Nico Tydeman

‘De hoogste funktie van het denken is niet het oordelen, maar in het denken het denken te overstijgen.’ Citaten van zenboeddhist, mystagoog en auteur Nico Tydeman.

Titels en redactie: Hans van Dam

Dwaalgids > Zen > Nico Tydeman

Tips: Janwillem van de Wetering, Ton Lathouwers, Meesterschap, de Linji-lu, de Poortloze Poort


Inhoud

De plaatjes van de os (1983)


Zoeken

Alles is er, maar aan mij lijkt iets te ontbreken. Ik voel mij niet af. Ik heb mijn bestaan niet stevig in handen. Verlangens en wensen vragen om vervuld te worden en zo mijn leven vollediger te maken. Ik heb ogenschijnlijk duidelijke ideeën over goed en kwaad, maar afgezien van het feit dat deze uiterst diskutabel blijken en voor verandering vatbaar, maken ze mijn leven er niet rustiger op. Doe ik het wel goed? Ben ik wel op de goede weg? Zelfs als soms redelijk aan mijn wensen tegemoet gekomen wordt, een zinnig beroep, een goede baan, een vaste relatie, een aardig huis, dan blijken dit telkens weer weliswaar aangename rustplaatsen te zijn, maar zij zijn niet in staat de onderliggende stroom van onrust tot bedaren te brengen. Ik blijf zoeken. Zoeken naar wat? Ik weet het niet. Laat ik dit zoeken maar samenvatten in de vraag naar wat ik hier op aarde nou eigenlijk kom doen. Waarom ik hier ben. (8)


Het antwoord de vraag

Het antwoord op de vraag naar wat ik hier op de wereld kom doen, laat zich niet vinden, tenzij het inzicht doorbreekt dat de vraag tegelijkertijd het antwoord is en het antwoord de vraag. (8)


Wat te doen?

Bestaan is per definitie een vragend bestaan. Geboorte is het leven schenken aan de vraag: wat te doen? Het ophouden deze vraag te stellen leidt tot bestaansverruwing: dode handelingen, mechanische activiteiten, harde waarheden die steunen op schijnbare zekerheden. (9)


Het zoeken zelf

Zen kan ook een richtingwijzer zijn, maar het is er een van een merkwaardig soort. Zen is een wegwijzer zonder richting. Zoiets als een leeg ANWB-bord, een onbeschreven ANWB-paddestoel op een viersprong. Je kunt er geen kant mee uit, of je kunt er alle kanten mee uit. Het einddoel wordt niet vermeld, noch wat je onderweg tegenkomt. Zelfs staat er niet op dat je er een beter mens van wordt. De richtingloze richting is een weg die bereidheid vraagt om te gaan zonder voorbehoud, met alle hoop en wanhoop, met alle onzekerheid, met een koel hoofd, warme voeten en grote open, vragende, zoekende ogen. Zen is een nooit eindigend zoeken, is het zoeken zelf. Zelfs de idee dat ik een weg gevonden heb is teveel. Zen is een stap zetten in een bepaalde richting zonder weet te hebben van deze stap en zonder weet te hebben van de richting waarheen ik ga. (10)


Zen

Zen is een steile berg beklimmen en bij de top gekomen nog verder gaan. Zen kent geen eindpunt. Zoekt en gij zult niet vinden, is de boodschap van zen. (10)


Zazen

Zazen is een woning zonder vaste verblijfplaats, een huis zonder muren en zonder een dak. De wind waait er vrijelijk doorheen. Als het regent valt de regen naar binnen en als de zon schijnt valt de zon naar binnen. Zazen begint met zoeken en eindigt met verder zoeken. (11)


De waarheid

Dat is de weg van zen: een zoeken, dat nooit ophoudt. Een zoeken omwille van het zoeken, waarin de waarheid zich toont in het zoekende moment, het zoekende gebaar, de vragende ogen, de tastende voetstap. (11)


Gedwongen mars

Het bestaan lijkt een gedwongen mars te zijn. Stilstaan is onmogelijk. Maar elke stap onttrekt het leven uit de plek waarop ik sta. De richting lijkt niets aan te wijzen, laat staan dat er sprake kan zijn van een eindbestemming. Ademen, eten, de zorg voor geld, ontmoetingen, slapen. Waarheen ga ik in die gedwongen verplaatsing van moment naar moment? En wat is dit moment waard dat, nauwelijks geleefd, reeds op het punt staat te verdwijnen? (14)


Vergankelijkheid

Alles is beperkt, aan verandering onderhevig. Het inzicht, gebaseerd op levende ervaring, dat beperktheid, frustratie, teleurstelling onontkoombaar is. De grootste verlichtingservaring kan niets afdoen aan deze beperktheid van het bestaan. Niets blijft, alles vergaat. Deze wereld is een dansend universum op de golven van de vergankelijkheid. Als verlossing mogelijk is, dan nooit los van deze beperktheid en deze vergankelijkheid. (14)


Illusie

Een bijna onvermijdelijk probleem is het maken van Verlichting tot iets bijzonders, iets begerenswaardigs, maar Verlichting als iets ekstra’s, iets voortreffelijks, iets nastrevenswaardigs, is een illusie. Het grote misverstand rond het begrip Verlichting wordt wellicht veroorzaakt door de gedachte dat Verlichting van doen heeft met geluk, schoonheid, ekstase, verrukking. En hoewel geluk en schoonheid de verlichtingservaring geenszins vreemd hoeven te zijn, wordt zij er ook niet door uitgeput. De donkere kant van het bestaan behoort evenzeer tot de Verlichte werkelijkheid als de lichtzijde. (18)


De plaats waarop ik sta

Zen betekent het einde van een behoefte aan een hemel, van de hoop op een aards paradijs. De vraag naar betere levensomstandigheden is soms zeer gerechtvaardigd, maar voor de geestelijke ontwikkeling van elke zenstudent is het onontbeerlijk de grond waarop hij staat te leren kennen als zijn enige woning en voor deze nimmer vaste verblijfplaats gelden niet de kategorieën van groot of klein, komfortabel of armoedig, aangepast of onaangepast. Want de plaats waarop ik sta is zo wijd als de werkelijkheid. (19)


Niet te goed

Want verlichting is niet te goed voor mijn fouten, acht zich niet te groot voor mijn beperktheden. Verlichting weigert niet mijn duisternis, zoals de zee het water niet weigert. (20)


Altijd groter

De strijd met het eigen bestaan kent slechts de overwinning toe aan degene die verliest. Het bestaan vraagt mijn overgave, want het leven is altijd groter dan ik ben. (25)


Valse weelde

Wie de overwinning zoekt van een alles overheersende lichtzijde, bevecht een illusie. Dit gevecht dient verloren te worden. De schaduwzijde, de onaangename demonische kant van het bestaan is niet uit te wissen. De zogenaamde volmaaktheid van het bestaan blijkt slechts te bestaan in de vermenging van licht en donker, goed en slecht, positief en negatief. Leven is vermengd leven. Wie daar bovenuit probeert te stijgen vertilt zich of zal zich gaan vermeien in de willekeur van een puriteins waanbeeld. Wie echter alleen de nachtelijke kanten van het bestaan ziet, baadt zich in de valse weelde van pessimisme. (26)


Hindert niet

Uiteindelijk is er noch strijd, noch verlies, noch overwinning. Er is in mij noch een lichtzijde, noch een schaduwzijde. Of liever: het licht hindert het bestaan van de duisternis niet en de duisternis hindert het bestaan van het licht niet. De nacht is geen belemmering voor het ontstaan van een nieuwe dag en de dag biedt geen weerstand aan het vallen van de avond. (27)


Zen-boeddhisme

Zen-boeddhisme is in laatste instantie niet wat zijn instellingen ervan maken noch wat zijn leraren onderrichten noch wat zijn geschriften erover vermelden. Dit alles is slechts vingerwijzing. Zen is levende ervaring, datgene wat tevoorschijn komt als het netwerk van woorden, begrippen, regels, afspraken en aankleding wordt weggetrokken. (43)


De zen-mens

De zen-mens is een naakte mens. Hij staat altijd met lege handen. Hij heeft geen ander bewijs, kent geen andere beroepsinstantie en heeft geen andere staat van verdienste aan te bieden dan zijn eigen aktuele aanwezigheid. Hij is een mens ‘zonder titel, zonder rang of stand’. (43)


Niets of niemand

Er is niet iemand meer die verlangt, iets wil, iets beoogt, iets bereikt. Toch is dit vergeten, dit verdwijnen van een iemand, geen geheugenverlies, geen black-out, maar een heldere staat van zijn. Er is niets of niemand meer wat of wie zich onderscheidt van de werkelijkheid. In dit vergeten geeft het bewustzijn, bepaald en onbepaald, zijn laatste neiging tot censureren op. Het bewustzijn wordt voor de werkelijkheid een open veld waarin het zich vrijelijk manifesteren kan. (48)


Leegte

Alles is Leegte, Leegte is alles. Leegte is geen toevoeging aan de werkelijkheid, noch een abstraktie waardoor de werkelijkheid ontdaan wordt van eigenschappen of vormen, zodat er een verbleekt en verschraald ‘niets’ over zou blijven. … Het begrip Leegte verwijst naar een ervaringswijze: de werkelijkheid zoals die is als de begrippen omtrent de realiteit en ook het zelf-begrip van de waarnemer geen rol meer spelen. (48)


Het laatste begrip

Leegte is het laatste begrip wat over de werkelijkheid als geheel en over de dingen afzonderlijk gezegd kan worden, maar dat als begrip omwille van zijn eigen Leegte vraagt om prijsgegeven te worden ten dienste van de ervaring. (48)


Geen weigering

Zen is niets anders dan de wil overeen te stemmen met de werkelijkheid. De werkelijkheid kent geen weigering. … De werkelijkheid is oorlog én vrede, geboorte én dood, liefde én haat, heiligheid én kriminaliteit, eerlijkheid én leugen, hardheid én zachtheid. … De werkelijkheid is kontroversieel, vol tegenstellingen, niet met elkaar te rijmen gebeurtenissen, en zo is zen. Een vruchtbaar, rechtschapen leven loopt uit op een aftakelingsproces in het bejaardentehuis. De rijke woont naast de arme, de heilige naast de zondaar, de winnaar naast de verliezer. (55)


Verzonnen

Mijn eigen leven zal nooit een doorbraak bereiken naar een hemelse sfeer waar slechts goedheid, onschuld, zuiverheid heersen. Volmaaktheid in de zin van het uitsluitend goede, schone en pure is van een abstraktie, verzonnen uit wanhoop over de onverzoenbare zijden van dit werelds bestaan. (56)


Opening

Zen is een opening, een oneindige ruimte die je met je meedraagt en waarin plaats is voor het gehele universum. … Je moet bij jezelf beginnen om te leren zien, te ervaren dat je pure openheid bent waar niets of niemand van uitgesloten is en deze openheid wordt gevormd door helpende handen. Maar bovenal dien je te gaan inzien dat echte helpende handen altijd lege handen zijn. Helpen zonder de idee van helpen, zonder de gedachte wie je helpt en waarmee. (60)


Deze oppervlakte

Boeddhisme is behalve een voortreffelijke analyse van het bestaan, bovenal een kunst, een levenskunst. Om deze kunst te leren staan er allerlei middelen tot je dienst: meesters, kloosters, geschriften, beeldende kunsten, methodes van mediteren, enzovoort. Maar zodra je deze kunst wilt uitoefenen blijken alle middelen – ook de meest voortreffelijke en schoonste – onbruikbaar en heb je niets anders in handen dan het naakte feit van je bestaan, het ongrijpbare van je alledaagsheid. Op deze oppervlakte speelt het leven zich af. Zen is de diepte van deze oppervlakte. (65)


