Lie Yukou

‘Wat zelfs de hemel niet weet, hoe zou de mens dat kunnen waarnemen?’ Citaten uit het taoïstische geschrift de Liezi van Lie Yukou (vijfde eeuw voor Christus).

Redactie en titels Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Taoïsme > Lie Yukou


Uit de geschriften van Liezi: de taoïstische kunst van het relativeren, Jan de Meyer, 2008:


Levend of dood

“Een lang leven is wat de mensen willen, de dood verafschuwen ze,” zei Zigong. “Hoe komt het dan dat u geluk vindt in uw dood?”
Waarop Lin Lei antwoordde: “De dood verhoudt zich tot het leven zoals vertrekken zich verhoudt tot terugkeren. Het is dus mogelijk om hier te sterven en ergens anders weer geboren te worden. Hoe zou ik kunnen weten of leven en dood niet even goed zijn? Hoe zou ik kunnen weten of het geen vergissing is zo rusteloos aan het leven gehecht te zijn? Hoe zou ik kunnen weten of mijn huidige dood niet beter is dan mijn vroegere leven?” (62)


De hele wereld

Wie reist en niet meer weet hoe hij moet terugkeren, is zijn thuis kwijtgeraakt. Als één mens zijn thuis kwijtraakt, dan zal zijn hele generatie dat afkeuren. Als de hele wereld zijn thuis is kwijtgeraakt, dan weet niemand dat nog afkeurenswaardig te vinden. (63)


Waarom de geest bezwaren?

Wie zegt dat hemel en aarde zullen vergaan, vergist zich; maar wie zegt dat hemel en aarde niet zullen vergaan, vergist zich evenzeer. Of ze al dan niet zullen vergaan is iets wat wij niet kunnen weten. Wat er ook van zij, krijgen de enen gelijk, dan vergaan wij samen met hemel en aarde; en krijgen de anderen gelijk, dan blijven wij samen met hemel en aarde gespaard. Daarom weten de levenden niet wat het is dood te zijn, en weten de doden niet wat het is levend te zijn. De toekomst begrijpt het verleden niet, en het verleden begrijpt de toekomst niet. Waarom dan onze geest bezwaren met de vraag of hemel en aarde nu al dan niet vergaan? (66)


Zonder te weten

Shun vroeg aan een minister: ‘Is het mogelijk de Weg te verkrijgen en te bezitten?’
‘Je bezit niet eens je eigen lichaam, hoe zou je dan de Weg kunnen verkrijgen en bezitten?’
‘Als mijn eigen lichaam niet van mezelf is,’ vroeg Shun, ‘van wie is het dan wel?’
‘Het lichaam is een tastbare vorm die jou door hemel en aarde is toevertrouwd. Ook het leven is niet van jezelf: het is een harmonie die jou door hemel en aarde is toevertrouwd. Jouw aard en lot zijn niet van jezelf: zij zijn de gang van zaken zoals die jou door hemel en aarde is toevertrouwd. Je kinderen en kleinkinderen zijn niet van jezelf: zij zijn de exuviën die jou door hemel en aarde zijn toevertrouwd. Daarom ben je op reis zonder te weten waar je heen gaat, verblijf je zonder te weten waar je je aan vastklampt en eet je zonder te weten waar het vandaan komt. (67)


