Nagarjuna

‘Namen zijn zonder betekenis want zelf, niet-zelf, zelf én niet-zelf, bestaan niet.’ Teksten en citaten van de Indiase boeddhistische filosoof Nagarjuna.

Redactie Hans van Dam.

Dwaalgids > Zen > Nagarjuna

Tips: Shantideva, Apofase, via negativa en neti neti, Zeven soorten leegte


Nagarjuna en sunyata

Nagarjuna (ca. 200) staat bekend als de filosoof van de leegte (sunyata) of voorwaardelijkheid: het idee dat dingen leeg zijn, geen substantie, wezen of essentie hebben. Volgens Nagarjuna bestaan de dingen niet op zichzelf maar uitsluitend in samenhang met alle andere dingen en alleen maar als gevolg van een wereldomspannende keten van oorzaken en een wereldomspannend netwerk van omstandigheden, die allemaal aan hun ontstaan, verandering en vergaan bijdragen. De dingen doen zich weliswaar aan ons voor als objectief en autonoom, maar in werkelijkheid zijn ze subjectief en afhankelijk, kortom illusoir.

Volgens sommigen heeft het idee van de leegte de basis gelegd voor het mahayana-boeddhisme (het grote voertuig), dat het oorspronkelijke hinayana-boeddhisme (het kleine voertuig) al snel overvleugelde. Voortaan was het niet meer nodig om je uit de wereld terug te trekken en als monnik, door een levenslange praktijk van meditatie-oefeningen, ascese en verdienste, naar verlichting te streven, maar kon iedereen, ook de leek, alleen maar door het realiseren van de leegte der dingen, linea recta tot verlichting komen.

Een van de belangrijkste – en moeilijkste – werken die aan Nagarjuna worden toegeschreven, heet de Verzen uit het midden.


Zeventig verzen over de leegte

In de Shunyatasaptati, een korte tekst van zeventig coupletten over shunyata, de leegte van de woorden en de dingen, probeert Nagarjuna aan te tonen dat alle dingen zonder substantie zijn, en alle onderscheidingen ongegrond. Daarom kunnen we volgens hem niets wezenlijks over wat dan ook zeggen, en dat zou het inhoudsloze onderricht van de Boeddha zijn.

Of het begrip sunyata volgens Nagarjuna zelf ook leeg is, wordt door academici betwist. Of hun twist substantie heeft is al evenmin zeker.

Ik spreek geen Sanskriet, ik ben geen specialist in de oosterse filosofie en ik ben niet getraind als boeddhist. Voor onderstaande vertaling heb ik mij hoofdzakelijk gebaseerd op de vertaling uit het Sanskriet in het Engels door dr. Christian Lindtner (link helaas verbroken) en op Causality and Emptiness: the Wisdom of Nagarjuna door dr. Peter Della Santina. Niet vanwege hun kwaliteit – die kan ik niet beoordelen – maar vanwege hun beschikbaarheid. Mijn vertaling is daarom alleen geschikt voor een eerste kennismaking. Wie de Zeventig verzen serieus wil bestuderen, raad ik aan betrouwbare bronnen te raadplegen.


1
Hoewel de Boeddha’s hebben gesproken over ontstaan, voortduren, vergaan, zijn, niet-zijn, laag, middelmatig en hoog, deden ze dat niet in absolute zin maar in wereldse zin.

2
Namen zijn zonder betekenis want zelf, niet-zelf, zelf én niet-zelf, bestaan niet. Net als het nirwana zijn alle benoembare zaken leeg en zonder substantie.

3
Alle dingen zijn volledig zonder essentie, zowel afzonderlijk als in hun totaliteit, zowel qua oorzaken als qua omstandigheden. Daarom noemen we ze leeg.

4
Het zijnde ontstaat niet, want het bestaat al. Het niet-zijnde ontstaat niet, want het bestaat niet. Het zijnde en het niet-zijnde ontstaan niet tegelijkertijd want ze gaan niet samen. Als niets ontstaat of vergaat, kan er ook geen sprake zijn van vergankelijkheid of onvergankelijkheid.

5
Wat reeds geboren is kan niet geboren worden want het is er al. Wat ongeboren is kan niet geboren worden want het is er niet. Wat op dit moment geboren wordt, is half ongeboren en half geboren en kan dus evenmin geboren worden.

6
Als er een effect is, ligt dat reeds besloten in de oorzaak, zodat er niets veroorzaakt wordt. Zonder effect is er evenmin sprake van een oorzaak. Een oorzaak die geen oorzaak is, is tegenstrijdig. Ook is het niet logisch dat een oorzaak actief is in alle drie de tijden.

7
Zonder het ene kan het menigvuldige niet bestaan. Zonder het menigvuldige kan het ene niet bestaan. Het voorwaardelijke is daarom ontelbaar.

8
De twaalf oorzaken van het lijden* zijn voorwaardelijk, leeg en ongeboren. Daarom bestaan ze niet, noch in de ene geest, noch in de vele.

* De zogeheten nidanas: onwetendheid, karma, bewustzijn, lichaam en geest, de zes zintuigen, prikkels, pijn en genot, honger en dorst, verlangen, vastklampen, het bestaan zelf, ouderdom en dood

9
Vergankelijk bestaat niet, onvergankelijk bestaat niet, niet-zelf bestaat niet, zelf bestaat niet, onzuiverheid bestaat niet, zuiverheid bestaat niet, geluk bestaat niet en lijden bestaat niet. Daarom bestaan er ook geen onjuiste zienswijzen.*

* de vier onjuiste zienswijzen: niet begrijpen dat alles vergankelijk is, dat het leven lijden is, dat mensen geen ziel wezen hebben en dat de dingen leeg zijn

10
Derhalve bestaat er geen onwetendheid gebaseerd op onjuiste zienswijzen. Zonder onwetendheid ontstaat er geen karma. Zo ook voor de andere tien oorzaken van het lijden.

11
Onwetendheid ontstaat niet zonder karma en zonder karma ontstaat er geen onwetendheid. Wederkerig als ze zijn, kunnen ze niet op zichzelf bestaan.

12
Hoe kan datgene wat niet op zichzelf bestaat, iets voortbrengen dat wel op zichzelf bestaan? Het voorwaardelijke schept niet het onvoorwaardelijke.

13
De vader is niet de zoon, de zoon is niet de vader, noch bestaan ze gelijktijdig. De een bestaat alleen in relatie tot de ander. Zo is het ook met de twaalf oorzaken van het lijden.

14
Net zoals gedroomde pijn en gedroomd genot geen echte oorzaak hebben en niet echt zijn, zo bestaat het afhankelijke niet op zichzelf, noch datgene wat daar weer van afhankelijk is.

15
Vraag: Als dingen niet op zichzelf bestonden, zouden het inferieure, het middelmatige en het superieure en de tienduizend dingen, grondeloos zijn, en zonder oorzaak!

