Liefde

Liefde is alles, maar wat is alles? Alles is liefde, maar wat is liefde? Desperate dwaalteksten over de minne van niet weten en niet weten van de minne.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Liefde

Tips: De zin van het leven, De dood


Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van liefde, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


alle aanbevelingen op een rijtje


Echte liefde

Over liefde doen heel wat opvattingen de ronde.
Ik heb er een aantal voor je op een rijtje gezet:

  1. Liefde is een vorm van eigenbelang
  2. Liefde is een kwestie van hormonen en feromonen
  3. Liefde is lust
  4. Liefde is een kwestie van pikorde
  5. Liefde is een evolutionair principe
  6. Liefde is een samenlevingsvorm met wederzijds voordeel
  7. Liefde is de hoeksteen van de beschaving
  8. Liefde is een vorm van hysterie
  9. Liefde is een soort psychose
  10. Liefde is projectie
  11. Liefde is introjectie
  12. Liefde is een gevoel
  13. Liefde is een houding
  14. Liefde is een functie
  15. Liefde is je ware aard
  16. Liefde is een keuze
  17. Liefde is overgave
  18. Liefde is niet-oordelen
  19. Liefde is alles in het midden laten
  20. Liefde is zelfloosheid
  21. Liefde is eenheidsbewustzijn
  22. Liefde is bewustzijn
  23. Liefde is bewust zijn
  24. Liefde is zijn
  25. Liefde is gewaar zijn
  26. Liefde is een weg
  27. Liefde is dé weg
  28. Liefde is het doel
  29. Liefde is de bron
  30. Liefde is god
  31. Liefde is een expressie van het goddelijke
  32. Liefde is de hoogste waarheid
  33. Liefde maakt blind
  34. Liefde is het levensprincipe
  35. Liefde is een epifenomeen van de materie
  36. Liefde is totale openheid
  37. Liefde is dit alles en nog veel meer
  38. Liefde is niets van dit alles
  39. Liefde is alles
  40. Alles is liefde
  41. Liefde is onzegbaar
  42. Liefde is een concept
  43. Liefde is een woord
  44. Liefde is een illusie
  45. Liefde is niet weten wat liefde is
  46. Liefde is niet weten
  47. Liefde is zwijgen
  48. Liefde is

Aan jou de vraag: Wat is liefde nou echt?


Een pak van mijn hart

‘Wat is liefde?’
‘Geen idee.’
‘Ik bedoel, in spirituele zin, Hans.’
‘Dan helemaal niet.’
‘En als je toch wat moet zeggen?’
‘Een gedachte?’
‘Maar die is zo voorbij.’
‘Sneller dan je lief is.’
‘Ik denk dat liefde iets tijdloos is.’
‘Wat voor iets?’
‘Het kennen. Bewustzijn. Gewaar zijn. Ontvankelijkheid. Leegte. De ruimte waarin alles verschijnt en verdwijnt. Een staat van zijn. Het zijn zelf van het zijnde. Je ware ik. Het allerhoogste. Het ene. De waarheid. God. Onschuld. Zoiets.’
‘Allemaal gedachten.’
‘Wat is een gedachte?’
‘Een eendagsvlieg.’
‘Is dat alles?’
‘Maar dan vluchtiger.’
‘Een secondenvlieg.’
‘Een flits in de duisternis.’
‘Maar een gedachte drukt toch een bepaald weten uit?’
‘Dat is ook maar een gedachte.’
‘Wat zou een gedachte anders moeten uitdrukken?’
‘Waarom zou een gedachte iets moeten uitdrukken?’
‘Denk jij dat gedachten niets uitdrukken?’
‘Ik kan wel zoveel denken.’
‘Wat is iets als er niet aan gedacht wordt?’
‘Niets?’
‘Zou je denken?’
‘Misschien een paar seconden.’
‘En dan?’
‘Poef.’
‘Poef?’
‘Weg gedachte.’
‘Net zo makkelijk.’
‘Gaat helemaal vanzelf.’
‘Geldt dat ook voor de gedachte dat liefde een voorbijgaande gedachte is?’
‘Wat dacht je dan.’
‘En dan?’
‘Zijn we daar ook weer van verlost.’
‘Een pak van mijn hart, Hans.’
‘Waarom?’
‘Dan is er toch weer ruimte voor liefde.’
‘Wat is liefde?’


