Maya

De goochelaar begoocheld; waanteksten over de illusie van de werkelijkheid en de illusie van de illusie. Voor desillusionisten.

Tekst Hans van Dam, illus(trat)ies Lucienne van Dam.

metafysica, dwaalgids filosofie, dwaalgids advaita


Twee aanbevelingen

‘Wat weet jij eigenlijk van de werkelijkheid, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van de illusie?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


alle aanbevelingen op een rijtje


Maya maya

‘Wat is maya?’
‘Het idee dat de werkelijkheid een illusie is.’
‘Wat is realisatie?’
‘Het doorzien van de illusie.’
‘Doorzie jij de illusie, Hans?’
‘Als de werkelijkheid een illusie is, dan behoort maya ook tot de illusie, evenals jouw vraag, mijn antwoord, ikzelf en jijzelf.’
‘En anders?’
‘Is de illusie werkelijkheid.’


De harde werkelijkheid

‘Alles is een illusie.’
‘Is de illusie zelf echt?’
‘Volgens mij wel.’
‘Dan is niet alles een illusie.’
‘Ik bedoel, volgens mij niet.’
‘Dan is niet alles een illusie.’


Een illusie armer

‘Je hersenen toveren je een wereld voor.’
‘En wat tovert jou je hersenen voor?’
‘Ik bedoel, je hersenen zijn echt, maar de wereld niet.’
‘Ik bedoel, je hersenen maken deel uit van de wereld.’
‘Luister nou, de wereld is een illusie van je hersenen.’
‘Je hersenen niet?’
‘Als mijn hersenen niet echt zijn, waar komt die illusie dan vandaan?’
‘Geen idee.’
‘Hij moet toch ergens vandaan komen.’
‘Hoezo?’
‘Wat denk jij?’
‘Waar je ook mee op de proppen komt, je zult steeds tegen hetzelfde probleem aanlopen.’
‘Ik geloof er niets van.’
‘Probeer maar.’
‘De wereld is een illusie van je zintuigen.’
‘En je zintuigen dan?’
‘De wereld is een illusie van het denken.’
‘En het denken dan?’
‘De wereld is een illusie van het bewustzijn.’
‘En het bewustzijn dan?’
‘De wereld is een illusie van het ik.’
‘En het ik dan?’
‘De wereld is een illusie van god.’
‘En god dan?’
‘De wereld is een illusie, en daarmee basta.’
‘En de illusie dan?’
‘Ik kan het gewoon niet geloven.’
‘Het is eerder een kwestie van niet geloven.’
‘Bedoel je dat niet weten de enige werkelijkheid is?’
‘Als dat zo is, zul je het nooit weten.’
‘En als het niet zo is?’
‘Ik zou het ook niet weten.’


Virtueler

‘Wie weet wat voor virtual reality machines ze nog eens zullen uitvinden.’
‘Vast niet zo goed als je lichaam.’
‘Het lichaam is zelf een virtual reality machine?’
‘Tenzij het lichaam zelf virtueel is.’


In de hoek geverfd

‘De geest is de schilder van de werkelijkheid.’
‘Is dit al een schilderij of nog de werkelijkheid?’

‘De geest is de schilder van de werkelijkheid.’
‘En wie is de schilder van de geest?’


Goeie genachte

‘De wereld is slechts een gedachte!’
‘En incest alleen maar verkrachte.’


Schroefkop

‘Hoe zou jij je huidige toestand omschrijven?’
‘Alleen maar dit, Hans.’
‘Zeker weten?’
‘Zo zeker als een en een twee is.’
‘Stel nou dat je zo geboren wordt, hoe zul je dan op dit gesprek terugkijken?’
‘Hoe kom je daar nou weer bij.’
‘Het is je immers al eens eerder overkomen…’
‘Wat een onzin, zeg.’
‘Stel dat je zo wakker wordt, hoe zul je dan op dit gesprek terugkijken?’
‘Schei toch uit.’
‘We zijn nog niet eens begonnen.’
‘Dat zou alles op losse schroeven zetten.’
‘Hoe weet je dat je niet op het punt staat weer geboren of wakker te worden?’
‘Alsof ik dat kan weten.’
‘Dan staat je wereld al op losse schroeven.’


