Meesterschap

‘Een goede leraar maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.’ Dwaalteksten over meesterleerlingen, meesteroplichters, goeroelopers en ouwehoeroes.

Tekst Hans van Dam.

Lees ook de dwaalteksten onder koan 12 van de Poortloze Poort en onder koan 34 van de Poortloze Poort.

dwaalmeester, Jiddu Krishnamurti, de diamantsoetra, de elf plaatjes van de ezel, de Grote Weg, dwaalgids niet-weten, dwaalgids zen


Goeroe Boeroe

Oeroeboeroe

Zijn naam is Oeroeboeroe.
Een hele wijze uil.
Een authentieke goeroe.
Hij is mijn diepste kuil.


Diep in de nacht

‘Wat is de taak van de leraar?’
‘Abyssus abyssum invocat.’
‘Wat betekent dat?’
‘De ene afgrond roept tot de andere.’


sub silentio


Snap shots

‘Wanneer ben je leerling?’
‘Als je eventjes iets weet.’
‘Wanneer ben je leraar?’
‘Als je eventjes niets weet.’
‘En als je eventjes iets noch niets weet?’
‘Dan ben je eventjes leraar noch leerling.’
‘Eindelijk snap ik het.’
‘Dan ben je weer eventjes leerling.’


Het hoogste woord

‘Ik zal blij zijn als ik geen leerling meer ben.’
‘Er woont een leerling in ieder van ons.’
‘Ook in jou?’
‘Ook in mij.’
‘Maar jij bent hier toch de leraar?’
‘Er woont een leraar in ieder van ons.’
‘Ook in mij?’
‘Ook in jou.’
‘Wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Bij jou voert de leerling het hoogste woord.’
‘En bij jou?’
‘Bij mij praten ze om de beurt.’


Onbegrijpelijk

‘Wat wilt u eigenlijk van mij?’
‘Niets…’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’
‘U heeft mij onvoorwaardelijk lief.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U staat helemaal voor mij open.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U bent mij keuzeloos gewaar.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Ik laat u helemaal koud.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U wilt dat ik mezelf kan zijn.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U wilt dat ik mezelf ben.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘U wilt dat ik bén.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Wat wilt u dan van mij?’
‘Niets.’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’

‘Wat wilt u van eigenlijk mij?’
‘Niets…’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’
‘Moet ik ook niets van anderen willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik niets van u willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik niets van mezelf willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik niets willen?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Moet ik dan helemaal niets?’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Zolang het maar van harte gaat.’
‘Dat heb ik niet gezegd.’
‘Wat wilt u dan van mij?’
‘Niets.’
‘Maar?’
‘Wel van harte.’


Gelijke monniken

Leerling: Zal ik u vousvoyeren of wenst u als een gelijke behandeld te worden?
Meester: Ik heb geen behandeling meer nodig.


Uitgesteld

‘Wat is het verschil tussen jou en andere leraren?’
‘Dat ik geen leraar ben.’
‘Waarom niet?’
‘Een leraar stelt steeds achter of bij of gelijk of gerust of in of onder of samen of tegenover of teleur of terecht of tevreden of te weer of te werk of uit of vast of voor of voorop.’
‘En jij?’
‘Ik ben voorgoed uitgesteld.’


Uitgeteld

‘Wat is het verschil tussen u en andere leraren?’
‘Dat ik geen leraar ben.’
‘Waarom niet?’
‘Een leraar gelooft in de leegte van het boeddhisme of in de eenheid van het monisme of in de niet-tweeheid van het non-dualisme of in de tweeheid van het dualisme of in de drie-eenheid van het christendom of in de vier-eenheid van het hindoeïsme of in de veelheid van het pluralisme.’
‘En jij?’
‘Ik ben voorgoed uitgeteld.’


Goed, beter, best

‘Wat is een goede leerling?’
‘Iemand die niets aanneemt.’
‘Wat is een betere leerling?’
‘Iemand die niets afwijst.’
‘Wat is de beste leerling?’
‘Geen leerling.’

‘Wat is een goede leraar?’
‘Een levende leraar.’
‘Wat is een betere leraar?’
‘Een dode leraar.’
‘Wat is de beste leraar?’
‘Een leerling.’


Schijnzwanger

‘Wat is een leraar?’
‘Een putjesschepper.’
‘Socrates noemde zichzelf een vroedvrouw.’
‘Die geloofde nog in de waarheid.’
‘Nou moet ik zeker vragen wie de put is?’
‘Nou moet je zeker vragen wat de prut is.’


Doorslaand

‘Wanneer is een leraar succesvol?’
‘Als hij geen leerlingen meer heeft.’
‘Wanneer is een leerling succesvol?’
‘Als hij geen notie van succes meer heeft.’


Valkuilen

‘Wat is de grootste valkuil op weg naar niet weten?’
‘Denken dat er zoiets is als niet weten.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat er niet zoiets is als niet weten.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je ergens heen moet.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je nergens heen moet.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je ergens heen kunt.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je nergens heen kunt.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat er valkuilen zijn.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat er geen valkuilen zijn.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je iemand bent.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je niemand bent.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je niet moet denken.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Denken dat je anders moet denken.’

‘Wat is de grootste valkuil op de weg naar niet weten?’
‘Niet denken.’

‘Hoeveel valkuilen zijn er wel niet op de weg naar niet-weten?’
‘Net zoveel als er gedachten zijn.’
‘Dat is toch geen doen!’
‘Niet weten is geen doen.’
‘Niet weten is maar laten?’
‘Laten is de grootste valkuil op de weg naar niet weten.’
‘Valkuilen omzeilen is de weg.’
‘Valkuilen omzeilen is…’
‘… de grootste valkuil op de weg naar niet weten, wou je zeggen.’
‘Welnee.’
‘Wat wou jij zeggen?’
‘Valkuilen omzeilen is niet de weg.’
‘Wat is wel de weg?’
‘Vallen is de weg.’


