Meester Nebbisj

‘Gij dan, zoek voor uzelf een plaats in uw innerlijk vuur en richt een feestmaal aan.’ Dwaalteksten geïnspireerd op het Evangelie van Thomas.

Tekst Hans van Dam.

alles over mystiek, meester Tjameesterschap


Onze Vader

Voorbij Waarheid en Leugen, voorbij Vader en Zoon, voorbij Heilig en Geest; zij zijn het die het kennen ontkennen, het ontkennen verkennen en dat als hun vader erkennen.


Een vis op het droge

Een discipel zei: Vierentwintig profeten hebben door u gesproken!
Meester Nebbisj antwoordde: Tot wie babbelt de bergbeek? Tot wie druist de marktplaats? Tot wie dondert het onweer? Tot wie mekkert de geit? Tot wie gaapt de vis op het droge?


Onschuldig

Zij zagen een Samaritaan die, een lam dragend, naar Judea ging.
Meester Nebbisj wees naar het lam en zei: dat zou mij wel smaken.
De discipelen sprongen op, namen het lam in beslag, sneden het de hals door, braadden het boven het vuur en richtten een feestmaal aan.
Toen ze gegeten hadden, sprak meester Nebbisj:

Het lot van het lam was niet in handen van het lam, want tegen de Samaritaan kon het niets uitrichten.
Het lot van het lam was niet in handen van de Samaritaan, want tegen ons was hij niet opgewassen.
Het lot van het lam was niet in mijn handen, want ik ben niet van mijn plaats geweest.
Het lot van het lam was niet in uw handen, want zonder mij zoudt gij niets begonnen zijn.
Het lot van het lam was niet in mensenhanden, want heeft het lam niet zelf mijn eetlust opgewekt?
Heeft het schaap niet zelf het lam gebaard?
Heeft het gras niet zelf het schaap gevoed?
Heeft het land niet zelf het gras gevoed?
Heeft de zon niet zelf het land verwarmd?
Het lot van het lam was niet in handen van de wereld, want de wereld heeft geen handen, al was er zonder wereld ook geen lot.
Het lot van het lam was niet in handen van het lot, want het lot is geen God.
Het lot van het lam was niet in handen van God, want God heeft zijn wil overgedragen aan de mens.
Gij dan, zoek voor uzelf een plaats in uw innerlijk vuur en richt een feestmaal aan.


Op een kier

Gij beschouwt uw weten als een huis, uw niet weten als een venster
waardoor ge af en toe naar buiten kijkt, maar ik zeg u: gij bewoont slechts de weteloosheid en beziet de wereld door de kier van uw weten.


Verlies u in het raadsel

Indien gij ongelukkig zijt als men u haat, vraag u niet af of men gelijk heeft. Vraag u niet af of u gelijk hebt. Vraag u af wie ‘men’ is, wat ‘haat’ is, en ‘ongelukkig’, vraag u af wie het is die gehaat wordt en ongelukkig is, en verlies u in het raadsel.


Verdorie

Niet de duivel in u wil ik verdrijven, maar uw geloof in de gedachte aan de duivel. Maar gij bedenkt een denker, slaat hem in de boeien en kraait meteen victorie. Gij tracht gedachten uit te drijven, en kraait keer op keer verdorie.


Visserslatijn

De mens is als de wijze visser die één grote vis gevangen had en vele kleintjes.
De wijze visser dacht: Als ik die grote nou eens zelf opeet en de kleintjes verdeel onder de hongerigen?
Hij dacht: Als ik die grote nou eens terugzet voor volgend jaar en de kleintjes droog voor de winter?
Hij dacht: Of zal ik ze zouten?
Hij dacht: Of zal ik ze roken?
Hij dacht: Als ik die grote nou eens verkoop en de kleintjes als aas gebruik?
Toen werd het hem vreemd te moede.
De wijze visserman dacht: Was ik maar geen wijze visserman.
Was ik maar een dwaze timmerman.
Was ik maar een discipel, of een meester desnoods.
Ach, was Lot maar hier bij mij!
Hij pinkte een traantje weg.
Plots werd de wijze visser getroffen door het brekende licht in de vissenogen.
Zachtjes zette hij de vissen terug.
Voor vele kwam de redding te laat.
Op hun zij dobberden ze rond de boot en sommige zonken temee naar benee.
De wijze visser dacht: Nee, nee, nee.
Het valt niet mee een wijze visser te zijn.
Kreunend liet hij zich op zijn net zakken en dacht – want ophouden kon hij niet:
Wie oren heeft om te horen stoppe ze dicht, maar welke doofheid is bestand tegen innerlijke wijsheid?


