Meister Eckhart

‘En zo is jouw onweten niet een gebrek, maar juist je opperste volmaaktheid.’ Citaten van theoloog, filosoof en mysticus Meister Eckhart (1260-1328).

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Mystiek > Meister Eckhart

Tip: Nada nada nada


uit Over God wil ik zwijgen II, Preken, Meister Eckhart, vertaald door C.O. Jellema, Historische Uitgeverij, Groningen 2001:


Beati Pauperes Spiritu

[integrale tekst van preek 1]

Beati pauperes spiritu, quoniam ipsorum est regnum caelorum.
(Mattheüs 5, 3)

De zaligheid opende de mond der wijsheid en sprak: ‘Zalig zijn de armen van geest, want het hemelrijk is het hunne.’

Alle engelen en alle heiligen en al wat ooit werd geboren, ze moeten zwijgen wanneer de wijsheid van de Vader spreekt; want de wijsheid van de engelen en alle schepselen samen is louter dwaasheid tegenover de grondeloze wijsheid van God. Die heeft gesproken dat de armen zalig zijn.

Nu zijn er twee soorten armoede: een uiterlijke armoede, en die is goed en heel prijzenswaardig bij die mens die ervoor kiest uit liefde voor onze Heer Jezus Christus, want Hijzelf heeft haar op aarde verdragen. Over die armoede wil ik nu niet verder spreken. Dan is er nog een andere armoede, een innerlijke armoede, en daarover gaat het woord van onze Heer wanneer Hij zegt: ‘Zalig zijn de armen van geest.’

Nu vraag ik jullie om zo te zijn dat jullie begrijpen wat hier bedoeld is; want ik zeg jullie bij de eeuwige waarheid: jullie kunnen mij niet begrijpen, tenzij jullie aan die waarheid gelijk zijn waarover we nu willen spreken.

Verschillende mensen hebben me gevraagd wat armoede in wezen is en wat een arm mens is. Daarop willen we antwoord geven.

Volgens bisschop Albrecht is diegene arm die geen waarde hecht aan alles wat God ooit heeft geschapen- en dat is goed gezien. Maar wij gaan nog verder en verstaan onder armoede iets wat daarbovenuit gaat: diegene is arm die niets wil en niets weet en niets heeft.

Over die drie punten willen we nu spreken, en om de liefde Gods vraag ik jullie deze waarheid te begrijpen, a!s jullie dat kunnen; en als jullie die niet begrijpen, maak je dan geen zorgen, want de waarheid waarover ik wil spreken is van dien aard dat maar weinig goede mensen haar zullen begrijpen.

In de eerste plaats zeggen we dat diegene arm is die niets wil. Wat dat betekent begrijpen veel mensen niet goed. Dat zijn die mensen die in boetedoening en uiterlijke oefening, wat ze heel belangrijk vinden, vasthouden aan hun eigen ik. Erbarme zich God, dat zulke mensen zo weinig de goddelijke waarheid onderkennen! Deze mensen wekken de indruk heilig te zijn, maar innerlijk zijn het ezels, want het uitzonderlijke van de goddelijke waarheid begrijpen zij niet. Met de mond belijden ze dat diegene arm is die niets wil. Dat lichten ze aldus toe: de mens moet zo leven dat hij zijn wil nooit meer in bepaalde dingen vervuld wenst te zien, maar dat hij er naar streeft de allerliefste wil van God te vervullen. Ze hebben gelijk, want hun opvatting is juist; daarom willen we hen prijzen. In Zijn barmhartigheid moge God hun het hemelrijk geven. Maar, bij de goddelijke waarheid, ik zeg dat deze mensen niet arm zijn, noch op arme mensen lijken. Ze zijn zeer achtenswaardig in de ogen van hen die niet beter weten. Maar ik zeg dat het ezels zijn die de goddelijke waarheid niet begrijpen. Om hun juiste opvatting mogen ze het hemelrijk verkrijgen, maar van de armoede waarover we nu willen spreken, hebben ze geen weet.

Wie mij nu vraagt wat dan een arm mens is die niets wil, geef ik het volgende antwoord: zolang de mens zijn eigen wil bezit als datgene waarmee hij de allerliefste wil van God wil vervullen, is hij niet arm zoals wij dat bedoelen. Want zo’n mens heeft een wil waarmee hij aan de wil van God wil voldoen, en dat is niet de ware armoede. Want wil de mens waarlijk arm zijn, dan moet hij zo leeg van geschapen wil zijn als hij was toen hij er nog niet was. Want ik zeg jullie bij de eeuwige waarheid: zolang jullie de wil hebben om Gods wil te vervullen, en begeren naar de eeuwigheid en naar God, zolang zijn jullie niet arm; want diegene is arm die niets wil en niets begeert.

Toen ik me bevond in mijn eerste oorzaak, had ik geen god, en daar was ik de oorzaak van mijzelf; daar wilde ik niets, noch begeerde ik iets, want ik was een leeg zijn en een onderkenner van mijzelf in het genot van de waarheid. Daar wilde ik mijzelf en wilde niets anders; wat ik wilde, dat was ik, en wat ik was, dat wilde ik, en hier stond ik van God en van alles leeg. Maar toen ik, uit vrije wil uitkwam en mijn geschapen zijn ontving, toen had ik een god; want voordat de schepselen er waren, was God niet God, maar Hij was die Hij was. Maar toen de schepselen ontstonden en hun geschapen zijn ontvingen, was God niet god-inzichzelf, maar was Hij God in de schepselen.

Nu zeggen we dat God, voorzover Hij God is, niet het einddoel is van de schepselen: zo’n grote rijkdom heeft namelijk het geringste schepsel in God. En deed het geval zich voor dat een vlieg intellect bezat en via het intellect de eeuwige afgrond van het goddelijke zijn zou kunnen zoeken waaruit hij is voortgekomen, dan zouden wij zeggen dat God met al wat er God aan Hem is niet voldoende vervulling zou kunnen bieden voor de vlieg. Daarom bidden wij God dat wij van God leeg worden en dat we de waarheid ontvangen en eeuwig genieten daar waar de opperste engel en de vlieg en de ziel gelijk zijn, daar waar ik me bevond en wilde wat ik was en was wat ik wilde. Dus zeggen we: wil de mens arm zijn aan wil, dan moet hij even weinig willen en begeren als hij wilde en begeerde toen hij er nog niet was. En op die manier is de mens die niets wil arm.

