Oude Cheng

‘Ik, oude Cheng, doe niemand na, ik belijd geen enkel geloof, ik volg geen enkele school en ben niemands volgeling.’ Integrale tekst van De Woorden van de Oude Cheng, met een inleiding over de oorspronkelijke geest en de weetnietgeest.

Inleiding en redactie Hans van Dam, illustratie Lucienne van Dam.

Dwaalgids > Zen > Oude Cheng

Tips: De Linji-lu, De Poortloze Poort


Inleiding: Geest of spook?

Het sleutelwoord in de iconoclastische tekst De woorden van de oude Cheng, is de Oorspronkelijke Geest.

Ik heb moeite met die term, en met alle termen die suggereren dat er een of ander dit of dat zou zijn dat weliswaar voorbij de woorden is maar niettemin benoemd en bereikt of gerealiseerd of ingezien of aangevoeld of doorleefd of geleefd of gedaan of gelaten kan worden – zoals de geest, geen-geest, het zelf, niet-zelf, de ziel, het hart, de weg, de waarheid, het leven, het hoogste, het overstijgende, het absolute, het numineuze, het onnoemelijke, de bron, het zijn, de essentie, het heden, de eeuwigheid, bewustzijn, stilte, leegte, openheid, liefde, het ene, god, de menigvuldigheid, Brahman, Atman, Anatman, Boeddhanatuur, Dao, de non-dualiteit, nirwana, gene zijde et cetera.

Daarom heb ik ervoor gekozen de Oorspronkelijke Geest in de woorden van de oude Cheng te vervangen door de weetnietgeest (met kleine letters).
Of ik hiermee in de oorspronkelijke geest van de oude Cheng handel is niet meer na te gaan, maar dat ik hiermee in de oorspronkelijke geest van Hans van Dam handel staat buiten kijf.
Dat maakt onderstaande versie van De woorden van de oude Cheng dus een soort koekoekstekst.

Het begrip weetnietgeest heb ik niet zelf bedacht.
Joost mag weten wie het wel bedacht heeft.
Het is in de tweede helft van de vorige eeuw mede onder invloed van de Koreaanse zenmeester Seung Sahn vooral in Amerika populair geworden als de don’t-know mind.

De weetnietgeest is natuurlijk geen haar beter dan al die andere begrippen.
Ik had liever gewoon niet weten gezegd.
Dat is nog steeds geen haar beter dan al die andere begrippen, al is het dan een alledaags en pretentieloos werkwoord.
Helaas is een werkwoord geen zelfstandig naamwoord, waardoor ik de oorspronkelijke tekst nog meer geweld zou moeten aandoen om het grammaticaal allemaal weer kloppend te krijgen.

Laat ik ermee volstaan te zeggen dat ik met de weetnietgeest niet verwijs naar een of andere geest of ziel of goddelijke instantie of faculteit of totaliteit of plaats of weg of activiteit of proces of grond of ongrond of gemoedstoestand of staat of transformatie of ervaring of houding of manier van doen of levenskunst of bewustzijnstoestand of identiteit of hogere werkelijkheid of wijsheidsorgaan of inzicht of eenwording of einde of welke hypostase of reïficatie dan ook.
Met de weetnietgeest bedoel ik alleen maar dat ik het, als het erop aankomt, allemaal niet weet.
Maar dan ook helemaal niet.
Zelfs niet of ik het allemaal niet weet.
Zelfs niet dat er niets te weten valt.
Zelfs niet of er wel een ik is die het allemaal al dan niet zou weten.
Of een wereld.
Laat staan wat de relatie tussen die twee is.
Enzovoort.
Ik bedoel ermee dat ik het weten voorbij bent.
Het niet-weten voorbij.
Het weten-en-niet-weten voorbij.
Het weten-noch-niet-weten voorbij.
Het wetend niet-weten voorbij.
Het voorbij zijn voorbij.
Ik roep maar wat, in de hoop dat je aan kunt voelen wat ik nou eenmaal niet kan zeggen omdat ieder zeggen onvermijdelijk een weten uitdrukt.

Afijn.
Voor mij opent de tekst van de oude Cheng haar poortloze poort zodra ik in plaats van de Oorspronkelijke Geest, de weetnietgeest lees, maar voor jou gaat of blijft hij dan misschien juist wel dicht.
Geeft niks.
Vervang ‘weetnietgeest’ door je eigen favoriete term of klop gewoon ergens anders aan.
Of klop gewoon nergens anders aan.
Nergens aankloppen, dát is de ware weetnietgeest.
Is dat de ware weetnietgeest?


