De Linji-lu voor dummy’s

‘Niet te geloven! In al die jaren heb ik niet één onafhankelijke geest gezien!’ De zenklassieker De Linji-lu voor dummy’s. Integrale tekst van het boek. Met links naar gratis pdf en epub en fraaie hardcover.

dummy: 1. iemand die nog niet weet; 2. iemand die niet meer weet

Dwaalgids > Meesterschap, Zen > De Linji-lu voor dummy’s

Lees ook: De Poortloze Poort voor dummy’s, De Diamantsoetra voor dummy’s, De Hartsoetra voor dummy’s.

Deze pagina is als serie gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

Van Niet te geloven! De Linji lu zijn vijf versies beschikbaar:

  • Webpagina (hieronder, gratis)
  • Pdf (50 pagina’s A4, afdrukbaar, gratis)
  • Epub (135 pagina’s, reflowable, gratis)
  • Serie (Boeddhistisch Dagblad, gratis)
  • Boek (204 pagina’s, ISBN 978 94 92185 05-1, € 18,55)

Op deze pagina:

Woord vooraf

De Linji lu (Linji-yulu, Rinzai-roku) is een verzameling van teksten toegeschreven aan chanmeester Linji Yixuan (Linji Huizhao, Lin-chi I-hsüan, Rinzai Gigen). De Linji lu is van grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van chan in China en ligt ten grondslag aan een van de twee grote zentradities van Japan (rinzai).

Mijn vertaling van de Linji lu is hoofdzakelijk gebaseerd op The record of Linji van Ruth Fuller Sasaki, redactie Thomas Yuho Kirchner, Honolulu Press 2009. Omdat ik een vertaling heb vertaald en niet het origineel, spreek ik van een hertaling, en omdat ik me de nodige vrijheden heb gepermitteerd om de tekst tot leven te brengen, zouden puristen misschien liever spreken van een parafrase, navertelling of bewerking. Hoe je het ook noemt, het is puur liefdewerk, een loflied op Linji, op de school die naar hem vernoemd is, op het ch’anboeddhisme waar deze school uit voortkomt en op de ongrijpbare geest van niet-weten, die zich nooit in woorden zal laten vangen.

The record of Linji bestaat uit drie delen:

a. Discourses 1-22
b. Critical examinations 1-24
c. Pilgrimages 1-21

Deze indeling lijkt nogal willekeurig. Zo zijn de eerste tien ‘discourses’ eerder ‘critical examinations’, hebben vrij veel ‘critical examinations’ het karakter van ‘pilgrimages’ en alle ‘pilgrimages’ het karakter van ‘critical examinations’. Het enige principiële verschil dat ik kon ontdekken tussen de teksten in de Linji lu is dat ze hetzij monologisch, hetzij dialogisch van aard zijn. Hierop is mijn eigen indeling gebaseerd.

De eerste zestig teksten van mijn hertaling zijn monologen. Ze corresponderen met Discourses 10-22, die ik omwille van de leesbaarheid in stukken heb geknipt, waarbij de volgorde echter is gehandhaafd. De tweede zestig teksten zijn dialogen. Nummers 1-14 corresponderen met Discourses 1-10, nummers 15-38 met de Critical Examinations en nummers 39-60 met de Pilgrimages. Met het oog op de lay-out en de herkenbaarheid zijn alle teksten door mij van een titel voorzien.

Voor een alternatieve online vertaling uit het Chinees in het Engels, zie The zen teachings of Rinzai van Irmgard Schloegel, Shambhala Publications Inc., 1975.
Deze tekst is op zijn beurt hertaald in het Swierengaals (knottnerisch Nederlands, knotterwaals) door mevrouw Aleid Knottnerus Swierenga, en antiquarisch verkrijgbaar onder de titel Zenleer van Rinzai (1979).
Schloegel hanteert een doorlopende nummering, en komt, wegens een andere indeling bij een gelijkblijvende volgorde, tot 87 teksten, die vaak nog verder onderverdeeld worden met vervolgletters.

‘Concordantiecodes’ als (a11,12b-c) geven aan waar je de originele tekst terug kan vinden bij respectievelijk Sasaki (Discourses, 11) en Schloegel (12b-c).

Niet te geloven! De Linji-lu is te koop als hardcover voor € 18,55 bij Probook.

Monologen

‘Laat je niet gek maken door die oude gekken!’ zei de oude gek.
Door wie laat jij je gek maken?

1. Bekijk het maar

Meester Linji zei: Wie de leer bestudeert, moet tussen de regels door lezen. Met het juiste doorzicht zul je alle klippen als vanzelf omzeilen. Niet aan de grond lopen, daar komt het op aan. Je hoeft nergens heen. De zee is overal.

Wedergangers, onze nijvere voorvaderen hadden elk hun eigen kijk op het rijk. Wat mij betreft, ik volsta ermee te zeggen dat je niemand moet geloven. Ook mij niet. Ook jezelf niet. Wat valt er nog te wikken als dat eenmaal helder is?

Leerlingen van tegenwoordig zijn niet te houden. Ze rennen overal achteraan, waaien met alle winden mee. Stelletje lichtgelovigen! Komen jullie soms iets te kort?

Het enige verschil tussen jou en de Boeddha is je rusteloos zoekende geest. Wil je weten wie de Boeddha is? Niemand anders dan degene die hier nu voor me staat te luisteren naar mijn kletspraat. Maar je hebt je wijs laten maken dat je het buiten jezelf moet zoeken. Dat er iets te vinden is. Nou, het enige wat je zal vinden, is gestolde woorden, nooit de levende geest van de boeddha zelf. Zie je het nu niet, dan zie je het nooit, in geen duizend levens. Balkend en loeiend zul je jezelf keer op keer terugvinden in de baarmoeders van ezels en runderen.

Wedergangers, wat valt er te zoeken? Voor niks komt de zon op, voor niks gaat hij onder. Wie het zo bekijkt, heeft het goed bekeken.

(a10,11a)

2. Drie keer niks

Meester Linji zei: Voorbijgangers,

Deze wereld biedt evenveel rust
als een brandend huis.

Hoeveel tijd is je nog gegund? Magere Hein kan ieder moment toeslaan. Ook hij weet geen onderscheid te maken. Niet tussen hoog en laag, niet tussen jong en oud.

Als je niet wil verschillen van de Boeddha, zoek het dan niet langer buiten jezelf. Het onzichtbare licht dat iedere gedachte doorziet – dit is de dharmakaya boeddha in je eigen geest. Het oogverblindende licht dat iedere gedachte doorziet – dit is de sambhogakaya boeddha in je eigen geest. Het verzengende licht dat iedere gedachte doorziet – dit is de nirmanakaya boeddha in je eigen geest. Jij die hier met je eigen oren naar mijn kletspraat staat te luisteren, bent zelf het drievoudige lichaam. Zolang je tenminste niet als een kip zonder kop rondrent op zoek naar je drievoudige lichaam.

Voorbijgangers, volgens de onovertroffen meesters van de soetra’s en de sastra’s zou het drievoudige boeddhalichaam het allerhoogste zijn. Laat je niets wijsmaken. Het is louter beeldspraak. Een drievoudige instinker. De trikaya is drie keer niks. Net zoals het licht dat iedere gedachte doorziet.

(a10,11b)

3. De weetnietgeest

Meester Linji zei: Voetzoekers, wie is het die zelfs de leer doorziet? Hij is de oorsprong van alle boeddha’s en het vertrekpunt waarnaar alle voetzoekers terug moeten keren.

Ons lichaam, opgebouwd uit de vier elementen, kan de leer niet doorzien. Onze milt of maag kan de leer niet doorzien. Onze lever of galblaas, kan de leer niet doorzien. De lege hemel kan de leer niet doorzien. Wie kan wel de leer doorzien? Degene die je niet kan zien. Degene die zichzelf doorziet. Degene die hier sprakeloos naar mijn kletspraat staat te luisteren, straalloos stralend – het is de weetnietgeest die de leer doorziet.

Wie zelfs de weetnietgeest doorziet, verschilt in geen enkel opzicht van de eerste patriarch. Geloof niets en je doorziet alles. Doorzie alles en je gelooft niets. Dit ook niet.

Waar kennis heerst, is wijsheid ver te zoeken.
Denkbeelden zijn de bouwstenen van het lot.

Zoals ik het zie, is niets of niemand ondoorzichtig. Maar als je je gedachten en gevoelens gelooft, is het einde zoek.

(a10,11c)

4. Stalpalen voor ezels

Meester Linji zei: Klaplopers, de weetnietgeest heeft geen vorm en geen leegte.

Hij doorziet de beelden in je ogen, de stemmen in je oren,
de geuren in je neus, de praatjes in je mond,
het klampen van je handen, het stampen van je voeten.

De weetnietgeest kent geen verschil en houdt overal huis.
In de onverdeelde weetnietgeest ben je altijd thuis.

Waarom zeg ik dit allemaal? Omdat jullie als dollen rondtollen. Omdat jullie je blind staren op de zeergeleerde larie van de wijsneuzen van weleer.

Klaplopers, neem een voorbeeld aan mij, en hak de koppen af van de sambhogakayaboeddha’s en nirmanakayaboeddha’s. Een bodhisattva die het tiende stadium heeft bereikt is niet meer waard dan de goedkoopste dagloner. Een bodhisattva van grote verlichting of van onovertroffen verlichting is niet beter af dan een geketende gevangene. Een arhat en een pratyekaboeddha hebben minder inhoud dan een beerput. Verlichting en nirvana zijn stalpalen voor ezels. Hoe dat kan? Hebben jullie nog steeds niet de leegte van de woorden en de dingen ingezien?

(a10,11d)

Lees ook: de Elf plaatjes van de ezel.

5. Spoken en spikken

Meester Linji zei: Een echte padvinder doet niet moeilijk. Hij neemt de dingen zoals ze zijn en handelt naar omstandigheden. Hij loopt als hij zin heeft, gaat zitten als hij moe is. Hij steekt een vuurtje aan of dooft het. Hij legt knopen en haalt ze uit en maakt zich geen moment druk over zijn boeddhanatuur. Waarom niet?

Zoek het einde van het lijden om te lijden.
Zoek de Boeddha en je raakt de Boeddha kwijt.

Padvinders, jullie tijd is kostbaar. Waarom studeren, speculeren, praktiseren en mediteren? Wat moet je met een boeddha, wat moet je met een patriarch, wat moet je met een leraar? Zijn ouders al niet erg genoeg?

Laat die kaalgeschoren schoolfrikken toch kletsen. Ze weten van boven niet dat ze van onderen afgaan. Ze zien overal spoken en spikken. Ze wijzen naar het oosten en reppen van het westen. Ze hebben liever zonneschijn, ze hebben liever regen, het ene is een vloek, het andere een zegen. Hun hoofd zit vol stinkende stront, hun mond is een babbelende kont, hun hart is een bloedende wond. Lijkt jullie dat gezond?

Padvinders, haal je niets in je hoofd. Zoek het niet buiten jezelf. Zoek niet de stok in je hand. Zoek het niet in jezelf. Zoek niet. Keer in tot het licht dat alles doorziet.

(a10,11d-e)

6. Uitgeleerd

Meester Linji zei: Teengangers, jullie moeten je uiterste best doen om doorzicht te verkrijgen. Sta pal. Laat je niet inblikken door die schoolfrikken. Wie nergens heen hoeft, is reeds aangekomen. Al die ambities – het houdt alleen maar op. Is gewoon al niet te gek? Maar nee hoor, je moet weer zo nodig op jacht naar groot wild. Nou, het enige wat je zal vinden zijn kleine wildpaadjes. Van al die andere jagers op groot wild.

Je blijft maar naar de boeddha zoeken, maar de boeddha is een woord. Kijk maar in het woordenboek. Als je al niet weet wat je zoekt, hoe moet je het dan ooit vinden? Teengangers, de boeddha’s en patriarchen uit de drie tijden en de tien richtingen zijn geen doel op zich. Ze wijzen alleen maar de weg naar de leer. Vind de leer en sla hem neer, keer op keer. Anders blijf je achter de feiten aan hollen.

Welke leer heb ik het over? De leer van de weetnietgeest. De weetnietgeest kent geen vorm en geen leegte. Je vind hem overal en nergens. Je ziet hem door hem niet te zien. Je vangt hem door hem vrij te laten. Niet door hem te begraven onder namen en frasen. Ook niet door hem ‘hem’ te noemen, of ‘de weetnietgeest’.

(a11,12a)

7. Ongekend

Meester Linji zei: Dwaalgasten, als ik, een eenvoudige bergmonnik, onderricht geef, wat onderricht ik dan? De lege leer van de weetnietgeest, die geen weet heeft van aards en heilig, niet van bevlekt en onbevlekt, niet van vergankelijk en onvergankelijk. Zo min als aards en heilig, bevlekt en onbevlekt, vergankelijk en onvergankelijk weet hebben van de weetnietgeest. Ze kennen hem niet, hij kent hen niet, maar doorziet ze niettemin. De weetnietgeest – dat is kijken zonder kopen; denken zonder geloven; proeven zonder slikken; voelen zonder vatten. Meer komt er niet bij kijken.

Dwaalgasten, de manier waarop ik onderricht geef, is uniek. Stel dat Manjusri en Samantabhadra hun lichamelijke vorm aannemen en hier voor me verschijnen om me vragen te stellen over de leer. Zodra ze hun mond opendoen: ‘Eerwaarde, wat…’, heb ik hen al doorzien. Zodra een dwaalgast zijn mond opendoet: ‘Eerwaarde, wat…’, heb ik hem al doorzien. Hoe dat mogelijk is? Uiterlijk maak ik geen onderscheid tussen werelds en heilig; innerlijk verwijl ik niet in het absolute. Ik ken zekerheid noch twijfel en kijk overal dwars doorheen.

(a11,12b-c)

8. Heer noch meester

Meester Linji zei: Nestvlieders, wat de leer aangaat, valt er niets te doen. Wees gewoon jezelf. Doe wat je altijd al deed – opstaan, aankleden, zitten, eten, drinken, poepen, plassen, slapen als je moe bent.

Dwazen lachen me uit
maar wijzen weten niet beter

Want

Zij die er werk van maken
zijn eersteklas stomkoppen.

Voor wie niets gelooft, is er geen situatie om meester van te worden, geen plek om heen te gaan. Zelfs je oude waandenkbeelden en je zogenaamde karma hebben niets meer om het lijf. Wie deel uitmaakt van de feiten wordt er nooit door ingehaald.

(a12,13a)

9. Melkmuilen

Meester Linji zei: Leerlingen van tegenwoordig weten niets van de leer. Het zijn net schapen, die opvreten wat je ze voor de neus houdt. Overal zien ze meesters en slaven, gastheren en gasten, goede motieven en slechte. Nesthoppers die zichzelf voor nestvlieders houden. Ze zijn vooral op zoek naar verstrooiing.

Nestvlieders wonen nergens. Niet in de Boeddha, niet in Mara, niet in onthechting, niet in gehechtheid, niet in de vorm, niet in de leegte, niet in het goede, niet in het kwade, niet in het ware, niet in het valse, niet in het wereldse, niet in het heilige. Daarom heten ze nestvlieders. Maar wie van Mara naar Boeddha overloopt, van gehechtheid naar onthechting, van de vorm naar de leegte, van het kwade naar het goede, van het valse naar het ware, van het wereldse naar het heilige, verruilt alleen maar het ene nest voor het andere. Hij stapelt schuld op schuld.

Veronderstel nu eens dat er zoiets was als Boeddha-Mara, ondeelbaar verenigd als een mengsel van melk en water. Leerlingen van tegenwoordig willen alleen de melk drinken en het water laten staan, maar de ware nestvlieder zou Mara en Boeddha met precies evenveel egards behandelen. Hij zou het verschil niet proeven.

Als je het heilige liefhebt en het aardse haat
zul je verdrinken in de zee van geboorte en dood.

(a12,13a)

10. Een roze wolk

Een monnik zei: Wat is Boeddha-Mara?

Meester Linji zei: Het geringste spoor van twijfel in je geest is Mara. Inzien dat de tienduizend dingen leeg zijn, dat er nog geen stofje bestaat, dat zelfs de geest slechts een fantoom is – dat is Boeddha. Boeddha en Mara doorzien als twee van de tienduizend dingen – dat is Boeddha-Mara.