In de tweede plaats is die mens arm die niets weet. We hebben wel eens gezegd dat de mens zo zou moeten leven dat hij noch voor zichzelf, noch voor de waarheid, noch voor God leeft. Maar nu zeggen we het anders en op een nog verder gaande wijze, namelijk dat de mens die zich deze armoede eigen wil maken zo moet leven dat hij niet weet dat hij leeft op welke manier ook, noch voor zichzelf, noch voor de waarheid, noch voor God. Sterker nog: hij moet zo leeg zijn van elke vorm van weten dat hij niet weet, noch onderkent of bevindt dat God in hem leeft. Sterker nog: hij moet leegzijn van al het onderkennen dat in hem leeft. Want toen de mens zich nog bevond in de eeuwige natuur van God, leefde in hem niet iets anders; sterker nog: wat daar leefde, dat was hij zelf. Dus zeggen wij dat de mens even leeg moet zijn van eigen weten, als hij deed. Toen hij er nog niet was, en late God Zijn werk doen, wat Hij maar wil, en houde de mens zich leeg.

Alles wat ooit uit God voortkwam heeft louter werking meegekregen. Nu is het aan de mens eigen werk: liefhebben en onderkennen. Het is nu de vraag waarin de grootste zaligheid ligt. Nog al wat leermeesters hebben gezegd dat die ligt in het onderkennen, anderen dat die ligt in de liefde; weer anderen zeggen dat die zowel in het onderkennen als in de liefde ligt en dat is beter gesproken. Maar wij zeggen dat zij noch in het onderkennen, noch in de liefde ligt. Immers er is iets in de ziel van waaruit kennis en liefde voortvloeien. Dat ‘iets’ kent niet en bemint niet, zoals de krachten van de ziel dat doen. Wie dit onderkent, onderkent ook waarin zaligheid ligt. Dit ‘iets’ heeft niets voor zich of achter zich, het wacht niet op wat nog komen kan, want het kan noch winnen, noch verliezen. Daarom is het ook van elk weten omtrent het werken van God in zich ontbloot; nauwkeuriger gezegd: het is zelf dat werken, dat bevrediging heeft in zichzelf op de manier zoals God dat heeft. Dus zeggen wij dat de mens zo los en leeg moet zijn, dat hij niet weet, noch onderkent dat God in hem werkt: zo kan de mens armoede bezitten. De leermeesters zeggen dat God een zijn is en een intellect en alle dingen onderkent. Maar wij zeggen: God is noch zijn, noch intellect, noch onderkent Hij dit of dat. Daarom is God leeg van alle dingen, en daarom is Hij alle dingen. Wie nu arm wil zijn van geest, die moet arm zijn aan elk eigen weten, zodat hij niets weet, noch God, noch het geschapene, noch zichzelf. Daarom is het noodzakelijk dat de mens verlangt niets te weten of te onderkennen van het werk van God. Op die manier kan de mens arm zijn aan eigen weten.

In de derde plaats is diegene arm die niets bezit. Vaak is er gezegd dat volmaaktheid bereikt wie geen aardse, stoffelijke dingen bezit, en dat is in zekere zin waar, namelijk voor diegene die bewust daarvan afziet. Maar dat is niet wat ik bedoel.

Ik heb zojuist gezegd dat diegene arm is die niet de wil van God wil vervullen, dat wil zeggen: zo leeft dat hij vrij is zowel van zijn eigen wil als van die van God, even vrij als hij was toen hij er nog niet was. Van die armoede zeggen wij dat het de hoogste armoede is. -Vervolgens hebben we gezegd dat diegene arm is die niets weet van het werk van God in hem. Wie zo leeg is van weten en onderkennen als God leeg is van alle dingen, dan is dat de zuiverste armoede.- Maar nu willen we spreken over de derde, uiterste vorm van armoede: dat is, dat de mens niets heeft.

Nu moeten jullie aandachtig en ernstig opletten! Ik heb het vaak gezegd, en ook grote leermeesters zeggen het, dat de mens zo leeg van alle dingen en alle werken moet zijn, zowel innerlijk als uiterlijk, dat hij een eigen plaats voor God zou kunnen zijn waarin God zou kunnen werken. Nu zeggen we iets anders. Doet het geval zich voor dat de mens leeg is van alle schepselen en van God en van zichzelf, maar is het nog zo dat God een plaats in hem vindt om te werken, dan zeggen we: zolang dat bij iemand het geval is, is hij niet arm in de uiterste armoede. Want in Zijn werken is het niet Gods bedoeling dat de mens een plaats in zich heeft waarin Hij zou kunnen werken want armoede van geest betekent dat hij zo leeg is van God en al Zijn werken, dat God, wil Hij in de ziel werken, zelf de plaats is waarin Hij werken wil -en dat doet Hij graag. Want vindt God zo een mens arm, dan werkt God Zijn eigen werk, en die mens ondergaat God in zich, en God is een eigen plaats van Zijn werken doordat Hij in zichzelf werkende is. En hier, in die armoede verwerft de mens het eeuwige zijn dat hij geweest is en dat hij nu is en dat hij altijd zal blijven zijn.

Het is een woord van Paulus, die zegt: ‘Al wat ik ben, ben ik door Gods genade.’ Nu lijkt wat ik gezegd heb juist genade en zijn en inzicht en wil en elk verlangen te boven te gaan – hoe kan dan het woord van Paulus waar zijn? Het antwoord luidt dat zijn woorden waar zijn, omdat het noodzakelijk was dat Gods genade in hem was; immers de genade van God bewerkte in hem dat het bijkomstige vervolmaakt werd tot het wezenlijke. Toen de genade eindigde en haar werk had volbracht, bleef Paulus wat hij was.

We zeggen dus dat de mens zo arm moet zijn dat hij noch een plaats is, noch er een heeft waarin God zou kunnen werken. Waar de mens nog iets van plaats bewaart, daar behoudt hij onderscheid. Daarom bid ik God dat Hij me leeg maakt van God, want mijn wezenlijke zijn is boven God, voorzover vvij God begrijpen als het begin van de schepselen. Want in hetzelfde zijn van God waarin God boven het zijn en boven elk onderscheid staat, daar was ik zelf, daar wilde ik mezelf en onderkende ik mezelf om mezelf tot deze mens te maken. Daarom ben ik de oorzaak van mezelf wat betreft mijn zijn, dat eeuwig is, en niet wat betreft mijn wording, die in de tijd plaats vond. En daarom ben ik ongeboren, en overeenkomstig mijn ongeborenheid kan ik nooit sterven. Overeenkomstig mijn ongeborenheid ben ik eeuwig geweest en ben ik nu en zal ik eeuwig leven. Dat wat ik ben als geborene moet sterven en tot niets vergaan, want dat is sterfelijk; daarom moet het met de tijd te gronde gaan. In mijn geboorte werden alle dingen geboren, en ik was oorzaak van mijzelf en van alle dingen; en als ik het gewild had, dan zou ik er niet zijn, noch zouden alle dingen er zijn; en als ik er niet zou zijn, zou ook God er niet zijn. Dat God God is, daarvan ben ik een oorzaak; zou ik er niet zijn, dan was God niet God. Dat te weten is niet noodzakelijk.