Vormen van oneindige leegte (1990)


Steeds moeilijker

Roshi vraagt mij: “Wat is het doel van je zazen-beoefening?” Hoewel ik hier wel honderdduizend keer over heb nagedacht, overvalt de vraag mij ook deze keer. Na meer dan vijftien jaar op mijn manier zenstudie gepleegd te hebben, valt een antwoord op deze vraag mij steeds moeilijker. Ik mompel iets van “een beter mens worden”, maar voeg eraan toe dat vooruitgang in deze nauwelijks te zien is. Hij kijkt mij glimlachend aan. (37)


De nacht

Mijn interesse voor het zenboeddhisme is gebaseerd op de waarde die ik toekende aan de christelijke mystiek. De mystici leken mij over iets heel belangrijks te spreken. Toen ik achttien jaar was, ontdekte ik de geschriften van Johannes van het Kruis. Sindsdien is hij mijn grote geestelijke leidsman. Ik leerde van hem dat de nacht belangrijker is dan de dag, dat het niet-weten groter is dan het weten, dat het niet-willen begerenswaardiger is dan het willen. (37)


Grote twijfel

In 1983 kruiste Genpo Sensei mijn weg. Onder zijn leiding begon ik aan een koanstudie. Ik leerde de Grote Twijfel kennen. Ik leerde dat ik niet-weet, en dat dit niet-weten groter is dan het weten. (38)


Dit is alles

Tijdens de zazenperiode van de eerste dag, vraag ik mij af wat ik nu zit te doen. Om een beter koncentratiepunt te vinden, gebruik ik de koan Mu. Als het waar is dat deze oefening de verlichting teweegbrengt, waarom merk ik daar dan zo weinig van? Omdat het zo moeilijk is ideeën over verlichting op te geven! Ik herinner mij mijn diepe teleurstelling toen ik MU, mijn eerste koan, “oploste”. Is dat alles? DIT IS ALLES, was mijn eerste les. (41)


Niet vatbaar voor uitleg

Elk uur daal ik dieper af in de maalstroom van mijn bestaan. Hoewel de duisternis toeneemt, komen de dingen in een scherper licht te staan. De werkelijkheid is niet vatbaar voor uitleg. In mij heerst rust en onrust, pijn en vreugde, goed en kwaad, wijsheid en onwetendheid tegelijkertijd. Grenzen worden steeds moeilijker te trekken. Ik blijk verplaatsbaar zonder van plaats te wisselen, inruilbaar voor elke persoon of ding zonder dat ik zelf verander. Ik bepaal steeds minder de werkelijkheid. De werkelijkheid bepaalt mij steeds meer. (43)


Dat begrijp ik niet

Ik zit tegenover Roshi zonder tolk. Ik vraag: “Wat is Shikantaza?” Hij: “Alleen doen. Alleen maar doen. Niet onnodig vasthouden. Vrije oefening. Alles is volmaakt.” … Shikantaza. Ik ben mijn gedachten, mijn herinneringen, mijn verlangens. Ik ben datgene wat gebeurt. Het grote vergeten. Het nulpunt. Alleen doen. Doen wat? DAT BEGRIJP IK NIET!


De hel, dat is de twijfel

Ik onderga mijzelf als een dia-apparaat dat eindeloze beelden op een scherm projekteert. De ene dia is nog niet weg of de volgende schuift eroverheen. Beurtelings verschijnen werelden van bestaan. Soms is er de hel. De hel, dat is de angst voor het verdwijnen van het ik, voor het wegvallen van de vage zekerheid dat ik hier zit en de rest ergens anders. De hel, dat is de twijfel. Wat zit ik hier in godsnaam te doen? Hoe verlicht is mijn leraar? Hoe verlicht was de Boeddha? Niemand is erbij geweest, niemand weet precies wat mij voor de voeten loopt, wat ik haat. Ik ontdek dat ik geen pacifist ben. Ik ben in staat iemand te vermoorden. Er schuilt een roofdier in mij. (46)


Ruimte

Ik weet het. Er is niets te vinden, niets te zoeken, niets te overdenken, niets te vragen, niets te antwoorden. Er zijn geen doeleinden om naar te streven, er valt niemand te redden, er is geen verlichting, geen boeddhaschap, geen nirwana om te bereiken, geen samsara om van je af te schudden. O, dit alles omhelzende, alles insluitende, alles verwelkomende niets, deze uitgestrekte openheid, deze ruimte waarbinnen alles opkomt en weer ondergaat. (47)


Funkties

Alles funktioneert zoals het is, toch is er niet iemand die funktioneert, noch iets dat funktioneert. Er worden slechts funkties vervuld: zitten, lopen, liggen, staan. De zon schijnt. De regen valt. Ouders brengen kinderen voort. En ik zit hier. (48)


Onverdraaglijk

Carl Bielefeldt doet in een recente studie een suggestie: Dogen was diep teleurgesteld, zo niet stinkend jaloers, dat niet zijn sotoschool maar die van de rinzai was uitgeroepen tot de keizerlijk erkende hoofdrichting van het boeddhisme in Japan. … Mij bevalt deze gedachte. Geestelijk leven is en blijft mensenwerk en Dogen was een mens. Ik ben trouwens geen haar beter. Ook ik kan het idee niet verdragen dat er op spiritueel terrein anderen zijn die meer uitblinken en meer erkenning zouden krijgen dan ik. Natuurlijk zal ik dat nooit zo zeggen en voortdurend nederigheid en zelfverloochening preken. Alleen Dogen zenji mag dit weten. Hij begrijpt het tenminste. (53)


Luchtbellen

Ik roep herinneringen op aan mijn eigen zen training. Hoe lang duurde het niet voor ik mij realiseerde wat het betekent ‘hier en nu’ te zijn en dit moment ook te waarderen? Ja, de schone gedachtes, de verheven gevoelens en de aangename ervaringen willen wel mijn instemming krijgen. Maar wat doe ik met de spoken in mijn hoofd, de banaliteiten? Hoe lang duurt het te beseffen dat ook ‘een vuile geest’ niets anders is dan ‘een Boeddha geest’? Of beter nog, hoe lang duurt het te beseffen dat dit alles slechts namen zijn, luchtbellen, die ontstaan en op hetzelfde ogenblik uiteenspatten zodat er werkelijk ‘niets’ overblijft? (68)


Toestemmen

Ik denk aan mijn eigen worsteling met zazen. Hoelang duurde het niet voor ik mij aan deze simpele houding durfde toevertrouwen! Shikantaza is toestemmen in de volstrekte onwetendheid waarin dit bestaan zich afspeelt. Voor het verstand is shikantaza ongrijpbaar, voor de wil onbereikbaar. Zolang ik nog een idee van zazen heb, zal ik aan zazen nooit toekomen. (176)


De hoogste funktie van het denken

De hoogste funktie van het denken is niet het oordelen, maar in het denken het denken te overstijgen. Het denken overtreft zichzelf in de vrijheid van het denken, waarmee het zich losmaakt van de dwang van denken en niet-denken. (177)


Dansen in het duister (1999)


Vaag

We hebben helderheid, kennis van zaken, technische en sociale vaardigheden nodig om te overleven. Maar wat te doen als we ontdekken dat onze verworven kennis en ontwikkelde slagvaardigheid minder zeker en doeltreffend zijn dan we denken? Vaag worden we zodra we vragen naar onze bestemming, naar de zin van de geschiedenis, naar de bronnen van goed en kwaad. (11)


Fundamentele onwetendheid

Spiritualiteit begint bij de ervaring van fundamentele onwetendheid, de erkenning van machteloosheid, het gevoel van nietigheid of eenvoudigweg met de ontdekking dat ons hart groter is dan onze rede kan bevatten. (11)


Het ondenkbare en het onmaakbare

Alles wat we bedenken en tot stand brengen is voorlopig, wordt ondergraven, raakt achterhaald – waarom? Door wat? Door wie? Wat we bedenken loopt uit op het ondenkbare, wat we maken leidt tot het niet-maakbare. Maar zonder het denkbare en het maakbare zou het ondenkbare en niet-maakbare niet in het zicht komen. De interesse in het ondenkbare en het niet-maakbare van onze wereld, leven en dood, is de bron voor spiritualiteit. (11)


Ontwrichtende factor

De vaagheid van spiritualiteit zit reeds in zijn stamwoord ‘spiritus’, latijn voor ‘geest’. Maar wie weet wat geest is? … Wellicht staat ‘spiritus’ voor de ervaring die plaats vindt als het kenbare ‘verglijdt’ (Bataille) naar het onkenbare, het begrijpelijke naar het onbegrijpelijke. Vandaar ‘spirit’, geest, voor het verstand te dun, te subtiel om te begrijpen; voor de wil te vaag om te benaderen. Geest niet opgevat als persoon, noch een kenbare substantie, maar als ontwrichtende factor én de dynamiek in het menselijk kennen en kunnen. (12)


Ontregeling

Terwijl ik alles zoveel mogelijk regel is er een ontregeling gaande. In die ontregeling echter ben ik mateloos geïnteresseerd. Dit is slechts vaag voor het oog dat zich uitsluitend richt op zekerheid van kennis, het berekenbare, het meetbare, het resultaat. Maar het is helder voor wie het onkenbare uit het kenbare ziet verschijnen, ofwel voor wie het bestaan begint te schitteren als een groot, ondoorgrondelijk mysterie. (12)


Een en al geheim

Het gaat niet over een geheim dat achter of boven de dingen van de wereld zou bestaan. Deze aarde, mijn leven en de levens van alle anderen zijn een en al mysterie. (12)


God

Met het woord ‘God’ heeft de mens een naam gegeven aan de ontdekking dat hij tamelijk onthand in de wereld staat. Wie beweert dat God de wereld geschapen heeft, zegt tegelijkertijd geen raad te weten met zijn eigen geboorte en dood, geen zicht te hebben op het doel van zijn handelingen en geen uitweg te weten uit de tegenstrijdigheden waarmee dit aardse bestaan gebrandmerkt is. God vult de lege plek die ontstaat als elk weten en willen een einde bereikt heeft. Na alles overwogen, gezegd en gedaan te hebben, ontstaat een stilte, een sprakeloosheid, een moment van volstrekte onwetendheid, en dat noemen wij God. God is de conclusie dat ik inzake leven en dood niet in staat ben tot welke eindconclusie dan ook. (27)


Wanhoopsdaad

Bidden tot God is een wanhoopsdaad: ik weet niet meer tot wie mij te wenden voor een antwoord op mijn vragen. Daarom wend ik mij tot Degene die ik niet ken, van wie ik geen voorstellingen kan vormen, waarvan ik zelfs niet weet of Hij iets met mij te maken heeft of zou willen hebben. Zelfs de richting waarin dit gebed uit te spreken is mij onbekend. (27)


Religie

Religie ontstaat vanuit de afgrondelijke duisternis die de mens in zijn bewustzijn kan overvallen wanneer hij weet dat hij zichzelf niet kent. En religieuze tradities zijn levende en veelzijdige cultuurwerken die er zeer wel in slagen die afgrond te overbruggen met openbaringen, geschriften, leerstellingen en rituelen. Zij dichten het gat dat ontstaat als de mens zijn grenzen erkent en maken het ondraaglijke van onwetendheid en machteloosheid alsnog draaglijk (27)