In mijn beleving is er geen Boeddha, geen Mara en geen Boeddha-Mara. Er is geen verleden en geen heden. Er is geen voelend wezen en niemand om te verlossen. Wat je bereikt denkt te hebben, hoefde niet te worden bereikt. Er valt niets te beoefenen, niets te realiseren, niets te winnen en niets te verliezen. Ook dit niet. Meer heeft mijn leer niet om het lijf. Wie meent dat ik een hogere leer heb, doet uit de hoogte. Hij leeft in een roze wolk.

(a13,13b)

Tip: Ledig de Geest in de Wolk van niet-weten

11. Verluchting

Meester Linji zei: Wegkijkers, degene die hier pal voor mijn ogen staat te luisteren naar mijn kletspraat is al degene die nergens blijft hangen en de tien richtingen vrijelijk doorkruist. Hij schuwt de tienduizend dingen niet, want ze brengen hem niet in verlegenheid. Brengen ze hem toch in verlegenheid dan is hij daarmee niet verlegen.

In een ogenblik doorziet hij alle dharma’s. Ontmoet hij een boeddha dan doorziet hij een boeddha. Ontmoet hij een patriarch dan doorziet hij een patriarch. Ontmoet hij een arhat dan doorziet hij een arhat. Ontmoet hij een schriftgeleerde dan doorziet hij een schriftgeleerde. Ontmoet hij een leerling dan doorziet hij een leerling. Ontmoet hij zichzelf dan doorziet hij zichzelf.

Doordat zijn geest nooit vol raakt, brengt hij overal verluchting. Hij is nergens op uit en zijn duisternis straalt ongehinderd in alle richtingen.

(a13,13c)

12 .Kop noch staart

Meester Linji zei: Doorlopers, diep vanbinnen weet je nu al dat er niets te doen is en nooit te doen is geweest. Maar je wil het niet weten, dus blijf je maar doen alsof. Als een hond die voortdurend zijn staart najaagt. Als de zogenaamde bodhisattva die angstvallig binnen de grenzen van het Zuivere Land verblijft, het aardse afwijst en het heilige nastreeft; die maar blijft omarmen en verwerpen, beheerst door ideeën over zuiverheid en onzuiverheid.

Zo werkt het niet in onze chan-school. Doorzicht komt niet geleidelijk maar ineens. Mijn onderricht stelt niets voor. Het is een doekje voor het bloeden. Een fopspeen voor de zuigeling. Er is helemaal geen leer. Ik klets maar wat. Wie dit begrijpt is een ware nestvlieder en hoeft niet langer op zijn eieren te zitten.

Doorlopers, ga je nou niet op je borst lopen slaan omdat je je hebt laten inpalmen door een of andere oude meesteroplichter. Je welbespraaktheid bewijst niets, behalve dat de duivel in je is gevaren. Wie chan heeft, is het kwijt. Maar wie chan kwijt is, heeft het. Wie de weg kent, is hem kwijt. Maar wie de weg kwijt is, kent hem.

De ware Wegwerker maakt zich niet druk over de wereld, maar kijkt er dwars doorheen. Wie overal doorheen kijkt, heeft niets meer te doen. Niets aan te doen.

(a13,13d-e)

13. De Boeddha doorzien

Een monnik zei: Wat is het juiste doorzicht?

Meester Linji zei: Je hoeft alleen maar het aardse én het heilige binnen te gaan, het zuivere én het onzuivere, het land van de Boeddha, de toren van Maitreya, het dharmarijk van Vairocana en alle landen waar dan ook, die ontstaan, bestaan, vergaan en verdwijnen. Kan niet missen.

De Boeddha verscheen in de wereld, gaf een slinger aan het dharmawiel en ging nirvana binnen. Toch heeft hij geen spoor nagelaten. Niet van zijn geboorte en niet van zijn dood. Al zoek je tot je erbij neervalt. Nadat je alle landen aan deze en gene zijde hebt doorkruist, kom je onvermijdelijk in het gat van de weetnietgeest terecht. Daar zie je dat alle dingen en leringen door en door leeg zijn. Onvindbaar.

Er is alleen de ledigganger die nergens op steunt, die hier nu naar mijn kletspraatje staat te luisteren – hijzelf is de moeder aller boeddha’s. Zo simpel is het: boeddha’s ontstaan uit ongeloof. Geloof niets, dit ook niet, en je hoeft geen boeddha meer te worden. Dat is het juiste doorzicht.

(a14,14a)

14. Het Mysterie

Meester Linji zei: Leerlingen zijn hopeloos. Omdat ze in namen en frasen zoals ‘aards’ en ‘heilig’ geloven, is hun dharma-oog blind en doorzien ze niets. Neem nou de Twaalf Afdelingen van het Onderricht – wat een flauwekul.
Maar leerlingen geloven erin. Ze vormen meningen en worden ervan afhankelijk. Ze geloven in de dingen die ze zien, in oorzaak en gevolg, in geboorte en dood, in mensen en goden, in samsara en nirwana. Zo blijven ze een speelbal van hun gedachten.

Wil je vrij zijn om je aan en uit te kleden, om te gaan en te staan, om te leven en te sterven? Erken dan nu de nitwit die hier naar mijn kletspraatje staat te luisteren. Die geen vorm heeft en geen leegte, geen wortels en geen bladeren, geen bron en geen monding, geen weg en geen verblijfplaats. Hij valt, maar nooit te pletter. Hij stinkt, maar nergens in. Hij spoort, maar laat geen sporen na. Jaag hem na en je jaagt hem weg. Vind hem door hem niet te zoeken. Ken hem door hem niet te kennen. Wees hem door hem niet te zijn.

(a14,14b)

15. Gedachtevlucht

Meester Linji zei: Wegdromers, vertrouw je niet toe aan je lichaam. Vroeger of later vergaat het. Welke van de tienduizend dingen zou meer dan kortstondige verlossing kunnen brengen? Je propt je vol met eten en besteedt je kostbare tijd aan het oplappen van je gewaden. Zoek liever een lege leraar.

Gemak is maar gemak. De tijd vliegt en je gedachten vliegen mee. Stoffelijk besta je slechts uit aarde, water, vuur en lucht; geestelijk ben je onderhevig aan geboorte, bestaan, vergankelijkheid en dood. Zoek liever een lege leer.

Wegdromers, zie in dat de vier elementen en de vier fasen leeg zijn en wees niet langer een speelbal van je gedachten.

(a14,14c)

16. Elementair

Een monnik zei: Wat betekent ‘de vier elementen zijn vormloos’?

Meester Linji zei: Eén moment van goedgelovigheid in een gedachte en je zit vast in de aarde. Eén moment van gehechtheid aan een gedachte en je verdrinkt in het water. Eén moment van boosheid om een gedachte en je verbrandt in het vuur. Eén moment van vreugde om een gedachte en je waait mee met de wind.

Heb je dit eenmaal door dan zul je nooit meer een speelbal van je gedachten zijn. Je zal vrijelijk van oost naar west springen, van zuid naar noord, van onder naar boven, van de rand naar het midden en vice versa. Je zal over het water lopen als op het land. Je zal door het land zwemmen als in water. Je zal vuur inademen als lucht. Je zal je aan de lucht warmen als aan vuur.

Geloof je dit? Dan zit je vast in de aarde. Dan verdrink je in het water. Dan verbrandt je in het vuur. Dan waai je mee met de wind. Waarom? Omdat de vier elementen illusies zijn, leeg als je dromen. Waterlopers, degene die hier nu naar mijn kletspraat staat te luisteren, bestaat net zomin uit elementen als de elementen. Hij speelt ermee als met zichzelf, of zij met hem. Heb je dit door dan zul je nooit meer een speelbal van je gedachten zijn.

Geloof je dit?

(a15,14d)

17. Heilloos

Meester Linji zei: Vanuit mijn vluchtpunt gezien is er niets om van te houden of te haten. Er is niets. Er is niets heiligs en niets aards. Wie het heilige aanbidt, aanbidt namen. Wie het aardse minacht, minacht namen. Wat is er heilig aan ‘heilig’? Wat is er aards aan ‘aards’? Niets.

De haren rijzen mij te berge wanneer ik bedenk hoeveel leerlingen Manjusri op de berg Wutai zoeken. Hoe diep kun je zinken. Er is geen Manjusri op de berg Wutai. Er is geen Manjusri op de berg Wutai, want er is geen Manjusri en er is geen berg Wutai.

Wil je Manjusri op de berg Wutai leren kennen? Degene die hier voor me staat te luisteren naar mijn kletspraat – dat is de levende Manjusri. Het licht dat iedere gedachte doorziet – dat is de levende Samantabhadra. De ene gedachte die je bevrijdt van alle andere – dat is de levende Avalokiteshvara. Ze zijn je meesters en dienaren tegelijk, één in drie en drie in één. Wie ook dít doorziet kan voor mijn part zoetra’s gaan lezen.

(a15,14d)

18. Beroepsgeheim

Meester Linji zei: Nestbevuilers, wees toch niet altijd zo goedgelovig. Zoek het niet buiten jezelf, want daar vind je alleen maar stof en as. ‘Er zijn boeddha’s, er zijn patriarchen’ – hoe bedenk je het. Daar prik je toch zo doorheen?

Met één woord kan ik jullie al aan het twijfelen brengen. Je beroept je op de hemel, je beroept je op de aarde, je beroept je op je medemonniken, je beroept je op de leer. Allemaal tevergeefs. De leer is geen beroep. Je nergens op beroepen, dat is de leer.

Nestbevuilers, verdoe je tijd niet met ijdele kletspraat over koningen en ballingen, goed en kwaad, recht en krom, vrouwen en geld.

(a16,15a)

19. Rimpelingen

Wie er ook naar me toekomt, boeddha, monnik of leek, ik doorzie hem meteen. Waar hij ook vandaan komt, waar hij ook meent te zijn, wat hij ook meent te zijn, wat hij ook zegt, het is allemaal quatsch. Natte dromen van een dorre geest.

Alleen wie geen speelbal meer is van zijn gedachten, belichaamt het mysterie. De ware boeddha zegt niet van zichzelf: ‘Ik ben een boeddha.’ Hij zegt niet van zichzelf: ‘Ik ben geen boeddha.’ De ware wegloper gelooft nergens in. Hij laat zich niet gek maken.

Als boeddha ben ik zuiver, als bodhisattva vol mededogen, als verlichte mysterieus, in nirwana sereen. Als mens ben ik onzuiver, als strijder zonder mededogen, als kind transparant, in samsara ontstemd. Afhankelijk van de omstandigheden ben ik nu eens deze, dan weer gene, nu eens dit, dan weer dat, nu eens zus, dan weer zo. Wat gaat mij dat aan?

Wat is de vorm van een wateroppervlak?
Wat is de weerspiegeling van de maan?

(a16,15a)

20. Tegenlicht

Meester Linji zei: Wegwuivers, als je volgens de leer wil leven, doe het dan ook helemaal. Wie een lege emmer wil wezen, moet tot de bodem gaan. Wie een lege emmer wil zijn, moet de bodem eruit slaan. Geen half werk. Geloof niets of niemand. Doe eens gek; giet je emmer leeg en alles valt vanzelf op zijn plek.

Wie er ook aan het woord is, lekker laten leuteren. Zonder uitzondering, ook niet voor mij. Zodra je iets gelooft, slaat je geest op hol en is er geen houden meer aan. Zelfs een bodhisattva is hier niet immuun voor. Wie gelooft, is gezien. Geloof je gedachten niet, deze ook niet, en zoek het niet buiten jezelf. Hou alles tegen het licht en je zal het direct doorzien. Meer valt er niet te zien.

Zodra de geringste gedachte in je geest postvat, ontstaan hemel en aarde, de tienduizend dingen, oorzaak en gevolg, dood en wedergeboorte. Wat heb je eraan. Laat toch gaan, en alles gaat vanzelf. Vanzelf ga je het zuivere binnen, vanzelf het onzuivere, vanzelf de Toren van Maitreya, vanzelf het Land van de Drie Ogen. Vanzelf zie je alles, vanzelf doorzie je alles, vanzelf zie je overal alleen nog maar lege namen.

(16,15b)

21. Staar

Een monnik zei: Wat is ‘het Land van de Drie Ogen’?

Meester Linji zei: Als wij het land van het mysterie binnengaan, dragen we het kleed van niet-weten en prediken als de dharmakaya boeddha. Als we het land van non-dualiteit binnengaan, dragen we het kleed van on-verschilligheid en prediken we als de sabhogakaya boeddha. Als we het land van de verlossing binnengaan, dragen we het kleed van on-schuld en prediken als de nirmakayaboeddha. En als we geen kleed dragen?

Volgens de meesteroplichters van de soetra’s en de sastra’s moeten we de dharmakaya beschouwen als substantieel en de sabhogakaya en de nirmakaya als functioneel. Maar

De drie lichamen zijn afhankelijk van woorden.
De drie landen zijn afhankelijk van de drie lichamen.

In wezen zijn de landen van de drie ogen zonder wezen. Ze zijn leeg. Zo leeg als de drie lichamen. Zo leeg als de drie ogen. Zo leeg als de leegte. Zo leeg als de leegte van de leegte.

Wat mij betreft kunnen jullie het allemaal vergeten. Er kan geen twijfel over bestaan dat de dharma-ogen en de dharmalichamen en de dharmalanden verzinsels zijn. Gimmicks voor goochelaars. Doornen voor rozen. Verhaaltjes voor het slapen gaan. Wat voor soep denken jullie nog uit die leeggezogen mergpijpen te kunnen trekken?

Buiten de geest om is er geen leer. Erbinnen valt niets te winnen. Wat nu?

(a17,15c)

22. Dharmakarma

Meester Linji zei: Tegenwoordig denkt iedereen dat er iets te beoefenen valt. Nou en of: oefeningen. Maar waarvoor? Je roept: ‘De zes perfecties en de tienduizend deugden dienen onophoudelijk gepraktiseerd te worden.’ O ja? Dacht je dat er wat te halen viel? Nou en of: karma. Dat is wat er te halen valt. Oefening baart karma. Karma baart oefening. Zo blijf je aan de gang.

Zoek de boeddha en betaal de prijs. Zoek de dharma en betaal de prijs. Zoek de boeddha en de dharma en bezoek de hel. Lees de soetra’s en betaal de prijs. Bestudeer de leer en betaal de prijs. Zoek en lees en leer tot het ettert als een zweer.

Wat is het dat de boeddha’s en de patriarchen onderscheidt? Ze hebben niets meer te doen. Ze hebben niets meer te laten. Ze zijn van god los en van onthechting onthecht. Ze kennen geen boeddha, ze lusten geen dharma en ze verzamelen geen karma. De hemel kan ze gestolen worden en zo mijden ze de hel. Ze mijden de hel niet en vinden zo hun weg.

(a17,16b)

23. Stille hoop

Meester Linji zei: Je hebt van die kaalkoppen die voortdurend proberen hun buik vol te houden en hun hoofd leeg. Ravitailleren en mediteren. Ze proberen hun gedachten de kop in te drukken of bij de wortel af te snijden. Ze haten herrie en zoeken steeds de stilte op. Hoe stom kun je zijn? Een patriarch zei het al:

De geest stilzetten om de stilte te aanschouwen,
de geest opwekken om de buitenwereld te verlichten,
de geest beheersen om de binnenwereld te klaren,
de geest concentreren om samadhi in te gaan –
Allemaal illusie

Wat valt er te blussen aan bluswater? Wat valt er te verlichten aan het licht dat alles doorziet? Wat valt eraan te verhelderen? Wat valt eraan te beheersen? Wat valt eraan te concentreren? De nitwit die hier en nu naar mijn kletspraat staat te luisteren, die maak je niets wijs. Daar is hij veel te stom voor. Wou je het toch eens proberen? Nitwit!

(a17,16b)

24. Vallende sterren

Meester Linji zei: Blindgangers, jullie trekken de dode woorden uit de dode monden van de oude meesteroplichters en zien ze aan voor de weg zelf. Je denkt: ‘Deze wijze heren zijn niet te vreten, hoe zou ik mij met hen kunnen meten?’

Je hele leven hou je vast aan dit soort vooroordelen. Trillend van ontzag kus je hun voeten en lik je hun hielen. Je houdt angstvallig je stomme kop, en als je je mond toch een keer voelt opengaan, smoor je hem subiet in zo’n boeddhistische ster uit het bruine verleden. Alles liever dan onjuist spreken. Hoe zit het met onjuist zwijgen?