Een groot leermeester zegt dat Zijn doorbreken edeler is dan Zijn uitstromen, en dat is waar. Toen ik uit God voortvloeide, zeiden alle dingen: God, Hij is; en dat kan mij niet zalig maken, want hier onderken ik mezelf als schepsel. Maar in het doorbreken, waar ik leeg ben van mezelf en van Gods wil en van al Zijn werken en van God zelf, daar ben ik boven alle schepselen en ben noch God noch schepsel, sterker: ik ben wat ik was en wat ik blijven zal nu en altijd. Daar ontvang ik een indrukking die me zal brengen tot boven alle engelen. In deze indrukking ontvang ik zo’n rijkdom, dat God me niet genoeg kan zijn met alles waarmee Hij God is en met al Zijn goddelijke werken; want in dit doorbreken ontvang ik dat ik en God één zijn. Daar ben ik wat ik was, en daar neem ik niet af of toe, want ik ben daar een onbeweeglijke oorzaak die alle dingen beweegt. Hier vindt God geen plaats in de mens, want de mens verwerft met die armoede dat hij eeuwig is geweest en voortdurend zal blijven. Hier is God één met de geest, en dat is de uiterste armoede die men kan vinden.

Wie deze woorden niet begrijpt, die moet zijn hart daarmee niet bekommeren. Want zolang de mens niet aan die waarheid gelijk is, kan hij deze woorden niet begrijpen; want dit is een waarheid die niet is te weten, direct uit het hart van God is zij gekomen. Dat wij zo mogen leven dat we het eeuwig ervaren, daartoe helpe ons God. Amen. (9-15)


Tip: Zalig zijn de armen van geest


Het zwaard

Dat bedoelde Christus toen Hij zei: ‘Wie iets anders liefheeft dan Mij en voor vader en moeder en veel andere dingen grote liefde voelt, die is Mij niet waard. Ik ben niet op aarde gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard, opdat Ik alle dingen afsnijd en afsnijd de broer, het kind, de moeder, de vriend, die waarlijk jouw vijanden zijn.’ Want wat je vertrouwd is, is in feite je vijand. Wil je oog alle dingen zien en je oor alle dingen horen en je hart alle dingen bedenken, werkelijk, dan kan het niet anders of je ziel wordt in al die dingen verstrooid. (45)


In het onweten

Daarom zegt een leermeester: ‘Wanneer de mens een inwendig werk wil verrichten, dan moet hij al zijn krachten naar binnen halen, als het ware in een hoekje van zijn ziel, en zich voor elk beeld en elke vorm verbergen, en daar kan hij zijn werk doen. Daar moet hij komen tot een vergeten en een niet-weten.’ Het moet zijn in een stilte en in een zwijgen dat dit woord gehoord wil worden. Men kan dit woord niet beter tegemoetkomen dan met stilte en met zwijgen: daar kan men het horen en daar verstaat men het op de juiste manier, in het onweten. Waar men niet weet, daar bewijst en openbaart het zich. (45)


Niet uit onwetendheid

Nu zouden jullie kunnen zeggen: ‘Eerwaarde, u legt al ons heil in een onweten. Dat klinkt als een gebrek. God heeft de mens gemaakt opdat hij weet; zoals de profeet zei: “Heer, maak hen wetend”. Bij wie onwetendheid heerst, heerst gebrek en is leegheid. Zo’n mens is dierlijk, is een aap, een dwaas, en dat is waar zolang hij in die onwetendheid blijft.’ – Men moet hier tot een hogere vorm van weten komen: niet uit onwetendheid komt dat onweten voort, maar vanuit weten moet men komen in een onweten. Dan zullen wij wetend worden met een goddelijk onweten en dan wordt ons onweten geadeld en getooid met het bovennatuurlijke weten. (46)


Niet een gebrek

En zo is jouw onweten niet een gebrek, maar juist je opperste volmaaktheid, en jouw lijdelijk ondergaan is zo je hoogste werk. (47)


Van binnen leeg

Wanneer nu de mens op die manier een beeld ontvangt, dan moet dat noodzakelijkerwijs via de zintuigen van buiten naar binnen komen. Daarom is de ziel voor zichzelf zo onbekend als voor niets anders. Immers de ziel kan, zoals een leermeester zegt, geen beeld van zichzelf opnemen of ontvangen. Daarom kan zij zichzelf niet door middel van iets kennen. Want beelden komen uitsluitend via de zintuigen binnen: daarom kan zij van zichzelf geen beeld hebben. Daarom kent zij alle andere dingen, maar zichzelf niet. Minder dan van welk ding ook weet zij van zichzelf, vanwege het bemiddelende. En dit moet je weten: zij is van binnen leeg en vrij van al het bemiddelende en van alle beelden, en dat is er ook de oorzaak van dat God zich ongehinderd met haar kan verenigen zonder beeld en gelijkenis. (52)


God weet het

En daarom: hoe meer je in staat bent om alle krachten in één samen te trekken en in een vergeten van alle dingen en hun beelden zoals je die in je hebt opgenomen, en hoe meer je het geschapene vergeet, des te dichter ben je bij dat woord, des te ontvankelijker ben je ervoor. Zou je ten aanzien van alle dingen helemaal onwetend kunnen worden, ja, zou je kunnen geraken tot een niet-weten van je eigen leven, dan zou je ervaren wat Paulus overkwam die daarover zei: ‘Of ik in het lichaam was of niet, dat weet ik niet, God weet het wel.’ (55)


In de verborgen stille duisternis

Hoe meer jij zonder beeld bent, des te meer ben je ontvankelijk voor Zijn inwerking, en hoe meer je bent ingekeerd tot zelfvergetelheid, des te dichter ben je daar bij. Daartoe vermaande Dionysius zijn leerling Timotheus en zei: ‘Lieve zoon Timotheus, je moet je met een onbekommerd gemoed boven jezelf en boven al je krachten en boven het kenvermogen en het verstand en boven zijnsvormen en zijn uit werpen in de verborgen stille duisternis, opdat je komt in een kennen van de ongekende godsbeeldloze God.’ Er moet zijn een onttrekken aan alle dingen. God versmaadt het om in beelden te werken. (56)