Donkere wolk

Ik ben echter een religieus mens, niet omdat ik behoor tot een bepaalde religieuze traditie, maar omdat ik weet dat ik niet weet. Met meer dan gewone interesse onderzoek ik die donkere wolk in mijn bewustzijn die, zo ver mijn blik kan reiken, mijn hele werkelijkheid in een duister daglicht plaatst. (28)


Mysteriespel

Zeker, ik weet waar mijn boodschappen te halen en hoe eten te koken. … Maar soms, als ik een ogenblik vanuit mijn raam naar de huizen van de overkant staar, of als ik de supermarkt passeer of mijn krantenwinkel, overvalt mij groot onbegrip. Alsof huizen en straatgangers een andere werkelijkheid vertegenwoordigen dan ik bedenken kan en het nakomen van dagelijkse verplichtingen niet samenvalt met mijn leven. Ik zelf, de straat en het verkeer vervagen, zonder aanwijsbare reden. Wat ik ervaar en zie wordt onbekend, vreemd. … Er is teveel op straat om te begrijpen. Ik voel mij opgenomen in een mysteriespel, kleurrijk, spannend, ontroerend. Maar ik weet niet waar het over gaat. (29)


Onuitroeibare drang

Misschien is het woordje ‘God’ wel de mooiste naam die de mens aan zijn verbazing en onwetendheid omtrent de schepping heeft weten te geven, al blijken deze drie letters in de loop van de geschiedenis wel zeer ontvankelijk te zijn geweest voor de bijna onuitroeibare drang ook dat wat geen enkele gedachte kan verdragen alsnog met talloze denkbeelden op te vullen. (29)


Zich staande houden

Is het mogelijk zich in deze wereld staande te houden, wanneer men inziet dat afkomst en bestemming niet bekend zijn? Sommige beweren dat wij over ons einde minstens een mooi verhaal nodig hebben om niet ten prooi te vallen aan algehele verlamming. (29)


Een grondeloos Niets

[Religieuze tradities] hebben de duistere ruimte van onmacht en onwetendheid zo eerbiedwaardig opgevuld, dat ik mij voor mijn fundamentele domheid minstens begin te schamen. De ouderdom van de teksten, de zelfverzekerdheid van het leergezag, de betovering van liturgie en ritueel en de hulpvaardigheid van de priesterlijke stand doen de goedgelovige gemakkelijk vergeten dat religie altijd mensenwerk is en uiteindelijk gebaseerd is op een grondeloos Niets. (30)


Alleen de mystici

Alleen de mystici getuigen van hun omgang met een ‘Louter Niets’ (Eckhart). Zij spreken van een levensoriëntatie die gericht is op ‘een Wolk van Niet-Weten’ (titel van een mystiek middeleeuws traktaatje) of schrijven over hun geestelijk leven als een eindeloze tocht door een ‘donkere nacht’ (Johannes van het Kruis). Maar zij beschrijven hun verhouding tot het Onzienlijke meestal in termen van het heersende, theologische jargon en wisten zich altijd wel in het oog gehouden door een of ander kerkelijk leergezag. Er werd over hun werk een objectief oordeel geveld, terwijl datgene, waarom het de mystici te doen is, elk objectief oordeel te boven gaat. (30)


Postmodern

Religieuze tradities, respectabel oud of verdacht jong, van grote of kleine omvang, zijn geen waarheidsbezitters. In onze postmoderne tijd raakt de indruk wijder verspreid dat de mens reeds lang op zoek is naar waarheid, maar tot nu toe weinig gevonden heeft, wat houdbaar gebleken is. Bovendien maakt het beginsel van pluriformiteit waarvan de maatschappij steeds dieper doordrongen raakt en waardoor religies op de markten van de media en internet elkaar vroeg of laat zullen ontmoeten, het doen van universele uitspraken een hachelijke zaak. Het wordt steeds lastiger zich terug te trekken in een veilige burcht van overtuigingen. (30)


Schoten voor open doel

Religieuze tradities geven, uit noodzaak of uit zwakte, het onbegrijpelijke, onzekere bestaan alsnog een begrip, een menselijk gezicht. De suggestie wordt gewekt dat het mysterie van het bestaan via goddelijke omwegen te beheersen is. De ontdekking van de onkenbaarheid van het bestaan, waarna slechts een akelig stilzwijgen kan heersen, wordt benut als lege plek, waar de mens vrij is zijn fantasie uit te leven, een schone lei geschikt om alle schoonheidsidealen en almachtsvoorstellingen te tekenen en in te kleuren. En het zijn altijd schoten voor open doel, want hier valt niets te controleren. (38)


De meest onwetenden

Voortaan is de wereld in twee kampen gesplitst: de religieuzen en de niet-religieuzen, zij die weten en zij die niet weten. Zij die weten, dat zijn de wijzen, de geestelijk leraren, de spiritueel georiënteerde leerlingen, de gelovigen, de heiligen. Op basis van goddelijke argumenten verkeren zij in Hogere Sferen, of zijn daarnaar op weg. Zij die niet weten, dat is de rest, al degenen die dom en doelloos ronddolen in dit vergankelijke, kommervolle ‘ondermaanse’. Als er al wijzen en heiligen bestaan, dan is niets menselijks hun vreemd en onderscheiden zij zich hooguit als de meest onwetenden onder de mensen. (39)


Lachwekkend

Wie toegeeft geen definitieve kennis te bezitten over de grond van zijn bestaan, of erkent van gene zijde bevel noch enig woord vernomen te hebben, verkeert in een lastig parket. … Het uiterlijk godsdienstig leven krijgt bovendien iets lachwekkends: hoogwaardigheidsbekleders, schriftgeleerden, goeroes, tempels en kerkgebouwen blijken evenzeer in de lucht te zweven als elk gewoon mens en elk gewoon rijtjeshuis. Het betreft steeds levende of versteende interpretaties, uitgesproken of gevormd over een dal van duisternis. (39)


Levend mysterie

De geschiedenis, de beloftes en beweringen van religieuze tradities en spirituele scholen blijken duisterder te zijn dan zij ons graag doen geloven. Maar de intellectuele stagnatie en de ervaren grens van de menselijke macht zijn hun uiteindelijke grondslag. Daar ligt hun actualiteit. En deze actualiteit verschilt niets van de feitelijke situatie waarin ik mij bevind. Ik ben mijzelf een groot, levend mysterie. Een religieuze traditie heeft voor mij waarde en betekenis als zij mij de middelen aanreikt dit mysterie als mysterie onder ogen te zien, het te bevragen, er woorden en tekens voor te vinden. Zij dient een mysterieschool te zijn. (39)


Mysterie-pad

Ik zoek naar een spiritualiteit die geen valse hoop biedt en zich niet hult in verleidelijke kleding. Een spiritualiteit die geen spreekbuis namens wie of wat dan ook is, zonder hiërarchische ladder naar een Hoogste Waarheid en zonder exclusieve rechten op verlossing of bevrijding. Ik wens een geestelijk pad te gaan dat begint en eindigt met een open vraag. Het mysterie-pad dat mij voor ogen staat is een oefenschool in het luisteren naar wat geen oor kan horen. Het dagelijks uitgangspunt zou kunnen zijn: ‘Hoe onbegrijpelijk, ondenkbaar en wonderbaarlijk is deze wereld. Wat raken wij hier en nu aan en door wat worden wij aangeraakt?’ (Dai-to Kokushi, Japans zenmeester (1282-1337). (40)


Erkenning

Religie: de erkenning en waardering van het mysterie van mijn bestaan. (42)


Hieruit volgt niets

Ik gebruik het woord ‘mysterie’, ook al weet ik, dat in zijn naam misdaden zijn gepleegd en oorlogen werden gerechtvaardigd. Maar het mysterie rechtvaardigt niets. … In naam van het mysterie, of hoe men dit ook noemen mag, worden geen inzichten verworven, noch maatstaven aangereikt. Men kan er zich nimmer op beroepen. (42)


De helderheid van niet-weten

Mysterie betekent niet dat de werkelijkheid beladen is met geheimzinnigheid. Dat het bestaan een mysterie is, toont zich in alle helderheid zonder dat de werkelijkheid verdacht is. Misschien heb ik redenen om mijn omgeving als geheimzinnig te ervaren in zoverre er gebeurtenissen of verschijnselen zijn die mijn begrip te boven gaan. Verdacht is slechts mijn begripsvermogen. Terwijl de werkelijkheid open en bloot ligt uitgestrekt om begrepen te worden, ontwaakt in mij de helderheid van het niet-weten. (42)


Geen feit

Het mysterie is een belevenis van het bewustzijn. Ik kom het mysterie niet tegen als een objectief, aantoonbaar feit. Het verschijnt mij niet als een ‘ding’. … Het heeft geen kleur, of het moet de kleur zijn die ik voor mij zie. Het heeft geen bepaalde geur, of het moet de geur zijn die mij tegemoet komt. (43)


Indirect

Het mysterie verschijnt in elk verschijnsel als raadsel. Spreken over dit mysterie is altijd indirect. Ondanks alle woorden blijft het onbesproken. We kunnen slechts hopen dat wij met behulp van taal en symbolen over hetzelfde spreken. (43)


Overal

De erkenning van het mysterie splitst de wereld niet in tweeën: een begrijpelijk en een onbegrijpelijk deel. Ook al zijn er talloze kenbare feiten en verschijnselen, zij dansen op een ondoorgrondelijke ondergrond en hun begrepen vormen vervagen bij elke beweging. Het mysterie doordringt het gehele universum en al zijn fenomenen. Ik weet niet of het mysterie buiten, boven of onder de aarde zit. Het is zo wijd als de werkelijkheid. Zijn grenzen zijn niet te bepalen. Noch is er een overgang aanwijsbaar van het kenbare naar het onkenbare. Het maakt de wereld niet minder zichtbaar of hanteerbaar. Mijn weten wordt er niet door uitgewist. Maar elk weten is ervan doordrongen. (43)


Afgrond

Dankzij mijn vergaarde kennis en verkregen inzichten verschijnt een niet-weten. Aanvankelijk kan dit niet-weten de schijn wekken slechts een rest te betreffen: dat wat na alle denken en redeneren overblijft. Niet omdat de werkelijkheid iets mist, maar omdat de werkzaamheid van mijn bevattingsvermogen ten einde is. Misschien is de erkenning van zijn limiet de meest voortreffelijke eigenschap van het menselijk intellect. Er is iets ‘meer’ dan ik bedenken kan, maar ik ben niet in staat van dit ‘meer’, deze ‘rest’, de contouren te ontdekken. Bij nadere beschouwing wordt het een afgrond en hoe langer ik in die afgrond staar, hoe meer die afgrond mijn gehele bewustzijn blijkt te vullen. (43)


Ontzagwekkend wonder

Ik kan mijn lichaam met behulp van de biologie bestuderen. Maar hoe en waarom dit lichaam leeft blijft een raadsel. Ik kan alle spieren en gewrichten in kaart brengen, maar soms als ik mijn arm optil, overvalt mij het gevoel een ontzagwekkend wonder te verrichten. (44)


Totdat ‘ie knapt

Wil ik mij in de wereld zo goed en zo lang mogelijk handhaven, dan zal ik door het vergaren van kennis en het vergroten van handelingsbekwaamheid de draad van intellect en willen steeds verder moeten uitrekken. Maar telkens als mijn inzicht groeit en mijn techniek vordert, wordt die draad dunner en dunner … Totdat ‘ie knapt. Wellicht begint daar religie, een spiritueel pad. En de draad kan elk moment breken, ieder uur, elke dag. (45)