Een oogje toeknijpen

‘Wat is liefde?’
‘Haat onder ogen zien.’
‘Wát?’
‘Wat?’
‘Wat is haat?’
‘Niet onder ogen zien.’
‘Dus liefde is het niet onder ogen zien onder ogen zien?’
‘Zo lijkt het net of je daar iets over te zeggen hebt.’
‘Wou jij zeggen van niet?’
‘Dan had ik dat wel gezegd.’
‘En als ik het niet onder ogen zien nou niet onder ogen kan zien?’
‘Dan zie je dat maar onder ogen.’
‘En als dat ook niet lukt?’
‘Dan zie je dat maar onder ogen.’
‘Enzovoort?’
‘Nou, voort.’
‘Raar hoor.’
‘Noem het dan maar liefde.’
‘Noem dat maar liefde.’
‘Noem het dan maar niet weten.’
‘Wat is niet-weten?’


Desillusies

‘Liefde is een illusie, Hans.’
‘O?’
‘Je houdt nooit van de ander, alleen van jouw beeld van de ander.’
‘Is dat liefde of jouw beeld van de liefde?’
‘Vertrouwen is ook een illusie.’
‘Ik geloof je meteen.’
‘Je vertrouwt nooit op de ander, alleen op jouw oordeel van de ander.’
‘Is dat vertrouwen of jouw beeld van vertrouwen?’
‘Eigenlijk is de hele werkelijkheid een illusie.’
‘Echt?’
‘Je ziet nooit de werkelijkheid, alleen jouw beeld van de werkelijkheid.’
‘Is dat de werkelijkheid of jouw beeld van de werkelijkheid?’
‘Bedoel je dat de werkelijkheid toch geen illusie is?’
‘Is dat de illusie of jouw beeld van de illusie?’
‘Nou weet ik het helemaal niet meer.’
‘Dan noem je dat toch de werkelijkheid.’
‘Is dat de werkelijkheid of jouw beeld van de werkelijkheid?’
‘Waar zie je mij voor aan?’

geïnspireerd op een passage uit Awareness van Anthony de Mello:

You are never in love with anyone. You’re only in love with your prejudiced and hopeful idea of that person. Take a minute to think about that: You are never in love with anyone, you’re in love with your prejudiced idea of that person. Isn’t that how you fall out of love? Your idea changes, doesn’t it? ‘How could you let me down when I trusted you so much’? you say to someone. Did you really trust them? You never trusted anyone. Come off it! That’s part of society’s brainwashing. You never trust anyone. You only trust your judgment about that person. So what are you complaining about? The fact is that you don’t like to say, ‘My judgment was lousy’. That’s not very flattering to you, is it? So you prefer to say, ‘How could you have let me down’?


Wat je bent zeg je zelf

‘Weet jij waarom ik niet weet wat liefde is, Hans?’
‘Nou?’
‘Omdat ik liefde bén.’
‘Weet jij waarom ik niet weet wat liefde is?’
‘Nou?’
‘Omdat ik niet-weten ben.’

‘Weet jij waarom ik niet weet wat liefde is, Hans?’
‘Nou?’
‘Omdat ik liefde bén.’
‘Weet jij waarom ik weet wat liefde is?’
‘Nou?’
‘Omdat ik niet-weten ben.’

‘Weet jij waarom ik weet wat liefde is, Hans?’
‘Nou?’
‘Omdat ik niet-weten ben.’
‘Weet jij waarom ik weet wat liefde is?’
‘Nou?’
‘Omdat ik niet weet wat ik ben.’

Geïnspireerd op een anekdote van Jan van Delden, die een keer aan Wolter Keers zou hebben gevraagd: ‘Waarom weet ik niet wat liefde is?’ Wolter: ‘Omdat je liefde bént.’


Niets voor niets

‘Waarom weet ik niet wat liefde is, Hans?’
‘Omdat je niet wilt weten wat haat is.’

‘Waarom weet jij niet wat haat is, Hans?’
‘Omdat ik niet weet wat liefde is.’


Kinderlijk eenvoudig

‘Waarom weet ik niet wat liefde is?’
‘Hou je dan helemaal nergens van?’
‘Jawel, maar…’
‘Meer valt er niet te weten.’