Een omweg

‘Wat is de weg?’
‘Het weten doden.’
‘En dan?’
‘Is alles weg.’
‘En dan?’
‘Het niet-weten doden.’
‘En dan?’
‘Is alles terug.’
‘En dat is de weg?’
‘En dat was de weg.’


Wannabees

Meester Sof heeft gezegd:

Wie een kuil graaft voor zijn weten valt er zelf in.’

Hij voegde eraan toe:

Wie een kuil graaft voor zichzelf loopt er steeds omheen.’


Een goed begin

‘Zoek je iets?’
‘Ja.’
‘Dan ben je bij mij aan het verkeerde adres.’
‘Ik bedoel, nee.’
‘Dan ben je bij mij aan het verkeerde adres.’
‘Wanneer ben je bij u aan het juiste adres?’
‘Zoek je iets?’
‘Ja, ik bedoel, nee, ik bedoel… verdorie!’
‘Verdorie?’
‘Ik weet niet meer wat ik moet zeggen.’
‘Dan ben je bij mij aan het juiste adres.’


Over het nut van instructies

Een leerling komt aangerend met een bord aan een paal.’
‘Waar heb je dat vandaan?’
‘Uit een veldje narcissen in het park!’
‘Laat eens zien.’
Triomfantelijk steekt de leerling het bord omhoog.’
De meester leest: ‘Pluk mij.’


Niets aan te doen

‘Zien mensen tegen jou op?’
‘Daar heb ik geen boodschap aan.’
‘Als ze dat merken, laten ze je dan vallen?’
‘Daar heb ik geen boodschap aan.’
‘Doet het dan geen zeer?’
‘Soms wel, soms niet…’
‘Maar?’
‘Daar heb ik geen boodschap aan.’
‘En als je er toch een boodschap aan hebt?’
‘Kan gebeuren.’
‘Wat dan?’
‘Dan heb ik dáár geen boodschap aan.’
‘Enzovoort?’
‘Zonder eind.’
‘Tja.’
‘Wat?’
‘Inspirerend is anders.’
‘Daar heb ik geen boodschap aan.’


Klare taal

‘Hoe noemt men hem die pertinente vragen stelt?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die impertinente vragen stelt?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die geen vragen meer stelt?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die weet?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zich het ene weet?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zich het bewustzijn weet?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die de waarheid kent?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die de vrijheid gevonden heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zich van de vrijheid bevrijd heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zijn gedachten de baas is?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zijn gedachten niet meer als de zijne beschouwd?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die zichzelf in god gevonden heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die god in zichzelf gevonden heeft?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die mededogen heeft met alle voelende wezens?’
‘Leerling.’
‘Hoe noemt men hem die niet meer noemt?’
‘Leerling.’
‘Wie noemt men dan in hemelsnaam een leraar?’
‘Wie zich dat niet meer afvraagt.’


Goede raad

Opvolger: Wat moet ik doen als iemand conclusies begint te trekken?
Meester: Terugtrekken.


Onverschillig

‘Een goede leraar maakt het onbegrijpelijke begrijpelijk.’
‘Een goede leraar maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.’
‘Ga nou gauw.’
‘Dan niet.’
‘Komt daar ooit een einde aan?’
‘Dat merk je vanzelf.’
‘Wat zal ik dan merken?’
‘Dat je het verschil niet meer weet.’
‘Waartussen?’
‘Wat maakt dat nou uit.’
‘Ik snap er niets meer van.’
‘Zie je wel?’
‘Wat?’
‘Een goede leraar maakt het begrijpelijke onbegrijpelijk.’


Aanschouwelijk onderricht

Op een dag neemt de meester plaats op het spreekgestoelte en zakt er prompt doorheen.
Hij staat op, verliest zijn evenwicht, valt opnieuw, krabbelt weer overeind en slaat het stof van zijn pij.
Niemand verroert zich.
De meester zegt schor: ‘Beter had ik het niet kunnen zeggen.’
Hinkend verlaat hij de zaal.


Weg van de waarheid

Leerling: U bent de weg…
Meester: …die doodloopt.

Leerling: U bent de snelweg naar…
Meester: De ringweg.

Leerling: U bent de weg naar de waarheid.
Meester: Ik leid weg van de waarheid.
Leerling: Als het maar niet naar de leugen is.
Meester: Ik leid weg van de leugen.


Caput mortuum

‘Mag ik bij jou in de leer?’
‘Bij mij gaat men uit de leer.’
‘Ik wil leren leven.’
‘Bij mij leert men sterven.’
‘Men heeft mij verzekerd dat ik bij jou de hoogste wijsheid…’
‘Als je in de leer wilt zoek je maar een levende leraar.’
‘Ben jij dan geen levende leraar?’
‘Ik ben een dode leraar.’
‘Wie noemt zichzelf nou een dode leraar.’
‘Iemand die niets meer te zeggen heeft, zelfs dit niet.’
‘Minder kan haast niet.’
‘Net als de doden.’


Een brug te ver

‘Wat heeft u toch met mij voor?’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Wat heb ik daar nou aan.’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Maar wat doe ik dan hier?’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Maar wat doet u dan hier?’
‘Niets, snap dat dan.’
‘Ik geloof u niet.’
‘Ik ook niet.’
‘En toch geloof ik u.’
‘Ik ook.’
‘Ik snap er niets meer van.’
‘Ik ook niet.’
‘En toch snap ik het.’
‘Ik ook.’
‘Ik geloof werkelijk dat ik het vat.’
‘Dan ben je het alweer kwijt.’