16
Antwoord: als dingen op zichzelf bestonden, zou er toch zeker geen sprake zijn van voorwaardelijkheid? Als dingen onvoorwaardelijk bestonden, hoe zouden ze dan niet op zichzelf kunnen bestaan? Het ware zijn verdwijnt niet.

17
Hoe kan het niet-zijnde een eigen bestaan, een afgeleid bestaan of geen-bestaan leiden? Hieruit volgt dat de ideeën van een eigen bestaan, een afgeleid bestaan en niet-bestaan voortkomen uit de vier onjuiste zienswijzen.

18
Vraag: Als de dingen werkelijk leeg waren, zou niets kunnen ontstaan of vergaan. Hoe kan datgene wat niet op zichzelf bestaat dan toch ontstaan en vergaan?

19
Antwoord: Zijn en niet-zijn bestaan niet onafhankelijk van elkaar. Zou dat wel het geval zijn, dan zouden ze altijd zijn. Zonder niet-zijn, geen zijn. Zonder zijn, geen niet-zijn.

20
Zonder zijn geen niet-zijn. Zijn ontstaat noch uit zichzelf noch uit iets anders. Daarom bestaat het zijnde niet. Dus is er geen zijn en derhalve ook geen niet-zijn.

21
Is er zijn dan is er onvergankelijkheid; is er niet-zijn dan moet er wel vergankelijkheid zijn. Zodra er iets is, treedt deze paradox op. Daarom is er niets.

22
Vraag: Deze paradox heeft niets te maken met onvergankelijkheid. Dingen vergaan nou eenmaal nadat ze iets veroorzaakt hebben.
Antwoord: zoals gezegd staat dat helemaal niet vast. Vergankelijkheid en onvergankelijkheid zijn wederzijds afhankelijk.

23
Vraag: Het onderricht van de Boeddha over de Weg betreft ontstaan en vergaan, niet leegte!
Antwoord: Deze twee sluiten elkaar niet uit.

24
Vraag: Als er geen ontstaan en vergaan zou zijn, wat is het dan dat ten einde komt wanneer wij het nirwana betreden?
Antwoord: Bestaat bevrijding niet in het besef dat er in wezen niets ontstaat of vergaat?

25
Als nirwana het gevolg is van een vergaan dan is er vergankelijkheid. Zo niet, dan is er onvergankelijkheid. Daar beide problematisch zijn gebleken, is het niet logisch om het nirwana gelijk te stellen aan zijn of niet-zijn.

26
Zou vergankelijkheid op zichzelf bestaan, dan zou het onafhankelijk moeten zijn van zijn. Maar vergankelijkheid kan niet bestaan zonder zijn, noch zonder niet-zijn.

27
Een teken dankt zijn bestaan aan een betekenis waar het niet mee samenvalt. Een teken betekent niet zichzelf. Noch betekenen teken en betekenis elkaar, want wat zelf ongefundeerd is kan het ongefundeerde niet funderen.

28
Zo ook voor oorzaak en gevolg, waarneming en waarnemer, degene die ziet en hetgeen hij ziet, degene die voelt en hetgeen hij voelt, en zo voort, zonder uitzondering.

29
De drie tijden* bestaan niet werkelijk aangezien ze relatief zijn en wederzijds afhankelijk. Ze veranderen onophoudelijk want ze bestaan niet op zichzelf. Ze zijn niet; het zijn slechts onderscheidingen.

* verleden, heden en toekomst

30
Omdat ontstaan, duur en vergaan niet werkelijk zijn, geldt hetzelfde voor alle dingen erdoor gekenmerkt worden.

31
Het onvergankelijke vergaat niet, evenmin als het vergane. Het blijvende blijft niet, evenmin als het niet-blijvende. Het geborene wordt niet geboren, evenmin als het ongeborene.

32
Samengesteld en niet-samengesteld zijn veel noch een; zijnd, noch niet-zijnd, noch zijnd én niet-zijnd. Meer mogelijkheden zijn er niet.

33
Vraag: De Bhagavat, de Leraar, heeft gesproken over de duur van karma, de aard van karma, de gevolgen van karma, en ook over het persoonlijke karma van de levende wezens en over de onvergankelijkheid van karma.

34
Antwoord: Karma bestaat niet op zichzelf. Wat niet ontstaat, vergaat niet. Denken dat het op zichzelf bestaat, schept een ik. Het ik is slechts een onderscheiding.

35
Als karma echt was, zou het lichaam dat het voortbracht onvergankelijk zijn. Maar dan zou karma ook geen lijden veroorzaken.

36
Karma is niet het gevolg van omstandigheden en al helemaal niet van niet-omstandigheden. Het is een illusie, een sprookje, een luchtspiegeling.

37
Karma wordt veroorzaakt door klesas*. Het is een kwestie van hartstocht. Het lichaam heeft karma als oorzaak. Derhalve zijn alle drie voorwaardelijk.

* klesas (spreek uit ‘kleesjaas’, enkelvoud klesa) oorzaken van het lijden, in het bijzonder onwetendheid, ik-denken (denken dat je iemand bent), aantrekking, afstoting en hechting

38
Zonder karma geen dader. Zonder deze beide, geen gevolgen. Zonder deze, niemand die het ondergaat. Alles is leeg.

39
Begrijpt men eenmaal dat karma leeg is, dan onstaat het niet meer. Zonder karma ook geen gevolgen van karma.

40
Net zoals wanneer Heer Tathagata op magische wijze een verschijning projecteert, en deze verschijning op zijn beurt een verschijning projecteert.

41
De verschijning die de Tathagata projecteert is immers leeg, om nog maar te zwijgen over de verschijning geprojecteerd door de projectie. Beide zijn slechts namen, onbeduidende onderscheidingen.

42
Welnu, de dader komt overeen met de verschijning geprojecteerd door de Tathagata, zijn karma met de verschijning geprojecteerd door de projectie. Van nature zonder betekenis, zijn het slechts onderscheidingen.

43
Als karma op zichzelf bestond, zou er geen nirwana zijn, noch de daden van een dader. Als karma niet bestond, dan ook niet de fijne of vervelende gevolgen ervan.

44
‘Is’ en ‘is niet’ en ook ‘is – is-niet’ zijn door de Boeddha’s opgevoerd met een bedoeling. Die is niet gemakkelijk te begrijpen!

45
Als vorm van zichzelf al materiaal is, komt het niet voort uit de elementen*. Het komt ook niet voort uit zichzelf. Hieruit volgt dat het niet bestaat.

* aarde, water, lucht, vuur

46
De vier grote elementen worden niet aangetroffen in één ervan, noch bevindt één ervan zich in een van de vier. Hoe kunnen de vier grote elementen dan de oorzaak zijn van vorm?

47
Aangezien het object zelf niet wordt waargenomen, maar alleen zijn verschijningsvorm, bestaat het object niet op zichzelf. Maar de verschijningsvorm is eveneens voorwaardelijk en bestaat dus ook niet op zichzelf. Een object zonder verschijningsvorm is evenmin voorstelbaar.