Ik wist het niet meer

Op mij maakte je voorheen een verstandige indruk, zei Liezi. Is het echt mogelijk dat je nu zo diep bent gezonken? Ga zitten! Ik zal je vertellen wat ik van mijn meester heb geleerd!
Drie jaar nadat ik mijn leraar begon te dienen en bevriend raakte met een zekere man, durfde mijn geest niet meer na te denken over juist of fout, en durfde mijn mond niet meer te spreken over voordeel of nadeel. Toen pas keurde mijn meester me voor de eerste keer een blik waardig!
Na vijf jaar dacht mijn geest weer na over juist of fout, en sprak mijn mond weer over voordeel of nadeel. Daarop ontspande het gezicht van mijn meester zich voor de eerste keer en hij glimlachte.
Na zeven jaar liet ik mijn geest nadenken over om het even wat, zonder dat ik nog enig onderscheid maakte tussen juist en fout, en liet ik mijn mond spreken over om het even wat, zonder dat ik nog enig onderscheid maakte tussen voordeel en nadeel. En voor de eerste keer trok mijn meester me naar zich toe om samen met hem op dezelfde mat te zitten.
Na negen jaar had mijn geest de totale vrijheid om wat dan ook te denken, en had mijn mond de totale vrijheid om wat dan ook te zeggen, zonder dat ik me er nog van bewust was of iets juist of fout, voordelig of nadelig was, voor mij of voor een ander. Ik wist ook niet meer dat mijn meester mijn leraar was, en dat die zekere man mijn vriend was. Innerlijk en uiterlijk hadden volledig opgehouden te bestaan!
Daarna hadden mijn ogen evengoed mijn oren kunnen zijn, mijn oren mijn neus, en mijn neus mijn mond: alles was hetzelfde geworden. Mijn geest concentreerde zich, mijn lichaam ontspande, mijn botten en vlees smolten geheel weg; ik voelde niet langer waar mijn lichaam tegenaan leunde of waar mijn voeten op stapten. Met de wind mee dreef ik naar oost of west, als een blaadje van een boom of een verdroogd kafje. Was het nu eigenlijk de wind die mij meevoerde of was ik het die de wind meevoerde? Ik wist het niet meer. (74)


Rotsbewoner

Uit een rotswand dook een man op, die samen met de rook en de as omhoog- en omlaag vloog. … Toen het vuur aan hem voorbijtrok, kwam hij er langzaam uit gelopen, alsof hij helemaal niet door het vuur was gegaan. … Toen hem werd gevraagd wat zijn Weg was om in rotsen te wonen en wat zijn Weg was om door vuur te gaan, antwoordde de man: ‘Wat voor een ding noemt u rots? Wat voor een ding noemt u vuur?’
Xiangzi van Zhao zei: ‘Dat waaruit u daarnet opdook is rots. Dat waar u daarnet door ging is vuur.’
‘Dat wist ik niet,’ zei de man. (85)


Droom of werkelijkheid

Een inwoner van Zheng was brandhout aan het sprokkelen in de wildernis toen hij oog in oog kwam te staan met een verschrikt hert. Hij ging eropaf en gaf het dier een klap, zodat het dood was. Uit vrees dat iemand anders het zou zien, verborg hij het haastig in een uitgedroogde poel en bedekte het met kreupelhout. Hij was buiten zichzelf van vreugde, maar slaagde er wat later niet meer in de plaats waar hij het hert verborgen had terug te vinden. Toen nam hij aan dat hij het allemaal maar had gedroomd.
Onderweg liep hij hardop te vertellen over wat er was gebeurd. Een voorbijganger ving zijn woorden op en vond het hert dankzij deze informatie. Toen hij thuiskwam, zei hij tot zijn vrouw: ‘Zopas droomde een brandhoutsprokkelaar dat hij een hert had gevangen, maar hij wist niet waar hij het had achtergelaten. Nu heb ik het gevonden. Zijn droom is dus een bewaarheide droom gebleken!
Daarop zei de vrouw: ‘Zou jij niet veeleer in een droom hebben gezien dat een brandhoutsprokkelaar een hert had gevangen? Vanwaar die brandhoutsprokkelaar trouwens? Jij hebt nu echt het hert gevonden, is het dan niet veeleer zo dat jouw droom bewaarheid is geworden?’
‘Het staat in elk geval vast,’ zei de man, ‘dat ik het hert heb gevonden. Wat maakt het dan nog uit of het zijn droom was of de mijne?’
Toen de brandhoutsprokkelaar thuis was aangekomen, had hij het verlies van zijn hert nog niet verwerkt. Die nacht had hij een waarheidsgetrouwe droom over de plaats waar hij het hert had verstopt, en hij droomde ook over de man die het hert had gevonden. Afgaande op wat hij had gedroomd, ging hij de volgende morgen op zoek naar de man, en vond hem ook. Daarop diende hij een klacht tegen hem in en betwistte hem zijn recht op het hert.
De zaak kwam voor de opperrechter. Deze zei: ‘Als jij oorspronkelijk in werkelijkheid het hert hebt gevangen, dan beweer je ten onrechte dat je het hebt gedroomd. Als je waarlijk hebt gedroomd dat je het hert hebt gevangen, dan beweer je ten onrechte dat het werkelijk is gebeurd. De tegenpartij heeft echt jouw hert gevonden, en strijdt nu met je om het eigendomsrecht. Zijn echtgenote heeft verder verklaard dat de tegenpartij jou zowel als het hert in een droom zou hebben gezien, wat zou betekenen dat niemand het hert heeft gevonden. Maar nu hebben we hier echt een hert, ik stel dan ook voor dat jullie er elk de helft van nemen.’
Het voorval werd aan de heerser van Zheng gemeld. Deze vroeg zich af: ‘Ach, zou de opperrechter misschien dromen dat hij iemands hert heeft verdeeld?’
De eerste minister werd om advies gevraagd. Hij zei: ‘Ik ben niet in staat het onderscheid te maken tussen wat droom is en wat niet. Wie het onderscheid wil maken tussen waken en dromen, moet er de Gele Keizer of Confucius bij halen. Nu de Gele Keizer en Confucius er niet meer zijn, wie zou het onderscheid dan nog kunnen maken? Laten we maar vertrouwen op het oordeel van de opperrechter.’ (110)


