Osho

‘Ik help je absoluut vrij te zijn van ieder dogma, van ieder heilig boek, van iedere filosofie – en daar hoor ik ook bij.’ Citaten van filosoof, spiritueel leraar en goeroe Osho (Bhagwan Shree Rajneesh, 1931-1990).

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Goeroes > Osho


Uit De kunst van het sterven, Osho 1991:


Inhoud

Nog van George Washington

“Een man snuffelde rond bij een antiquair in de buurt van Mount Vernon en vond een vrij oud uitziende bijl.
‘Wat een prachtige oude bijl heb je daar,’ zei hij tegen de eigenaar.
‘Ja,’ zei de man, ‘die is nog van George Washington geweest.’
‘Echt?’ zei de klant. ‘Dan ziet hij er nog prima uit.’
‘Dat kan ook niet anders,’ zei de antiquair. ‘Hij heeft drie keer een nieuwe steel gekregen en twee keer een nieuw blad.'”
Maar zo is het leven. Het vernieuwt steeds de stelen en de bladen. … Let maar eens op. Je was ooit een kind, wat is daar nu van over? (18)


Religie

Als je veiligheid, zekerheid zoekt gaan je ogen steeds meer dicht. Dan verbaas je je steeds minder en ben je niet meer in staat je over iets te verwonderen. Zodra je eenmaal je verwondering kwijt bent, ben je religie kwijt. Religie is het opengaan van je verwonderd hart. Religie is een ontvankelijkheid voor het mysterieuze dat ons omringt. (25)


Paradoxaal

Mijn sannyas is iets heel paradoxaals. Jij geeft je aan mij over om vrij te worden. Ik accepteer je en en initieer je in sannyas om jou te helpen absoluut vrij te zijn van ieder dogma, van ieder heilig boek, van iedere filosofie – en daar hoor ik ook bij. (25)


De armen van geest

Vergaar niets, ongeacht wat het is: macht, geld, aanzien, deugden, kennis, zelfs geen zogenaamd spirituele ervaringen. Vergaar niets. Als je niet vergaart ben je bereid ieder moment te sterven, omdat je niets te verliezen hebt. De angst voor de dood is niet echt angst voor de dood; de angst voor de dood komt voort uit wat je vergaard hebt in het leven. Dan heb je veel te verliezen en klamp je je eraan vast. Dat is de betekenis van de uitspraak van Jezus: Zalig zijn de armen van geest. (35)


Klaar

Ik bedoel niet dat je een bedelaar moet worden, en ik bedoel niet dat je de wereld de rug moet toekeren. Ik bedoel: wees in de wereld, maar wees niet van de wereld. Vergaar niets van binnen, wees arm van geest. Bezit nooit iets – en dan ben je bereid te sterven. Bezitsdrang is het probleem, niet het leven zelf. Hoe meer je bezit, des te banger ben je om het kwijt te raken. Als je niets bezit, als je zuiverheid, je geest niet door iets besmet is, als jij er gewoon bent, alleen, kun je ieder moment verdwijnen; wanneer de dood op de deur klopt vindt hij je klaar om mee te gaan. (35)


Het denken is een kater

Het leven is nieuw, alleen je denken is oud; en als je kijkt via je denken, ziet het leven er ook als een herhaling uit, als iets vervelends. Als je niet via je denken kijkt… Denken wil zeggen je verleden, denken wil zeggen de verzameling van ervaringen, kennis en van alles. Denken wil zeggen datgene wat je hebt meegemaakt, maar waar je nog steeds aan hangt. Het denken is een kater, stof van het verleden dat de spiegel van je bewustzijn bedekt. Wanneer je via de spiegel kijk is alles vervormd. Denken is de mogelijkheid tot vervorming. (37)


De dood die ieder ogenblik komt

Nee, wanneer ik zeg: bereid je voor op de dood, bedoel ik niet de dood die uiteindelijk komt. Ik bedoel de dood die je ieder ogenblik komt opzoeken, iedere keer dat je uitademt. Accepteer dit sterven iedere keer, dan ben je klaar voor de uiteindelijke dood wanneer die komt. (37)


Sterf aan het bekende

Begin ieder ogenblik te sterven aan het verleden. Maak jezelf ieder ogenblik schoon van het verleden. Sterf aan het bekende zodat je beschikbaar wordt voor het onbekende. (37)


Verwarring zaaien

De vraagsteller zegt: ‘Soms lijkt het of u bewust bij ons verwarring wilt zaaien.’
Nee, je hebt niet goed naar mij geluisterd. Ik zaai altijd verwarring, niet alleen soms. Verwarring zaaien is mijn methode. (38)


Losrukken

Wat ik probeer te bereiken door je in verwarring te brengen is je lost te rukken uit je denkpatronen. Ik zou niet graag willen dat je onder het mom van liefde of meditatie of van God patronen in je denken had. Je denken is heel doortrapt. Het kan op alles teren: meditatie, liefde, overal kan het van leven. Zodra ik zie dat je denken van iets leeft, moet ik je onmiddellijk uit dat patroon losrukken. (38)


Alle krukken weg

Mijn hele inspanning hier is een staat van niet-denken in je te creëren. Ik ben hier niet om je van iets te overtuigen. Ik ben hier niet om je een dogma, een geloofsovertuiging te geven om naar te leven. Ik ben hier om alle geloofsovertuigingen van je af te nemen, want alleen dan kan het leven je overkomen. Ik geef je niets om naar te leven. Ik neem je gewoon alle hulpmiddelen af, ik neem alle krukken weg. (38)


Diepe onwetendheid

En niets is een groter obstakel op weg naar God dan de idee God. … Als je God wilt bereiken moet je alle ideeën over God overboord zetten, alle geloofsvoorstellingen van God – hindoe, christelijk, moslim. Je zult volmaakt stil moeten zijn, je niet aan iets vastklampen, niet wetend zijn. In die diepe onwetendheid openbaart God zich aan je, alleen in die diepe onwetendheid. (38)


Totaal vernietigen

Waar ik mij hier voor inspan verschilt totaal van waar jij je voor inspant. Wat jij hier doet staat recht tegenover wat ik hier doe. Ik probeer een diepe onwetendheid in je te scheppen, daarom moet ik je in verwarring brengen. Zodra ik zie dat je bezig bent kennis te vergaren, spring ik daar meteen bovenop en vernietig het. Langzaam maar zeker zult je leren – door dicht bij mij te zijn leer je het gegarandeerd – dat het zinloos is iets te vergaren, want die man laat je niet met rust. Als je je ergens aan vastklampt pakt hij het weer af. Dus wat heeft het voor zin? (39)