Blindgangers, alleen die schijt hebben aan de boeddha’s zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan de patriarchen zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan goed en fout zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan het onderricht van de tripitaka zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan de vromen en de braven en de ijverigen zijn boeddha’s. Alleen die schijt hebben aan de schijthebbers zijn boeddha’s; alleen die niets geloven en zich door niemand gek laten maken.

Als ik terugblik op mijn laatste twaalf jaar, op zoek naar iets dat mijn karma vergroot zou hebben of zelf maar als karma aangemerkt zou kunnen worden, dan kan ik niets vinden. Geen sikkepit. Toch heb ik nooit een blad voor de mond genomen. Vergelijk dat maar eens met zo’n chan-kwezel die knikkend en buigend en trillend als een rietje door het leven gaat opdat ze hem zijn tempeltje en zijn naampje en zijn natje en zijn droogje niet zullen afnemen.

In het verleden heeft nooit enige baanbrekende boeddha de instemming of steun van zijn tijdgenoten gekregen. Niemand die hem serieus nam. Niemand die het voor hem opnam. Eerst nadat hij verdreven of overleden was, kon men de boeddha in hem zien, zo fel straalde het licht van zijn doorzicht. Het kon hem allemaal niets schelen. Wat moest hij met erkenning? Wat heeft een wolf te vrezen van schapen?

(a17,16c)

25. Het duistere licht

Doelzoekers, overal hoor je mensen zeggen dat er een weg te gaan is, een leer om te leren. Zeg eens, welke leer wil je leren, welke weg wil je gaan? Je zoekt een doel voor je zoektocht. Wat ontbreekt je op dit moment? Wat moet er zo nodig opgelapt worden?

De jonge, onrijpe monnik die dit niet horen wil, jaagt liever spoken na. Het is nog besmettelijk ook. Hoor ze toch eens babbelen: ‘Slechts door principe en praktijk te integreren en voortdurend beducht te zijn voor de drie karma’s, kan de boeddhanatuur worden gerealiseerd.’ Dat geloof je toch niet? Wat een kapsones.

Een van onze illustere voorgangers heeft gezegd:

Kom je iemand tegen die de Weg kent,
spreek geen moment over de Weg.

Belangrijker nog:

Probeert iemand de Weg te gaan, dan is hij zeker versperd
en tienduizend gidsen kunnen hem niet gidsen
maar als het zwaard der wijsheid flitst is de weg vrij
en kan het duistere licht ongehinderd stralen.

Doelzoeker, je zoekt een doel voor je zoektocht. Je zoekt de stok in je hand. Jij die hier naar mijn kletspraat staan te luisteren, bent reeds het licht dat alles doorziet. Het ontbreekt je aan niets. Geloof niets en je zal in niets verschillen van de patriarch. Geloof iets en wezen en verschijningsvorm zullen uiteen splijten als hemel en aarde.

Geloof je dit?

Het is allemaal zo simpel. ‘De gewone geest is de Weg’. Jouw geest is geen andere dan de weetnietgeest. Waarin zou de ene weetnietgeest moeten verschillen van de andere? Ik zou het ook niet weten. Voor jullie staat de levende aartsvader. Voor mij staan de levende aartsvaders.

(a17,17a)

26. Papkindjes

Een monnik zei: Wat kunt u ons vertellen over de toestand waarin ‘geest en Geest niet verschillen’?

Meester Linji zei: Door die vraag te stellen, zadel je jezelf op met een geest en een Geest en allerlei nieuwe vragen. ‘Wat zijn de overeenkomsten tussen de geest en de Geest?’ ‘Wat zijn de verschillen tussen de geest en de Geest?’ ‘Wat zijn de verbanden tussen de geest en de Geest?’, ‘Hoe kom je van de geest tot de Geest?’ ‘Hoe voorkom je dat je terugvalt van de Geest in de geest?’

Broedgasten, opgelet. Alle dingen in deze wereld en in alle volgende zijn leeg. Het zijn windeieren. Zoek naar hun wezen en je vindt het niet. Zoek naar hun verschijningsvorm en je vindt hem niet. Zoek naar hun grenzen en je vindt ze niet. Het zijn alleen maar namen en die namen zijn op hun beurt leeg, en die leegte is op zijn beurt leeg. Leeg als de frase ‘Alle dingen in deze wereld en in alle volgende zijn leeg.’

Hoe is het toch mogelijk dat iemand zonder meer in loze namen gelooft. Hoe haal je het in je hoofd! Als er al iets bestaat, dan afhankelijk. Ik heb het niet alleen over de gewone dingen, maar net zo goed over ‘verlichting’, ‘nirvana’, ‘verlossing’, het ‘drievoudige lichaam’, ‘afhankelijk bestaan’, ‘object’ en ‘subject’, ‘wereld’ en ‘geest’, ‘bodhisattvaschap’ en ‘boeddhanatuur’. Wie zoekt er nou onafhankelijkheid in afhankelijkheden? De Boeddha is een fantoom. De patriarchen zijn dood. Zelfs de groeten kun je ze niet meer doen. De ‘Drie Voertuigen’ en de ‘Twaalf Afdelingen van het Onderricht’ – je kan er niet eens je reet mee afvegen.

Zoek de Boeddha en je blijft geboeid. Zoek de patriarchen en je blijft gebonden. Bevrijding? Stelletje papkindjes. Zie je eerst maar eens van je moeder te ontdoen.

(a18,17b)

27. Al te menselijk

Meester Linji zei: Monniken, laat je niets op de mouw spelden door die kaalgeschoren schoolfrikken. Ze ululeren dat de Boeddha het ultieme is. Ze zaniken dat hij eerst na een aantal eeuwigheden van praktiseren tot rijpheid kwam. Als de Boeddha inderdaad het ultieme is, hoe kan het dan dat hij al na tachtig jaar op zijn zij ging liggen om zijn laatste adem uit te blazen? Waar is de ultieme nu?

Lichtgelovigen, zelfs de struisvogels onder ons kan het niet zijn ontgaan dat de Boeddha net zo sterfelijk was als u en ik. Zijn geboorte zal ook wel niet al te verheffend zijn geweest. Had hij daar nou al die eeuwigheden voor geoefend?

(a18,18a)

28. Beeldspraak

Meester Linji zei: Goeroelopers menen een boeddha te herkennen aan de tweeëndertig primaire en de tachtig secundaire kenmerken. Wie garandeert je dat alle boeddha’s al deze kenmerken hebben, of zelfs maar één ervan? Wie garandeert je dat niet-boeddha’s al deze kenmerken niet hebben? Zijn de kenmerken van een boeddha en de kenmerken van een niet-boeddha al niet even leeg als de boeddha en de niet-boeddha zelf?

De lichamelijke kenmerken van de Tathagata
maken het onvoorstelbare voorstelbaar
zodat we erover kunnen spreken.
Opdat we ze konden noemen, kregen ze namen.
Bij wijze van spreken, tweeëndertig stuks
en nogmaals tachtig, bij wijze van zwijgen.
Het sterfelijke lichaam is niet wat ontwaakt.
Vrij zijn van kenmerken is het ware kenmerk.

(a18,18a)

29. De kracht van het ongeloof

Meester Linji zei: Ik heb het vaak horen fluisteren: ‘Een boeddha heeft zes bovennatuurlijke krachten. Hoe wonderlijk!’

Wegdromers, maak jezelf niets wijs. Goden, duivels, engelen, feeën en tovenaars hebben allemaal bovennatuurlijke krachten. Zijn zij daarom boeddha’s? Toen Asura tegen Indra vocht, bracht hij zijn hele leger van vierentachtigduizend zielen in veiligheid in de haarwortel van een lotusplant. Maakt dat hem een wijze? Bovennatuurlijke krachten zijn al net zo leeg als natuurlijke krachten. Om over bovennatuurlijk krachtpatsers nog maar te zwijgen.

Dit zijn niet de zes bovennatuurlijke krachten van een boeddha, die beelden ziet maar zich er niet door laat beetnemen, die klanken hoort maar zich er niet door laat beetnemen, die geuren ruikt maar zich er niet door laat beetnemen, die smaken proeft maar zich er niet door laat beetnemen, die dingen voelt maar zich er niet door laat beetnemen, die gedachten denkt maar zich er niet door laat beetnemen, ook niet door deze. Waarom niet?

Wie beseft dat deze zes – kleur, klank, geur, smaak, gevoel en gedachte – allemaal even leeg zijn, blijft er steeds vrij van. Hoewel hij ervan doordrenkt is, verdrinkt hij er niet in. Hij zou niet kunnen. Voor hem zijn ze als een pierenbadje: ze hebben hun diepte verloren. Meer heeft zijn ‘bovennatuurlijke kracht’ niet om het lijf.

(a18,18b)

30. Schijngestalten

Meester Linji zei: Spoorzoekers, de ware mens heeft geen gestalte, de ware leer geen inhoud. Wat jullie ook bedenken aan theorieën, rijtjes, modellen of beelden, het zijn allemaal voorstellingen van de geest. Voorstellingen van voorstellingen. Voorstellingen van voorstellingen van voorstellingen.
Speculaties over speculaties over speculaties. Wie klei pakt zal zijn eigen handafdruk vinden.

Een ware boeddha wil niets te maken hebben met boeddha’s. Hij wil niets te maken hebben met bodhisattva’s. Hij wil niets te maken hebben met arhats. Hij maakt zich niet sappel om de geneugten van deze wereld of van welke wereld ook. Mochten hemel en aarde van plaats verwisselen, hij zou er geen traan om laten. Mochten de boeddha’s uit alle tien richtingen aan hem verschijnen, hij zou zich er geen moment over verheugen. Mocht de grond onder hem openscheuren en de hel der hellen op hem afsnellen, hij zou niet eens met zijn ogen knipperen. Hoe dat kan?

Doordat het alleen maar namen zijn. Waar je ook zoekt, vinden zul je ze niet. De drie rijken bestaan alleen maar in je geest. De tienduizend dingen bestaan alleen maar in je geest. De ware boeddha bestaat alleen maar in je geest. De geest zelf bestaat alleen maar in je geest. Ook deze woorden zijn er zo geweest.

Hoe wou je ze plukken
IJsbloemen op het raam

(a18,18c)

31. Geen weg te gaan

Meester Linji zei: Ware wegwerkers wandelen door de drie hellen als door een park. Ze kunnen in het hellevuur niet verbranden, ze kunnen in de hellepoel niet verdrinken, ze kunnen het jachtgebied van de hongerige beesten binnengaan zonder opgevreten te worden. Hoe dat kan?

Doordat het hellevuur en de hellepoel en de hongerige beesten alleen maar in je geest bestaan. Wat valt er te vrezen voor wie zijn gedachten doorziet?

Als je het heilige liefhebt en het aardse haat
zul je wegzinken in de zee van geboorte en dood.
Begeerte is een functie van de geest.
Waaraan zou een lege geest zich moeten hechten?
Wie niet in hokjes denkt en niets weet vast te houden
heeft geen bestemming en geen weg te gaan.

Wegwerkers, zolang je tot inzicht probeert te komen, zul je een speelbal van je gedachten blijven. Hou toch op! Zolang je van de ene leraar naar de andere blijft rennen, zul je een speelbal van je gedachten blijven. Schei toch uit! Ga rustig op je kussentje zitten en trek je nergens iets van aan. Als ze willen weten wat je zit te doen, dan zeg je maar wat. ‘Mediteren’ of zo. Altijd goed.

(a18,18c)

32. Korte metten

Meester Linji zei: Leerlingen komen van heinde en verre. Nadat ze elkaar hebben begroet, zal de leerling de meester testen met een woord of frase. ‘Eens kijken wat hij hiervan bakt’, denkt hij bij zichzelf. Als de meester het doorziet, maakt hij er korte metten mee. Dan zal de leerling tot rust komen en de meester vragen iets te zeggen. Ook daarmee maakt de meester korte metten. Waarop de leerling concludeert: ‘Welk een superieure wijsheid. Wat een geweldige leraar zeg!’ Ook daarmee maakt de meester korte metten. Wie kent het verschil tussen goed en slecht?

Of een meester pakt het een of ander en haalt er iets mee uit. De leerling, die hem doorziet, pareert hem meesterlijk. Nu ontbloot de meester zijn bovenlijf, waarop de leerling een kreet slaakt. Vervolgens probeert de meester hem gek te maken met de ene onderscheiding na de andere, waarop de leerling zegt: ‘Wie kent het verschil tussen goed en slecht?’ De meester slaakt een zucht en zegt opgelucht: ‘Eindelijk een echte thuisverlater.’

(a18,19a-b)

33. Die de minste tanden hebben kauwen het meest

Meester Linji zei: Wegrenners, heel wat leraren maken er een potje van. Vraagt een leerling iets over verlichting, nirwana, de trikaya, object en subject, stof en geest, dan verliest zo’n weetal zich in ellenlange uiteenzettingen. Als de leerling hem aan de kaak stelt, zegt hij: ‘Brutale vlerk, hoe durf je!’ pakt zijn stok en slaat erop los.

Er zijn nou eenmaal van die sullen die hun kop niet van hun kont weten, die de ene dag naar het oosten wijzen, de andere naar het westen; die van lekker weer houden of van vies; die de tempel vereren en de beelden aanzien voor de Boeddha. Wat een ezels. Ze laten zich bewieroken en groeien bijkans scheef van alle schouderklopjes die ze hun leerlingen ontlokken. Echte wegrenners halen hun schouders op en maken dat ze wegkomen.

(a18,19c-d)

34. Dood de Boeddha

Meester Linji zei: Wie zijn thuis verlaat, moet de weg bestuderen. Ikzelf was destijds geïnteresseerd in de vinaya en las ijverig de soetra’s en de sastra’s. Tot ik besefte dat het alleen maar theorieën, interpretaties en meningen waren. Zoete koekjes om de bittere pil van het leven te vergulden.

Op een dag heb ik ze allemaal weggemieterd en ben ik gaan mediteren. Daarna had ik het geluk tegen meester Huangbo aan te lopen. Ik begon de oude meesters te begrijpen, de ware van de valse te onderscheiden, en uiteindelijk doorzag ik alles en iedereen. Het is me niet aan komen waaien, maar na een uitputtende studie en keihard oefenen, ging me eindelijk een lichtje op.

Thuisverlaters, als je de dharma wil doorzien, laat je dan niet misleiden. Geloof niemand. Of je nou naar buiten kijkt of naar binnen – wat je maar tegenkomt, dood het. Kom je de Boeddha tegen, dood de Boeddha. Kom je een patriarch tegen, dood de patriarch. Kom je een arhat tegen, dood de arhat. Kom je je ouders tegen, dood je ouders. Kom je je familie tegen, dood je familie. Alleen als er niemand over je schouders meekijkt, zul je de zaken helder zien. Alleen door je van alles en iedereen onafhankelijk te maken, kun je bevrijding vinden.

(a18,20)

35. Smoeshanen

Meester Linji zei: Het spijt me te moeten zeggen dat geen van de telgangers die mij de afgelopen jaren uit alle hoeken van het land heeft bezocht, ook maar enigszins onafhankelijk was. Dan ben ik meedogenloos. Draag je het in je handen, ik sla het eruit. Komt het uit je mond, ik sla hem dicht. Straalt het uit je ogen, ik sla ze dicht. Helaas heb ik nog steeds niemand gezien die op eigen benen kon staan. Iedereen loopt nietsvermoedend in de valkuilen van de oude meesteroplichters.

Wat mezelf betreft, ik heb geen leer om weg te geven. Ik ontwar alleen verwikkelingen. Ik hak alleen maar knopen door. Meelopers die van heinde en verre komen – ik daag jullie uit. Wees nergens van afhankelijk! Meer heb ik niet te melden.

Niet te geloven zeg. In al die vijf, nee tien jaar heb ik niet één onafhankelijke geest gezien. Niet één! Alleen maar angsthazen die zich verstoppen in holen en gaten. Schrikdiertjes die het al uitschreeuwen als je alleen maar naar ze kijkt. Warhoofden die met hun eeuwige gewauwel de wijde wereld willen bezweren. Aalmoezende smoeshanen die eindeloos in cirkeltjes draaien en zich na iedere rondgang harder op de borst slaan: ‘Kijk mij eens! Wat ben ik al ver!’