Knock-out

‘Als ik voorgoed in coma lag zou ik niet verder willen leven.’
‘Wil je op dit moment niet verder leven?’
‘Zeker wel.’
‘Kun je uitsluiten dat je op dit moment in coma ligt?’


Tegenvaller

‘Is alles dan alleen maar een illusie?’
‘Ook die illusie ben ik kwijt.’


Meevaller

‘Heb jij dan helemaal geen illusies meer?’
‘Ook die illusie ben ik kwijt.’


Schijn

‘Is alles dan alleen maar een illusie?’
‘Dat lijkt maar zo.’
‘Bedoel je dat alles toch geen illusie is?’
‘Dat lijkt maar zo.’
‘Zit je mij in de maling te nemen?’
‘Dat lijkt maar zo.’
‘Waar ben je dan mee bezig?’
‘Dat lijkt maar zo.’
‘Is alles dan alleen maar een illusie?’


Geloof het of niet

‘Is geboorte een illusie, Hans?’
‘Geboorte is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou geboorte toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is de dood een illusie?’
‘De dood is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou de dood toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is het lichaam een illusie?’
‘Het lichaam is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou het lichaam toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is de geest een illusie?’
‘De geest is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou de geest toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Bent u een illusie?’
‘Ik ben net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou jij toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Ben ik een illusie?’
‘Jij bent net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou ik toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is God een illusie?’
‘God is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou God toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is de Boeddha een illusie?’
‘De Boeddha is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou de Boeddha toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is de dharma een illusie?’
‘De dharma is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou de dharma toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is leegte een illusie?’
‘De leegte is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou de leegte toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is ruimte een illusie?’
‘Ruimte is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou ruimte toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is tijd een illusie?’
‘Tijd is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou tijd toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is dualiteit een illusie?’
Meester:Dualiteit is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou dualiteit toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is non-dualiteit een illusie?’
‘Non-dualiteit is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou non-dualiteit toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is bewustzijn een illusie?’
‘Bewustzijn is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou bewustzijn toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is de weg een illusie?’
‘De weg is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou de weg toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is bevrijding een illusie?’
‘Bevrijding is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou bevrijding toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is weten een illusie?’
‘Weten is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou weten toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’

‘Is niet weten een illusie?’
‘Niet weten is net zo illusoir als de illusie zelf.’
‘Is de illusie dan ook een illusie?’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’
‘Dan zou niet weten toch geen illusie zijn!’
‘Tenzij dat ook een illusie is.’


Reflecties

‘Gedachten zijn een weerspiegeling van de werkelijkheid, Hans.’
‘Waarom niet andersom?’
‘De werkelijkheid is een weerspiegeling van mijn gedachten?’
‘Waarom niet iets ertussenin?’
‘De werkelijkheid en mijn gedachten weerspiegelen elkaar?’
‘Waarom niet wat meer dynamiek?’
‘De werkelijkheid en mijn gedachten vormen elkaar?’
‘Waarom niet iets eenzijdigers?’
‘Alles is werkelijkheid, ook mijn gedachten?’
‘Waarom niet het tegenovergestelde?’
‘Alles is gedachte, ook de werkelijkheid?’
‘Voordat we dit boeiende gesprek voortzetten…’
‘Wat?’
‘Zijn ‘werkelijkheid’ en ‘gedachte’ wel meer dan woorden?’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Ik wijs je alleen maar op een aanname.’
‘En als het inderdaad alleen maar woorden zijn?’
‘Dan is ook hun onderlinge verband fictief.’
‘Gedachten zijn een weerspiegeling van de werkelijkheid, Hans.’
‘Waarom niet andersom?’


