Leeg is mijn mystiek! De wolk van niet-weten

Het is heel simpel: In de wolk van niet-weten valt God niet te onderscheiden van niet-God, eenheid niet van veelheid, geloof niet van ongeloof, wijsheid niet van dwaasheid, gij niet van mij en ik niet van niet-ik. In de wolk van niet-weten valt niets te onderscheiden, zelfs geen weten of niet-weten. Dat noem ik heerlijkheid. Waarom? Omdat het heer-lijk is natuurlijk, heerlijk, heerlijk, driemaal heerlijk. Geloof het of niet.

(Hans van Dam, Prevelen in nevelen – een nefologische monografie)

Dwaalteksten over de mystieke theologie van Pseudo-Dionysius, de mystieke atheologie van Georges Bataille en de mystieke nefologie van niet-weten.

nefologie (Grieks, ‘nefos’, wolk): wolkenkunde

mystiek: (Grieks, ‘mustikos’, geheim): verborgen, geheimzinnig, raadselachtig, wonderlijk

mystieke nefologie: ervaringskunde van(uit) de wolk van niet-weten

wolk
De wolk van niet-weten

De lege mystiek

Briefwisseling over de verschillen tussen een mystiek niet-weten en een radicaal niet-weten; een relatief niet-weten en een absoluut niet-weten; een instrumenteel niet-weten en een accidenteel niet-weten; een goddelijke mystiek en een lege mystiek.


Beste Hans,
In paragraaf 3 van hoofdstuk I van het tractaatje Over mystieke theologie zegt Pseudo-Dionysius de Areapagiet:

‘En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat hij het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is, en aan niets, niet aan zichzelf en niet aan iets anders, en wanneer hij zich met het volledig onkenbare door de onwerkzaamheid van al zijn kennen op de hoogste wijze vereent en door niets te kennen boven geest kent.’

En een stukje verderop:

‘In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Want dat is het werkelijk zien en kennen en het bezingen van degene die boven zijndheid is als boven zijndheid; door middel van wegneming van alles wat de zijnden toekomt, zoals degenen doen die een van nature aanwezig beeld tot stand brengen, wanneer ze al het belemmerende dat het zuiver aanschouwen van het verborgene in de weg staat wegnemen en door wegneming alleen de verborgen schoonheid laten verschijnen zoals die op zichzelf is.’

Op niet-weten.nl is duisternis een regelmatig terugkerende metafoor voor niet-weten. Zo noem je jezelf onder meer ‘een duisterling’ en ‘verduisterd’, en uitdrukkelijk niet verlicht. Doel je daarmee op hetzelfde als Dionysius de Areopagiet met ‘het duister dat meer dan licht is’? Wat is volgens jou het verschil tussen de duisternis van de mysticus en de duisternis van de dwijze, of komen ze op hetzelfde neer?


Beste X,
De beeldspraak van de duisternis loopt als een, eh… zwarte draad door de geschiedenis van de christelijke mystiek en komt in meer of minder uitgewerkte vorm voor bij onder meer Gregorius van Nyssa, Pseudo-Dionysius de Areopagiet, Meister Eckhart en Johannes van het Kruis.
Simpel gezegd staat de duisternis bij hen voor een gezochte staat van begrippenloosheid, kennisloosheid, beeldloosheid ten aanzien van zelf en god, die ik hier maar even een mystiek niet-weten zal noemen; dit ter onderscheiding van een radicaal niet-weten, waarvan ik zelf slachtoffer ben en waaraan mijn website is gewijd.

In de mystieke opgang is niet-weten eerst een doel op zich, en vervolgens een middel tot het hoogste doel dat, afhankelijk van de mysticus, neerkomt op het schouwen van god, of, inniger, de vereniging met god of, voorbij schouwen en innigheid, de verening met, het opgaan in god.
Het mystieke niet-weten is dus een instrumenteel niet-weten.

Daarmee hebben we meteen het belangrijkste verschil met mijn eigen niet-weten te pakken, dat voor mij nooit een doel op zich is geweest, en nooit een middel tot een hoger of het hoogste doel.
Ik ben er geen moment op uit geweest tot niet-weten te komen, had er zelfs nog nooit van gehoord toen het me op een dag domweg overkwam.
Als vanouds naar strohalmen grijpend, viel ik pardoes in de dode zee van niet-weten, en daar dobber ik nog altijd rond.
Het hoge zoutgehalte houdt mij drijvende.
Niet-weten heeft mijn leven weliswaar volledig op zijn kop gezet, maar daar is het me nooit om te doen geweest.
Het mijne is een ongezocht, onvoorzien en, in eerste instantie, ongewenst niet-weten – een ongeluk of (bij nader inzien) een geluk bij een ongeluk, om niet te zeggen een subliem geval van serendipiteit.
Om het te onderscheiden van het instrumentele niet-weten van de mysticus zal ik het hier maar even een accidenteel niet-weten noemen.

De christelijke mysticus gaat de duisternis dus aan en in met een reden: hij hoopt op die manier toegang te krijgen tot (in termen van Dionysisus de Areopagiet) ‘de volmaakte en enige oorzaak van alles die boven alle bepaling is’, ‘de drieheid die meer dan zijndheid is en meer dan god en meer dan goed’.
Aangezien de god die de mysticus wil leren kennen boven alle bepaling is, laat hij zich niet kennen met de middelen waarmee we onszelf en de schepselen om ons heen leren kennen: de zintuigen, de rede en de verbeelding.
Integendeel; om god te leren kennen moet de mysticus zich, als eerste benadering, van al zijn godsbeelden ontdoen, zintuiglijke zowel als rationele en fantastische.
Vervolgens rest hem geen mogelijkheid dan de onkenbare van binnenuit te leren kennen door zich zoveel mogelijk aan hem gelijk maken.
Hoe maakt de mysticus zich gelijk aan de god die boven alle bepaling is?
Door zichzelf boven bepaling te stellen, in concreto door zich van alle zelfbeelden te ontdoen, net zoals hij zich van al zijn godsbeelden heeft ontdaan.
Door zichzelf te ont-kennen, leert hij de onkenbare kennen als zichzelf.
Laat ik hier maar meteen bekennen dat ik niet uit ervaring spreek; ik heb de onkenbare niet leren kennen als mijzelf, mezelf echter wel als de onkenbare.

Met deze beschrijving hebben we meteen het tweede verschil tussen een mystiek en een radicaal niet-weten te pakken; het eerste is relatief in de zin van begrensd, ingebed in een context van kennis die niet ter discussie staat, het tweede absoluut in de zin van onbegrensd, zonder inbedding of context, zonder uitzondering.
Het relatieve niet-weten van de mysticus blijft immers beperkt tot het ik en de allerhoogste; hij hoeft zich ‘alleen maar’ te ontdoen van zijn zelfbeelden en godsbeelden.
Alle andere denk-beelden in de beeldentuin van zijn geest, zoals mensbeelden, wereldbeelden en ideaalbeelden blijven in principe (en voor zover ik kan nagaan ook in de praktijk) ongemoeid.
Relatief niet-weten, waarvan mystiek niet-weten een instantie is, laat zich omschrijven als ‘dít niet weten of dat niet weten’; absoluut niet-weten, dat geen andere instanties kent dan zichzelf, laat zich zelfs niet omschrijven als ‘niets weten, dit ook niet’.