Het ongekende kennen

Nu zou je kunnen vragen: ‘Wat bewerkt God dan zonder beeld in de grond en in het zijn?’ Dat kan ik niet weten, wand de krachten kunnen enkel in beelden iets opnemen, want alleen in het beeld dat ze ervan hebben kunnen zij de dingen alle begrijpen en kennen. Ze kunnen een vogel niet kennen in het beeld van een mens, en daarom, omdat alle beelden van buitenaf binnen komen, is het werk van God voor hen verborgen, en dat is voor hen het allernuttigste. Maar in hun niet-weten worden ze tot een wonder aangetrokken en jagen ze dat na, want ze beseffen wel dat dat bestaat, maar weten niet hoe en wat het is. Want zodra de mens de hoedanigheid van de dingen kent, is hij ze moe en zoekt hij weer iets anders om te ervaren, en terwijl hij er steeds hevig naar verlangt die dingen te kennen, wil hij zich toch niet daarop blijvend richten, daarom: het ongekende kennen, dat houdt de ziel blijvend op zich gericht en dat jaagt zij na. (57)


Als een dief

Het verbergt zich en vertoont zich toch; maar het komt als een dief, en dat betekent dat het aan de ziel alles wil ontnemen en ontstelen. Maar door zich een beetje te vertonen en te openbaren wil het de ziel prikkelen en haar achter zich aan trekken en haar van zichzelf beroven en aan zichzelf ontstelen. Daarover zei de profeet: ‘Heer, ontneem hun hun geest en geef hun Uw geest daarvoor in de plaats.’ (58)


Een onweten en een ongekendheid

Wat alle leermeesters ooit aan waarheid leerden met hun eigen verstand en begrip of ooit nog zullen leren tot aan de jongste dag, ze hebben nooit ook maar het minste begrepen van dit weten en van deze grond. Mag het dan een onweten en een ongekendheid heten, toch heeft het meer in zich dan al het weten en kennen daarbuiten; want dit onweten lokt en trekt je weg van alle weetbaarheden en ook van jezelf. Dat bedoelde Christus toen Hij zei: ‘Wie zichzelf niet verloochent en niet vader en moeder verlaat en alles wat uiterlijk is, die is mij niet waardig.’ (60)


Menigte

Het is waar: wil je die edele geboorte vinden, dan moet je alles wat menigte is achter je laten en terugkeren naar de oorsprong en de grond waaruit je gekomen bent. De krachten van de ziel en al hun werk, dat alles is menigte; geheugen, verstand en wil, dat alles vermenigvuldigt jou, en daarom moet je ze allemaal loslaten: bewustzijn en voorstellingsvermogen en alles waarin je jezelf vindt en beoogt. Pas daarna kun je die geboorte vinden en anders niet, echt waar! Die werd nooit gevonden onder vrienden of verwanten of kennissen, eerder raakt men die daar kwijt. (71)


Wis en waarachtig, nee!

Daarom zitten we nu met een vraag, namelijk of de mens deze geboorte wel kan vinden in sommige dingen die weliswaar goddelijk zijn, maar toch van buiten af door ons bewustzijn in ons zijn gekomen, bijvoorbeeld allerlei voorstellingen van God: dat God goed is, wijs, barmhartig of wat het intellect ook maar kan bedenken, terwijl die dingen toch goddelijk zijn; de vraag dus of je daarin toch die geboorte kunt vinden. Wis en waarachtig, nee! Want hoe goed en goddelijk dat alles ook is, het is toch van buiten af via ons bewustzijn in ons gekomen. Wil deze geboorte werkelijk en zuiver oplichten, dat moet alles van binnenuit, vanuit God opwellen, en je moet al je eigen werk neerleggen en al je krachten moeten het Zijne dienen en niet het jouwe. Wil dit werk volmaakt zijn, dan moet God het alleen verrichten en jij moet het enkel ondergaan. Waar jij waarlijk uittreedt uit jouw wil en uit jouw weten, daar treedt God waarlijk en gewillig in met Zijn weten en straalt daar met het zuiverste licht. Waar God zich zo wil weten, daar kan jouw weten niet blijven bestaan of dienstig zijn. Je moet niet verwachten dat jouw intellect zo kan groeien dat je God zou kunnen kennen. Integendeel, zal God Goddelijk in jou lichten, dan draagt het natuurlijke licht daartoe helemaal niets bij; sterker nog: dat moet tot een louter niets worden en zich van zichzelf ontdoen. (71)


Een vergeten van jezelf en van alle schepselen

Een gelijkenis daarvoor hebben we in het evangelie. Toen onze Heer bij de bron heel vriendelijk met de heidin gepraat had, liet zij haar kruik staan en liep de stad in en verkondigde aan het volk dat de ware Messias gekomen was. Het volk geloofde haar woorden niet, en ze gingen met haar de stad uit en zagen Hem zelf. Toen zeiden ze tegen haar: ‘Van jouw woorden geloofden we niets, maar nu geloven we, omdat we Hem zelf hebben gezien.’ Echt waar, de wetenschap van alle schepselen bij elkaar, noch jouw eigen wijsheid kan je zo ver brengen dat je God goddelijk kunt weten. Wil je God goddelijk weten, dan moet jouw weten in een louter onweten geraken en in een vergeten van jezelf en van alle schepselen. (72)


Geen terugkeer mogelijk

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Hoor eens, Eerwaarde, wat moet dan mijn intellect doen, als dat zo helemaal leeg moet zijn en zonder enige werkzaamheid? Is dat de voor de hand liggendste manier om mijn gemoed te verheffen tot in een niet-kennen kennen, wat toch niet bestaat? Want als ik iets zou kennen, was dat geen ongekendheid en niet iets wat er niet is, een niets. Moet ik dan helemaal in duisternis staan?’ Jazeker, je kunt nergens beter staan dan door te gaan staan in duisternis en onwetendheid. ‘Ach, Eerwaarde, moet dan alles weg, is er geen terugkeer mogelijk?’ Nee, heus, echte terugkeer is niet mogelijk. (73)


Als een woestijn

Vraag je daarom hoe nuttig het is om deze bereidheid na te streven en je leeg en ontruimd te maken en die duisternis en dat niet-weten op te zoeken en binnen te gaan en daarin te blijven, dan zeg ik: zo is het je mogelijk om Hem, die alle dingen is, te verwerven. En hoe meer je jezelf zo leeg maakt als een woestijn en hoe onwetender, om zo meer nader je Hem. Over die woestijn staat in Hosea geschreven: ‘Ik wil mijn vriendin de woestijn in leiden en wil tot haar spreken in haar hart.’ Het ware woord van de eeuwigheid wordt alleen in de eeuwigheid gesproken, daar waar het zelf van de mens en de menigvuldigheid zijn uitgebannen en het innerlijk een woestijn is. (74)


