bent een gedicht van een ander aan het citeren, is het niet?
Ja, antwoordde de student.
Je bent op een zijspoor, zei Ummon.
Later vroeg een andere leraar, Shishin, aan zijn leerlingen: Waar raakte de student het spoor bijster?


41. Bodhidharma brengt de geest tot vrede

Bodhidharma zit naar de muur te staren. Zijn toekomstige opvolger staat in de sneeuw en biedt zijn afgehouwen arm aan Bodhidharma aan. Hij roept uit: Mijn geest is niet in vrede. Meester, breng mijn geest tot vrede.
Bodhidharma zegt: Als je mij die geest wilt brengen, zal ik hem voor je tot vrede brengen.
De opvolger zegt: Als ik mijn geest doorzoek, kan ik hem niet bevatten. Bodhidharma zegt: Dan is uw geest al tot vrede gebracht.


Samurai Zen

uit Samurai zen; the warrior koans; Trevor Leggett, Routledge, London, 1985/2003


uit 30. Spiegel-zen

Wanneer de geest nergens op berust, is er geen onhelderheid.
Dan hoeft de spiegel ook niet gepolijst te worden.


39. De geboorte van de boeddha

Ishida Yamamoto-no-kami bestudeerde de Weg in het klooster Enkakuji, waar hij gesprekken over zen voerde met Ikka, de 124-ste meester aldaar. Op een dag zei hij: ‘De geschriften die ik heb gelezen sinds ik hier begonnen ben, zijn het niet eens over de geboortedatum van de Boeddha. Welke is de juiste?’ Meester Ikka zei: ‘Waar maak je je druk om? De dag dat je je eigen boeddhanatuur realiseert zal de geboortedatum van de Gezegende zijn.’


48. De grondwaarheid van het boeddhisme

Kono Sadakuni was een ridder uit Ofuna die tevens zen studeerde. Vanwege zijn vurige temperament probeerde iedereen hem te ontlopen. Op een dag klopte hij aan bij meester Setsuo, de vijfentwintigste leraar van de Kenchoji tempel, en schreeuwde zo hard als hij kon: ‘Wat is de grondwaarheid van het boeddhisme?’
De meester gaf zijn bediende opdracht de kachel aan te doen en zei: ‘Welkom, welkom!’
De ridder vroeg opnieuw: ‘Wat is de grondwaarheid van het boeddhisme?’
De meester gebaarde naar zijn bediende om thee in te schenken en cakejes te serveren.
De ridder vroeg nogmaals: ‘Wat is de grondwaarheid van het boeddhisme?’
De meester droeg de bediende op rijst te serveren.
Ten slotte zei de ridder: ‘Ik moet u hartelijk danken voor uw onberispelijke gastvrijheid. Jammer genoeg heeft u mij nog steeds niet verteld wat de grondwaarheid van het boeddhisme is.’
De meester zei: ‘De grondwaarheid van het boeddhisme is precies dit. Als het koud is, de kachel aandoen. Als je dorst hebt, drinken. Als je honger hebt, eten. Als je uitgeput bent, slapen. Kijk maar, ik verberg niets. Het is de spirituele waarheid van actie en reactie, en als de ridder over het derde oog beschikt, zal hij onmiddellijk inzien dat dit principe ten grondslag ligt aan alles wat ik doe, of ik nou loop of stilsta, zit of lig.’
De ridder bedankte hem en vertrok. Buiten zei hij tegen de bediende: ‘Toen ik de meester daarnet naar de grondwaarheid van het boeddhisme vroeg, demonstreerde hij die met vuur in de kachel, met thee en cakejes, met een rijstmaaltijd. Maar stel dat ik hem onderweg was tegengekomen en hem naar de grondwaarheid van het boeddhisme had gevraagd, wat zou hij dan gedaan hebben?’
De bediende zei: ‘Wat de meester gedaan zou hebben weet ik niet, maar zelf zou ik het ene been voor het andere gezet hebben en mijn armen in tegengestelde richting hebben gezwaaid teneinde de grondwaarheid van het boeddhisme te demonstreren.’
De ridder zei: Stel dat ik inderdaad over het derde oog beschikte maar jij kon geen gebruik maken van je armen of je benen of je mond of je neus om de grondwaarheid van het boeddhisme te demonstreren, wat zou je dan doen?’
De bediende zweeg.


uit 50. Je eigen gedachten lezen

[Een kluizenaar zei:] ‘Ik heb in de soetra’s gelezen dat er in het boeddhisme zes bovennatuurlijke vermogens zijn (vliegen, gedachten lezen et cetera). Heeft u die ook?’
Net op dat moment kokkelde er een fazant in de tuin. De meester wees ernaar en zei: ‘Zelfs deze gouden fazant geeft er blijk van – steeds wanneer hij vliegt.’
De kluizenaar zei: ‘Dat bedoel ik niet. Kunt u bijvoorbeeld andermans gedachten lezen?’
De meester zei: ‘Probeer eerst maar eens je eigen gedachten te lezen. Als je dat al niet kunt, hoe wil je dan die van anderen lezen?’
De kluizenaar zei: Wat ziet hij die zijn eigen gedachten leest?
De meester zei: Een achtkantige maalsteen rondrazend in het niets.


