Metafysica

Is het nou binnen of buiten waar de vogeltjes fluiten? Je binnenste buiten; dwaalteksten over waarneming, zijnsleer en natuurfilosofie.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

maya, dwaalgids filosofie


‘Wat denk jij, is de meloen zoet of de tong?’

Deze vraag van de Japanse sotomeester Sonno vond ik in een teisho van Yamada Koun bij geval #29 uit De Poortloze Poort. Het verhaal gaat dat hij van een leerling een meloen kreeg die ze samen oppeuzelden. Daarop vroeg Sonno:

‘Wat denk jij, is de meloen zoet of de tong? Als de meloen zoet is, heeft het zoet zijn niets met de tong te maken. Als de tong zoet is, heeft het zoet zijn niets met de meloen te maken. Waar komt eigenlijk het zoet zijn vandaan? Probeer me daarop eens een antwoord te geven!’

De leerling kwam er natuurlijk niet uit, waarop meester Sonno verklaarde:

‘Waar het vandaan komt? Dat kunnen je niet eens de boeddha’s en patriarchen zeggen. Als je naar een ‘waarvandaan’ zoekt, dan ontdek je dat de meloen het hele universum is en dat er geen tong buiten de meloen bestaat. Of je ontdekt dat de tong het hele universum is en dat er geen meloen buiten de tong bestaat.

Nou, dat zullen we nog weleens zien.


Waarneming

Waar blinkt het licht? Diafane dwaalteksten over waarnemen en waargeven.


Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van waarneming, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


alle aanbevelingen op een rijtje


Makkie

‘Wat is zien?’
‘Dat weet een kind, Hans.’
‘Dan kun jij het me vast wel uitleggen.’
‘Er valt licht in je ogen en dat veroorzaakt zenuwactiviteit.’
‘O, zo.’
‘Simpel.’
‘Dan kun je me zeker ook wel uitleggen hoe iets stoffelijks als hersenactiviteit tot iets geestelijks als een visuele waarneming kan leiden?’
‘Ik… Descartes… pijnappelklier… psychofysisch parallellisme… emergentie…’
‘Nou?’
‘Ik heb eigenlijk geen idee.’
‘Dat weet een kind.’


Camera obscura

‘Wat is zien volgens jou?’
‘Er valt licht in je ogen en dat licht veroorzaakt zenuwactiviteit.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Gelezen, Hans.’
‘Je hebt het nooit aan den lijve ondervonden?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Let eens op je hersenen terwijl je om je heen kijkt.’

‘En?’
‘Niets.’
‘Geen zenuwactiviteit te bespeuren?’
‘Ik merk er tenminste niks van.’
‘Geen elektriciteit in je oogzenuw, geen schimmen in je achterhoofd, geen kleurvelden of trillingen of tintelingen of warmte of een zacht ruisen of tinkelen misschien, een metalige geur in de tussenliggende gebieden, ik noem maar wat?’
‘Dood als een pier.’
‘En je ogen zelf?’
‘Wat is daarmee?’
‘Wat zie je tijdens het kijken in je ogen gebeuren?’
‘Ik kijk mét mijn ogen, niet in mijn ogen.’
‘Geen beelden in je lenzen of op je netvliezen?’
‘Ik zie de wereld daarbuiten, niet een film op mijn netvliezen of een voorstelling in mijn bovenkamer.’
‘Vind je het niet vreemd dat de fysiologische processen waaraan je het verschijnen van de wereld toeschrijft, niet aan jou verschijnen maar de wereld waarin ze verondersteld worden zich te voltrekken wel?’


Tele-visie

‘Wat is zien?’
‘Er valt licht in je ogen dat wordt omgezet in hersenactiviteit die wordt omgezet in beelden. Maar vraag me niet hoe, want dat weet niemand, Hans.’
‘Dat wou ik net vragen.’
‘Vraag liever iets wat ik wel weet.’
‘Waar vindt een en ander plaats?’
‘In de bovenkamer, lijkt mij.’
‘Dan moet je me toch eens iets uitleggen.’
‘Wat?’
‘Hoe kan een fysiologisch proces in je hoofd leiden tot beelden buiten je hoofd?’
‘Tjemig.’
‘Kun je iets specifieker zijn?’
‘Zou het projectie kunnen zijn?’
‘Wat is dat?’
‘Een fysiologisch proces in je hoofd dat leidt tot beelden buiten je hoofd, zou ik zeggen.’
‘Dan moet je me toch eens iets uitleggen.’
‘Ik was er al bang voor.’
‘Hoe kan een fysiologisch proces in je hoofd leiden tot beelden buiten je hoofd?’
‘Eh…’
‘Is dat een ander woord voor ‘ik weet het niet’?’
‘Ik weet het niet.’
‘Zeg eens, wie of wat projecteert wat of wie op welke wijze?’
‘Ik heb werkelijk geen flauw benul.’
‘Nou, ik ook niet.’


Zeg maar dag met je handje

‘Als ik mijn hand opsteek, wat zie je dan?’
‘Je hand, Hans.’
‘Zie je mijn hand of zie je een beeld van mijn hand?’
‘O, eh… een beeld van je hand, zou ik zeggen.’
‘Waar is dat beeld?’
‘Daar.’
‘Hier?’
‘Waar anders.’
‘Maar jij bent daar.’
‘Beslist.’
‘Hoe kun je er dan bij?’
‘Waarbij?’
‘Bij dat beeld van mijn hand.’
‘Doordat het in mijn hoofd zit natuurlijk.’
‘Ja, zit het beeld nou hier bij mijn hand of daar in je hoofd?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Is er een verschil tussen mijn hand hier en het beeld van mijn hand daar in jouw hoofd?’
‘Er is, eh… maar één, eh… hand. Beeld. Origineel.’
‘Beeld of origineel?’
‘Nou…’
‘En waar bevindt dat beeld of origineel zich precies?’
‘Hier… nee, daar…’
‘Hier en daar?’

‘Waar?’
‘Eh…’
‘Is er een verschil tussen mijn hand hier, het beeld van mijn hand hier bij mijn hand en het beeld van mijn hand daar in jouw hoofd?’
‘Wel…’
‘Zo niet, zijn ze dan misschien hetzelfde?’
‘Wat een lastige vragen allemaal.’
‘Als het beeld of origineel tegelijkertijd in je hoofd en in de ruimte zit, dan moet je hoofd haast wel gelijk zijn aan de ruimte.’
‘Dat zou het probleem in één klap oplossen.’
‘Maar ja…’
‘Maar ja?’
‘Wat is dat nou voor hoofd.’
‘Tja.’
‘En wat is dan nog ik en wat is dan nog wereld?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Nou, ik ook niet.’


Gezichtspunten

‘O wonder, in het oog verschijnt een beeld.’
‘O wonder, in het beeld verschijnt een oog.’

‘O wonder, in het beeld verschijnt een oog.’
‘O wonder, in het oog verschijnt een beeld.’


Gezwam in de ruimte

‘Verschijnen waarnemingen nou aan de zintuigen of zintuigen aan de waarneming?’
‘Draait de maan nou om de aarde of de aarde om de maan?’
‘Het hangt ervan af of je op de maan staat of op de aarde, zou ik zeggen.’
‘En als je in de ruimte zweeft?’


Gevlogen

‘Verschijnt het bewustzijn nou in het lichaam of het lichaam in het bewustzijn?’
‘Zitten er veren aan mijn vleugels of vleugels in mijn veren?’
‘Jij hebt helemaal geen vleugels, Hans.’
‘Nou dan.’