Geheugenverlies

Toen Huazi uit Yangli in de staat Song de middelbare leeftijd bereikte, verloor hij zijn geheugen. Wat hij ’s ochtends had gekregen was hij ’s avonds weer vergeten; wat hij ’s avonds had gegeten was hij de volgende ochtend alweer vergeten. Op straat vergat hij te lopen, thuis vergat hij te zitten. Vandaag wist hij niets meer van gisteren; morgen zou hij niets meer van vandaag weten. Zijn verwanten leden daaronder en nodigden een waarzegger uit voor een orakel, maar dat leverde niets op. Ze nodigden een sjamaan uit om voor hem te bidden, maar de ziekte werd niet bezworen. Ze nodigden een arts uit om hem te behandelen, maar er veranderde niets.
Uit Lu kwam er een confucianist die zichzelf aandiende en beweerde dat hij de man kon genezen. … Wat de confucianist precies deed wist niemand, maar de ziekte die Huazi jarenlang had bezocht, was op een ochtend verdwenen.
Toen Huazi wakker werd, was hij razend. Hij verstootte zijn vrouw en schold zijn zonen de huid vol, en gewapend met een speer verjoeg hij de confucianist. Toen de mensen van Song hem arresteerden en hem vroegen waarom hij zo tekeerging, zei Huazi: ‘Vroeger, toen ik vergat, kende ik geen grenzen. Ik was me er niet van bewust of het universum al dan niet bestond. Nu ik plotseling weer mijn geheugen heb, raak ik verstrikt in duizend draden van leven en dood, winst en verlies, droefenis en vreugde, liefde en haat, die zich de voorbije decennia hebben gespannen. Mijn vrees is dat leven en dood, winst en verlies, droefenis en vreugde, liefde en haat in de toekomst mijn geest danig in de war gaan sturen. Zal ik ooit nog een moment van vergetelheid kennen?’ (111)