In de praktijk blijkt de mysticus zich zelfs niet van zijn zelf- en godsbeelden te ontledigen; er blijft steeds iets over, er wordt altijd iets voor in de plaats gesteld.
God mag dan wel voorbij alle bepaling zijn, en zelfs voorbij zijn en niet-zijn, maar zijn bestaan-voorbij-alle-bepaling is boven-alle-twijfel verheven.
Dit onwrikbare uitgangspunt valt buiten het oculair van het mystieke niet-weten.
Dat kan ook niet anders want zonder god kan er ook geen weg naar god zijn, waardoor de hele mystieke opgang in het water zou vallen, of God verhoede, in de zee van niet weten.

Niet alleen staat zijn bestaan buiten kijf, de onkenbare blijkt bij nader inzien nog heel wat kenmerken te hebben.
Ik ken tenminste geen enkele beschrijving van een christelijke mystieke ervaring waarin god geen eigenschappen toegedicht krijgt.
Zo blijft hij voor de meeste mystici zelfs in de peilloze diepten van de rechtstreekse ervaring de schepper, de eerste oorzaak, de ene, de allerhoogste, de oneindige, de alomtegenwoordige, de almachtige, de alwetende, de alziende, de onveranderlijke, de drieheid, de Christus, het Goede (Dionysius), het Zijn (Eckhart), de minne (Hadewijch) et cetera.
Ik ken ook geen enkele zelfbeschrijving van een mysticus waarin deze zich van alle zelfbeelden heeft ontdaan.
De godzoeker blijkt keer op keer uit een keur van onderdelen en vermogens te bestaan,
meestal de wil, het verstand, het geheugen, geest, ziel en lichaam, die op verschillende manieren worden ingezet en opgevoerd en omgeleid en uitgeschakeld omwille van de mystieke opgang.


Beste Hans,
Als ik je goed lees is het mystieke niet-weten voor jou een gemankeerd niet-weten.


Beste X,
Voor de dwijze is de nachtmysticus een gestrande pelgrim die de hypostase van de onkenbare god aanziet voor niet-weten.
Voor de mysticus is de dwijze een gestrande pelgrim die de wachtkamer van niet-weten aanziet voor de hemel.


Beste Hans,
En die dwijze, dat ben jij.


Beste X,
Ik zou het echt niet weten.


Beste Hans,
Het is nota bene je eigen woord.


Beste X,
Misschien ben ik wel een dwijze mysticus.


Beste Hans,
Wat is dat nou weer.


Beste X,
Voor veel christelijke mystici loopt de weg naar god door de wolk van niet-weten, wat niet voor niets de titel is van een mystiek tractaatje van een anonieme Engelse auteur uit de middeleeuwen.
De wolk van niet-weten gaat de mysticus in door alles wat hij over zichzelf en over god meent te weten overboord te zetten.

Welnu, dat heb ik ook gedaan, of liever, dat is mij ook overkomen.
Ik heb mijzelf en god volledig uitgehold, kon althans ten aanzien van de een noch de ander bij nader onderzoek ook maar iets vinden waarvoor ik mijn hand in het vuur durfde steken, zelfs niet ons niet-zijn.
Ik heb dus precies gedaan c.q. ondergaan wat christelijke mystici al tweeduizend jaar van harte aanbevelen, alleen niet vanwege hun aanbevelingen, want ik wist in de tijd waarover ik nu spreek hoegenaamd niets van mystiek.
Onbedoeld heb ik gedaan/ondergaan wat zij aanbevelen, en ben daarbij tot het gaatje gegaan, en erdoorheen, met dien verstande dat mijn beeldenstorm zich niet beperkte tot mezelf en god, maar meedogenloos huishield (en maar blijft huishouden) onder ál mijn denkbeelden.

Nu is het merkwaardige, als je werkelijk de wolk van niet-weten binnengaat en daarbij werkelijk al je denkbeelden over jezelf en over god achterlaat, je jezelf helemaal niet terugvindt in de wachtkamer voor de hemel, duimend en duimen draaiend tot de onkenbare god zich eindelijk een keer laat kennen.
Ik tenminste niet.
Daar, in die wolk van niet-weten, blijkt helemaal geen wachtkamer te zijn, en, bij gebrek aan denkbeelden om ze te wekken, ook geen verwachtingen; er is daar geen hans meer om ze te koesteren en geen god meer om op te wachten.
Die denkbeelden (wachtkamer, verwachtingen, hans, god) vallen allemaal weg bij het binnengaan van de wolk van niet-weten.

Waar geen hans is en geen god, is ook geen afstand tussen hans en god en ook geen overbruggen van de afstand tussen hans en god en ook geen schouwen door hans van god en ook geen innige vereniging van hans en god tot hansgod en ook geen opgaan van hans in god of een opgaan van god in hans.

In de wolk van niet-weten is geen god en geen eenheid en geen liefde en geen zijn en geen schepping, dus ook geen god die eenheid is en ook geen god die liefde is en ook geen god die zijn is en ook geen god de schepper.

In de wolk van niet-weten is geen god, dus ook geen weg naar god, dus ook geen instrumenteel niet-weten, maar ook geen accidenteel niet-weten en geen mystiek niet-weten en geen relatief niet-weten en geen absoluut niet-weten of welk niet-weten of wel-weten dan ook.

In de wolk van niet-weten is geen ziel en geen aangeraakt worden in de ziel en geen donkere nacht van de ziel en geen einde van de donkere nacht van de ziel.
In de wolk van niet-weten is zelfs geen wolk van niet-weten, dus ook geen binnengaan van de wolk van niet-weten en geen verblijven in de wolk van niet-weten en geen verlaten van de wolk van niet-weten.

In de wolk van niet-weten ben je home-free en is er niets meer te doen of na te laten.


Beste Hans,
Dit lijken mij eerder de woorden van een atheïst dan van een mysticus. Of van een agnosticus, een nihilist of een non-dualist of weet ik veel.


Beste X,
In de wolk van niet-weten is geen theïsme, geen atheïsme, geen agnosticisme, geen nihilisme en geen agnosticisme.
Er is geen god, geen niet-god en geen goddeloosheid.
Er is geen waarheid en geen ontbreken van waarheid, geen zekerheid, geen twijfel en geen onzekerheid, geen geloof en geen ongeloof.
Er is geen dualisme, geen non-dualisme, geen dualiteit, geen non-dualiteit, geen pluraliteit, geen eenheid en geen leegte.
Moet ik doorgaan?
Welke begrippen, welke postulaten, welke afleidingen, welke redeneringen, welke logica, welke rede, welk verstand, welke meningen, welke overtuigingen, welke voorstellingen, welke gedachten, welke wegen, welke doelen, wou je op welke wijze meesmokkelen de wolk van niet-weten in?


Beste Hans,
Geen atheïsme of non-dualisme dan, en ook niks anders. Maar het lijdt geen twijfel dat jij god weggooit. Dat lijkt me een essentieel, om niet te zeggen fataal verschil met Dionyisius. Die is er niet op uit zich van god te ontdoen, hij is eropuit zich van alle bepalingen van god te ontdoen teneinde hem volledig recht te doen.


Beste X,
De wolk van niet-weten ingaan is geen kwestie van god weggooien.
Het is een kwestie van godsbeelden weggooien, zonder uitzondering.
Nogmaals, dat is niet mijn idee; het is het dringende advies van een aantal gerenommeerde christelijke mystici, waaronder Pseudo-Dionysius.
Wie na het weggooien een transcendente god overhoudt, heeft zijn werk niet goed gedaan.
Hij heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Wie na het weggooien een immanente god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Wie na het weggooien een beeldloze god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Wie na het weggooien een beeld van niet-god overhoudt, heeft nog niet alle godsbeelden weggegooid.
Zelfs het weggooien van alle godsbeelden impliceert, als weg naar god, nog steeds een beeld van god, die zich immers laat bepalen als degene die langs deze weg benaderd kan worden.
Weg ermee.