48
Zou de geest in staat zijn substantie te bevatten dan zou hij ook zijn eigen substantie kunnen vatten. Maar hoe kan een geest die alleen voorwaardelijk bestaat, zijn eigen gebrek aan substantie bevatten?

49
Als de geest op één bepaald moment niet het ontstaan van een vorm kan bevatten, hoe zou het dan wel een eerdere of latere vorm kunnen bevatten?

50
Kleur en vorm worden nooit afzonderlijk van een object aangetroffen. Ze zijn er niet van gescheiden maar ze zijn er ook niet aan
gelijk.

51
Het gezichtsvermogen zit niet in het oog, niet in het object en ook niet tussen beide in. Daarom is iedere conceptie van het gezichtsvermogen als een functie van het oog of het object onjuist.

52
Als het oog zichzelf niet eens kan zien, hoe zou het dan wel objecten kunnen zien? Oog en vorm zijn zonder substantie. Hetzelfde geldt voor de overige zintuigen.

53
Het oog bevat niets eigens, nog het eigene van iets anders. Vorm is al even leeg. Hetzelfde geldt voor de overige waarnemingsvelden.

54
Als ieder zintuigveld leeg is dan is iedere combinatie van zintuigvelden ook leeg. Leeg is leeg. Leegte berust niet op niet-leegte, noch berust niet-leegte op leegte.

56
Zonder substantie kunnen de drie* op geen enkele wijze met elkaar in contact komen. Zonder contact geen gevoel.

*de drie: de indriya: (zintuigorganen), visaya (zintuigobjecten), en vijnana (waarnemingsvelden / het denken)

56
Het bewustzijn bestaat niet op zichzelf maar berust op de interne en externe zintuigvelden, die op hun beurt niet op zichzelf bestaan. Hieruit volgt dat ook het bewustzijn zonder substantie is, net als luchtspiegelingen en illusies.

57
Daar bewustzijn optreedt in samenhang met een waarneembaar object, bestaat het waarneembare niet op zichzelf. Daar het bewuste subject niet bestaat zonder het waarneembare en het bewustzijn, bestaat het bewuste subject niet op zichzelf.

58
Alles mag dan vergankelijk lijken, in werkelijkheid is niets vergankelijk of onvergankelijk. Zouden de dingen werkelijk bestaan, dan waren zij hetzij vergankelijk, hetzij onvergankelijk. Dus bestaan ze niet.

59
Daar de entiteiten ‘begeerte’, ‘haat’ en ‘waan’ het gevolg zijn van verkeerde zienswijzen, bestaan ze niet op zichzelf.

60
Daar men hetzelfde kan begeren of haten en er allerlei waanideeën over kan hebben, berusten de hartstochten op onderscheid. Onderscheid is niet reëel dus zijn de hartstochten ook niet reëel.

61
Dat wat men zich verbeeldt, bestaat niet echt. Als men zich niets verbeeldt, hoe zou er dan verbeelding kunnen zijn? Zowel het verbeelde als de verbeelding zijn voorwaardelijk. Daarom zijn ze beide leeg.

62>
Ziet men eenmaal de waarheid, dan is het gedaan met onwetendheid, die immers het gevolg is van de vier onjuiste zienswijzen. Zonder onwetendheid kan zich geen karma vormen. Net zo vergaat het de andere oorzaken van het lijden.

63
Datgene wat voorwaardelijk ontstaat uit dit of dat, ontstaat niet in afwezigheid van dit of dat. Zijn en niet-zijn, samengesteld en enkelvoudig, laten zich niet meer tegenover elkaar stellen. Dit is Nirwana.

64
Denken dat dingen die voortkomen uit oorzaken en omstandigheden werkelijk zijn, is wat de Leraar onwetendheid noemt. Hieruit ontstaan de twaalf oorzaken van het lijden.

65
Maar als men eenmaal inziet dat de dingen leeg zijn, verkeert men niet langer in een waan. Het is gedaan met onwetendheid en de twaalf spaken van het wiel komen tot stilstand.

66
Karma kan men vergelijken met illusies, luchtspiegelingen, netjes van haar, schuim, zeepbellen, fantomen, dromen, cirkels van ronddraaiende fakkels.

67
Niets bestaat op zichzelf, en het niet-zijnde bestaat ook niet. Zijn en niet-zijn, beide geboren uit oorzaken en omstandigheden, zijn leeg.

68
Daar alle dingen zonder substantie zijn, leert de onvergelijkbare Tathagata de voorwaardelijkheid aller dingen.

69
Het ultieme is niets anders dan de leegte. De volmaakte Boeddha’s, de Bhagavats, hebben hun verhalen echter moeten aanpassen aan wereldse conventies.

70
De wereldse conventies blijven onaangetast. In werkelijkheid heeft de Tathagata niets geleerd. Maar dwazen die de woorden van de Tathagata niet begrepen hebben, vrezen zijn inhoudsloze discours.

71
Het principe van voorwaardelijkheid kent geen uitzonderingen. Als het afhankelijke niet op zichzelf bestaat, dan bestaat het helemaal niet. En daarmee basta.

72
Iemand die oprecht de waarheid zoekt, iemand die dit principe logisch onderzoekt en vertrouwt op de grondeloze leer, laat de kwestie van zijn en niet-zijn achter zich en rust in vrede.

73
Wanneer men eenmaal begrijpt dat alle bestaan voorwaardelijk is, dan verdwijnen de onjuiste zienswijzen vanzelf. Van zienswijzen verschoond, maakt men zich niet langer druk om begeerte, illusie en boosheid, en dat is nirwana.

Verzen uit het midden

Bron: Verzen uit het midden; een verkenning van het sublieme, Stephen Batchelor, vertaald uit het Engels door Ria van Hengel, Asoka, Rotterdam 2001

De vertaling van Nagarjuna’s Verzen uit het Midden
(mulamadhyamakakarikah) uit het Sanskriet en het Tibetaans in het Engels door Stephen Batchelor is niet onomstreden. Zijn vertaling zou te poëtisch zijn en te ver van het origineel afstaan. Batchelor geeft zelf aan Nagarjuna naar de geest te hebben willen vertalen en niet naar de letter. Omdat hij (Batchelor) bovendien de oorspronkelijke volgorde van de hoofdstukken niet heeft gehandhaafd, is het resultaat inderdaad misschien meer een parafrase dan een vertaling. Jammer voor de (ver)taalpuristen, fijn voor mijn lezers, want zonder uitgebreid commentaar ligt Nagarjuna zwaar op de maag. Je moet nou eenmaal iets weten van de filosofische dogma’s waartegen hij destijds ageerde om zijn bondige verzen te kunnen volgen. In een citatenverzameling als deze is geen ruimte voor uitgebreid commentaar.