Wat gij zoekt

Wat gij aanziet voor mijn almacht is slechts mijn almachteloosheid. Wat gij aanziet voor mijn alwetendheid is slechts mijn alonwetendheid. Uw zekerheid is in mij aan stukken geslagen. Uw twijfel is in mij tot zekerheid geworden. Is dat dan wat gij zoekt?


Scharrelaars

Zij die door de poort zijn gegaan zijn nog steeds onder ons, maar staan niet langer aan de poort.


Dwaalgeest

Indien zij die u leiden u zeggen: ziet, het rijk is in de hemel, dan veronderstellen zij een rijk.
Indien zij zeggen: ziet, het rijk is op aarde, dan veronderstellen zij een rijk.
Zolang gij zich laat leiden door hen die een rijk veronderstellen, zult gij een rijk veronderstellen en almaar zoeken.
Wanneer gij zich dan laat leiden door hen die geen rijk veronderstellen, zult gij evenmin een rijk veronderstellen en bij de pakken neerzitten tot ge maar weer opstaat.
Indien ge noch het een noch het ander veronderstelt, en zich niet laat leiden door een ander, en zich niet laat leiden door iets anders, en zich niet laat leiden door uzelf, en het zoeken staakt noch voortzet – tja, wat dan?


Wat geen hout snijdt

Snijd het hout; ik ben daar niet. Hef de steen; ook daar zult gij mij niet vinden. In de steen zult ge geen steen aantreffen, in het gesneden hout geen hout. Maar wat geen hout snijdt is wat ik ben.


Allicht

Wie meent dat zijn goden en zijn koningen en de groten der aarde boven twijfel zijn verheven, heeft zichzelf boven twijfel verheven en zal de duisternis niet aanschouwen.


Een raadsel

Dwaasheid is radeloos zijn en toch nog raad weten; wijsheid is geen raad weten en toch niet radeloos zijn.


Gauwdieven

Discipelen zijn als gauwdieven die mij het geheim komen ontfutselen dat ze mij zelf hebben toegedicht.

Ze zijn als oude maagden op zoek naar een verkrachter om hun kuisheid te verdedigen.

Ze zijn als bouwlieden die bij wijze van huis een lange rechte muur bouwen met ramen en een deur erin, en eindeloos redetwisten over wat nu binnen is en buiten.

Ikzelf ben als een holte in de leegte van de ruimte.
De toegang is vrij en vinden zult ge niets.


Een hand vol vliegen

Wie vol is van de wereld verzake de wereld.
Wie vol is van zichzelf verzake zichzelf.
Wie vol is van het Rijk Gods verzake het Rijk Gods.
Wie vol is van de leegte verzake het verzaken.


Het rijkst

Wie zijn hoofd verliest, verliest zichzelf en wie zichzelf verliest, verliest de wereld, en wat er dan nog overblijft, noem dat desnoods het Rijk, als dat is hoe het voelt.


Een ongeluk bij een geluk

Alleen door het rijk te vernietigen zult gij het binnengaan, maar waar is dan het rijk?


Linksom of rechtsom

Wie mij tegemoetkomt nadert zijn eclips, en zijn duisternis zal zich over het ganse universum uitstrekken.

Wie zich van mij afkeert nadert de zuiderzon met vleugels van was, en zijn val zal vrij zijn, en eindeloos.


Heroïne

Zolang gij van de boom der kennis eet, zult gij zich Rijk rekenen.


De zaaier

Ziet, de zaaier ging uit. Hij vulde zijn handpalm en wierp handenvol op de weg. Het zaad kwam tussen ezelshoeven en verspreidde zich met de dieren naar alle windstreken. De vogels kwamen en aten hun kropjes rond.

Toen wierp de zaaier handenvol op de rotsgrond. Het zaad schoot geen wortel in de aarde. Het hief geen aren ten hemel maar viel uiteen en voedde de grassprietjes. Het was het begin van een vruchtbare bodem.

Andere graankorrels wierp hij tussen de doornen. De doornen verstikten het zaad. De wormen aten de resten en beluchtten de grond. De vogels aten de wormen en schuilden tussen de doornen.

Andere graankorrels vielen op groeizame aarde. Ze zonden een goede vrucht naar de hemel en verstikten een keur aan kruiden. Er kwamen er zestig per maat en honderdtwintig per maat. De vlinders bleven weg. Roestzwammen tierden welig. De halmwesp vermenigvuldigde zich, gevolgd door de graankever, gevolgd door de korenmot. De schuren werden leeggegeten door de ratten. De ratten verspreidden ziekten. Er kwam hongersnood. De mensen schraapten het halfverteerde zaad uit de spleten. De mensen aten wormen. De mensen aten vogels.