Geen negatief Niets

Het mysterie van leven en dood betreft geen negatief Niets, dat de wereld en onze inspanningen er te wonen waardeloos maakt. Het mysterie ‘doet’ niets. Hoewel het mij raakt, weet ik niet wat het mij aandoet, noch wat het in mij omwoelt. Daar is het immers een mysterie voor. Maar over de waarde of waardeloosheid van mens en wereld doet het geen uitspraak. Wat in naam van het mysterie wordt verkondigd, wordt gezegd slechts vanuit degene die spreekt. Het mysterie zwijgt. En zelfs dat is reeds te veel gezegd. (45)


Grondeloosheid

Van de kant van het intellect en de wil kunnen ogenschijnlijke, voorlopige grenzen die aan het mysterie gesteld worden, opschuiven. Wetenschap, techniek en de lessen van de dagelijkse ervaring kunnen de vermeende scheidslijn tussen het mogelijke en het onmogelijke verplaatsen. Maar er blijft een raadsel. Telkens doemt de grondeloosheid van mijzelf, de anderen en de dingen van de wereld op in mijn bewustzijn. En, voorzover ik weet, kent niemand de diepte van die grondeloosheid. (46)


Ik ben het zelf

Overal waar ik kijk, valt de onkenbaarheid der dingen op mijn netvlies. Waar ik ook ga, ik draag het mysterie met me mee. Ik ben het immers zelf. (46)


Niet neutraal

Het woord ‘mysterie’ kan op velerlei wijzen klinken. Het wordt gebruikt in de literatuur, in de filosofie, in de theologie, in de alledaagse taal. Soms wekt het de suggestie dat het over iets verhevens gaat, een bovenmenselijke werkelijkheid, waarvan een zekere normerende werking uitgaat. Soms klinkt het woord mysterie zalvig en galmend alsof de starre en verscheurde realiteit alsnog met taalkundige olie wordt doorgesmeerd. Ik betrap me er vaak op dat ik het woord niet neutraal kan uitspreken. (47)


Onaangetast

Hoe ontstaat de gedachte aan het mysterie en daarmee de mengeling van gevoelens die het woord oproept? Zijn vindplaats is mijn bewustzijn, daar waar ik weet heb van mijzelf, de ander en de dingen van de wereld. Maar zijn aanwezigheid, gedacht, gevoeld, vermoed, laat zich niet situeren.
Het mysterie heeft geen aparte plaats. Een stoel staat naast de tafel, maar het ondenkbare staat niet naast het denkbare. Het denkbare verglijdt naar het ondenkbare maar het ondenkbare wordt niet gedacht. Het denkbare kan door middel van analyse en reflectie uitmonden in het niet meer denkbare. Maar het niet-denkbare blijft onaangetast. Alle metaforen die dienen om de ontstane leemte te vullen ten spijt (duisternis, afgrond, zwart gat, God enzovoort), zeggen alleen dat het gedachtegoed beperkt is en dat er niets is wat na deze geconstateerde beperking komt. (48)


Instabiliteit

Het denken wordt ontregeld door het denken zelf. Elke gedachte loopt zijn eigen vernietiging tegemoet. Want elke gedachte wordt bestormd door andere gedachten en ontkomt niet aan de dreiging van vergetelheid. Zelfs als een gedachte herhaald wordt, is het de vraag of het nog wel dezelfde gedachte is. Mysterie: het bewustzijn wordt bedreigd en wel van binnen uit. Alle bewustzijnsactiviteiten zijn aan instabiliteit onderhevig. En voor die onstandvastigheid komt niets in de plaats. (48)


Lichaam en geest

Toen Sakyamuni Boeddha eens gevraagd werd, hoe de relatie tussen lichaam en geest gezien moest worden, (‘zijn zij identiek, zijn zij verschillend?’), zweeg hij. Naar verluid omdat hij de vraagstelling niet van praktisch nut achtte voor het geestelijk pad naar bevrijding. Of gaf hij eenvoudig toe het niet te weten? (52)


Ken uzelf

Mysterieus is het bewustzijn. Een mysterie ben ik voor mezelf. ‘Ken uzelf’, roepen de spirituele scholen. Maar meer dan een pedagogische aansporing mijn bestaan grondig te onderzoeken kan ik er niet in horen. Hoe oprechter ik mijzelf onder ogen tracht te komen, hoe meer de onwetendheid omtrent mijzelf toeneemt. (52)


Nederlaag

Niet de overwinning, maar de erkenning van de nederlaag is het begin van spiritualiteit. En vervolgens: het niet weten wat er na de nederlaag komt, ziedaar het duistere avontuur van het geestelijk pad. (53)


Geen enkele macht

Mysterie: verschijnselen barsten uit hun voegen en worden raadsels. Het bewustzijn, zelf ondoorgrondelijk, is een grenzeloze ruimte vol ondenkbaarheden. Ik sta met overvol gevulde handen, maar ik weet niet waarmee. Ik leef met een overbevolkt hoofd. Zit het wel in mijn hoofd? … Ik kan het bewustzijn niet aanwijzen noch erover beschikken. Het lijkt eerder te beschikken over mij. Ik wil erover praten. Maar alleen wie in zichzelf de woorden herkent, wordt mijn zwijgzame gespreksgenoot. Kerken en spirituele scholen kunnen naar dit mysterie verwijzen, plaatsen creeëren om het in stilte te laten sudderen of hymnen scheppen die het bezingen, maar zij kunnen het niet tegenwoordig stellen, noch bemiddelen. Op dit vlak beschikken zij over geen enkele macht, noch vormen zij een autoriteit. Hier ben ik ook niet mijn eigen autoriteit. Mysterie betekent het openbreken van elk vermeend gezag, het ontluisteren van elke zogenaamde autoriteit. Het onthult de boodschap als een leugen en toont de waarheid als zijnde een gebrek. (53)


De verschrikkelijke waarheid

De waarde van spiritualiteit ligt niet in het bieden van een houvast inzake onze fundamentele onzekerheid, noch in het verschaffen van rust aan ons onrustig hart, noch in het gezagsvol spreken dat onwetendheid overstemt. Misschien is dit wel de verschrikkelijke waarheid van religie: dat er niets en niemand ‘veilig’ te volgen is. De eigenlijke waarde van spiritualiteit ligt in de subjectieve erkenning en de alles overhoop halende beleving van het bestaan als mysterie. (54)


Zelf stichten

De vindplaats van het mysterie is uitsluitend het individuele bewustzijn, het hart, gezuiverd van elk weten. Deze innerlijke ervaring, dit inwendige weten maakt dat we niet zozeer behoren tot een of andere religie. Religie, op grond van de erkenning van deze grondeloosheid, dienen we zelf te stichten. (54)


Volstrekt open mogelijkheid

Omwille van de helderheid der rede stellen we graag dat de mens fundamenteel gericht is op het goede of zich principieel aangetrokken voelt tot het kwade. Maar het mysterie van goed en kwaad toont een derde, duister alternatief: de geboorte als volstrekt open mogelijkheid. (59)


Bij de gratie van de voorlopigheid

De motieven tot het goede zijn minstens even duister als de motieven tot het kwaad. Een toekomstige generatie kan geheel anders oordelen dan de huidige. Inzake het oordeel over goed en kwaad leef ik slechts bij de gratie van alle voorlopigheid. (59)


Geen triomftocht

Ik ben ongevraagd gesteld voor een taak waartegen ik niet opgewassen ben. Het geestelijk pad is derhalve geen triomftocht, waar na verloop van tijd zekere successen op mijn rekening kunnen worden geschreven, maar een machteloos dwalen door een eindeloos doolhof. Er is geen uitweg. Er is zelfs geen doodlopende weg. (60)


Hoogste top

Het bewustzijn is in staat de ondenkbaarheid en ongrijpbaarheid van het bestaan te erkennen en erdoor geraakt te worden. Niet dat het over een speciaal vermogen beschikt, een geestelijk zintuig, een derde oog of oor, dat bij gunstige ontwikkeling in verbinding zou kunnen treden met een hogere, spirituele werkelijkheid. De alledaagse ervaringen, waarnemingen en denkbeelden geven genoeg redenen en aanleidingen om tot het inzicht te komen dat wij niet over een allesomvattend begrip beschikken. Ons intellect, dat voortreffelijke instrument waarmee wij tenminste voor enige tijd weten te overleven, bereikt wellicht de hoogste top van zijn kunnen als het zijn grenzen erkent en vervolgens zijn interesse weet te richten op een gebied, waarvoor het in eerste instantie niet geschapen lijkt. (60)


Naakt

Al ons denken en doen gaan gepaard met een gevoel van een ‘nog-niet’, een ‘verder’ moeten gaan dan we gegaan zijn. Elk moment van aanwezigheid verglijdt tot een ogenblik van afwezigheid. In het daglicht van ons handelen ontstaat steeds weer een blinde vlek, een blackout, een opnieuw te vullen leegte. Terwijl we de wereld bekleden met onze ideeën en handelingen, blijven we zelf naakt staan, blootgesteld aan het gewicht en de zwaarte van de werkelijkheid die ons op de huid zit. (60)


Zonder voorwaarde

Zelfs de gedachte ‘ik beoefen een spirituele praktijk’, nog altijd initiatief van mijn kant, en in zoverre nog altijd een wapen in de strijd, dient tot op de draad versleten te raken. Er wacht een volledige capitulatie: de werkelijkheid kan zonder voorwaarde mijn lichaam en bewustzijn bezetten. (62)


Fascinerend

Van de ondoorgrondelijkheid van het bestaan gaat allereerst een fascinerende werking uit. Dwars door de gevormde en gevonden interpretaties heen toont de werkelijkheid van alledag een verblindende glans. Gewone dingen, een bloem, een asbak, de wolken, een hand, blijken buitengewone proporties aan te nemen. Het oog moet opnieuw kijken, het oor opnieuw luisteren. (62)


Vreeswekkend

Het mysterie van het bestaan is niet alleen fascinerend, maar ook vreeswekkend. Wie tot de ontdekking komt, dat aan het bestaan geen enkele zekerheid valt te ontlenen, dat ook religie of spiritualiteit geen enkel houvast kunnen bieden, kan het angstzweet uitbreken. Hier heerst verscheurdheid: de troost van waarheid te moeten ontberen en de hoop op een uiteindelijke grond niet te kunnen geven. Een zware last wordt uitzichtloos gedragen. Een jarenlange inspanning van een zoektocht en dan te moeten erkennen niets te weten, niet gevorderd te zijn en geen verlossing bereikt te hebben. (63)


Alleen

En wellicht het ergste: ik draag dit mysterie met mij mee, geheel en al alleen. Er schuilt een eenzame vreemdeling in ieder van ons, onbekend met zichzelf, onbekend met de wereld. Vraag deze vreemdeling de weg, het antwoord zal steevast luiden: ik weet het niet. Vraag hem wat er ten diepste in hem omgaat en hij zal het antwoord schuldig blijven. Mysterie: een over ons komend gevoel van volstrekte machteloosheid om te communiceren wat echt in het bewustzijn gaande is. (63)


Overweldigend

Maar het mysterie toont zich ook als overweldigend. … Ik, kleine vorm in de grenzeloze vorm van het universum, word ineengedrukt bij elke poging het te bevatten. Het mysterie dwingt mij op de knieën. Eerbied overvalt me, maar ik weet niet tot wie ik mij kan wenden om mijn respect te tonen. Behalve aan degene die ik toevallig tegenkom. (64)