Tegenspreken

Zodra ik je dus zie knikken, zodra ik je zie zeggen: ‘Ja, dat is waar’, zodra ik je iets zie vergaren, moet ik er onmiddellijk bovenop springen en het tegenspreken om verwarring bij je te zaaien. (39)


Bouw dat huis niet

Eigenlijk veroorzaak je je verwarring zelf. Bouw dat huis niet, dan kan ik het niet slopen. Als jij het bouwt, ga ik het slopen. Als jij ophoudt met huizen bouwen – huizen van kaarten zijn het – als hij ophoudt met huizen bouwen, als jij zegt: ‘Die man komt het toch weer slopen’, als jij gewoon wacht, luistert en niet de moeite neemt een huis te bouwen om in te wonen, dan kan ik je niet in verwarring brengen. En de dag dat ik je niet meer in verwarring kan brengen, wordt een dag van grote vreugde voor je. (39)


Religieuze titels

Je vraagt waarom ik je die religieuze titels geef, omdat ze je zo absurd voorkomen. Dat zijn ze ook. Mijn eigenlijk bedoeling is je zó belachelijk te maken, zo absurd dat anderen om je lachen en dat jij ook om jezelf kunt lachen. Dat is de hele truc. (44)


Daarom

Waarom is dit leven zo mysterieus? Hoe moet ik dat weten? Het is zo! Het is gewoon een feit. Ik praat niet over theorieën. Ik zeg niet dat dit mijn theorie is dat het leven mysterieus is – dan zou je kunnen vragen waarom. Het is gewoon zo. De bomen zijn groen. Jij vraagt waarom. De bomen zijn groen omdat ze groen zijn. Er is geen waarom.
Als je ‘waarom’ kunt vragen en de vraag beantwoord kan worden, dan zal het leven geen mysterie zijn. (47)


Die ze niet begrijpt

Moella Nasroedin zei eens tegen een van zijn discipelen dat het leven is als een vrouw. Ik was verrast, daarom luisterde ik aandachtig naar wat hij zei.
Hij zei: ‘De man die zegt dat hij vrouwen begrijpt is een opschepper. De man die denkt dat hij ze begrijpt is onnozel … Anderzijds, de man die niet zegt dat hij ze begrijpt, … ze niet eens wil begrijpen – die begrijpt ze!’


Geen probleem

Wanneer we zeggen dat het leven een mysterie is, zeggen we dat het leven geen probleem is. Een probleem kun je oplossen. Een mysterie is iets dan niet ontraadseld kan worden. De onoplosbaarheid ervan is een ingebouwde factor. En het is goed dat het leven niet ontraadseld kan worden, want wat zou je dan doen? Denk daar eens over na. (48)


Nog groter

En inderdaad, het heeft geen begin en geen einde. Hoe kan er een begin zijn aan het leven en een einde aan het leven? Begin wil zeggen dat iets uit het niets kwam, en einde wil zeggen dat er iets was dat in het niets opging. Dat is dan een nog groter mysterie. (48)


Op een maandag

Vierduizend jaar voor Jezus Christus, zeggen ze, is het leven begonnen ergens op een maandag. Natuurlijk moet het op een ochtend zijn geweest. Maar hoe kun je het maandag noemen als er geen zondag aan vooraf ging? En hoe kun je het ochtend noemen als er geen nacht vóór was? (48)


Wat is dit?

Wanneer je vraagt wat dit is, wat vraag je dan eigenlijk? Je zeit een struik en een bloem en je zegt: ‘Wat is dit?’ Iemand zegt ‘een rozenstruik’ en jij denkt dat je het hebt begrepen. Iemand heeft net het woord ‘roos’ uitgesproken en jij denkt dat je het hebt begrepen.
Maar als je de naam niet kent, voel je je wat onzeker. Die onbekende bloem staat oog in oog met je, daagt je uit. Je voelt dat je prestige op het spel staat. Want die onbekende bloem zegt voortdurend: ‘Jij kent mij niet, wat stelt die kennis van jouw voor? Ken je mij zelfs niet?’ (85)


Het onkenbare

Het onkenbare is iets zo onrustigs, het schept zoveel onbehagen. Je ziet iemand; je zegt: ‘Wie is dit?’ Dan zegt iemand dat dit een Chinees is, of een Afrikaan, of een Japanner, en dan heb je rust. … Tot welke godsdienst behoort hij? Hij is boeddhist. Je hebt weer een etiket in handen. Nu weet je iets meer. Tot welke partij behoort hij? Hij is communist. Weer heb je er een paar etiketten bij – en dan denk je dat je die man kent. (85)


Elk klein ding is zo groot

Ik zeg niet dat je de rozenstruik totaal kunt leren kennen. Als je één enkele rozenstruik totaal kunt kennen, dan heb je het hele heelal leren kennen – want aan die ene rozenstruik heeft het hele heelal deel: de zon, de maan, de sterren, het verleden, het heden en de toekomst. Alle tijd en ruimte komen samen in die kleine roos. … Elk klein ding is zo groot. (85)


Geen panacee

Wanneer je bij een echte meester komt, zegt hij dat er geen remedie is, zegt hij dat er geen panacee is. En hij zegt niet dat hij je kalm en gezond zal maken en dit en dat, en dat je dan de wereld in kunt gaan om nog efficiënter achter je ambitie aan te hollen. Nee, hij zegt dat je gestoord bent, verward bent, juist vanwege de ambitie. Laat je ambitie varen. Een echte meester kan je alleen beloven dat hij je ambitie zal afnemen, dat hij je ego zal afnemen. Hij kan alleen beloven dat hij je zal doden. Je bent gekomen om beschermd te worden, je bent gekomen om veiligheid te krijgen, je bent gekomen om steunpunten te vinden – maar een echte meester is iemand die je steunpunten stuk voor stuk van je afneemt. (96)


De pilaar bestaat niet

Het is precies wat Radha zegt: Uw huis heeft geen vloer, geen muren, geen plafond. Daarom blijf ik staan kijken op de veranda en klamp mij vast aan een pilaar. Kijk nog eens goed. De pilaar bestaat niet. Omdat je je wilt vastklampen, geloof je in de pilaar. Kijk nog eens goed. (97)


Beginselloos

Ik ben hier niet om je een discipline op te leggen, ik ben hier niet om je beginselen bij te brengen – ik probeer je hier een beginselloos leven te geven, een spontaan, ongedisciplineerd leven. (98)