Beste Hans,
Sorry dat ik zo aandring, maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan? Is de wolk van niet-weten niet gewoon leeg? Of moet ik niet-weten soms zien als de mystiek van de lege god? Of leger nog, als een mystiek van de leegte?


Beste X,
Nee, geen mystiek van de lege god.
De lege god is nog steeds een godsbeeld.
Ook geen mystiek van de leegte.
De leegte is nog steeds een godsbeeld.
Wat dacht je van een lege mystiek?
Of liever, dé lege mystiek, want waarin zou de ene lege mystiek moeten verschillen van de andere?


Beste Hans,
Dat zou jou een lege mysticus maken. Of moet ik nu zeggen, dé lege mysticus?


Beste X,
Alleen maar bij wijze van spreken.


Beste Hans,
Niet in werkelijkheid?


Beste X,
Niet in de wolk van niet-weten.


Beste Hans,
Die ook al niet bestaat.


Beste X,
Niet in de wolk van niet-weten.


Beste Hans,
Sorry dat ik zo aandring…


Beste X,
‘Maar wat is hier in godsnaam nog mystiek aan?’


Beste Hans,
Ik wou het niet nogmaals vragen.


Beste X,
‘Mystiek’ is afgeleid van het Griekse mustikos: geheimzinnig.
De donkere wolk van niet-weten onttrekt alles aan het zicht.
Niet alleen god maar ook niet-god en de dingen en mijzelf en zichzelf.
Ik tast volledig in het duister en niets laat zich raden.
Kan het geheimzinniger?


Beste Hans,
De transcendentie ten top.


Beste X,
Alles inbegrepen.


Beste Hans,
En niets meer te zeggen.


Beste X,
Dit ook niet.


Beste Hans,
Sst.


Beste X,
Een ander woord voor god.


Beste Hans,
Dus toch.


Beste X,
Of andersom natuurlijk.


Beste Hans,
Sst.


In dezelfde duisternis

Maar nu zul je mij vragen: Hoe moet ik over God zelf denken, en over wat Hij is? En dan kan ik je enkele maar antwoorden: Ik weet het niet. Want met deze vraag heb je mij in dezelfde duisternis gebracht, dezelfde wolk van niet-weten, waarin ik jou hebben wil.

(uit De Wolk van niet-weten, Sint-Adelbertabdij, Egmond, 1994; vertaling van The cloud of unknowing, auteur onbekend, circa 1380, hoofdstuk 6, pagina 66)


Atheologie

Uit een artikel gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Wil een historicus recht doen aan de herkomst van het boeddhisme dan kan hij een boeddhist omschrijven als een hindoeïst zonder Atman.
Wil een biograaf recht doen aan de bestemming van schrijver, dichter, filosoof en surrealist Georges Bataille (1897-1962) dan kan hij hem omschrijven als een moralist zonder moraal, een boeddhist zonder Boeddha of een mysticus zonder God.

Hoewel Bataille weinig ophad met het woord mystiek en liever sprak van ‘een innerlijke ervaring’, zag hij zichzelf toch als een erfgenaam van de Mystieke theologie, die echter ‘afgesneden was van een God en schoon schip maakt’.
Een mysticus in christelijke zin was hij niet, en ook geen theoloog, orthodox of anderszins, maar wel zoals hij zelf graag zei een ‘atheoloog’.
De atheologie heeft ‘alleen het onbekende als object’.
Volgens Bataille, die zich liet inspireren door Maurice Blanchot, is de grondslag van elk spiritueel leven dat het ‘slechts:

  • zijn beginsel en doel kan hebben in de afwezigheid van heil, in het afzien van elke hoop,
  • de innerlijke ervaring kan affirmeren als autoriteit (maar elke autoriteit moet voor zichzelf boeten),
  • aanvechting van zichzelf en niet-weten kan zijn.’

Deze ‘grondslag’ doet denken aan de ‘grondslag’ van het zenboeddhisme, met name soto, waarin volgens zenleraar Nico Tydeman iedere spirituele ambitie ‘tot op de draad versleten moet raken’.
Hij doet ook denken aan de ‘grondslag’, dat wil zeggen, de mokerslag van niet-weten, dat zelfs geen afgrond wil heten.
Om die reden zou je zowel zen als niet-weten atheologie kunnen noemen.
Maar een radicaal niet-weten heeft, in tegenstelling tot de innerlijke ervaring die het toch ook is, geen object, dus ook niet het onbekende; geen autoriteit, dus ook niet zichzelf; en geen beginsel of doel, dus ook niet de afwezigheid van heil en het afzien van hoop.
Daarom spreek ik liever van lege mystiek (leeg van God maar ook leeg van niet-God en zelfs van leegte ontledigd) of van mySstiek of van de lege leer of van Groot Ongeloof.
Nog liever zeg ik niets.

Bataille had zijn boek over atheologie, De innerlijke ervaring, samen met verwante geschriften van later datum willen bundelen tot een atheologische summa, La somme athéologique, maar het is er niet van gekomen.
Hoe atheologisch.
Wel zijn ze terug te vinden in zijn verzamelde werk, Oeuvres complètes, met name in de laatste twee delen.

Hieronder een tiental citaten uit De innerlijke ervaring, Georges Bataille, 1954, vertaald door Laurens ten Kate en Wim Kuijt, Uitgeverij Gooi en Sticht bv, Hilversum, 1989.


‘Ik wilde dat de ervaring daartoe zou leiden waarheen zij voerde, haar niet naar een vooropgezet doel voeren. En ik zeg meteen dat zij naar geen enkele vluchthaven voert (doch naar een oord van verbijstering, van onzin). Ik wilde dat het niet-weten er de grondslag van vormde – waarmee ik met vinniger nauwgezetheid een methode volgde waarin de christenen uitblonken (zij volgden die weg voor zover het dogma dat toestond). Maar deze ervaring, geboren uit het niet-weten, blijft zich daar zonder twijfel in ophouden. Zij is niet onuitsprekelijk, men verraadt haar niet door over haar te spreken, maar de antwoorden op de vragen van de kennis, voor zover de geest deze nog bezat, onttrekt zij zelfs aan hem. De ervaring openbaart niets en kan geen geloof stichten, noch eruit voortkomen.’ (27)

‘Wij worden alleen dan volkomen blootgelegd wanneer wij zonder oplichterij naar het onbekende gaan.’ (29)

‘De ervaring bereikt uiteindelijk de versmelting van het object en het subject, is als subject niet-weten en als object het onbekende. Daarop kan ze de intellectuele bedrijvigheid laten stuk lopen: herhaalde mislukkingen dienen haar even goed als de uiteindelijke gedweeheid die men mag verwachten. Wanneer dat is bereikt als een uiterst mogelijke, spreekt het vanzelf dat de filosofie in eigenlijke zin is opgeslokt, dat zij zich ontbindt, reeds losgemaakt van de eenvoudige poging tot een samenhang der kennis, zoals de wetenschapsfilosofie is. En zich ontbindend in deze nieuwe manier van denken, is zij slechts de erfgename van een fabuleuze mystieke theologie, die echter afgesneden is van een God en schoon schip maakt.’ (33)

