Ludwig Wittgenstein

‘Zijn de rozen rood in het donker?’ Citaten van de Oostenrijks-Britse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951).

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Ludwig Wittgenstein

Tips: Arthur Schopenhauer, Friedrich Nietzsche, Cornelis Verhoeven


Tractatus logico-philosophicus (1922)

(fragmenten van) stellingen uit de vertaling van de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein door W.F. Hermans, 1998:


Ik ben mijn wereld

(stelling 5.63, p119)


U ziet het oog niet

Maar in werkelijkheid ziet u het oog niet. En in het gezichtsveld is er niets dat kan doen besluiten: het wordt gezien door een oog. (5.633, 119)


Hypothese

Dat de zon morgen zal opgaan, is een hypothese; en dat betekent: we weten niet of zij zal opgaan.
(6.36311, 145)


Geen noodzaak

Een noodzaak waardoor een ding zou moeten gebeuren omdat er iets anders is gebeurd, bestaat niet.
(6.37, 145)


Dwaling

De hele moderne wereldbeschouwing berust op de dwaling dat de zogenaamde natuurwetten de verklaringen van de natuurlijke verschijnselen zijn.
(6.371, 145)


Niet nog eens

Ook als alles wat we wensen gebeurde, dan zou dit toch maar, om zo te zeggen een genade van het noodlot zijn, want er is geen logische samenhang tussen wil en wereld die dat garandeert en de veronderstelde fysische samenhang kunnen we toch niet zelf nog eens willen. (6.374, 145)


Werelden

De wereld van de gelukkige is een andere dan die van de ongelukkige. (6.43, 149)


Ontijdelijkheid

Als je onder eeuwigheid niet oneindige tijdsduur, maar ontijdelijkheid verstaat, dan leeft hij eeuwig die in het heden leeft. (6.4311, 149)


Net zo raadselachtig

Wordt daardoor soms een raadsel opgelost, als ik eeuwig verderleef? Is dit eeuwige leven dan niet net zo raadselachtig als het tegenwoordige? De oplossing van het raadsel in ruimte en tijd te leven, ligt buiten ruimte en tijd. (6.4312, 149)


De opgave

Alle feiten behoren alleen tot de opgave, niet tot de oplossing. (6.4321, 149)


Niet hoe maar dat

Niet hoe de wereld is, is het mystieke, maar dat zij is. (6.44, p151)


En dat is juist het antwoord

Wij voelen dat zelfs als alle mogelijke wetenschappelijke vragen beantwoord zijn, onze levensproblemen nog helemaal niet zijn aangeroerd. Er blijft dan weliswaar geen vraag meer over; en juist dat is het antwoord. (6.52, 151)


De oplossing

De oplossing van het levensprobleem verraadt zich door het verdwijnen van dat probleem. (6.521, 151)


Ladder

Mijn stellingen zijn verhelderend omdat hij die me begrijpt, ten slotte erkent dat ze onzinnig zijn, als hij door middel van mijn stellingen – er op – boven ze uit geklommen is. (Hij moet om zo te zeggen de ladder omvergooien na eropgeklommen te zijn.)
Hij moet deze stellingen overwinnen, dan ziet hij de wereld goed. (6.54, p153)


Colleges (1967)

uit Colleges over ethiek, esthetica, psychologie en religieus geloof, Ludwig Wittgenstein, 1979:


Soorten verwarring

Het zou van helder inzicht getuigen, wanneer een boek over de wijsbegeerte werd onderverdeeld in woordsoorten, types van woorden. … Je zou uren achtereen praten over de werkwoorden ‘zien’, ‘voelen’, enz., werkwoorden die de persoonlijke ervaring beschrijven. We ondervinden een eigenaardig soort verwarring of verwarringen, die bij al deze woorden optreedt. Een ander hoofdstuk zou over telwoorden gaan – hier zou een ander soort verwarring optreden: een hoofdstuk over ‘alle’, ‘ook maar enige’, ‘sommige’, enz. – weer een ander soort verwarringen: een hoofdstuk over ‘jij’, ‘ik’, enz. – nog een ander soort: een hoofdstuk over ‘mooi’, ‘goed’ – weer een ander soort. We raken in een nieuwe groep verwarringen; de taal haalt volledig nieuwe streken met ons uit. (52)