Afleggen

Het omhoogklimmen is niets anders dan het afleggen van elk inzicht, elk voorgevoel, elke bedoeling die men met betrekking tot dit pad koestert. Zelfs de gedachte op weg te zijn, te vorderen, de top eens te zullen bereiken dient te verdwijnen. Men klimt net zolang tot elk idee van opstijgen afgestorven is. Men moet klimmen zonder het te willen. (77)


Nacht

Vanaf het begin is het geestelijk leven een nacht. Want het vangt aan met een afstand doen van alle dingen van de wereld. Alle zintuigen worden stil gelegd. Het bekende, beproefde, al wat genoten is, wordt verlaten. Maar ook de weg zelf is een nacht. Duister voor het verstand is haar richting. Duister voor de wil is haar einddoel. Er wordt gegaan in blind vertrouwen. Ook de aanwijzingen op de goede weg te zijn, zijn duister, onbegrijpelijk. Het doel van de weg is eveneens een nacht, want God. En God is niets anders dan een nacht voor de ziel. (79)


Nulpunt

Nacht: een levenslange ontlediging waar het bewustzijn uitgekleed wordt, ontdaan van al zijn inhouden en uiteindelijk gereduceerd wordt tot een nulpunt. (80)


Veel pijnlijker

Dat de dingen van de wereld niet leiden tot het goddelijke, is een oeroud religieus gegeven. Maar dat ook de inspanningen op het geestelijk pad met mogelijk verworven inzichten en verheven gevoelens een doodlopende weg zijn, is een veel pijnlijker verhaal. (80)


Achteruit

Omgeven te zijn door een nacht is de ontdekking dat alle moeite en inspanning tevergeefs zijn. De spirituele praktijken, zo nauwkeurig door de traditie overgeleverd, zo enthousiast beoefend, blijken op niets uit te lopen. … De geestdrift, kenmerk van iedere oprechte beginneling, dooft. De idee op de goede weg te zijn, eindelijk iets gevonden te hebben wat echt zinvol is, verheven te zijn boven hen die geen enkele spirituele interesse tonen, raakt tot op de draad versleten. Bij elke oefening ontstaat eerder het gevoel achteruit te gaan. (80)


Geen-raad

Het geestelijk pad is een werelds pad om de wereld te leren zien op een nieuwe, een wereldvreemde wijze. We worden geboren in een wereld waar we geen raad mee weten. En dit geen-raad-mee-weten is de meest betrouwbare raadgever die we ons voor kunnen stellen. (95)


Vermeien

Kunnen we ons nu gaan vermeien in een zalig niet-weten en ons gaan baden in een gezegende atmosfeer van onwetendheid waar de onrust van het denken en de moeizame inspanning van de wil overbodig zijn en waar sociale verplichtingen, ambities, idealen, artistieke prestaties en economische zorg verbleekt zijn tot illusoire activiteiten, ondernomen door degenen die – helaas – niet weten dat zij niet-weten? Geeft het mysterie reden – afgezien van persoonlijke motieven – ons terug te trekken op plaatsen, kloosters, tempels of kerken, waar de koele schaduw van het mysterie door beschermende muren tegenwoordig gesteld is, waar we het kunnen inademen, aanbidden of bezingen, hetzij voor een kortstondig moment, hetzij voor de rest van ons leven? (101)


Afbakenen

Reeds de idee het mysterie tegenwoordig te kunnen stellen in een afgebakende ruimte gaat in tegen de voortdurend ontgrendelende aanwezigheid van het mysterie. Ik kan weliswaar behoefte hebben aan een afgescheiden plaats, wellicht om praktijken te beoefenen die mijn verhouding met het onbekende intensiveren, maar de gedachte dat het mysterie meer present zou zijn op gewijde plaatsen dan daarbuiten getuigt van een gehoord hebben met dichte oren, ofwel onbegrip. Alsof wij de lucht kunnen afbakenen en uitsluitend voor onszelf kunnen reserveren. (101)


Schijnvertoning

De wereld verlaten omwille van het mysterie is een schijnvertoning. De wereld zelf is het mysterie en omdat zij een mysterie is, biedt zij geen enkele beschutte ruimte, noch een moment om op adem te komen. (101)


Sinds onheuglijke tijden

Elke kennis is eindige kennis, gestelde grens, veroverd gebied. Elke kennis is een omsingeling, maar die omsluiting biedt niet de veiligheid van een onneembare vesting. Er vindt voortdurend een overschrijding plaats, een breuk in de synthese die het ik-bewustzijn tot stand brengt. Wanneer heeft deze inbreuk plaats gevonden? Het onvatbare, onaangenaam verontrustende, dat zich toont, heeft zich niet op een bepaald moment aangediend. Ik kan de ouderdom ervan niet vaststellen. Het ligt in mijn bewustzijn gegrift sinds ‘onheuglijke tijden’. Het is nooit afwezig geweest. (102)


Buiten zinnen

Het Oneindige schuilt niet in mij voorzover mijn bewustzijn een opvangcentrum is waar het bestaan huisvesting wordt verleend. Ook zweeft het niet boven mij, alsof het een waarneming op afstand betreft, zoals we naar de sterren kijken. Zijn aanwezigheid ligt als een gewicht op mij. Ik ben eraan blootgesteld. Het drukt mij terneer. Omdat ik mij er verstandelijk niet tegen kan wapenen, stoot het mij uit elke redelijke positie, verschijnend als de redelijkheid bij uitstek. Niet in staat opgenomen te worden door mijn zintuigen, brengt het mij buiten zinnen, oneindige ruimte voor zijn zin en betekenisvolheid. (104)


Niet-tafel

Er is geen ding dat op zichzelf, binnen zijn eigen grenzen bestaat. De tafel is er dankzij de stoel, de vloer, het huis, de meubelmaker, het hout, de boom, de zon, de regen en dat tot in het oneindige. De tafel bestaat met medewerking van alles wat niet deze tafel is. Vandaar dat deze tafel ook niet-tafel is. (134)


Wederkerig

De tafel dankt zijn identiteit van tafel aan de timmerman en de timmerman dankt zijn identiteit van timmerman aan de tafel. De dingen brengen elkaar wederkerig tot stand. … Het ene is de voorwaarde, dat het andere kan bestaan. (134)


Niets is vanzelfsprekend

Er is geen ding op aarde dat alleen maar nuttig of nutteloos is. Er is geen functie die op zichzelf staat. Niets is vanzelfsprekend. (135)


Dynamiek

Sunyata [betreft] de onmiddellijke erkenning van de onderlinge afhankelijkheid, waarin dingen en gebeurtenissen ontstaan: honing proeven – en de bijen aan het werk zien. Het is een weten dat de dingen op onnaspeurlijke wijze tot stand komen, dat de werkelijkheid een dynamiek vertoont waarvan ik weliswaar een onderdeel ben, maar die zich te allen tijde onttrekt aan mijn controle en begripsvermogen. (136)


De zere plek

Sunyata is niet de ontkenning van mijn technische vermogens, noch van de waarde van het instrumentele denken. Sunyata wijst ook niet op een andere werkelijkheid, die los staat van de alledaagse, sociale en economische realiteit. In die zin is de vertaling van sunyata als ‘leegte’ misleidend. Alsof er een vacuüm bestaat waar we van alle vormen en zorgen geen last meer hebben. Ook betekent sunyata niet dat er uiteindelijk ‘niets’ is, een absolute negativiteit, noch slaat het op een bepaald gebrek dat aan de dingen zou kleven. De werkelijkheid is er. Zij schittert mij tegemoet. Wel legt het de vinger op de zere plek: de gebrekkigheid van mijn waarneming, de beperktheid van mijn bevattingsvermogen. (136)


Niet-ding

Sunyata is een praktijk die ons uit onze zelfgebouwde cel verlost zonder dat we de gevangenis verlaten. Aan de wereld is geen ontsnappen mogelijk. … Maar deze verbintenis kan van het bestaan een nachtmerrie maken. Denkbeelden, ideeën, theorieën, ideologieën en doelgerichte handelingen kunnen een wurgende greep hebben op ons en onze omgeving. We kunnen onszelf verstikken met ons gedachtegoed en onze handelingsbekwaamheid. Met het begrip sunyata wil de boeddhistische traditie erop wijzen dat in onze gerichtheid op de wereld de dingen ook ons tegemoet komen en de vastgelegde patronen voortdurend openbreken. Zij nodigt ons uit elk ding te gaan zien onder zijn mysterieuze verschijning van niet-ding. (137)


Meer

Sunyata leidt niet tot een moreel oordeel, maar tot kenniskritiek. Het onderzoek dient ertoe om ons vastgevroren wereldbeeld geleidelijk aan te ontdooien en het inzicht te doen ontstaan dat er altijd meer is en dat dit ‘meer’ van essentiële waarde is voor onze zelfbeschouwing. (138)


Pijnlijk

Niemand ziet graag zijn gevonden zekerheid, waarop het veilig en vredig staan is, omgewoeld worden tot drassige grond waarin men zich langzaam maar zeker voelt wegzinken. Voor niemand is het prettig te ontdekken uiteindelijk met lege handen te staan. De opdringerigheid waarmee fundamentele onwetendheid oprukt, roept angst op. Pijnlijk is het ontvallen van de vertrouwde interpretaties, het zien hoe een uitgestelde visie op vergankelijkheid wordt ingehaald door de feitelijke gang van het leven. (138)


Geen uiteindelijke oorzaak

Evenzeer is het moeilijk te verkroppen dat de dynamische, wederkerige betrokkenheid der dingen mij beletten een uiteindelijke oorzaak aan te wijzen: ik kan nooit eenzijdig iemand of iets de schuld geven. (138)


Twijfel

Wellicht heb ik daarom iemand nodig die me aanspoort deze angst en pijn letterlijk voor lief te nemen. Bijna niemand gaat vrijwillig de afgrond in. Ch’anmeesters spoorden hun leerlingen aan de duistere grond van het bestaan met open ogen tegemoet te treden, binnen te gaan in wat ze noemden ‘de Grote Dood’, het sterven aan de voorlopigheid, complexiteit van het bestaan. Zij moedigden hen aan de twijfel over hun eigen inzichten en verwachtingen ernstig te nemen. In de twijfel dient zich de ongrijpbare werkelijkheid zelf aan. Twijfelen is het kloppen van de werkelijkheid op de deur van ons hart om te melden dat de onvoldaanheid en onbevredigdheid van ons denken en doen een redelijke grond heeft. (138)


Twee dingen tegelijk

Er zit niets anders op dan twee dingen leren tegelijkertijd te doen: het erkennen en gebruikmaken van ons begripsvermogen en de voortdurende ontlediging ervan. (139)


Openheid

Sunyata is leren door onze opvattingen en perspectieven heen te kijken opdat de werkelijkheid zich kan tonen ‘zoals zij is’. Vandaar de vertaling ‘openheid’, zowel van de kant van de persoon als van de kant van de werkelijkheid. Van mij uit veronderstelt sunyata een open houding, ontvankelijkheid, een bereidheid mij bloot te stellen aan de realiteit zonder voorwaarde, zonder enige invulling vooraf. Want onze begrippen en denkbeelden hebben niet die hardheid of substantialiteit die wij hen vaak toekenne. Zij zijn transparant. De werkelijke wereld schijnt erdoorheen en valt op ons eerste oog, het oog binnen de ogen, dat ‘direct’ ziet. Maar sunyata duidt ook op de openheid van de werkelijkheid zoals deze zich in elke vorm grenzeloos uitstrekt, onuitputtelijk voor onze beschouwingswijze, ondoorgrondelijk en mysterieus, ‘uitgestrekte leegte en niets heiligs daarbinnen’. (139)