Op hun broodmagere ezels speurden broodmagere mensen in alle windstreken naar verspreide aren, en ontdekten nieuwe vergezichten.


Nachtkaars

Er is duisternis binnen een verduisterd wezen en die verduistert de ganse wereld, maar gij ontsteekt een kaars om het duister te aanschouwen.


Zemelen

Alle graan heeft zemelen, ook in het rijk der hemelen. Alle zemelen hebben graan, ook in een aards bestaan.


Halfbakken

Gemalen graan is nog geen brood en twaalf discipelen maken nog geen meester.


Geen wonder

Waar niets gewoon is doen wonderen zich niet voor.


Memento

Men oogst honing op de angels
en cactusvijgen op de stekels
en zelfs de beste goede daad
en zelfs de beste goede raad
eindigt gewis in knekels.


Disciplinair

Slechts die mij verwerpt kan mijn discipel worden, maar wee die mijn discipel wordt: hem zal ik verwerpen.


De eeuwige duisternis

Meester Nebbisj heeft gezegd:

Mijn licht is niet het uwe, uw licht is niet het mijne, maar de eeuwige duisternis behoort iedereen toe.

Hij heeft ook gezegd:

Mijn licht is niet het mijne, uw licht is niet het uwe en ook de eeuwige duisternis behoort niemand toe.


Wie dit gelooft

Wie openbaart, schept een geheim en brengt lijden onder de mensen.
Wie zich bevleest, schept een geest en brengt lijden onder de mensen.
Wie het midden houdt, schept een rand en brengt lijden onder de mensen.
Wie dit gelooft, schept een leer en brengt lijden onder de mensen.


Engelen en profeten

De engelen zullen naar u toekomen en u geven wat u toekomt, zeggende:
Wij kunnen niet vliegen, behalve in uw geest. Wij kunnen niet bewaren,
behalve in uw geest. Er zijn geen engelen, behalve in uw geest. Wat gij in uw hoofd heeft, neemt dat zelf maar in ontvangst.

Dan zullen de profeten naar u toekomen en u geven wat u toekomt, zeggende:
Wij kunnen niet voorspellen, behalve in uw geest. Wij kunnen niet openbaren, behalve in uw geest. Er zijn geen profeten, behalve in uw geest. Wat gij in uw hoofd heeft, neemt dat zelf maar in ontvangst.

Dan zal ik naar u toekomen en u geven wat u toekomt, zeggende:
Uw meester bestaat niet, behalve in uw geest. Discipelen bestaan niet, behalve in uw geest. Uw geest bestaat niet, behalve in uw geest. Bestaat niet bestaat niet, behalve in uw geest. Wat gij in uw geest heeft, neemt dat zelf maar in ontvangst.


Timmermansoog

Wijsheid: een kruis om u aan vast te nagelen.
Dwaasheid: een nagel aan uw doodskist.
Dwijsheid: een nijptang.


dwijsheid


Profetie van de kruisiging

De waarheid zoeken in gelijkenissen is uzelf vangen in gelijkenissen.
De waarheid zoeken is uzelf vangen.
Streven naar bevrijding is uzelf gevangen houden in uw hang naar vrijheid.
Mij vertrouwen is uzelf ophangen aan uw geloof in mij.
Mij ophangen lost ook niets op – maar wie zal dat geloven?


De biechteling

Bij het kampvuur zei Meester Nebbisj openhartig:
Ik heb mij in vlees geopenbaard met praatjes over vlees en openbaring.
Ik heb verschil gemaakt tussen de eersten en de laatsten, tussen hemel en aarde, tussen Rijk en arm, tussen weten en niet weten, tussen verschil en geen verschil.
Ik heb met u gedacht, over u gedacht, en voor u gedacht.
Ik gaf u te eten van de boom der kennis.
We deelden zijn gistende vruchten en werden samen dronken.
U van mij en ik van u.
We spraken van dwaasheid…
Hij schudde zijn hoofd en zweeg.
We spraken van wijsheid…
Hij zweeg en schudde zijn hoofd.
We spraken…
Meester Nebbisj hief het hoofd en het glas zeggende:
Laat ons klinken tot we niet meer weten dat we nuchter zijn…
Laat ons drinken tot we niet meer weten dat we dronken zijn…
Laat ons drinken tot we niet meer weten…
Laat ons klinken tot we niet meer weten wat we niet meer weten…
Laat ons drinken tot we niet meer weten dat we niet meer weten…
Laat ons drinken…
Laat ons…
Hij zei: Ik weet het niet meer…
Hij riep: Laat maar.
Hij schreeuwde: Lechajiem! en nam een grote slok, maar zijn glas was als altijd leeg.