Mijn ballingschap

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Ach, Eerwaarde, is het nu altijd echt noodzakelijk dat je jezelf uit alles verwijdert en uitbant, uiterlijk en innerlijk, uit alle menselijke vermogens en hun werk; moet dat alles weg? Het is heel zwaar, wanneer God je zo zonder enig houvast laat staan, zoals de profeet zegt: ‘Wee mij, mijn ballingschap is verlengd’ – wanneer God die verbanning zo verlengt dat Hij Zijn licht niet in je laat schijnen, noch tot je spreekt of in je werkt, zoals u het hier leert en ons voorhoudt. Als de mens op die manier in een louter niets staat, is het dan niet beter dat hij iets doet wat die duisternis en verlatenheid verdrijft, bijvoorbeeld dat hij bidt of leest of een preek aanhoort of een ander deugdzaam werk verricht om zich daarmee te behelpen?’ – Nee, dit moet je naar waarheid weten: heel stil zijn en volkomen leeg, dat is voor jou het allerbeste. (75)


Geen waarom

Deze geest moet alle getal en alle hoeveelheid doorbreken, dan wordt hij door God doorbroken; en zo, zoals Hij mij doorbreekt, doorbreek ik Hem weer. God leidt deze geest in de woestenij en in de eenheid van zichzelf, waar Hij een louter één is en in zichzelf ontspringend. Deze geest heeft geen waarom, en zou hij al een waarom hebben, dan moest die eenheid een waarom hebben. Deze geest staat in eenheid en in vrijheid. (118)


Verstorven en afgestorven

Onze Heer voer ten hemel, boven alle licht en boven alle wetenschap en boven alle menselijke begrip uit. Wie zo boven alle licht uit is gedragen woont in de eenheid. Daarom zegt Paulus: ‘God woont in een ontoegankelijk licht’ en is in zichzelf een louter één. Daarom moet de mens verstorven en werkelijk afgestorven zijn en niets meer van zichzelf en aan helemaal niets en niemand gelijk zijn, dan is hij heel eigenlijk aan God gelijk. Want ongelijkheid, het aan niemand gelijk zijn, dat is het eigene van God en Zijn natuur. (122)


Niet dit of dat

Sommige leermeesters beweren domweg dat God een louter zijn is. God staat zo hoog boven het zijn als de hoogste engel staat boven een mug. Als ik God ‘een zijn’ zou noemen, zou dat even onjuist zijn als wanneer ik de zon bleek of zwart zou noemen. God is niet dit of dat. En een leermeester zegt: ‘Wie meent dat hij God kent, en hij kent dan iets, dan kent hij God niet.’ (127)


Wijs zonder wijsheid

Augustinus zegt: ‘God is wijs zonder wijsheid, goed zonder goedheid, almachtig zonder almacht.’ (127)


Goed noch beter noch het allerbest

God is niet zijn of goedheid. Goedheid is gebonden aan zijn en gaat zijn niet te boven; want als er geen zijn was, zou er geen goedheid zijn, en zijn is nog zuiverder dan goedheid. God is noch goed, noch beter, noch het allerbeste. Wie zegt dat God goed is, doet Hem evenzeer onrecht, als wanneer hij de zon zwart zou noemen. (128)


Van goedheid en van zijn en van alle namen ontkleed

Een heidens leermeester zegt: ‘De ziel die God liefheeft ziet Hem in het gewaad van de goedheid’. … Het zuivere intellect echter trekt God dat gewaad van de goedheid uit en ziet Hem naakt, nu van goedheid en van zijn en van alle namen ontkleed. (130)


Waarom blijft hij zonder naam?

‘Hij heeft geen naam.’ Zo is de ondoorgrondelijke God zonder naam; want alle namen die de ziel Hem geeft, ontleent zij aan haar eigen kenvermogen. Daarover zegt een heidens leermeester in het boek dat Het licht der lichten genoemd wordt: ‘God staat boven het zijnde, boven het benoembare en boven het kenbare, voorzover dat een natuurlijk kennen is.’ Ik heb het niet over het kennen door genade, want een mens zou door genade zo ver gevoerd kunnen worden dat hij zou kunnen kennen, zoals Paulus kende, die tot in de zevende hemel werd gevoer en dingen zag die men niet kan en mag uitspreken. Ook toen hij die zag was hij niet in staat die onder woorden te brengen; want iets wat men wil kennen moet men in zijn oorzaak of in zijn verschijningsvorm of in zijn werking kennen. Daarom blijft God ongekend, want Hij is door niemand veroorzaakt omdat Hij steeds het eerste is. Hij is ook zonder verschijningsvorm, dat wil zeggen: in zijn ongekend zijn. Hij is ook zonder werking, dat wil zeggen: in zijn verborgen stilte. Daarom blijft Hij zonder naam. (144)


Omdat ik leef

Want wie God op een bepaalde manier zoekt vat wel die methode aan, maar loopt God mis die daarin is verborgen. Maar wie God zonder speciale methode zoekt, die vat Hem aan zoals Hij in zichzelf is; en zo iemand leeft met de Zoon en is zelf het leven. Wie duizend jaar lang aan het leven zou vragen: waarom leef je? die zou, als het kon antwoorden, niets anders te horen krijgen dan: ik leef omdat ik leef. Dat komt omdat het leven vanuit zijn eigen bestaansgrond leeft en opwelt uit zichzelf; daarom leeft het zonder waarom in het zichzelf levende leven. Wanneer een oprecht mens, die handelt vanuit zijn eigen bestaansgrond, de vraag kreeg: waarom doe je de dingen die je doet? zou hij, als hij het juiste antwoord gaf, enkel zeggen: ik doe die dingen om ze te doen. (230)


Surrexit autem saulus de terra apertisque oculis nihil videbat

Dit woord, dat ik in het Latijn heb gezegd, schrijft Lucas in Handelingen over Paulus en het luidt aldus: ‘Paulus stond op van de grond en met open ogen zag hij niets.’
Me dunkt dat dit woord vier betekenissen heeft. De eerste is deze: toen hij opstond van de grond en met open ogen niets zag, was dat niets God; want toen hij God zag, noemde hij dat een niets. De tweede betekenis: toen hij opstond, zag hij niets dan God. De derde: in alle dingen zag hij niets dan God. De vierde: toen hij God zag, zag hij alle dingen als een niets. (235)


Geen toegang

Aan het licht van de hemel onderkennen wij het licht dat God is en dat door geen mens zintuiglijk bereikt kan worden. Daarover zegt Paulus: ‘God woont in een licht waar niemand naartoe kan komen.’ Hij zegt: God is een licht waartoe geen toegang is. Tot God is geen toegang. (236)


Hoe hoog en hoe grondeloos

De zintuiglijkheden springen omhoog in de gedachten: hoe hoog en hoe grondeloos die zijn, dat weet niemand behalve God en de ziel. (236)


Daarom niet

Daarom zegt de verlichte Dionysius, wanneer hij over God schrijft: ‘Hij is een overtreffend zijn, Hij is een overtreffend leven, Hij is een overtreffend licht’; hij schrijft Hem noch dit noch dat toe, en hij bedoelt dat God ik weet niet wat is dat daarboven ver is verheven. Ziet iemand iets of valt jouw kenvermogen iets ten deel, dan is dat niet God; daarom niet, omdat Hij noch dit, noch dat is. Wie zegt dat God zich hier of daar bevindt, moet je niet geloven. Het licht dat God is schijnt in de duisternis. God is een waar licht; wie dat wil zien moet blind zijn en moet God van alle ‘iets’ weghouden. (239)