Bij hoog en bij laag

‘Hans, wat is liefde?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Waarin onderscheidt liefde zich van aanverwante zaken?’
‘Eh…’
‘Is liefde niet het allerbelangrijkste wat er is?’
‘Jeetje.’
‘Ben je het er tenminste mee eens dat liefde de hoogste waarheid is?’
‘Hoog, laag, een heg blijft een haag.’
‘Ik noem de liefde wáár.’
‘Rookwaar, handelswaar of smokkelwaar?’
‘Is liefde niet ons oorspronkelijke gezicht?’
‘Wat is in dat geval jouw ware masker?’
‘Nou weet ik nog niet wat liefde is.’
‘Dan noem je dat toch liefde.’


Het lieve leven

‘Wat is liefde volgens jou?’
‘Willen wat het leven wil, Hans. Wat het ook is.’*
‘En als het leven haat wil?’

‘Wat is liefde voor jezelf?’
‘Willen wat je zelf wilt, Hans. Wat het ook is.’
‘Wat is liefde voor de ander?’
‘Willen wat de ander wil. Wat het ook is.’
‘En als jullie nou wat anders willen?’

* uitspraak van Byron Katie


Het beste

‘Wat is liefde volgens jou?’
‘Het beste met iemand voorhebben, Hans.’
‘En als je nou niet weet wat het beste is voor iemand?’
‘Wat is liefde volgens jou?’
‘Niet weten wat het beste is voor iemand?’


Doe-het-zelver

‘Ik wil van mezelf leren houden, Hans.’
‘Eerst maar eens een zelf zien te vinden.’
‘Ik weet anders donders goed wie ik ben.’
‘Dan zal dat het probleem wel zijn.’


Veeleisend

‘Ik wil van mezelf leren houden.’
‘Ook als iemand die zichzelf soms haat?’
‘Nee, als iemand die altijd van zichzelf houdt.’
‘O, je wilt jezelf veranderen.’
‘Ja, stom hè.’
‘Hoezo?’
‘Ware liefde is immers onvoorwaardelijk.’
‘Gaan we nog voorwaarden stellen ook?’


Onvoorwaardelijker

‘Wat is onvoorwaardelijke liefde, Hans?’
‘Niet weten wat liefde is?’
‘Alweer geen antwoord.’
‘Onvoorwaardelijker kan niet.’


De profundis

‘Ik mag er zijn!’
‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’
‘Bedoel je dat ik er niet mag zijn?’
‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’
‘Basta met wel en niet mogen zijn!’
‘Dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’
‘Niets valt op welke manier dan ook te onderbouwen?’
‘Ook dat valt op geen enkele manier te onderbouwen.’


Met permissie

‘Iedereen mag er zijn, Hans.’
‘Wie ben jij om wie dan ook toestemming te verlenen?’
‘Ik bedoel alleen maar dat iedereen bij zijn geboorte een vrijkaart voor het leven krijgt.’
‘Behalve de misgeboorten.’
‘Leven is een onvervreemdbaar recht zodra en zolang je leeft.’
‘Voor sommigen blijkt het een vervreemdbaar recht.’
‘Dat is nog steeds een recht.’
‘Wie of wat verleent dat recht?’
‘Er is een instantie groter dan jou en mij…’
‘Ken jij die instantie?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Omdat hij groter is dan jou en mij.’
‘Hij of zij?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoeveel groter?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik zijn of haar grenzen niet ken.’
‘Ken je zijn of haar inhoud?’
‘Ook niet.’
‘Ben je absoluut zeker van zijn of haar bestaan?’
‘Eerlijk gezegd niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Doordat hij of zij mogelijk voorbij bestaan en niet-bestaan is.’
‘Wat weet je eigenlijk wel van die instantie?’
‘Eigenlijk niets.’
‘Is dat soms de essentie ervan?’
‘Wat?’
‘Onkenbaarheid?’
‘Eh…’
‘Dat weet je ook al niet?’