55. De hartsoetra in één woord

Teneinde het wereldse de rug toe te keren, betrad zenmeester Daikaku als boeddhistische novice de Tempel van het Grote Mededogen in Szechuan. Daar moest hij driemaal daags soetra’s lezen ten overstaan van de beeltenissen van de boeddha’s en de patriarchen. Al gauw besloot hij dat hij zich niet meer met de voorgeschreven soetra’s wilde bezighouden maar alleen nog met de hartsoetra.
Daikaku verklaarde: ‘De 84.000 rollen van de boeddhaleer komen allemaal neer op de ene rol van de hartsoetra, en die ene rol van 262 woorden komt neer op maar één woord. Veel verschillende soetra’s lezen is twijfelen aan de Boeddha.’
Geheel in overeenstemming met zijn diepste overtuiging beperkte de dappere novice zich vanaf dat moment tot het lezen van die ene rol.


63. Zo!

In het eerste jaar van Tokuji (1306), op de achttiende dag van de vijfde maand, slaakte priester Musho, die wist dat hij ging sterven, een katzu-kreet en riep:

Zo komen alle boeddha’s,
Zo gaan alle boeddha’s,
Hoe alle boeddha’s komen en gaan?
Dat zeg ik toch: Zo!

(Aantekening van Imai: Zijn postume naam was Hokai. Hij ontving de dharma van meester Sekkai in China tijdens de Sung-dynastie en stichtte na zijn terugkeer een bijtempel bij Jochiji. Daar ontving hij geduldig iedereen die iets over zen wilde weten, maar welke vraag hem ook gesteld werd, hij gaf altijd hetzelfde antwoord: ‘Zo’, en weigerde resoluut iets uit te leggen.)


72. Boeddhistisch onderricht

Op een dag klopte Nobuchika aan bij de Jufuku-tempel in Kamakura voor een gesprek met Butchi Enno, ook wel Kengai genoemd.
Nobuchika zei: ‘Tenryu heeft maar één vinger nodig om het boeddhisme te onderwijzen. Maar deze oude krijger zou het boeddhisme nog kunnen onderwijzen als hij op het slagveld beide armen was kwijtgeraakt: met één been!’ En hij tilde demonstratief zijn rechterbeen op.
De meester greep het been, duwde het weg en zei: ‘En als je ook geen benen meer had?’
De krijger trok zijn wenkbrauwen op en knipperde met zijn ogen.
De meester zei: ‘En als je ook geen ogen meer had?’
Nobuchika opende zijn mond om iets te zeggen, maar de meester greep hem vast, bedekte zijn mond en zei: ‘En als je ook geen mond meer had?’
De oude krijger wist niets uit te brengen.


74. Toon me je ware aard

Ekichu, de zevende meester van Jufukuji, was een beroemd schilder. Op een dag zocht Nobumitsu hem op en vroeg of hij de geur kon schilderen die beschreven wordt in de beroemde dichtregel ‘Na door bloemen gelopen te hebben, is een paardenhoef welriekend.’ De meester schilderde een paardenhoef waar een vlinder omheen vloog.
Toen citeerde Nobumitsu de dichtregel ‘Lentebries aan de oever van de rivier’ en vroeg om een afbeelding van de lentebries. De meester schilderde een wuivende wilgentak.
Nobumitsu citeerde de beroemde zen-uitspraak ‘Een vinger die rechtstreeks naar het hart wijst, zie de Boeddha zelf als je ware aard.’ Hij vroeg om een afbeelding van het hart. De meester nam zijn penseel en knipte een druppel inkt op het gezicht van Nobumitsu. De krijger was verbaasd en geïrriteerd, en de meester schetste vlot zijn boze gezicht.
Toen vroeg Nobumitsu om een weergave van zijn ware aard. De meester brak zijn penseel doormidden en zei: Alsjeblieft.
Nobumitsu begreep het niet en de meester merkte op: ‘Je kijkt met het verkeerde oog.’
Nobumitsu zei: Neem een ander penseel en schilder alstublieft mijn ware aard!
De meester antwoordde: ‘Toon mij je ware aard en ik zal hem voor je schilderen.’


75. Zonder te gaan of te komen

Op een nacht tijdens de week van Rohatsu, in het derde jaar van Iowa (1347) te Kenchoji, begaf priester Doshu zich naar een grot voor een late zenmeditatie, waarvan hij terugkeerde tijdens de derde wacht (rond middernacht). De monnik die de wacht hield gaf hem een standje en zei: Waar bent u al die tijd geweest?
Doshu antwoordde met een soetra-vers:

Zonder te gaan, zonder te komen, de oorspronkelijke diepte –
Noch van binnen, noch van buiten, noch ertussenin.

De monnik die de wacht hield zei: Deze soetra-kopiist heeft beide ogen; ik denk dat ik hem maar binnen zal laten.
(opmerking van Imai: Het was bekend dat Doshu ooit het vijfentwintigste hoofdstuk van de Lotussoetra overgeschreven had met zijn eigen bloed.)