Chinese wijsheid

‘Bent u Ping of bent u Pong?’
‘Tegen Ping ben ik Pong, tegen Pong ben ik Ping.’
‘En tegen Pingpong?’
‘Die speelt wel met zichzelf.’


Op dood spoor

Monnik: Wanneer mag ik in uw voetsporen treden?
Meester: Zodra je ze hebt uitgewist.


Alsof

‘Wat is de overeenkomst tussen de leerling en de leraar?’
‘Beiden doen alsof.’
‘En het verschil?’
‘De leerling doet alsof hij weet, de leraar doet alsof hij niet weet.’


Sola fide

‘Hoe onderscheid je bonafide leraren van malafide?’
‘Ze zijn allemaal malafide.’
‘Hoe bedoel je?’
‘De leraar kan erop schijten maar de leerling moet zijn eigen ramen lappen.’
‘Er zijn toch zeker oplichters onder de leraren?’
‘Maakt niet uit.’
‘Waarom niet?’
‘Stront is stront.’
‘Dus?’
‘Betaal er niet te veel voor.’


Uitzuiger

‘Volgens mij speel jij een spelletje met mij.’
‘Welk spelletje speel ik volgens jou?’
‘Pak me dan.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Om mij te slim af te zijn.’
‘Volgens mij speel jij een spelletje met mij.’
‘Welk spelletje dan?’
‘Ik zal je pakken.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Om mij in woorden te vangen.’
‘En dan?’
‘De waarheid uit mij te zuigen.’
‘En die waarheid luidt?’
‘Zie je wel.’


Dwarskop

‘Wat is de beste leermeester?’
‘Een ezel.’
‘Waarom?’
‘Omdat hij blijft staan zolang je nog wilt vertrekken en blijft lopen zolang je nog wilt afstijgen.’


Aan de andere kant

‘Wat is de beste leermeester?’
‘Een ezel.’
‘Waarom?’
‘Omdat hij altijd de andere kant op gaat.’
‘Altijd?’
‘Tot je voorgoed de weg kwijt bent.’
‘Dan wordt hij eindelijk gezeglijk?’
‘Dan is er geen andere kant meer.’


Het temmen van de ezel

‘Ik wil hebben wat jij hebt.’
‘Je veronderstelt dat ik iets heb.’
‘Dan wil ik kwijtraken wat jij kwijt bent.’
‘Je veronderstelt dat ik iets kwijt ben.’
‘Ik wil ervoor doen wat jij ervoor gedaan hebt.’
‘Je veronderstelt dat ik er iets voor gedaan heb.’
‘Dan wil ik laten wat jij ervoor gelaten hebt.’
‘Je veronderstelt dat ik er iets voor gelaten heb.’
‘Maar ik wil weten wat…’
‘Je veronderstelt dat het een kwestie van weten is.’
‘Dan wil ik afleren wat…’
‘Je veronderstelt dat het een kwestie van niet weten is.’
‘Waarvan is het dan wel een kwestie?’
‘Je veronderstelt dat het een kwestie is.’
‘Maar wil je me dan tenminste zeggen…’
‘Je veronderstelt dat ik iets wil zeggen.’
‘Maar je kunt toch wel…’
‘Je veronderstelt dat ik iets kan.’
‘Maar je hebt toch…’
‘Je veronderstelt dat je iemand voor je hebt.’
‘Maar…’
‘Of dacht je soms dat je niemand voor je had?’
‘Ik…’
‘Je veronderstelt dat je iemand bent.’

‘En denk nou maar niet dat je niemand bent.


Een oud kunstje

‘Jij bent een heel bijzonder mens.’
‘Ja hoor.’
‘Nee, echt.’
‘Vanwege mijn ongeëvenaarde wijsheid zeker.’
‘Je haalt me de woorden uit de mond.’
‘Koud kunstje.’
‘Hoe dat zo?’
‘Je bent de zoveelste die het zegt.’
‘Dat bewijst het eens te meer.’
‘Ik weet precies waar jij mee bezig bent.’
‘Dan weet je meer dan ik.’
‘Ik loop al heel wat jaartjes mee.’
‘Waar ben ik dan mee bezig?’
‘Mij tot autoriteit te verklaren.’
‘Waarom zou ik dat doen?’
‘Om bij mij je gelijk te kunnen halen.’
‘Welk gelijk dan wel?’
‘Welk gelijk dan ook.’
‘Je hebt helemaal gelijk.’
‘Zie je wel.’
‘Jij bent een heel bijzonder mens.’


Geen oor om mee te horen

‘Ik heb enorme bewondering voor jou.’
‘Alleen maar om je in groot gezelschap te kunnen wanen.’
‘Je wantrouwt mijn motieven?’
‘Ik neem niet aan dat een mens door motieven wordt bewogen.’
‘Wou jij beweren van niet?’
‘Ik neem niet aan dat een mens niet door motieven wordt bewogen.’
‘Mijn bewondering is anders oprecht.’
‘Daar twijfel ik niet aan.’
‘Maar?’
‘Je bewondert een innerlijk afgodsbeeld.’
‘Volgens mij heb ik een heel realistisch beeld van jou.’
‘Hoe kan een beeld nou realistisch zijn.’
‘Hoe moet ik je dan zien?’
‘Zoals ik ben.’
‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Geen idee.’
‘Doel je op het niets?’
‘Dat is nog steeds een voorstelling.’
‘Waarop doel je dan?’
‘Wat dacht je van niet voorstellen?’
‘Hoe kan ik nou niet voorstellen?’
‘Ik kan me er ook niets bij voorstellen.’
‘Je kunt je toch alleen maar íets voorstellen?’
‘Stel je dan maar alles voor.’
‘Bedoel je dat je alles bent?’
‘Dat is nog steeds een voorstelling.’
‘Jij laat je geen oor aannaaien, hè?’
‘Geen oor om mee te horen.’
‘Alleen al daarom heb ik enorme bewondering voor jou.’
‘Alleen maar om je in groot gezelschap te kunnen wanen.’