Bron


1

“De oude Cheng grijpt niet in om tegemoet te komen aan de verlangens van een enkeling om gebeurtenissen in stand te houden of de loop der gebeurtenissen te veranderen. De oude tradities hoeven niet bewaakt te worden en er is ook geen revolutie nodig, maar alleen wat nu, op dit ogenblik voor de hand ligt.

Kaalgeschoren schedels, als ik me op een ongebruikelijke manier tot jullie richt, dan gebeurt dat in de hoop dat jullie eindelijk de moed zullen opbrengen de weetnietgeest rechtstreeks in jezelf te zien, in plaats van die steeds weer te zoeken aan de hand van grappenmakers die al eeuwen dood zijn of door steeds weer met malle oude kerels te praten zoals ik.

Mijn methode is jullie door elkaar te schudden als een struik in de bergwind. Zo breek ik al jullie steunpunten aan stukken. En daar sta je dan, helemaal de kluts kwijt, met niets meer om je aan vast te klampen. Maar doordat ik al jullie kleinzielige zekerheidjes ontkracht, raak je in paniek en om jezelf dan weer gerust te stellen, zeggen jullie dat ik zondig tegen de traditie en tegen het goede fatsoen en dat ik een lelijke heiligschenner ben.

Zo kunnen jullie je dan toch nog wanhopig vastklampen aan de uiterlijke schijn en aan dingen die bedoeld zijn als hulpmiddel in plaats van ze te laten gaan zonder iets te willen achterhouden. Omdat mijn woorden geen weerklank bij jullie vinden, heb ik jullie een rad voor de ogen gedraaid door je te vertellen dat ze afkomstig zijn van een of andere oude schelm die al eeuwen dood is.
Maar ook dat heeft je niet geholpen te begrijpen dat deze woorden direct, hier en nu, voor jullie gelden. Integendeel, jullie behandelen ze nu als een museumstuk dat bewaard en vereerd moet worden. Kaalgeschoren schedels, door je aan futiliteiten vast te klampen, vergooien jullie je leven, en de evidente tegenwoordigheid van de weetnietgeest ontgaat je. Wat een mislukking!
Kaalgeschoren schedels, de weetnietgeest verschijnt niet bij het verdwijnen van de slaap en verdwijnt niet als die je overmeestert. De weetnietgeest is niets en hangt op geen enkele manier af van dingen die veranderen of verdwijnen.

Als de weetnietgeest echt het enige was wat jullie interesseerde, zouden jullie alles wat verandert en sterft op precies dezelfde manier zien als de wervelingen van de dansers met de rode zijden banieren. En het enige waar jullie je nog aan vast zouden houden, zou het ononderbroken zoeken zijn naar dat in je wat niet verandert en niet sterft. Als je het eenmaal gevonden hebt, zou geen van de duizend werelden ook maar een ogenblik in staat zijn je ervan te scheiden.

Jullie denken dat je op zoek bent naar de weetnietgeest , maar in feite zoeken jullie naar een toestand van voldoening en naar bevrediging van kennis en aanzien. En daarom, arme kaalkoppen, zijn jullie totaal betoverd door alles wat verandert en sterft, in je en buiten je. Daarom gaan de woorden van de oude Cheng dwars door jullie heen zonder een spoor achter te laten, zoals vogels geen spoor nalaten in de lucht.

Kaalgeschoren schedels, alles wat jullie over de weetnietgeest denken en zeggen, is alleen maar gekakel van jullie persoonlijke kleine geest. Maar jullie tonen geen enkele respons op wat je spontaan door de natuur wordt aangeboden, tenzij je het eerst geïnterpreteerd hebt volgens meningen van anderen die je boven jezelf hebt geplaatst. Hoe kun je hopen, zolang je net zo kunstmatig blijft als de draken die voor de festiviteiten worden gemaakt, ooit de weetnietgeest in zijn spontaniteit te zien?

Toen ik jong was, heb ik het land in alle richtingen doorkruist, terwijl ik me bezondigde aan allerlei studies en oefeningen. Ik bezocht allerlei verdwaalden die zich inbeeldden dat ze verlicht waren en niets anders deden dan anderen misleiden.

Toen heb ik hem ontmoet die het mij mogelijk maakte te ontdekken dat ik mijzelf had omhuld met een dikke modderkorst die nergens toe diende. Daardoor werd de juiste richting mij duidelijk en hield ik mij alleen nog maar bezig met de weetnietgeest.

En op een dag is alles in elkaar gestort in het Ontwaken.