Drie soorten dwazen

Laat me jullie uitleggen hoeveel soorten dwazen er zijn. De eerste: iemand die niet weet en niet weet dat hij niet weet. De simpele dwaas. Dan de tweede: iemand die niet weet, maar weet dat hij weet. De complexe dwaas, de geleerde dwaas. En de derde: iemand die weet dat hij niet weet: de gezegende dwaas. (98)


Simpele dwaas

Iedereen wordt geboren als simpele dwaas, dat is de betekenis van het woord ‘simpele ziel’. Ieder kind is een simpele dwaas. Hij weet niet dat hij niet weet. Hij is zich er nog niet van bewust dat de mogelijkheid tot weten bestaat – dat is de christelijke gelijkenis van Adam en Eva. God zei tot hen: ‘Eet niet van de vruchten van de boom der kennis.’ Vóór het incident waarbij zij de vruchten van de boom der kennis aten, waren ze simpele zielen. Ze wisten niets.(98)


Geleerde dwaas

Maar dan doet langzamerhand de kennis haar intrede … Ieder kind moet van de boom der kennis eten … dat is deel van zijn groei. Zo beweegt ieder kind zich van eenvoudige dwaasheid naar complexe dwaasheid. Er zijn verschillende gradaties van complexe dwaasheid – een aantal mensen hebben hun kandidaats, een aantal mensen studeert af, een aantal mensen promoveert, een aantal wordt wetenschappelijk medewerker of doctor – er zijn gradaties. Maar ieder kind moet iets van kennis proeven, want de verleiding om te weten is groot. Iets dat daar onbekend voor je staat wordt gevaarlijk, een gevaar. We moeten het leren kennen, want met kennis kunnen we ermee omgaan. (99)


Gezegende dwaas

Zo moet het eerste type dwaas noodzakelijkerwijs … het tweede type dwaas worden. Maar het het tweede type kan het derde voortkomen of niet, dat is niet noodzakelijk. Het derde type is alleen mogelijk wanneer het tweede type dwaasheid een grote last is geworden – je hebt te veel kennis meegezeuld, je hebt het tot het uiterste gevoerd; je bent alleen hoofd geworden en hebt alle gevoel, alle alertheid, alle leven verloren; je bestat alleen maar uit theorieën, geschriften, dogma’s, woorden, en woorden gonzen rond in je hoofd. Als diegene alert is, moet hij dat op een dag allemaal laten varen. Dan wordt hij het derde type dwaas – de gezegende dwaas. (99)


Als kinderen

Bedenk hoe Jezus zei: ‘In mijn koninkrijk Gods zullen alleen zij welkom zijn die zijn als kinderen.’ Maar besef wel, hij zei als kinderen, hij zei niet kinderen. Kleine kinderen kunnen niet binnenkomen, zij moeten het wereldse leven leren kennen, ze moeten vergiftigd worden in de wereld en dan moeten ze zich schoonmaken. Die ervaring is verplicht. (100)


Zuivere intelligentie

De gezegende dwaas heeft de grootst mogelijke vorm van inzicht omdat hij te weten is gekomen dat kennis zinloos is; hij is erachter gekomen dat alle kennis een obstakel is voor het weten. … Zijn ogen zijn ontdaan van theorieën en gedachten. Zijn denken is geen denken meer; zijn denken is alleen nog intelligentie, zuivere intelligentie. Zijn denken is niet langer volgestopt met rommel, zijn denken is niet langer propvol geleende kennis. (100)


Ik weet het niet

En dan, zegt Tertullianus, is er een ander type kennis die hij ‘wetende kennis’ noemt. Dit is wanneer iemand alle kennis, theorieën laat varen, direct kijkt, het leven beziet zoals het is, er geen ideeën over heeft, de werkelijkheid toelaat zoals die is, de werkelijkheid direct onder ogen ziet, dat wat is tot bloei laat komen. Hij luistert gewoon naar de werkelijkheid, kijkt in de werkelijkheid en zegt: ‘Ik weet het niet.’ (101)


Weer onwetend zijn

… dat is de betekenis van sannyas. Je beslist dat je genoeg hebt van kennis; nu wil je weer onwetend zijn, nu wil je weer een kind zijn, wedergeboren. Ik werk hier als vroedvrouw. Ik kan je helpen dwaas te worden. (101)


Dan komen alle pandits samen

[Jezus werd gedood door mensen met veel kennis.] Socrates werd gedood door mensen met veel kennis; Mansoer werd gedood door andere mensen met veel kennis. Er is altijd een groot conflict ontstaan wanneer het derde type dwaas in de wereld opstaat. Dan komen alle pandits samen; hun hele bedrijfstak loopt gevaar. Die kerel zegt dat alles wat zij weten dwaasheid is. En diep in hun hart weten zij ook at het dwaas is, want ze hebben er niets aan gehad. (102)


Revolutie

Als je begint te leren zul je tot kennis komen. En kennis zal je helpen in te zien dat je helemaal niet weet. Iemand die de werkelijkheid heeft leren kennen wordt zich bewust van zijn onwetendheid – hij weet dat hij niet weet. In dit weten is onwetendheid de mutatie, de transfiguratie, de revolutie. (105)


Hebben

In de wereld van hebben geloof je alleen maar dat je iets hebt, maar in werkelijkheid heb je niets. Je komt alleen op de wereld, met lege handen, en je verlaat haar weer met lege handen. En alles wat er intussen gebeurt is net een droom. Het lijkt waar te zijn – terwijl het er is, lijkt het waar te zijn – maar als het eenmaal verdwenen is begrijp je dat er niets werkelijk gebeurde. (109)


Serieus

Wie kennis heeft is zeer serieus. Wie kennis heeft draagt altijd een serieuze, sombere sfeer om zich heen. Niet alleen draagt hij een serieuze sfeer mee, hij maakt iedereen met wie hij in contact komt serieus. Hij dwingt hun ernst op. Eigenlijk is hij diep van binnen bang dat hij niets weet. Hij kan zich niet ontspannen. Zijn ernst is een spanning. Hij leeft met angst en beven. Hij weet dat hij alleen weet om het weten, hij weet dat zijn kennis allemaal namaak is – daarom kan hij er niet om lachen. (122)