Met terugwerkende kracht

‘Hoe weet je dat je nu niet droomt?’
‘Als ik in mijn arm knijp, doet het zeer.’
‘Dat bewijst niets.’
‘Waarom niet?’
‘Weet je in je droom dat je droomt?’
‘Nee, in de droom lijkt alles echt.’
‘Wanneer weet je het dan wel?’
‘Achteraf, als je wakker wordt en je droom herinnert.’
‘Kun je dus ooit zeggen dat je nu droomt?’
‘Nee, je droomt niet, je hebt gedroomd.’
‘Kun je dus ooit zeggen dat je nu niet droomt?’
‘Nee, want in de droom lijkt alles echt.’
‘Vandaar mijn vraag, hoe weet je dat je nu niet droomt?’
‘Als ik in mijn arm knijp, doet het zeer.’


Dag dromen

‘Wanneer weet je dat je droomt?’
‘Niet terwijl je droomt.’
‘Wanneer wel?’
‘Als je wakker wordt en je droom herinnert.’
‘Hoe weet je dat je werkelijk hebt gedroomd wat je je herinnert?’
‘Doordat je je dat herinnert natuurlijk.’
‘Is die herinnering te verifiëren?’
‘Dan moet je terug je droom in, lijkt mij.’
‘Kun jij dat?’
‘Ik niet, Hans.’
‘Ooit gehoord dat iemand terug zijn droom in kon?’
‘Nooit.’
‘Je kunt je droomherinnering dus op geen enkele wijze verifiëren?’
‘Ik zou tenminste niet weten hoe.’
‘Als ik nou beweer dat je nooit droomt, alleen maar droomherinneringen hebt?’
‘Valse herinneringen bedoel je, aan dromen die ik nooit gehad heb?’
‘Waarom niet?’
‘Dat zou bizar zijn.’
‘Maar het zou wel kunnen?’
‘In theorie wel, ja.’
‘Wat is merkwaardiger, een droom uit het niets die je je nauwelijks kunt herinneren en pas na afloop als droom herkent of een herinnering uit het niets aan een droom die nooit heeft plaatsgevonden?’
‘Die herinnering natuurlijk.’
‘Waarom?’
‘Omdat die vals zou zijn.’
‘Is de droom dan niet vals?’
‘Wel als inhoud maar niet als verschijnsel.’
‘Net als een droomherinnering waaraan geen droom vooraf is gegaan.’
‘Verdraaid.’


Drie dromen

‘Ik droomde dat ik de Waarheid had gezien.’
‘Dat moet inderdaad een droom geweest zijn.’
‘Toen droomde ik dat ik de Waarheid nooit zou zien.’
‘Dat moet inderdaad een droom geweest zijn.’
‘Ten slotte droomde ik dat ik droomde.’
‘Zeker weten dat het een droom was?’


Achterafpraat

‘Ik ga vooraf aan de wereld.’
‘Wat?’
‘Ik ben haar diepste grond.’
‘Hè?’
‘Ik ben het bewustzijn waarin de wereld verschijnt en verdwijnt.’
‘Dan geldt dat ook voor deze gedachte.’
‘De wereld is iets wat komt en gaat in mij, niet andersom.’
‘Deze gedachte ook.’
‘Dat bevestigt eens te meer dat ik de diepste grond ben.’
‘Deze ook.’


Dasein

‘Zonder bewustzijn zou ik niet bewust zijn.’
‘Zonder samenzijn zouden wij niet samen zijn.’
‘En daarom ben ik zuiver bewustzijn.’
‘En daarom zijn wij zuiver samenzijn.’

‘Zonder bewustzijn zou ik niet bewust zijn.’
‘Zonder hierzijn zou ik niet hier zijn.’
‘En daarom ben ik zuiver bewustzijn.’
‘En daarom ben ik zuiver hierzijn.’


Sintelklaas

‘Materie is geronnen geest.’
‘Hans-Peter Dürr, fysicus.’
‘Mooi hè?’
‘Maar wat het nou betekent?’
‘Als ik Dürr goed begrijp is materie slechts de sintel van de geest.’
‘En waarvan is de geest de sintel?’

‘Over geronnen geest gesproken.’