Motief

In een gerechtshof word je gevraagd naar het motief van je handeling, en je wordt verondersteld het te kennen. … Waarom veronderstellen ze dat je dat weet? (83)


Improvisatie

In veel gevallen is het motief niet meer dan dat wat we opgeven, wanneer ons de vraag gesteld wordt. (84)


Waarom

Waarom doen we dit soort dingen? Dit is het soort dingen dat we doen. (90)


Druppel in een emmer water

Vergelijk de beroering rondom Darwin. De ene groep, die van de bewonderaars, zei: “Natuurlijk”, en de andere zei: “Natuurlijk niet”. Waarom zou iemand in ’s hemelsnaam “natuurlijk” moeten zeggen? (Het ging hier om de gedachte dat eencellige organismen steeds complexer werden, totdat het uiteindelijk zoogdieren, mensen, enz. werden). Heeft wie dan ook dit proces zien plaatsvinden? Nee. Ziet wie dan ook het op dit moment plaatsvinden? Nee. Het bewijsmateriaal voor deze ontwikkelingsgroei vormt een druppel in een emmer water. Maar er waren honderden boeken waarin dit de vanzelfsprekende oplossing genoemd werd. (91)


Overreding

Als je er via psychoanalyse toe gebracht wordt te zeggen dat je eigenlijk zus of zo dacht, of dat je motief eigenlijk zus of zo was, dan is dit niet een kwestie van ontdekking maar van overreding. In een ander geval zou je tot iets anders overreed kunnen worden. (92)


Het is wat het is

In het bijzonder die zinnen die zeggen: ‘Dit is eigenlijk dit’ hebben de vorm van overreding. [Dit betekent] dat er zekere verschillen zijn die je overreed wordt te verwaarlozen. Dit doet me denken aan de prachtige zinspreuk: ‘Alles is wat het is, en niet iets anders’. … Ook wat ik aan het doen ben is overreding. (92)


Stijl van denken

Hoezeer wat we doen het veranderen van de stijl van het denken is en hoezeer wat ik doe het veranderen van de stijl van denken is en hoezeer wat ik doe overreding is om mensen hun stijl van denken te laten veranderen. (94)


Geen tegenspraak

Stel dat iemand in het Laatste Oordeel gelooft, en ik geloof daar niet in, betekent dat dan dat ik iets geloof dat tegenover het zijne staat, dus simpelweg dat iets dergelijks niet voorkomt? Ik zou zeggen: “Helemaal niet, of tenminste, niet altijd”. … Als men zei: “Wittgenstein, geloof je dat”, dan zou ik zeggen: “Nee”. “Ben je met die man in tegenspraak?” Ik zou zeggen: “Nee”. (132)


Anders denken

Ik denk anders, op een andere manier. Ik zeg andere dingen tegen mezelf. Ik houd er andere beelden op na.
Het zit ongeveer zo: als iemand zei: “Wittgenstein, als je ziekte niet als een straf opvat, wat geloof je dan eigenlijk wel?” – Ik zou zeggen: “Gedachten in verband met straf houd ik er hoe dan ook niet op na.” (135)


Binnen een bepaald systeem

Of iets al dan niet een fout is – iets is een fout binnen een bepaald systeem. Evengoed als iets in één bepaald spel wel een fout is, en in een ander niet. (140)


Het blauwe en het bruine boek (1934)

Uit Het blauwe en het bruine boek, Ludwig Wittgenstein, 1996:


Bronnen van filosofische verbijstering

De vragen “wat is lengte?”, “wat is betekenis”, “wat is het getal één” etc. bezorgen ons een mentale kramp. We merken dat we naar niets kunnen wijzen als antwoord hierop en dat we toch naar iets moeten wijzen. (We stuiten hier op een van de grote bronnen van filosofische verbijstering: een zelfstandig naamwoord doet ons zoeken naar een ding dat ermee correspondeert.) (21)


Teken versus object

De fout die we geneigd zijn te maken, kan misschien aldus worden uitgedrukt: we zoeken naar het gebruik van een teken, maar we zoeken ernaar alsof het gebruik een object is dat met het teken coëxisteert. (26)