Hieronder enkele fragmenten uit de parafrasen van Batchelor in de door hem verkozen volgorde, en net als bij hem, voorafgegaan en afgesloten door gedichten toegeschreven aan Kumarajiva. Batchelor heeft de hoofdstukken niet genummerd, zoals in het originele werk, maar van ongenummerde titels voorzien, die ik heb overgenomen. De aanduiding MMK gevolgd door een nummer, staat voor het overeenkomstige hoofdstuk in het oorspronkelijke werk van Nagarjuna, de mulamadhyamakakarikah. Hoofdstukken MMK 1, 20 en 23 zijn door Batchelor opgenomen in een appendix. Citaten uit twee van deze drie hoofdstukken, MMK 1 en 23, treft u aan na het afsluitende gedicht van Kumarajiva.


Ik buig voor boeddha’s
die de voorwaardelijkheid onderwijzen
(geen dood, geen geboorte,
geen niets, geen eeuwigheid,
geen aankomst, geen vertrek,
geen gelijkheid, geen verschil)
en fixaties opheffen.


Zien

Zien openbaart een ziende.
Deze staat niet los van het zien,
noch staat hij er niet-los van.
Hoe zou je kunnen zien
en wat zou je zien
als er geen ziende was?

Zoals een kind geboren wordt
uit een vader en een moeder,
zo komt het bewustzijn voort
uit ogen en kleurige vormen.
(fragment; MMK 3)


Lichaam

Ik heb geen lichaam
los van de delen waaruit het bestaat.
Ik ken geen delen
los van een ‘lichaam’.

Ik kan niet zeggen
‘Mijn lichaam is gelijk aan zijn delen.’
Ik kan niet zeggen
‘Het is iets anders.’
(fragment; MMK 4)


Ruimte

Ruimte is niet een belemmering
of de aanwezigheid daarvan,
ook is het niet een kenmerk
of iets dat gekenmerkt wordt.

Vloeibaarheid en hitte,
energie en zwaarte
zijn net als ruimte.

Door dingen te beschouwen
als zijnde of niet-zijnde,
zien dwazen niet
een vredige wereld.
(fragment; MMK5)


Daders

Onwerkelijke daden en onwerkelijke daders
hebben geen oorzaken nodig.

Geen oorzaken:
geen oorzakelijkheid.
Geen oorzakelijkheid:
geen activiteit, geen daders, geen verrichting.
Geen verrichting:
geen goed of slecht.
Geen goed of slecht:
geen gevolgen van goed of slecht.
Geen gevolgen van goed of slecht:
geen weg naar de hemel,
geen weg naar de vrijheid.

Als daden en daders verdwijnen,
begrijp je het vastklampen
en al het andere.
(fragment; MMK8)


Eerder

Ben ik hier al
voordat ik zie en proef en voel?
Zo niet, hoe kan ik dan zien en proeven en voelen?
Hoe kan ik weten of ik hier al ben of niet?

Als ik hier zonder hen zou zijn,
konden zij hier zijn zonder mij.
Ik openbaar hen en zij openbaren mij.
Hoe kan ik hier zijn zonder hen?
Hoe kunnen zij hier zijn zonder mij?

Ik ben niet eerder hier
dan de ervaring als zodanig:
zien openbaart slechts de ziende,
proeven slechts de proevende,
voelen slechts de voelende.

Als ik hier niet eerder ben dan zien en proeven en voelen,
kan ik hier dan eerder zijn dan een van hen?
Kan de ziende proeven?
Kan de proevende voelen?

Als ze verschillend waren,
zou ik tallozen zijn.
Ook zit ik niet opgeborgen in de elementen
vanwaaruit zien en proeven en voelen zich voordoen.

Als ik, van wie zij deel uitmaken,
niet te vinden ben,
hoe zijn zij dan te vinden?
Ik ben er niet eerder dan zij,
ik ben er niet tegelijk met hen
en ik kom niet na hen.

Laat ‘ik ben’ los.
Laat ‘ik ben niet’ los.
(MMK 9)


Voor en na

Was er iets vóór het begin?

Als het leven geen begin en geen eind heeft,
geen ervoor en erna,
hoe kan het dan midden in een heden staan?

Als de geboorte er eerst was en de dood later,
zou ik onsterfelijk zijn, zonder geschiedenis.
Als de dood er eerst was en de geboorte later,
zouden de doden niet geboren zijn.

Ik kan niet tegelijk geboren worden en sterven:
als de geboorte de dood was,
zouden ze beiden zonder oorsprong zijn.

Waarom ben ik erdoor bevangen?
(MMK 11)


Verandering

Boeddha’s zeggen dat leegte
het opgeven van meningen is.
Wie in leegte gelooft
is ongeneeslijk.
(fragment; MMK 13)


Verbinding

Ik ben een ander dan jij
in relatie met jou.
Zonder jou
zou ik niet jou ander kunnen zijn.

Als ik een ander was dan jij,
zou ik zelfs zonder jou
iemand anders zijn.
Zonder jou
kan ik niet jouw ander zijn.

Er is geen ander-zijn
in jou of in mij.
Zonder ander-zijn
is er geen ik en geen jij.

Ik heb geen verbinding met mij
en ik heb geen verbinding met jou.
Geen verbinden,
geen verbindingen, geen verbindenden.
(fragment; MMK 14)


Essentie

Zonder iets
kon er geen niets zijn.
Zeggen mensen niet:
Iets wordt niets
wanneer het in iets anders verandert?

‘Ik ben ik, ik zal nooit niet zijn’ –
het verlangen naar eeuwigheid.
‘Ik was, ik ben niet meer’ –
de klap van het tenietgaan.

De wijze vermijdt zijn en niets-zijn.
(fragment; MMK 15)


Leven

‘Ik ben vrij! Ik klamp mij niet meer vast!
Ik ben bevrijd!’ –
Het grootste vastklampen
is dit soort vastklampen.
(fragment; MMK 16)


Daden

Bevangen door verwarring
dragen dragers de gevolgen van daden
die noch zij
noch anderen hebben verricht.

Waar zijn de daders van daden
afwezig te midden van hun omstandigheden?
Waar zijn de gevolgen van daders en daden
die niet te vinden zijn?
Waar zijn de dragers
van gevolgen die uitblijven?
(fragment; MMK 17)


Zelf

Als geest en stof mij waren,
zou ik komen en gaan zoals zij.
Als ik iets anders was,
zouden ze niets over mij zeggen.

Wat is van mij als er geen ik is?
Als ik niet zo op mezelf was gericht,
zou ik niet denken aan mij en mijn –
Dan zou er niemand zijn
om ze te denken.

Boeddha’s spreken van ‘zelf’
en onderwijzen ook ‘niet-zelf’
en zeggen ook ér is niets
dat of zelf is of niet zelf.’

De Boeddha zei: ‘het is werkelijk’
en ‘het is onwerkelijk’
en ‘het is werkelijk én onwerkelijk
en ‘het is noch het een noch het ander.