(a18,20)

36. Laat toch gaan

Meester Linji zei: Goudzoekers, er is geen boeddha en er is geen dharma. Er valt niets in te zien en niets te oefenen. Er is niemand om te verlichten en niets om bij te lichten. Stelletje speleologen! Hoeveel dieper wou je nog gaan? Wat kom je boven tekort?

Neem van mij aan: jullie verschillen in geen enkel opzicht van de patriarchen. Alleen denk je van wel, en daarom blijf je maar op jacht. Laat je niet bedriegen. Er is daarbuiten geen leer en vanbinnen valt ook niets te halen. Nergens valt iets te halen. Bij mij ook niet. Dit ook niet.

Je trekt de woorden uit mijn mond, maar je kan er niks mee beginnen. Misschien kun je er iets mee eindigen? Laat toch gaan. Neem er je gemak van. Hou niet vast aan de gedachten die al in je opgekomen zijn en probeer geen nieuwe op te roepen. Dat is het hele eieren eten. Daar kan geen studie of bedevaart tegenop.

Geloof je dit?

(a18,21)

37. En dan?

‘Boeddha’ en ‘patriarch’ zijn lijmstokken. Vastpakken lukt nog wel, maar loslaten? Wat mij betreft valt er niets te doen dan gewóón te doen. Aankleden, eten, een beetje schoffelen, hoe moeilijk kan het zijn. Maar nee hoor, dat praktiseert maar en dat prakkiseert maar, altijd op jacht naar de Boeddha, eeuwig in de weer met de dharma, altijd uit op bevrijding, eeuwig op zoek naar een uitweg uit deze wereld. Uilskuikens! Waar wou je heen als je deze wereld eenmaal verlaten hebt?

Wegsluipers, de wereld waaruit je wil ontsnappen is de wereld waarnaar je zal ontsnappen. Het licht dat alles doorziet, schijnt overal. Het doorziet de vorm, het doorziet de leegte.
Het doorziet samsara, het doorziet nirwana. Het doorziet gehechtheid, het doorziet onthechting. Het doorziet je lichaam, het doorziet je geest. Het doorziet jou, het doorziet mij. Het doorziet onwetendheid, het doorziet wijsheid. Het doorziet de duisternis, het doorziet het licht, het doorziet zelfs het licht dat alles doorziet. Wat blijft er dan nog over?

(a18,21)

38. Ontworteld

Meester Linji zei: Boomklevers, de plaats waar je geest rusteloos ronddoolt wordt de boom der onwetendheid genoemd. De boom der onwetendheid is zo groot als je gedachten. Onwetendheid kent geen grenzen. Wie de ene gedachte aan de andere rijgt, raakt er steeds verder in verstrikt. Hij gelooft in geboorte en dood, hij gelooft in ongeborenheid en onsterfelijkheid.
Hij meent een vacht op zijn lichaam te dragen en hoorns op zijn kop. Hij meent dat de geest in het lichaam verschijnt, hij meent dat het lichaam in de geest verschijnt. Hij gelooft dit, hij gelooft dat, hij gelooft altijd wat, en bovenal, hij méént het.

De plaats waar je geest tot rust komt, wordt de boom der verlichting genoemd. Maar alleen door boomklevers. Wanneer je geen gedachten koestert, woon je nergens. Je bent niet hier of daar, je bent niet dit of dat, je bent niet zus of zo. Je bent geen lichaam, je bent geen geest, je bent niet ziek, je bent niet gezond, je bent niet onwetend, je bent niet wijs. De plaats waar je geest tot rust komt is geen plaats, het is niet de geest die tot rust komt, het is niet de jouwe, er is geen geest en er is geen rust.

Verlichting is leeg, en nergens te verkrijgen.

(a18;22b)

39. Doorzien, niet inzien

Meester Linji zei: Zwabbergasten, de milt, de maag, de lever, de galblaas, het haar en de nagels, ja, het hele lichaam, is al net zo vergankelijk als alle andere dingen die zijn opgebouwd uit de vier elementen. Wat eens te meer bewijst hoe leeg ze zijn. Zo leeg als de Boeddha. Zo leeg als de leer. Zo leeg als de leegte. Zo leeg als mijn woorden. Zo leeg als jullie onvolprezen meester Linji.

Zien, niet geloven; meer heeft het ‘mysterieuze principe’ niet om het lijf. Nemen, niet noemen. Doorzien, niet inzien. Kijken, niet aankomen. Gorgelen, niet doorslikken. Meegaan, niet voorgaan. Ondergaan, niet nagaan.

Mijn geest resoneert met de tienduizend dingen
en deze resonantie is mysterieus en onbegrijpelijk.
Dit onderkennend terwijl ik meedrijf met de stroom
zal ik ondergaan wat ik niet ken.

(a18;22a,b)

40. Medisch Centrum Oost

Meester Linji zei: Omlopers, wanneer een chanmeester en -leerling elkaar aan de tand voelen, gebeurt dat volgens bepaalde patronen. Ze praten of ze doen iets of ze demonstreren iets of ze spelen toneel. Ze brullen als leeuwen of ze trompetteren als olifanten. Wat is hier aan de hand?

Soms slaakt een leerling een kreet en verleidt de meester die het niet zo door heeft met een of ander object tot ingewikkelde rituele handelingen. De leerling slaakt nog maar eens een kreet, maar de meester houdt voet bij stuk en verliest zich in verklaringen en instructies. Hij is ongeneeslijk ziek. Hier onderzoekt de patiënt de dokter.

Soms neemt de meester een afwachtende houding aan tot een leerling een vraag stelt, waarna de meester hem ermee om de oren slaat. De leerling houdt voet bij stuk en kan niet loslaten. Hier onderzoekt de dokter de patiënt.

Soms valt er voor de meester niets meer te doen. Hij erkent dit en laat het erbij. De leerling roept verheugd: ‘Wat een uitnemende leraar!’ De meester antwoordt: ‘Wie kent het verschil tussen goed en slecht?’ waarop de leerling voor hem buigt. Hier onderzoekt de dokter de dokter.

Soms verschijnt een leerling voor een meester met zijn hoofd in een strop en zijn handen gebonden. De meester bindt hem verder vast en zichzelf erbij, en beiden vermeien zich in hun wijsheid. Hier onderzoekt de patiënt de patiënt.

Omlopers, ik geef deze voorbeelden opdat je de bluffers en de knoeiers kan herkennen en zoveel mogelijk op het rechte pad zal blijven.

(a18;23-25)

41. Clair-obscur

Meester Linji zei: Leerlooiers, het is moeilijk om bij de les te blijven en de dharma is leeg en ondoorgrondelijk – maar niet ondoordringbaar. Ik doe iedere dag mijn uiterste best om het uit te leggen, maar niemand luistert. Oost-Indisch doof voor wat geen oor kan horen. Toch zit je er tot over je oren in.

Wat is het dat geen oog kan zien? Wat werpt licht op iedere zaak, maar schaduw op geen enkele? Wat stelt alles in de schaduw?

Omdat je zo lichtgelovig bent, zoek je houvast in woorden en beelden. Op die manier zul je eerder de dood vinden dan de Boeddha. Hoeveel doodlopende wegen wou je nog afstruinen? Leerlooier, hoeveel zolen ga je nog verslijten op deze heilloze weg?

(a18,26)

42. Een mens zonder weg

Meester Linji zei: Wegdansers, als ik beweer dat er daarbuiten niets te vinden is, trekken jullie gelijk weer de conclusie dat je het in jezelf moet zoeken. Dan ga je in een donkere grot met je benen over elkaar zitten, met het puntje van je tong tegen je verhemelte, onbeweeglijk en onnatuurlijk stil, en waant je algauw een boeddha of een patriarch. Sufferd! Je spant het paard achter de wagen.

Wie stilte en onbeweeglijkheid aanziet voor de weg, loopt aan de leiband van de dood.

Jezelf verliezen in een donkere grot,
wat een afschrikwekkend lot.

Wie het daarentegen in beweeglijkheid zoekt, is geen haar beter dan zijn haar, dat met alle winden meewaait. Beweging duidt op het element lucht. Onbeweeglijkheid duidt op het element aarde. Wat zowel beweegt als stilstaat kan geen eigen wezen hebben. Zoek je het in onbeweeglijkheid dan zal het van je wegdansen. Zoek je het in beweging dan dans je ervan weg.

Vis in het water,
wie beroert wie?

Wegdansers, beweging en onbeweeglijkheid zijn maar namen. Een mens zonder weg bedient zich vrijelijk van beide. Hij hangt zich nergens aan op.

(a18,27)

43. Buiten mededinging

Meester Linji zei: De leerlingen, die van heinde en verre naar mij toe komen, vallen qua aanleg in drie categorieën. De eenvoudige leerling ontneem ik zijn zekerheden maar niet zijn leer. De matige leerling ontneem ik zowel zijn zekerheden als zijn leer. De goede leerling ontneem ik noch zijn zekerheden noch zijn leer.

De allerbeste leerling plaats ik niet in een categorie en benader ik niet op een vooropgezette wijze. Zo iemand, waarde wegwezers, is sneller dan de wind en lichter dan een veertje.

De gemiddelde leerling hoeft maar met zijn lichaamsogen te knipperen of hij is al gezien. Hij hoeft maar met zijn geestesoog te knipperen of hij ziet al dubbel. Er hoeft maar een gedachte langs te komen of hij fladdert er als een koolwitje achteraan. Soort zoekt soort. Maar de mens zonder categorie ziet het met zijn ogen dicht; hij doorziet het duister én het licht.

(a18,28)

44. Gebakken licht

Meester Linji zei: Leeglopers, jullie zeulen maar rond met je ransel en je strontzak, onvermoeibaar op zoek naar de Boeddha en de dharma. Wie is het die zich een slag in de rondte zoekt? Hij is wakker en dartel en heeft geen wortels. Hij laat zich niet vangen, hij laat zich niet wegjagen. Hij staat altijd achter je. Zolang je je neus achterna rent, zul je hem over het hoofd zien. Zodra je je omdraait, komt hij tevoorschijn. Zijn onzichtbare licht zal zich op je netvlies branden. Zijn onhoorbare stilte zal weergalmen in je oren. Wie dit niet gelooft, moet zijn hele leven achter de feiten aanlopen. En wie het wel gelooft? Ai.

Leeglopers, het stelt allemaal niets voor. In een poep en een scheet dring je de Lotuswereld binnen, het Zuivere Land, het Land van Vairocana, het Land van de Verlossing, het Land van de Bovennatuurlijke Krachten, het Rijk van de Dharma. In een vloek en een zucht ga je het bevlekte en het onbevlekte binnen, het wereldse en het heilige, het rijk van de hongerige geesten en het rijk van de wilde beesten. Wat blijkt? Het zijn allemaal maar namen.

Spiegelbeelden, luchtkastelen: Ga er niet in wonen.
Goed en kwaad, winst en verlies: Boek ze af, voorgoed.

(a18,28)

45. Erfzonde

Meester Linji zei: Kettinggangers, mijn leer is tot mij gekomen in een ononderbroken lijn van meester op meester, van Mayu via Danxia, Daoyi, en Lushan op Shigong, en heeft zich over de hele wereld verspreid. Toch waagt niemand zich eraan. Integendeel, iedereen loopt er met een grote boog omheen. Zal deze pijl ooit doel treffen?

Eerwaarde Daoyi’s onderricht was simpel en zuiver, maar niet één van zijn drie- tot vijfhonderd studenten kon erbij.
Eerwaarde Lushan was vrij en echt, maar of hij nou meegaf of tegensprak, zijn daden schenen ondoorgrondelijk en zijn leerlingen stonden perplex.
Eerwaarde Danxia goochelde met zijn parel, verborg hem en toverde hem weer tevoorschijn, maar zijn leerlingen hadden er lak aan.
Eerwaarde Shigong sondeerde zijn leerlingen met een lijkenprikker, maar niemand ging over tot ontbinding.
Wat betreft eerwaarde Mayu ten slotte: zijn onderricht was bitter als bier, en niemand leerde hem drinken.

(a18,29a)

46. Uitgehold

Meester Linji zei: Wat mij betreft; ik maak en ik breek, ik doe en ik laat, ik spreek en ik zwijg en ik mijd de wereld niet. Ik ben alles kwijt, toch zoek ik niets. Het zijn de feiten die achter mij aanhollen, en ook gedachten hebben geen vat op mij.

Wanneer iemand mij zoekt, houd ik niets achter. Toch ziet hij mij over het hoofd. Dan trek ik mijn gewaad aan en ineens ziet hij een meester. Spontaan begint hij te babbelen, te grabbelen en te sabbelen. Die kleurenblinde kaalkop betast mijn gewaad en verklaart het geel of rood of blauw of wit! En als ik het dan afwerp en mij weer in adamskostuum vertoon, raakt hij totaal van slag. ‘U bent helemaal naakt!’ roept hij uit.
‘Jawel. Herken je me nu?’

(18,29b)

47. Uit de kast

Zaklopers, staar je niet blind op gewaden. Kleren maken geen man. De pij van zuiverheid niet, de pij van geboorteloosheid niet, de pij van verlichting niet, de pij van nirvana niet, de pij van de patriarch niet en de pij van de Boeddha niet. Het is allemaal camouflage. Uiterlijk vertoon om een innerlijk gewoon te verhullen.

Kijk, daar ga je weer. Je spant je middenrif aan, flappert met je tong, klappert met je tanden en hup daar sproeien samen met je zure speeksel je weeë woorden de weerloze wereld weer in. Maar hoe vaardig je ook flappert en klappert, het blijft gebakken lucht.

Gedachten zijn losse flodders, woorden gewaden die wapperen in de wind. Kleren schaken de man. Zolang je de verpakking aanziet voor de inhoud zul je ook na ontelbare eeuwigheden niet meer zijn dan een kleerhanger voor een grauwe pij. Zelf sta ik liever in mijn hemd. Wat jij?

Erken hem, maar ken hem niet.
Spreek met hem, maar niet zijn naam.

(a18,29c)

48. Vliegen op een koeienvlaai

Meester Linji zei: Leerlingen van tegenwoordig lopen vast omdat ze heilig in namen geloven. Ze kalligraferen de woorden van een of andere opperdooie in een mooi cahier, winden er doekjes om en houden het voor iedereen verborgen. ‘Dit is het Mysterieuze Principe’, fluisteren ze, en bewaken het met hun leven. Aaseters! Welk merg denk je nog uit die afgekloven beenderen te kunnen zuigen?

Dan heb je van die hansworsten die nog geen recept van een gerecht kunnen onderscheiden, maar ondertussen wel menen de geschriften te doorzien. Ze gissen erop los en baren ellenlange exegesen. Ze zijn als boeren die een potje scrabble spelen. Mollen die dromen dat ze vliegen. Vliegen op een koeienvlaai. Thuisverlaters vergroeid met hun schrijftafel. En als je ook maar even doorvraagt, staan ze met hun mond vol tanden. Hè hè, eindelijk rust. Dat soort types zou Maitreya nog niet herkennen als hij voor hen stond.

(a18,30)

49. Steunzolen voor moederzielen

Meester Linji zei: Jacobsgangers, wat zoeken jullie toch? Je zal nog platvoeten krijgen! Er is geen boeddha te vinden, geen weg te gaan, geen inzicht te bereiken.

Wie buiten zich een boeddha vindt
zal nimmer op hem lijken
maar wie zijn eigen weetnietgeest ontdekt
heeft niets meer te bereiken.

De ware boeddha heeft geen vorm, de ware weg heeft geen richting, de ware leer heeft geen inhoud. Ze zijn niet waar of onwaar. Daarom verschillen ze niet van elkaar. Zolang je ze zoekt, zul je ze niet vinden. Zolang je ze niet vindt, zul je jezelf kwijt zijn en eronder lijden. En als je ze onverhoopt toch mocht vinden? Dan ben je er eindelijk van verlost.

(a18,31a)

50. Eén ei is geen ei

Een monnik zei: Wat is ‘de ware boeddha, de ware dharma en de ware weg’?

Meester Linji zei: Boeddha is de zuivere geest, dharma is de uitstraling van de zuivere geest, de weg is het zuivere licht dat alles doorziet. Deze drie verschillen niet, want het zijn lege namen zonder realiteit. In ieder geval voor het zuivere licht dat alles doorziet.