Ongehoord

‘Ik hoorde een koekoek!’
‘Wat hoorde je dan?’
‘ ‘Koekoek’.’
‘Dus je hoorde ‘koekoek’?’
‘Dat zeg ik.’
‘Nee, je zei dat je een koekoek hoorde.’
‘En?’
‘Maar je hoorde alleen ‘koekoek’.’
‘Waar moet dat geluid anders vandaan komen?’
‘Een papegaai?’
‘Papegaaien krijsen.’
‘Een papegaai die een koekoek nadoet?’
‘Er zitten hier geen papegaaien.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik heb er nog nooit een gezien.’
‘Je hebt die koekoek toch ook niet gezien?’
‘Belachelijk.’
‘Een kauw dan?’
‘Die klinkt heel anders.’
‘Kauwtjes kunnen heel verdienstelijk imiteren.’
‘Dat zeg jij.’
‘Een luidspreker?’
‘Als we zo gaan beginnen.’
‘Je geest?’
‘Ik ben niet gek.’
‘Zei de gek.’
‘Heb jij het dan niet gehoord?’
‘Misschien was ik het wel.’
‘Zo klonk het anders niet.’
‘Nee, dat is waar.’
‘Zie je nou wel.’
‘Wat?’
‘Jij hebt het ook gehoord.’
‘Ik kan wel zoveel zeggen.’
‘Kom nou.’
‘Misschien hallucineer je mij ook wel.’
‘Ik ben niet gek.’
‘Waar is dat geluid nu?’
‘Weggestorven natuurlijk.’
‘Als het er niet meer is, hoe weet je dan dat het er was?’
‘Omdat ik het me herinner.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Ik hoor het nog van binnen.’
‘Mag ik even meeluisteren?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Hoe weet ik anders dat je het van binnen hoort?’
‘Je zult me op mijn woord moeten geloven.’
‘Je kunt wel zoveel zeggen.’
‘Dan zeg ik wel niks meer.’
‘Hoe weet je dat je herinnering klopt?’
‘Ik hoor het nog precies.’
‘ ‘Koekoek’.’
‘Krijg nou wat!’
‘Is dit wat je hoorde?’
‘Dus tóch.’
‘Wie zegt dat ik het hiervoor ook was?’


Min of meer

Niet het gillen van sirenes
maar het gillen van het gillen
dat alleen maar gillen is

Niet het gillen van het gillen
maar het gillen van sirenes
dat wel meer dan gillen is

Niet het krijsen van het krijsen
maar het krijsen van een baby
dat wel meer dan krijsen is

Niet het krijsen van een baby
maar het krijsen van het krijsen
dat alleen maar krijsen is

Niet het zingen van het zingen
maar het zingen van een vogel
dat wel meer dan zingen is

Niet het zingen van een vogel
maar het zingen van het zingen
dat alleen maar zingen is


Om een luchtje gaan

‘Bij lagere diersoorten is geur heel belangrijk. Wetenschappelijk is vastgesteld dat termieten hun hele sociale orde in stand houden op basis van geurmoleculen.’
‘Hoe weet je dat ze die ruiken?’
‘Doordat het geurmoleculen zijn.’
‘Hoe weet je dat het geurmoleculen zijn?’
‘Doordat ze in voldoende hoge concentraties ook door de mens geroken kunnen worden.’
‘Zijn termieten mensen?’
‘De geurreceptoren bij termieten komen anatomisch en fysiologisch voldoende overeen met het reukorgaan van mensen om te kunnen concluderen…’
‘Zijn geuren reukorganen?’
‘Reukorganen zijn de structuren waarmee…’
‘Zijn geuren fysiologische processen?’
‘Nee, maar ze zijn wel gebaseerd op scheikundige…’
‘Hoe weet je dan wat termieten waarnemen?’
‘Het is aannemelijk dat ze net als de mens…’
‘Kun je op voorhand uitsluiten dat ze jouw geurmoleculen niet ruiken maar bijvoorbeeld zien of horen of ervaren als warmte of angst of druk of op een wijze die wij nog nooit hebben ervaren?’
‘Strikt genomen niet, nee.’
‘Waarom noem je ze dan geurmoleculen?’
‘Misschien had ik ze beter waarnemingsmoleculen kunnen noemen.’
‘Gesteld dat ze waargenomen worden.’
‘Worden ze niet geroken dan zullen ze toch op een andere manier geregistreerd moeten worden.’
‘Ben jij je je bloeddruk gewaar?’
‘Dat niet, maar…’
‘Toch wordt je bloeddruk voortdurend geregistreerd en bijgeregeld.’
‘Dat kan ik niet ontkennen.’
‘Helemaal buiten je bewustzijn om.’
‘Inderdaad.’
‘Dus vraag ik je nogmaals, hoe weet je dat termieten ruiken?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Waarom zeg je dan dat geur heel belangrijk is bij lagere diersoorten?’


Allicht

‘Kijk eens naar buiten. Wat zie je daar?’
‘Een kastanjeboom.’
‘Zeker weten?’
‘Geen twijfel mogelijk.’
‘Wat zie je daar als de nacht gevallen is?’
‘Niets natuurlijk.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het dan donker is.’
‘Wat is het verband?’
‘Zonder licht kun je de boom niet zien.’
‘Is een boom dan niet gemaakt van licht?’
‘Doe niet zo raar.’
‘Hoezo?’
‘Een boom is gemaakt van hout en bladeren.’
‘Waar komt het licht vandaan dat de boom overdag zichtbaar maakt?’
‘Van de zon natuurlijk.’
‘Maar zonlicht is wit, de boom niet.’
‘Niet al het licht wordt weerkaatst door de boom.’
‘Dus zie je nou de boom zelf of het licht dat erdoor wordt weerkaatst?’


Geen gezicht

‘Kijk eens naar buiten. Wat zie je daar?’
‘Een kastanjeboom.’
‘Welke kleuren zie je?’
‘De schors is bruin, de bladeren zijn groen.’
‘Zijn de bladeren groen of is het licht dat ze weerkaatsen groen?’
‘Het licht dat ze weerkaatsen is groen.’
‘Wat is de kleur van de bladeren zelf?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Een blad is niet gemaakt van licht.’
‘Wat is de kleur van de schors?’
‘De kleur van het licht dat ervan afkomt is bruin.’
‘Maar de schors zelf, wat is daarvan de kleur?’
‘Die vraag betekent niets.’
‘Waarom niet?’
‘Schors heeft van zichzelf geen kleur.’
‘Wat is schors?’
‘De mantel van de stam en de takken, een ruwe, bruine…’
‘Bruine?’
‘Oeps.’
‘Beeld je de kastanjeboom eens in zonder kleur.’
‘Dan zie ik een soort zwart-wit foto voor me.’
‘Zwart en wit zijn nog steeds kleuren.’
‘In zekere zin wel ja.’
‘Beeld je de boom eens in zonder kleur of zwart-wit.’

‘Hoe ziet hij eruit?’
‘Hij ziet er niet uit.’


Kleur bekennen

‘Stel dat de evolutie na het sterven van alle levende wezens opnieuw op gang komt en dat licht tussen de 490 en 575 nm voortaan niet meer als groen maar als rood wordt gezien.’
‘Dan zijn de meeste bladeren rood.’
‘De bladeren of het licht dat ze weerkaatsen?’
‘Het licht dat ze weerkaatsen.’
‘Als hetzelfde licht dat vroeger groen was nu ineens rood is, wat is dan de ware kleur van dat licht?’
‘De golflengte is nog steeds dezelfde.’
‘Maar de kleur?’
‘Die hangt kennelijk af van de waarnemer.’
‘Zit de kleur dan niet in het licht?’
‘Daar ben ik altijd van uitgegaan.’
‘En nu?’
‘Nu begin ik te twijfelen.’
‘Wat is de ware kleur van licht van een gegeven golflengte?’
‘Dat weet ik niet. Misschien heeft licht geen ware kleur?’
‘Wel een valse?’
‘Ook geen valse.’
‘Als licht geen ware kleur heeft en geen valse, welke kleur heeft het dan wel?’
‘Ik weet niet of licht wel een eigen kleur heeft.’
‘Heeft het wel een oneigen kleur?’
‘Ik weet niet of licht wel een kleur heeft.’
‘Waarom noem je het dan nog licht?’


De deelnemer

‘Als bladeren van zichzelf geen kleur hebben en het licht dat ze weerkaatsen ook niet, waar komt hun kleur dan vandaan?’
‘Jemig.’
‘In ieder geval niet van het waargenomene.’
‘Van de waarnemer dan?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘In dat geval is er dus geen objectieve wereld waarvan ik als waarnemer objectieve plaatjes in mijn hoofd krijg.’
‘Welke waarnemer?’
‘Wat?’
‘Wat moet je met een waarnemer als er geen objectieve wereld is om waar te nemen?
‘Daar had ik nog niet bij stilgestaan.’
‘Wat is een subject zonder object?’
‘Als er geen wereld is, wat is er dan wel? Ik bedoel, als ik niet de waarnemer ben, wat ben ik dan wel?’
‘Geen idee. De deelnemer?’
‘Leuk gevonden.’
‘Maar waarvan?’