Als in een niets

Een leermeester zegt: ‘Wie door middel van een of andere gelijkenis over God spreekt, spreekt over Hem onzuiver. Wie echter door middel van niets over God spreekt, spreekt over Hem in eigenlijke zin.’ Wanneer de ziel in het ene komt en daar binnengaat met een volmaakte verwerping van zichzelf, vindt zij God als in een niets. (240)


Meten zonder maat

[Hoe] subtiel, hoe zuiver datgene ook is waarmee ik God ken, toch moet het weg. Zelfs het licht dat waarlijk God is, als ik dat opneem voorzover het mijn ziel beroert, doe ik het onrecht: ik moet het waar het uitbreekt opnemen. Ik zou het licht dat op de wand schijnt niet werkelijk zien als ik mijn blik niet omkeerde in de richting van waar het komt. Toch, zou ik het opnemen waar het vandaan komt en uitbreekt, dan moet ik zelfs dat uitbreken nog achter me laten: ik moet het opnemen waar het in zichzelf zwevend is. Zelfs dat, zeg ik, is niet het eigenlijke juiste: ik moet het noch waar het mij beroert, noch waar het uitbreekt, noch waar het in zichzelf zwevend is opnemen, want dat is allemaal nog een bepaalde zijnswijze. Men moet God als zijnswijze zonder zijnswijze en als zijn zonder zijn opnemen, want hij heeft geen wijze. Daarom zegt de heilige Bernardus: ‘Wie U, God wil kennen, moet u meten zonder maat.’ (243)


Met niets iets gemeen hebben

Wil de ziel God onderkennen, dan moet zij op niets in de tijd acht slaan; want zolang de ziel tijd of plaats of enige voorstelling daarvan in acht neemt, kan zij nooit God kennen. Wil het oog kleur onderscheiden, dan moet het zelf aan geen enkele kleur deelhebben. Een leermeester zegt: ‘Wil de ziel God onderkennen, dan moet zij met niets iets gemeen hebben.’ Wie God onderkent, die onderkent dat alle schepselen niets zijn. Vergelijk je een bepaald schepsel met andere, dan is het ‘mooi’ of in elk geval iets; maar vergeleken bij God is het niets. Ik zeg het regelmatig: wil de ziel God kennen, dan moet zij zichzelf vergeten en zichzelf verliezen; want is zij zich van zichzelf bewust, dan onderkent zij God niet. Maar als zij zichzelf omwille van God verliest en uit alle dingen wegtrekt, vindt zij zichzelf in God terug. (248)


Modicum et iam non videbitis me

Ik heb in het Latijn een woord gesproken dat Johannes schrijft in het evangelie en dat men op deze zonddag altijd leest. Dat woord spreekt onze Heer tot zijn discipelen: ‘Weinig nog en een kleinigheid, en dadelijk zien jullie Mij niet.’
Zolang nog iets, hoe gering ook, aan de ziel kleeft, zien wij God niet. (253)


Van elke bemiddeling ontbloot

Zou er namelijk niets tussen God en de ziel staan, dan zou zij God onmiddellijk zien, want God kent niets bemiddelends; Hij verdraagt ook geen bemiddeling. Zou de ziel van al het bemiddelende volkomen ontbloot en ontruimd zijn, dan zou God voor haar ontbloot en onthuld zijn en zou Hij zich helemaal aan haar geven. Zolang de ziel niet van elke bemiddeling ontbloot en ontruimd is, hoe gering die ook mag zijn, ziet zij God niet. Zou er tussen lichaam en ziel iets in staan, al was het maar ter breedte van een haar, dan zou er nooit van echte eenheid sprake kunnen zijn. Als dat bij lichamelijke dingen al het geval is, hoeveel te meer bij geestelijke. Boëthius zegt: ‘Wil je de waarheid zuiver onderkennen, leg dan vreugde en pijn, vrees en vertrouwen of hoop af.’ Vreugde en pijn zijn bemiddelingen, vrees en vertrouwen: dat is allemaal iets bemiddelends. Zolang je dat aankijkt en het kijkt terug naar jou zie je niets van God. (253)


Dat zijn we eerder zelf

Letten jullie nu op! God is naamloos, want niemand is in staat iets over Hem te zeggen of van Hem te begrijpen. Daarom zegt een heidens leermeester: ‘Wat wij van de eerste oorzaak begrijpen of daarover zeggen, dat zijn we eerder zelf dan dat het de eerste oorzaak betreft, want die is boven elk spreken en begrijpen.’ (278)


Goed, beter, best

Als ik dan zeg: ‘God is goed’ – het is niet waar, eerder is het zo dat ik goed ben, God is niet goed! Ik zeg het nog sterker: ‘ik ben beter dan God!’ Want wat goed is kan beter worden. Nu is God niet goed en daarom kan Hij ook niet beter worden. Als Hij dan niet beter kan worden, kan Hij dus niet het allerbeste worden. Want die drie dingen staan ver van God af: goed, beter en allerbest, want Hij staat boven alles. Zeg ik dan ook: ‘God is een wijze’ – het is niet waar: ik ben wijzer dan Hij. Zeg ik dan ook: ‘God is een wezenheid’ – het is niet waar: Hij gaat wezenheid te boven en is een het zijn overstijgende nietheid. (278)


Klets niet

Daarover zegt Augustinus: ‘Het mooiste wat de mens over God kan zeggen is te kunnen zwijgen uit wijsheid van innerlijke rijkdom.’ Zwijg daarom en klets niet over God; want door over Hem maar raak te praten, spreek je leugens, bezondig je je. Wil je je niet bezondigen, wil je onberispelijk zijn, klets dan niet over God. Ook moet je niets van God begrijpen, want God gaat boven elk begrip uit. (279)


Begrijp niets

Een leermeester zegt: ‘Als ik een god had die ik kon begrijpen, zou ik hem nooit voor god houden.’ Is er dus iets wat je van God begrijpt, dan is Hij dat niet, en doordat je iets van Hem denkt te begrijpen, kom je in een onbegrip terecht; want dierlijk is in de schepselen hetgeen niet tot begrip in staat is. Wil je nu niet dierlijk worden, begrijp dan niets van de onverwoordbare God. (279)


Aan je jouwheid ontzinken

Ach, wat moet ik dan doen? Je moet helemaal aan je jouwheid ontzinken en moet vervloeien in Zijn Zijnheid en jouw jouw en Zijn Zijn moeten zo volstrekt één Mijn worden, dat je met Hem eeuwig onderkent Zijn ongeworden er-zijn en Zijn onbenoembare niet-zijn. (279)