Zelfmoord

Iemand als Boeddha verveelt zich, iemand als Jezus verveelt zich, iemand als Mahavira verveelt zich – ze vervelen zich dood! Alleen maar herhaling overal om hen heen, anders niet. Uit verveling keer je de wereld de rug toe. Iemand die genoeg heeft van de wereld wordt sannyasin. Het zoeken is niet naar een andere wereld, het is naar het eind van het zoeken. Het is zelfmoord, totaal, absoluut. (142)


De ware Bijbel

Mijn hele opzet hier is jou naar de dood te duwen, jou in de afgrond van het onbekende te duwen, jou naar de nul-ervaring te duwen. In India noemen wij dit samadhi. Het is een nul-ervaring – waar jij er in zekere zin bent en in zekere zin niet bent; waar jij leeg bent van alle inhoud, alleen de houder is overgebleven; waar alle schrift uit het boek is verdwenen en alleen het boek over is, leeg. Dat is de ware Bijbel, de ware Veda. (143)


Voetafdrukken vereren

Telkens wanneer er een boeddha op aarde rondloopt, loopt de waarheid enkele ogenblikken rond. Zodra de boeddha weg is, is de waarheid ook verdwenen. Alleen de voetafdrukken zijn over en jij blijft de voetafdrukken vereren. De voetafdrukken zijn niet de Boeddha en de woorden uitgesproken door de Boeddha zijn alleen nog maar woorden. Wanneer jij die herhaalt zijn het alleen nog maar woorden, ze betekenen niets. (144)


Ieder ogenblik afstand doen

Afstand doen is niet voor eens en altijd. Je moet ieder ogenblik afstand doen. Alleen dan blijft afstanddoen een revolutie. En niet alleen moet je afstand doen van de gewone dingen van de wereld, je moet ook afstand doen van gewone ideologieën: joodse, christelijke, hindoe, moslim. Je moet afstand doen van gedachten zodat je in een weerspiegelende staat verkeert, als een spiegel blijft. (146)


Ik weet niet wie ik ben

Om eerlijk tegen je te zijn – en dat ben ik meestal niet – ik weet niet wie ik ben. Kennis is hier niet mogelijk waar ik ben. (177)


Niet-weten is de hoogste staat van weten

En ik zou graag willen dat jullie ook tot deze onschuldige onwetendheid komen, tot deze toestand van niet-weten. Want de staat van niet-weten is de hoogste staat van weten; maar let op, niet van kennis, van weten. En dit weten is inhoudsloos – niet dat je iets weet, er valt niets te weten. Je bent gewoonweg. Ik ben, maar ik weet niet wie ik ben. Alle identiteiten zijn verdwenen. Alleen een geweldige leegte is overgebleven. (177)


Geweldig tevreden

Ik noem het leegte omdat jij vol zit met identiteiten – eigenlijk is het een totale aanwezigheid, niet een afwezigheid. Het is de aanwezigheid van iets dat in de aard der zaak een mysterie is en niet tot kennis kan worden gereduceerd. Ik weet dus niet wie ik ben, maar ik ben geweldig tevreden in dit niet-weten, en eenieder die bij deze deur van niet-weten is gekomen heeft gelachen om alle kennis en de stommiteiten die plaatsvinden in de naam van kennis. (178)


Omdat ik niet ben

Ik weet niet wie ik ben omdat ik niet ben. Wanneer ik zeg ‘ik ben niet’ bedoel ik dat dit ‘ik’ geen relevantie meer heeft. Ik gebruik het woord – het is duidelijk dat ik het moet gebruiken en er is niets tegen het woord – maar het is niet meer van toepassing op mijn innerlijke wereld. Het is nog nuttig om tegen jullie te gebruiken, maar wanneer ik alleen ben, ben ik niet. (178)


Ook het bewustzijn niet

Eerst heb ik jullie verteld dat de inhoud was verdwenen, nu wil ik jullie graag vertellen – want hoe meer jullie bereid zijn en ontvankelijk, hoe meer ik jullie kan vertellen – dat de houder ook verdwenen is. De houder is alleen zinvol met de inhoud – wat heeft de houder zonder inhoud voor zin? De inhoud en de houder zijn er beide niet. (178)


Het laatste spel

Dit is het laatste spel. Na dit spel zijn de spelletjes over, worden er geen spelletjes meer gespeeld. Als je het spel – het meester-discipel spel – eenmaal juist hebt gespeeld kom je langzaam maar zeker tot een punt dat alle spel verdwijnt. Alleen jij bent over – hier bestaat noch meester, noch discipel. Dit is maar een leermiddel. (180)


Geen sleutels en geen sloten

Deze hele wereld is een kosmische grap. Als je hem probeert te begrijpen loop je hem mis… zo hebben filosofen altijd de plank misgeslagen. Ze hebben geprobeerd het op te lossen, ze hebben geprobeerd naar aanwijzingen te zoeken. Er zijn geen aanwijzingen. Het is louter een mysterie. Er zijn geen sleutels en geen sloten. (184)


Een bang denken

In wezen is het denken dat altijd verklaringen zoekt een bang denken. Vanuit een diepe angst wil het dat alles wordt uitgelegd. Het kan nergens in binnengaan voordat het is uitgelegd. Met uitleg krijgt het denken het gevoel dat het terrein nu bekend is, nu kent het de geografische ligging, nu kan het op weg gaan met de kaart, de reisgids en het tijdschema. [Maar] er is geen kaart mogelijk, want het leven verandert voortdurend. (184)


Vraag niet om uitleg

Het leven staat niet stil; het is een dynamisch geheel, het is een proces. Je kunt er geen kaart van hebben. Het laat zich niet meten, het is een onmeetbaar mysterie. Vraag niet om uitleg. Vandaar dat, al geef ik antwoord wanneer jij vragen stelt – want dit is onderdeel van de overeenkomst in dit maffe-en-dwaze spel: jij vraagt en ik geef antwoord – je mijn antwoorden nooit als uitleg moet opvatten. Dat zijn ze niet. Ze zijn gewoon een inleiding op het mysterie, voorwoord tot het mysterie, verleiding tot het mysterie. Ze zijn niet echt antwoorden. (184)


Geen antwoord

Een antwoord is een antwoord wanneer het gewoon op je vraag uitleg geeft en jij het tevreden gevoel hebt dat je nu een stuk informatie hebt dat je nodig had en je vraag er niet meer is. Nu wordt de plaats die de vraag innam, ingenomen door het antwoord. Mijn antwoorden zijn niet dat soort antwoorden. Ze zullen je helpen de vraag te laten vallen, maar ze zullen de vraag niet beantwoorden. En zodra de vraag weggevallen is, zul je merken dat er geen antwoord voor in de plaats is gekomen. Er zal geen antwoord zijn. Mijn stijl van antwoorden is van dien aard dat ik antwoord geef, maar dat ik toch nooit antwoord geef. Ik geef antwoord zodat jij je niet beledigd voelt – je vraag dient gerespecteerd te worden, daarom respecteer ik hem – maar ik kan er geen antwoord op geven omdat het leven geen antwoorden geeft. (185)