Idolen van de zoeker

Genpo Roshi*
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Maezumi Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Eido Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Sasaki Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Baker Roshi
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Walter Nowick
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Seung Sahn Soen Sa Nim
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Rients Ritskes
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Lama Kelsang Chöpel
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Mettavihari
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Andrew Cohen
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Alexander Smit
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Osho
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Sai Baba
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Sri Rishi Prabhakar
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Paramhamsa Nityananda
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Kirtanananda Swami
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Kardinaal Simonis
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Moeder Theresa
Je denkt: Ik word net als zij.
Wat blijkt: Zij is een van ons.

Jim Jones
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Joseph Mengele
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Adolf Hitler
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Jozef Stalin
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Pol Pot
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Mao Zedong
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Osama Bin Laden
Je denkt: Ik word net als hij.
Wat blijkt: Hij is een van ons.

Hans van Dam
Je denkt: Hij is een van ons.
Wat blijkt: Ik ben net als zij.

Jij
Je denkt: Ik blijf steeds mezelf.
Wat blijkt?


* Genpo Roshi zou herhaaldelijk seks met leerlingen hebben gehad en exorbitante tarieven voor retraites gerekend hebben, en moest aftreden als hoofd van de Kanzeon sangha.

Maezumi Roshi zou een alcoholist zijn geweest die zijn gezin verwaarloosde en beschonken in bad verdronk.

Eido Roshi zou zich vijftien jaar lang bezondigd hebben aan seks met leerlingen en moest zich terugtrekken als hoofd van de Zen Studies Society.

Sasaki Roshi wordt ervan beschuldigd meer dan een halve eeuw seks met leerlingen gezocht te hebben onder het motto ‘ware liefde is jezelf weggeven’.

Baker Roshi wordt beticht van machtsmisbruik en extravagantie.

Walter Nowick zou zich als leider van de eerste Amerikaanse zen-gemeenschap grillig en onverantwoordelijk hebben gedragen.

Seung Sahn, grondlegger van de kwan-um school of zen, zou seksuele relaties met leerlingen hebben gehad en al te lichtvaardig transmissie hebben verleend.

Rients Ritskes, stichter van een keten van zenscholen, wordt beticht van titelfraude.

Lama Kelsang Chöpel wordt beticht van titelfraude, intimidatie, en seks met leerlingen.

Mettavihari wordt beticht van jarenlange seks met leerlingen, gebruik van giften voor persoonlijke doeleinden en contacten met de georganiseerde misdaad.

Andrew Cohen wordt beticht van geestelijke en lichamelijke mishandeling en geldklopperij.

Alexander Smit zou een driftige, geldbeluste womanizer zijn geweest.

Osho zou een megalomane materialist en een paranoïde querulant zijn geweest.

Sai Baba zou een oplichter en een fraudeur zijn geweest die zich vergreep aan talloze leerlingen, jong en oud.

Sri Rishi Prabhakar zou chantage hebben gepleegd en seksuele omgang met leerlingen hebben gehad.

Paramhamsa Nityananda zou zich schuldig hebben gemaakt aan misbruik, vrijheidsberoving en verkrachting.

Kirtanananda Swami zou zich schuldig hebben gemaakt aan fraude, afpersing en seks met minderjarigen.

Kardinaal Simonis zou niet daadkrachtig hebben opgetreden tegen pedofiele priesters en seksueel misbruik in de katholieke kerk hebben proberen te verhullen.

Moeder Theresa zou een potentate zijn geweest die graag in het gezelschap van rijken verkeerde terwijl ze de armoede verheerlijkte en spirituele hulp bood waar medische hulp geboden was.

Jim Jones zou zich schuldig hebben gemaakt aan machtsmisbruik, hersenspoeling en de gedwongen zelfmoord van bijna duizend sekteleden.

Joseph Mengele zou wrede, pseudowetenschappelijke medische experimenten hebben uitgevoerd op Joodse gevangenen tijdens de tweede wereldoorlog.

Adolf Hitler, Jozef Stalin, Pol Pot en Mao Zedong zouden in de twintigste eeuw een schrikbewind hebben uitgevoerd in Duitsland, Rusland, Cambodja en China, met tientallen miljoenen slachtoffers als resultaat.

Osama Bin Laden zou de oprichter van de Arabische terreurorganisatie Al Qaida en het brein achter 9-11 zijn geweest.

Hans van Dam besteedt bijna al zijn tijd en geld aan zichzelf en zijn lief, en kijkt voortdurend weg van bijna alle misstanden in de wereld. Hij heeft gefraudeerd, gesmokkeld, ingebroken, gestolen, geheeld, gelogen, geroddeld, geslagen, seks met minderjarigen gehad, sodomie en overspel gepleegd, gehoereerd, gemanipuleerd, geïntimideerd, gediscrimineerd, gepest, gevandaliseerd, gedood en opdracht, aanleiding en gelegenheid gegeven tot het doden van vele wilde en tamme dieren, vissen, planten en insecten. Als dat opportuun was geweest zou hij naar zijn eigen oordeel tot veel ergere dingen in staat zijn geweest, en nog steeds zijn.
Daarnaast heeft hij inmiddels duizenden misleidende teksten over niet weten op zijn geweten.

Jij…

Deze tekst is ook verschenen in het Boeddhistisch Dagblad, naar aanleiding van de ophef die ontstond over het wangedrag van de Thaise boeddhist Mettavihari.


IJdele hoop

 

De andere helft

Je hoeft niet te ontwaken
Om tot alles in staat te zijn
En het helpt ook geen zier


Je ware aard

Meester: Je bent al een boeddha ook al weet je het niet.
Monnik: Ik blijf maar een mens ook al wil ik het niet.