‘Ik verblijf in het onhoudbare niet-weten, dat geen andere uitweg kent dat de extase zelf.’ (36)

‘Als het niet-weten bereikt wordt, is het absolute weten niet meer dan een vorm van kennis te midden van andere.’ (84)

Het leven zal zich in de dood verliezen, de rivieren in de zee en het bekende in het onbekende. Kennis vormt de toegang tot het onbekende. (135)

Allerlaatste mogelijkheid. Dat het niet-weten nog steeds weten zou zijn. Ik zou de nacht verkennen! Maar nee, het is de nacht die mij verkent… (146)

Plotseling weet ik, bespeur ik het zonder te schreeuwen, het is geen object, DE NACHT, HIJ is het op wie ik wachtte! (160)

‘Wanneer ik God ben, ontken ik hem tot in de grond van de ontkenning. Als ik slechts mijzelf ben, ken ik hem niet. Voor zover in mij de heldere kennis voortbestaat, benoem ik hem zonder hem te kennen: Ik ken hem niet. Ik poog hem te kennen: dadelijk ben ik niet-weten, ben ik God, ongekende onwetendheid, onkenbaar.’ (168)

‘Het denken ruïneert en zijn verwoesting is niet aan de massa mede te delen, zij richt zich tot hen die het minst zwak zijn.’ (195)


Deze wonderlijke wolk

Want dit wil ik je wel zeggen: er is in dit leven nooit iemand geweest (noch zal die er ooit zijn), hoe zuiver ook en hoezeer gegrepen door de beschouwing en de liefde van God, die tussen hem en zijn God niet altijd deze hoge en wonderlijke wolk van niet-weten ervaren heeft.

(uit De Wolk van niet-weten 1994, hoofdstuk 17; pagina 83).


Koekoektekst

Een koekoekstekst is een halfplagiaat waarin sleutelwoorden van de oorspronkelijke auteur zijn vervangen door die van jezelf, zoals een koekoek haar eieren in het nest van een vreemde vogel legt.
Dankzij kieskeurig jatwerk wordt zelfs een onverbeterlijke woordenpoester voor eventjes een ster – al is het maar een vallende.

Hieronder vier koekoeksteksten gebaseerd op Pseudo-Dionysius, Ruusbroec en Roemi.


Voorbij aan alles

Veelwoordig is niet-weten en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden van zijn en geen begrip; want het verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk zijn degenen die aan alles voorbij zijn.

Koekoekstekst gebaseerd op een fragment van paragraaf 3 van Over mystieke theologie I:

Veelwoordig is de goede oorzaak van alles en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden zijn en geen begrip van haar; want ze bevindt zich boven alles, als meer dan zijndheid, en verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk is, zoals de geschriften zeggen, degene die aan alles voorbij is.


Eine kleine Nachtmystik

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat voorbij aanschouwing is en voorbij kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Alles nemen we weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat door al het licht in de zijnden verborgen is.

Koekoekstekst gebaseerd op een fragment van Over mystieke theologie II:

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. [Zo nemen we] alles weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat meer dan zijndheid is en dat door al het licht in de zijnden verborgen is.


Het Woord Gods

Want de hemelse vader wil dat wij horen, hij is immers vader van de stilte. En daarom spreekt hij altijd, ongehinderd en onophoudelijk, één enkel onuitputtelijk woord, en niet meer, in de verborgenheid van onze geest. Met dit woord spreekt hij zichzelf en alle dingen uit, en dit woord luidt niet anders dan: ‘Sst!’ Dit is de kiem van het mysterie, van de eeuwige stilte, de stilte waarin men alle zaligheid hoort en kent.

Koekoekstekst gebaseerd op een fragment van De geestelijke bruiloft van Jan van Ruusbroec vertaald uit het Middelnederlands door Jos van den Hoek (2008, p189):

‘Want de hemelse Vader wil dat wij zien, hij is immers vader van het licht. En daarom spreekt hij altijd, ongehinderd en onophoudelijk, één enkel onuitputtelijk woord, en niet meer, in de verborgenheid van onze geest. Met dit woord spreekt hij zichzelf en alle dingen uit, en dit woord luidt niet anders dan: ‘Zie.’ Dit is de geboorte en de verschijning van de Zoon, van het eeuwige licht, het licht waarin men alle zaligheid ziet en kent.’


Bestaans-wijzen

Wie zegt ‘Ik ben de knecht van God’, zegt dat er twee bestaanswijzen zijn, die van hemzelf en die van God. Wie zegt: ‘Ik ben God’, heeft zichzelf niet-bestaand gemaakt, zichzelf opgegeven en zegt eigenlijk: ‘Ik ben Hij, Hij is alles, er is geen zijn dan Gods zijn.’ Maar wie naar waarheid zegt: ‘Ik weet het niet’, laat alles open. Dit is het uiterste van de nederigheid en de zelfmindering.

Koekoekstekst gebaseerd op een uitspraak van Roemi:

‘Wie zegt ‘Ik ben de knecht van God’, zegt dat er twee bestaanswijzen zijn, die van hemzelf en die van God, maar wie zegt: ‘Ik ben God’, heeft zichzelf niet-bestaand gemaakt, zichzelf opgegeven en zegt ‘Ik ben God’, dat wil zeggen: ‘Ik ben niets, Hij is alles: er is geen zijn dan Gods zijn.’ Dit is het uiterste van de nederigheid en de zelfmindering.’

Bron: Encyclopedie van de mystiek; fundamenten, tradities en perspectieven, Joris Baers (redactie), Kampen: Kok, 2003, p78.


Schoon van verre maar verre van schoon

Hoe ver moet je gaan? Het voorbijgaan voorbij.


Beste Hans,
In Over Mystieke Theologie I.3 schrijft Dionysius de Areopagiet:

‘En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is.’

Ik denk dat dit jou wel zal aanspreken.


Beste X,
En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van het duister en de kennisloosheid, van het werkelijk mystieke, van het tot zwijgen brengen van zijn kennend grijpen, van het volledig onaanraakbare en onzichtbare en van degene die aan alles voorbij is en waaraan hij geheel en al zou toebehoren.

Ik denk dat dit jou niet zal aanspreken.


Ik drong binnen waar ik niet wist

Stijgt men hoger, des te minder
kan men er begrip van krijgen,
wat het is: die duist’re wolkzuil
die de donk’re nacht verheldert;
wie eens van dit weten weet had,
blijft dan ook in een niet-weten,
alle weten overstijgend.

(Strofe uit het gedicht ‘Ik drong binnen waar ik niet wist’, Heilige Johannes van het Kruis, Volledige Werken, Uitgeverij Paul Brand N.V. 1963, 204-208)


Lachgas

De een zijn rust is de ander zijn roes. Over het verschil tussen onuitsprekelijk en uitgesproken; niet-weten als het toppunt van mystiek.


‘Stel je voor dat je je telkens wanneer je wat denkt of hoort of leest of zegt, afvraagt of je daarvoor je hand in het vuur zou steken; of je er vergif op zou innemen; of je je leven ervoor zou geven, of alles wat je dierbaar is. En dat je dan zonder eerst allerlei boeken of autoriteiten of vrienden of je innerlijke goeroe of je geweten of je hart te raadplegen, spontaan ‘Nee!’ roept. Zonder meer, keer op keer. Maar niet met zoveel woorden, ook niet met minder woorden, helemaal niet met woorden maar voorbewust, impliciet, zonder enige inspanning, intentie of regie jouwerzijds, net als spijs verteren of menstrueren of (re)laxeren of het circuleren van het bloed dat jou in leven houdt maar niet door jou in leven gehouden hoeft te worden. Zoiets moet je je voorstellen bij het levende niet-weten dat ten grondslag ligt aan het levende niet-spreken dat ogenschijnlijk niets inhoudt en toch niets achterhoudt.’