Geen gezicht

Geen enkel gezicht behoort jou toe. Alle gezichten zijn onecht. Ooit had je het gezicht van een leeuw, ooit had je het gezicht van een ezel, ooit had je het gezicht van een boom en ooit het gezicht van een rots. Nu heb je het gezicht van een man – of een vrouw – lelijk, mooi, blank, zwart. Maar je hebt geen gezicht. Je werkelijkheid is gezichtloos. En die gezichtloosheid is wat men in Zen het oorspronkelijk gezicht noemt. Het is helemaal geen gezicht. (197)


Stof

Toen je nog niet geboren was, welk gezicht had je toen? Wanneer je sterft, welk gezicht neem je dan mee? Dit gezicht dat je in de spiegel ziet zal dan weggevallen zijn; het verdwijnt in de aarde – stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. Je zult gezichtloos vertrekken net zoals je gezichtloos gekomen bent. (197)


De werkelijke gevangenis

Het is onmogelijk iets te begrijpen dat je eigen standpunt te boven gaat; mensen blijven gevangen in hun eigen standpunten. Dat is de werkelijke gevangenis. (229)


Allemaal barrières

Als je een synthese wilt moet je alle gevangenschappen laten wegvallen, je moet uit je kooien stappen. Het zijn heel subtiele kooien en je hebt ze lang versierd; misschien ben je zelfs wel van ze gaan houden. Je bent misschien helemaal vergeten dat ze gevangenissen zijn; je bent misschien gaan denken dat ze je thuis zijn. Een hindoe denkt dat hindoeïsme zijn thuis is, hij denkt nooit dat het een barrière is. Alle ‘ismen’ zijn barrières. De christen denkt dat christendom de brug is; hij denkt nooit dat het juist het christendom is dat hem niet toestaat Christus te bereiken. (229)


Het enige probleem

Het enige probleem met verdriet, wanhoop, woede, radeloosheid, angst, smart, lijden, is dat je er vanaf wilt. Dat is de enige hindernis. Je zult ermee moeten leven. Je kunt er niet voor weglopen. (232)


Inclusief Osho

Nadat je zo lang naar mij hebt geluisterd wil je mij zeggen dat je nog in Osho gelooft? Ik probeer je hier al je krukken af te nemen, al je geloofsovertuigingen, inclusief Osho. (237)


Net alsof

Eerst doe ik net of ik je help… want dat is de enige taal die je begrijpt! Dan trek ik mij langzaam maar zeker terug. Eerst haal ik je uit je andere wensen en help je om heel gepassioneerd naar nirvana, bevrijding, waarheid te verlangen. En wanneer ik zie dan nu alle wensen zijn verdwenen, er nog maar één wens over is, begin ik op die ene wens te hameren en zeg ik: ‘Laat die vallen, want die is de enige hinderpaal.’ (237)


De laatste nachtmerrie

Nirvana is de laatste nachtmerrie. Je kunt niet terug, want als je die zinloze dromen eenmaal hebt laten varen, kun je er niet meer naar terug. Als je ze eenmaal hebt losgelaten, verliezen ze hun charme, hun mysterie. Je kunt nu niet meer geloven dat je ze zo lang met je meedroeg. Het lijkt allemaal zo belachelijk dat je niet meer terug kunt. En dan ga ik je laatste wens wegnemen. Als de laatste wens eenmaal is verdwenen, ben je verlicht. (237)


Geen vergissing mogelijk

Vergissingen worden heel, heel belangrijk wanneer je iets serieus neemt. Wanneer je het als serieus werk doet, dan worden vergissingen heel belangrijk. Maar ik doe het helemaal niet serieus. Het is een lach, het is een dans, het is een spel voor mij. Ik heb er plezier in. En ik heb er geen plan voor, geen eerbied voor. Hoe kan ik dan een vergissing maken? Je kunt een vergissing maken als je een plan hebt – dan weet je waar je het verkeerd hebt gedaan. (238)


Precies goed

Ik heb geen schema bij me. Ik heb geen blauwdruk. Ik doe gewoon steeds wat er op het ogenblik gebeurt. Wat er ook gebeurt, is dus precies goed, want er is geen manier om het te beoordelen, er is geen criterium, er is geen toetssteen. Dat is het mooie ervan. En dat is vrijheid. (238)


Rebellie

Religie wordt nooit officieel; zodra religie officieel wordt, is het in feite geen religie meer, dan wordt het een kerk. … Religie is een vorm van rebellie. (239)


Zuiver spel

Ik ben hier niet om je te helpen. Misschien ben jij hier om geholpen te worden, maar ik niet. Ik geniet gewoon van mijn eigen spel. Ik speel mijn spel. En jij hebt er meer aan als je jouw idee van hulp en werk en Christus en avatara’s laat vallen. Je bent meer geholpen als je alle begrippen van hulp loslaat. Wees gewoon bij mij. Maak er geen handeltje van. Laat het zuiver spel zijn. (239)


Geen risico

Er is geen risico en er is geen kans op falen – want er is ook geen kans op succes. Ik kan niet slagen, hoe kan ik dan falen? De hele terminologie van succes, falen, profijt, verlies, is absurd, irrelevant. (240)


Rekensom

Alles wat je doet is absoluut juist – niet dat het aan een criterium van juistheid voldoet, er is gewoon geen criterium voor wat juist is. Daarom kan met de chassieds zijn, kan ik met de soefi’s zijn, kan ik met de tantrika’s zijn, kan ik met de yogi’s zijn. Dat is heel moeilijk voor zogenaamd religieuze mensen: als ze met Mahavira zijn, hoe kunnen ze dan met Mohammed zijn? Onmogelijk. Als de ene gelijk heeft, zit de ander fout. Als ze met Krishna zijn, hoe kunnen ze met Christus zijn? Als de een gelijk heeft, is de ander fout. Hun rekensom is duidelijk: er kan er maar één gelijk hebben. Wat mij aangaat is er geen criterium. (240)


Jouw idee

Zelfs als ik volgens jou fouten maak… Misschien heb je soms het gevoel dat ik een vergissing maak. Dat is dan jouw idee, omdat jij een criterium in je meedraagt. (241)