Tien jaar later:

Monnik: Je bent al een boeddha ook al weet je het niet.
Meester: Je blijft toch een mens ook al wil je het niet.


Twee verschillen

‘Als jij nog steeds tot alles in staat bent, wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Twee verschillen.’
‘Wat is het eerste?’
‘Dat ik het onder ogen zie.’
‘Zet dat zelfbewustzijn geen rem op ongewenst gedrag?’
‘Daar sta ik niet voor in.’
‘Volgens mij namelijk wel.’
‘En dat is het tweede.’


Een ongelijke strijd

‘Vind jij dat we onze idolen moeten bestrijden?’
‘Je veronderstelt een vrije wil.’
‘Wat is de vrije wil?’
‘Het grootste idool van de moderne mens.’
‘Wat is het tegenovergestelde van de vrije wil?’
‘De onvrije wil natuurlijk.’
‘Wat is de onvrije wil?’
‘Het grootste idool van de spirituele mens.’
‘Waar neig jij naar?’
‘Naar niet neigen.’
‘Is dat jouw idool?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Niet weten dan?’
‘Ik geloof het niet.’
‘Niet geloven?’
‘Zeg, ik blijf niet aan de gang.’
‘Ik probeer je alleen maar te betrappen.’
‘Ik jou ook.’
‘Maar het lukt niet.’
‘En het lukt best.’
‘Maar jij blijft mijn grootste idool.’
‘Vind jij dat we onze idolen moeten bestrijden?’


Menschliches, Allzumenschliches

‘Wat betekent het om mens te zijn?’
‘Niet weten wat het betekent om mens te zijn.’

‘Wat betekent het om mens te zijn?’
‘Niet weten wat je van jezelf kunt verwachten.’

‘Wat betekent het om mens te zijn?’
‘Dat wil je niet weten.’


Kort en klein

‘Hoe zou jij je medemens kenschetsen?’
‘Wil je de lange versie of de korte?’
‘Doe de lange maar.’
‘Je weet maar nooit.’
‘Als dit de lange is, wat is dan de korte?’
‘Tja.’
‘Hoe zou jij jezelf kenschetsen?’
‘De lange versie zeker?’
‘Graag.’
‘Tja.’
‘O.’
‘Nee, dat is de korte.’
‘ ‘O’?’
‘Ja.’
‘Korter kan haast niet.’

‘Op die manier.’
‘Kon het toch korter.’

‘Zo kun je het ook zeggen.’
‘Nou, zeggen.’
‘Hoe zou jij jezelf kenschetsen?’
‘Je weet maar nooit.’
‘Voorspelbaar.’


Uitgerekend

‘Is de mens dan helemaal onvoorspelbaar?’
‘Dan zou hij toch weer voorspelbaar zijn.’
‘Waarin?’
‘In zijn onvoorspelbaarheid natuurlijk.’
‘Bedoel je dat hij toch berekenbaar is?’
‘Rekenen is rekenen.’
‘Maar?’
‘Ik reken nergens op.’


Koning keizer admiraal

‘Ik heb het dwepen afgezworen.’
‘Welk dwepen?’
‘Elk dwepen.’
‘Oei.’
‘Dat is opletten geblazen hoor.’
‘Je moet toch wat.’
‘Ik zie het als een keuze.’
‘Dweep jij met de vrije wil?’
‘Ik heb het dwepen afgezworen, zeg ik toch.’
‘Dweep jij met niet-dwepen?’
‘Verhip.’
‘Boter op je lip.’
‘Krijg de pip.’
‘Koning keizer admiraal…’
‘Dwepen doen we allemaal?’
‘Is dat waar?’
‘Zeg jij het maar.’
‘Als het maar rijmt.’
‘Dat rijmt niet.’
‘Zeurpiet.’
‘Waar dweep jij mee?’
‘Ik?’
‘Aha, jij waant je iemand.’
‘Wie?’
‘Aha, jij waant je niemand.’
‘Tja.’
‘Aha, jij waant je weteloos.’
‘Volgend onderwerp.’
‘Almaar verder gaan, is dat jouw ding?’
‘Wat?’
‘Gate gate paragate parasamgate?’
‘Schei toch uit.’
‘Steeds opnieuw beginnen?’
‘Hè?’
Zen mind, beginner’s mind.’
‘Daar hou ik me allemaal niet mee bezig.’
‘Waar hou je je allemaal wel mee bezig?’
‘Op dit moment?’
‘Nou?’
‘Met jou.’
‘Oei.’
‘Maar om dat nou dwepen te noemen…’


Dweepslag

De leerling dweept met de meester.
De advaitavadin dweept met het bewustzijn.
De sanyassin dweept met de nieuwe mens.
De jnani dweept met het hoofd.
De bhakti dweept met het hart.
De bodhisattva dweept met mededogen.
De boeddhist dweept met leegte.
De daoïst dweept met het onzegbare.
De gnosticus dweept met geheime kennis.
De universalist dweept met eeuwige wijsheid.
De mutist dweept met stilte.
De mysticus dweept met god.
De numinist dweept met het onbekende.
De nuïst dweept met het heden.
De eternalist dweept met de eeuwigheid.
De monist dweept met eenheid.
De holist dweept met heelheid.
De non-dualist dweept met ondeelbaarheid.
De idealist dweept met de geest.
De yogi dweept met het lichaam.
De tantrist dweept met het zinnelijke.
De transcendentalist dweept met het bovenzinnelijke.
De illuminaat dweept met het licht.
De obscurantist dweept met de duisternis.
De zenboeddhist dweept met het kussen.
De dwijze dweept met niet-weten.
De anarchist dweept met niet-dwepen.
En jij?