Tegen licht

‘De grijswaarden die je op een zwart-wit foto ziet, hoe komen die tot stand?’
‘Hoe meer licht er weerkaatst wordt, hoe lichter de tint.’
‘Natuurkundig gezegd?’
‘Helderheid is een functie van lichtintensiteit.’
‘Hoe stel je de lichtintensiteit vast?’
‘Met een lichtmeter.’
‘Stel dat alle levende wezens door een geheimzinnige ziekte blind worden, welke grijswaarden zijn er dan nog over?’
‘Dezelfde als nu, zou ik zeggen. Maar niemand die ze ziet.’
‘De lichtmeter zou dezelfde helderheidswaarden registreren als voorheen?’
‘Vanzelfsprekend.’
‘En grijstinten blijven grijstinten?’
‘De boel wordt toch niet ineens overgeschilderd als er even niemand kijkt?’
‘Stel dat iedereen als door een wonder zijn gezichtsvermogen terug krijgt, met dit verschil dat sterker licht nu als donkerder wordt waargenomen en zwakker licht als lichter.’
‘Een negatief gezichtsvermogen, zeg maar.’
‘Wat zal er dan voortaan zwart uitzien?’
‘Alles wat het licht optimaal weerkaatst.’
‘Hetzelfde licht dat bij een positief gezichtsvermogen wit is?’
‘Dat lijkt mij wel.’
‘En wat zal er voortaan wit uitzien?’
‘Alles wat het licht volledig absorbeert.’
‘Alles wat bij een positief gezichtsvermogen zwart is?’
‘Dat lijkt mij wel.’
‘Als hetzelfde licht zich aan de ene waarnemer voor kan doen als zwart en aan de andere als wit, wat is dan de ware helderheid?’
‘Dat hangt van je gezichtsvermogen af. Wit voor positiefkijkers, zwart voor negatiefkijkers. Maar objectief gezien…’
‘Ga verder…’
‘De lichtmeter…’
‘Ja?’
‘De ware helderheid…’
‘Nou?’

‘Zeg het maar. Zwart? Wit? Beide? Geen van beide? Grijs?’
‘Er is geen ware helderheid.’
‘Maar wel een valse?’
‘Licht heeft van zichzelf geen helderheid.’
‘Waarom noem je het dan nog licht?’


Een duistere zaak

‘Waarom is de zon zo helder?’
‘De zon is helemaal niet helder.’
‘Hij geeft zoveel licht dat je er niet eens rechtstreeks naar kunt kijken!’
‘De zon zelf is pikkedonker.’
‘Kijk dan toch!’
‘De zon is volkomen onzichtbaar.’
‘Ik zie hem toch zeker zelf?’
‘De zon geeft geen licht, de zon geeft elektromagnetische straling.’
‘Dat is precies hetzelfde.’
‘Elektromagnetische straling heeft een golflengte en een amplitude, meer niet. Met de energie ervan kun je een elektrische reactie opwekken in een zonnecel of een fotochemische reactie op een camerafilm of een fysiologische reactie op een netvlies. Maar een energievorm is nog geen waarnemingsvorm. Een reactie is nog geen ervaring.’
‘Waarom spreken we dan van lichtstralen en lichtgolven, van de lichtgevoeligheid van een film, van een lichtmeter?’
‘Evenzoveel denkfouten, ingebakken in verouderde begrippen.’
‘Wat moeten we dan zeggen?’
‘Lichtgevoeligheid is eigenlijk stralingsgevoeligheid. Een lichtmeter is een stralingsmeter. Lichtstralen zijn golven of deeltjes of golfdeeltjes of deeltjesgolven of wat dan ook. Alles behalve licht.’
‘Wou jij beweren dat de zon van zichzelf donker is?’
‘En de sterren ook. En de straatlantaarns. En de stoplichten. En de schemerlampen. En de zaklantaarns. En de kaarsen. Iedere zogenaamde lichtbron en ieder zogenaamd ding dat zogenaamd zichtbaar wordt doordat het zogenaamd licht weerkaatst.’
‘Zogenaamd, zogenaamd?’
‘Er is daarbuiten geen licht. Er zijn alleen maar golven.’
‘Je houdt vol dat het overal pikkedonker is?’
‘Nou en of.’
‘Dat de dingen van zichzelf duister zijn?’
‘Reken maar.’
‘De zon is donker, de ruimte tussen de zon en de aarde is donker en de aarde zelf is ook donker?’
‘Precies.’
‘Het hele universum, tot in de verste uithoeken?’
‘Van einder tot einder, hoe ver je ook kijkt.’
‘Brr.’
‘Vraag het de blinde maar. Of sluit gewoon je ogen.’
‘Als er daarbuiten alleen maar elektromagnetisch golven zijn, wie of wat geeft er dan in vredesnaam licht?’
‘Dat zou ik ook weleens willen weten.’


Lichtvaardig

‘Licht komt van buiten, en daarmee uit.’
‘Jij zegt het.’
‘Waar moet het anders vandaan komen?’
‘Als je de visuele cortex met elektroden stimuleert, zie je van alles wat er niet is.’
‘Daar weet ik niks van.’
‘Tijdens een psychose doen zich de vreemdste hallucinaties voor.’
‘Ik ben niet gek.’
‘Migraine wordt vaak voorafgegaan door prismatische visioenen.’
‘Nooit last van gehad.’
‘Sommige mensen ervaren kleur bij het zien van letters of cijfers in zwart-wit.1
‘Bij mij zijn letters en cijfers gewoon zwart-wit.’
‘Anderen zien bij het inslapen allerlei sluimerbeelden.2
‘Ik val altijd als een blok in slaap.’
‘En de beelden uit je herinnering?’
‘Dat zijn trucjes van het geheugen.’
‘En de beelden uit je fantasie?’
‘We hebben het nu over de werkelijkheid.’
‘Doe je ogen eens dicht… Als ik nu met mijn duimen zachtjes je ogen masseer…’
‘O!’
‘Waar komt dit licht vandaan?’
‘Uit je duimen?’
‘Zou je denken?’
‘Uit mijn ogen?’
‘Zou je denken?’
‘Uit mijn hersenen?’
‘Zou je denken?’
‘Uit mij?’
‘Zou je denken?’
‘Heel overtuigend… maar ik geloof er niets van.’
‘Waar geloof je niets van?’
‘Dat het licht uit mij zou kunnen komen.’
‘Dat vraagt ook niemand van je.’
‘Dat ikzelf het licht zou zijn.’
‘Ook dat vraagt niemand van je.’
‘Het idee is mij totaal vreemd.’
‘Het idee is je volkomen bekend.’
‘Hoezo?’
‘Is de wereld van je dromen niet uitstekend verlicht? Zelfs in het holst van de nacht? Zelfs met je ogen dicht?’
‘Maar een droom is niet echt.’
‘Wel terwijl je hem droomt.’
‘Maar niet als je wakker wordt.’
‘Maar dan is het al te laat om bij te lichten.’

1. synesthesie
2. hypnagogie


Met zoveel woorden

‘Kijk eens naar buiten. Wat zie je daar?’
‘Een kastanjeboom.’
‘Zie je de boom zelf of zijn licht?’
‘Zijn licht?’
‘Zie je zijn zijn licht of zijn elektromagnetische straling?’
‘Zijn elektromagnetische straling?’
‘Zie je zijn elektromagnetische straling of een beeld daarvan in jezelf?’
‘Een beeld daarvan in mijzelf?’
‘Zie je een beeld daarvan in jezelf of jezelf als beeld daarvan?’
‘Mezelf als beeld daarvan?’
‘Zie je jezelf als beeld daarvan of het zien zelf van dat beeld?’
‘Het zien zelf van dat beeld?’
‘Zie je het zien zelf van dat beeld of het zien van een beeld van een boom buiten je?’
‘Het zien van een beeld van een boom buiten mij?’
‘Zie het het zien van een beeld van een boom buiten je of het zien van een boom?’
‘Het zien van een boom?’
‘Zie je het zien van een boom of gewoon een boom?’
‘Gewoon een boom?’
‘Zie je de boom zelf of zijn licht?’
‘Ik zie… hé, hier zijn we al geweest.’
‘Maar wat zie je nou echt?’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Kijk!’
‘Ja, zo kan ik het ook.’
‘Niks aan.’
‘En in woorden?’
‘Tja.’