Waanzin

Meneer Pang, een inwoner van Qin, had een zoon die als kind heel pienter was, maar op volwassen leeftijd een mentale afwijking ontwikkelde. Als hij iemand hoorde zingen, dacht hij dat hij aan het wenen was; zag hij iets wits, dan dacht hij dat het zwart was; rook hij een parfum, dan vond hij het stinken; proefde hij iets zoets, dan vond hij het bitter smaken; deed hij iets verkeerds, dan dacht hij dat het goed was. Wat er ook in zijn gedachten opkwam – hemel en aarde, de vier windrichtingen, water of vuur, koud of warm -, er was niets dat hij niet op zijn kop zette.
Meneer Yang zei tot de vader: ‘In Lu is er een heer die talrijke technieken en kunsten beheerst. Misschien kan hij je zoon weer beter maken. Waarom breng je hem niet eens een bezoek?’
De vader ging op weg naar Lu en kwaam daarbij door Chen, waar hij Oude Langoor ontmoette. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om hem te vertellen over de symptomen van zijn zoon.
‘Hoe weet jij of je zoon wel abnormaal is?’ sprak Oude Langoor. ‘Tegenwoordig vergissen alle mensen op de wereld zich als het om juist en verkeerd gaat, en ze zijn helemaal in de war als het om voordeel of nadeel gaat. Omdat ze met zo velen dezelfde afwijking hebben, voelt het bij niemand van hen nog aan als een afwijking. Overigens, het is niet omdat één mens waanzinnig is dat zijn hele familie daardoor ontwricht raakt; het is niet omdat één familie waanzinnig is dat de hele streek erdoor ontwricht raakt; het is niet omdat één streek waanzinnig is dat een heel land erdoor ontwricht raakt; het is niet omdat één land waanzinnig is dat de hele wereld erdoor ontwricht raakt. En als iedereen op de hele wereld waanzinnig is, wie zou de wereld dan nog kunnen ontwrichten?
Stel dat iemand ervoor zou zorgen dat alle mensen op de wereld denken zoals jouw zoon, dan zou jij degene zijn die voor waanzinnig doorgaat. Verdriet en vreugde, klanken en kleuren, geuren en smaken, juist en verkeerd, wie zou in staat zijn daar de precieze betekenis van vast te stellen? Trouwens, het is heel goed mogelijk dat die woorden van mij ook waanzin zijn. En dat geldt nog meer voor die heer an Lu, die de kampioen van de waanzin is! Hoe zou hij andermans waanzin kunnen genezen? Zou je niet beter zo snel mogelijk terug naar huis gaan in plaats van je geld weg te gooien?’ (113)


Gefopt

Er was eens een man die geboren was in Yan, maar die opgroeide in Chu. Op zijn oude dag keerde hij terug naar zijn geboorteland. Op weg door de staat Jin haalde een reisgenoot een grap met hem uit. Hij wees naar de stadsmuren en zei: ‘Dat zijn de muren van de hoofdstad van Yan.’ Doordat de oude man geëmotioneerd raakte, veranderde zijn gelaatsuitdrukking.
De reisgenoot wees naar een altaar voor de aardgod en zei: ‘Dat is het altaar voor de aardgod van de wijk waar jij geboren bent.’ De oude man slaakte een diepe zucht.
De ander wees naar een grafheuvel en zei: dat is het graf van je vader zaliger.’ Daarop moest de oude man onbedaarlijk huilen.
‘Gefopt!’ zei de reisgenoot, terwijl hij bulderend lachte. We zijn gewoon in Jin!’
De oude man voelde zich erg gekrenkt. Toen hij in Yan aankwam, toen hij echt de stadsmuren en altaren van Yan zag, en echt de hut en het graf van zijn vader zag, was hij heel wat minder geëmotioneerd. (114)


Niets kennen is niets niet kennen

Je in niets verheugen, niets kennen, dat is de echte vreugde, dat is de echte kennis. Want daardoor is er niets waarin je je niet verheugt, is er niets wat je niet kent, is er niets waarover je niet bezorgd bent, is er niets wat je niet doet. (116)


Dat is alles

Wie de betekenis heeft gevat, maakt geen gebruik van woorden; wie iets helemaal heeft begrepen, maakt geen gebruik van woorden. Spreken door niets te zeggen is ook een vorm van spraak; weten door niet te weten is ook een vorm van weten. Het gaat niet om ‘spreken’ en ‘niet spreken’, het gaat niet om ‘weten’ en ‘niet weten’, want dat blijft in alle gevallen ‘spreken’ en ‘weten’. Er is niets wat hij niet zegt, er is niets wat hij niet weet, en tegelijk zegt hij niets en weet hij niets. Zo, meer valt er echt niet over te zeggen! (121)


Reizen

Meester Kalebassenheuvel zei: ‘Hoe volmaakt is reizen! Bij de allerhoogste vorm van reizen weet je niet waar je naartoe gaat. Bij de allerhoogste vorm van aanschouwen weet je niet waar je naar kijkt. Overal zonder uitzondering naartoe reizen, en alles zonder uitzondering aanschouwen, dat is wat ik reizen noem, dat is wat ik aanschouwen noem. Daarom zei ik: “Hoe volmaakt is reizen, hoe volmaakt is reizen!”‘ (123)


Niet in jezelf vast

Yin Xi van de Bergpas zei:
Als je niet in jezelf vastzit,
Dan openbaren de dingen zich aan je.
Beweeg als water,
Wees stil als een spiegel,
Antwoord als een echo. (132)