Geestloos staan

Je moet God beminnen los van beminnelijkheid, dat wil zeggen: niet omdat Hij beminnelijk zou zijn, want God is onminnelijk, Hij is verheven boven elke liefde en beminnelijkheid. Hoe moet ik God dan liefhebben? – Je moet God ongeestelijk liefhebben, dat wil zeggen: jouw ziel moet ontgeestelijkt zijn en bevrijd van alle geestelijkheid; want zolang jouw ziel geestvormig is, bezit zij beelden; zolang zij beelden bezit, heeft zij dingen die bemiddelen; zolang zij zulke bemiddelaars heeft, heeft zij geen eenheid, noch eenparigheid; zolang zij geen eenparigheid bezit, heeft zij God niet op de juiste wijze lief; want ware liefde berust op eenparigheid. Daarom moet jouw ziel ongeestelijk zijn, van alle geest ontdaan, moet zij geestloos staan; want heb je God lief als God, als geest, als persoon en als beeld – dat moet alles weg! (280)


Van iets tot niets

Hoe moet ik Hem dan liefhebben? – Je moet Hem liefhebben zoals Hij is: een niet-god, een niet-geest, een niet-persoon, een niet-beeld, verder: zoals Hij is een puur, rein, louter Een, afgezonderd van alle tweeheid, en in dat Ene moeten wij eeuwig verzinken van iets tot niets. (281)


Ton van der Stap over Eckhart (uit: De weg van Eckhart, Ton van der Stap, 2003):


Het begin

Dit is het begin van alle kennis: dat wij niets weten van God. (15)


Hoogste wijsheid

Het is een eeuwig refrein. Hij [Eckhart] kan er niet over ophouden. Het is of hij er plezier in heeft je in een impasse te brengen. Hij drijft de paradox tot het uiterste op, en als je je in wanhoop afvraagt: Wat moet ik hier nu in godsnaam mee beginnen?, heeft hij je waar hij je hebben wil. Weten is niet-weten, niet-weten is hoogste wijsheid. (18)


Afleren

Het doet denken aan de zenmeesters, die hun leerlingen willen bevrijden van alle begrippen en gehechtheden daaraan, want die zitten de ontmoeting met de ‘ware werkelijkheid’ alleen maar in de weg. De weg naar God leidt niet langs begrippen, hoe mooi ook. Ware wijsheid begint met het afleren van ‘wijsheid’. (18)


Al die denkbeelden loslaten

Over wat God is heeft de christelijke traditie vermoedens, meestal zelfs zekerheden. ‘God is liefde.’ ‘God kiest de zijde van de armen.’ ‘God is in het gelaat van de ander.’ ‘God wil ons door Christus met hem verzoenen.’ ‘God zal ons ooit allen oordelen.’ Het zijn uitspraken waarmee mensen zich behelpen. De ene spreekt meer aan dan de andere, al naargelang de behoefte van degene die ze kiest. Voor even – of voorgoed – lijkt God eindelijk míjn God. Eckhart wil zeggen: Laten wij om te beginnen nu eens al die denkbeelden loslaten. Ook al zijn dat mooie ideeën. Juist als dat mooie ideeën zijn. Ze zouden ons wel eens kunnen hinderen in plaats van helpen. (19)


Niet-geestelijk

Meer nog: [God] is noch hier noch daar, hij is niet boven de werkelijkheid noch de grond van onze werkelijkheid. Hij draagt ons niet, hij is ons einddoel niet. Dat alles mogen we misschien zeggen om ons te behelpen, maar het is niet waar. Dat zijn allemaal hulpmiddelen van onze ‘geest’, zegt Eckhart, van ons verstand, ons voorstellingsvermogen dus, maar onze ‘ziel’ moet niet-geestelijk zijn. (20)


Een onvatbaar geheim

Wij zouden kunnen zeggen: ‘God’ is zijn benaming voor het gezicht dat God ons toekeert; een naam voor God voor zover hij zich laat kennen. Beter nog: ‘God’ is de godheid voor zover hij zich uitstort in het andere van zichzelf, de Zoon, de schepping. Maar diezelfde God blijft in wezen altijd volkomen onkenbaar. Het hart van de wekelijkheid is en blijft een onvatbaar geheim. Daarvoor kiest Eckhart de benaming ‘godheid’. (22)


De ruimte

Spreken over God is altijd behelpen. Bij alles wat Eckhart over God wil zeggen staat voorop: God is een absoluut mysterie. En tot dat mysterie kunnen wij alleen maar naderen als wij alle wetenschap over God radicaal opgeven. Pas dan zouden wij iets van hem kunnen gaan ervaren. Dan pas komt de ruimte waarin hij is, vrij. Want die ruimte is zijn hele zijn zelf. Of, voor wie er niet van schrikt: hét zijn zelf. (24)


In heel zijn afgrondelijkheid

Maar nu horen wij ineens dat wij, om God te ‘grijpen’, eerst aan God onthecht moeten raken. Wie is die God aan wie wij onthecht moeten zijn? Hier gaat het uiteraard over de God die ik met mijn eigen ideeën invul; de God die ik gevangen houd in mijn begrippen en voorstellingen. Die niet vrij kan werken omdat ik hem de kans niet geef. Die zich niet kan openen in heel zijn afgrondelijkheid, om mij en de engel en de vlieg in zich en zijn gelukzaligheid op te nemen. (27)


Even wachten

Dionysisus ‘kent God niets toe’, volgens Eckhart, die juist van hem heeft begrepen dat God aan alle definities ontsnapt. En met behulp van deze vertrouwde, verwante geestelijke vriend beklemtoont Eckhart nogmaals dat wij nog maar even moeten wachten, alvorens onze belevingen, onze diepe inzichten of zelfs onze eventuele visioenen (‘Aanschouw je iets…’) nu maar gelijk voor goddelijke openbaringen te verslijten. Eckhart waarschuwt telkens weer voor alle vormen van quasi-mystiek. (29)


Geen paleis te bekennen

Maar hij wijst ook alle zekerheden af. Hij zou willen dat wij ophouden God vast te leggen op onze inzichten. ‘Niemand heeft God ooit gezien,’ zou hij met de schrijver van het Johannesevangelie kunnen zeggen. Er is een manier van spreken over God, vooral onder theologen en kerkelijke ambtsdragers, die suggereert dat de spreker een goede bekende is van de verborgen Onnoembare, en nu uit de deuren van diens paleis naar buiten komt om eens even den volke kond te doen van wat er daarbinnen allemaal gaande is. Maar in werkelijkheid is er nergens een paleis te bekennen, de spreker doet maar alsof. (30)