Ik, oude Cheng, doe niemand na, ik belijd geen enkel geloof, ik volg geen enkele school en ben niemands volgeling. In mijn wezenlijke natuur weet ik niets, heb ik niets en ben ik niets, want daar bestaat geen oude Cheng. Wat ik jullie hier zeg, komt niet voort uit dingen die ik geleerd heb. En wat het dagelijkse betreft, daar vloeien de dingen waaraan ik deelneem vanzelf uit elkaar voort. Zelfs met de weetnietgeest bemoei ik me niet meer.

Kaalgeschoren schedels, ik heb niets voor jullie verborgen gehouden. Wat voor belang hebben jullie hier eigenlijk bij? Niets dan gekakel!”

En de oude Cheng verliet het vertrek.


2

“De weetnietgeest is altijd tegenwoordig geweest, vlak voor je ogen. Je hoeft niets te verwerven om hem te kunnen zien, want je hebt elk ogenblik alles tot je beschikking wat daarvoor nodig is. Als jullie er toch niet toe in staat zijn, komt dat door je onophoudelijke gekwebbel met jezelf en met anderen.

Jullie brengen je tijd en leven door met veronderstellen, vergelijken, berekenen, commentaar leveren, argumenteren, verklaren, rechtvaardigen en citeren van wat jullie kleine hersentjes hebben onthouden of dachten te begrijpen van de geschriften en van de woorden van oude ratels zoals ik. Bij voorkeur gebruiken jullie de woorden van degenen aan wie men, toen ze eenmaal veilig dood waren, zo’n gezag heeft toegekend dat hun woorden daarna nooit meer in twijfel getrokken konden worden. Hoe willen jullie onder zulke omstandigheden de weetnietgeest in als zijn onmiddellijkheid kunnen zien?

Kaalgeschoren schedels, omdat jullie zo opgewonden zijn als apen, besteden jullie je tijd aan futiliteiten. Jullie leven stroomt weg als modderwater. Er is voor jullie geen uitweg. Zeggen dat de weetnietgeest niet louter niets is, maar ook niet als een iets bestaat … wat een gewauwel. Denken over de weetnietgeest… wat een vergif. Opgeven van de gedachte en denken aan de afwezigheid van deze gedachte … nog meer vergif. Kaalgeschoren schedels, jullie zijn voortdurend aan het zoeken met jullie gedachten en zo doe je niets anders dan gedachten voortbrengen. Denken dat de weetnietgeest kan worden begrepen door middel van gedachten, is jullie ondergang.

Wierook branden, soetra’s reciteren, je tijd doorbrengen met je ter aarde buigen, opletten of je wel helemaal stilzit, je op een gedachte of juist het uitbannen van die gedachte concentreren, kijk, dat is jullie dwaling. Jullie menen te kunnen ingrijpen en daardoor doe je niets anders dan steeds weer activiteiten produceren. Je leeft in de illusie dat je de weetnietgeest kunt zien door middel van (juist) handelen.

En nog iets. Het vereren van de Boeddha roept het kwaad (van de gehechtheid) op, en het verwerpen van de Boeddha roept het kwaad (van profaniteit) op. En zo, kaalkoppen, zijn jullie steeds bezig met het tot uitdrukking brengen van gevoelens, waardoor alleen maar meer gevoelens worden voortgebracht. Jullie menen dat je de weetnietgeest kunt zien door middel van gevoelens. Wat een vergissing!

Kaalgeschoren schedels, jullie zijn ervan overtuigd dat je zo ooit de weetnietgeest te zien zult krijgen. Maar op die manier pak je alleen jezelf bij de staart, en niets anders. Nooit, hoor het goed, nooit zul je op die manier de weetnietgeest te zien krijgen. Maar jullie luisteren niet naar mij. Je blijft liever doof. Jullie zien de weetnietgeest niet omdat je liever blind blijft. Jullie zijn niet meer te redden.

Als je de gedachten van anderen beschouwt als heilige kostbaarheden, waard om ze ingetogen en eerbiedig uit het hoofd te leren, te reciteren en door te geven alsof het een groot geheim betreft, kijk, dat noem ik geketend zijn aan de heerschappij van gedachten. Jullie kweken gedachten in je eigen kleine geest en je beschouwt ze als iets zeldzaams dat de moeite waard is goed te worden bewaard. Als men je gedachten niet respecteert, voel je je verongelijkt als een ouwe vrijster. Je voelt je zelfs aangerand als iemand ervan afwijkt, al is het maar een paar millimeter, kijk, zoiets noem ik jezelf te kijk zetten aan de schandpaal van het denken.