Je bent niet gelijk aan of anders dan
de omstandigheden waardoor je bepaald bent.
Je bent er niet van afgesneden
en er niet voorgoed mee versmolten.
Dit is het doodloze onderricht
van boeddha’s die begaan zijn met de wereld.
(fragment; MMK 18)


Boeddhanatuur

Ze is niet lichamelijk, emotioneel,
conceptueel, impulsief, bewust
of iets anders.
Ze vertoeft niet in ons
en wij niet in haar.
Ze bezit ons niet.

Als ze afhankelijk was van ons
of van iets anders,
zou ze niet in zichzelf bestaan.
Hoe zou ze iets anders kunnen zijn dan zichzelf?
Zou wat niet zichzelf is
boeddhanatuur kunnen zijn?

Wat is ze los van zichzelf
of iets anders?
Is ze onafhankelijk van lichaam, gevoel, denken,
impulsen of bewustzijn?
Ze is daar nu afhankelijk van
en zal daarmee doorgaan.

Kun je zeggen
dat de boeddhanatuur ‘voorwaardelijk’ is
wanneer dat waarvan ze afhangt,
en de afhankelijke zelf,
leeg zijn?

Kun je zeggen dat
de boeddhanatuur ‘leeg’ is
wanneer ‘leeg’ en ‘niet-leeg’
slechts symbolen zijn?

Vaste ideeën van bestendigheid
en vergankelijkheid,
eindigheid en oneindigheid
hebben geen plaats als alles goed is.

Gelovenden geloven in boeddha’s
die verdwijnen in nirvana.
Stel je geen lege boeddha’s voor,
verdwijnend of niet.

Als je gefixeerd bent
op wat onwrikbaar
buiten het terrein van de fixatie valt,
zie je geen boeddhanatuur.

De boeddhanatuur
is de natuur van deze wereld.
De boeddhanatuur heeft geen natuur
evenmin als deze wereld.
(MMK 22)


Ontwaken

De Boeddha wanhoopte
aan het onderwijzen van de dharma.
Hij wist dat het moeilijk was
de diepten ervan te beseffen.

Jouw verwarde conclusies
tasten de leegte niet aan.
Jouw ontkenning van de leegte.
tast mij niet aan.

Als je denkt dat de dingen van nature bestaan,
ontzeg je ze oorzaken en omstandigheden.
Dan ondermijn je causaliteit,
handelende personen, werktuigen en daden,
beginnen, ophouden en rijpen.

Voorwaardelijkheid is leegte
die, voorwaardelijk vormgegeven,
de middenweg is.
Alles is voorwaardelijk,
alles is leeg.
(fragment; MMK24)


uit Nirvana

Niets losgelaten, niets bereikt,
niets tenietgedaan, niets eeuwig,
altijddurend en ongeboren,
dat is nirvana.

Als nirvana iets was,
zou het voorwaardelijk zijn
en het zou vergaan en sterven
zoals alle andere dingen.

Kan nirvana niets zijn?
Niet iets zijn
betekent niet niets zijn.
Als nirvana niets was,
zou het voorwaardelijk zijn,
zoals elk ander niets.

De dingen zijn geschapen en voorwaardelijk.
Nirvana is geen van beide:
loslaten wat opkomt en voorbijgaat
is noch iets noch niets.
(MMK 25)


Voorwaardelijkheid

Je vastklampen is: beslist iemand willen zijn.
Je niet vastklampen is: je vrij voelen om niet iemand te zijn.
(fragment; MMK26)


Mening

‘Ik ben hier al geweest.’
‘Nee, dat ben je niet.’
‘Dit zal eeuwig duren.’ –
Horizons van het verleden.

‘Ik zal blijven leven.’
‘Nee, dat zul je niet.’
‘Dit zal ophouden.’ –
Horizons van de toekomst.

Meningen zijn dwaas.

Alles is leeg –
In wie? Over wat?
Wellen meningen op?
(fragment; MMK27)


Voor Gautama
in wiens omhelzing
de dharma is geopenbaard
en meningen verdwenen.


uit de appendix:


Omstandigheden

Niets komt uit zichzelf
of uit iets anders
of uit beide
of zonder een oorzaak.

De essentie van iets
is nooit te vinden
in oorzaken of herkomst,
bewustzijn of objecten.
Want als iets niet zichzelf is,
hoe kan het dan iets anders zijn?

Ook ik ben niet ter wereld gekomen
met omstandigheden
of zonder omstandigheden:
het werden pas mijn omstandigheden
toen ik eruit voortkwam,
niet eerder.

Of ik er nu ben of niet,
omstandigheden zijn onmogelijk,
want wiens omstandigheden zonden het zijn
als ik afwezig was?
En welk doel zouden ze dienen
als ik aanwezig was?

Je kunt niet zeggen:
‘Als dit aanwezig is, gebeurt dat.’
Want de aanwezigheid van iets zonder essentie
is nooit te vinden.

Hoe kunnen omstandigheden
iets veroorzaken waarmee ze geen verband houden?
Waarom zou ik niet geboren kunnen zijn
uit oorzaken die niet mijn omstandigheden waren?

Hoe kan mijn natuur door omstandigheden zijn geschapen
als omstandigheden geen eigen natuur hebben?
Hoe kan het ooit mijn natuur zijn
om zonder omstandigheden te bestaan?
(MMK 1)


Verwarring

Begrippen zijn er de wortel van:
hebzucht, haat, verbijstering
zijn afhankelijk van wat je
wenselijk, verachtelijk of verwarrend vindt.

Als denkbeelden over
wat ‘wenselijk’, ‘verachtelijk’, en ‘verwarrend’ is
geen eigen natuur bezitten,
waarom verontrusten ze mij dan?
Ik kan wel denken dat de dingen
die de zintuigen ervaren
de basis van de begeerte vormen,
maar het zijn net onzichtbare steden,
luchtspiegelingen en dromen.

Zijn ze wenselijk of verachtelijk?
De begrippen wenselijk en verachtelijk
zijn afhankelijk van elkaar,
ze staan niet op zichzelf.
Als er niets wenselijk is,
hoe kan ik er dan naar hunkeren?
Als er niets verachtelijk is,
hoe kan ik het dan haten?