‘Volgens mij zeg je maar wat.’
‘Dat is te zeggen…’
‘Nou?’
‘Eigenlijk wel.’
‘Ach, wie niet.’
‘Jij geeft het tenminste toe.’
‘Wat geef ik toe?’
‘Dat je maar wat zegt.’
‘Mij niet gezien.’
‘Maar dat zeg je net zelf!’
‘Wat zeg ik net zelf?’
‘Toen ik toegaf dat ik maar wat zei, zei jij: ‘Ach, wie niet’.’
‘Een vraag is nog geen conclusie.’
‘Hoe het ook zij, je hebt een punt.’
‘Ik?’
‘Ik doe de hele tijd maar alsof.’
‘Alsof wat?’
‘Alsof ik het allemaal wel doorheb.’
‘Mag dat er soms niet zijn?’
‘Hè?’
‘Nou?’
‘Verdraaid.’
‘Wat?’
‘Ook dat mag er zijn!’
‘Wie ben jij om wat dan ook toestemming te verlenen?’


Van de regen in de drup

‘Ik ben het leven niet waardig.’
‘Wat dat aangaat zijn er wel tienduizend standpunten mogelijk.’
‘Welke dan bijvoorbeeld?’
‘Dat alleen gezonde mensen het leven waardig zijn. Dat alleen slimme mensen het leven waardig zijn. Dat alleen ariërs of Israëlieten of Roma of indianen of negers of agrariërs of stedelingen het leven waardig zijn. Dat alleen edelen of arbeiders of rijkaards of vrijdenkers of christenen of moslims of boeddhisten of Hutu’s of Tutsi’s of Ajacieden of Feyenoorders het leven waardig zijn. Dat alleen filantropen of kinderen of ouden van dagen of harde werkers of levensgenieters of dieren of aliens het leven waardig zijn. Dat alleen ik het leven waardig ben. Dat alleen anderen het leven waardig zijn. Dat iedereen het leven waardig is. Dat niemand het leven waardig is. Dat je het soms wel waardig bent en soms niet. Dat je het tegelijk waardig en onwaardig bent, of waardig noch onwaardig. Dat waardig een onwaardige term is. Enzovoort, enzovoort. Je kunt het zo gek niet bedenken of iemand vindt het wel.’
‘Nou je het zegt…’
‘Of ik het nou wel zeg of niet.’
‘Eigenlijk wist ik dat allang.’
‘Maar je hebt het nooit met je gevoel van minderwaardigheid in verband gebracht.’
‘Nee.’
‘Vanuit welk standpunt ben jij het leven niet waardig?’
‘Ik ben geen productief lid van de maatschappij.’
‘Werkeloos?’
‘Ik haat dat woord.’
‘Vanuit het standpunt dat je je plekje met werken moet verdienen is je leven inderdaad niet te rechtvaardigen.’
‘Wát?’
‘Maar hoe rechtvaardig je dat standpunt?’
‘Het valt goed te verdedigen dat…’
‘Op welke gronden berust die zienswijze?’
‘Uitgaand van de gedachte dat…’
‘Op welke gronden berusten die gronden?’
‘Gezien het feit dat…’
‘En die?’

‘Nou dan.’
‘Standpunten zijn het leven niet waardig?’
‘Dat is nog steeds een standpunt.’


De eerste klap

‘Wat wil jij het liefste worden?’
‘Verlicht.’
‘Waarom?’
‘Dan zal ik eindelijk het leven waardig zijn.’
‘Als verlichte zul je het verschil tussen waardig en onwaardig niet meer kennen.’
‘Des te beter.’
‘Noch het verschil tussen beter en slechter.’
‘Maakt niet uit.’
‘Noch het verschil tussen verlicht en onverlicht.’
‘Als ik maar geen loser meer ben.’
‘Noch het verschil tussen winnen en verliezen.’
‘Maar mijn leven…’
‘Noch het verschil tussen leven en dood.’
‘Maar mijn…’
‘Noch het verschil tussen mijn en dijn.’
‘Zal ik dan niets meer weten?’
‘Noch het verschil tussen weten en niet weten.’
‘Maar als ik verlicht wordt…’
‘Noch het verschil tussen worden en zijn.’
‘Dan weet ik eerlijk gezegd niet of ik nog wel verlicht wil worden.’
‘Dan heb je de eerste stap gezet.’


Uitgekeken

‘Ik ben het leven niet waardig.’
‘En anderen?’
‘Wel.’
‘In welk opzicht?’
‘In welk opzicht dan ook.’
‘Niemand is het leven waardig in ieder opzicht.’
‘Maar ik ben het in geen enkel opzicht.’
‘Niemand is het leven onwaardig in ieder opzicht.’
‘Hoe moet ik het dan zien?’
‘Wie zegt dat je het moet zien?’
‘En als ik het nou toch moet zien?’
‘Zie het dan maar zonder opzicht.’