Naar de bliksem

‘Zonder mij is er geen jou.’
‘Hoezo?’
‘Jij bent het niet die beelden uitzendt; ik ben het die jou verbeeldt. Jij bent het niet die klanken uitstoot; ik ben het die jou verklankt. Jij bent het niet die geuren verspreidt, ik ben het die jou aromatiseert.’
‘En de rest van de wereld?’
‘Daarvoor geldt hetzelfde. Voor deze ruimte, voor de boom daarbuiten, voor de scooter die precies op dit moment voorbij schijnt te rijden, de hele bliksemse boel.’
‘Zonder uitzondering?’
‘Allemaal mijn werk.’
‘Knap staaltje.’
‘Dank je.’
‘Maar van wie?’
‘Van mij zeg ik toch?’
‘En wie of wat mag dat dan wel wezen?’
‘Deze hele magistrale machinerie hier, vooral mijn zintuigen en mijn hersenen.’
‘Maar als jij het bent die mijn beeld maakt, ben jij het dan ook niet die jouw beeld maakt?’
‘Nou en of.’
‘Ik bedoel, het beeld van jouw lichaam.’
‘Wat?’
‘En het geluid van jouw lichaam?’
‘Ho eens even…’
‘Jouw geur, jouw smaak, jouw pijn, jouw gevoelens, jouw gedachten?’
‘Ik had het over de buitenwereld, hoor.’
‘Behoort je lichaam met alles erop en eraan daar ook niet toe?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘En als je lichaam inderdaad tot de buitenwereld behoort, wie of wat is dan nog de schepper van de hele bliksemse boel?’


De waargever

‘Dingen hebben van zichzelf geen kleuren of helderheden. Ze danken hun voorkomen aan het licht dat ze weerkaatsen, maar licht is van zichzelf niet zichtbaar. Als kleur en helderheid geen kenmerken zijn van het ding zelf en ook niet van het licht dat het ding reflecteert, waarvan dan wel? Waar komen ze vandaan?’
‘Al sla je me dood.’
‘Volgens mij komen de dingen uit de toeschouwer zelf. Uit de waarnemer. Iedere waarnemer kleurt zijn eigen wereld in. Iedere waarnemer geeft zijn eigen universum gestalte.’
‘Noem dat maar waarnemen.’
‘Waargeven dan?’
‘Dat is in ieder geval weer eens wat anders.’
‘Dan ben ik de waargever.’
‘Waarzegger.’
‘Wat zou jij zeggen?’
‘Neem jezelf in de maling.’
‘Pardon?’
‘De wereld laat zich niet nemen.’
‘Geven, zeg ik toch?’
‘De wereld geeft zich aan niemand.’
‘Wel als de waarnemer de waargever is.’
‘Maar niet als de waargever deel uitmaakt van de wereld.’
‘Maakt de waargever deel uit van de wereld?’
‘Welke waargever?’
‘Hè?’
‘Welke wereld?’


De creationist

‘Als ik niet de waarnemer van de wereld ben maar de waargever, of liever de vormgever, wat is het dan precies dat ik vorm geef? Wat zijn de dingen voordat ze door mij vormgegeven worden? Wat is de wereld an sich?’
‘Los van de vormgever?’
‘Nou?’
‘Wie zegt dat er een wereld is los van de vormgever?’
‘Bedoel je misschien dat ik niet alleen de vormgever ben maar zelfs de schepper van een wereld die ik ten onrechte alleen maar meen waar te nemen of vorm te geven?’
‘Opschepper.’
‘Afscheper.’
‘Wie zegt dat er een schepper is los van de wereld?’
‘Bedoel je dat de wereld en zijn schepper samen een geheel vormen?’
‘En dat het ene noemen zeker.’
‘Als je subject en object niet meer weet te scheiden dan moeten ze wel één zijn.’
‘Kun jij Jansen en Janssens uit elkaar houden?’
‘Niet echt.’
‘Komt dat doordat ze één zijn?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Zou het helpen er een detective op af te sturen?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ze fictief zijn.’
‘Nou dan.’
‘Wou jij beweren dat subject en object fictief zijn?’
‘Tenzij dat ook maar een verhaaltje is.’
‘Er moet toch een schepper zijn van al die verhaaltjes.’
‘Tenzij dat ook maar een verhaaltje is.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’


Terugschrijdend inzicht

Nergens licht, behalve in jou
Nergens geluid, behalve in jou
Nergens geur, behalve in jou
Nergens smaak, behalve in jou
Nergens vorm, behalve in jou
Nergens warmte, behalve in jou
Nergens kou, behalve in jou
Nergens gevoel, behalve in jou
Nergens zwaarte, behalve in jou
Nergens beweging, behalve in jou
Nergens tijd, behalve in jou
Nergens ruimte, behalve in jou
Nergens dingen, behalve in jou
Nergens oorzaken, behalve in jou
Nergens redenen, behalve in jou
Nergens motieven, behalve in jou
Nergens geloften, behalve in jou
Nergens geboden, behalve in jou
Nergens idealen, behalve in jou
Nergens gedachten, behalve in jou
Nergens woorden, behalve in jou
Nergens ideeën, behalve in jou
Nergens een leer, behalve in jou
Nergens betekenis, behalve in jou
Nergens een ander, behalve in jou
Nergens een zelf, behalve in jou
Nergens een nergens, behalve in jou

Nergens een jou, behalve…


voortschrijdend uitzicht

Nergens licht, behalve in jou
Nergens duisternis, behalve in jou

Nergens geluid, behalve in jou
Nergens stilte, behalve in jou

Nergens smaak, behalve in jou
Nergens lafheid, behalve in jou

Nergens warmte, behalve in jou
Nergens koude, behalve in jou

Nergens vorm, behalve in jou
Nergens leegte, behalve in jou

Nergens beweging, behalve in jou
Nergens stilstand, behalve in jou

Nergens onrust, behalve in jou
Nergens rust, behalve in jou

Nergens leed, behalve in jou
Nergens vreugde, behalve in jou

Nergens iets goeds, behalve in jou
Nergens iets slechts, behalve in jou

Nergens een duivel, behalve in jou
Nergens een godheid, behalve in jou

Nergens zinloosheid, behalve in jou
Nergens zin, behalve in jou

Nergens een hel, behalve in jou
Nergens een hemel, behalve in jou

Nergens veelheid, behalve in jou
Nergens eenheid, behalve in jou

Nergens stof, behalve in jou
Nergens bewustzijn, behalve in jou

Nergens een leugen, behalve in jou
Nergens een waarheid, behalve in jou

Nergens illusies, behalve in jou
Nergens een werkelijkheid, behalve in jou

Nergens leven, behalve in jou
Nergens dood, behalve in jou

Nergens dualiteit, behalve in jou
Nergens non-dualiteit, behalve in jou

Nergens een weten, behalve in jou
Nergens een niet weten, behalve in jou

Nergens een iemand, behalve in jou
Nergens een niemand, behalve in jou

Nergens een ergens, behalve in jou
Nergens een nergens, behalve in jou

Nergens een jou, behalve…


Rondo ostinato

Waar de vogels wonen.

De realist

‘De wereld is mijn grondslag, Hans.’
‘Hoezo?’
‘Zonder wereld ben ik ondenkbaar.’
‘Wat weet je zoal van de wereld?’
‘Ik ken haar vormen en haar kleuren, haar klanken en haar geuren, haar smaken en haar temperaturen, haar gewicht en haar weerstand, haar charmes en haar kuren, haar ruimte en haar tijd. Ik heb haar bewandeld en bewerkt, gegeten en gedronken, gereinigd en bevuild, bevochten en omhelsd, gezien, gehoord, geroken, geproefd en gevoeld.’
‘Kun de wereld kennen zonder lichaam? Kun je haar bewandelen zonder benen? Kun je haar omhelzen zonder armen? Kun je haar bewerken zonder handen? Kun je haar eten en drinken zonder mond, reinigen zonder ruggengraat, bevuilen zonder kont? Kun je haar waarnemen zonder zintuigen?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Dan is je lichaam fundamenteler dan de wereld.’