Opvattingen en begrippen,
waarover ze gaan en wie ze heeft,
zijn allemaal vredig.
Als er geen verwarring is
en geen niet-verwarring,
wie is er dan verward en wie niet?
Zoek dat maar eens uit.
(fragment; MMK 23)


Over de verzen uit het midden

Bron: Verzen uit het midden; een verkenning van het sublieme, Stephen Batchelor, vertaald uit het Engels door Ria van Hengel, Asoka, Rotterdam 2001


Profeet van de leegte

Als Nagarjuna de dichter van de leegte was, dan was Gautama, de Boeddha, haar profeet. De eerste vijfhonderd jaar na zijn dood werd de Boeddha herinnerd als een leegte. In de brokstukken van stenen friezen die nog over zijn uit die tijd, wordt hij afgebeeld als een lege zetel, een boom waar niemand onder zit, een paar voetafdrukken, het wiel van de dharma dat hij aan het draaien bracht. (21)


Bevrijding van de geest

Als antwoord op de vraag ‘Wat is de bevrijding van de geest door middel van leegte?’, zegt een vroeg boeddhistisch geschrift: ‘Een monnik gaat naar het bos of naar de voet van een boom of naar een verlaten hut, en denkt: “Dit heeft geen zelf of iets dat tot een zelf behoort.” Dat is bevrijding van de geest door middel van leegte. (21)


De middenweg

Een ‘groot mens’ die in de leegte vertoeft is iemand die in staat is op de middenweg te blijven. Deze middenweg was voor de Boeddha vooral het vermijden van de uitersten van genot en ascese maar ontwikkelde zich steeds meer ook tot de kunst om je niet te laten verleiden tot enige vorm van dualisme. (22)


Absolutist of nihilist

Zo vroeg bijvoorbeeld de asceet Vacchagotta aan de Boeddha: ‘Hoe zit het, eerbiedwaardige Gautama, bestaat het zelf?’ De Boeddha zweeg. ‘Hoe zit het dan, eerbiedwaardige Gautama, bestaat het zelf niet?’ De Boeddha zweeg nog steeds. De asceet Vacchagotta stond op en liep weg. De Boeddha wendde zich tot zijn volgeling Ananda en zei: ‘Als ik had geantwoord dat het zelf bestaat, was hij een absolutist geworden. En als ik had geantwoord dat het zelf niet bestaat, was hij een nihilist geworden.’ (23)


Tussen ja en nee

Hoewel de Boeddha een leer van zelfloosheid verkondigde, besefte hij bij de vragen van de asceet Vacchagotta dat zijn eigen leer van zelfloosheid hem voor een dilemma plaatste. Om trouw te zijn aan zijn middenweg mocht hij niets zeggen dat iemand het gevoel gaf een wezenlijke, permanente identiteit te bezitten. Maar hij mocht ook niet het tegenovergestelde suggereren, namelijk dat een mens louter illusie is, onbekwaam tot het maken van morele keuzen die leiden tot daden met psychologische en sociale gevolgen. Door de middenweg te bewandelen tussen absolutisme en nihilisme, bleef de Boeddha tussen ‘ja’ en ‘nee’, tussen ‘zelf’ en ‘geen zelf’, in een zwijgende leegte. (23)


Dit noch dat

In de leegte vertoeven betekent: het verdragen van het veelduidige, niet-dualistische karakter van het leven. Dat blijkt uit het antwoord dat de Boeddha gaf op de vragen van Katyayana: “Katyayana, de dagelijks ervaring berust op de dualiteit van ‘het is’ en ‘het is niet’. Maar voor degene die […] begrijpt hoe de dingen van de wereld opkomen en verdwijnen, voor hem bestaat er geen ‘het is’ en ‘het is niet’. ‘Alles bestaat’ is gewoon het ene uiterste, Katyayana, en ‘niets bestaat’ is het andere uiterste. De Tathagata bouwt op geen van deze twee uitersten en onderwijst de dharma als een middenweg.” De middenweg is gebaseerd op inzicht in de leegte van het zelf. Hij doet het ervaren van leegte uitgroeien tot een gevoeligheid die weigert dingen vast te pinnen op ‘dit’ of ‘dat’. (24)


Een speelse vrijheid

Chuang Tzu is het met de Boeddha eens dat leegte de afwezigheid van een vaststaand zelf is, en dat je die met stelselmatige bezinning kunt bereiken. Toch stelt Chuang Tzu de leegte voor als een speelse, anarchistische vrijheid, zonder dwang van religiositeit. ‘Leeg kwam ik bij hem’, zegt een andere wijze in de tekst van Chuang Tzu, ‘kronkelend en draaiend, niets weten van “wie” of “wat”, nu eens duikend en buigend, dan weer golvend.’ (26)


Voorwaardelijkheid

De sleutel tot Nagarjuna’s Verzen uit het midden is zijn visie dat leegte onlosmakelijk verbonden is met de diepe voorwaardelijkheid van het leven zelf. Bovendien stelt Nagarjuna dat de leegte die je ervaart als je niet langer obsessief vasthoudt aan een gefixeerd zelf of aan dingen, de middenweg van de Boeddha is. (32)


Onvindbaarheid

Wanneer je doordringt tot onder de oppervlakte van dingen die schijnbaar op zichzelf lijken te bestaan, openbaren zich de sublieme diepte, het mysterie en de voorwaardelijkheid waarnaar leegte verwijst. Leegte is de onvindbaarheid van al die losstaande dingen. (33)


Verraderlijk

Leegte begrijpen betekent niet dat ‘leegte’ een afzonderlijk ‘object’ van een ‘bewustzijn’ wordt. Leegte ervaar je als het loslaten van vaststaande ideeën over jezelf en de wereld. … Op leegte kun je even gemakkelijk gefixeerd raken als op iets anders. Als je dat doet, wordt datgene wat bedoeld is om fixaties te beëindigen, een verraderlijke val. (33)


De kwellende mogelijkheid tot vrijheid

Als je Nagarjuna’s verzen doorleest, zie je hoezeer hij probeert de existentiële en taalgebonden fixaties te doorbreken die de mens in zich herhalende cirkels van leed gevangen houden. Hij haalt de vertrouwde grond van het gezonde verstand onder je voeten vandaan, kapt je denkgewoonten af, laat niets over om je aan vast te houden. In plaats van de troost van het geloof te bieden, houdt hij je de kwellende mogelijkheid tot vrijheid voor. (34)


Verontrustend en vreemd

Als dichter geeft Nagarjuna van binnenuit een stem aan de vrijheid van de leegte. Hij wil niet bevestigen wat veilig en bekend is, maar onderzoeken wat verontrustend en vreemd is. Het loslaten van vaststaande meningen over jezelf en de wereld kan beangstigend en verleidelijk zijn. Hoewel die leegte misschien een onverdraaglijke inbreuk op je gevoel van identiteit en veiligheid lijkt, kun je haar ook ervaren als een onweerstaanbare verlokking tot een ontzagwekkend, mysterieus leven. (35)


Geen essentie en geen niets

De vraag van Hui-k’o naar de aard van de geest bracht hem noch bij een metafysische essentie nog bij een louter niets. Hij kon eenvoudig niet iets aanwijzen als ‘de essentie van de geest’. Bodhidharma vroeg zijn volgeling niet om ‘leegte’ te realiseren, want dat zou maar al te gemakkelijk zijn geïnterpreteerd als iets heiligs of als niets. Nee, hij vroeg hem de aard van zijn eigen directe ervaring te onderzoeken. Zo kon Hui-k’o, althans voor een ogenblik, loslaten wat hij vasthield. (38)


Niet-rusten

Het verhaal gaat dat Hui-neng als jongeman ontwaakte toen hij een passage hoorde uit De diamantslijper, een van de Wijsheidssoetra’s, waarin de woorden ‘waar de geest nergens kan rusten’ voorkwamen. Later beschreef hij dat niet-rusten als ‘de oorspronkelijke aard van de mens.’ Voor Hui-neng betekende mediteren: deze aard zien zonder in verwarring te raken. Leegte is niet het opgaan in een mystieke toestand, maar een manier van leven in de rijke, complexe wereld. (38)