Begin en einde

Keizer Tang van Yin vroeg aan Yi van Xia: ‘Waren er in het verste verleden dingen?’
Ji van Xia antwoordde: ‘Als er in het verste verleden geen dingen waren, hoe zouden er dan nu dingen kunnen zijn? Stel dat de mensen die na ons komen zouden beweren dat er nu geen dingen zijn, zou u dat aanvaardbaar vinden?’
Waarop Tang van Yin vroeg: ‘Als dat zo is, hebben de dingen dan niets wat aan ze voorafgaat en niets wat na ze komt?’
Ji van Xia antwoordde:

‘Het einde en het begin van de dingen
Hebben nooit enige begrenzing gekend.
Een begin is in sommige gevallen een einde,
Een einde is in sommige gevallen een begin.
Hoe zou je dat proces kunnen kennen?

Dus: wat buiten de dingen ligt, en wat aan de zaken voorafging, dat is mij niet bekend.’
Tang van Yin vroeg: ‘In dat geval, hebben boven, onder en de acht windstreken een grens en een einde?’
‘Weet ik niet’, antwoordde Ji. (134)


Inspanning en Lotsbestemming

Inspanning zei: Als het is zoals jij zegt, dan heb ik beslist geen verdienste ten opzichte van de wezens. Maar ben jij het dan die de controle heeft over wat de wezens meemaken?
Lotsbestemming zei: We hebben het hier over de lotsbestemming: hoe zou er dan iemand kunnen zijn die alles bestuurt? Wat recht is duw ik voort; wat krom trekt laat ik zijn gang gaan. Lang leven of voortijdige dood, tegenslag of succes, nobel of laag, rijk of arm: het komt allemaal uit zichzelf tot stand. Hoe zou ik dat kunnen kennen? Hoe zou ik dat kunnen kennen? (159)


Kan gebeuren

Het kan voorvallen dat je wie je aanvankelijk voortrok uiteindelijk tekort doet, en dat je wie je uiteindelijk terkort doet aanvankelijk voortrok. Die afwisseling tussen voortrekken en terkort doen hangt niet van onszelf af. (164)


Ongrijpbaar

Sommigen verkrijgen te leven of te sterven als de gelegenheid daar is om te leven of te sterven. Anderen leven of sterven terwijl de gelegenheid er niet is om te leven of te sterven. Maar het zijn noch de andere wezens noch wijzelf die ons doen leven als we leven en die ons doen sterven als we sterven: het is telkens onze lotsbestemming. Wijsheid kan daar niets aan veranderen. Daarom wordt er gezegd:


Ongrijpbaar en onbegrensd

Het is de Weg van de natuur om uit zichzelf te worden gevormd;
Onverschillig en ongedeeld:
Het is de Weg van de natuur om uit zichzelf te bewegen.
Hemel en Aarde kunnen daar niet tegenin gaan,
Wijsheid en kennis kunnen het niet beïnvloeden,
Geesten en spoken kunnen het niet bedotten.
Het is het uit-zichzelf-zo-zijn
Dat hen stillegt, dat hen vormt,
Dat hen kalm en vredig maakt,
Dat hen wegleidt en ontvangt.
(165)


Een goddelijke geneesheer

Yang Zhu’s vriend heette Ji Liang. Ji Liang werd ziek. Na zeven dagen was zijn toestand kritiek. Zijn zonen stonden wenend in een kring rond hem en wilden er een geneesheer bij halen.
Ji Liang zei tot Yang Zhu: ‘Wat een waardeloze wezens zijn die zonen van me toch! Waarom zing je niet eens een liedje voor me waar zij ook wat van kunnen opsteken?’
Yang Zhu’s lied ging als volgt:

‘Wat zelfs de hemel niet weet,
Hoe zou de mens dat kunnen waarnemen?
Bescherming komt niet van de hemel,
Het kwaad komt niet van de mens.
Als ik en jij het al niet begrijpen,
Zouden geneesheren en sjamanen dat dan wel doen?’