Non-dualiteit bestaat niet

Maar ook non-dualiteit is sunyata. Non-dualiteit is niet een te fixeren toestand, geen bestaanbare ruimte die ik kan binnengaan, zodra ik de relatieve ruimte van verscheidenheid achter mij gelaten of overstegen heb. Mijn eigenlijke wereld is de werkelijkheid van de verschillen. Non-dualiteit bestaat niet. Non-dualiteit treedt aan het licht als kritiek op de dualiteit. Het vastgestelde onderscheid verliest zijn helderheid. De scheiding tussen samsara en nirwana, leven en dood, verlichting en lijden blijkt niet duidelijk aan te geven. (142)


Het andere

Lichaam en bewustzijn blijken onder druk te staan van alles wat er zich van buiten af mateloos opdringt. Elk vastgelegd, gedefinieerd ‘ik’ bevindt zich in een permanente staat van crisis, waarbij het een zekere keuzemogelijkheid heeft tussen zelfhandhaving, op zijn stuk blijven staan en het tot zich nemen van de veranderende, vernieuwende invloed van ‘niet-ik’, het andere. (143)


Drijfzand

Elk weten berust op drijfzand: niet-weten (148)


Geen-inzicht

De stroom van het complexe leven wordt door beperkte, voorlopige inzichten nooit ten volle ingedamd. Alleen al de onwetendheid met betrekking tot de dag van morgen, de volgende week, de duistere toekomst na de dood vreet aan de standvastigheid van het heden. Ch’antraining wil zijn leerlingen brengen tot Groot Inzicht, dat wil zeggen: Geen-Inzicht, Fundamentele Onwetendheid, Uiteindelijk Niet-Weten. De waarheid is mijn onvermogen om tot een enigszins bevredigend begrip omtrent leven en dood te komen. … Zien is het onbekende zien. (150)


Verdwijnen

Wie zijn eigen bestaan onderzoekt, religieuze praktijken beoefent, de teksten bestudeert, de woorden analyseert, denkt en nog eens denkt, weet dat alles wat gezegd wordt en geschreven staat, uiteindelijk nergens op gebaseerd is. Althans niet op een absolute waarheid, een laatste wet, een goddelijke bron of kern. Ch’an: er is niets te vinden waardoor ik mij kan onderscheiden, noch iets waarop ik mij kan beroepen. … Al wat we vinden is drassige grond waarin we steeds verder wegzakken. De Ch’anmeesters nodigen hun leerlingen uit de tijdens hun zoektocht intredende duisternis binnen te gaan en erin te verdwijnen. (151)


Ik zou het niet weten

Er is waanzin voor nodig, waanzinnige liefde voor de waarheid, om bereid te zijn een levenslange weg in te slaan waarvan men weet dat zij leidt tot de verstikkingsdood van intellect en wil. Deze Grote Dood, waar de Ch’anweg op uitloopt, is tevens de grote toegangspoort. De Toegangspoort tot wat? Ik zou het niet weten. Heeft dit nut? Ik zou het niet weten. Leidt dit tot een verlossend einddoel, een bevrijdende bestemming? Ik zou het niet weten. (151)


Mislukking

Ch’an vraagt het offer van het dierbaarste wat ik bezit, het offer van mijn intellect en wil. Niet door intellect en wil te ontkennen, opzij te zetten of op te schorten, maar door ze te gebruiken. In het gebruik ervan ontdekt het intellect zijn beperking en de wil zijn onvermogen. Door voortdurend zelfonderzoek en telkens hernomen reflectie, door steeds opnieuw te verwoorden en te communiceren, wordt het inzicht helderder dat mijn bestaan zich afspeelt op een grondeloze, onkenbare grond. Een geestelijke carrière loopt uit op een mislukking. (152)


Zelfs niet niks kunnen doen

Heel het geestelijk bouwwerk, met zoveel inspanning opgetrokken, alle opgedane ervaringen en verworven inzichten worden omgeven door een dikke mist van allesomvattende onwetendheid. Hier sta ik met stomheid geslagen, machteloos, zonder enige perspectief. Voor het verstand heerst er een donderde stilte. Elk initiatief wordt overvallen door een lamlendig gevoel van onbestemdheid. Alles is grijs. Voorzover het ik nog denken kan, denkt het: ik kan niets doen. Maar zelfs dat is onzeker. (152)


Drijfanker

Omdat bijna niemand uit eigen beweging deze afgrond van zelfverlies graag binnengaat, willen de Ch’anmeesters hun leerlingen af en toe een behulpzaam duwtje in de rug geven. Zij helpen de laatste resten aan houvast los te laten en leren hun leerlingen zich te laten drijven op de zwarte zee van niet-weten, als een houten balk van een vergaan schip. (154)


Het ongekende

Wie deze ervaring kent en de angst en wanhoop die dit met zich meebrengt doorstaan heeft, zal voortaan, nadat hij of zij als door een wonder op een veilig strand aangespoeld is, weten dat al het denken en doen, hoe trefzeker ook, uiteindelijk nergens op gebaseerd is. In elk spreken schuilt sprakeloosheid. Elk gebaar verwijst naar het tekenloze. Elke handeling verbergt het richtingloze. Ons bestaan komt voort uit ‘louter niets’, het ongekende. (154)


Niemand weet

De meester in ons … danst in het duister. Niemand, ook hij zelf niet, weet waar de bewegingen vandaan komen. Niemand begrijpt zijn danspassen. Niemand kent het verhaal. Niemand weet wanneer het doek valt. (163)


De leraar

De leraar: een metgezel op een duister pad, een gids om mee te dwalen, blind, in een onbekend landschap. Op basis van eigen training en ervaring durft hij wie hem om raad vraagt uit te nodigen alle weten en zekerheid achter te laten en een eindeloze reis te beginnen door de nacht. Hij leert te vertrouwen op niet-weten, dat nooit kleiner wordt, maar steeds in omvang toeneemt. … Hij wijst erop dat er niets te zoeken, niets te vinden, niets te bereiken is. … Soms met zachte, soms met harde hand duwt de leraar zijn leerlingen die afgrondelijke nacht in, tegendraads met het daglicht, dwars door het gangbare en berekenbare en maakt hij hen vertrouwd met het onbekende andere, het onmogelijke. (208)


Geen-doel

Zen: een leven zonder perspectief, zonder uitzicht, zonder doel. (178)


Koan (2005)


Contemplatie

Contemplatie is in de woorden van Johannes van het Kruis, één van de grote leraren op dit gebied, een duistere praktijk waar wil, intellect en geheugen hun normale functioneren verliezen en een ‘donkere nacht’ van niet-willen, niet-weten, niet-kunnen, tegemoet gaan. In de contemplatie is de weg waarlangs gegaan moet worden en het doel dat bereikt moet worden onbekend. … Voor de zenbeoefening geldt hetzelfde. Zazen beoogt het ik-bewustzijn stil en ontvankelijk te maken, opdat het zich van alle verwachtingen en ideeën ontdoet … Op basis van mijn initiatief moet het mij aan initiatief gaan ontbreken. Hier begint het duistere bewustzijnsgebied dat de zenstudent willoos en niet-wetend over zich heen laat komen. (14)


Overstijgen

Contemplatie betekent ook het overstijgen van alle boeddhistische begrippen en doelstellingen. Hoe verhelderend deze ook zijn, de zenstudent dient verder te gaan dan de betekenis die de woorden sunyata, boeddha, nirwana, verlichting of verlossing voor hem bevatten. Het gaat om een bewustzijnsgebied waar alle religieuze voorstellingen, adviezen, literatuur en instituties, na bewezen diensten, niet langer hulp kunnen bieden. Waarmee ook gezegd wil zijn, dat religieuze instellingen, spirituele lectuur, en zelfs de beste meditatievoorschriften een hindernis worden voor een verdere geestelijke ontwikkeling, wanneer men zich daaraan vastklampt. (15)


Geen troost

Ik heb u geen troost te bieden. Ik wil u vertellen dat uw probleem ook mijn probleem is. (20)


Veel meer

Dit boekje is veel meer dan de praktische aanduiding ‘boekje’. Het is het resultaat van talloze factoren: mijn bureau, de computer, de gesprekken met mijn leerlingen, de geraadpleegde literatuur, mijn woning, de uitgever, de drukker, de distributeur, de boekwinkel, de weersomstandigheden, mijn leraar en mijn medestudenten, waarmee we reeds in Amerika zitten … de lezer die met zijn of haar achtergrond al lezend dit boekje maakt … Eén uiteindelijke oorzaak is er niet te vinden. (29)


Verlichting

Verlichting is de inspiratie van alle wezens tot een bevrijd bestaan. Maar verlichting, nirwana, is ook sunyata, dus zonder grond, zonder kenmerk, zonder standvastigheid, zonder persoon. Verlichting is niemands eigendom. Verlichting, eenmaal ontstaan, vraagt om vergeten, achtergelaten te worden. (30)


Het hoogste

Het hoogste inzicht, dat voor het vroeg-boeddhisme het enig nastrevenswaardige ideaal was, bleek niet het hoogste. Het hoogste is het verlaten van het hoogst bereikbare en bereid te zijn desnoods af te dalen in de hel. Ware verlichting is geen verlichting. Het alledaagse bestaan van geboorte, ziekte, ouderdom en dood is verlichting. Nirwana staat voor het bevrijdende inzicht dat er niets anders is dan samsara en de bereidheid samsara ten volle te leven. (30)


Sunyata

Alle verschijnselen, alle gedachten en dus ook alle geestelijke oefeningen worden in het licht van sunyata waargenomen als zonder eigenheid, zonder grond, zonder eigen bestaan. (52)


Met de grond gelijk

Zenleraren gedragen zich volstrekt anders dan hun Indiase voorgangers. Zij gebruiken, althans in de voorvallen of incidenten, nauwelijks de verheven taal van het mahayana. Hoogdravende en soms abstracte begrippen als bodhisattva, sunyata, boeddha, prajna en volmaakte verlichting komen in hun taalgebruik zelden voor. En als erover gesproken wordt, dan worden ze letterlijk met de grond gelijk gemaakt. (83)


Iconoclasten

Om duidelijk te maken waar verlichting over gaat, werd er gezwaaid met een stok, een klap uitgedeeld, geschreeuwd, gewezen op een in de buurt staande boom, of werd de aandacht gevestigd op het zingen van een vogel, het vallen van de sneeuw, of ging de leraar zwijgend door met hetgeen hij op dat moment aan het doen was. De vraag van zenstudenten wat men zich bij boeddhanatuur moest voorstellen, werd beantwoord met voor de hand liggend gedrag. Zij reageerden met wat direct in hun hoofden opkwam, zonder erbij na te denken, vaak tot ontsteltenis en verbijstering van hun leerlingen die aan hun antwoorden soms geen touw konden vastknopen. Daarmee weigerden de zenleraren rationele antwoorden en verklaringen. Zij verscholen zich niet achter citaten en probeerden geen indruk te maken met verheven taal en bovenmenselijke vermogens. Zij waren religieuze anarchisten, iconoclasten en individualisten. Zij waren vrije geesten. (83)