Sinds Bodhidharma uit het westen kwam, zocht hij onophoudelijk naar iemand die op eigen benen kon staan. Iemand die niets of niemand geloofde. Een leeg mens onderweg naar nergens. Uiteindelijk ontmoette hij de tweede patriarch, die genoeg had aan één woord om in te zien dat al zijn streven zinloos was.

Wat mijn eigen doorzicht betreft, het verschilt in geen enkel opzicht van dat van de boeddha’s. Wie genoeg heeft aan één woord, wordt meester van de patriarchen. Wie genoeg heeft aan twee woorden wordt meester van zijn medemens. De rest kan niet eens zichzelf verlossen.

(a19,31b)

51. Van de letter naar de geest

Meester Linji zei: Wegpoetsers, wat sta ik hier toch
te beppen? Laat ik het maar toegeven: ik heb niets te zeggen. Trek je van mij niets aan. Doe wat je niet laten kan of omgekeerd, afijn, zie maar.

Mensen uit alle windstreken zijn het er tegenwoordig over eens dat de dharma in hoofdzaak bestaat uit de zes perfecties en de tienduizend oefeningen. Niks daarvan. Perfecties en oefeningen zijn bijzaak. Glimmertjes om mensen uit hun tent te lokken. Sfeerkaarsjes om ze in de juiste stemming te brengen. Met de leer als zodanig hebben ze niets van doen.

Degenen die zich onberispelijk aan de regels en de geloften houden, zijn geen haar beter af dan degenen die ze aan hun laars lappen. Degenen die solitair op een bergtop leven, bij dageraad hun enige maaltijd nuttigen, onophoudelijk mediteren en de Boeddha zesmaal per dag de hoogste eer bewijzen – ze schieten er niets mee op. Zelfs degenen die alles weggeven: hoofd en ogen, merg en hersenen, staten en steden, vrouwen en kinderen, olifanten, paarden en de zeven kostbaarheden, vergroten alleen maar het lijden van lichaam en geest.

Wat blijft er dan over? Gewoon. Als je zo leeft, zal zelfs een bodhisattva die alle tien stadia heeft doorlopen geen spoor meer van je terugvinden. Men zal zeggen: ‘Alle goden vieren feest, de geesten van de aarde buigen diep en in alle tien richtingen is er geen boeddha die hem niet prijst.’ Waarom? Omdat de ware wegpoetser sporen volgt noch nalaat.

(a20,33)

52. Alles voor niets

Een monnik zei: ‘De Boeddha van het Doordringende Inzicht en de Opperste Wijsheid praktiseerde tien eeuwigheden zonder onderbreking. Nimmer vond hij de boeddhaweg, nimmer zag hij het Licht.’ Kunt u dat uitleggen?

Meester Linji zei: ‘Doordringend inzicht’ betekent dat je persoonlijk op ieder moment doordringt in de vormeloosheid en de wezenloosheid van de tienduizend dingen.

‘Opperste Wijsheid’ betekent niets of niemand geloven omdat de tienduizend dingen leeg zijn.

‘Boeddha’ staat voor de zuivere weetnietgeest die alles doorziet.

‘Tien eeuwigheden praktiseren’ verwijst naar het beoefenen van de tien perfecties.

Dat de Boeddha van het Doordringende Inzicht en de Opperste Wijsheid de boeddhaweg niet vond, komt doordat hij hem al ging. Dat hij geen boeddha werd, komt doordat hij het al was. Dat hij het al was betekent niets, want de Boeddha is al net zo leeg als de boeddhaweg. De Boeddha zijn is de Boeddha doorzien. Wat valt er te bereiken?

Dat de Boeddha van het Doordringende Inzicht en de Opperste Wijsheid het licht niet zag, komt doordat de tienduizend dingen leeg zijn. Wat valt er te zien? Ook de leer is leeg. Wat valt er in te zien? Zelfs het licht dat alles doorziet is leeg. Het valt niet te zien.

De Boeddha is de Boeddha niet,
door niets wordt hij besmeurd.

(a21,34)

53. Fopspenen

Meester Linji zei: Koplopers, als je een boeddha wil worden, laat je dan niet meeslepen door de tienduizend problemen.

Als de geest in beweging komt, ontstaan er tienduizend dingen.
Als de geest tot rust komt, vergaan er tienduizend dingen.
Als de geest niet kijkt, zijn de tienduizend dingen onbezoedeld.

Noch in deze wereld, noch in de volgende, is er ook maar één boeddha of dharma te vinden. Nooit ontstaan ze en nooit gaan ze verloren. Ze bestaan uitsluitend in de vorm van woordjes en speeltjes om kleine kinderen te kalmeren; doekjes voor het bloeden, pleisters op de wonde. Hoe lang willen jullie nog kleine kinderen blijven? Zolang zullen jullie bloeden. Laat de Boeddha niet een van je tienduizend problemen zijn.

(a21,35)

54. Vijf Meesterlijke Misdaden

Meester Linji zei: Wegpiraten, verlossing kun je bereiken door de vijf meesterlijke misdaden te begaan.

Een monnik vroeg: Wat zijn de vijf meesterlijke misdaden?

De meester zei: De vader doden, de moeder ontmaskeren, het bloed van de boeddha vergieten, de vrede van de sangha verstoren en de heilige geschriften en beelden verbranden – dat zijn de vijf meesterlijke misdaden.

Een monnik vroeg: Waarvoor staat de vader?

De meester zei: Onwetendheid. Ontdekken dat je de plaats waar je gedachten ontstaan en vergaan niet kan vinden, net zomin als de plaats van een echo in een galmkelder, waardoor er niets valt te beheersen, heet ‘het doden van de vader’.

Een monnik vroeg: Waarvoor staat de moeder?

De meester zei: Begeerte. Ontdekken dat de dingen waarnaar je verlangt leeg zijn, evenals de begeerte zelf, waardoor er niets meer valt te weerstaan, heet ‘het ontmaskeren van de moeder’.

Een monnik vroeg: Waarvoor staat de boeddha?

De meester zei: Logica. Ontdekken dat je redeneringen gebaseerd zijn op lege woorden, waardoor er niets valt te verhelderen en overal inktzwarte duisternis heerst, heet ‘het bloed van de boeddha vergieten’.

Een monnik vroeg: Waarvoor staat de sangha?

De meester zei: Groepsvorming. Ontdekken dat de banden en verplichtingen tussen mensen al even leeg zijn als de mensen zelf, waardoor er niets valt te regelen of te onderhouden, heet ‘de vrede van de sangha verstoren’.

Een monnik vroeg: Waarvoor staan de heilige geschriften en beelden?

De meester zei: De werkelijkheid. Ontdekken dat alle zaken en oorzaken leeg zijn, dat de geest leeg is, dat de leer leeg is, dat de oefeningen leeg zijn en dat de weg leeg is, waardoor er niets valt te veranderen, te beheersen, te leren, te praktiseren of te gaan, heet ‘het doden van de heilige geschriften en beelden’.

(a22,36)

55. Bal masqué

Meester Linji zei: Dooddoeners, heb je eenmaal alles doorzien dan betekenen namen als ‘aards’ en ‘heilig’ niets meer.

Een gedachte in je geest
is slechts een lege hand
aanzien voor een volle –
een waan van het gezicht.

Toch noem je jezelf een aardworm en kijk je op tegen iedere zelfverklaarde wijze. Zeg nou zelf, dat slaat toch nergens op? Speel jij soms toneel? Ben jij een wolf in schaapskleren of een schaap in wolfskleren?

Jullie schijnen wel vastberaden, maar waartoe? Licht-gelovig als je bent, val je voortdurend voor de waardeloze woorden van de wijzen van weleer. Laat je niet misleiden. Zolang je nog steunt op yin en yang, zolang je je nog vastklampt aan illusies zul je achter de feiten aanhollen en een speelbal van je gedachten blijven.

Slaven van de weg, geloof niets van wat ik zeg! Waarom niet? Mijn lering heeft geen grond. Mijn beweringen zijn onbewijsbaar. Het zijn wolken die oplossen in de ochtendzon.

(a22,37)

56. Instinkers

Meester Linji zei: Meesterproevers, kijk niet op tegen de Boeddha. Wat mij betreft is hij niet meer dan een beerput in de grond. Het schijtgat in je kont. Zowel het bodhisattvaschap als het arhatschap zijn kluisters die je boeien. Vandaar dat Manjusri de Boeddha met zijn zwaard probeerde te doden. Vandaar dat Agulimala de Boeddha wilde afslachten met zijn dolk.

Meesterproevers, er is geen boeddha om te realiseren. Zelfs de doctrines van de Drie Voertuigen en de Vijf Naturen en de Volledige en Onmiddellijke Verlichting – het zijn maar leugentjes om bestwil. Legpuzzels om de tijd mee te verdrijven. Hebbedingetjes om je uit je tent te lokken. Dyslectica voor dyslectici. Weg ermee!

(a22,38)

Lees ook: Bodhisattvageloften voor iedereen en niemand.

57. Vergeet het maar

Meester Linji zei: Hoogvliegers, er zijn onder jullie heel wat kaalkoppen die een transcendente waarheid zoeken door naar binnen te keren. Een groot misverstand. Zoek de waarheid en je raakt de waarheid kwijt. Zoek de weg en je raakt de weg kwijt. Zoek de dharma en je raakt de dharma kwijt. Zoek de Boeddha en je raakt de Boeddha kwijt. Zoek de patriarchen en je raakt de patriarchen kwijt. Of je nou in jezelf zoekt of daarbuiten.

Mij maakt het niets uit of je de soetra’s en de sastra’s hebt bestudeert, of je een hoogleraar bent of een hogepriester, een hoogwerker of een hoogslaper. Mij maakt het niets uit of je welbespraakt bent of onbespraakt, knap of lelijk, trots of beschaamd, doortrapt of wijs. Ik wil alleen maar dat je het ware doorzicht verwerft.

Al ken je honderd soetra’s en sastra’s uit je hoofd, dan nog haal je het niet bij de eerste de beste meester die niets te doen heeft. Hoe meer je er uit je hoofd kent, hoe meer je neerkijkt op anderen. Het is gewoon weer een vorm van onwetendheid. Ooit zul je de prijs betalen. Denk maar eens aan de monnik Sunakatra. Hij begreep de twaalf afdelingen van het onderricht als geen ander maar brandde levend in de hel. De onmetelijke aarde had voor hem geen plaats. Daarom zeg ik: laat toch lopen. Neem het er eens van.

Krijg ik honger dan open ik mijn mond.
Krijg ik slaap dan sluit ik mijn ogen.
Dwazen lachen me uit
maar wijzen weten niet beter.

Hoogvliegers, zoek het niet in woorden. Daar word je alleen maar winderig van. Wie eenmaal de dharma doorziet, haalt de tienduizend bodhisattva’s, opeengepakt in hun Drie Voertuigen, links en rechts in.

(a22,39)

58. Hoeders van de porseleinkast

Meester Linji zei: Wegwezers, verknoei je tijd goed. Indertijd, toen ik er nog niks van snapte, meende ik te weten wat mij ontbrak. Daarom rende ik rond met een lege buik en een volle kop, op zoek naar de Weg. Zo raakte ik steeds verder van huis. Later kreeg ik gelukkig wat hulp, en nu sta ik hier voor jullie mijn zelfgebakken lucht te verkopen.

Kennelijk heb je het een en ander gehoord over de oude Linji en ben je hiernaartoe gekomen om me in verlegenheid te brengen met diepzinnige vragen die moeten bewijzen hoe ver je al bent. En als ik dan antwoord geef met mijn lichaam in plaats van mijn geest, zit je me stom aan te staren, niet tot enige reactie in staat. Dat komt er nou van als je een olifant uitnodigt in je porseleinkast.

(a22,40)

59. Vertegenwoordigers

Meester Linji zei: Overal waar ik verschijn, staan monniken zich op de borst te slaan: ‘Zoek niet langer. Ik ben een man van Chan. Ik weet de Weg. Ik heb een Plan.’ Met flapperende tong en wapperende lippen maken ze armzalige mensen aalmoezen afhandig. Souteneurs die zich thuisverlaters wanen. Bah! Eens zullen ze de tol betalen.

De weg bedient zich niet van argumenten, twistgesprekken en spitsvondigheden om mensen meningen op te dringen of ergens toe over te halen of iets te ontfutselen. De weg loopt nergens weg en nergens langs en nergens heen. De transmissie van de boeddha’s en de patriarchen heeft niets om het lijf. En wat betreft de twaalf afdelingen van het onderricht, de drie voertuigen, de vijf naturen, de leer van de volledige en plotselinge verlichting: allemaal grootspraak voor kleinbehuisden.

Woordenkramer, gebruik je geest zoals hij bedoeld is. Overal worden de doden begraven, maar jouw hoofd zit vol lijken. Je werpt zelf de hordes op waarover je struikelt. Het licht dat alles doorziet, schijnt ook voor jou – tenzij je in de weg blijft staan. Het licht schijnt net zo goed door jou – zolang je het laat gaan.

(a22,40)

60. Genoeg

Meester Linji zei: Lichtgelovige, wil je de leer doorgronden? Laat je dan niets wijsmaken. Opengeslagen past er geen letter in, dichtgeslagen omvat hij het hele universum. Hij heeft geen openbaring nodig. Hij heeft geen schrijver nodig. Hij heeft geen lezer nodig. Hij heeft geen woorden nodig. Hij heeft geen uitleg nodig. Hij heeft geen vorm nodig. Hij heeft geen leegte nodig. Geen oog kan hem zien, geen oor kan hem horen – hoe wou je hem dan noemen? Een oude wijze zei het al: ‘Benoemen is de boot missen’. Zo miste hij de boot.

Wegwerker, je moet het zelf zien – maar wat? Je moet het zelf doorzien. Het wat? Ik kan praten tot ik een ons weeg, maar dat is nog altijd een ons teveel. Minder kan ik niet voor je doen. Nou jij weer.

(a22,41)

Dialogen

‘Laat je niets wijsmaken door die oude wijzen!’ zei de oude wijze.
Wat laat jij je wijsmaken?

1. Fratsen en strapatsen

Gouverneur Wang en zijn staf nodigden meester Linji uit op het podium.
Nadat hij had plaatsgenomen, zei de meester: ‘Ik kan uw verzoek om het podium te bestijgen niet weigeren. Als ik een patriarch was, zou ik nu als hoogste uitdrukking van de grote zaak het zwijgen bewaren, maar wat dat weer niet voor misverstanden geeft. En hoe zou ik, na door de gouverneur zelf te zijn uitgenodigd, de fratsen en strapatsen van mijn traditie kunnen verbloemen. Is er hier misschien een dappere broeder die zich met mij wil meten? Laat hem nu naar voren treden!’

Een monnik zei: ‘Wat is de kern van het boeddhisme?’
Meester Linji slaakte een kreet.
De monnik maakte een buiging.
‘We moeten nog even inkomen’, zei de meester.

Een monnik zei: ‘Hoe klinkt uw lied? Van wie hebt u dat?’
‘Als leerling van meester Huangbo stelde ik hem drie keer een vraag en kreeg ik drie keer slaag’, zei meester Linji.
De monnik wist niets uit te brengen.
De meester slaakte een kreet, gaf de monnik een draai om zijn oren en zei: ‘Wou jij een wolk aan de hemel vastspijkeren?’

Een schriftgeleerde zei: ‘De Drie Voertuigen en de Twaalf Afdelingen van het Onderricht spreken boekdelen.’
‘U moet uw tuintje nog wieden’, antwoordde meester Linji.
‘De Boeddha loog er anders niet om’, zei de schriftgeleerde.
‘Welke boeddha?’ vroeg de meester.
De schriftgeleerde stond perplex.
‘Wou u mij ten overstaan van de gouverneur te kakken zetten?’ zei de meester. ‘Vort, wegwezen. Laat de anderen ook eens.’

Linji zei: ‘Verder nog vragen? Niemand? Uitstekend. De Boeddha zei het al: ‘De leer kent geen woorden, geen oorzaken en geen voorwaarden’. Spreken is verspreken. Straks gaan de gouverneur en zijn gevolg ons nog geloven ook; dan zijn we nog verder van huis.’

De meester slaakte een kreet en riep: ‘Voor lichtgelovigen zal de laatste dag nooit komen!’