De materialist

‘Mijn lichaam is mijn grondslag.’
‘Hoezo?’
‘Zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.’
‘Wat weet je van je lichaam?’
‘Ik ken zijn vormen en zijn strekken. Ik ken zijn lengte en gewicht. Ik ken zijn rimpels en zijn vlekken. Ik ken zijn zenuwen en gevoeligheden. Ik ken zijn warmte en zijn koude. Ik ken zijn pijn en zijn littekens. Ik ken zijn houdingen en zijn bewegingen. Ik ken zijn souplesse en zijn stijfheid. Ik ken zijn bouw en zijn functie. Ik ken zijn energie en zijn vermoeidheid. Ik ken zijn honger en zijn verzadiging. Ik ken zijn lust en zijn onlust.’
‘Hoe komt het dat je je lichaam zo goed kent?’
‘Ik neem het waar met al mijn zintuigen. Ik zie het met mijn ogen. Ik hoor het met mijn oren. Ik proef het met mijn tong. Ik ruik het met mijn neus. Ik voel het met mijn huid.’
‘Zou je zonder waarnemingen ook maar iets van je lichaam weten?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Dan zijn je waarnemingen fundamenteler dan je lichaam.’

De empirist

‘Waarnemingen zijn mijn grondslag.’
‘Hoezo?’
‘Zonder waarnemingen is mijn lichaam ondenkbaar, zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.’
‘Hoe weet je dat je waarnemingen doet?’
‘Ik neem beelden waar, ik neem geluiden waar, ik neem geuren waar, ik neem smaken waar, ik neem warmte waar, ik neem koude waar, ik neem textuur waar, ik neem druk waar, ik neem pijn waar, ik neem emoties waar en ik neem gedachten waar.’
‘Wat is het dat al die waarnemingen mogelijk maakt?’
‘Mijn bewustzijn, zou ik zeggen.’
‘Zou je zonder bewustzijn ook maar enige waarneming kunnen doen?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Dan is je bewustzijn fundamenteler dan je waarnemingen.’

De idealist

‘Bewustzijn is mijn grondslag.’
‘Hoezo?’
‘Zonder bewustzijn zijn waarnemingen ondenkbaar, zonder waarnemingen is mijn lichaam ondenkbaar, zonder lichaam is de wereld ondenkbaar en zonder wereld ben ik ondenkbaar.’
‘Wat is bewustzijn zonder wereld?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Denk er maar even rustig over na.’
‘Ik kan me er niets bij voorstellen.’
‘Zou je zonder wereld ooit op het spoor van je bewustzijn komen?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Dan is de wereld fundamenteler dan je bewustzijn.’

De fatalist

‘Ik verschijn in de wereld, dus de wereld is mijn grondslag. De wereld verschijnt aan mijn lichaam, dus mijn lichaam is mijn grondslag. Mijn lichaam verschijnt in mijn waarnemingen, dus mijn waarnemingen zijn mijn grondslag. Mijn waarnemingen verschijnen in mijn bewustzijn, dus mijn bewustzijn is mijn grondslag. Mijn bewustzijn verschijnt als wereld, dus de wereld is mijn grondslag.’
‘Merry-go-round.’
‘Maar wat is nou mijn grondslag?’
‘Jij met je grondslag.’
‘Anders stort het hele gebouw van mijn denken in.’
‘Dan heb je er ook geen omkijken meer naar.’
‘Waar moet ik dan wonen?’
‘Waar de vogels wonen?’
‘Misschien kan ik geen grondslag vinden omdat alles één is.
‘Wou jij het dualistische denken meteen weer inruilen voor het monisme?’
‘Bedoel je dat alles niet één is maar niet-twee? Dan is non-dualiteit mijn grondslag.’
‘Wou jij het monisme meteen weer inruilen voor het non-dualisme?’
‘Bedoel je dat alles niet één is, niet niet-twee maar veel? Dan is pluraliteit mijn grondslag.’
‘Wou jij het non-dualisme meteen weer inruilen voor het postmodernisme?’
‘Misschien ontstaat alles wel afhankelijk. Dan is interdependentie mijn grondslag.’
‘Wou jij het postmoderne denken meteen weer inruilen voor het conditionalisme?’
‘Misschien laat het goddelijke zich gewoon niet in een hokje stoppen.’
‘Wou jij het conditionalisme meteen weer inruilen voor de mystiek?’
‘Bedoel je dat de waarheid voorbij de woorden is?’
‘En maar concluderen.’
‘Bedoel je dat er niets te concluderen valt?’
‘Dat zou nog steeds een conclusie zijn.’
‘Bedoel je dat alles een illusie1 is?’
‘Dan ook de illusie2.’
‘Dat alles leeg3 is, bedoel ik?’
‘Dan ook de leegte4.’
‘Of wil je alleen maar aantonen dat er geen grondslagen zijn?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Nergens is houvast.’
‘Nihilist.’
‘Of misschien kunnen we niet weten wat onze grondslag is omdat het ons eindige verstand te boven gaat.’
‘Wou jij het nihilisme meteen weer inruilen voor het scepticisme?’
‘Sterker nog, misschien kunnen we zelfs niet weten dat we het niet kunnen weten.’
‘Wou jij het scepticisme meteen weer inruilen voor het pyrronisme?’
‘Ik geef het op.’
‘Fatalist.’

1. maya
2. maya-maya
3. sunyata
4. sunyata-sunyata

rondo: muziekvorm waarbij het hoofdthema steeds terugkeert
ostinato (Latijn]: koppig, hardnekkig

niet weten, metafysica

‘Waar moet ik dan wonen?’
‘Waar de vogels wonen.’


Metafysica

Wal noch Kant; categorieën van het onverstand. Dwaalteksten over de Eerste Oorzaak – het laatste houvast voor wie niet gek genoeg is om los te lopen.


Een aanbeveling

‘Wat weet jij eigenlijk van de wereld, Hans?’
‘Minder dan wie ook.’
‘Dat lijkt me geen aanbeveling.’
‘Integendeel.’


alle aanbevelingen op een rijtje


Maanzaad

‘Wat is de oorzaak van dit alles?’
‘Waaruit ontstaat een eik?’
‘Uit een eikel natuurlijk.’
‘En een eikenbos?’
‘Nergens uit.’
‘Waarom niet?’
‘Een bos is geen boom.’
‘Nou dan.’
‘Bedoel je dat dit alles geen oorzaak heeft?’
‘Ik zaai alleen maar twijfel.’


De nulde oorzaak

‘God is de oorzaak van het universum.’
‘Maar wat is de oorzaak van god?’
‘God heeft geen oorzaak nodig.’
‘Waarom het universum dan wel?’
‘Bedoel je dat god niet bestaat?’
‘Vraag dat maar aan god.’
‘Bedoel je dat het universum zelfscheppend is?’
‘Moet er dan per se een schepper zijn?’
‘Bedoel je dat het universum ongeschapen is?’
‘Wie zegt dat ik iets bedoel?’
‘Waarom anders al die vragen?’
‘Omdat jij al antwoord gaf.’


Quitte of dubbel

‘Waarom is er iets in plaats van niets?1
‘Waarom niet.’

‘Waarom is er niets in plaats van iets?2
‘Waarom niet.’

‘Waarom is er dit in plaats van dat?3
‘Had je maar eerder moeten komen.’

‘Waarom is er dit in plaats van dat?’
‘Wacht maar.’

‘Waarom is er iets in plaats van niets?’
‘Waarom niet?’
‘Jij neemt me al mijn vragen af.’
‘Ik geef je er juist vragen bij.’
‘Waarom?’
‘Waarom niet?’
‘Waar wil je heen?’
‘Wie zegt dat ik ergens heen wil?’
‘Bedoel je dat we er al zijn?’
‘Wie zegt dat ik iets bedoel?’
‘Doel je op niet-bedoelen?’
‘Wie zegt dat ik niets bedoel?’
‘Ik snap er niks meer van.’
‘Toch weer iets begrepen?’
‘Waarom weet ik niets in plaats van iets?4


1. Hoofdvraag van de westerse metafysica
2. Hoofdvraag van de oosterse metafysica
3. Tweede hoofdvraag van de westerse metafysica
4. Tweede hoofdvraag van de epistemologie


Het huppelen van de pup

‘Waarom is er iets en niet niets?’
‘Door dit.’
‘Waarom is er dit en niet niets?’
‘Door dat.’
‘Waarom is er dat en niet niets?’
‘Door zus.’
‘Waarom is er zus en niet niets?’
‘Door zo.’
‘Waarom is er zo en niet niets?’
‘Door dinges.’
‘Waarom is er dinges en niet niets?’
‘Door je-weet-wel.’
‘Hier komt geen eind aan hè?’
‘We zijn nog maar net begonnen.’
‘Ik wil weten hoe het zit.’
‘Ook als je inziet dat er geen eind aan komt?’
‘Ik zie het wel maar ik voel het niet.’
‘Dan gaan we vrolijk verder.’
‘Waarom is er je-weet-wel en niet niets?’
‘Door hoe-heet-het.’
‘Waarom is er hoe-heet-het en niet niets?’
‘Door huppeldepup.’
‘Ik word gek van mij.’
‘Het gaat vanzelf een keer vervelen.’
‘Waarom is er huppeldepup en niet niets?’
‘Door iets.’
‘Krijg de pip.’
‘Kop zoekt kip.’
‘Waarom weet ik niets en niet iets?’
‘Door dit.’