Dat weten zij niet

Waar kwamen de bevrijdende woorden en de bevrijdende handelingen van de leraar vandaan? Hoe weten boeddha’s, de leraren, zich zo te gedragen dat hun handelswijze bevrijding teweeg brengt? Dat weten zij niet. Want hun gedrag komt voort uit niet-weten. Hun gedrag is niet gebaseerd op regels, gewoonte of traditie. Boeddhagedrag is onvoorspelbaar, zonder opzet of bedoeling, zonder strategie, zonder perspectief, zonder verwachtingen. Het wordt niet gedragen door een wil om te helpen en is zelfs niet gericht op het doen ontstaan van verlichting. (85)


Zitten

Dit ‘zitten’ in contemplatie is de leerschool om alle begrippen en ideeën, alles wat men verwacht en wil, alles wat men tevoren heeft geleerd en ervaren, achterwege te laten. De beoefening omvat het leren stil worden, zitten in niet-weten, een ogenblik van niets doen, te wachten op alle dingen, het laten gaan van ‘iets’ dat zijn gang gaat, het steeds minder onderscheid maken, een plaats in het bewustzijn bereiken waar geen mogelijkheid meer is om voor anker te gaan, waar geen vast perspectief meer bestaat en waar niets anders overblijft, dan te zitten vanuit je hart. (87)


Met lege handen

De leraren verlosten hun leerlingen uit hun zelfgemaakte gevangenis, dwongen hen de werkelijkheid met open vizier tegemoet te treden, zonder vastgeroeste begrippen, zonder verstikkende conventies. Zij leerden hun leerlingen te leven zonder voorgekookte antwoorden. Zij gaven het voorbeeld onwetend in dit leven te staan, ontvankelijk voor de werkelijkheid, met lege handen, maar bereid om te doen waar de omstandigheden om vragen, op basis van een bewustzijn, dat voortdurend getraind werd open en aandachtig te zijn. (87)


Duisternis

Nampo bevestigde Daito’s inzicht met de woorden: ‘De helderheid heb je reeds terzijde geschoven en jezelf verbonden met de duisternis.’ (96)


Hisamatsu

Diep teleurgesteld in zowel theïstische religie als rationele filosofie geraakte hij in een ernstige crisis. Tijdens de sesshin groeide in hem een grote twijfel, een ‘uitgestrekte duisternis die zijn gehele wezen vulde’. Maar hij kreeg hier zijn eerste grote inzicht. In een autobiografisch essay beschreef hij dit later als een ‘afwerpen van de religie van een middeleeuws geloof, een zich wenden tot de filosofie van de moderne rede, een doorbraak door de uiterste grenzen van rationeel denken en zijn objectieve kennis en een ontwaken tot het volledig ongehinderde en bevrijde ware zelf.’ (120)


Mijn religie

Hisamatsu schreef onder meer een prachtig commentaar op de uitspraken van Rinzai. Rinzai was zijn grote voorbeeld. Hij parafraseerde diens beruchte woorden als volgt: ‘Het doden van de Boeddha en het doden van God, dat is mijn religie.’ (122)


Door de woestijn

Maar binnen niets is geen bepaalde, gemarkeerde weg te vinden. Voor zover we al spreken over een voortgaan, is er geen gebaand pad, zijn er geen aanwijzingen, is er zelfs geen vinger die naar de maan wijst. Daar is geen leraar die kan helpen, geen leer die bevrijding brengt en geen doel dat enig perspectief biedt. Wie hier gekomen is, gaat verder in volstrekte duisternis; doof, blind en stom wordt de ene voet voor de andere. Onwetend trekken we door de woestijn. Maken we vorderingen of draaien we rondjes? We weten het niet. (141)


Kool en as

Verlichting is verteerd door het vuur van onwetendheid en onwetendheid is weggevaagd door de helderheid van verlichting. Elk idee van bevrijding, van wijsheid, van compassie, van spiritualiteit is vervlogen. Zen is vergeten. Een boeddha blijkt geen bijzondere kenmerken te hebben. Maar ook de zo vanzelfsprekende wens de stroom van het gewone leven te verlaten en in te ruilen voor iets hogers, is tot op de draad versleten. Er is slechts een bestaan ‘te midden van kool en as’. De zenstudent is verdwenen. In niets verschilt hij van al degenen die hem omringen. Toch gaat hij verder. Maar leeft hij in nirwana of woont hij in samsara? (142)


Alles is mogelijk

Het beste uitgangspunt voor het werken met een koan: alles vergeten wat je over koanstudie en zen gehoord en gelezen hebt. Vergeet dat het zou gaan over een grote doorbraak, een grote ervaring, dat je niet mag nadenken over de koan, dat je het antwoord moet afwachten totdat het als genadebrood uit de hemel valt, dat het zeer lange tijd kost eer je het antwoord vindt, dat je door de diepste dalen van wanhoop moet gaan maar dat je straks na de verlichting een totaal ander mens wordt, die voortaan alle dagen dansend door de straten gaat. Vergeet verlichting, vergeet zen en vergeet de koan. Alles is mogelijk. (151)


Ontledigd

Door zich langdurig, volhardend en bij herhaling te richten op de trefwoorden van de koan, ‘ware natuur’, ‘dood’, ‘leven-na-de-dood’, zal de reflectie, het nadenken erover uitgeput raken en door niet-weten vervangen worden. Dit niet-weten is het eigenlijke begin van de contemplatie. Het bewustzijn wordt in die donkere toestand van onwetendheid gezuiverd en ontledigd van alle concepten en verwachtingen. Het woord legt betekenisloos beslag op het gehele bewustzijn. (152)


Een sprong in het duister

Grote twijfel wordt ook wel ‘de grote dood’ genoemd. Eerste wanneer de leerling hier doorheen gaat, zal het werkelijke leven zich in de ervaring voordoen. In de diepste, volkomen ontkenning van het leven, onthult zich de bevestiging. Misschien is ‘grote twijfel’ beter te vertalen met groot onderzoek. Is eenmaal het niet-weten bereikt, dan dient de leerling zich hierbij niet neer te leggen, maar verder te gaan, te gaan waar hij niet gaan kan, een sprong in het duister te ondernemen of, zoals een koan zegt: ‘zittend op een dertig meter hoge pilaar en dan een stap vooruit te zetten.’ (153)


Paradoxen

Wie aan het leven denkt, denkt aan de dood, en dat geldt voor vrijheid en afhankelijkheid, goed en kwaad, ziekte en gezondheid, tijd en eeuwigheid, enzovoorts. Elk van de tegendelen van de paradox strekt zich oneindig ver uit: het leven strekt zich uit over de gehele werkelijkheid, en de dood ook. Paradoxen kunnen het ik in een wurggreep houden, zozeer zelfs dat het verlamd raakt en niet meer in staat is te handelen. Zentraining is onder andere zich door de molenstenen van de tegendelen laten vermalen en te zien dat het ‘schijnbare tegenstrijdigheden’ zijn. Gebruikt als koan lost een paradox zich op in ons concrete alledaags handelen, hetgeen ook wel verlichting genoemd wordt. Koanstudie kan ons leren voortdurend in paradoxen te denken. Dat houdt de geest soepel en voorkomt dat zij zich al te eenzijdig nestelt in een vastgelegde waarheid. Wanneer ik aan vrijheid denk, zie ik mijn afhankelijkheid. Wanneer ik over de dood spreek, denk ik aan het leven en omgekeerd. Denkend aan rijkdom, zie ik armoede. (167)


Met drie ogen (2005)


Het net om de geest

Anders gezegd, in zazen leer ik mij te ontdoen van het net dat ik om de geest heen bouw. Aldus krijgt de geest zijn oorspronkelijke vrijheid terug. (150)


So what!

Hoe weet jij dat je de vrijheid van geest verworven hebt? Is reeds de gedachte verlichting te hebben bereikt, niet het volgende touw waarmee de geest wordt vastgebonden? Wie kan met recht beweren: ik ben verlicht! En zelfs als dit zo zou zijn, wat zeg je dan? Kan je ineens over water wandelen, je ongehinderd door dikke muren begeven, iemands gedachten lezen? Ben je vanaf nu een beter mens geworden? Verlichting! So what! Het verschil tussen egoloosheid en egocentrisme is flinterdun, nauwelijks te zien. (151)


Niemand weet wat verlichting is

Niemand kan zich in deze zaak melden als een deskundige. Wanneer jij er mij op wijst, dat ik niet verlicht ben, dan zit jij vast in een dualisme, het onderscheid dat je aanbrengt tussen de verlichte en de niet verlichte, de wijze en de onwetende. Er is niemand op de wereld te vinden die weet wat verlichting is. (151)


Elk begrip steunt op onbegrip

Shunyata [leegte, openheid] is een begrip dat al onze begrippen relativeert en laat zien dat al ons denken en onze ideeën over de werkelijkheid uiteindelijk nergens op steunen. Shunyata is zien dat deze werkelijkheid zonder kenbaar fundament is, zonder aanwijsbare grond. Elk begrip steunt uiteindelijk op onbegrip. De werkelijkheid is een groot mysterie. (151,152)


Spoorloos

Wie kan zeggen wat wijsheid is? [In de Mahayana sutra’s staat:] ‘Deze wijsheid is ondenkbaar, onbegrijpelijk, onvatbaar, onbeschrijfelijk, onontcijferbaar, ondefinieerbaar, onvergelijkbaar, niet te lokaliseren, onbenaderbaar, onveranderlijk, onbereikbaar, niet te karakteriseren, zonder perspectief, zonder kader, niet zelfbestaand, zonder grond, zonder basis, spoorloos, naamloos, doelloos, smetteloos, mateloos.’ (152)


Geen verlichting is verlichting

Maar je kan verlichting pas achter je laten, als je weet dat er zo iets als verlichting is. Ware verlichting is geen verlichting, aldus een zengezegde. Maar ‘geen verlichting’ is gebaseerd op ware verlichting. (153)


Doorn in het hart (2008)

Over deze documentaire schreef de boeddhistische omroepstichting:

Op zijn schijnbaar doelloze zwerftocht doet Tydeman hoopvolle uitspraken door op de bevrijdende kracht van twijfel te wijzen. Twijfel aan de leraar, de leer, de Boeddha, of de zin van alles. Pas dan ontstaat werkelijk inzicht. Kleine twijfel… kleine verlichting, grote twijfel… grote verlichting en geen twijfel… geen verlichting.