Als gedachten, zowel van anderen als van jezelf, je voorkomen alsof het golven zijn in de oceaan, die komen en gaan, de een niet belangrijker dan de andere, terwijl je niet onder de invloed van die gedachten komt, maar je toch nog vastklampt aan die ene gedachte dat je een toestand van volmaakte rust hebt bereikt, kijk, dat noem ik de dwaling van het rusten op de lauweren van het denken.

Wanneer er geen enkele gedachte meer om aandacht vraagt omdat het je duidelijk is geworden dat er, wat de weetnietgeest betreft, niets bewaard hoeft te worden en door het denken niets verkregen kan worden, kijk, dat noem ik staan op de drempel van de weetnietgeest.
Zijn in niet-tijd, niet-plaats, niet-vorm, niet-beweging en niet-gedachte, terwijl je waarneemt wat wordt waargenomen als er geen waarnemingen zijn, kijk, dat noem ik het zien van de weetnietgeest.

Ook al zou je alle geschriften en verhandelingen van alle patriarchen hebben bestudeerd en alle ontwaakten hebben ontmoet en alle methoden van onderricht en mysterieuze krachten meester zijn en je ziet de weetnietgeest niet, dan is het leven van jullie kaalkoppen niets meer dan nutteloos tijdverdrijf. Ik heb jullie eerder uit de geschriften voorgelezen.

Als ik zeg dat ze van de Boeddha afkomstig zijn, beschouwen jullie ze als heilig en word je met vrees en verering vervuld. Als ik zeg dat ze van Bodhidharma of van een groot patriarch zijn, kijk dan eens hoe je vervuld wordt van bewondering en respect. Als ik zeg dat ze van een onbekende monnik zijn, kijk dan eens hoe je gaat twijfelen. En als ik zeg dat ze van de kok zijn, barsten jullie in lachen uit en denk je dat ik je voor de gek houd.

Wat belangrijk is voor jullie is niet de waarheid die deze woorden in zich dragen, maar het gezag dat wordt toegekend aan degene aan wie de woorden worden toegeschreven. Jullie zijn niet in staat zelf te kijken. Jullie denken wat je geacht wordt te denken volgens de mensen die je boven je geplaatst hebt. Jullie zijn voortdurend bezig dingen aan te vullen en te veranderen en te vervalsen. Daarom zijn jullie niet in staat de weetnietgeest te zien zonder je te beroepen op wie of wat dan ook.

Kaalgeschoren schedels, jullie zijn een stelletje bedriegers. Jullie zijn een hopeloos geval.”

En de oude Cheng liep weg.


3

“Jullie hebben gehoord dat je kleine menselijke geest leeg moet zijn als je de weetnietgeest wilt zien. En daar zit je dan, rechtop en stijf als een bamboe, blik op de muur, tong tegen het gehemelte, druk doende gedachten tot stilstand te brengen. Maar het resultaat is dat je uitkomt bij een afwezigheid van gedachten die je dan aanziet voor de leegte van de weetnietgeest. Een ogenblik later begint het geborrel van de kleine geest weer zoals wanneer je wakker wordt uit de slaap. Wat heeft die afwezigheid van gedachten voor nut?

En als je opschrikt van een lichtflits, spring je ter plekke overeind als een veulen en je roept dat je de weetnietgeest hebt gezien, dat je iets onmetelijks hebt beleefd en dat je bevoorrecht bent. Wat voor nut heeft dat, om door de bliksem te worden getroffen? Dat zijn allemaal kunstjes, goed genoeg voor het circus. Kaalgeschoren schedels, als jullie doorgaan met die manie en die pretentie van wat dan ook te willen bereiken en bezitten, vecht je voor een verloren zaak.

De weetnietgeest zien houdt in dat je die ziet, of er gedachten zijn of niet, of je onbeweeglijk of actief bent, of je spreekt zoals ik dat doe voor jullie dan wel of je zwijgt, of je keizer of monnik of dakloze zwerver bent. Welk belang kunnen zulke dingen hebben?

Wat voor verschil zou er kunnen zijn tussen de Boeddha en een ongeletterde plattelandsmonnik die alleen maar hout kan kloven, maar die de weetnietgeest heeft gezien?

Er bestaat niet zoiets als een weetnietgeest die speciaal bij een Bodhidharma hoort en een andere die speciaal bij de oude Cheng hoort of bij een van jullie. De weetnietgeest is de weetnietgeest. Iets anders kun je er niet over zeggen. Zelfs dit is al te veel.