Mijn zaak niet

Naar wie je ook toegaat, iedereen heeft criteria en hij kijkt door dat raamwerk om te zien of ik pas of niet. Maar ik ben hier niet om aan jullie verwachtingen te voldoen. Ik heb altijd gelijk, want ik draag geen criteria mee. Het is onmogelijk. Je kunt zelfs geen tegenstrijdigheden in mij ontdekken, want alles wat ik tot op dit moment heb gezegd is niet relevant! Het kan mij geen zier schelen. Nu is de beurt aan stomme geleerden, voor mij is het over! Op het moment dat ik iets zeg, geniet ik ervan het te zeggen – dat is alles. Verder is het mijn zaak niet. (241)


uit Als de schoen past: de essentie van tao, Osho, Amsterdam 2008


Ken jezelf niet

Een mens die volmaakt in tao leeft kent zichzelf niet […]. (35)


Mysterie, geen raadsel

En schep geen idealen, anders schep je conflicten en veroordeling en vluchten en vechten – en wordt je hele leven een raadsel. Het leven is een mysterie, geen raadsel. Je moet het niet oplossen maar leven. (108)


Je weet dat je niemand bent

Als iemand op je tenen trapt begint de strijd. Waarom ben je zo happig? Omdat je innerlijk verontrust bent, je weet dat je niemand bent. Dus als iemand op je tenen trapt, zeg je meteen: ‘Weet je wel wie ik ben? ‘ Je weet het zelf niet eens. (131)


Ondoorgrondelijk

En tao zegt dat als niemand je kan doorgronden – je bent zo gewoon dat niemand weet wat hij aan je heeft, niemand weet hoe hij gebruik van je kan maken, je bent niet te gebruiken, je bent zo gewoon, zo zonder enig talent – dan, zegt tao, onthult het ware mysterie zich via jou. Dan word je een waar mysterie. (178)


Geen algemene regels

Ieder individu is een wereld op zichzelf, daar kun je geen algemene regels voor opstellen. Algemene regels gaan nooit op. (184)


Onder de blote hemel

Een ware meester geeft je geen raam waardoor je naar de waarheid kunt kijken. Hij brengt je onder de blote hemel. (185)


Mysterieus worden

Het [leven] is geen raadsel maar een mysterie. Een raadsel is iets dat je kunt oplossen, een mysterie is iets dat nooit kan worden opgelost. Een mysterie is iets waarmee je één kunt worden. Je kunt erin opgaan, je kunt ermee versmelten – je kunt zelf mysterieus worden. (216)


Leerstellingen

Dat is het verschil tussen filosofie en religie. Filosofen beschouwen het leven als een raadsel dat je moet oplossen, waarvoor je een verklaring moet vinden, theorieën, leerstellingen. Filosofen denken dat er een antwoord bestaat […]. (216)


Geen filosoof

De mind zegt: ‘Zelfs antifilosofie is filosofie, zelfs Tswang Tse is een filosoof.’ Daarmee is de kous af, en verdiep je je weer in je interpretaties. Maar je moet goed beseffen dat Tswang Tse geen filosoof is – en ik evenmin. (221)


Kom uit die trip

Je kunt moeilijk iemand vinden die geen filosoof is. Sommige zijn goede filosofen, andere slechte, maar iedereen is een filosoof. De een is logischer, de ander minder logisch, maar iedereen is een filosoof. Kom uit die trip – die filosofische trip. (244)


Onzekerheid

Onzekerheid is de aard van tao. Schep geen zekerheden, anders verbreek je je band met de natuur, met tao. En hoe zekerder je bent, des te verder sta je er vanaf. Ga het onbekende in, en laat het onbekende zijn loop hebben. (332)


Zeker in de armen van het leven zelf

Het leven is onzeker, en als je in onzekerheid kunt leven, is dat de enige zekerheid die mogelijk is. Iemand die in onzekerheid kan leven is gelukkig, want hij is de enige die zeker is, zeker in de armen van het leven zelf. (334)


uit Op de Zenweg: de paradox beleven, Amsterdam 2004:


Water halen!

Een groot zenmeester, Bokoju zei altijd: ‘Wat een wonder is dit! Wat een mysterie! Ik ga hout sprokkelen, ik ga water halen.’ (15)


Leven

Het mysterie van het leven moet niet opgelost worden omdat je het niet op kunt lossen. Je moet het leven. (30)


Nihilisme

Alles wat iemand als Jezus of Boeddha of Bodhidharma probeert is niets anders dan ongedaan maken wat de samenleving jou aangedaan heeft. Dit zijn de meest asociale mensen ter wereld. Ze maken alles kapot wat de samenleving om je heen geschapen heeft. Ze maken alle hekken om je heen kapot, alle verdedigingsmechanismen om je heen, alle muren om je heen. Ze blijven maar kapotmaken. Het zijn grote nihilisten, ze maken gewoon kapot. (51)


Terugkeer van het wonder

Zo gauw je denkt dat je het weet, komt het wonder niet meer tevoorschijn. Zodra je weer minder slim begint te worden, komt het wonder terug, begint het je te doordringen. (59)


Intieme vreemden

Omdat we allemaal mysteries zijn, bestaat er geen enkele manier om elkaar te leren kennen. En elk moment hoort het onvoorspelbare tot de mogelijkheden.


Een vreemdeling baren

Ja, misschien heb je wel een kind gebaard. Het kind heeft negen maanden in je buik gezeten, maar je kent het niet. Als het kind komt is het net zo onvoorspelbaar als dat van ieder ander. Denk nooit ook maar een ogenblik dat je iemand kent. We zijn vreemden.
Dat geldt ook voor dit hele bestaan. […] Kijk nog eens rond en je zult verbaasd staan te kijken. Kennen doe je nooit. Kennis gebeurt niet. Kennis is gewoon je reinste onwetendheid. Het leven blijft mysterieus. (61)


Onzin

Chinese en Japanse zenmensen, als je het met hen hebt over de grote boeddhistische geschriften, zeggen: ‘Verbrand ze onmiddellijk. Alle abstracte theorieën zijn onzin.’ (69)


Weg met zen

Zen is de enige religie die in staat is om geschriften te verbranden, de enige religie die in staat is om alle idolen te vernietigen, en ook alle ideeën. (69)