Op de veren van de wind

Wie god wil ontmoeten, zal eerst zijn God moeten vergeten en opgeven. Zal moeten leren zwijgen. De idee moeten loslaten dat zijn God er allereerst is om hem ‘rust en brood’ te geven, en leren dat hij moet leven ‘op de veren van de wind,’ zoals Eckhart dat uitdrukt in een tekst die overigens misschien niet letterlijk van hem is, maar zeker in zijn geest. (30)


Je in het raadsel verliezen

Op het raadsel van het bestaan komt geen antwoord dat zegt: de oplossing ligt hier of daar. Daarvan was ook iemand als bijvoorbeeld Albert Camus zich bewust, toen hij schreef: ‘In het hart van het universum schuilt een raadsel, dat wij niet kunnen ontcijferen omdat het ons met zijn glans verblindt.’ Er is een geheim dat alles doordringt en niet ontraadseld kan worden, maar dat betekent niet dat er slechts zinloosheid heerst. Door iets soortgelijks moet Eckhart gefascineerd zijn geweest. Alleen, hij heeft een weg gevonden om zich zo te openen voor de verblindende glans van het raadsel dat hij er zich in verloor, en dat heeft hem bevrijd. Hij vond ‘de vreugde van de Heer.’ (37)


In mijn eigen diepte

Het mysterie ligt besloten in al het bestaande zelf. Ik ben zelf opgenomen in het raadsel, het mysterie. Ik benader iets van het mysterie, niet door te denken noch door te handelen, maar door in mijn eigen diepte te verwijlen bij de diepte van het zijn. (38)


De leegheid

Het meest eigene ook van mijn persoon is de onachterhaalbare diepte die God in ons is, of waarin ik in God besta. En dat geldt voor alles wat is. Opnieuw denken wij hier aan een fundamenteel begrip uit de boeddhistische filosofie: de Leegheid, Sunyata, de onachterhaalbare, onpeilbare diepte waarin ik met alles gegrondvest ben (40).


Zonder enige manier

‘Wie God zoekt zonder enige manier, die grijpt hem zoals hij in zichzelf is.’ Mensen willen een God vinden die aan hun behoefte beantwoordt. Hij moet mooie gevoelens en innige stemmingen opwekken, maar in het banale mag hij niet zijn. Bij herhaling neemt Eckhart dit aloude thema uit de geschiedenis van de spiritualiteit over: Laat al je vooroordelen los, en je zult je verenigd weten met ‘de Zoon, het leven zelf’. (51)


Illusies

Waarom leef je? – Vraag aan mensen waarom ze leven, en je kunt de mooiste antwoorden verwachten. Wat is de zin van het leven? Eckharts antwoord is ontnuchterend. Het neemt ons alle illusies af. Of liever: het ontmaskert alle antwoorden als illusies. (51)


Nooit te betrappen

[Eckhart] spreekt van het meest verborgene, waar nooit een schepsel is binnengekomen noch een beeld. Dat zoiets in mensen bestaat, is voor hem vanzelfsprekend, gezien zijn overtuiging dat wij in ons diepste wezen met God verenigd zijn. Anders gezegd, zijn opvatting van het ego is sterk verschillend van die van onze tijd, en is eerder verwant aan die van het boeddhisme. Wanneer het boeddhisme zegt, dat ons ego niet bestaat, maar dat wij in de ‘Leegte’ zijn geworteld, zegt het daarmee op een drastische wijze hetzelfde als wanneer Eckhart zegt dat ‘in de grond’ van onszelf slechts stilte heerst waar nooit een schepsel is binnengekomen. Er is niet zoiets als een harde kern in ons wezen, waarmee dan al onze eigenschappen als tot een hoogstpersoonlijk ik verbonden zijn. Die harde kern, voor ons ik-gevoel zo belangrijk, bestaat ook voor Eckhart helemaal niet. Er bestaat niets anders dan de nooit te betrappen, door niets te begrenzen, nooit te ontraadselen eenheid met alles, waarin ook ik ben opgenomen, en die door het christendom God wordt genoemd. (69)


Komen in een vergeten en een niet-weten

Om het in hedendaagse categorieën te vertalen: het is een illusie, te denken dat trainingen in ‘spiritualiteit’ op zich vanzelf ergens toe leiden, als wij er maar veel in presteren. Een heel ander besef is veel wezenlijker dan al die trainingen en oefeningen bij elkaar. Over dat besef spreekt [Eckhart], we hebben het gezien, vaak genoeg. Het is het groeiende proces van de onthechting van het ego met zijn vooroordelen en angsten, het vrij worden van zichzelf. Het opgeven van alle ideeën over het heilige en God voor zover wij daaraan gehecht zijn. ‘Komen in een vergeten en een niet-weten. Komen in de stilte en het zwijgen. Waar wij niets weten, daar openbaart het woord zich.’ (86)


Je losmaken

In een ‘niet-weten’ moet je komen. … Je losmaken van alle andee ‘werken’, dat wil zeggen van de redeneringen van het verstand en de neigingen en woelingen van je gevoelens. Je losmaken van je geliefde ideeën en voorstellingen over hoe de wereld en God en jijzelf in mekaar zitten en moeten zitten. Want je moet ‘uit een weten’, namelijk al die mooie opvattingen, tot niet-weten komen. (87)


Onmogelijk

Nu weet Eckhart natuurlijk heel goed, dat geen mens zich helemaal kan bevrijden van zichzelf. Het kan er hier onmogelijk om gaan, dat hij zijn toehoorders tot een soort geestelijke robotten wil omvormen, die ongevoelig zijn voor wat hun verstand en vooral hun hart hun ingeeft. Elders zegt hij duidelijk, dat het een illusie is naar zoiets te streven. Hij zal bedoelen: laat je niet door je eigen ideeën tiranniseren. (88)


Onbevangen

Wil ik het spreken van God in mij vernemen, dan moet ik zo volledig vervreemd zijn van alles wat van mij is, als alles mij vreemd is wat ligt aan de overkant van de zee. De ziel is jong. Zo jong als ze was op de dag dat ze werd geschapen. Dat wil zeggen: op de dag dat ze aan het begin stond van de tocht door de wereld, waarin de zintuigen het zicht van de ziel op de werkelijkheid vertroebelen. (100)


Liefde noch denken

Het verstand kan God alleen maar benaderen langs de weg der redenering. Maar daarmee bereikt het nooit wat de ziel ‘in haar grond’ is. Haar grond is, zoals wij hebben begrepen, God zelf. God leeft en werkt in ‘de zee van zijn ondoorgrondelijkheid.’ In die diepte, waar noch liefde noch denken kunnen doordringen, en die tegelijk de diepte van ons eigen bestaan is, kunnen wij alleen ‘komen’ met behulp van God zelf. (103)