Stille tocht

‘Vind jij dat iedereen er mag zijn, Hans?’
‘Welk standpunt zal ik vandaag eens verkondigen.’
‘O, waait de wind uit die hoek.’
‘Ik zou het eerder een windstilte noemen.’
‘Wat?’
‘Vind jij dat iedereen er mag zijn?’
‘Ware liefde heeft…’
‘O, waait de wind uit die hoek.’
‘… plaats voor iedereen, wou ik zeggen.’
‘Ook voor mensen die dat niet hebben?’

‘Is dit nou de stilte of de storm?’


Lulkoek

‘Ik ben het leven niet waardig, Hans.’
‘Wie zou je zijn zonder die gedachte?’
‘Gaan we Byron Katie nadoen?’
‘Wie zou je zijn zonder Byron Katie?’
‘Zo ken ik je weer.’
‘Nou?’
‘Mezelf?’
‘Wie is mezelf?’
‘Degene die het leven niet waardig is, Hans.’
‘Wie zou je zijn zonder het leven?’
‘Wat?’
‘Vertel me dan maar wie je zou zijn zonder jezelf.’
‘Nou moet ik zeker zeggen dat ik zou dansen als een derwisj.*
‘Wie zou je zijn zonder benen?’
‘Nou moet ik zeker zeggen dat ik…’
‘Wie zou je zijn zonder tong?’

‘Nou?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Wat klets je dan.’

* gevleugeld woord van Byron Katie


Waarachtig

‘Niemand houdt van mij.’
‘En?’
‘Dat betekent dat ik onwaardig ben.’
‘Want anders hielden ze wel van je?’
‘Inderdaad.’
‘Dus iedereen heeft gelijk?’
‘Dat zou ik denken.’
‘Waarom zou iedereen niet ongelijk hebben?’
‘Zou je denken?’
‘Ik heb geen idee.’
‘Je wordt bedankt.’
‘Wou jij de ene leugen vervangen door de andere?’


Loos

‘Niemand houdt van mij.’
‘En?’
‘Dat maakt mijn leven zinloos.’
‘Hoezo?’
‘Het is toch zeker zo.’
‘Wou jij zeggen dat het leven zinvol is als er iemand van je houdt?’
‘Ja.’
‘Wat zeg je dan tegen degenen die innig geliefd worden en het leven toch als zinloos ervaren?’
‘Eh…’
‘Niet slecht.’
‘Hè?’
‘En tegen degenen die zich niet geliefd weten en het leven toch als zinvol ervaren?’
‘Eh…’
‘Niet slecht.’
‘Hè?’


Kans verkeken

‘Niemand houdt van mij, Hans.’
‘En?’
‘Dat betekent…’
‘Waarom stop je nou?’
‘Omdat je toch weer gaat vragen hoe ik dat weet.’
‘En vroeger of later moet je toegeven…’
‘… dat ik dat niet weet.’
‘En daarna zou ik je vragen…’
‘… of dingen überhaupt wel iets betekenen. En dan zou ik zeggen…’
‘ ‘Wou jij soms zeggen van niet?’ En dan zou ik zeggen…’
‘ ‘Wie zegt dat ik iets wil zeggen?’ ‘
‘Hoe weet je dat allemaal?’
‘Niet dan?’
‘Daar zullen we nou wel nooit achter komen.’


Uitgesproken

‘Niemand houdt van mij.’
‘En?’
‘Dat weet ik eigenlijk niet.’
‘Hè hè.’
‘Poe poe.’
‘Was dat nou zo moeilijk?’
‘Kennelijk.’
‘Waarom?’
‘Het betekent immers…’
‘Daar gaan we weer.’
‘… niets.’
‘Nou dat weer.’