(a1,1a-e)

2. Oog om oog

Een monnik vroeg: ‘De godin van het mededogen heeft duizend handen en duizend ogen. Welk oog is het ware?’
Meester Linji zei: ‘De godin van het mededogen heeft duizend handen en duizend ogen. Welk oog is het ware.’
De monnik sleurde de meester van zijn kussen en ging er zelf op zitten.
De meester ging vlak voor hem staan en riep: ‘Wat ziet het ware oog nu?’
De monnik wist niets uit te brengen.
De meester sleurde hem van het kussen en nam zijn plaats weer in.

(a2,2)

3. De mens die zich liet kennen

Een monnik vroeg: ‘Waar is de mens die zich nooit laat kennen?’
Meester Linji greep de monnik in zijn kraag en riep: ‘Hebbes!’
De monnik keek hem beteuterd aan.
‘Wat een nitwit is de mens die zich nooit laat kennen’, zei de meester en duwde de monnik van zich af.

(a3,3)

4. Weinig wol

Een monnik maakte een buiging.
Meester Linji slaakte een kreet.
‘Van mij komt u toch niets te weten’, zei de monnik.
‘Wat heb je ontdekt?’ vroeg de meester.
De monnik slaakte een kreet.

Meester Linji slaakte een kreet.
Een monnik maakte een buiging.
‘Hoe vond je mijn schreeuw?’ zei de meester.
‘Nogal schreeuwerig’, antwoordde de monnik.
‘Is dat alles?’ vroeg de meester.
‘Verzin eens wat nieuws’, zei de monnik.
De meester slaakte een kreet.

De hoofdmonniken van twee zalen kwamen elkaar tegen.
Tegelijkertijd slaakten ze een kreet.
Later die dag vroeg een monnik: ‘Wie was de gastheer, wie de gast?’
‘Wie gastvrij is’, zei meester Linji.

(a4;4a-c)

5. Rare kwast

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’
Meester Linji stak zijn vliegenkwast omhoog.
De monnik slaakte een kreet.
De meester gaf hem een oplawaai.

Een monnik vroeg: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’
Meester Linji stak zijn vliegenkwast omhoog.
De monnik slaakte een kreet.
De meester slaakte een kreet.
De monnik wist het niet meer.
De meester gaf hem een oplawaai.

(a5,5a-b)

6. Vlieg er eens in

Meester Linji zei: ‘Sommigen van jullie deinzen er niet voor terug hun lijf of zelfs hun leven op het spel te zetten omwille van de leer. Twintig jaar geleden vroeg ik wijlen mijn meester Huangbo driemaal naar de kern van het boeddhisme en driemaal kreeg ik slaag. Maar zijn klappen waren balsem voor de ziel. Wat zou ik er graag weer eens van langs krijgen! Wie neemt de handschoen op?’
‘Ik!’ riep een monnik.
De meester reikte hem zijn stok.
Net toen de monnik hem wilde aanpakken, sloeg de meester toe.

(a5,5c)

7. Wie naar het zwaard grijpt

Een monnik vroeg: ‘Waar vind ik het zwaard dat alle gedachten bij de wortel afsnijdt?’
Meester Linji greep zijn stok en riep: ‘Pas op, daar komt het!’
De monnik stond als aan de grond genageld.
De meester sloeg toe.

(a6,6a)

8. Geen half werk

Een monnik zei: ‘Waar vind ik de stamper die alle gedachten fijnstampt?’
‘Fijngestampt!’ riep meester Linji.

(a6,6b)

9. Tussen neus en lippen

Meester Linji zei: ‘Op mij kun je rekenen, niemand neemt mij bij de neus. Maar wie ergens aan vasthoudt, neemt zichzelf bij de neus. Wie nergens aan vasthoudt, neemt zichzelf nog steeds bij de neus.’

Hij vervolgde: ‘Dit is geen raadsel om diep over na te denken. Verlies je niet in speculatie. Neem geen houding aan. Het is geen kwestie van begrijpen of niet begrijpen. Weten is een wassen neus en niet weten is een wassen neus. Gewoon je neus achterna lopen, is dat nou zo moeilijk? Ja, ik zeg maar waar het op staat. Zie maar wat je ermee doet.’

(a6,6c)

10. Hardlopers

Meester Linji zei: ‘De een is onderweg zonder zijn huis te verlaten, de ander verlaat zijn huis zonder onderweg te zijn. Wie komt het verst?’

(a8,8)

11. Doodlopers

Meester Linji zei: ‘De een staat op een drukke marktplaats zonder uitweg, de ander op een hoge bergpiek zonder terugweg. Wie is het eerste thuis?’

(a7,7)

12. Poppenkast

Een monnik vroeg: ‘Wat is de eerste aanwijzing?’
Meester Linji zei: ‘Waar niet gespeculeerd wordt, zijn pop en kast duidelijk onderscheiden. Wat valt er te verbreken aan een zegel zonder leer?’

Een monnik vroeg: ‘Wat is de tweede aanwijzing?’
De meester zei: ‘Ook wie almaar vragen stelt, zal bedrogen uitkomen. Heeft het poppenspel zich er ooit door laten onderbreken?’

Een monnik vroeg: ‘Wat is de derde aanwijzing?’
De meester zei: ‘Als de poppen sjansen, heb je de poppenspeler aan het dansen. Wie trekt hier aan de touwtjes?’

Meester Linji vervolgde: ‘Voor jullie lijkt dit misschien een spel, maar wat zijn dan de regels?’

(a9,9)

13. Grens gevallen

Meester Linji zei: ‘Soms valt het subject weg, soms het object, soms beide, soms geen van beide.’

Een monnik vroeg: ‘Wat als het subject wegvalt?’
De meester zei: ‘De lentezon breekt door en niemand werpt een schaduw.’

Een monnik vroeg: ‘Wat als het object wegvalt?’
De meester zei: ‘De koning heerst en niemand kent zijn grenzen.’

Een monnik vroeg: ‘Wat als beide wegvallen?’
De meester zei: ‘Niemand thuis in Ergenshuis en nergens ben je niet.’

Een monnik vroeg: ‘Wat als geen van beide wegvalt?’
De meester zei: ‘De koning is zijn rijk te rijk en ieder zingt zijn lied.’

(a10,10)

14. Stokblind

Een monnik zei: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?’
‘Als hij ergens op uit was geweest, had hij niet eens zichzelf kunnen verlossen’, zei meester Linji.
De monnik zei: ‘Als hij nergens op uit was, hoe kan het dan dat de tweede patriarch de leer doorzag?’
De meester zei: ‘Doorzien is niet-doorzien.’
‘Wat is niet-doorzien?’ vroeg de monnik.
Meester Linji zei: ‘Het is omdat jullie voortdurend je neus achterna lopen dat een patriarch uitriep: ‘Wat een kneuzen; met je stok in je hand naar je stok zoeken!’ Doorzie het licht dat al doorziet en zie hoe alle kleur verschiet. Dan ben je in één klap uitgekeken en zul je in niets verschillen van de patriarchen. Dit heet het niet-doorzien van de leer.’

(a20,32)

15. Een koekje van eigen deeg

Meester Huangbo ging naar de keuken en zei tegen de rijstkok: ‘Wat ben jij aan het doen?’
‘Rijst pakken voor de monniken’, zei de kok.
Meester Huangbo zei: ‘Hoeveel eten ze per dag?’
‘Twee zakken’, zei de kok.
‘Is dat niet wat veel?’ zei de meester.
‘Eerder te weinig’, zei de kok.
Meester Huangbo haalde uit.
Later vertelde de kok het aan Linji.
Die zei: ‘Wacht maar, ik krijg hem nog wel.’
Toen Linji aan de beurt was om meester Huangbo te bedienen, vertelde deze hem zelf het verhaal.
Linji zei: ‘Wat had de kok dan moeten zeggen? Als u nou even voor kok speelt, dan begin ik: ‘Is dat niet wat veel?”
De meester zei: ‘Wat dacht je van: ‘Morgen is er weer een dag’?’
‘Waarom tot morgen wachten!’ riep Linji, ‘Hier hebt u uw portie vast!’ en gaf meester Huangbo een draai om zijn oren.
‘Die dwaas moet weer zo nodig zijn hoofd in het hol van de leeuw steken!’ riep de meester.
Linji slaakte een kreet en vertrok.

‘Waar ging dat over?’ zei meester Guishan.
‘Wat denkt u zelf, eerwaarde?’ vroeg Yangshan.
‘De meester streek weer eens met zijn hand over zijn hart.’
‘Geen sprake van’, zei Yangshan.
‘Wat zou jij zeggen?’ vroeg Guishan.
‘De meester hield zijn hart weer eens vast.’

(b1,42)

16. Uit de school geklapt

Meester Linji zag een monnik aankomen en stak zijn vliegenkwast omhoog.
De monnik maakte een buiging.
De meester gaf hem een klap.

Meester Linji zag een monnik aankomen en stak zijn vliegenkwast omhoog.
De monnik negeerde hem.
De meester gaf hem een klap.

Meester Linji zag een monnik aankomen en zei: ‘Waar kom jij vandaan?’
De monnik slaakte een kreet.
De meester gebaarde hem te gaan zitten.
Daar had de monnik niet op gerekend.
De meester gaf hem een klap.

(b2,43)

17. Vrolijke keuken

Op een dag genoten meester Linji en Puhua een feestmaal van een begunstiger.
De meester zei: ‘Een druppel water bevat de hele oceaan en een naald de hele hooiberg. Verwijst dit naar het bovennatuurlijke of naar het oorspronkelijke?’
Puhua trapte de eettafel omver.
‘Wat grof!’ riep de meester.
Puhua riep: ‘Grof en fijn, waar denkt u wel dat we zijn!’
‘Puritein!’ riep de meester.

De volgende dag genoten meester Linji en Puhua opnieuw een feestmaal van een begunstiger.
De meester zei: ‘Hoe verhoudt de dis van vandaag zich tot die van gister?’
Weer trapte Puhua de eettafel omver.
‘Wat grof!’ riep de meester.
‘Apotheker!’ riep Puhua. ‘De leer is grof noch fijn!’
‘Sacherijn!’ riep de meester.

(b3,44)

18. Een dwijze

Meester Linji zat samen met twee oude priesters, Heyang en Muta, rond het vuur in de meditatiehal.
De meester zei: ‘Iedere dag hangt Puhua op straat de dorpsgek uit. Is hij nou een dwaas of een wijze?’
Voordat iemand antwoord kon geven, kwam Puhua binnen.
‘Zeg eens, ben jij een dwaas of een wijze?’ vroeg de meester.
‘Zeg eens, ben jij een dwaas of een wijze’, zei Puhua.
De meester slaakte een kreet.
Terwijl hij van de een naar de ander wees, zei Puhua: ‘Heyang komt nog maar net kijken, Muta heeft het al helemaal gehad en Linji stelt ook niks voor, ook al heeft hij dan het oog.’
De meester riep: ‘Oud wijf!’
‘Stokstijf!’ gilde Puhua, en ging ervandoor.

(b4,45)

19. Broeder ezel

Broeder Puhua stond stiekem rauwe groenten naar binnen te proppen.
Meester Linji zag het en zei: ‘Net een ezel.’
‘Ia, ia!’ balkte Puhua.
De meester zei: ‘Ach, wat lief.’
‘Houd de dief!’ riep Puhua, en ging ervandoor.

(b5,46)

20. Feest

Puhua liep dikwijls de markten af, rinkelend met zijn belletje en luidkeels roepend:

‘Komt het als licht dan sluit ik mijn ogen.
Komt het als duisternis dan wend ik me af.
Komt het van overal dan ben ik nergens.
Komt het als leegte dan doet het me niets.’

Meester Linji gaf zijn bediende opdracht Puhua in zijn kraag te vatten en hem te vragen: ‘Wat als het niet komt?’
Zodra de bediende zijn vraag had gesteld, duwde Puhua hem van zich af en zei: ‘Dan is het feest in de Tempel van het Grote Mededogen.’
Toen de bediende zijn verhaal had gedaan, zei meester Linji: ‘En als het toch komt?’

(b6,47)

21. Hengstenbal

Een oude hoogwaardigheidsbekleder had een onderhoud met meester Linji.
Bij het overhandigen van de gebruikelijke gift zei hij: ‘Hoor ik nu te buigen of niet?’
De meester slaakte een kreet.
De oude hoogwaardigheidsbekleder maakte een buiging.
De meester riep: ‘Hielenlikker!’
‘Waterkikker, mattenstikker!’ gilde de oude hoogwaardigheidsbekleder en ging ervandoor.
‘Denk maar niet dat u daarmee wegkomt!’ riep de meester hem na.

Later vroeg meester Linji aan de hoofdmonnik: ‘Wat maak jij ervan?’
‘Zeg dat wel’, zei de hoofdmonnik.
De meester zei: ‘Wie ging hier over de schreef, de gastheer of de gast?’
‘Servies hoort in de kast’, zei de hoofdmonnik.
‘Nou?’ drong de meester aan.
De hoofdmonnik liep weg zonder iets te zeggen.
‘Denk maar niet dat je daarmee wegkomt!’ riep de meester hem na.

Toen een monnik het verhaal aan meester Nanquan vertelde, zei deze alleen maar: ‘Raspaarden moeten trappen.’

(b7,48)

22. Voor paal

Meester Linji ging een legerkamp binnen om een feest bij te wonen.
Bij de poort stond een stafofficier.
De meester wees naar een van de pilaren en zei: ‘Is deze werelds of heilig?’
De officier wist niets uit te brengen.
De meester legde zijn hand op de pilaar en zei: ‘Wat je ook ten antwoord geeft, het blijft een houten paal.’

(b8,49)

23. Een streep door de rekening

Meester Linji zei tegen zijn tempelbeheerder: ‘Waar ben jij geweest?’
‘Gierst verkopen in de stad.’
‘Heb je alles verkocht?’ zei de meester.
‘Tot de laatste korrel.’
De meester trok met zijn stok een streep op de grond en zei: ‘En deze dan?’
De tempelbeheerder slaakte een kreet.
De meester gaf hem een oplawaai.
De chef-kok, die net was binnengekomen, zei: ‘Hij snapt het niet.’
‘Jij wel soms?’ vroeg de meester.
De chef-kok maakte een buiging.
De meester gaf hem een oplawaai.

(b9,50)

24. Uitgemaakte zaak

Toen een schriftgeleerde zich voor een onderhoud bij meester Linji vervoegde, vroeg deze: ‘In welke soetra’s of sastra’s bent u gespecialiseerd?’
‘Voor zover mijn gebrekkige talent mij toestaat heb ik een oppervlakkige studie van de Baifa lun gemaakt’, antwoordde de schriftgeleerde.
De meester vroeg: ‘Stel dat iemand volledig inzicht had gekregen in de Twaalf Afdelingen van de Drie Voertuigen, en iemand anders niet; zou dat wat uitmaken?’
‘Voor degene met volledig inzicht zou het hetzelfde zijn; voor degene zonder inzicht anders’, zei de schriftgeleerde.
Broeder Lepu, op dat moment de bediende van meester Linji, zei: ”Hetzelfde’, ‘anders’, waar denkt u wel dat u bent!’
De meester wendde zich tot Lepu en zei: ‘Wat maakt het uit?’
Lepu slaakte een kreet.

Nadat hij de schriftgeleerde had uitgezwaaid, zei de meester: ‘Was die schreeuw voor mij bedoeld?’
‘Wat maakt het uit?’ zei Lepu.
De meester gaf hem een klap.

(b10,51)

25. Stokdoof

Meester Deshan de Tweede zei dikwijls: ‘Dertig stokslagen als je spreekt, dertig als je zwijgt!’
Toen meester Linji dit hoorde, gaf hij broeder Lepu opdracht naar meester Deshan te gaan en hem te vragen: ‘Waarom dertig stokslagen voor iemand die kan spreken?’ ‘Wacht tot hij naar zijn stok grijpt, pak hem af en haal flink uit. Eens kijken hoe hij reageert.’
Lepu arriveerde bij meester Deshan en deed wat hem was opgedragen. De meester greep naar zijn stok, Lepu pakte hem af en haalde uit.
Meester Deshan reageerde niet.
Lepu keerde terug naar meester Linji en vertelde hoe het was afgelopen.
‘Als ik het niet dacht’, zei de meester.
‘Wat?’ zei Lepu.
De meester greep naar zijn stok.
Lepu reageerde niet.
De meester haalde uit.