Schiftgeleerde

‘Hans, mag ik jou een vraag stellen?’
‘Daar komen alleen maar antwoorden van.’
‘Het is de taak van de spirituele leraar om ons bij te staan op onze weg naar non-dualiteit, schrijft Nico Tydeman in zijn boek Transmissie en Transcendentie.*
‘God sta ons bij.’
‘In zijn boek maakt de auteur onderscheid tussen drie aspecten van het spirituele leraarschap.’
‘Ik weet er wel driehonderd.’
‘Vriend, goeroe en mystagoog.’
‘Pijl, daar gaat je boog.’
‘Pardon?’
‘Scheiden doet lijden.’
‘Wat?’
‘Of was het nou andersom?’
‘Lijden doet scheiden?’
‘Wat zegt Nico daarover?’
‘Ik kan je even niet meer volgen.’
‘Ik al heel lang niet meer.’
‘Waar pas jij in zijn lerarenschema?’
‘Mooie koan.’
‘Werk nou even mee.’
‘Ik pas er niet in, ik sta er niet buiten, ra ra.’
‘Je staat erboven, wou je zeggen.’
‘Nee dank je, ik zit liever.’
‘Ben jij een vriend?’
‘Een vriend voor mijn vijanden, een vijand voor mijn vrienden.’
‘En voor jezelf?’
‘Een vrijhand.’
‘En voor je leerlingen?’
‘Een leerling.’
‘Heb jij leerlingen?’
‘Of hebben zij mij?’
‘Of ben je meer een goeroe.’
‘Of meer een ouwe hoeroe?’
‘Die de dharma demonstreert door zijn gedrag?’
‘Ik ben voorgoed uitgedemonstreerd.’
‘Dan moet je wel een mystagoog zijn.’
‘Een mis-agoog. Een mist-agoog. Een mista-goochem. Een mista-goochelaar.’
‘Afijn.’
‘Weet je wat ik wel zou willen zijn?’
‘Een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn.’
‘Ik dacht eerder aan een mistgordijn.’
‘Geen vriend, geen goeroe, geen mystagoog, maar een mistgordijn?’
‘Of doe maar een mistbank.’
‘Je zegt het maar.’
‘Dan kun je gezellig naast me komen zitten.’
‘Nee dank je, ik sta liever.’
‘Verschil moet er zijn.’
‘Ben je het er tenminste mee eens dat de spirituele leraar ons bij moet staan op onze weg naar non-dualiteit?’
‘Weg met de non-dualiteit.’
‘God sta ons bij.’
‘Hoe zit het eigenlijk met de schriftgeleerde?’
‘Die heeft geen plek gekregen in Nico’s typologie, Hans.’
‘Jammer.’
‘Hoezo, zie jij jezelf als schriftgeleerde?’
‘De beste die er is.’
‘Wat is jouw specialiteit?’
‘Het lege schrift.’
‘Hè?’
‘Maar daar weet ik dan ook alles van.’

* hieronder verder T&T genoemd


Stille getuigen

‘Wat voor spirituele leraar ben jij, Hans?’
‘Wat voor vader ben jij?’
‘Ik ben een vrouw, sufferd.’
‘Ik bedoel maar.’
‘Als jij een spirituele leraar was, wat voor een zou je er dan zijn?’
‘Een afleraar?’
‘Wat doet een afleraar?’
‘Afleren?’
‘Wie zit er nou te wachten op een afleraar!’
‘Een afleerling?’
‘Vanwaar al die vraagtekens?’
‘Ik moet de eerste afleerling nog tegenkomen.’
‘Voel jij je als auteur van niet-weten.nl eerder een goeroe, een vriend of een mystagoog?’
‘Een auteur, zou ik zeggen.’
‘Maar wat is het doel van je schrijverschap?’
‘Geen idee, schrijven?’
‘Ik dacht dat je ‘getuigen’ zou zeggen.’
‘God is mijn getuige.’
‘Maar waarvan?’
‘Vraag dat maar aan god.’
‘Die heeft kennelijk geen tijd voor mij.’
‘Er zijn nog zeven miljard wachtenden voor je.’
‘Daarom vraag ik het nu aan jou.’
‘Als ik het wist, hoefde ik geen getuigenis meer af te leggen.’
‘Dan zei je het gewoon.’
‘Dan hield ik het gewoon voor me.’
‘Kan een getuigenis niet tevens leerzaam zijn?’
‘En wat dan nog?’
‘Dan zou de getuige tevens leraar zijn.’
‘Vind jij mijn getuigenis leerzaam?’
‘Ik vind jouw getuigenis leerzamer dan alles wat ik op dit vlak ooit gelezen heb.’
‘Waarom vraag je het dan aan mij?’
‘Ik wou weten hoe jij erover dacht.’
‘Wat voor spirituele leerling ben jij?’


Agent in burger

‘Als jij een monnik was, wat voor een zou je er dan willen zijn, Hans?’
‘Een stille.’
‘Waarom hou je dan je mond niet?’
‘Omdat ik een stille wil zijn.’
‘Als jij een getuige was, wat voor een zou je er dan willen zijn?’
‘De stilste.’
‘Waarom leg je dan je pen niet neer?’
‘Omdat ik de stilste wil zijn.’
‘Bén jij een getuige?’
‘Ik zeg niks.’
‘Of toch meer een monnik?’
‘Jij zegt het.’


Ongeslagen

‘Wie God kent, is met stomheid geslagen.’
‘Wie zegt dat?’
‘Rumi, Hans.’
‘Wie met stomheid geslagen is, spreekt niet van God.’
‘Want wie met stomheid geslagen is, kent geen God?’
‘Wie met stomheid geslagen is, spreekt niet van niet-God.’
‘Want wie met stomheid geslagen is, kent geen niet-God?’
‘Want wie met stomheid geslagen is, spreekt niet.’
‘Betekent dit dat Rumi God niet kent?’
‘Vraag dat maar aan Rumi.’
‘Betekent het dat God Rumi niet kent?’
‘Vraag dat maar aan God.’
‘Wat betekent het dan wel?’
‘Dat Rumi niet met stomheid geslagen is.’
‘Ken jij God?’
‘Ik ben met stomheid geslagen.’
‘Bedoel je dat je God niet kent?’
….
‘Kent God jou?’