Transmissie en transcendentie (2013)


Mysterieus

Transmissie is de mysterieuze uitwisseling van een mysterie. (p213)


Het Onbegrijpelijke

Boeddhistisch gezien betreft dit mysterie niet een gebied dat zich naast of achter deze wereld bevindt of boven dit universum zweeft. Deze aarde met de zon, de maan en de sterren, de mensheid, elk individu, alle natuurverschijnselen, zijn manifestaties van dit mysterie. Er is geen hemels geheim dat losstaat van het aardse. Elk mens en elk ding is ‘boeddhageest’, zoals het Onbegrijpelijke in de zentradititie op onbegrijpelijke wijze wordt verwoord. En de leraar geeft zichzelf, zijnde dit mysterie, aan zijn leerling in de hoop dat deze zijn eigen leven en dood kan zien in het licht van dit mysterie. (213)


Een lege huls

Genpo Roshi zei dikwijls: ‘Je moet een lege huls worden waar ik de Dharma in kan storten, zodat deze ongehinderd door je heen stroomt zonder een bodem te raken.’ Hoe word ik een lege huls? Door alle ideeën, wensen en verwachtingen over mijn leven achter te laten. Bijvoorbeeld het idee of gevoel dat mijn leven mijn eigendom is. (213)


Een wonder

De ander is voor mij ook een mysterie. Al kan ik daar in het sociale verkeer weinig mee – ik kan moeilijk de hele dag tegen mijn vrouw roepen ‘Wat ben je toch een wonder; ik weet niet wie je bent!’ – voor de religie ligt hier de kern. Het is alsof ik van religieuze zijde steeds gewaarschuwd wordt: ‘Weet dat de ander een groot mysterie is.’ (219)


Het licht van niet-weten

Maar de spirituele geest valt niet te beoordelen. Hij verschijnt slechts in het licht van niet-weten en verschijnt uitsluitend aan mij. (228)


Een donderende stilte

Maar op zichzelf is het absolute nietszeggend. Hier heerst een donderende stilte. Het spreekt me niet toe. Er valt ook niets aan te ontlenen, bijvoorbeeld dat ik dankzij het absolute zou weten wat goed en kwaad is. Misschien trek ik vanuit mijn kennen van het absolute enkele conclusies voor mijn relatieve bestaan, maar dit absolute verschaft geen grond of reden voor mijn individuele, sociale en politieke handelen. Wie de juistheid van zijn handelen en van zijn visie onderbouwt met een beroep op het absolute, maakt er misbruik, of milder geformuleerd, oneigenlijk gebruik van. Hij onderwerpt het absolute aan een waarheid waarvan het in feite de bevrijding wil zijn. (261)


Onbewoonbaar

Vast en zeker zullen er tijdens de zenbeoefening momenten komen waarin we de eenheid van alles, het absolute ervaren. Maar hoeveel inzicht deze momenten ook verschaffen, ze bieden geen vaste woning. Ze geven geen gelegenheid om er onze tenten op te slaan. (261)


Geen vaste kern

De ontdekking dat het ik geen vaststaande identiteit bezit of dat er geen onveranderlijke, blijvende kern is, kan niet alleen een gevoel van teleurstelling oproepen, maar ook grote onrust of angst. Wat blijft er dan van mij over? Een bundeltje veranderlijke skandha’s, leert de Boeddha. Oftewel een bestaand ik zonder vaste kern. Is dat erg? (263)


Sunyata-sunyata

Pas door alle ideeën omtrent de conventionele waarheid op te geven, treedt de uiteindelijke waarheid tevoorschijn. Naarmate Nagarjuna met zijn denken voortschrijdt, is hij steeds moeilijker te begrijpen. Terwijl hij verder analyseert en het denken meer en meer uitrekt, verdampt het begripsvermogen. Het intellect komt tot rust. Zijn filosofie is niet te begrijpen. Hij is niet zozeer een wijsgeer, maar een leraar in de beste boeddhistische zin van het woord. Hij beweert slechts in de voetsporen van de Boeddha te treden. Hij wilde geen nieuwe filosofie, maar bevrijding. En bevrijding komt niet van het denken. Verlossing is het einde van alle denken. Het ten tonele verschijnen van de uiteindelijke waarheid is daarom niet de laatste acte. Want het ultieme is sunyata. Het bezit geen eigen kern. Waarom niet? Omdat het afhankelijk is van de conventionele waarheid. De ultieme waarheid is niet de essentie van alles. Sunyata is niet het wezen van de dingen. Want sunyata is sunyata, oftewel sunyata-sunyata, dat wil zeggen dat het leeg is van alle waarheden. De leegte zelf is leeg, heeft geen vaste vorm. (264)


Geen waarheid

Met andere woorden: alle spreken, zowel over het conventionele als over het ultieme, is voorlopig en provisorisch. Ze verwijzen steeds naar elkaar. Ze zijn voor het denken nooit een vaste verblijfplaats, mits ze gezien worden in het licht van bevrijding. Worden beide opgevat als definitieve standpunten, dan zijn het verstokte en verstikkende perspectieven. Om bevrijding te bewerkstelligen verwijst het conventionele naar het absolute en het absolute naar het conventionele. De twee waarheden bevatten geen waarheid. Beide zijn sunyata-sunyata. Om die reden kan Nagarjuna zeggen: ‘De Boeddha heeft nooit voor iemand, op geen enkele plaats, een waarheid verkondigd.’ (264)


Lijm

Het probleem is dat mensen waarheid willen en zoeken. En als ze waarheid gevonden denken te hebben, dan blijven ze daaraan vastzitten. Waarheid is als lijm: zodra ik denk dat die gevonden is, kleef ik eraan vast. En alles waaraan ik vast blijf houden, veroorzaakt lijden. Hoewel ik graag verlost wil zijn van het lijden, is het maar de vraag of ik mijn waarheden wil loslaten. Niets lijkt erger dan geen waarheid te bezitten. Wie echter op spiritueel gebied een waarheid koestert, zal nooit bevrijding kennen. Hij dwaalt rond in een intellectuele exercitie. Hij houdt voor definitief wat slechts voorlopig is. (264)


Dood de Boeddha

Hier toont zich een van de grootste moeilijkheden van het geestelijke pad. Wie zou niet gehecht raken aan de ontdekte schoonheid, de herwonnen onschuld, de overstelpende vreugde? Wie is bereid deze geruststelling en vrede weer in te ruilen voor de onrust, de onzekerheid en verwarring van de conventionele wereld? Wie echter blijft hangen in dit absolute, hangt zich op aan illusies, ziet een droom aan voor werkelijkheid en hoort slechts de echo van een stem – uitdrukkingen van Nagarjuna. De overtuiging een definitieve en uiterst aangename waarheid gevonden te hebben, is groot. Waarom dat loslaten? Omdat het geen bevrijding is, want deze bevrijding verschilt niet van gebondenheid. Ware bevrijding is geen bevrijding, leert de traditie. De aansporingen klinken soms geweldadig: ‘Als je de Boeddha ontmoet, dood de Boeddha. (265)


Geen kenmerken

Wie een boeddha tegenkomt, denkt dat hij een boeddha tegenkomt. Hij meent te weten hoe deze eruit ziet, of hoe die te onderscheiden is van gewone mensen. Maar het kenmerk van een boeddha is dat hij geen kenmerken heeft. En zo levert de ervaring van het absolute nieuwe hechte denkbeelden op, in elk geval de gedachte eindelijk iets gevonden te hebben. Maar al heb je iets met grote zekerheid aangetroffen, dan is dat altijd nog voorlopig. De tijd gaat verder en de verandering treedt in. De zentraditie kent tal van uitspraken die variëren op het gegeven dat er spiritueel niets aan te vangen is met welke denkwijze ook. (265)


Fundamenteler

De fundamentele waarheid van zen is onthechting van elke waarheid. Ook de leer en het onderricht verdienen geen gehechtheid. (266)


Een luchtspiegeling

Dit betreft evenzeer de boeddhisten. Mochten zij van mening zijn de waarheid gevonden te hebben, dan misleiden ze zichzelf. Want ‘alle bezoedelingen, karma’s, beloningen en straffen zijn als een luchtspiegeling, een droom, de schaduw van een lamp, de echo van een stem’, zegt Nagarjuna. (267)


Het grootste vermogen van het intellect

De christelijke achtergrond van het begrip mystagogie is voor mij geen enkel probleem. Of ze het willen toegeven of niet, alle religies gaan over het feit dat leven en dood een groot mysterie zijn. Ze relativeren de rationele bastions, die zeker in de moderne tijd hun ‘spierballen’ tonen. Zelf geloof ik dat het grootst evermogen van het intellect gelegen is in de erkenning van het feit dat het iets niet begrijpt. (298)


Wolk van niet-weten

Het feit dat religies verschillen en dat ‘God niet één is’, zoals de titel van een mooi boek aangeeft, weet ik zelf ook wel. Wist ik maar dat het in religies om ‘hetzelfde’ draait. Maar hoe men het ene mysterie, joods of christelijk, zou willen vergelijken met het andere mysterie, hindoeïstisch of boeddhistisch, is mij een raadsel. Het menselijk bestaan is overdekt met een donkere wolk van niet-weten. Alle overeenkomsten en verschillen verdwijnen in een duisternis van onwetendheid. In zoverre is er geen rationeel fundament te vinden voor religie, behalve dat het zich voortdurend aandient als verschijnsel. De gedachte dat alle religies hetzelfde zijn, berust misschien op de hoop dat er uiteindelijk een kenbare bron zal zijn. Maar die troost is in de religie, in zijn mystieke kern althans, niet te vinden. (300)


Een woestijn

Aldus is het de taak van de mystagoog om zijn leerling de weg naar dit mysterie te wijzen en hem op het pad van onwetendheid te houden. Niet de onwetendheid waar we volgens de Boeddha van verlost moeten worden, onwetendheid die bestaat in het vasthouden en hechten aan onze meningen en opvattingen, maar een fundamentele, existentiële onwetendheid die nooit ophoudt. Die alleen maar groter wordt en helderder. Hij leert een myste om elk idee over het pad op te geven. Op den duur ook de goede en bruikbare ideeën. Want voorzover denkbeelden en verwachtingen van nut zijn, zijn ze dat hooguit tijdelijk. Daarom gaat de mystagoog met zijn leerling naar een woestijn. (300)


Ontkennend denken

De mystagoog leert de leerling ontkennend te denken: dit is het niet, dat is het ook niet. En elk idee dat wordt opgegeven, is een bevrijding. (301)


De goddelijke schaduw

Generaties mystici zijn beïnvloed door een klein traktaat van Dionysius de Areopagiet (pseudo-Dionysius), De mystieke theologie, waarin hij dit negatieve pad uiteenzet. De tekst is een mystagogische brief, gericht aan zijn vriend Timotheus, en begint aldus:

Daar jij zoekt naar het zicht op de mysterieuze dingen, moet je alles wat je waargenomen en begrepen hebt achterlaten, al het waarneembare en verstaanbare, alles wat niet is en alles wat is en terwijl je al het begrijpelijke terzijde legt, moet je zover als je kunt omhoog streven naar een eenheid met hem die voorbij alle zijn en kennis is. Door een onverdeeld en absoluut loslaten van jezelf en alles, door je van alles te ontdoen en van alles te bevrijden, zal je opgetild worden naar de straal van de goddelijke schaduw welke boven al het zijn verheven is. (301)


Een dubbele ontkenning

Dionysisus nodigt zijn vriend uit:

…het duister van de kennisloosheid binnen te gaan, het werkelijk mystieke, waar al het kennend begrijpen zwijgt, zodat je in het volledig onaanraakbare en onzichtbare belandt en je geheel en al toebehoort aan degene die aan alles voorbij is (…) Daar is geen taal, noch zijn er namen noch is er kennis. Duisternis en licht, dwaling of waarheid – niets van dit alles. Het gaat voorbij aan bevestiging en ontkenning.

Met andere woorden, uiteindelijk dient zelfs de ontkenning ontkend te worden. (301)


Thuisloos

De Japanse term voor monnik is unsui, ‘wolk-water’. Zoals water vrijelijk stroomt en nergens voor zichzelf een dam opwerpt, zoals wolken ongehinderd voortdrijven en zichzelf nooit vastzetten in de lucht, zo beoefent de zenmonnik een leven van onthechting, zonder zich te binden, zonder vaste grond, zonder zich in de geest te vestigen. Ook zijn verwachtingen, ervaringen en verdiensten van zijn thuisloze pad zal hij leren achter zich te laten. Voor de monnik blijft er niets over. En dat is zijn rijkdom. Wie thuisloos is, is overal thuis. Het archetype van de monnik schuilt in ieder mens. (321)