Occult

De zin, kan men zeggen, bezit als deel van het taalsysteem leven. Maar men is geneigd zich wat de zin leven voor te stellen als iets dat een occulte sfeer uitstraalt en dat de zin begeleidt. (26)


Tijd

Dit soort fouten doet zich in de filosofie voortdurend voor; bij voorbeeld wanneer we ons het hoofd breken over de hoedanigheid van de tijd, wanneer tijd ons iets vreemds toeschijnt. We zijn zeer sterk geneigd te denken dat hier dingen verborgen liggen, iets dat we van buiten kunnen zien, maar waar we niet in kunnen kijken. En toch is niets van dit alles het geval. Wat we willen weten, zijn geen nieuwe feiten over de tijd. Alle feiten die ons interesseren, liggen open en bloot voor ons. Maar wat ons misleidt, is het gebruik van het zelfstandig naamwoord ‘tijd’. (28)


Familiegelijkenissen

[Zo is er] de tendens om te zoeken naar iets dat gemeenschappelijk is aan alle entiteiten die we doorgaans onder een algemene zin brengen. – We zijn geneigd te denken dat, laat ons zeggen, alle spelen iets gemeen moeten hebben en dat deze gemeenschappelijke eigenschap de toepassing van de algemene term ‘spel’ op de verschillende spelen rechtvaardigt; terwijl spelen juist een familie vormen, waarvan de leden familiegelijkenissen vertonen. Sommige leden hebben dezelfde neus, andere dezelfde wenkbrauwen en andere weer dezelfde manier van lopen… (41)


Ingrediënten

De idee dat een algemeen concept een gemeenschappelijke eigenschap van zijn specifieke gevallen is, hangt samen met andere primitieve, al te eenvoudige, ideeën over de structuur van taal. Ze is te vergelijken met de idee dat eigenschappen de ingrediënten vormen van de zaken die deze eigenschappen bezitten; bij voorbeeld dat schoonheid een ingrediënt is van alles wat mooi is, zoals alcohol dat is van bier en wijn, en dat we daarom pure schoonheid zouden kunnen hebben, niet vervalst door alles wat mooi is. (41)


Het algemene versus het specifieke

In plaats van “de hang naar algemeenheid” [van de filosoof] had ik ook kunnen zeggen “de neerbuigende houding tegenover het specifieke geval”. (43)


Andere ongedefinieerde termen

Wat zouden we winnen met een definitie, daar ze ons alleen kan leiden naar andere ongedefinieerde termen? (52)


Definitie van stoel

En waarom zou ons juist het ontbreken van een definitie van tijd, en niet van het ontbreken van een definitie van “stoel” verbijsteren? (52)


Tegen de fascinatie

Filosofie, zoals wij het woord gebruiken, is een gevecht tegen de fascinatie die uitdrukkingsvormen op ons uitoefenen. (54)


Denkkwaal

Het is een soort algemene denkkwaal om altijd te zoeken naar (en te vinden) wat men zou kunnen noemen een mentale toestand waaruit al onze handelingen als uit een spaarbekken ontspringen. Zo zegt men: “De mode verandert omdat de smaak van de mensen verandert”. De smaak is het mentale spaarbekken. Maar als een kleermaker dit jaar een ander model kleding ontwerpt dan een jaar geleden, kan dan niet wat men zijn verandering van smaak noemt, deels of volledig hierin hebben bestaan dat hij nu juist een ander model ontwerpt? (197)


Knipsels (1967)

Uit Knipsels, Ludwig Wittgenstein, 1995:


Wanneer

“Het is mijn bedoeling morgen te vertrekken.” – Wanneer is dat jouw bedoeling? De hele tijd; of met tussenpozen? (46)


Ononderbroken

Men kan toch eigenlijk moeilijk zeggen dat men iets sinds gisteren “ononderbroken” geloofd, begrepen, beoogd heeft. … (85)


Vuur

Vergelijk het fenomeen van het denken met het fenomeen van het branden! Kan het branden, vuur, ons niet raadselachtig toeschijnen? En waarom vuur méér dan een tafel? – En hoe helder jij dit raadsel op? … (125)


Omdat we het willen grijpen

Is vuur niet raadselachtig omdat het ongrijpbaar is? Goed – maar waarom maakt dat het raadselachtig? Waarom zou het ongrijpbare raadselachtiger zijn dan het grijpbare? Behalve dan omdat we het willen grijpen. – (126)