Wat anderen over de weetnietgeest hebben gezegd, en wat ik erover zeg, kan jullie alleen maar aanmoedigen hem zelf direct te gaan zoeken, zonder je te beroepen op enig ander gezag en zonder enig hulpmiddel. Want dat kan je blik alleen maar vertroebelen en je afhouden van de enige vraag waar je bezeten van moet zijn, waar je ook bent of wat je ook doet, of je mediteert of de binnenplaats veegt of je natuurlijke behoeften bevredigt.

Maar als ik zie wat jullie uithalen met de woorden van de patriarchen en met de mijne, dan zou je zeggen dat het beter was geweest als ze de patriarchen bij hun geboorte hadden verdronken, en mij daarbij.

Kaalgeschoren schedels, jullie lijden aan een ongeneeslijke ziekte. De hele wereld en jullie zelf zijn niets anders dan gedachten van je eigen kleine geest. Ze verdwijnen immers samen met de gedachten als je in slaap valt! En dat geldt precies zo voor de opinies die jullie kleine geest heeft verzonnen over de Boeddha en over de Weg en over de weetnietgeest .

Begrijp nu toch eens en voorgoed dat al jullie pogingen om het Ondoordringbare te doordringen met je gedachten en activiteiten volmaakt zinloos zijn. Je kunt net zo goed proberen de wind te grijpen. Maar als er geen obstakels meer in jullie zijn en je staat helemaal open voor de weetnietgeest, dan zul je regelrecht door hem worden gegrepen.

Omdat jullie over de leegte hebben horen praten als over het hoogst bereikbare resultaat, proberen jullie die te bereiken. Zo vervallen jullie in een verdoving en een gevoelloosheid, die je aanziet voor de leegte van de weetnietgeest.

Omdat je over het Absolute hebt horen spreken als over de uiteindelijke toestand, verbeeld je je dat alle dingen gelijkwaardig zijn en dat geen enkel ding respect verdient. Zo verval je in anarchie en bandeloosheid, die je aanziet voor de al-een-heid van de weetnietgeest.

Omdat je over zuiverheid heb horen spreken als onvervalste gelukzaligheid, span je je in om die te bereiken. Zo verval je tot koppigheid en onbuigzaamheid, die je aanziet voor de onthullende helderheid van de weetnietgeest.

Omdat je over onthechting hebt horen spreken als de enige echte vrijheid, probeer je je af te scheiden van de wereld en van jezelf. Zo verval je tot onverschilligheid, die je aanziet voor de onafhankelijkheid van de weetnietgeest.

Kaalgeschoren schedels, het is de weetnietgeest waarvan gezegd wordt dat hij leegte, eenheid, helderheid en onafhankelijkheid is, en het kleine stukje van het grote wiel van het bestaan dat jullie zijn, kan nooit en te nimmer een van deze elementen bevatten.

Maar als je de weetnietgeest zou zien, zou je weten dat hij je eigen diepste natuur is, die je geen enkele eigenschap kunt toekennen en die je in werkelijkheid geen enkele naam kunt geven. Dan zou je ook weten dat leegte, of het Absolute, of zuiverheid, of onthecht zijn, of weetnietgeest enkel woorden zijn die alleen maar bestaan aan jullie kant en alleen omdat jullie blind en onwetend zijn.

Kaalgeschoren schedels, als je de weetnietgeest wilt nadoen, is het met je gedaan.

Omdat jullie monniken geworden zijn, gedrenkt in de wetten van de Boeddha, en leerlingen van een beroemd Meester, denk je dat je anders bent dan het gewone volk, waar je verwaand op neerkijkt. Kaalgeschoren schedels, van de weetnietgeest weten jullie net zoveel af als het onkruid op het veld.

Kaalgeschoren schedels, jullie hebben je ogen dicht gepleisterd met modder en nu kom je je beklagen dat je blind bent.”

Druk gebarend liet de Oude Cheng de groep monniken alleen.


4

“Kaalgeschoren schedels, door je helemaal over te geven aan de wil en aan de grillen van iemand anders die je hoog boven je hebt gesteld, waarbij je zover gaat dat je over alle dingen contact met hem opneemt, denk je dat je in de juiste houding leeft, zonder wereldse zaken en zonder verlangen. In werkelijkheid gedraag je je alleen maar als apenjongen die hun moeder geen ogenblik verlaten en zich koortsachtig aan haar vastklampen omdat ze doodsbang zijn.