Zeker heden

‘Niemand houdt van mij.’
‘Zeker weten?’
‘Ik denk het wel, Hans.’
‘Heb je het aan iedereen gevraagd?’
‘Niet aan iedereen.’
‘Aan wie wel?’
‘Aan niemand, eerlijk gezegd.’
‘Hoe weet je het dan?’
‘Dat weet ik gewoon.’
‘Weet je het gewoon of denk je het gewoon?’
‘Ik denk het gewoon.’
‘Ben je van plan het te onderzoeken?’
‘Ik denk het… niet.’
‘Waarom niet?’
‘Misschien wil ik het wel niet weten.’
‘Stel dat het niet waar zou zijn, wat dan?’
‘Dat zou niet best wezen.’
‘Waarom niet?’
‘Waar zou ik anders boos en verdrietig over moeten zijn?’
‘Wie zegt dat je daar een reden voor moet hebben?’
‘Misschien kan ik wel niet boos of verdrietig zijn zonder reden.’
‘Dan maar niet.’
‘Joost mag weten hoe ik me dan zou voelen.’
‘En daarom zeg je dat niemand van je houdt?’
‘Kennelijk neem ik liever het zekere voor het onzekere.’
‘Wat is er zeker aan de ongeverifieerde gedachte dat niemand van je houdt?’
‘Inmiddels niets meer.’
‘Laat dat dan je houvast zijn.’
‘Oké Hans.’
‘Dus?’
‘Het is niet zeker dat niemand van mij houdt.’
‘Zeker weten?’


Vrienden voor het leven

‘Niemand houdt van mij.’
‘Ik hou van je.’
‘Maar verder niemand.’
‘Je hond?’
‘Maar verder niemand.’
‘Je moeder?’
‘Maar verder niemand.’
‘Je vader?’
‘Die is dood.’
‘Hield hij niet van je?’
‘Dat was toen.’
‘Je buren of buurtgenoten?’
‘Dat weet ik niet, dus dat telt niet.’
‘Dus niemand houdt van je.’
‘Dat zeg ik.’
‘Je koestert die gedachte, hè?’
‘Ik haat die gedachte.’
‘Maar ze verlaat je nooit?’
‘Nooit.’
‘Betrouwbaar gezelschap in een liefdeloze wereld.’


Occluderen

‘Niemand houdt van mij, Hans.’
‘Dat weet je niet.’
‘Houden er veel mensen van jou?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Hoe komt dat?’
‘Omdat ik niet weet wat liefde is.’
‘Heb je het nog nooit meegemaakt?’
‘Ik heb van alles meegemaakt.’
‘Maar geen liefde?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Heb je nog nooit gekust?’
‘Dat wel.’
‘Heb je nog nooit lieve woordjes uitgewisseld?’
‘Dat wel.’
‘Heeft nooit iemand zielsgraag bij je willen zijn?’
‘Dat wel.’
‘Nou dan.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dat betekent dat er iemand van je hield, Hans.’
‘Waarom zou het iets betekenen?’
‘Wou jij zeggen van niet?’
‘Mij niet gezien.’
‘Bedoel je…’
‘En maar concluderen.’


Kerststemming

‘Niemand houdt van mij.’
‘Daar weet je niets van.’
‘Waarom moet ik de kerstdagen dan weer alleen doorbrengen?’
‘Wou jij beweren dat je weet wat het betekent als je de kerstdagen alleen moet doorbrengen?’
‘Dat niemand van je houdt natuurlijk.’
‘En de mensen die de kerstdagen wel samen doorbrengen?’
‘Die houden wel van elkaar.’
‘Zeker lang geen kerst gevierd.’


Tweede kerst

‘Alweer een eenzame kerst.’
‘Waarom klaag je nooit over eenzaamheid op gewone dagen?’
‘Omdat ik het dan niet zo sterk voel.’
‘Wat is het verschil tussen alleen zijn op 25 juni en alleen zijn op 25 december?’
‘Een half jaar.’
‘Dat kan het probleem niet zijn.’
‘Met kerst kruipt iedereen bij elkaar.’
‘Je moest eens weten hoeveel mensen op 25 juni bij elkaar kruipen.’
‘Ja, hou maar op.’
‘Hoezo?’
‘Straks ga ik me op 25 juni ook nog eenzaam voelen.’


Ertussen genomen

‘Alweer een eenzame kerst.’
‘Eenzaamheid zit tussen je oren.’
‘Daar is wat voor te zeggen.’
‘Maar het idee dat het tussen je oren zit ook.’
‘Wát?’
‘Het idee dat eenzaamheid tussen je oren zit, zit ook tussen je oren.’
‘Bedoel je dat eenzaamheid toch niet tussen je oren zit?’
‘ ’t Idee.’