‘Misschien vind je dit wat overdreven, maar de vraag of woorden corresponderen met iets reëels is een fundamentele, die in het boeddhisme inspireerde tot de sleutelbegrippen sunyata en afhankelijk ontstaan, in de scholastiek tot het nominalisme en in de twintigste eeuw tot de analytische wijsbegeerte en het postmodernisme.’

‘Een zuiver negatieve theologie kan nooit mystiek zijn, precies omdat ze zich zo compleet mogelijk uitspreekt over god, al is het dan maar apofatisch. Een zuivere dwaaltekst kan nooit theologisch zijn, precies omdat hij zich nergens over uitspreekt, ook niet over god. In mijn beleving zijn dwaalteksten echter net zo mystiek als het leven zelf, in de zin van zonderling en wonderlijk, volledig ondoorgrondelijk. Mystieker kan eigenlijk niet, omdat ze werkelijk alles te raden overlaten – net als de dingen en de levende wezens, net als het leven zelf.’

Wat mij betreft is een radicaal niet-weten niets anders dan mystiek in de oorspronkelijke zin van het woord. De mystiek van niet-weten of een mystiek niet-weten of een niet-wetende mystiek of gewoon een lege mystiek, zonder God, zonder niet-God en zelfs van leegte ontledigd. Of dit een verrijking dan wel een verarming is van mystiek in de conventionele zin van het woord, of van niet-weten in de conventionele zin van het woord, mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

‘Positieve theologie staat tot negatieve theologie staat tot lege mystiek als ja staat tot nee staat tot tja of als uitspreken staat tot tegenspreken staat tot vrijspreken of als these staat tot antithese staat tot parenthese (de wereld tussen haakjes).’

‘Geen enkele uitspraak doen met alle woorden die nou eenmaal nodig zijn om een voorafgaande gedachte, uitspraak of tekst compleet te ontmantelen – dat is wat ik onder stilte versta. Op die manier het vanzelfsprekende weer vanzelfzwijgend maken. Herraadselen.’

‘Alles helemaal uitschrijven doe ik niet om te overtuigen of te overdonderden, maar om iets van de kick, de roes, de trance, de vreugde, de gelukzaligheid, de zielsverrukking – iets van het gevoel van oneindige ruimte en lichtheid en luchtigheid en vrijheid en vrede op te wekken waarmee een almaar niet uitspreken als uitdrukking van een almaar niet weten gepaard gaat. In mijn beleving bestaat de wolk van niet-weten voor honderd procent uit lachgas.’


Beste Hans,
Het is alweer even geleden dat ik iets van me heb laten horen. Een van de dingen die is blijven hangen uit onze vorige correspondentie is jouw suggestie dat christelijke mystici misschien niet ver genoeg gingen in het uithollen van hun God. Ik vermoed dat je na zorgvuldige lezing van capita IV en V van Over Mystieke Theologie van Pseudo-Dionysius de Areopagiet (Ben Schomakers 2002, p19-21) wel anders zult piepen:

IV.
En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V.
En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest, en zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft, en zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; en zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; en ook niet dat zij vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; en dat zij niet leeft en niet leven is; en zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; en dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis, en zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid, en niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; en dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; en zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; en dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

Ik zie niet in hoe je dit nog zou kunnen overtreffen, Hans. Bovendien lijkt deze tekst in stilistisch opzicht sprekend op een dwaaltekst.


Beste X,
Ja, dit is een schoolvoorbeeld van negatieve theologie, maar een dwaaltekst is het nie.
Ik zal uitleggen waarom.
Kenmerkend voor een dwaaltekst is dat hij zich niet uitspreekt, tenzij om tegenwicht te bieden.
Om te voorkomen dat een dwaaltekst bezwijkt onder zijn eigen tegenwicht biedt hij ook daaraan tegenwicht tot de zaak weer in balans is en er per saldo niets uitgesproken blijft.
Mijn dwaalteksten lijken daarom hoogstens zwijgend maar zeker niet sprekend op de negatieve theologie van Dionysius.

Om te kunnen zien wat de negatieve theologie van Dionysius inhoudt, moet je vooral op de beginregels van hoofdstuk IV en V letten.
Daar staat: ‘En zo spreken wij uit dat…’ respectievelijk ‘En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat…’
Dionysius is zich aan het uitspreken over ‘de oorzaak van alles’.
Om dit uitspreken te benadrukken, zal ik het inlassen in de originele tekst na iedere puntkomma:

IV.
En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; we spreken uit dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; we spreken uit dat zij niet op een plaats is; we spreken uit dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; we spreken uit dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; we spreken uit dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; we spreken uit dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; we spreken uit dat zij niet licht ontbeert; we spreken uit dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V.
En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest; we spreken uit dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; we spreken uit dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; we spreken uit dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; we spreken uit dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; we spreken uit dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; we spreken uit dat zij niet leeft en niet leven is; we spreken uit dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; we spreken uit dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; we spreken uit dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; we spreken uit dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; we spreken uit dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; we spreken uit dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; we spreken uit dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

zwervelingen 446 1

Zie je nu hoeveel er uitgesproken wordt door Dionysius?


Beste Hans,
Maar hij spreekt toch ontkenningen uit? Hij neemt bepalingen weg. Uiteindelijk beweert hij niets behalve dat de volmaakte en enige oorzaak boven alle bepaling en zelfs boven alle wegneming is.


Beste X,
Ontkenningen zijn net zo goed bepalingen.
Ze drukken nog altijd een weten uit.
Als ik zeg ‘Mijn haarkleur is boven alle bepaling’, zeg ik misschien niet veel maar toch wel iets, bijvoorbeeld dat mijn haar niet duidelijk zwart of bruin of rood of blond is.
Als ik zeg ‘Mijn haar is niet zwart’, zeg ik zo mogelijk nog minder, maar nog altijd meer dan niets.
In ieder geval meer dan wanneer ik zeg ‘Ik spreek niet uit welke kleur mijn haar heeft’.
Ook deze laatste zin is informatiever dan je op het eerste gezicht zou denken.
Zo suggereert hij dat er een bestendige ik is die haar heeft met een kleur waarover voornoemde ik om niet nader genoemde redenen weigert te spreken.