En met het voortgaan van de tijd worden jullie als verdorde bomen die je ’s winters niet van andere kunt onderscheiden, maar die, als de tijd rijp is, niet uitbotten en geen vruchten dragen. Hoe kun je met zo’n manier van niets-doen ooit hopen de weetnietgeest te zien?

O kaalgeschoren schedels, jullie zijn nu al dood.

Ieder mens wordt (voortdurend) door de weetnietgeest verlicht. Sommigen zien het, anderen zien het niet. Dat is het enige verschil tussen hen. Maar jullie zijn als een dronkenlap die zich vastklampt aan het bamboe aan de buitenkant van een omheining, schreeuwend dat ze hem hebben opgesloten en dat hij onschuldig is en smekend om te worden bevrijd.

Kaalgeschoren schedels, niemand houdt je gevangen behalve jijzelf. Wat een ramp!

Niet in staat de weetnietgeest te zien en zo uit jezelf te leven, verstoppen jullie je onbeduidendheid door de kleren van anderen aan te trekken, van levenden of van doden. Je verzamelt standpunten, verdiept je in de nuances, in de verschillen en in de punten van overeenkomst. Zo behang je jezelf met franje. En omdat je een stelletje domoren weet te verblinden met toeren, zie je jezelf aan voor verlicht.

Kaalgeschoren schedels, jullie zijn niets meer dan woordenmolens, niets meer dan goochelaars op de kermis. Jullie hebben je laten bekoren door jezelf. Jullie kwaal is ongeneeslijk.

Je hebt niemand nodig om het zonlicht te zien. Alles wat een ander daarover kan zeggen, is overbodig. Je bevindt je in het licht. Het verwarmt je lichaam, maar toch kun je het niet pakken en in een doosje stoppen. Elke poging het te bezitten, draait bij voorbaat uit op een mislukking. Je kunt het niet vangen, maar je kunt je er ook niet van ontdoen. Deze oude zeur heeft je dat al eens verteld, en vele anderen voor hem. Precies hetzelfde geldt voor de weetnietgeest. Die is even duidelijk en even schitterend aanwezig als het licht van de zon. Maar ook hem kun je niet in je macht krijgen, en ook van hem kun je niet af.

Als jullie de weetnietgeest niet kunnen zien, komt het doordat jullie verblind zijn door die hele woordentroep die je boven jezelf stelt. Je kunt hem niet zien doordat je vastzit aan het steeds weer proberen hem te pakken te krijgen met je denken of met je eerbetoon of met je oefeningen.

Je denkt dat hij ergens ver weg is, maar hij is hier. Je wilt hem te pakken krijgen, maar hij ontkomt. Als jullie nu weer eens helemaal eenvoudig werden, dan zou het, om hem te zien, genoeg zijn de ogen te openen, net zoals voor het licht van de zon. Daar is geen ingrijpen voor nodig.

Wie één zandkorrel heeft gezien, heeft de zandkorrels van alle stranden en woestijnen in de hele wereld gezien. Als je de weetnietgeest ziet, zie je die in zijn volledigheid en ben je een Boeddha.

Ik sta hier voor jullie als een stuk hout waar geluid uit komt. Dat is geen verdienste en het is van geen enkel belang, want wezens als de oude Cheng zijn er altijd geweest en zullen er zijn tot aan het einde der dagen om hetzelfde geluid te laten horen.

Helaas voor jullie heb je je uitsluitend beziggehouden met de buitenkant en nu zien jullie hier alleen maar een stuk hout dat veel lawaai maakt. Daarom vindt de weetnietgeest niet de weerklank in jullie waardoor je je onmiddellijk zou realiseren dat je nooit iets anders geweest bent dan de weetnietgeest.”

En de oude Cheng trok zich terug.


5

“Beschouw alle patriarchen, alle praatzieke mannetjes zoals ik als oplichters, omdat ze praten over iets dat ze je niet kunnen laten zien en dat ze je niet kunnen geven. Het enige nut dat je hun desnoods kunt toekennen, is het feit dat ze benadrukken dat ieder wezen de boeddhanatuur heeft.

Maar ieder van jullie moet die voor zichzelf zoeken zonder je door wat dan ook te laten afleiden, om haar ten slotte te vinden in haar fel oplichtende werkelijkheid. Wie zich laat verleiden door de woorden en de goocheltrucs van de patriarchen is verloren.