‘Bedoel je dat God jou niet kent?’

‘Ken jij jezelf?’

‘Bedoel je dat jij jezelf niet kent?’

‘Is er een jij om te kennen?’

‘Bedoel je dat er geen jij is om te kennen?’

‘Ken jij de wereld?’

‘Bedoel je dat je de wereld niet kent?’

‘Is er een wereld om te kennen?’

‘Bedoel je dat er geen wereld is om te kennen?’

‘Ben jij het kennen zelf?’

‘Bedoel je dat jij niet het kennen zelf bent?’

‘Is er zoiets als het kennen zelf?’

‘Bedoel je dat er niet zoiets is als het kennen zelf?’

‘Bedoel je dat je niets weet?’

‘Bedoel je dat je toch iets weet?’

‘Bedoel je dat er niets te zeggen is?’

‘Bedoel je dat er toch iets te zeggen is?’

‘Bedoel je dat je met stomheid geslagen bent, Hans?’
‘Dan had ik dat wel gezegd.’
‘Wie met stomheid geslagen is spreekt niet, zei je toch?’
‘Wat heb ik dan gezegd?’


Onwezenlijk

‘Hans, wat is het wezenlijke verschil tussen jou en andere leraren?’
‘Dat ik geen leraar ben?’
‘Waarom dan al die dwaalteksten?’
‘Omdat ik geen leraar ben?’
‘Wat is een leraar volgens jou?’
‘Iemand die je vertelt hoe het zit?’
‘Waarom vertel jij me niet hoe het zit?’
‘Omdat ik dat niet weet?’
‘Waarom zou ik dan nog naar je luisteren?’
‘Misschien wel juist daarom?’
‘Waarom snap ik dat nou niet?’
‘Omdat ik geen leraar ben?’
‘Wat is het wezenlijke verschil tussen jou en andere leraren?’


Het draadsel van ik en jij

‘De beroemde Conferentie van de vogels van Farid-ud-din Attar eindigt met de uitspraak ‘Het raadsel van ik en jij was opgelost.’* Heb jij het raadsel van ik en jij opgelost, Hans?’
‘Voor eens en voor altijd.’
‘Nou?’
‘Ik ben ik en jij bent jij. Ik ben ik niet en jij bent jij niet. Ik ben niet-ik en jij bent niet-jij. Ik ben jij en jij bent ik. Ik ben jij en ik en jij bent ik en jij. Ik ben jij noch ik en jij bent ik noch jij. De oplossing van het raadsel is het raadsel zelf. De oplossing is dat het raadsel niet hoeft te worden opgelost. Er is helemaal geen oplossing van het raadsel van ik en jij. Er is helemaal geen raadsel van ik en jij. Nou jij weer.’
‘Hoe verzin je het.’
‘Gaat helemaal vanzelf.’
‘Maar wat is het juiste antwoord?’
‘Nou jij weer.’

* T&T, 287


Leuk bedacht

‘Verlossing is het einde van alle denken, Hans.’
‘Zou je denken?’
‘Ik heb het van Nico Tydeman.’
‘Man man, wat kan die denken.’
‘Die heeft het ook niet van zichzelf.’
‘Wie had dat gedacht.’
‘Hij heeft het namelijk van Nagarjuna.’
‘Man man, wat kon die denken.’
‘Kon ik maar zo denken.’
‘Denk jij dan nog steeds?’
‘Ik denk me rot.’
‘Dan kun je nog niet verlost zijn.’
‘Pardon?’
‘Verlossing is het einde van alle denken, zei je toch?’
‘Ben jij al helemaal uitgedacht?’
‘Ik kan wel zoveel denken.’
‘Jij bent nog steeds niet helemaal uitgedacht?’
‘Ik moet er niet aan denken.’
‘Dan ben jij ook nog niet verlost.’
‘Zou je denken?’
‘Dat is ook maar een gedachte, wou je zeggen.’
‘Alsof ik iets wou zeggen.’
‘Bedoel je dat je niks wou zeggen?’
‘Dit ook.’

‘[Nagarjuna] wilde geen nieuwe filosofie, maar bevrijding. En bevrijding komt niet van het denken. Verlossing is het einde van alle denken.’ (T&T, 264)


Fun dementeel

‘Het fundamentele kenmerk van een boeddha is dat hij geen kenmerken heeft.*
‘Toch weer een kenmerk gevonden?’
‘Maar ik zeg toch juist dat een boeddha geen kenmerken heeft?’
‘Toch weer een boeddha gevonden?’

* ‘Maar het kenmerk van een boeddha is dat hij geen kenmerken heeft.’ (T&T, 265)


Funda mentaal

‘De fundamentele waarheid van zen is onthechting van elke waarheid.*
‘Is dat waar?’
‘Het gaat er niet om of het waar is, Hans, het gaat erom van elke waarheid te onthechten.’
‘Behalve van deze zeker.’
‘Zelfs de leer en het onderricht verdienen geen gehechtheid.’
‘Is dat waar?’
‘Daar gaat het niet om, zeg ik toch?’
‘Waarom dan wel?’
‘Dat je ook qua leer en onderricht nergens aan hecht.’
‘Behalve hieraan zeker.’