Fundamentele voorwaardelijkheid

Datgene wat door leegte wordt ontkend is het instinctieve gevoel dat het zelf en de dingen op zichzelf bestaan. Nuchter bekeken lijkt bijvoorbeeld een vaas duidelijk op zichzelf te staan, onafhankelijk van zijn oorzaken en componenten, laat staan van de diverse begrippen en woorden waarmee mensen gewend zijn vazen aan te duiden. Tsongkhapa stelde dat leegte eenvoudig het ontbreken was van zo’n besef van ‘inherent bestaan’. Leegte is niet de toegang tot een mystieke, transcendente sfeer die onder de oppervlakte van de dagelijkse werkelijkheid verborgen ligt, maar verwijdert slechts het valse vernis van het inherente bestaan en maak de fundamentele voorwaardelijkheid van het leven zichtbaar. (48)


De mythe van de dingen

Als we kijken naar het ontkiemen van een eikel en naar zijn transformatie tot een volwassen boom, kunnen we nergens een punt aanwijzen waar de eikel ophield en de eik begon. Nagarjuna wantrouwt vastomlijnde ‘dingen’ zoals ‘zaden’ of ‘planten’, en ook woorden als ‘voorgoed samensmelten’ of ‘los van elkaar staan’. Als je de levende processen aandachtig waarneemt, vervliegt de mythe van de dingen (en de niet-dingen), en wordt er een wereld geopenbaard die niet tot de ons vertrouwde begrippen en beelden is terug te brengen. (63)


Geen exact moment

Zoals de eik voor ons iets anders is dan de eikel waaruit hij is voortgekomen, zo is de boom voor ons iets anders dan de bladeren, de takken en de stam waaruit hij nu bestaat. Ook beschouwen we het lichaam als een ‘ding’ en zijn ledematen en romp als andere ‘dingen’. Maar als we daar nu eens niet van uitgaan, en het lichaam bekijken zoals onze zintuigen het ervaren, dan vervagen die scherpe, besliste onderscheiden. Want net zoals er geen exact moment is waarop het bevruchte ei een embryo wordt, zo is er ook geen exact punt waar de arm een schouder wordt. Het lichaam is een samenhangend geheel dat noch gelijk is aan de som van zijn delen, noch ervan verschilt. (65)


Een bruikbare illusie

In dit licht gezien komt elk ervaringsogenblik voort uit een naadloos continuüm van omstandigheden. Dat geldt niet alleen voor zaden en planten, maar ook voor het bewustzijn daarvan… Intuïtief denk je misschien dat ‘het bewustzijn’, het meest particuliere en constante dat je hebt, ‘werkelijker’ is dan de voorbijgaande verschijnselen waarvan het zich bewust is. Bewustzijn lijkt een eenzame getuige die zich al in ons bevindt en ligt te wachten op de dingen die zullen verschijnen. Voor Nagarjuna is dat niet meer dan een bruikbare illusie. Het bewustzijn heeft pas betekenis als het zich van iets bewust is; het is onlosmakelijk verbonden met je zintuigen en met de voorwerpen die zich eraan voordoen; het is even voorwaardelijk en vluchtig als de flakkerende kleuren en vormen die het aanschouwt en hangt er even sterk mee samen. (64)


De filosofie van het midden

Terwijl Batchelor’s vertaling via de tussenstappen van het Chinees, het Tibetaans en het Engels tot ons is gekomen, heeft Erik Hoogcarspel Nagarjuna’s Filosofie van het midden (de mulamadhyamakakarikah) rechtstreeks uit het Sanskriet in het Nederlands vertaald. Bovendien heeft laatstgenoemde voor een letterlijke vertaling gekozen en eerstgenoemde voor een dichterlijke. Wie dichter bij de bron wil zitten, is daarom beter af met de versie van Hoogcarspel, die door de vertaler bovendien nog eens van uitgebreid commentaar is voorzien.

Om een indruk te geven van de redeneertrant van Nagarjuna in de Filosofie van het midden volgens Hoogcarspel, heb ik het relatief kleine hoofdstuk 19 over de tijd overgenomen, dat slechts zes verzen bevat. Als om de onmisbaarheid ervan te demonstreren, heb ik de commentaren van de vertaler weggelaten.

Bron: Nagarjuna; Grondregels van de filosofie van het midden, Erik Hoogcarspel, Olive Press, Amsterdam 2005:


De tijd

1. Als het heden en de toekomst afhankelijk zouden zijn van het verleden, dan zouden heden en toekomst tijdens het verleden moeten bestaan.

2. Als daarentegen het heden en de toekomst toen niet bestonden, hoe kunnen ze er dan toch afhankelijk van zijn?

3. Er bestaat anderzijds ook geen verleden dat onafhankelijk van beide een feit is. Er is daarom geen heden en geen toekomst.

4. Op precies dezelfde manier moeten ook beide overgebleven aspecten worden beschouwd en ook het hogere, lagere en middelste deel, enzovoort en eenheid, enz.

5. Tijd die stilstaat bestaat niet. Tijd die niet stilstaat wordt niet waargenomen. Hoe kan tijd zich kenbaar maken als waarneembaar als ze niet wordt waargenomen.

6. Als tijd afhankelijk is van de dingen, hoe zou er dan tijd kunnen bestaan zonder de dingen. Er bestaat echter geen enkel ding, hoe zou tijd dan kunnen bestaan?


Uit Hoogcarspels inleiding:


Paradigmawisseling

De transcendente wijsheid [van de Prajnaparamitasutra] is een paradigmawisseling. De ideale boeddhist is niet langer een monnik die veel mediteert of die zich nauwkeurig aan de regels houdt. De ideale boeddhist is iemand die de transcendente wijsheid begrijpt en dat is een wijsheid die alle normen en feiten van de samenleving ziet als het spel van de wereld. De monnik of non maakt nog deel uit van de wereld, want hij of zij streeft nog naar beloning, naar veiligheid en waardering. (13)


Illusio

Transcendente wijsheid heeft veel te maken met het inzicht dat de wereld een spel is, in de zin dat de wereld niet zozeer bestaat alswel gedaan wordt. De beloning, zoals bezit en reputatie is buiten het spel, dat de wereld is, niets waard. Omdat te begrijpen moet je de binding met het spel doorbreken, dit is een soort fascinatie, die Pierre Bourdieu ‘illusio’ heeft genoemd. Dit blijkt uit onderstaand fragment van de Ratnagunasamcayagatha, een tekst die korter en waarschijnlijk iets ouder is dan de eerste Prajanparamitasutra. (13)

[uit dit fragment op pagina 13 de volgende drie citaten]


Geen wijsheid en geen rustplaats

‘Wij kunnen geen wijsheid vinden, geen hoogste perfectie, geen bodhisattva, ook geen gedachte van ontwaken. Iemand die niet verbijsterd is wanneer hij dit hoort en op geen enkele manier bezorgd, deze bodhisattva verblijft in de wijsheid van de Boeddha. Hij vindt nergens een rustplaats, niet in vorm, gevoel, waarneming of bewustzijn. Hij gaat rond zonder huis, fenomenen houden hem niet vast, noch grijpt hij naar heen.’