Om van hoofdstuk IV en V een dwaaltekst te maken in plaats van een graaltekst (een tekst die naar een heilige graal graait) of een praaltekst (een tekst die een heilige graal of de auteur verheerlijkt), moeten we om te beginnen de mantra ‘We spreken uit dat…’ vervangen door ‘We spreken niet uit dat…’
En omdat ik niet voor een ander kan spreken, maak ik ervan: ‘Ik spreek niet uit dat…’
En omdat ik dat wat plechtig vind, maak ik ervan: ‘Ik zeg niet dat…’

Waarom zeg ik niet?
Omdat ik niet weet.
Wanneer weet ik niet?
Op het moment van zeggen (in dit geval schrijven) niet.
Hoe stel ik dat vast?
Eerlijk gezegd stel ik het helemaal niet vast, dat gebeurt vanzelf.
Maar hoe dan?
Stel je voor dat je je telkens wanneer je wat denkt of hoort of leest of zegt, afvraagt of je daarvoor je hand in het vuur zou steken; of je er vergif op zou innemen; of je je leven ervoor zou geven, of alles wat je dierbaar is.
En dat je dan zonder eerst allerlei boeken of autoriteiten of vrienden of je innerlijke goeroe of je geweten of je hart te raadplegen, spontaan ‘Nee!’ roept.
Zonder meer, keer op keer.
Maar niet met zoveel woorden, ook niet met minder woorden, helemaal niet met woorden maar voorbewust, impliciet, zonder enige inspanning, intentie of regie jouwerzijds, net als spijs verteren of menstrueren of (re)laxeren of het circuleren van het bloed dat jou in leven houdt maar niet door jou in leven gehouden hoeft te worden.
Zoiets moet je je voorstellen bij het levende niet-weten dat ten grondslag ligt aan het levende niet-spreken dat ogenschijnlijk niets inhoudt en toch niets achterhoudt.

Waar was ik. O ja:

IV.
En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; ik zeg niet dat zij niet op een plaats is; ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert; ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.

V.
En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest; ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is; ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.

zwervelingen 446 3

Je ziet, ik beweer hier al heel wat minder dan Dionysius met zijn negatieve theologie ooit zou kunnen of willen.
Het wordt steeds negatiever en steeds minder theo-logisch.
Of met een toespeling op de titel van Dionysius’ tractaatje: het wordt steeds mystieker (in de etymologische zin van geheimzinniger, verborgener) en steeds minder theologisch.
Maar een dwaaltekst is het nog niet.

Om te beginnen bevalt het me niks dat ik door het parafraseren van Dionysius gedwongen wordt halve uitspraken te doen.
De zin ‘Ik zeg niet dat mijn haar zwart is’ wekt bij de lezer wellicht het vermoeden dat mijn haar niet zwart is.
Om die gedachte in de kiem te smoren, maak ik ervan: ‘Ik zeg niet dat mijn haar zwart is; ik zeg ook niet van niet.’
Verder eindigt de ene zin van hoofdstuk V met de verklaring ‘want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.’
Deze verklaring valt buiten het bereik van Dionysius’ ‘spreken wij uit dat…’ uit de beginregel van V, dus ook buiten het bereik van mijn parafrase ‘ik zeg niet dat…’, en moet daarin expliciet opgenomen worden.

Ziehier het resultaat van deze twee ingrepen:

IV.
En zo zeg ik niet dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet op een plaats is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet licht ontbeert; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit; ik zeg ook niet van niet.

V.
En wanneer ik dan verder stijg, zeg ik niet dat zij niet ziel is en niet geest; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet leeft en niet leven is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat de volmaakte en enige oorzaak van alles boven alle bepaling is; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al boven alle wegneming is; ik zeg ook niet van niet.

zwervelingen 446 2

Is het nu eindelijk een dwaaltekst?
Op zinsniveau wel, op woordniveau nog niet.
Op zinsniveau al wel omdat mijn laatste parafrase geen stellingen meer bevat (anders dan het ont-stellende performatief ‘Ik zeg niet dat…’).
Op woordniveau nog niet, omdat door de woordkeus aan het begin van IV en het eind van V de indruk wordt gewekt dat er wel degelijk zoiets is als ‘de oorzaak van alles, die boven alles is’ (eerste regel van IV), oftewel ‘de volmaakte en enige oorzaak van alles’ en ‘dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al’ (eerste regel van V).
Zou ik daarvoor mijn rechterhand in het vuur steken?
Ik kijk wel linker uit.
Of voor het tegendeel?
Mij niet gezien.
Daarom moet ik ten minste aan het eind van V nog een ontzegging toevoegen van de volgende strekking:

Ik zeg niet dat er zoiets is als de oorzaak van alles die boven alles is, of de volmaakte en enige oorzaak van alles; ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er iets is dat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al; ik zeg ook niet van niet.

Dan nóg ben ik niet tevreden, want mijn laatste parafrase zit tjokvol Dionysische hypostasen – denk-beelden waarvan het bestaan en de aard voor mij geenszins vaststaan, zoals oorzaak, zijndheid, lichaam, geest, houding, vorm, kwaliteit, kwantiteit, massa, plaats, zintuig, ordeloosheid, aandoening, licht, verandering, vergaan, deling, beroving, vervloeiing, ziel, voorstelling, mening, woord, begrip, aantal, ordening, grootte, kleinheid, gelijkheid, ongelijkheid, gelijkendheid, ongelijkendheid, rust, beweging, vermogen, leven, eeuwigheid, tijd, kennis, waarheid, majesteit, wijsheid, eenheid, godheid, goedheid, Geest, zoonschap, vaderschap, zijnde, dwaling, bepaling, en wegneming.
Misschien vind je dit wat overdreven, maar de vraag of woorden corresponderen met iets reëels is een fundamentele, die in het boeddhisme inspireerde tot de sleutelbegrippen sunyata en afhankelijk ontstaan, in de scholastiek tot het nominalisme en in de twintigste eeuw tot de analytische wijsbegeerte en het postmodernisme.
Om de gevaren van ongefundeerd substantialistisch denken te bezweren, zou ik nog meer ontzeggingen aan mijn parafrase moeten toevoegen in de trant van: ‘ik zeg niet dat er zoiets is als oorzaak, ik zeg ook niet van niet; ik zeg niet dat er zoiets is als zijndheid; ik zeg ook niet van niet’, enzovoort.
Je snapt de bedoeling dus ik zal je de moeite van het lezen en mezelf de moeite van het schrijven besparen.

zwervelingen 446 4

Ik hoop dat ik met deze demonstratie (transformatie, deconstructie) het verschil tussen een negatief theologische tekst en een dwaaltekst een beetje duidelijk heb kunnen maken.
Uitspreken of uitgesproken zijn, daar komt het op neer.
‘Hé, moet je horen!’ of ‘Stil eens.’
‘Pst’ of ‘Sst’.


Beste Hans,
Wat is volgens jou de relatie tussen negatieve theologie, mystiek en niet-weten?


Beste X,
Een zuiver negatieve theologie kan nooit mystiek zijn, precies omdat ze zich zo compleet mogelijk uitspreekt over god, al is het dan maar apofatisch.
Een zuivere dwaaltekst kan nooit theologisch zijn, precies omdat hij zich nergens over uitspreekt, ook niet over god.
In mijn beleving zijn dwaalteksten echter net zo mystiek als het leven zelf, in de zin van zonderling en wonderlijk, volledig ondoorgrondelijk.
Mystieker kan eigenlijk niet, omdat ze werkelijk alles te raden overlaten – net als de dingen en de levende wezens, net als het leven zelf.
Wat mij betreft is een radicaal niet-weten niets anders dan mystiek in de oorspronkelijke zin van het woord.
De mystiek van niet-weten of een mystiek niet-weten of een niet-wetende mystiek of gewoon een lege mystiek, zonder God, zonder niet-God en zelfs van leegte ontledigd.
Of dit een verrijking dan wel een verarming is van mystiek in de conventionele zin van het woord, of van niet-weten in de conventionele zin van het woord, mag iedereen voor zichzelf uitmaken.