* ‘De fundamentele waarheid van zen is onthechting van elke waarheid. Ook de leer en het onderricht verdienen geen gehechtheid.’ (T&T, 266)


Lijmsnuivers

‘Waarheid is als lijm: zodra ik denk dat die gevonden is, kleef ik eraan vast. En alles waaraan ik vast blijf houden, veroorzaakt lijden.*
‘Is dat waar?’
‘Wat?’
‘Dat alles waaraan je vast blijft houden, lijden veroorzaakt?’
‘Volgens de Boeddha wel.’
‘Dan zou ik er maar niet aan vasthouden.’
‘Aan de Boeddha niet?’
‘Bijvoorbeeld.’
‘Waaraan nog meer niet?’
‘Aan de gedachte dat alles waaraan je vast blijft houden, lijden veroorzaakt bijvoorbeeld.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het lijden veroorzaakt, zei je toch?’
‘Verdraaid.’
‘Maakt niet uit.’
‘Waarom niet?’
‘Alles wat je loslaat, veroorzaakt ook lijden.’
‘Echt waar?’
‘En alles waaraan je vast blijft houden, veroorzaakt ook vreugde.’
‘Alles waaraan je vast blijft houden, veroorzaakt zowel lijden als vreugde?’
‘Nou, alles.’
‘En alles wat je loslaat, veroorzaakt ook lijden?’
‘En vreugde, niet te vergeten.’
‘Alles waaraan je vasthoudt en alles wat je loslaat veroorzaakt zowel lijden als vreugde?’
‘Nou, alles.’
‘Maar vasthouden en loslaten kunnen zowel lijden als vreugde veroorzaken?’
‘Onder meer.’
‘Dus?’
‘Dus.’

* T&T, 264


Van huis uit

‘Wie thuisloos is, is overal thuis.*
‘Wie thuisloos is, is nergens thuis.’
‘Hoe dat zo?’
‘Anders zou hij niet thuisloos zijn.’
‘Hoe is het om nergens thuis te zijn?’
‘Vraag dat maar aan iemand die thuisloos is.’
‘Waar ben jij thuis, Hans?’
‘Zegt me niks.’
‘ ‘Hans’ niet of ‘thuis’ niet?’
‘Wat jij wilt.’
‘In niet weten?’
‘Zegt me niks
‘Jij bent toch thuisgekomen in niet weten?’
‘Stel je voor.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Dan was ik nog verder van huis.’
‘Verdomme.’
‘Een rechte is een kromme.’
‘Hè?’
‘Maar nimmer andersomme.’
‘Wat ik ook vraag, jij geeft niet thuis.’
‘Ik geef het graag, maar wie wil het hebben?’

* T&T, 321


Transmission impossible

‘Hoeveel mensen heb jij transmissie verleend, Hans?’
‘Wat ben ik, een transmissionaris?’
‘Ik bedoel, heb jij ooit iemands niet weten erkend?’
‘Ik heb niet eens mijn eigen niet weten erkend.’
‘Je heb niet eens je eigen niet weten erkend?’
‘Het is niet mijn zoon en ik ben niet zijn vader.’
‘Heeft niet weten jou erkend?’
‘Het is niet mijn vader en ik ben niet zijn zoon.’
‘Ik bedoel, kun jij zien of iemands niet weten authentiek is?’
‘In tegenstelling tot?’
‘Voorgewend?’
‘Voorwenden is een vorm van authenticiteit.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Authenticiteit is een vorm van voorwenden.’
‘Bedoel je dat je geen onderscheid weet te maken?’
‘Waartussen?’
‘Niet weten is niet weten, wou je zeggen.’
‘Alsof ik iets wou zeggen.’
‘Bedoel je dat je niets wou zeggen?’
‘Alsof ik iets wou zeggen.’
‘Bedoel je dat er geen niet weten is?’
‘Hoe weet ik dat nou.’
‘Waar hebben we het dan nog over?’
‘Jij bent begonnen.’
‘Toch komt jouw niet weten op mij volstrekt authentiek over.’
‘Dan zal dat het verschil wel zijn.’
‘Al was het maar omdat jij zelfs je eigen niet weten weigert te erkennen.’
‘Ik weiger het zelfs te ontkennen.’
‘Je weigert het zelfs te ontkennen?’
‘Dat kan ik niet bevestigen.’
‘Laat staan dat je iemand transmissie zou verlenen.’
‘Wat ben ik, een transmissionaris?’


Hoger

‘Hans, wat is transcendentie volgens jou?’
‘Overstijging.’
‘Wat wordt er overstegen?’
‘Het is maar net aan wie je het vraagt.’
‘Volgens Nico Tydeman wordt de duale ervaring overstegen in de non-duale ervaring.’
‘Daar heb je het al.’
‘En als je het aan Hans van Dam vraagt?’
‘Geen idee, de overstijging?’
‘Jij hebt de transcendentie overstegen?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘Waar kom je dan terecht?’
‘Waar niet.’
‘In niet weten, wou je zeggen.’
‘Dan had ik dat wel gezegd.’
‘Wat is transcedentie volgens jou?’


Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van de weg, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van de waarheid?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van het leven?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van god?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van liefde?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van tijd?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van het hier en nu?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van het ego?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van het zelf?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van jezelf?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van de mens?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van de boeddha?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van de dharma?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van zen?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van leegte?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van afhankelijk ontstaan?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van onthechting?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van transmissie?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van transcendentie?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van metta?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van karuna?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van mudita?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van upekkha?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van samsara?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van nirwana?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van karma?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van dualiteit?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van non-dualiteit?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van het bewustzijn?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van tao?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van lijden?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van geluk?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van de zin van het leven?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van bevrijding?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van verlichting?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’

‘Wat weet jij eigenlijk van niet weten?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Waarvoor eigenlijk?’
‘Voor je geloofwaardigheid natuurlijk.’
‘Alsof ik mensen iets wil laten geloven.’
‘Jij wilt ze natuurlijk niets laten geloven.’
‘Geloof je dat nou echt?’