De halve waarheid

‘Dit is hét.’
‘Wat?’
‘Dit hier.’
‘Hét?’
‘De Waarheid.’
‘Waar?’
‘Hier.’
‘Dit hier is de waarheid?
‘Precies.’
‘Waar is dan de leugen?’


Goudzoekers

‘Alleen maar dit.’
‘En dat dan?’

‘Alleen maar dit.’
‘Wat?’
‘Meer is er niet.’
‘Meer dan wat?’
‘Wat je ziet is wat je krijgt.’
‘Zo lust ik er nog wel een.’
‘O ja?’
‘Wat je krijgt is wat je ziet.’
‘Verdraaid.’
‘Je ziet alleen maar wat je niet krijgt.’
‘Da’s ook een goeie.’
‘Je krijgt het wel maar je ziet het niet.’
‘Niet te geloven.’
‘Je krijgt het niet, je hebt het al.’
‘Jij bent een goudmijn.’
‘En al jaren uitgeput.’


Zonodigheid

‘Waarom spreek je mij altijd tegen?’
‘Dat doe ik helemaal niet.’
‘Is dat om het denken te doorbreken?’
‘Waarom zou ik?’
‘Om mij de zodanigheid van de dingen te tonen?’
‘De wát?’
‘Hun zo-zijn.’
‘Dat snap ik wel, maar wat wil je daarmee zeggen?’
‘Dat ze zijn zoals ze zijn.’
‘Probeer jij soms niks te zeggen?’
‘De werkelijkheid achter de concepten…’
‘Alsof zodanigheid geen concept is.’
‘Dat weet ik wel maar…’
‘Je denkt nog steeds dat er iets achter zit.’
‘Bedoel je dat dit alles is?’
‘Wat bedoel je nou weer met dit?’
‘Dat er niks achter zit?’
‘Waarachter?’
‘Hierachter?’
‘Geen idee.’
‘Dus jij hebt niets tegen concepten?’
‘Waarom zou ik iets tegen concepten hebben?’
‘Wat bedoel je dan?’
‘Waarom zou ik iets bedoelen?’
‘Waarom zou je anders spreken?’
‘Misschien wel omdat ik het niet kan laten.’
‘Kún je het niet laten?’
‘Ik heb geen idee.’
‘Nee.’
‘Of geen idee heeft mij.’
‘Dat is heel wat anders.’
‘Weg ermee dan.’
‘Ik snap er niks meer van.’
‘Ik ook niet.’
‘Jij weet het ook niet meer?’
‘Dat weet ik ook al niet.’
‘Waarom spreek je mij altijd tegen?’


Singulariteit

‘Elke situatie is volstrekt uniek. Iedere gebeurtenis is volstrekt uniek. Elk levend wezen is volstrekt uniek. Ieder ding is volstrekt uniek.’
‘Toch weer iets gemeenschappelijks gevonden?’


Doodtij

‘Het zijnde is.’
‘Parmenides van Elea, zesde eeuw voor Christus.’
‘Martin Buber, twintigste eeuw na Christus.’
‘Houdt het dan nooit op?’
‘De Waarheid is tijdloos.’
‘Ik heb alle tijd.’


Principieel

‘Alles is toeval.’
‘Heb je dat persoonlijk vastgesteld?’
‘Hoe kan dat nou!’
‘Wat dan?’
‘Beredeneerd natuurlijk.’
‘Uit eerste principes?’
‘Waaruit anders?’
‘Dan is toeval noodzaak.’

‘Alles is toeval.’
‘Hoe weet je dat?’
‘Beredeneerd.’
‘Uit eerste principes?’
‘Waaruit anders?’
‘En die eerste principes?’
‘Wat is daarmee?’
‘Zijn die toevallig of noodzakelijk?’

‘Niets is toeval.’
‘Heb je dat gecontroleerd?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Steekproefsgewijs.’
‘Zelfs de grootste steekproef zou nog niet representatief zijn.’
‘Heb je het dan beredeneerd?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Uit eerste principes.’
‘Heb ik niet.’
‘Waarom niet?’
‘Uit principe niet.’
‘Hoe weet je het dan?’
‘Intuïtie.’
‘En als je intuïtie je nou bedriegt?’
‘Dat zou wel heel toevallig zijn.’
‘Hm.’


De hoogste oven

‘Hans, wat heb ik hier?’
‘Een paperclip.’
‘De wereld.’
‘Daar gaan we weer.’
‘Er waren hoogovens nodig om deze paperclip te maken.’
‘Hoogovens zijn geen wereld.’
‘Er was een wereld nodig om die hoogovens te maken.’
‘Je gaat me toch niet vertellen dat alles één is?’
‘Toch wel.’
‘Monist.’
‘Pluralist.’
‘Holist.’
‘Dualist.’
‘Non-dualist.’
‘Nihilist.’
‘Wat is één?’
‘Nou?’
‘Een gedachte.’
‘Hè?’
‘Waar is het ene als je het niet denkt?’
‘En die hoogovens dan?’
‘Ook maar een gedachte.’
‘En de wereld dan?’
‘Ook.’
‘En deze paperclip?’
‘Ook.’
‘Idealist.’
‘Ook.’
‘ ‘Idealist’ is ook maar een gedachte?’
‘Wat zou het anders moeten zijn?’
‘En nihilist en dualist en pluralist?’
‘En non-dualist en holist en monist.’
‘Allemaal gedachten?’
‘Deze ook.’
‘En dat het allemaal maar gedachten zijn?’
‘Ook.’
‘Wát?’
‘Vinger in je kat.’
‘Nou weet ik nog niks.’
‘Dat had je gedacht.’


Bouwstenen

Over de bouwstenen van de wereld is heel wat gefilosofeerd.
Hieronder een aantal opvattingen.

  1. Alles bestaat uit de vier elementen, aarde, water, lucht en vuur
  2. Alles is lucht. Vuur is verdunde lucht, water vloeibare lucht, aarde vaste lucht
  3. Alles is aarde
  4. Alles is water
  5. Alles is vuur
  6. De vier elementen zijn alleen maar bepaalde verschijningsvormen van een onbepaalde oerstof
  7. Het universum is opgebouwd uit de 108 elementen van het periodieke systeem
  8. Niet de elementen maar de moleculen waarvan ze deel uitmaken bepalen de stof
  9. Dat wil zeggen, niet de moleculen als zodanig maar hun stereometrie
  10. Zoals Democritus al wist is het hele universum uit atomen opgebouwd
  11. Atomen bestaan niet, dat zijn kluitjes protonen, neutronen en elektronen
  12. Protonen, neutronen en elektronen bestaan niet, dat zijn kluitjes quarks
  13. Die in werkelijkheid uit oscillerende snaren bestaan
  14. Uit snaarloze oscillaties om precies te zijn, want die snaren zijn natuurlijk zuiver mathematische constructies
  15. Maar eigenlijk bestaat het hele universum uit kwanten
  16. Die op hun beurt alleen maar transitieve manifestaties van het kwantumveld zijn
  17. Leegte de ware bouwsteen van het universum
  18. Alles is informatie
  19. Alles is energie
  20. Energie is een voorbijgaande toestand van massa
  21. Massa is de tegenhanger van antimassa, net als deeltjes van tegendeeltjes
  22. Krachten zijn de bouwstenen van het universum
  23. Er is uiteindelijk maar één kracht
  24. Alle krachten zijn te herleiden tot krachtdeeltjes: gravitonen, gluonen en allerlei bosonen
  25. Deeltjes zijn eigenlijk higgsvelden
  26. Materie is eigenlijk geest
  27. Geest is eigenlijk geen-geest
  28. Er zijn geen recombinante deeltjes; alles is uniek en eenmalig
  29. De wereld is een singulariteit, haar bouwstenen unieke gebeurtenissen
  30. Bouwstenen bestaan alleen maar in je hoofd
  31. Bouwstenen zijn een projectie van het bewustzijn
  32. Bewustzijn is een projectie van zijn bouwstenen
  33. Alles is een projectie van god

Aan jou de vraag: Wat zijn de echte bouwstenen van de wereld?