Ji Liangs zonen vatten de boodschap niet, en uiteindelijk lieten ze drie geneesheren komen, genaamd Jiao, Yu en Lu. Zij zouden door het voelen van de pols de diagnose stellen.
Meneer Jiao zei tot Ji Liang: ‘De regelmaat van koud en warm is zoek, en de verhouding tussen leeg en vol is verstoord. De ziekte is er gekomen omdat je nu eens honger lijdt en dan weer te veel eet, en omdat je te veel naar seks hunkert. Je geest en je gedachten worden te zwaar op de proef gesteld. De ziekte is niet het werk van de hemel of van spoken, en ook al is ze kritiek, ze kan bestreden worden.’
‘Een geneesheer zoals er dertien in een dozijn zijn,’ zei Ji Liang. ‘Stuur hem gauw weg!’
Meneer Yu zei: ‘Rond je geboorte was er te weinig vitale energie in je moeders baarmoeder, en maakte ze te veel moedermelk aan. De ziekte is niet veroorzaakt door iets van één ochtend of één avond; ze is geleidelijk aan gekomen, en er kan dus niets aan worden veranderd.’
‘Prima geneesheer,’ zei Ji Liang. ‘Hij mag blijven eten.’
‘Meneer Lu zei: ‘Je aandoening is niet het werk van de hemel, niet van de mens, en ook niet van spoken. Vanaf het moment dat we ons leven en ons lichaam hebben ontvangen, is er iets wat ze bestuurt, en sommigen begrijpen dat ook. Wat zouden geneeskrachtige kruiden of mineralen hier voor jou kunnen betekenen?’
‘Een goddelijke geneesheer!’ zei Ji Liang. ‘Geef hem een fikse beloning en doe hem uitgeleide!’
Niet veel later werd Ji Liangs aandoening vanzelf beter. (166)


Wie begrijpt?

Het leven is niet iets wat je kunt vrijwaren door er veel waarde aan te hechten; de eigen persoon is niet iets wat je kunt begunstigen door er zorg voor te dragen. Het leven is ook niet iets wat je kunt verkorten door er weinig waarde aan te hechten; de eigen persoon is ook niet iets wat je tekort kunt doen door hem te minachten. Daarom zij er die veel waarde hechten aan het leven maar toch niet in leven blijven, en zij er die er weinig waarde aan hechten en toch niet doodgaan. Sommigen dragen zorg voor hun eigen persoon, zonder dat die er wel bij vaart; anderen minachten hem, zonder dat hij eronder lijdt. Dat lijkt in te gaan tegen de rede, maar dat is niet het geval. Het wil zeggen dat leven en dood, wel varen en lijden uit zichzelf komen. …
Yu Xiong sprak tot koning Wen: ‘Als iets uit zichzelf lang is, dan is dat niet omdat wij het hebben verlengd; als iets uit zichzelf kort is, dan is dat niet omdat wij het hebben ingekort. Berekening staat daar machteloos.’
Oude Langoor sprak tot Yin van de Bergpas: ‘Als de natuur iets haat, wie begrijpt daarvan dan de oorzaak?’
Wat ze daarmee wilden zeggen, is dat het zinloos is de intentie van de natuur te willen begrijpen, of in te schatten of iets voordelig dan wel nadelig is. (167)