(b11,52)

26. Voor geen goud

Meester Linji kreeg bezoek van gouverneur Wang.
Deze vroeg: ‘Lezen de monniken in dit klooster soetra’s?’
‘Welnee’, zei de meester.
‘Leren ze mediteren?’ vroeg de gouverneur.
‘Welnee’, zei de meester.
‘Wat doen ze wel?’ vroeg de gouverneur.
‘Boeddha’s en patriarchen worden’, zei de meester.
‘Goudstof is mooi, maar in je ogen geeft het staar’, bevestigde de gouverneur.
‘En ik maar denken dat u gek was’, zei de meester.

(b12,53)

27. Kalfsleer voor koeienkoppen

Meester Linji zei: ‘Wat is een witte stier op een kale vlakte?
‘Boe!’ deed Xingshan.
‘Hoe eloquent’, zei de meester.
‘Boe!’ herhaalde Xingshan.
‘Wat een rund’, zei de meester.

(b13,54)

28. Dichterbij

Meester Linji vroeg: ‘Sommigen schreeuwen het uit, anderen slaan erop los. Wat komt dichterbij?’
‘Geen van beide’, zei broeder Lepu.
‘Wat wel?’ vroeg Linji.
Lepu schreeuwde het uit. De meester sloeg erop los.

(b14,55)

29. Weg versperring

Meester Linji zag een monnik aankomen, ging in de weg staan en stak zijn armen uit.
De monnik keek hem stom aan.
‘Gesnopen?’ zei de meester.
‘Ik vrees van niet’, zei de monnik.
‘Zoek dan maar weer verder’, zei de meester en stapte opzij.

(b15,56)

30. Een kleine correctie

Dajue ging op bedevaart naar meester Linji. Bij aankomst stak deze zijn vliegenkwast op, waarna Dajue zijn meditatiekleedje spreidde. De meester gooide zijn vliegenkwast neer, Dajue vouwde zijn kleedje weer op en ging naar de meditatiezaal.
‘Zeker familie van de meester,’ mopperden de monniken, ‘hij maakte geen buiging of niks, en toch kreeg hij geen slaag.’
Toen de meester dit hoorde, riep hij Dajue bij zich.
‘De anderen klagen dat je mij niet correct begroet hebt’, zei hij.
‘Hoi’, zei Dajue, en keerde terug naar de meditatiezaal.

(b16,57)

31. Voetlicht

Toen Zhaozhou tijdens zijn pelgrimage meester Linji aandeed, zat deze net zijn voeten te wassen.
Zhaozhou zei: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?’
‘Ik zit net mijn voeten te wassen’, zei de meester.
Zhaozhou kwam een stapje dichterbij en hield zijn hoofd scheef.
De meester zei: ‘Ik sta op het punt mijn tweede teiltje leeg te gieten.’

(b17,58)

32. Voor niks gaat de zon op

Toen broeder Ding tijdens zijn bedevaart meester Linji bezocht, vroeg hij: ‘Wat is de kern van de boeddhistische leer?’
De meester stond op, greep broeder Ding in zijn kraag, gaf hem een draai om zijn oren en duwde hem ruw van zich af.
Broeder Ding bleef stokstijf staan.
Een monnik die het zag gebeuren, zei: ‘Broeder Ding, waarom buigt u nu niet?’
Midden in zijn buiging viel bij Ding het kwartje.

(b18,59)

33. Gezichtsverlies

Tijdens zijn bedevaart bezocht Mayu ook meester Linji.
Hij legde zijn meditatiematje neer en vroeg: ‘Welke van de twaalf gezichten van Guanyin is het ware?’
De meester stond op, greep met zijn ene hand Mayu, met de andere diens matje en riep: ‘Welke Guanyin!’
Mayu rukte zich los en probeerde op de plek van de meester te gaan zitten.
Meester Linji pakte zijn stok en probeerde hem te slaan, maar Mayu greep het andere eind van de stok.
Duwend en trekkend gingen ze het privévertrek van de meester binnen.

(b19,60)

34. Kretologie

Op een dag zei meester Linji tegen een monnik: ‘Soms is een schreeuw als een zwaard dat alles afhakt, soms als een leeuw op de loer, soms als een hengel in het water en soms als een loze kreet. Wat jij.’
De monnik keek hem perplex aan.
De meester slaakte een kreet.

(b20,62)

35. Kommer

Uit het niets zei meester Linji tegen een non: ‘Welkom of nietkom?’
De non slaakte een kreet.
‘Geef antwoord!’ riep de meester en pakte zijn stok.
Opnieuw slaakte de non een kreet.
De meester sloeg toe.

(b21,62)

36. Buiten westen

Longya ging naar meester Linji en vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?
De meester zei: ‘Geef die ruggensteun eens aan.’
Longya gaf hem de steun en de meester haalde uit.
Longya zei: ‘Moest Bodhidharma daarvoor uit het westen komen?’

Later ging Longya naar meester Cuiwei en vroeg: ‘Waarom kwam Bodhidharma uit het westen?’
De meester zei: ‘Geef dat biezenmatje eens aan.’
Longya gaf hem het matje en de meester haalde uit.
Longya zei: ‘Moest Bodhidharma daarvoor uit het westen komen?’

Nadat Longya zelf meester van een tempel was geworden, vroeg een monnik: ‘Klopt het dat u tijdens uw pelgrimage een onderhoud hebt gehad met twee eminente priesters?’
Longya zei: ‘Moest Bodhidharma daarvoor uit het westen komen?’

(b22,63)

37. Groot onderhoud

In het klooster op Mount Jing zaten vijfhonderd monniken, maar bijna niemand vroeg meer om een onderhoud.
Meester Huangbo gaf Linji opdracht poolshoogte te gaan nemen, en vroeg: ‘Wat ben je van plan bij aankomst?’
‘Dat zien we dan wel weer’, zei Linji.
Nadat hij was gearriveerd, ging hij met zijn reiskleren nog aan naar de dharmahal voor een onderhoud met de meester.
Toen deze eindelijk opkeek, slaakte Linji een kreet, stak zijn neus in de lucht en vertrok zonder iets te zeggen.
Later die dag vroeg een monnik aan de meester van Mount Jing: ‘Wat hebt u misdaan dat hij zo tegen u schreeuwde, eerwaarde?’
De meester haalde zijn schouders op en zei: ‘Hij komt van meester Huangbo, ga het daar maar vragen.’
Niet veel later waren de meeste monniken vertrokken.

(b23,64)

38. De laatste ronde

Op een dag liep Puhua door de straten en vroeg iedereen om een pij uit één stuk.
Hij kreeg er veel aangeboden, maar weigerde ze allemaal.
Meester Linji liet de tempelbeheerder een doodskist kopen.
Toen Puhua terugkwam, zei de meester: ‘Ik heb een pij uit één stuk voor je laten maken!’
Puhua nam de doodskist op zijn schouders en sjokte ermee door de straten, roepende: ‘Linji heeft me een pij uit één stuk laten maken. Ik ga nu naar de Oostpoort om een einde aan mijn leven te maken!’
Zijn stadsgenoten liepen massaal uit; dit wilden ze weleens meemaken!
Toen het erop aankwam, zei Puhua: ‘Toch maar niet. Maar morgen ga ik naar de Zuidpoort om een einde aan mijn leven te maken!’
Nadat hij er drie keer van had afgezien, geloofde niemand hem meer.
Op de vierde dag verliet hij in zijn eentje stilletjes het stadje en vroeg een voorbijganger buiten de stadsmuren om zijn doodskist dicht te spijkeren.
Al gauw deed het nieuws de ronde en het hele stadje liep uit.
Toen ze de doodskist openden, zagen ze dat Puhua met lichaam en al verdwenen was.
Hoog in de lucht klonk het ijle geluid van zijn belletje dat langzaam wegstierf: Tingelingeling… tingeling… ting…

(b24,65)

39. Goedzakken

Toen Linji bij meester Huangbo studeerde, viel hij op door zijn eenvoud en directheid.
Op een dag ging de hoofdmonnik naar hem toe en zei: ‘Hoe lang ben je hier nou al?’
‘Drie jaar’, zei Linji.
‘Heb je ooit om een onderhoud gevraagd?’
‘Nooit,’ zei Linji. ‘Ik weet niet wat ik moet vragen.’
‘Ga maar vragen wat de kern van de boeddhistische leer is’, zei de hoofdmonnik.
Linji ging het vragen, maar voordat hij was uitgesproken sloeg meester Huangbo erop los.
Toen Linji terugkwam, zei de hoofdmonnik: ‘En?’
‘Ik snap er niks van. De meester begon meteen te slaan!’ zei Linji.
‘Ga het hem nog maar een keertje vragen’, zei de hoofdmonnik.

Drie keer stelde Linji zijn vraag en drie keer kreeg hij slaag.
Tegen de hoofdmonnik zei hij: ‘Hartelijk dank voor uw goede raad. Helaas was het diepzinnige onderricht van de meester niet aan mij besteed. Ik denk dat ik maar weer verder trek.’
‘Vergeet vooral niet om afscheid van de meester te nemen!’ zei de hoofdmonnik.
Linji maakte een buiging en trok zich terug.
De hoofdmonnik ging op een holletje naar meester Huangbo en zei: ‘De jongeman die u driemaal naar de kern van de boeddhistische leer heeft gevraagd, is op de goede weg. In de toekomst zal hij een reusachtige boom worden waaronder vele reizigers rust zullen vinden. Behandelt u hem navenant!’
Toen Linji afscheid kwam nemen, zei de meester tegemoetkomend: ‘Ga maar naar meester Dayu aan de rivier door Gao’an. Hij kan je wel verder helpen.’

Aangekomen bij de tempel van meester Dayu, vroeg deze: ‘Waar kom jij vandaan?’
‘Van meester Huangbo’, zei Linji.
‘Heb je nog wat van hem opgestoken?’ zei Dayu.
‘Drie keer vroeg ik hem naar de kern van de boeddhistische leer en drie keer kreeg ik slaag. Ik weet niet of het aan mij lag’, zei Linji.
‘Wat is het toch een goedzak dat hij zich zo om je bekommert’, zei meester Dayu. ‘En dan moet je mij nog komen vragen of het aan jou lag?’
Eindelijk ging Linji een lichtje op.
‘Goh, de leer van Huangbo stelt ook niets voor!’ riep hij uit.
Meester Dayu greep hem in zijn kraag en riep: ‘Jij nitwit! Eerst vraag je of het aan jou ligt, en nou roep je weer dat de leer van Huangbo niets voorstelt! Zeg op: wat is volgens jou de kern van de boeddhistische leer?’
Linji porde hem drie keer in zijn ribben.
Meester Dayu duwde hem van zich af en zei: ‘De appel valt niet ver van de boom. Vort, maak dat je wegkomt!’

Linji keerde terug naar meester Huangbo.
De meester zei: ‘Nee maar, daar heb je hem weer! Wat een omloper. Hoe lang gaat dit nog door?’
‘Wat bent u toch een goedzak!’ riep Linji uit, en overhandigde de gebruikelijke gift.
‘Waar was je nou?’ vroeg de meester.
Linji vertelde wat er was gebeurd.
De meester zei: ‘Wat zou ik die gast graag eens een goed pak slaag geven!’
‘Waarom wachten?’ vroeg Linji, ‘Hier, pak aan!’ en gaf meester Huangbo een klinkende draai om zijn oren.
‘Halve gare!’, schreeuwde de meester, ‘Zomaar je hoofd in het hol van de leeuw steken!’
Linji slaakte een kreet.
‘Bediende!’ riep de meester, ‘Verlos ons van deze dwaas en breng hem naar de meditatiezaal!’

Meester Guishan zei: ‘Wie gaf nou de doorslag, Dayu of Huangbo?’
‘De een gaf hem op zijn kop en de ander trok hem aan zijn staart’, zei Yangshan.

(c1,66)

40. Profetie van het meesterschap van Linji

Linji stond pijnboompjes te poten.
Meester Huangbo zei: ‘Waarom al die moeite? Ze groeien hier vanzelf.’
Linji antwoordde: ‘Welke moeite? Ze groeien hier vanzelf.’
Daarop verklaarde hij: ‘Ik wil een mooie achtergrond scheppen voor de hoofdpoort en wil ik een baken oprichten voor latere generaties.’
Hij sloeg driemaal met zijn houweel op de grond.
‘Heb ik je daarvoor dertig stokslagen gegeven’, zei de meester.
‘Had u maar een houweel moeten gebruiken’, zei Linji en sloeg opnieuw driemaal op de grond.
‘Door jouw toedoen zal mijn leer de wereld veroveren!’, riep meester Huangbo uit.

(c2,67)

41. Stom

Op een dag toen Linji als zijn bediende optrad, mompelde meester Deshan: ‘Ik ben zo moe.’
‘Zelfs als hij slaapt houdt hij zijn mond niet’, zei Linji.
De meester sloeg naar hem.
Linji gooide hem met stoel en al omver.
Meester Deshan hield zijn mond.

(c3,68)

42. Het betere werk

De monniken waren aan het werk in de tuin. Toen hij zag dat meester Huangbo eraan kwam, hield Linji op en leunde op zijn schoffel.
‘Is die vent nou al moe?’ zei de meester.
‘Deze vulkaan is uitgewerkt’, zei Linji.
De meester trapte tegen zijn schoffel.
Linji pakte zijn stok af en sloeg hem daarmee tegen de grond.
Meester Huangbo zei tegen de dienstdoende monnik: ‘Help me eens overeind.’
Deze deed wat hem was opgedragen, fluisterend: ‘Eerwaarde, dit pikt u toch niet!’
De meester stond nog niet of hij gaf de dienstdoende monnik een oplawaai.
Terwijl hij weer begon te schoffelen, zei Linji: ‘Overal cremeren ze de doden, maar ik begraaf ze levend!’

Meester Guishan zei: ‘Waarom sloeg meester Huangbo de dienstdoende monnik?’
Yangshan zei: ‘Omdat hij nog niet was uitgewerkt.’

(c4,69)

43. Zo mond, zo kont

Linji zat maar wat te zitten voor de meditatiezaal.
Toen hij zag dat meester Huangbo eraan kwam, deed hij gauw zijn ogen dicht.
De meester sjokte zogenaamd teleurgesteld naar zijn vertrekken.
Linji holde hem achterna en maakte een buiging.

Later zei meester Huangbo tegen de hoofdmonnik: ‘Die maak je ook niks meer wijs.’
De hoofdmonnik merkte op: ‘Eerwaarde, u weet zelf niet waar de klepel hangt, maar u luidt wel de klok voor deze jongeling.’
De meester sloeg zichzelf op de mond.
‘Als u dat maar weet’, zei de hoofdmonnik.

(c5,70)

44. Wakkere lieden

Linji lag te slapen in de meditatiehal.
Meester Huangbo kwam binnen, ging naar hem toe en sloeg met zijn stok op de vloer.
Linji deed één oog open, zag dat het de meester was en sliep rustig verder.
Meester Huangbo sloeg nogmaals met zijn stok op de vloer en liep naar de andere kant van de hal, waar de hoofdmonnik zat te mediteren.
Hij zei: ‘Die jongeman daarginds zit tenminste te mediteren, maar wat u zich allemaal in het hoofd haalt!’
‘Wat u zich allemaal in het hoofd haalt!’ zei de hoofdmonnik.

Meester Guishan zei: Wie was nou wie te slim af?
Yangshan zei: ‘Wat u zich allemaal in het hoofd haalt!’

(c6,71)

mediteren zonder mediteren

45. Een slag in de lucht

De monniken stonden weer eens in de tuin te werken
Meester Huangbo, die zag dat Linji niets omhanden had, zei: ‘Waar is je schoffel?’
‘Dat zou ik ook weleens willen weten’, zei Linji.
‘Kom eens hier,’ zei de meester, ‘We moeten even babbelen.’
Meester Huangbo hield zijn schoffel omhoog en riep: ‘Hij weegt niets en toch kan niemand hem optillen!’
Linji griste de schoffel uit zijn handen, stak hem in de lucht en riep: ‘U kan me nog meer vertellen!’
‘Ik denk het niet’, zei de meester, en keerde terug naar de tempel.

Meester Guishan zei: ‘Volgens mij was Linji zijn meester hier te slim af.’
Yangshan zei: ‘U kan me nog meer vertellen.’

(c7,72)

46. Klare jonge

Linji ging naar meester Guishan met een brief van meester Huangbo.
Yangshan, die op dat moment voor gastheer speelde, nam de brief in ontvangst.
Hij zei: ‘Deze is van meester Huangbo, maar waar is die van de bode?’
Linji gaf hem een draai om zijn oren.
Yangshan zei: ‘Dat is klare taal.’