Ongedefinieerd

Zegt Lao Tse: ‘Het lijkt wel of iedereen zo zeker van zichzelf is behalve ik. Het lijkt wel of iedereen zo goed gedefinieerd is behalve ik. Ik blijf heel ongedefinieerd, ik blijf in een soort van tweeslachtigheid. Ik weet niet precies waar ik ben of wat ik ben of wat ik niet ben. Ik weet niet hoe ik het zelf en de ander moet definiëren. Ik weet niet waar je ik en gij van elkaar kunt scheiden. (88)


Ontleren

Zen is een soort ontleren. Zen is een soort afleren. Hij leert je hoe je iets moet loslaten wat je geleerd hebt, hoe je weer onvaardig moet worden, hoe je weer kind moet worden, hoe je weer zonder denken moet beginnen te bestaan, hoe je hier moet zijn zonder ergens aan te denken. (171)


Uitgeput

Op een dag, als het denken niets meer te zeggen heeft, als het van pure uitputting is opgehouden te werken, als het al zijn expertise, al zijn efficiëntie is kwijtgeraakt, als al zijn intelligentie zinloos is gebleken, verdwijnt het. (179)


Tot het gaatje gaan

Als je nog iets hebt om over na te denken, is het niet werkelijk het einde. Als je van mening bent dat er nog steeds ergens over na valt te denken, is dit niet werkelijk het einde. Het denken gaat niet weg. Je kunt het niet met opzet doen. Je kunt niet zeggen: ‘Goed, als je nergens over na kunt denken, zet ik mijn denken opzij en probeer ik te zien.’ Het lukt je niet niet. Het denken is er. Dit doet het denken zelf, en alles wat door het denken gebeurt, versterkt het denken. Als je nog steeds iets hebt om over na te denken, als je het gevoel hebt dat het denken nog steeds een antwoord kan leveren, als er ook maar het geringste vertrouwen in het denken overblijft, dan is het niet werkelijk het einde. (180)


Uitgedacht

Als je niet verder kunt boren, ben je aan het eind gekomen. Als je niet verder kunt denken, ben je aan het eind gekomen. Dan is er geen woord, geen gedachte, geen beeld, niets. Alleen het niets. Je bent bij het einde van het denken gekomen, of zeg maar het einde van de wereld. (181)


Geen-god, geen-Boeddha, geen-Christus…

Maar als je God of Boeddha of Christus of iets dergelijks vindt, is dit niet werkelijk het einde, denk daaraan. Als je tot dit punt komt en je ziet plotseling ‘Christus die vóór je staat’ en zijn medegevoel en liefde over je uitstort, is dit niet werkelijk het einde. Je denken neemt je voor de laatste keer in de maling. Of als je Krishna tegenkomt die een prachtig lied speelt op zijn fluit… Dit is de laatste poging van het denken om je te lokken, om je af te leiden. Of als je God tegenkomt die op een gouden troon zit met overal engelen om zich heen, dan ben je het misgelopen. Dit is nog niet echt het einde. Dit is opnieuw de projectie van je gedachten (183)


Geen waarheid

Een andere zenmeester, Hsuan Chien zegt: ‘Hier waar ik sta is er geen waarheid om jou te vertellen.’ […] Hij laat niet toe dat iets zich vestigt. Hij laat zelfs van binnen geen Boeddha toe. Hij wil het zelfs niet over de waarheid hebben. Hij zegt: ‘Waar ik sta is er geen waarheid om aan jou te geven. Wij halen alles weg.’ En als er niets meer over is, is dat de waarheid. (187/8)


Achterlaten

En dat is ook wat ik doe. Hier waar ik sta ook, ik geef jullie geen enkele waarheid. Ik neem alleen leugens van jullie af, leugens die jullie door de eeuwen heen hebben verzameld, verkeerde opvattingen, absurde ideeën. Ik neem ze beetje bij beetje weg. Ik neem alleen dingen van jullie af, ik geef jullie niets. Als jullie alles achtergelaten hebben en jullie je nergens aan vastklampen, is ze er plotseling. (188)


Kwijtgeraakt

Toen Boeddha het bereikte, vroeg iemand aan hem: ‘Wat heeft u bereikt?’ Hij lachte. Hij zei: ‘Niets, helemaal niets. Ik ben feitelijk iets kwijtgeraakt, ik heb niets bereikt.’ (204)


Geen-ontdekking

Verlichting is ontdekken dat er niets te ontdekken valt. Verlichting is te weten komen dat er niets is om heen te gaan. (208)


Geen-hoop

Steeds weer rijst er hoop. Verlichting treedt in als alle hoop verdwijnt. Verlichting is het verdwijnen van hoop.
[Dat] is niet iets negatiefs. Er komt geen hoop meer omhoog, er worden geen verlangens meer gecreëerd. De toekomst verdwijnt. Er is geen toekomst nodig, als er geen verlangen is. (208/9)


Stralend

Verlichting is een proces van afleren. Ze is volkomen onwetendheid. Maar die onwetendheid is erg stralend, en jouw kennis is erg dof. (212)


Bhagwan geciteerd door Deva Amrito in het boek Bhagwan, notities van een discipel, Ankh-Hermes, Deventer 1980:


Pelgrimage zonder einde

Er zal angst zijn, ga ondanks die angst het onbekende tegemoet. Laat die angst er gewoon zijn en ga er toch binnen. Alleen door het onbekende werkelijk binnen te gaan zal de angst verdwijnen omdat je dan zult ontdekken dat er niets is om bang voor te zijn. En als je eenmaal verrukt bent om het onbekende is er aan deze pelgrimage geen einde. Het is een eeuwige reis die nooit eindigt. Ze gaat altijd weer door. Onuitputtelijk. (114)


Osho geciteerd door Jan Foudraine in De man die uit zijn hersenen zakte; vingerwijzingen van een mysticus, Jan Foudraine, Ambo, Amsterdam 1998:


Al die onzin

Lao Tzu’s grootste discipel was Chuang Tzu. Hij was op het pad naar de Waarheid. Hij bracht iedere dag verslag uit van zijn ervaringen – het verrijzen van spirituele fenomenen, ervaringen van licht, bloeiende lotussen – maar Lao Tzu besteedde nooit enige aandacht aan wat hij zei. Het enigde dat hij van Lao Tzu’s gezicht af kon lezen was: “Verknoei mijn tijd niet, ga weg en begin opnieuw met meditatie.”
Maar op een dag kwam Chuang Tzu niet opdagen – hij kwam meestal vroeg in de ochtend. Lao Tzu wachtte op hem. De zon ging onder, en hij navraag: “Waar is Chuang Tzu?”
Men zei: “Hij zit onder een boom. Vanaf de vroege ochtend heeft hij daar gezeten.” Lao Tzu zei: “Het schijnt dat ik naar hem toe moet gaan om eens te zien wat er gaande is. Iets gebeurt er zéker, en wel voor de eerste keer.”
En hij ging, schudde het lichaam van Chuang Tzu door elkaar en zei: “Aha! Maar hou je mond erover. Nu is het niet meer nodig iedere dag te komen om me al die onzin te beschrijven.”
En Chuang Tzu viel met tranen van vreugde neer aan de voeten van Lao Tzu en zei: “Uw mededogen is groot. Hoeveel jaren heb ik u gekweld? En uw mededogen was zo groot, u zei nooit iets. U zei gewoon: ‘Ga door.’ U ontkende nooit. Vandaag bent u gekomen om me alleen maar te zeggen: ‘Aha!’ Er kan niets meer gezegd worden.”‘ (256)


Jan Foudraine in datzelfde boek:


Een volmaakt mysterie

Zoals hij [Osho] rondliep en in hoog tempo in de universiteitsbibliotheek alle filosofen bestudeerde, ’s avonds naar huis ging, praktisch droomloos sliep – het lichaam sliep maar hij bleef wakker -, zoals hij opstond en met verbazing constateerde dat alles weer nieuw en fris was, was alles nu ook een volmaakt mysterie. Niets kwam hem op de vroegere wijze ‘bekend’ voor. Of liever – het was voldoende ‘bekend’ om zijn weg door de wereld te vinden. Maar veel overweldigender was de kwaliteit van het volmaakt ‘on-kenbare’ van alles. Hij liep rond in een staat van fundamenteel niet-weten. Als hij bij de groenteman appels zal liggen kwam het woord ‘appel’ helemaal niet bij hem op, laat staan ‘goudreinet’. De namen, de benoemingen waren van alle objecten afgestroopt. Tegelijkertijd kon je in de winkel met geen mogelijkheid zeggen: ‘Wilt u me een kilo van de mysterie daar geven?’ (17)


Een vreemd land

Een ander punt dat nog duidelijk moet worden gemaakt, is dat alle mensen altijd vreemdelingen voor elkaar zullen zijn. In feite, zo wordt de vraagsteller voorgehouden [door Osho], ken je je echtgenoot, je vrouw, je kinderen niet. Dit hele leven is in feite een vreemd land en we komen daar vanuit een onbekende bron. (111)


Divine ignorance

Vergaren van kennis heeft mijn vocabulaire in de loop der jaren zeker uitgebreid, maar een kenniswoordenschat kan een mens hypnotiseren. Het kan de illusie voortoveren dat men iets weet in de zin van een realisatie-weten. Alle gelovigen en schriftgeleerden leven in die illusie. Ultieme realisatie is de transcendentie van alle kennis. Het is een staat van niet-weten. We weten altijd over. Dit knowing-about, dit mechanisme van weten-over is de werkzaamheid van de geest (mind), die met een spuitbus van woorden, benoemingen, namen, alles-wat-is bedekt. Al deze kennis heeft het grote gevaar dat het een mens in de verleiding brengt te menen dat hij wat weet. Als het gordijn van woorden, kennis dus, wordt weggetrokken, is er de realisatie van een goddelijk niet-weten (‘Divine Ignorance’) die de hoogste wijsheid is. (192)


De berg der onwetendheid

Veel mensen zijn al geheel in hun lichaam gezakt, meer dan ooit in de voorafgaande duizenden jaren mogelijk is gebleken en die mensen zijn nooit meer ongelukkig en zitten vrolijk lachend op wat ze de ‘top van de berg der onwetendheid’ noemen hun niet-iets-zijn te celebreren. (44)


Sterven aan het bekende

Verlichting is een sterven aan het bekende. (267)


Een nieuwe bibliotheek

Als een mens op een dag aangezegd krijgt dat hij niets is, niets in de zin van niet-iets en daarmee alles, dat hij altijd niets en daarmee alles is geweest en altijd zal blijven, kan die aanzegging onmiddellijk deel worden van het herinneringsreservoir. Het wordt dan een vorm van kennis. De boodschap wordt tot informatie, opgeslagen in de hersenen en daarmee wordt het opnieuw iets. Men kan dat kennisreservoir, uitwendig gemanifesteerd in een omvangrijke bibliotheek vol psychiatrische en filosofische werken, wel met een ruk van de hand doen – een geste die ogenschijnlijke enige onschuld verraadt – maar spoedig is er weer een nieuwe bibliotheek ontstaan, minder omvangrijk, maar toch… Daar staan dan weer alle boeken met uitspraken van mensen die hun niets-zijn ten volle hebben gerealiseerd, uit mededogen hun mond niet hebben kunnen houden en alles wat ze zeggen, kan dan toch weer tot informatie degenereren en vergroot zo de vergaarbak van kennis. En kennis is nu juist het probleem (269,270)


Donkere wolken

‘Kennis is de vloek, de ramp die de mensheid is overkomen,’ hoorde ik de man die uit zijn hersenen was gezakt eens zeggen. Zo kan ook alle luisteren en lezen rampzalige gevolgen hebben, vooral als die activiteiten tot de vorming van kennis aanleiding geven en daarmee tot het celebreren van een nieuwe conceptenrijkdom. Al die concepten zijn evenzovele ‘ietsen’. Het zijn woorden en die woorden, concepten, ideeën, kortom kennisvormen zijn als duizenden kleine donkere wolkjes die de blauwe hemel van het niets-en-alles-zijn geheel onzichtbaar maken. Ze zijn als duizenden, met een fijne viltstift gezette zwarte puntjes op een groot vel wit papier, met als gevolg dat er geen wit meer te zien valt. (270)


Niets

Zo dwarrelen wellicht door uw hersenen woorden als Verlichting, al-één-zijn, Nirwana, no-mind, no no-mind, de leegte van de geest en wat al niet, een nieuwe conceptenregen die werd opgezogen en verzameld door hersenen die in de manipulatie met woorden gespecialiseerd zijn. In sommige van mijn bijdragen tot dit boek heb ik deze conceptenregen ook weer op u laten neerdalen, allemaal woorden, alles duisternis, een ramp die u en mij heeft getroffen. Daarbij – wij zijn bang al die steunpunten, al die oriëntatie via kennis dus geheel te verliezen, want wat zijn wij dan? Precies – dan zijn we niets. (270)