Ai, oei, au

‘Is niet-weten hetzelfde als onvoorwaardelijke liefde, Hans?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik niet weet wat onvoorwaardelijke liefde is.’
‘O.’
‘Bovendien weet ik niet wat niet-weten is.’
‘Ook niet?’
‘Hoe zou ik ze dan moeten vergelijken?’
‘Betekent niet weten dan niet dat er overal ruimte voor is?’
‘Jij kan het weten.’
‘Zou je ‘overal ruimte voor’ niet kunnen vertalen als onvoorwaardelijke liefde?’
‘Vertalen staat vrij.’
‘Maar?’
‘In niet weten ook ruimte is voor haat.’
‘Ai.’
‘En bekrompenheid.’
‘Oei.’
‘En onverschilligheid.’
‘Au.’
‘Maar ook voor het haten van de haat.’
‘Ha.’
‘En het veroordelen van bekrompenheid.’
‘Fijn.’
‘En verontwaardiging over onverschilligheid.’
‘Mooi.’
‘Onvoorwaardelijk genoeg?’
‘Dat wel, Hans.’
‘Maar?’
‘Of je het nog liefde kunt noemen?’
‘Hoe zou jij het noemen?’
‘Tja.’
‘Ik ook!’
‘Wat ‘ik ook’?’
‘Zo zou ik het ook noemen.’
‘Maar ik zei helemaal niks.’
‘Precies!’
‘Ik snap er niks meer van.’
‘Nou dan.’


Uitgeleefd

‘Zie jij je eigen onverschilligheid onder ogen, Hans?’
‘Volledig.’
‘Hoe kun je dan nog met jezelf leven?’
‘Wie zegt dat ik met mezelf moet leven?’
‘Niet dan?’
‘Is die onverschilligheid soms van mij?’
‘Van wie anders?’
‘Wie zegt dat hij van iemand anders is?’
‘Bedoel je dat hij van niemand is?’
‘Iemand, niemand…’
‘Verwijst je naar het Ene?’
‘Ken ik niet.’
‘En je liefde?’
‘Wat is daarmee?’
‘Is die wel van jou?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘En je haat?’
‘Zelfde verhaal.’
‘En je mededogen?’
‘Idem dito.’
‘Wat is er eigenlijk wel van jou?’
‘Ja, wat niet.’
‘Hè?’
‘Wat?’
‘Wat is er niet van jou?’
‘Ja, wat wel.’
‘Ik snap er niks meer van, Hans.’
‘Dat bedoel ik.’
‘En niet weten?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Hoe kunt jij in hemelsnaam nog met jezelf leven?’
‘Wie zegt dat ik met mezelf moet leven?’


Kijk

‘Bent jij de liefde zelf, Hans?’
‘Hoe kom je daar nou bij?’
‘Volgens mensen als Jezus van Nazareth, Wolter Keers, Byron Katie…’
‘Kijk liever zelf.’
‘Dat is nou eenmaal niet mijn sterkste kant.’
‘Een sterkere heb je niet.’
‘Het is niet te hopen.’
‘Wat zie je als je naar mij kijkt?’
‘Wat ziet jij als je naar jezelf kijkt?’
‘Liefde, haat, vertrouwen, achterdocht, mededogen en onverschilligheid.’
‘Het hele pakket?’
‘Het hele pakket.’
‘Dat valt me tegen.’
‘Ooit zal het je meevallen.’
‘En als je naar mij kijkt?’
‘Hetzelfde als bij iedereen.’
‘Wat dan?’
‘Liefde, haat, vertrouwen, achterdocht, mededogen en onverschilligheid.’
‘Het hele pakket?’
‘Het hele pakket.’
‘Dat valt me tegen.’
‘Ooit zal het je meevallen.’
‘Ik ben er dus niet in geslaagd jou te laten denken…’
‘Geenszins.’
‘Al die tijd wist je…’
‘Net als jij, al wou je het niet toegeven.’
‘Hoe is het mogelijk.’
‘Ik kijk liever zelf.’


Hart tegen hard

‘Wat ben ik toch voor iemand dat ik zo onverschillig omga met mijn medeschepsels.’
‘Eigen je niet toe wat niet van jou is.’
‘Wat bent jij toch een harde, Hans.’
‘Dicht mij niet toe wat niet van mij is.’
‘Bedoel je dat ik projecteer?’
‘Eigen je niet toe wat niet van jou is.’
‘Of zeg je dit allemaal uit liefde?’
‘Dicht mij niet toe wat niet van mij is.’