Embolie

‘Materie is geronnen geest.’
‘En geest?’
‘Geronnen gedachten?’
‘En gedachten?’

‘Zo gewonnen, zo geronnen.’


De Grote Dood

‘Hans, waarmee kun je realisatie van het Onveranderlijke Zelf vergelijken?’
‘Rigor Mortis.’


Vast en zeker

‘Hoe noem je iemand die in het Onomstotelijke verblijft?’
‘Een pilaarheilige.’


Vergaar geen mos

‘Wat voor steen is het Onomstotelijke?’
‘Dat hangt ervan af.’
‘Waarvan af?’
‘Of je je ermee vereenzelvigt.’
‘Voor iemand die zich ermee vereenzelvigt?’
‘De steen der wijzen.’
‘Voor iemand die zich ergens anders mee vereenzelvigt?’
‘Een steen des aanstoots.’
‘Voor een zoeker als ik?’
‘Een steen om je nek.’
‘En voor jou?’
‘Steenslag.’
‘Wat voor steen ben jij zelf?’
‘Een rollende.’
‘Vind je dat stenen moeten rollen?’
‘Ik leg me nergens op vast.’


Achterhaald

‘Wij moeten de Werkelijkheid achter de concepten…’
‘Behoort de Werkelijkheid soms niet tot de concepten?’
‘Wablief?’
‘Wat zou er dan nog voor moeten zitten?’
‘Hè?’
‘Behoren concepten soms niet tot de werkelijkheid?’
‘Eh…’
‘Wat zou er dan nog achter moeten zitten?’


De vader van de gedachte

‘De wereld is wat je denkt dat hij is.’
‘Leuk bedacht.’


Bij hoog en bij laag

‘Is er een hogere werkelijkheid, Hans?’
‘Is er een lagere?’


Koppen snellen

‘Hoeveel werkelijkheden zijn er?’
‘Met hoeveel zijn we hier bijeen?’
‘In deze ruimte een man of dertig.’
‘In deze ruimte een stuk of dertig.’
‘En als we deze ruimte verlaten?’
‘Welke ruimte?’
‘Hoeveel werkelijkheden zijn er dan?’
‘Waar?’
‘Wou jij beweren dat de werkelijkheid niet ruimtelijk is?’
‘Wou jij beweren dat de ruimte werkelijk is?’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’


Subjectief

‘Iedereen leeft in zijn eigen werkelijkheid.’
‘In jouw werkelijkheid.’


Komen en gaan

‘Hoeveel werkelijkheden zijn er?’
‘Evenveel als er gedachten zijn.’
‘Gedachten zijn niet, die komen en gaan.’
‘Kun je nagaan.’


De overeenkomst

‘Wat is het verschil tussen de realist en de idealist?’
‘De eerste noemt de werkelijkheid stoffelijk, de tweede geestelijk.’
‘En de overeenkomst?’
‘Beiden veronderstellen een werkelijkheid.’
‘Jij niet?’
‘Wat ben ik, een nihilist?’
‘Wat ben je dan wel?’
‘Wie zegt dat ik iets ben?’
‘Bedoel je dat je niets bent?’
‘Waar zie je mij voor aan?’
‘Non-dualist.’
‘Humorist.’
‘Geen realist, geen idealist, geen nihilist, geen non-dualist, niet iets en niet niets.’
‘Jij zegt het.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Geen realist, geen idealist, geen nihilist, geen non-dualist, niet iets en niet niets?’


Ontelbaar

‘Is alles werkelijk één?’
‘Tel zelf maar.’

‘En?’
‘Ik weet niet waar ik moet beginnen.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Ik bedoel, ik weet niet wat ik moet meetellen.’
‘Nou, ik ook niet.’


Geloofsbrieven

De pluralist gelooft dat de wereld veel is.
De dualist gelooft dat de wereld twee is.
De non-dualist gelooft dat de wereld niet-twee is.
De monist gelooft dat de wereld een is.
De boeddhist gelooft dat de wereld geen is.
Ikzelf geloof mijn gedachten niet.
En geloof dat ook maar niet.