Groen

Over kleur is heel wat gefilosofeerd.
Hieronder een aantal opvattingen over de kleur groen.

  1. Groen is de boom
  2. Groen zijn de bladeren in de boom
  3. Groen zijn de bladgroenkorrels in het blad
  4. Groen is een primaire kleur. Tenminste, in het additieve model
  5. Groen is een mengsel van geel en blauw. Tenminste, in het subtractieve model
  6. Groen is licht met een golflengte van 530 nanometer
  7. Ook andere golflengten worden soms als groen gezien
  8. Licht met een golflengte van 530 nanometer wordt soms als een andere kleur dan groen gezien
  9. Dus groen is wat je ogen zien ongeacht de golflengte
  10. Maar eigenlijk zijn het de m-kegeltjes op het netvlies die het hem doen
  11. Zonder hersenzone V4 is kleur letterlijk ondenkbaar
  12. Zonder visuele cortex ben je ziende blind
  13. Feitelijk draagt het hele zenuwstelsel bij aan de kleurbeleving
  14. Om over de rest van mijn lichaam nog maar te zwijgen
  15. Per saldo ben ik het dus zelf die de boom groen schildert
  16. Groen is een samenwerkingsverband van mij en de boom
  17. En van de zon natuurlijk, die als lichtbron fungeert
  18. En van de aarde natuurlijk, die mij draagt
  19. Groen is iets van het hele universum, ook al is het hele universum niet groen
  20. Gesteld dat er zoiets is als een universum
  21. Groen is wat het is door alle kleuren die het niet is
  22. Zoals kleur is wat het is door alle eigenschappen die het niet is
  23. En eigenschappen zijn wat ze zijn door alles wat ze niet zijn
  24. Dus groen is het complement van de rest van het universum
  25. Groen is een illusie
  26. Kleur is leegte

Aan jou de vraag: wat is groen nou echt?


Een kwestie van perspectief

‘Het is groen en het hangt aan een boom.’
‘Het is bruin en het zit aan een blad.’


De betekenis van de dingen

Over de betekenis van de dingen is heel wat gefilosofeerd.
Hieronder een aantal opvattingen.

  1. Dingen hebben een beperkt aantal betekenissen die wij thuis en op school leren
  2. Dingen hebben steeds nieuwe betekenissen die door beschouwing en wetenschappelijk onderzoek worden blootgelegd
  3. De betekenis van de dingen ligt in de handelingen waartoe zij ons verleiden en die wij door oefening vervolmaken
  4. Dingen hebben maar één ware betekenis, die wij door meditatie en contemplatie ontdekken
  5. Dingen hebben oneindig veel betekenissen die niemand kan overzien
  6. Dingen hebben helemaal geen betekenis en er valt niets over te weten
  7. Wie de dingen echt wil leren kennen moet zichzelf leren kennen
  8. Er zijn helemaal geen dingen, laat staan dat ze wat betekenen
  9. Wie de dingen echt wil leren kennen moet achter de betekenissen kijken
  10. Een ding is niets anders dan zijn betekenissen
  11. Niet weten wat ze betekenen is wat de dingen betekenen
  12. Ding is zelf al een betekenis
  13. Ding is maar een woord
  14. Betekenis is ook maar een woord
  15. Betekenis drukt een verlangen uit
  16. Betekenis is een uitdrukking van het verstand
  17. Betekenis ken je toe
  18. Betekenis tref je aan
  19. Betekenis overkomt je
  20. Betekenis is een illusie
  21. Illusie is een betekenis
  22. Alle betekenis is tijdelijk
  23. Betekenis is van alle tijden
  24. Alle betekenis is plaatselijk
  25. Betekenis is van alle plaatsen
  26. Betekenis is een persoonlijke zaak
  27. Betekenis is een kwestie van consensus
  28. De betekenis ligt in het gebruik
  29. Het gebruik wordt bepaald door de betekenis
  30. De betekenis – dat ben ik
  31. Betekenis is betekenis
  32. Betekenis is dit alles tegelijk
  33. Betekenis is alles.’
  34. Betekenis is niets van dit alles
  35. Betekenis is niets

Aan jou de vraag: wat betekenen de dingen nou echt?


Tijd

Over het wezen van de tijd is heel wat gefilosofeerd.
Hieronder een aantal opvattingen.

  1. Tijd is één van de vier dimensies van tijdruimte
  2. Tijd is de grondslag die verandering mogelijk maakt
  3. Tijd is een maat voor die verandering
  4. Tijd is de ervaring van verandering
  5. Tijd is die verandering zelf
  6. Tijd is een ander woord voor vergankelijkheid
  7. Tijd is een conventie
  8. Tijd is wat gemeten wordt door een klok
  9. Tijd is wat geproduceerd wordt door een klok
  10. Tijd is een schepping van God
  11. Tijd is emergent, net als bewustzijn
  12. Tijd is een absolute grootheid, voor iedereen hetzelfde
  13. Tijd is relatief en verschilt per waarnemer
  14. Tijd en waarnemer zijn één
  15. Tijd is de beleving van duur
  16. Duur is de beleving van tijd
  17. Tijd is een illusie
  18. Tijd is een abstractie
  19. Tijd is een gevoel
  20. Tijd is een gemoedstoestand
  21. Tijd is geld
  22. Geld is tijd
  23. Astronomisch gezien is tijd de beweging van de planeten
  24. Praktisch gezien is tijd de beweging van het cesium-atoom
  25. Tijd het wezen van ritme
  26. Tijd is het kloppen van het hart
  27. Tijd is het bewegen van het lichaam
  28. Tijd is een beweging van de geest
  29. Tijd is een categorie van het verstand
  30. Tijd is wat nooit stilstaat
  31. Tijd is wat soms stilstaat
  32. De tijd zelf staat altijd stil, wij zijn het die door de tijd bewegen
  33. Tijd is de stroom van het bewustzijn
  34. Bewustzijn is de stroom van de tijd
  35. Wij denken de tijd
  36. De tijd denkt ons
  37. Wij leven de tijd
  38. Wij worden geleefd door de tijd
  39. Tijd is een manifestatie van het tijdloze
  40. Het tijdloze is een limietvorm van de tijd
  41. Tijd is een denkbeeldig punt tussen een groeiend verleden en een krimpende toekomst
  42. Tijd is de realiteit tussen een denkbeeldig verleden en een dito toekomst
  43. Verleden en toekomst zijn altijd nu
  44. Zonder toekomst en verleden geen heden
  45. Tijd is in wezen lineair
  46. Tijd is in wezen cyclisch
  47. Tijd is in wezen homogeen
  48. Tijd is in wezen heterogeen
  49. Tijd is in wezen continu
  50. Tijd is in wezen quantinu

Aan jou de vraag: wat is tijd nou echt?


Tijdbom

‘Jij bent ook niet van gisteren, Hans.’
‘Maar ook niet van vandaag.’


Komkommertijd

‘Jij bent niet van deze tijd, Hans.’
‘En ook niet van een andere.’
‘Bedoel je dat je de Eeuwigheid hebt gerealiseerd?’
‘Ook die tijd is voorbij.’
‘Bedoel je dat je voorgoed in het Heden verblijft?’
‘Ook die tijd is voorbij.’


Big deal

‘Verlichting kent geen tijd.’
‘Gezelligheid ook niet.’


Voor de eerlijke vinder

‘Waarom komt alles altijd te vroeg of te laat?’
‘Niets komt van zichzelf te vroeg of te laat.’
‘Bedoel je dat alles precies op tijd komt?’
‘Niets komt van zichzelf precies op tijd.’
‘Als niets te vroeg, te laat of op tijd komt, wanneer komt het dan wel?’
‘Op zijn eigen tijd.’
‘Waarom lijkt het dan toch alsof alles altijd te vroeg, te laat of op tijd komt?’
‘Omdat jij dat vindt.’


Een tegenvaller

‘Als je nergens meer iets van vindt, komt alles op zijn eigen tijd.’
‘En?’
‘Dat is wel zo rustig.’
‘Niet als je nergens meer iets van vindt.’