Als we de positieve, beschrijvende theologie (‘God is groot, God is goed, God is liefde’) er ook nog even bij halen dan kan ik de verschillen bondig uitdrukken met een drietal triaden:

Positieve theologie : negatieve theologie : lege mystiek =

  • ja : nee : tja
  • uitspreken : tegenspreken : vrijspreken
  • these : antithese : parenthese

Lees: positieve theologie staat tot negatieve theologie staat tot lege mystiek als ja staat tot nee staat tot tja of als uitspreken staat tot tegenspreken staat tot vrijspreken of als these staat tot antithese staat tot parenthese (de wereld tussen haakjes).


Beste Hans,
Jemineetje zeg. Moet alles dan echt helemaal uitgeschreven worden? Is dit wat je onder stilte verstaat?


Beste X,
Geen enkele uitspraak doen met alle woorden die nou eenmaal nodig zijn om een voorafgaande gedachte, uitspraak of tekst compleet te ontmantelen – dat is wat ik onder stilte versta.
Op die manier het vanzelfsprekende weer vanzelfzwijgend maken.
Herraadselen.
Daarbij geldt: hoe woordiger het origineel, hoe woordiger de weerspraak.
Had je maar niet over Pseudo-Dionysius moeten beginnen.
En dan kom je nog goed weg; als zenboeddhist had je van jezelf misschien mijn diamantsoetra moeten lezen.


Beste Hans,
Ik héb je diamantsoetra gelezen. Als het je bedoeling was te overtuigen of te overdonderen dan is het niet gelukt.


Beste X,
Alles helemaal uitschrijven doe ik niet om te overtuigen of te overdonderden, maar om iets van de kick, de roes, de trance, de vreugde, de gelukzaligheid, de zielsverrukking – iets van het gevoel van oneindige ruimte en lichtheid en luchtigheid en vrijheid en vrede op te wekken waarmee een almaar niet uitspreken als uitdrukking van een almaar niet weten gepaard gaat.
In mijn beleving bestaat de wolk van niet-weten voor honderd procent uit lachgas.

wolk
De wolk van niet-weten

Heb je er ten minste een vleugje van opgesnoven of was het voor jou allemaal even slaapverwekkend?
In het laatste geval is het nog altijd goede bedlectuur, troost ik mezelf.

Welterusten.


Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad.


Kiezen wij voor Hem, of liever, kiest Hij ons door de drang die Hij in ons wekt, dan zwijgen wij als wij spreken, en spreken wij als wij zwijgen. Het doet er allemaal niets meer toe. Dan kennen wij Hem door Hem niet te kennen, en kennen wij niet door te kennen. Dat is dan onze gids, tot Hem. Maar zo tot Hem gaan is binnentreden in een wolk van duisternis. De mystieke kennis is een kennen dat omhuld is door een wolk.

Uit de inleiding van André Zegveld tot De Wolk van niet-weten, Sint-Adelbertabdij, Egmond, 1994, p38)


Over mystieke theologie

Integrale tekst van het traktaatje Over Mystieke Theologie (De Mystica Theologica) van de neoplatoonse mysticus Pseudo-Dionysius de Areopagiet.

Bron: Over mystieke theologie / Pseudo-Dionysisus de Areoapagiet, Ben Schomakers 2002, pp15-21.


I

1. O drieheid die meer dan zijndheid is en meer dan god en meer dan goed, die hoedt het godsweten van de christenen, leidt ons naar de kroon van de mystieke geschriften, die meer dan onkenbaar is en meer dan licht en het allerhoogst, waar de enkelvoudige en vrijgemaakte en onveranderlijke mysteriën van de theologie omhuld zijn door het duister dat meer dan licht is, van het mystiek verborgen zwijgen, en zij in het diepste duister het meest meer dan licht meer dan stralen en zij in het volmaakt onaanraakbare en onzichtbare met glans die meer dan schoonheid is meer dan vervullen de ogenloze geesten.

Zo moet ik nu bidden. Maar jij, mijn vriend Timotheus, moet met op het mystieke schouwen geconcentreerde aandacht achter je laten het zintuiglijk waarnemen en de begrijpende werkzaamheid en al het zintuiglijke en al het begrippelijke, en al de niet zijnden en de zijnden; en je moet voor zover dat gaat kennisloos jezelf opnemen tot de verening van wat boven alle zijndheid is en boven alle kennis. Want door afstand te doen van jezelf, zodat je aan niets meer vast houdt en van alles zuiver bevrijd bent, zul je tot de straal die meer dan zijndheid is van het goddelijk duister – wanneer je alles hebt weggenomen en je van alles bevrijd hebt – worden opgenomen.

2. Let erop dat niemand meeluistert die niet is ingewijd, ik bedoel niemand die aan de zijnden gebonden is, niets boven de zijnden als meer dan zijndheid voorstelt en meent met zijn eigen kennis degene te kennen die het donker tot zijn verberging heeft gezet. En wanneer voor zulken de goddelijke inwijdingen te hoog gaan, wat dan nog te zeggen van de nog meer oningewijden, die de oorzaak die zich boven alles bevindt kenmerken vanuit het laagste wat de zijden toekomt, en zeggen dat zij in het geheel niet uitgaat boven de ongoddelijke en veelvormige gestaltenissen die zij zelf vormen? Want je moet van haar ook alle bepalingen van de zijnden bepalen en bevestigen omdat ze van alles de oorzaak is, maar je moet diezelfde ook en meer gepast weer ontkennen, omdat ze de oorzaak boven alles is; en geloof dan niet dat die ontkenningen strijdig zijn met de bevestigingen, maar veeleer dat boven alle beroving de oorzaak is die zowel boven alle wegneming als boven alle bepaling is.

3. In die zin in ieder geval noemt de goddelijke Bartholomeus de theologie uitgebreid en miniem en het evangelie wijd en breed maar ook beknopt. Ik geloof dat hij dit op een uitzonderlijke manier begrepen heeft: dat veelwoordig is de goede oorzaak van alles en minbespraakt en woordloos tegelijk, aangezien er geen woorden zijn en geen begrip van haar; want ze bevindt zich boven alles, als meer dan zijndheid, en verschijnt alleen onverhuld en naar waarheid voor wie al het geheiligde en al het loutere doorloopt en boven de hele bestijging van al de heilige toppen uitgaat en alle goddelijke lichten en hemelse klanken en woorden achter zich laat en ingaat in het duister waar werkelijk is, zoals de geschriften zeggen, degene die aan alles voorbij is.

Want ook niet zomaar wordt de goddelijke Mozes eerst geroepen om zichzelf te louteren en om zich dan van niet zodanigen te verwijderen, hoort hij na de hele loutering de vele stemmen der bazuinen, ziet hij vele lichten die hun loutere stralen in wijde verstrooiing flitsen laten, verwijdert hij zich daarna van de menigte en bereikt met uitgekozen priesters de top van de goddelijke bestijgingen, en ontmoet hij bij dat al toch niet de god zelf en aanschouwt hij niet hem die immers onaanschouwelijk is, maar de plaats waar hij is.

Ik meen dat je dat zo moet uitleggen: de goddelijkste en de hoogste van de dingen die gezien worden en de dingen die begrepen worden zijn een aankondigend woord van wat onderworpen is aan degene die boven alles uitgaat, en door dat goddelijkste en hoogste vertoont zich zijn aanwezigheid die boven elk begrip is, wanneer zij zich vestigt op de begrippelijke toppen van zijn heiligste plaatsen.