Samen gingen ze naar meester Guishan.
Deze zei: ‘Hoeveel leerlingen heeft mijn confrère Huangbo?’
‘Zevenhonderd’, zei Linji.
‘Klaar is hij ermee’,
zei meester Guishan. ‘Wie is hun leider?’
‘Hij heeft u zojuist een brief bezorgd’, zei Linji, en vroeg: ‘Hoeveel leerlingen heeft u, eerwaarde?’
‘Vijftienhonderd’, zei de meester.
‘Klaar bent u ermee’, zei Linji.
‘Wacht maar!’ zei meester Guishan.

Lachend namen ze afscheid.

(c8,73)

47. Letterknechten

Middenin de zomerretraite arriveerde Linji eindelijk bij Mount Huangbo.
Toen hij meester Huangbo een soetra zag lezen, zei Linji: ‘En ik maar denken dat u uitgeleerd was. Wat een veelvraat!’
Na een paar dagen ging Linji afscheid nemen.
De meester zei: ‘Eerst kom je te laat en nu ga je er alweer vandoor?’
‘Ik heb er mijn buik vol van’, zei Linji.
‘Hongerkunstenaar!’ riep meester Huangbo en joeg hem weg.
Onderweg kreeg Linji toch weer trek.
Hij keerde op zijn schreden terug en maakte de zomerretraite af.

(c9,74)

48. Brand meester

Linji ging afscheid nemen van meester Huangbo.
Deze vroeg: ‘Waar ga je heen?’
‘Van hot naar her en door naar der’, zei Linji.
De meester gaf hem een oplawaai en Linji sloeg zonder aarzelen terug.
Lachend riep meester Huangbo zijn bediende: ‘Breng me de priestertekenen van wijlen mijn meester Baizhang!’
‘De brand erin!’ riep Linji.
De meester zei: ‘Ach, dat kan altijd nog. Neem ze nou maar mee. In de toekomst zul je iedereen de mond snoeren.’

Meester Guishan zei: ‘Ging Linji hier niet wat te ver?’
‘Integendeel,’ zei Yangshan, ‘je kan niet ver genoeg gaan.’
‘Hoe dat zo?’ zei Guishan.
‘Alleen wie zijn meester aftroeft, is een waardig erfgenaam,’ zei Yangshan.

(c9,75)

49. Gedenk te doden

Linji bezocht een monument ter nagedachtenis aan Bodhidharma.
De beheerder vroeg: ‘Priester, wilt u eerst eer bewijzen aan de Boeddha of aan Bodhidharma?’
‘Ik wil helemaal niets bewijzen’, zei Linji.
‘Wat doet u hier dan?’ vroeg de beheerder verbaasd.
Linji stak zijn neus in de lucht en maakte rechtsomkeert.

(c10,76)

50. Woordenstrijd

Tijdens een pelgrimage deed Linji het klooster van meester Longguang aan.
De meester wilde net aan een toespraak beginnen toen Linji naar voren trad.
Linji vroeg: ‘Hoe slaat men een slag zonder zijn wapen te trekken?’
De meester wist niets uit te brengen.
‘Goed gesproken’, zei Linji.
De meester staarde hem aan en slaakte een zucht.
Linji prikte met zijn vinger op de borst van meester Longguang en zei: ‘Zo slaat men een slag zonder zijn wapen te trekken.’

(c11,77)

51. Vrijspraak

Nadat hij in Sanfeng was aangekomen, vroeg meester Ping: ‘Waar kom jij vandaan?’
‘Van Huangbo’, zei Linji.
‘Heb je nog wat van hem opgestoken?’ vroeg meester Ping.
‘Donderend sloeg de bliksem in / De vogel is gevlogen’, dichtte Linji.
‘De herfstwind fluit door de bomen / Wie kent zijn melodie’, antwoordde de meester.
‘Hij breekt door alle grenzen heen / Voorbij de blauwe lucht’, riposteerde Linji.
De meester zei hoofdschuddend: ‘Overdrijven is ook een vak.’

‘Het schaap heeft hier een wolf gebaard / Die breekt zelfs uit de hemel!’ jubelde Linji.
‘Kom nou maar gewoon binnen,’ zuchtte meester Ping. ‘Dan drinken we een kopje thee.’
Bij zijn vertrek vroeg de meester: ‘Waar ben je hiervoor geweest?’
‘Bij meester Longguang’, zei Linji.
‘Zo blijf je aan de gang’, zei meester Ping.

(c12,78)

52. Nijd kent geen reden

Linji kwam aan bij meester Daci, die zich in zijn verblijf had teruggetrokken.
‘Wat zit u nou te sippen in uw kamertje’, zei Linji.
‘De oude pijnboom heeft geen haast / Een meisje plukt een bloem en alom wordt het lente’, dichtte de meester.
‘Volmaakte wijsheid kent geen tijd / De oude pijnboom groeit noch bloeit en staat maar in de weg’ antwoordde Linji.
De meester slaakte een kreet.
Linji slaakte een kreet.
Er viel een lange stilte.
‘Wat zit je nou te sippen op je kussentje’, zei meester Daci.
Linji snoof verontwaardigd en vertrok.

(c13,79)

53. Stafbespreking

Linji arriveerde bij de tempel van meester Huayan in Xiangzhou.
Huayan stond op zijn stok te leunen en deed alsof hij sliep.
‘Eerwaarde, wat staat u hier te suffen!’ riep Linji.
‘Eindelijk iemand die van wanten weet!’ riep de meester.
‘Bediende, haal thee voor de meester!’ riep Linji.
‘Bediende, geef die monnik een ereplaats!’ riep meester Huayan.

(c14,80)

54. Uitgesproken

Toen Linji bij meester Cuifeng aankwam, vroeg deze: ‘Waar komt jij vandaan?’
‘Van meester Huangbo’, zei Linji.
‘Wat heeft Huangbo te melden?’ vroeg de meester.
‘Huangbo heeft niets te melden’, zei Linji.
‘Waarom niet?’ vroeg de meester.
‘Ik durf het niet te zeggen’, zei Linji.
‘Probeer het toch maar’, drong de meester aan.
‘Ik heb u niets te zeggen’, zei Linji.
‘Kom kom, niet zo bleu’, zei meester Cuifeng.
‘Ik heb toch al teveel gezegd’, zei Linji.

(c15,81)

55. Schijnheiligen

Linji ging bij meester Xiangtian langs en zei: ‘Het is werelds noch heilig – wat hebt u daarop te zeggen?’
‘Zo ben ik nou eenmaal’, antwoordde de meester eenvoudig.
Linji slaakte een kreet en riep: ‘Wat doen al die kaalkoppen hier dan!’

(c16,82)

56. Halve zolen

Nadat Linji bij meester Minghua was aangekomen, vroeg deze: ‘Waar is al dat rondreizen goed voor?’
‘Voor mijn zolen,’ zei Linji, ‘dan slijten ze nog een beetje.’
De meester vroeg: ‘Waar is al dat slijten goed voor?’
Linji zei: ‘Waar is al dat praten goed voor?’

(c17,83)

57. Ver gezocht

Onderweg naar meester Fenglin kwam Linji een oud vrouwtje tegen.
‘Wat moet dat hier’, zei het vrouwtje.
‘Ik zoek meester Fenglin’, zei Linji.
‘Kan je lang zoeken’, zei het vrouwtje.
‘Ik heb de tijd’, zei Linji.
‘Maar ik niet’, zei het vrouwtje en slofte verder.
Linji rende achter haar aan, hief zijn stok en riep: ‘Daar zal je hem net hebben!’
Het vrouwtje keek verrast over haar schouder en Linji sloeg toe.

(c18,84)

58. Tong of bot

Toen Linji bij meester Fenglin was aangekondigd, zei deze al te beleefd: ‘Ik zou graag iets aan de orde stellen. Staat u mij toe?’
‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden’, zei Linji.
‘De maan schijnt zonder schaduw over zee / En nog verdwaalt de vis’, dichtte de meester.
‘De maan schijnt zonder schaduw over zee / En nooit verdwaalt de vis’, antwoordde Linji.
‘Ik ken de golven aan de wind / Ik ken de boten aan hun zeil’, declameerde de meester.
‘Daarboven schijnt alleen de maan / En als ik lach dan kolkt de zee’, antwoordde Linji.
‘Je tong reikt verder dan het zwerk / Maar waarmee eet je dan je rijst’, probeerde de meester.
‘Ontmoet je een zwaardvechter, reik hem je zwaard,’ zei Linji, ‘maar dicht niet met wie geen dichter is.’
Meester Fenglin viel stil.
Linji citeerde: ‘De Grote Weg is onvergelijkelijk en reikt van oost tot west. Nog feller dan een bliksemschicht, nog sneller dan het licht.’

Meester Guishan zei: ‘Als de Grote Weg werkelijk zo snel is, hoe zouden we hem dan ooit in woorden kunnen vangen?
‘Wat denkt u zelf, eerwaarde?’ zei Yangshan.
‘Al is de leugen nog zo snel, de waarheid achterhaalt hem wel’, zei meester Guishan.
‘Dat zegt u’, zei Yangshan.
‘Wat zeg jij?’ zei de meester.
‘Woorden maken deel uit van de Grote Weg’, zei Yangshan.

(c19,85)

Tip: De Grote Weg (is niet moeilijk voor wie hem kwijt is)

59. Tussen de regels

Linji arriveerde bij het klooster van meester Jinniu.
Toen deze hem aan zag komen, ging hij gauw bij de poort zitten, met zijn stok als slagboom.
Linji deed de ‘slagboom’ open, liep meteen door naar de meditatiezaal en ging op de eerste plek zitten.
De meester liep hem achterna en zei: ‘In een gesprek tussen gastheer en gast gelden bepaalde regels. Wie denkt u wel dat u bent!’
Linji zei: ‘Wie denkt u wel dat u bent!’
Nog voor de meester antwoord kon geven, gaf Linji hem een oplawaai.
De meester verloor zijn evenwicht, en Linji gaf hem nog een klap na.
‘Ik heb geloof ik mijn dag niet’, zei meester Jinniu beduusd.

Meester Guishan vroeg: ‘Wie van de eerwaarden trok hier aan het langste eind?’
‘Welk eind zou het langste moeten zijn?’ zei Yangshan.

(c20,86)

60. Dooddoener

Toen meester Linji voelde dat zijn einde naderde, ging hij voor de laatste maal zitten en kreunde: ‘Laat mijn Ware Dharma Oog niet tegelijk met mij uitdoven!’
Zijn discipel, Sansheng, trad naar voren en riep: ‘Hoe zou ik ooit uw Ware Dharma Oog kunnen laten uitdoven!’
‘Wat zul je zeggen als iemand ernaar vraagt?’ piepte de meester.
Sansheng slaakte een kreet.
‘Ik was er al bang voor’, zuchtte de meester.
Het waren zijn laatste woorden.

(c21,87)

Je was gewaarschuwd

Nawoord

Hè hè, zuchtte Huangsu Fuan Dangu, anticiperend op zijn beroemde laatste woorden.
Dat was dat.
Maar wat was dat?
Een vertaling naar de letter kon je het niet noemen.
Al was het maar omdat hij geen woord Chinees sprak.
Een vertaling naar de geest, wou hij zeggen, maar ja.
Wat wist hij van de geest van Linji Huizhao?
Wat wist hij van de school die zich achter diens naam verschool?
Een vertaling naar geen-geest dan?

‘Meester, breng mijn geest tot rust!’
‘Breng me je geest en ik breng hem tot rust.’

(parafrase van koan 41 van de Poortloze Poort)

Hij wist het niet.
Een vertaling naar de weetnietgeest dan maar weer.
Ja, natuurlijk was hij eropuit een autoriteit voor zijn karretje te spannen.
Al was het maar een anti-autoriteit.
Al was het maar een dooie.
Of was het Linji Huizhao die hem voor zijn karretje spande?
Of had die ook geen karretje?
Of was Huangsu Fuan Dangu zijn reïncarnatie?
Of was Linji Huizhao alleen maar een gedachte in hem?
Of is Huangsu Fuan Dangu alleen maar een gedachte in jou?
Of ben jij alleen maar een gedachte in mij?

Misschien moet ik het gewoon een verdwaling noemen.
Een vermaling, een verlalling, een verschraling?
Hoe dan ook, je bent gewaarschuwd.
Al is het maar achteraf.
Geloof niets van wat ik zeg!
Dit ook niet.
Geloof niets van wat je denkt!
Dit ook niet.
En dat ook niet.

De Linji lu als boek

Hedendaagse hertaling van de zenklassieker die ten grondslag ligt aan de rinzaischool van het zenboeddhisme. Inhoud: Voorwoord, Zestig monologen, Zestig dialogen, Nawoord.

Aanbeveling

De Linji lu is een verzameling van honderdtwintig teksten toegeschreven aan chanmeester Linji Huizhao. Zij is van grote invloed geweest op de verdere ontwikkeling van chan in China en ligt ten grondslag aan een van de twee grote zentradities van Japan (rinzai). De monologen en dialogen van Linji maken korte metten met boekenwijsheid en bieden een alternatief voor het traditionele boeddhistische pad van levenslang of zelfs levens lang studeren en praktiseren. Linji spreekt met zijn leerlingen, niet als een filosoof uit een ivoren toren, niet als een schriftgeleerde met een griffel, niet als een predikant van de kansel, maar als een jongen van de straat, een koopman op de Albert Cuyp, een geboren en getogen Amsterdammer: recht voor zijn raap, zonder kapsones, grappig op het vulgaire af, en nooit mis te verstaan. Van hart tot hart, zou de zenboeddhist zeggen. Van mond tot kont, zou Linji Huizhao zeggen.

Niet voor niets wordt de Linji lu al duizend jaar steeds opnieuw vertaald en wint hij ook in het Westen snel aan populariteit. Veel Nederlandse leraren laten zich door de woorden van Linji inspireren en op het moment van schrijven worden er gelijktijdig zowel in Amsterdam als in Utrecht studiebijeenkomsten over Linji gehouden. Waren de liefhebbers van Linji tot nog toe aangewezen op Engelse vertalingen en alleen antiquarisch verkrijgbare Nederlandse, nu is er dan eindelijk een geheel nieuwe vertaling in hedendaags Nederlands die zich niet angstvallig aan de letter houdt maar volledig is toegewijd aan de geest van de oorspronkelijke tekst. Zen met de hamer. Wie durft?

Door het opheffen van de winkelierskorting kon de prijs van de hardcoverversie van de Linji lu in 2017 blijvend worden verlaagd van € 25,- naar € 18,55.

Bestel

Bestel hier de frisse, tegendraadse hertaling van Hans van Dam, Niet te geloven! de LINJI LU, een prachtig gebonden boek met harde kaft, leeslintje en kapitaalbandjes. Binnen 10 werkdagen in huis. 2015/Hardcover/formaat A5/204 pagina’s, € 18,55.

Reacties

Een greep uit de reacties in het Boeddhistisch Dagblad, waar de tekst als serie is gepubliceerd:

“Ik ga dit missen! Waarom zijn deze pareltjes er niet in levende ademende boekvorm? Dan kan ik het vastpakken, bladeren, lezen, nog eens lezen, en nog eens lezen, ruiken, aan mijn hart drukken! En mijn hart en hoofd al filosoferend laten (ver)dwalen. Dank Hans van Dam, het was genieten!”

“Hans, hartelijk dank voor deze prachtige hertaling. Ik heb ervan genoten!”

“Heel erg jammer dat het afgelopen is. Hans van Dam heeft meesterwerkjes afgeleverd! “

“Waar vind ik dat schitterend boekje van Hans van Dam?”

“Geweldig hoe alles tussen de regels dreunt”

“Het eerste dat ik ’s ochtends doe, is de stukjes van Linji lezen. Recht voor zijn raap en humoristisch. Bovendien smeuig her- (ver-)taald door Hans van Dam.”

“Wow! Hier word je wakker van. Mooi.”

Boeddhistisch Dagblad over de Linji lu

Linji Lu- Het boek dat niet te bespreken is
Na 35 jaar weer een nieuwe Nederlandse hertaling van de Linji lu
Winnaar bekend van verloting boek Hans van Dam
Het spook dat Linji heet
Nieuwe bulderaar in het BD