Kaalgeschoren schedels, in de hoop dat je daardoor de weetnietgeest te zien zou krijgen, hebben jullie een heleboel dingen geleerd en opgeslagen in je kleine geestjes, zoals ze in dit klooster rijst opslaan in vaten. Zo hebben jullie niets anders gedaan dan onwetendheid verstoppen achter geleerde woorden over het ware en het onware, over goed en kwaad, over het eeuwige en het vergankelijke, over de hemel en de aarde, over de subtiele en de grovere elementen, over de verdiensten van de verschillende wegen en oefeningen, over de graad van verlichting die verkregen is door deze of gene, en over nog een heleboel andere dingen die precies even nutteloos zijn. Het enige wat hieruit blijkt, is dat jullie geen diepgang hebben en niet in staat zijn de juiste houding te vinden.

Kaalgeschoren schedels, het kwaad bij jullie zit in de pretentie en de arrogantie waardoor jullie denken te kunnen meten wat onmeetbaar is.

Als er onder jullie iemand is die tijdens het luisteren getroffen is door iets dat groter is en dieper gaat dan mijn woorden, en dat niet het soort verdoving is waar zovelen genoegen mee nemen in de waan dat het de weetnietgeest is, maar een eenvoudige en actieve helderheid, hem alleen kan ik de juiste richting wijzen.

Op een gegeven moment zal zijn dikke modderkorst barsten gaan vertonen en ten slotte in één klap wegvallen. Op dat ogenblik zal hij het juweel van de weetnietgeest zien schitteren. In deze hele aangelegenheid onderneem ik niets en grijp ik nergens in.

Ik ben niets anders dan een doorgang, een trechter voor de weetnietgeest, die enkelen intuïtief via mij aanvoelen, via mij, de oude Cheng, die voor de rest ook niets anders is dan een modderige korst rondom een diamant.

Op alle vragen die me worden gesteld over de weetnietgeest kan ik er alleen maar het zwijgen toe doen of antwoorden met ‘nee’. En iemand die de weetnietgeest gezien heeft, heeft de oude Cheng niet meer nodig.

Als jullie echte kerels waren, zouden jullie gedachten en daden juist zijn en elk ogenblik in harmonie met hun object. Maar omdat jullie niet in staat zijn te zien dat jullie in wezen niets anders dan boeddhanatuur zijn, compenseren jullie je onwetendheid door je de gedachten en activiteiten van degenen die je boven je hebt geplaatst, eigen te maken. Jullie worden volledig in beslag genomen door het beamen van wat anderen denken en doen en dat is jullie schandpaal. Dat belet je de weetnietgeest te zien.

Kaalgeschoren schedels, jullie zijn een dievenbende. Voor jullie is er geen hoop.

In je diepste wezen verschillen jullie in niets van de Boeddha. Wat je ontbreekt, is het ondubbelzinnig kennen van je eigen wezen. Dat is het enige wat je ontbreekt en wat jullie er steeds weer toe aanzet te proberen te worden wat je elk moment van je leven al bent geweest.

Het enige wat de moeite waard is in het leven is het voortdurend verweven zijn met de weetnietgeest, die zo duidelijk als een berg voor je staat. Wijk daar een haarbreedte van af en je vervalt onmiddellijk weer in de chaos en in de eindeloze maalstroom van oorzaken en gevolgen.

Dit is de enige les die de oude Cheng jullie kan geven.”

En de oude Cheng vertrok.


6

“De gedachte aan de weetnietgeest is niets anders dan de weerkaatsing van die Geest in de beperkte geest. Zoals het beeld van de maan in een plas niets anders is dan de weerkaatsing van de maan. De weetnietgeest blijft tegenwoordig en onveranderd, onberoerd door het lawaai van jullie denken en doen, net zoals de maan niet verandert en niet beroerd wordt door de helderheid of de troebelheid van het water, of door zijn kalmte of zijn golven, of door de grootte van de hoeveelheid water in de plas. Door al die dingen wordt alleen het beeld van de maan veranderd of weggevaagd. In werkelijkheid zit er geen maan in de plas.

Begrijp nu toch dat je met al je bedenksels de gevangene bent van je eigen geest. Je moet zo nodig reinheid betrachten, onthechting nastreven, vrijheid zien te verkrijgen en wel drie uur lang je gedachten stilzetten en zo zijn er nog talloze andere praktijken waar jullie je aan overgeven om de weetnietgeest te pakken te krijgen. Zo zit je gevangen in je eigen kleine geest als een vis in een fuik.

Wat jullie aan het doen zijn, is net zo stom als wanneer iemand die de maan direct wil zien, daartoe het water in de plas schoonmaakt, de planten eruit haalt, een bamboeschutting om de plas zet om te voorkomen dat de wind er golfjes in maakt, of zelfs de plas laat leeglopen.