Een ander woord voor niet-weten

Yang Bu vroeg: ‘Stel dat we hier de volgende twee mensen hebben: in leeftijd, taal, talenten en voorkomen lijken ze op elkaar als broers; maar wat de lengte van hun leven, hun maatschappelijke status, hun reputatie en de mate waarin ze geliefd zijn betreft verschillen ze van elkaar als een vader van een zoon. Ik vind dat verbijsterend.’
‘De ouden,’ sprak Meester Yang, ‘hadden daar een theorie over, die ik leerde kennen en die ik je nu zal vertellen. Alles wat is zoals het is zonder dat wij weten waarom is het lot. Wat nu wazig en obscuur, complex en verwarrend lijkt, wat nu eens wel gebeurt en dan weer niet, wat de ene dag weg is en de volgende dag terugkomt, en waarvan niemand de oorzaak begrijpt, is het lot. Voor wie vertrouwt op het lot, bestaat er geen lang leven of voortijdige dood; voor wie vertouwt op de principes die inherent zijn aan de dingen, bestaat er geen juist of verkeerd; voor wie vertrouwt op de menselijke geest, bestaat er geen tegenwerking of gunstig klimaat; voor wie op zijn eigen aard vertrouwt, bestaat er geen veiligheid of gevaar. Van zo iemand kunnen we zeggen dat hij een definitief einde heeft gemaakt aan alles waarop hij vertrouwt en alles waarop hij niet vertrouwt. Hij is authentiek en ongekunsteld. Wat zou hij nog ontwijken of benaderen? Waarom zou hij nog bedroefd of blij zijn? Wat zou hij nog moeten doen of niet doen? Het Boek van de Gele Keizer zegt: “In rust lijkt de allerhoogste mens op een dode, in beweging lijkt hij op een machine.” Hij weet noch waarom hij rust, noch waarom hij niet rust; hij weet noch waarom hij beweegt, noch waarom hij niet beweegt; hij verandert zijn gevoelens en uitdrukking niet omdat de gewone man naar hem kijkt, maar hij bewaart ook niet dezelfde gevoelens en uitdrukking omdat de gewone man niet naar hem kijkt. Hij gaat autonoom en komt autonoom. Autonoom gaat hij naar buiten en autonoom komt hij binnen. Wat zou hem kunnen hinderen?’ (168)


Wat is er anders?

Onder de inwoners van Wei was er een zekere Dongmen Wu, die niet verdrietig was toen zijn zoon stierf. Zijn bediende vroeg hem: ‘Niemand in de hele wereld hield nog meer van een zoon dan u. Nu is uw zoon dood, maar u bent niet verdrietig. Hoe komt dat?’
Dongmen Wu antwoordde: ‘Ooit was er een tijd dat ik geen zoon had, en gedurende de periode dat ik geen zoon had was ik niet verdrietig. Nu mijn zoon dood is, is dat hetzelfde als vroeger, toen ik nog geen zoon had. Waarom zou ik verdrietig zijn?’ (172)


Tussen bewustzijn en droom

Yang Zhu zei: ‘Dingen die in het verre verleden zijn gebeurd zijn vergaan. Wie heeft ze opgetekend? De dingen die de Drie Doorluchtigen hebben gedaan zweven tussen bestaan en vergaan. De dingen die de Vijf Keizers hebben gedaan zweven tussen bewustzijn en droom. De dingen die de Drie Koningen hebben gedaan zweven tussen verborgen en zichtbaar. Van alle honderdduizend dingen is er geen enkel dat we met zekerheid kennen. (189)


Niet met zekerheid

Van de dingen die zijn gebeurd tijdens ons leven hebben we over sommige gehoord, terwijl we er andere hebben gezien, maar van elke tienduizend is er geen een dat we met zekerheid kennen. Van de dingen die voor onze ogen gebeuren, onthouden we sommige en vergeten we andere, maar van elke duizend is er geen een dat we met zekerheid weten. (190)


Allemaal opgelost

De jaren tussen het verre verleden en het heden zijn beslist te talrijk om te tellen. Maar in de periode van meer dan driehonderdduizend jaar sinds Fuxi zijn alle onderscheidingen – tussen wijs en dwaas, mooi en lelijk, geslaagd en mislukt, juist en fout – verdwenen, opgelost. Het enige verschil zat hem in de snelheid waarmee ze verdwenen. (190)


Gemeenschappelijk

Yang Zhu zei: ‘De mens lijkt op de andere soorten tussen hemel en aarde, en zijn natuur heeft hij te danken aan de Vijf Constanten. Van alle levende wezens is hij het numineuste. … Nu is het echter wel zo dat ons lichaam niet ons eigendom is. Maar zodra we geboren zijn, kunnen we niet anders dan het in stand houden. De andere wezens zijn evenmin ons eigendom. Maar zodra ze er zijn, kunnen we niet meer zonder hen. Het is ongetwijfeld dankzij het lichaam dat we leven, net zoals het dankzij de andere wezens is dat we het lichaam onderhouden. … Enkel de allerhoogste mens beschouwt het lichaam dat aan de wereld toebehoort en de wezens die aan de wereld toebehoren als gemeenschappelijk. Dat bedoelen we met “het allerhoogste van het allerhoogste”.’ (190)

Let op!
Let op je woorden,
Want iemand zal er akkoord mee gaan;
Let op je gedrag,
Want iemand zal het nabootsen. (195)