Nooit totaal

Tot op zekere hoogte stoort het ons dat de gedachte van een zin op geen enkel moment volledig voorhanden is. We zien haar als een object dat we voortbrengen en nooit totaal bezitten, want nauwelijks ontstaat een deel, of een ander verdwijnt. (153)


Ware grootte

Beleving van de ware grootte. We zien een beeld dat de vorm van een stoel toont; men zegt ons dat het een constructie met de grootte van een huis voorstelt. Nu zien we de grootte anders. (214)


In het donker

Zijn de rozen rood in het donker? … (250)


De mazelen

De filosofen die geloven dat men in het denken de ervaring als het ware kan uitrekken, zouden moeten bedenken dat men via de telefoon wel woorden, maar niet de mazelen kan overbrengen.
Ik kan ook niet, wanneer ik dat wil, de tijd als begrensd ervaren, of het gezichtsveld als homogeen, etc. (256)


Eindstadium

Hier stuiten we op een merkwaardig en kenmerkend verschijnsel in filosofische onderzoekingen: de moeilijkheid – zou ik kunnen zeggen – is niet de oplossing vinden, maar iets als de oplossing erkennen dat eruit ziet alsof het daarvan pas een voorstadium is. “We hebben alles al gezegd.” – Niet iets dat daaruit volgt, maar juist dat is de oplossing! … (314)


Regressie

“Waarom verlang je verklaringen? Wanneer die gegeven zijn, zul je immers toch weer voor een einde staan. Ze kunnen je niet verder brengen dan je nu bent.” (315)


Hoe je ook kijkt

Geloof toch niet dat je het begrip kleur in je draagt omdat je naar een kleurig object kijkt, – hoe je ook kijkt.
(Net zomin als je het begrip negatief getal bezit door het hebben van schulden.) (332)


Uiteraard

We hebben een systeem van kleuren zoals we een systeem van getallen hebben.
Liggen de systemen in onze aard, of in de aard der dingen? Hoe moet men het zeggen? – Niet in de aard van de getallen of de kleuren. (357)


Antwoordapparaat

Hoe zou het zijn als iemand me in alle ernst zei dat hij (werkelijk) niet wist of hij droomde of wakker was? –

Stel je voor dat een bewusteloos iemand (misschien onder narcose) zegt: “Ik ben bij bewustzijn”, – zouden we dan zeggen: “Hij moet het weten”?
En als iemand in zijn slaap sprak: “Ik slaap”, – zouden we dan zeggen: “Hij heeft volkomen gelijk”?
Spreekt iemand onwaarheid die tegen me zegt: “Ik ben niet bij bewustzijn”? (En de waarheid, als hij het bewusteloos zegt?) En wat als een papegaai zei: “Ik versta geen woord”, of een grammofoon: “Ik ben enkel een machine”?) (396)


Ik regen

‘Waar’ en ‘vals’ in de droom. Ik droom dat het regent en dat ik zeg: “Het regent” – anderzijds: ik droom dat ik zeg: “Ik droom”. (399)


Het ontbreken van twijfel

Herinner je: de meesten zeggen dat men onder narcose niets merkt. Niettemin zeggen sommigen: men zou toch iets kunnen voelen en het alleen volkomen vergeten.
Als er in dit geval dus twijfelaars zijn en mensen wie geen twijfel bekruipt, zou het ontbreken van twijfel toch ook veel algemener kunnen bestaan. (403)


Knap

Stel je voor dat een kind heel erg knap is, zo knap dat men hem dadelijk de twijfelachtigheid van het bestaan van alle dingen kan bijbrengen. … (411)


Verlegen

“De stoel is dezelfde, of ik hem nu wel of niet bekijk” – dat zou niet waar hoeven te zijn. Mensen worden vaak verlegen als men ze aankijkt. “De stoel blijft voortbestaan, of ik er nu wel of niet naar kijk.” Dat zou als een empirische zin behandeld kunnen worden, of het zou grammaticaal kunnen worden opgevat. … (427)


Eenvoudig

Hoe komt het dat de filosofie een zo gecompliceerd bouwsel is? Ze zou toch heel eenvoudig moeten zijn indien ze het ultieme en van alle ervaring onafhankelijke is waarvoor je haar laat doorgaan. … (452)