En dan bevrijdt hij zich ook daarvan, van de dingen die gezien worden en van degenen die zien, en gaat hij het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen, en belandt hij in het volledig onaanraakbare en onzichtbare, wanneer hij geheel en al behoort aan degene die aan alles voorbij is, en aan niets, niet aan zichzelf en niet aan iets anders, en wanneer hij zich met het volledig onkenbare door de onwerkzaamheid van al zijn kennen op de hoogste wijze vereent en door niets te kennen boven geest kent.


II

In dat duister, dat meer dan licht is, te belanden, daarom bidden wij, en om door blikloosheid en kennisloosheid te zien en te kennen wat boven aanschouwing is en boven kennis, juist door het niet zien en het niet kennen. Want dat is het werkelijk zien en kennen en het bezingen van degene die boven zijndheid is als boven zijndheid; door middel van wegneming van alles wat de zijnden toekomt, zoals degenen doen die een van nature aanwezig beeld tot stand brengen, wanneer ze al het belemmerende dat het zuiver aanschouwen van het verborgene in de weg staat wegnemen en door wegneming alleen de verborgen schoonheid laten verschijnen zoals die op zichzelf is. En het is, denk ik, noodzakelijk dat de wegnemingen omgekeerd aan de bepalingen gezongen worden; want terwijl we die laatste bepaalden door te beginnen met de eerste dingen en via de middelste tot aan de laatste af te dalen, gaan we in het andere geval een tocht omhoog van de laatste dingen tot aan de meest principiële en nemen we zo alles weg, om onverhuld die kennisloosheid te kennen die door al het kenbare in alle zijnden omhuld is, en om dat duister te zien dat meer dan zijndheid is en dat door al het licht in de zijnden verborgen is.


III

Zo hebben we in de Theologische typeringen het voornaamste van de bevestigende theologie bezongen: in welk opzicht de goddelijke en goede natuur ‘eenheid’ kan heten en in welke ‘drieheid’; wat in die natuur ‘vaderschap’ heet en wat ‘zoonschap’; wat de strekking kan zijn van de theologie van de Geest; op welke wijze uit het niet materiële en ongedeelde goede de lichten te voorschijn zijn gekomen die in het hart van de goedheid zijn, en door het blijven in het goede en in zichzelf en in elkaar, dat eeuwig tegelijk is met het ontspruiten, niet te verlaten er ook gebleven zijn; op welke wijze Jezus, die meer dan zijndheid is, zijndheid is geworden in de waarheid van de menselijke natuur; en al de andere zaken die in de geschriften verschijnen en die door de Theologische typeringen gezongen worden. En in het boek Over goddelijke namen in welk opzicht hij ‘goed’ genoemd kan worden en in welk ‘zijnde’ en in welke ‘leven’ en ‘wijsheid’ en ‘vermogen’ en alle andere namen die behoren tot de begrippelijke godsbenaming. En in de Symbolische theologie wat de namen zijn die van het zintuiglijke op het goddelijke kunnen worden overgedragen: wat de goddelijke gestalten zijn en wat de goddelijke houdingen en delen en organen; wat de goddelijke plaatsen en ordes zijn en wat de driften en wat de smarten en de toornen en wat de dronkenschappen en de roezen, wat zijn eden zijn en zijn vloeken, en wat zijn slaap en zijn waken, wat al de andere heiliggevormde voorstellingen die deel uitmaken van het symbolisch godstreffen.

Ik denk dat je wel ingezien hebt dat de laatste dingen veel veelwoordiger zijn dan de eerste; zo moesten de theologische typeringen en de ontvouwing van de goddelijke namen immers meer minderwoordig zijn dan de symbolische theologie, omdat de woorden, hoe meer we de blik opwaarts richten, in het overzien van het begrippelijke omvattender worden. En zo zullen we nu, wanneer we ingaan in het duister dat boven geest is, daar niet weinigwoordigheid vinden maar volmaakte woordloosheid en begriploosheid. En zo verbreedden zich daar de woorden, toen ze daalden van wat het hoogst is naar het laagste, in verhouding met de weg omlaag, tot een veelheid; en trekken ze zich nu, wanneer ze stijgen van wat het laagst is tot dat wat zich boven alles bevindt naar de maat van de bestijging meer samen, en zullen ze na de hele weg omhoog geheel stemloos zijn en geheel vereend met het onuitsprekelijke. Maar hoe komt het dan, zul je zeggen, dat we nadat we de goddelijke bepalingen van het eerste bepaald hebben, vanaf de laatste dingen beginnen met de goddelijke wegneming? Omdat degene die bepaalt wat boven alle bepaling is een aankondigende bevestiging moet bepalen beginnend met dat wat er het meest mee verwant is, terwijl degene die wegneemt van wat boven wegneming is, moet wegnemen beginnend met wat er het verst van verwijderd is. Want is hij niet meer leven en goedheid dan lucht en steen? En niet meer niet in een roes en niet in toorn, dan dat hij zich niet laat uitspreken en niet laat denken?


IV

En zo spreken we uit dat de oorzaak van alles, die boven alles is, niet zonder zijndheid is en niet levenloos en niet geestloos, en ook niet lichaam is; dat zij niet houding en niet vorm en niet kwaliteit of kwantiteit of massa heeft; en niet op een plaats is; en niet zichtbaar is, en niet zintuiglijke aanraking toestaat; en ook niet zintuiglijk waarneemt en niet zintuiglijk is; en ook niet ordeloosheid bezit en verwarring omdat ze verstoord wordt door de aandoeningen van het materiële; en dat zij niet onmachtig is omdat ze onderworpen is aan de wisselvalligheden van het zintuiglijke; en niet licht ontbeert; en zij ook niet verandering of vergaan of deling of beroving of vervloeiing en niet iets anders dat het zintuiglijke toekomt is of bezit.


V

En wanneer we dan verder stijgen, spreken we uit dat zij niet ziel is en niet geest, en zij niet voorstelling of mening of woorden of begrip heeft, en zij ook niet woorden is en niet begrip, en zich niet laat uitspreken en niet laat denken; en zij niet aantal is en niet ordening, en niet grootte en niet kleinheid en niet gelijkheid en niet ongelijkheid, niet gelijkendheid en niet ongelijkendheid; dat zij niet stilstaat en niet beweegt en niet rust viert; en ook niet dat zij vermogen heeft en niet vermogen is en niet licht; en dat zij niet leeft en niet leven is; en zij ook niet zijndheid is en niet eeuwigheid en niet tijd; en dat er ook geen begrippelijke aanraking van haar is en geen kennis, en zij niet waarheid is en niet majesteit en niet wijsheid, en niet één en niet eenheid en niet godheid en niet goedheid en niet Geest is zoals wij die kennen, en ook niet zoonschap en niet vaderschap en niet iets anders dat wij of enige zijnde kent; en dat zij niet een niet zijnde is en zij niet de zijnden kent zoals de zijnden zijn, en er ook niet woorden van haar zijn en niet een naam en niet kennis; en zij niet donker is en ook niet licht en niet dwaling en niet waarheid; en dat er van haar helemaal geen bepaling is en niet een wegneming en wij, wanneer we bepalen en wegnemen wat na haar komt niet haar bepalen, en niet van haar wegnemen; want boven alle bepaling is de volmaakte en enige oorzaak van alles, en boven alle wegneming is het bovenuitgaan van dat wat zonder meer van alles bevrijd is en voorbij is aan het al.


‘En gaat hij het duister van de kennisloosheid in, het werkelijk mystieke, waar hij zijn kennend grijpen laat zwijgen’.

(Pseudo-Dionysius, Over mystieke theologie)