Volledig leeg

‘De zwerver Srenika kon door zijn inzicht in de waarheid geen basis vinden, hoewel de componenten niet waren ontbonden. Zo trekt een bodhisattva, wanneer hij naar behoren de fenomenen begrijpt, zich niet in de heilige rust terug. Hij verblijft dan in wijsheid. “Wat is deze wijsheid, waarvandaan en van wie komt zij?” vraagt hij, en dan ziet hij dat al deze fenomenen volledig leeg zijn.’


Bevrijd van begrip

‘De dwazen veronderstellen dat wat niet bestaat bestaat. Zij verbeelden zich zowel niet bestaan als bestaan, terwijl bestaan en niet bestaan beide als feitelijke fenomenen niet echt zijn. Een bodhisattva verlaat zijn huis wanneer hij dit wijselijk inziet. Als hij weet dat de vijf componenten een illusie zijn, maar niet van de illusie één ding maakt en van de componenten een ander, als hij in vrede verblijft, bevrijd van het begrip van veelvoudige dingen, dan is dat zijn beoefening van wijsheid, de hoogste volmaaktheid.’


Substanties

Nagarjuna heeft zich tot taak gesteld om deze visie van de transcendente wijsheid filosofisch te onderbouwen. Zijn uitgangspunt is dat deze transcendente wijsheid doorbreekt als iemand ophoudt overal substanties te zien, of liever gezegd: als iemand beseft dat hij substanties ziet, maar er tegelijk van doordrongen is dat ze er niet zijn. … Een wereld zonder substanties is ondenkbaar. We geloven in substanties. Elk zelfstandig naamwoord, elk substantief, kondigt een substantie aan. Ons geloof in substanties wordt voortdurend bevestigd door de taal, daarom moeten we ons losmaken van de taal als we iets van de boeddhistische verlossing willen begrijpen. (15)


Op ironische wijze

Nagarjuna zegt op verschillende plaatsen met zoveel woorden dat de monniksdiscipline hier niets helpt en hooguit als spel moet worden beoefend, ‘op ironische wijze’ zou Richard Rorty zeggen. Dit kan omdat het inzicht is doorgebroken dat begrippen niet overeenkomen met dingen, maar er een model van zijn. Alle woorden zijn volgens Nietzsche metaforen, dus elk woord vormt een model. Een model hoeft niet te lijken op wat het voorstelt. Een landkaart hoeft niet dezelfde kleur te hebben als het land dat het voorstelt. Zelfstandige naamwoorden hoeven niet te verwijzen naar zelfstandig bestaande substanties. (16)


Logisch

Nagarjuna laat zien dat de transcendente wijsheid ook heel logisch is. Het substantialisme is juist heel inconsequent. We zijn hier alleen zo aan gewend dat we het niet meer zien. We blijven opgesloten in ons substantieperspectief doordat we het als absoluut nemen. (16)


Ze impliceren elkaar

Deze letters lijken op zichzelf te bestaan, maar ze zijn alleen maar wat ze zijn voor iemand die Nederlands kan lezen en dan nog: voor sommigen zijn het misschien symbolen van absurde onzin, voor anderen een bron van nieuwe inzichten. Voor iemand die blind geboren is, bestaan ze niet eens. Als deze letters niet op zichzelf bestaan, hoe dan wel? Ze bestaan immers wel degelijk, anders zouden we ze niet kunnen lezen! De letters bestaan voor iemand die ze kan lezen, die dus kijkt vanuit het leesperspectief. Iemand die kan lezen, veroorzaakt het bestaan van de letters niet en de letters veroorzaken niet dat iemand kan lezen, maar lezen en letters impliceren elkaar. Als het ene er is, is het andere er. (16)


De verloste visie

Gewoonlijk hebben we geen oog voor deze wederzijdse implicatie. We geloven dat de dingen er zijn omdat er oorzaken voor zijn. De gewone visie is dus dat de wereld oorzakelijk in elkaar zit, de verloste visie dat de wereld samenhangt door wederzijdse implicatie. (16)


Niet voor de hond

[Telkens weer toont Nagarjuna] aan dat het substantiebegrip onhoudbaar is. Het meest kwetsbare punt is wel dat substanties worden geacht zelfstandig te zijn, terwijl voor de hand ligt dat de dingen alleen maar zijn wat ze zijn in onze ogen. Een stoel is voor ons een stoel, maar niet voor een hond en wat een stoel voor iemand twintig eeuwen geleden was, is hij vandaag niet meer voor ons. Bovendien zijn relaties of processen met en tussen substanties ondenkbaar, want substanties bestaan per definitie onafhankelijk van elkaar en zijn per definitie onveranderlijk. Een substantie wordt als zodanig dan ook nooit waargenomen, reden waarom de Europese empiristen sinds Hume er niets van moesten hebben … (17)


Een leven in de ironie

Nagarjuna probeert aan te tonen dat de substantialistische kijk op de wereld complete onzin is. Het alternatief is de nonsubstantialistische blik, waarin er van substanties geen sprake meer is, maar dan valt er ook niets meer te zien. Zonder substanties betekenen onze woorden en gedachten niets meer en valt er daarom niets te zeggen en te denken. Het enige dat nu overblijft, is een leven in de ironie, een leven met twee waarheden: een conventionele en een ultieme. De dingen zijn leeg van substantie, dat betekent dat de substantie eraan ontbreekt. (17)


Een nieuw soort substantie

De term ‘leegte’ is in sommige commentaren tot een nieuw soort substantie geworden. Onder andere de commentatoren van de Kyotoschool, hebben leegte opgevat als het Platoonse niets, dat zoveel betekent als de afwezigheid van beperkingen, dus ‘het zijn’, de absolute volheid, die alle andere dingen in zich sluit. … Bij Nagarjuna is echter geen spoor van een dergelijke romantiek van het niets te vinden. (17)


Gelegenheid tot nadenken

Nagarjuna spreekt ten slotte van een gevaarlijke wijsheid. Als transcendente wijsheid inderdaad van een andere orde is, dan heeft ze niets te maken met maatschappelijke idealen. De weg naar het boeddhaschap wordt dan doortrokken van toeval. Je kunt niet door goed gedrag de verlossing afdwingen. Goede eigenschappen zoals mededogen, daadkracht en doorzettingsvermogen zijn heel mooi, ze leiden tot Nobelprijzen en heiligheid en zijn voor ieder mens een zegen, maar ze brengen de verlossing geen stap dichterbij. Ook de monniksdiscipline is slechts een middel. Het enige dat je nodig hebt is rust en gelegenheid tot nadenken. (18)