Uitgewist

Filosofische onderzoekingen: onderzoek van begrippen. Het wezenlijke van de metafysica: dat ze het onderscheid tussen het onderzoek van feiten en dat van begrippen uitwist. (458)


Luchtkastelen

(De classificaties van de filosofen en psychologen: ze classificeren wolken op grond van hun vorm.) (462)


Werkwoorden

De psychologische werkwoorden zien, geloven, denken, wensen duiden niet verschijnselen aan. Maar de psychologie neemt de verschijnselen van het zien, geloven, denken, wensen waar. (471)


Automatisch willekeurig

Het schrijven is stellig een willekeurige beweging en toch automatisch. En van een voelen van elke schrijfbeweging is natuurlijk geen sprake. Men voelt iets, maar zou onmogelijk het gevoel kunnen ontleden. De hand schrijft; ze schrijft niet omdat men het wil, maar men wil wat ze schrijft. – … (586)


Toevallig

Hoe zou ik mezelf kunnen bewijzen dat ik mijn arm willekeurig kan bewegen? Misschien door me voor te houden: “Ik ga hem nu bewegen”, en de arm dan beweegt? … Maar hoe weet ik dan dat ik het gedaan heb en dat de arm niet alleen toevallig bewogen heeft? … (595)


Hoofdbreken

Een van de filosofisch gevaarlijkste denkbeelden is, merkwaardig genoeg, dat we met of in ons hoofd denken. (605)


Spoorloos

Ik heb deze man jaren geleden gezien; nu zie ik hem weer, herken hem, herinner me zijn naam. Waarom moet er voor dit herinneren nu een oorzaak in mijn zenuwstelsel zijn? Waarom moet daarin iets, ongeacht wat, in enigerlei vorm zijn opgeslagen? Waarom moet hij een spoor hebben achtergelaten? Waarom zou er geen psychologische wetmatigheid zijn waarmee geen fysiologische correspondeert? Als dit onze begrippen aangaande de causaliteit omverwerpt, is het tijd dat ze omver worden geworpen. (610)


Onbegrensde duisternis

De onbegrensdheid van het gezichtsveld is het duidelijkst wanneer we niets zien, bij volslagen duisternis. (616)


Onbewezen

Herinnering: “Ik zie ons nog aan die tafel zitten”. – Maar heb ik echt hetzelfde visuele beeld – óf een van de visuele beelden die ik toen had? Zie ik ook zeker de tafel en mijn vriend uit hetzelfde gezichtspunt als toen, en mezelf dus niet? – Mijn herinneringsbeeld vormt niet een bewijs van die situatie in het verleden; zoals een foto dat zou zijn, die toen gemaakt werd en die me nu bevestigt dat het toen zo was. Het herinneringsbeeld en de herinnerde woorden staan op hetzelfde niveau. (650)


Het verschil

Kan men een herinneringsbeleving beschrijven? – Zonder twijfel. – Maar kan men het herinneringsachtige aan deze beleving beschrijven? … (654)


Juist niet

Maar als nu het geheugen ons het verleden toont, hoe toont het ons dan dat het het verleden is?
Het toont ons juist niet het verleden. Net zomin als onze zintuigen ons het heden tonen. (663)


Over Wittgenstein (Patricia de Martelaere)


uit de scepsis voorbij van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996


Zwijgen

Nog bescheidener – op de rand van zelfdestructie – klinken de laatste zinnen van Tractatus,
waar Wittgenstein verklaart dat al het voorafgaande, letterlijk genomen, moet beschouwd worden als onzin en dat de hele theorie moet gehanteerd worden als een ladder, die na het beklimmen moet worden weggetrapt. Waarop de beroemde slotzin: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.’ (93)


De ladder van het scepticisme

De ladder doet denken aan de onmogelijke ladder van het scepticisme: de rede gebruikt de kracht van een redenering om aan te tonen dat ze als rede machteloos is. (93)