Bekentenissen

‘Niets menselijks is mij vreemd, Hans.’
‘Niets onmenselijks is mij vreemd.’
‘Mij eigenlijk ook niet.’
‘Niets is mij vreemd.’
‘Mij eigenlijk ook niet.’
‘Niets is mij bekend.’
‘Mij eigenlijk ook niet.’
‘En niets is mij onbekend.’
‘Vreemd eigenlijk.’
‘En toch eigen.’


Maar dan ook helemaal

‘Het universum is er helemaal voor mij!’
‘En als je het nou niet wilt?’
‘Overal wordt je door de aarde gedragen!’
‘Behalve als je valt.’
‘Maar verder overal!’
‘En?’
‘Is dat op zich al niet genoeg reden tot dankbaarheid?’
‘ik heb niet om zwaartekracht gevraagd.’
‘Overal is lucht zodat je vrij kunt ademen!’
‘Behalve onder water.’
‘Dat is toch zeker voldoende reden tot dankbaarheid?’
‘Ik heb niet om longen gevraagd.’
‘Overal is eten, dat kun je toch niet ontkennen?’
‘Ik heb niet om honger gevraagd.’
‘En dan is er natuurlijk de liefde.’
‘Ik wist het.’
‘Liefde overwint alles, Hans!’
‘Haat ook.’
‘Ik bedoel dat de liefde alles omarmt.’
‘De wurgslang ook.’
‘Ik heb het hier over totale openheid.’
‘Waarom probeer je dan uit alle macht de helft buiten te sluiten?’
‘De helft van wat?’
‘De helft van het universum.’
‘Wat sluit ik uit?’
‘Het afwijzen. Het vallen. Het stikken. Honger. Geslotenheid. Haat.
‘Hm.’
‘Misschien is het universum er inderdaad voor jou…’
‘Maar?’
‘Dan wel helemaal.’
‘Wil jemij helpen de andere helft te omarmen?’
‘Daar gaan we weer.’


Hoe het zit

Als ik eerlijk naar mezelf kijk, moet ik toegeven dat mijn liefde beperkt blijft tot mijn naasten.
Mijn mededogen blijft beperkt tot een of enkele doelgroepen.
Ook mijn haat is exclusief.
Maar mijn onverschilligheid is onbegrensd.

Vragen wie god is dat hij zo onverschillig omgaat met zijn eigen schepsels is een projectie van mijn eigen onverschilligheid op god.

Vragen wat voor wereld het is die zo onverschillig omgaat met zijn eigen schepsels, is een projectie van mijn eigen onverschilligheid op de wereld.

Vragen wat voor natuur het is die zo onverschillig omgaat met zijn eigen schepsels, is een projectie van mijn eigen onverschilligheid op de natuur.

Vragen wat voor dier het is dat zo onverschillig omgaat met zijn soortgenoten, is een projectie van mijn eigen onverschilligheid op de mens.

Vragen wat voor iemand ik ben die zo onverschillig omgaat met zijn medeschepselen is een projectie van onverschilligheid op mezelf.

Wie of wat ik ook de schuld geef, steeds veronderstel ik boze opzet en daarmee een vrije wil.
De veronderstelling van een vrije wil schept een dader.
Een dader kun je verantwoordelijk stellen.
Je kunt hem beschuldigen, vrijspreken, veroordelen, bestraffen, reclasseren, beleren en bekeren.
Zonder vrije wil is er geen sprake van eigenmacht.
Als alle macht overmacht is, wat betekenen woorden als haat, liefde, achterdocht, mededogen en onverschilligheid dan nog?

Is alle macht overmacht?
Ik weet het niet.

Geloof ik in de vrije wil?
Ik weet het niet.

Kan ik ervoor kiezen in de vrije wil te geloven?
Ik weet het niet.

Is projectie werkelijkheid of illusie?
Ik weet het niet.

Kan ik ophouden met projecteren of ben ik er misschien al mee opgehouden of strandt het zonder mijn inmenging steeds opnieuw op niet weten?
Ik weet het niet.

Dacht je nou echt dat iemand als ik je kon vertellen hoe het allemaal zit?