Hypothetisch

‘Als je nergens meer iets van vindt…’
‘Kun jij dat?’
‘Wat?’
‘Nergens meer iets van vinden?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Nou?’
‘Nog niet.’
‘Ken je iemand die nergens meer iets van vindt?’
‘Volgens mij ben jij zo iemand.’
‘Dan moet ik je toch teleurstellen.’
‘O?’
‘Ik vind overal iets van.’
‘Wat is dan het verschil tussen ons?’
‘Dat jij je vereenzelvigt met wat je vindt.’
‘En jij?’
‘Ik zie het alleen maar aan.’
‘En als je je toch vereenzelvigt met wat je vindt?’
‘Dan zie ik dat wel aan.’


Duizend-en-één-nu

Stel dat je op het strand ligt en de gedachte komt op: ‘Hè, wat ben ik toch heerlijk in het hier en nu!’
Ben je dan nog heerlijk in het hier en nu?
Volgens sommigen niet, omdat je aandacht dan niet op het hier en nu van het strand is gericht, maar op een gedachte over het genoegen helemaal in hier en nu te zijn.
Aan de andere kant is je aandacht wel helemaal gericht op een gedachte, hier en nu over het hier en nu.
Of mag dat soms niet?
Wat betekent het eigenlijk om in het hier en nu te zijn?
Welk hier en nu hebben we het precies over?

  • Het hier en nu van hoe je daar zit?
  • Het hier en nu van de spanning in je opgetrokken nekspieren?
  • Het hier en nu van de druk op je voetzolen?
  • Het hier en nu van het schurende zand in je liezen?
  • Het hier en nu van de vorm van je tong in je mond?
  • Het hier en nu van je ademhaling?
  • Het hier en nu van de lucht om je heen?
  • Het hier en nu van de brandende zon?
  • Het hier en nu van je volle blaas?
  • Het hier en nu van je tinnitus?
  • Het hier en nu van de krassende kraai op de vuilnisbak?
  • Het hier en nu van de jeep die net voorbijrijdt?
  • Het hier en nu van de geur van aftershave en zonnebrandolie en gebakken vis?
  • Het hier en nu van de gedachte ‘Ik moet steeds in het hier en nu zijn’?
  • Het hier en nu van de diepere betekenis van de woorden die voortdurend in je opkomen?
  • Het hier en nu van het badlaken onder je gat?
  • Het hier en nu van het strand onder je badlaken?
  • Het hier en nu van de meeuwen in de lucht?
  • Het hier en nu van de aanrollende golven?
  • Het hier en nu van je sluimerende verveling?
  • Het hier en nu van de schaduw van je zonnehoed op je gezicht?
  • Het hier en nu van de duinen?
  • Het hier en nu van de wolken aan de hemel?
  • Het hier en nu van…

Is het wel mogelijk om helemaal in het hier en nu te zijn?
Of zelfs maar enigszins?
Is het wel mogelijk om helemaal aan het hier en nu te ontsnappen?
Of zelfs maar enigszins?
Wat denk jij?


Snapshot

‘Hoe ontsnap je aan de tijd?’
‘Door niets van tijd te snappen.’


Geen doen

“Wat is tijd voor jou, Hans?”
” ‘Tijd’.”
“Wat wil je daarmee zeggen?”
“Dat ik eigenlijk niet weet wat tijd is.”
“Wat volgt daaruit?”
“Gisteren is voor mij alleen maar ‘gisteren’. Herinneringen zijn daarom ‘herinneringen’. Ervaringen zijn ‘ervaringen’. Verklaringen zijn’ verklaringen’. Conclusies zijn ‘conclusies’. Triomfen zijn ‘triomfen’. Blunders zijn ‘blunders’. Schaamte is ‘schaamte’. Schuld is ‘schuld’.”
“En morgen?”
“Morgen is alleen maar ‘morgen’. Zorgen zijn daarom ‘zorgen’. Angsten zijn ‘angsten’. Geruststellingen zijn ‘geruststellingen’. Verheugenissen zijn ‘verheugenissen’. Verwachtingen zijn ‘verwachtingen’. Zekerheden zijn ‘zekerheden’. Plannen zijn ‘plannen’. Vooruitzichten zijn ‘vooruitzichten’. Voorspellingen zijn ‘voorspellingen’.”
“Jij houdt steeds een slag om de arm.”
“Nou, ik.”
” ‘Jij’ dan.”
” ‘Goed’ dan.”
“En nu?”
“Nu in de zin van op dit moment?”
“Nou?”
“Tussen gisteren en morgen zit vandaag. Maar wat zit er tussen ‘gisteren’ en ‘morgen’?”
“Het eeuwige heden volgens mij.”
“Het ‘eeuwige heden’ dan toch.”
“Is het niet zo dat een herinnering alleen maar een gedachte nu aan een verondersteld verleden is, en een verwachting alleen maar een gedachte nu aan een veronderstelde toekomst?”
“Maar wat is een gedachte nu?”
“Gewoon, iets wat je op dit moment denkt.”
“Maar wat is dit moment bij gebrek aan een vorig of volgend?”
“Als je er niet bij nadenkt weet je het best, Hans.”
“Maar als je erbij stilstaat?”
“Tja.”
“Wat is er?”
“Ik vind het zo… onbestemd allemaal.”
“Tja.”
“Onbestemdheid is geen leven.”
“Zou best kunnen.”
“Maar?”
” ‘Onbestemdheid’ is best te doen.”
” ‘Onbestemdheid’ is helemáál geen leven!”
“Dat lijkt me ook niet, nee.”
“Wat is het dan wel?”
” ‘Leven’?”


Hoop doet streven

‘Kan ik mij van mijn zorgen bevrijden door in het hier en nu te verblijven?’
‘Zorgen heb je hier en nu.’
‘Kan ik mij van het verleden bevrijden door in het hier en nu te verblijven?’
‘Herinneringen heb je hier en nu.’
‘Wat heb ik er dan aan om in het hier en nu te verblijven?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Hoe kom ik in het hier en nu?’
‘Zie er eerst maar eens uit te komen.’
‘Hoe kom ik uit het hier en nu?’
‘Zie er eerst maar eens in te komen.’
‘Bent jij voorgoed in het hier en nu?’
‘Voorgoed moet nog komen.’
‘Bent jij ontsnapt aan het hier en nu?’
‘Ook die tijd is voorbij.’


Afsprakeloos

‘Als jij ‘te vroeg’, ‘op tijd’ en ‘te laat’ niet als reëel of irreëel ziet, valt er dan nog wel iets met jou af te spreken?’
‘Heb je reden tot klagen?’
‘Tot nog toe niet.’
‘Nou dan.’
‘Maar ik vrees het ergste.’
‘Erg is ook maar een oordeel.’
‘Het wordt steeds enger.’
‘Eng is ook maar een gevoel.’
‘Je klinkt als een automaat.’
‘Klaagde de jukebox.’
‘Gaan we nog antwoord geven?’
‘Als het je gerust stelt, ik kom meestal op tijd.’
‘Ook al zegt het onderscheid tussen op tijd en te laat jou niets?’
‘Dat het me niets zegt, zegt me ook niets.’
‘Maar waarom kom je dan nog steeds op tijd?’
‘Daarom kom ik dus nog steeds op tijd.’


Wal noch Kant

niet de stof, niet de geest!
niet de stof en de geest!
niet de stof noch de geest!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet het vele, niet het ene!
niet het vele en het ene!
niet het vele noch het ene!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet de tijd, niet het heden!
niet de tijd en het heden!
niet de tijd noch het heden!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet de vorm, niet de leegte!
niet de vorm en de leegte!
niet de vorm noch de leegte!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet het deel, niet het geheel!
niet het deel en het geheel!
niet het deel noch het geheel!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet het worden, niet het zijn!
niet het worden en het zijn!
niet het worden noch het zijn!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet het object, niet het subject!
niet het object en het subject!
niet het object noch het subject!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet het duale, niet het non-duale!
niet het duale en het non-duale!
niet het duale noch het non-duale!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet het tijdelijke, niet het eeuwige!
niet het tijdelijke en het eeuwige!
niet het tijdelijke noch het eeuwige!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!

niet de illusie, niet de werkelijkheid!
niet de illusie en de werkelijkheid!
niet de illusie noch de werkelijkheid!
niet iets hogers, niet iets diepers!
niet iets anders, niet het niets!
maar de dans ontsprongen!