Vlieg in een fles

De essentialist [iemand die zoekt naar onveranderlijke wezenskenmerken] wordt door Wittgenstein vergeleken met een vlieg die gevangen zit in een fles en van daaruit slechts een beperkte, vervormde blik op de werkelijkheid heeft. De essentialist is niet zozeer degene die de verkeerde antwoorden geeft op bepaalde vragen, hij is op de eerste plaats degene die de verkeerde vragen stelt en die dus onmogelijk het juiste antwoord kan vinden. Zijn probleem is niet een probleem dat opgelost moet worden, maar een probleem dat zichzelf moet oplossen door als probleem te verdwijnen […] (95)


Pluriformiteit

De bevrijde vlieg heeft haar fixatie op een vastliggende betekenis opgegeven en berust in de contingentie en de pluriformiteit van de talige werkelijkheid. Of er een andere dan de talige werkelijkheid is, kunnen we in de meest letterlijke zin van het woord niet zeggen; voorzover een niet-talige werkelijkheid door de mens kan worden gekend en beschreven, kan dat immers alleen maar in taal gebeuren. (95)


Waarheid zelfs geen leugen

Epistemologie is, bij Wittgenstein net zoals bij Nietzsche, een hopeloze onderneming. Maar terwijl bij Nietzsche toch nog, in zekere zin, een extern standpunt lijkt te kujnnen worden ingenomen – een acrobatisch jenseits, vanwaaruit kan worden gezegd: waarheid is een leugen -, wordt zulks bij Wittgenstein geheel onmogelijk. Waarheid is wat waarheid wordt genoemd; redenen tot metafysische wanhoop zijn er niet, al is er evenmin reden tot metafysische triomf. Wittgenstein noemt dit inzicht een ‘bevrijding’, maar men kan zich afvragen of er niet, vanuit een ander perspectief, moet worden gesproken van een absolute, en ditmaal definitieve gevangenschap. De wereld blijkt niet groter te zijn dan de taal, of liever: misschien is hij groter […] maar we kunnen er niet bij. (99)


Er is geen probleem

We hebben allemaal wel bij tijden de neiging om de grenzen van de taal te overschrijden en ‘wezenlijke’ vragen te stellen over Waarheid, Goedheid, Liefde of Geluk. Wittgenstein toont aan dat al deze en dergelijke vragen, hoe belangrijk ze ons ook mogen voorkomen, niet zozeer onoplosbaar zijn (wat al erg genoeg zou zijn), alswel, als vragen, onformuleerbaar zijn (wat erg is en niet erg tegelijk: er is geen probleem, wat zou dan het probleem kunnen zijn?). (99)


uit Scepticisme: einde of begin van de filosofie van Patricia de Martelaere in Het dubieuze denken, Patricia de Martelaere, 1996:


Referentiekader zonder referentiekader

De uitspraak ‘Ik weet dat de wereld bestaat’ blijkt niet minder onzinnig te zijn dan de uitspraak ‘Ik weet niet dat de wereld bestaat’. Het geloof in het bestaan van de wereld is namelijk niet zomaar een geloof maar een bestanddeel van een vast referentiekader dat ons met het aanleren van de taal is meegegeven en waarbinnen vormen van kennis mogelijk worden, maar dat zelf als geheel niet kan worden geëvalueerd. (197)


Niet-rationeel

Bij Wittgenstein wordt het geloof in het bestaan van de wereld niet langer rationeel, zoals bij Moore, noch irrationeel, zoals bij Hume, maar niet-rationeel (ontsnappend aan de beoordeling ‘rationeel of irrationeel’), omdat er geen externe norm van redelijkheid is waaraan het zou kunnen worden afgewogen. (197)


In de praktijk

Of iets ‘redelijk’ of ‘waar’ is hangt voor Wittgenstein in laatste instantie af van de vooropstellingen die in het feitelijke denken noodgedwongen moeten worden aanvaard en met betrekking waartoe de vraag naar redelijkheid of waarheid niet op haar beurt kan worden gesteld. De norm van redelijkheid is dus volledig geïncorporeerd in het voltrekken van een praktijk zelf, en het conflict tussen beide, waarop het scepticisme berust, kan niet meer ontstaan. (197)


Postmodernisme

Meteen is hiermee echter een nieuwe (postmoderne) vorm van scepticisme in het leven geroepen, dat niet meer de rationaliteit van een praktijk in vergelijking met een externe norm van redelijkheid betwist, maar de mogelijkheid van het rationeel rechtvaardigen van normen van redelijkheid zelf in vraag stelt. (197,198)