Kaalgeschoren schedels, begrijp toch dat jullie je uitsluitend laten vastleggen door je eigen gedachten en door je meelijwekkende manier van doen.

O kaalgeschoren vrienden, alleen omdat jullie zo verblind zijn, spreekt de oude Cheng over de weetnietgeest en over de beperkte persoonlijke geest alsof het twee verschillende dingen zijn. Voor de oude Cheng zijn de weetnietgeest en de persoonlijke geest, het eeuwige en het vergankelijke, wijsheid en onwetendheid, verlichting en verblinding, nirvana, soetra’s, het systeem van de Wet en de Boeddha zelf, niets anders dan de maalstroom van gedachten. Ze zijn net als dorre bladeren die een eigen leven lijken te hebben als de novemberwind ze laat opwaaien, maar die een ogenblik later weer levenloos zijn.

Kaalgeschoren schedels, de wezenlijke natuur van alle wezens en dingen is niet méér waard bij degene die haar ziet dan bij degene die haar niet ziet. Ze wordt op geen enkele manier beïnvloed door de vraag of ze al dan niet gekend wordt, en ook niet door de dingen waar je haar achter wegmoffelt.

Maar het staat jullie volkomen vrij je te blijven verliezen in het zoeken naar onderscheid en nuances en subtiliteiten en spitsvondigheden. En daarmee heb ik alles gezegd.
Kaalgeschoren schedels, de Boeddha heeft de weetnietgeest aanvankelijk geprobeerd te vinden met behulp van zijn menselijke geest. Hij ontdekte dat dit onmogelijk was. Toen ging de Boeddha op zoek naar de weetnietgeest met behulp van disciplines, zelfbeheersing en oefeningen. En opnieuw ontdekte hij dat deze manier nooit tot het doel kon leiden.

Toen hij onder de bodhiboom zat, had hij de weetnietgeest nog steeds niet gevonden, maar hij had wel begrepen dat zijn denken noch zijn voelen noch zijn handelen in staat was hem zijn ware natuur te laten zien. Toen gaf de Boeddha het gebruik van zijn menselijke geest en van zijn handelen op; hij accepteerde zijn onwetendheid en erkende zijn onmacht daaraan een eind te maken.

In hem waren alleen nog maar onzekerheid en verwondering overgebleven zonder dat hij verder ergens door in beslag werd genomen. Onbeweeglijk zat hij, als een stuk dood hout, totdat, bij het opkomen van de morgenster, de weetnietgeest hem verlichtte.

Dat is de ervaring van de Boeddha. Dat is het voorbeeld en het fundamentele onderricht dat hij ons heeft nagelaten. Maar jullie met z’n allen, discipelen van de Boeddha, wat hebben jullie gedaan? Je hebt je de Boeddha meester gemaakt om van zijn leven een legende te maken waar je in verrukking over kunt denken en van zijn persoon een afgod, geschikt om te aanbidden.

Jullie hebben je van de woorden van de Boeddha meester gemaakt om er iets heiligs van te maken, waardig om uit je hoofd te leren en te worden gereciteerd. Je hebt er verhandelingen over geschreven, je hebt er onophoudelijk over gekwebbeld en je hebt verschillende geloofsrichtingen tot stand gebracht. Jullie hebben tempels gebouwd en standbeelden gemaakt, wierook gebrand en kamfer aangestoken. Jullie hebben allerlei geloofsovertuigingen vastgelegd en dogma’s opgesteld en voorschriften en disciplines en oefeningen verzonnen.

Kaalgeschoren schedels, jullie zijn erin getrapt en je hebt je laten verleiden door al die dingen waarvan de Boeddha onderkend had dat het dwaalwegen waren die alleen maar tot chaos konden leiden. Door dat te doen, hebben jullie een hemelhoge muur opgetrokken rond de weetnietgeest, die je wilt zien.

O kaalgeschoren vrienden, als jullie op die dwaalwegen blijven ronddolen, wat een mislukking is je leven dan!

En nu luister naar me met alle aandacht die je hebt. Nu zal ik je eindelijk het grote geheim onthullen van de weetnietgeest. Wat ik je nu ga zeggen, is het belangrijkste en meest diepzinnige wat er ooit over gezegd is, namelijk dit:

Er bestaat geen geheim van de weetnietgeest!”

De oude Cheng maakte een pirouette en verdween. Niemand heeft daarna ooit nog iets van hem gehoord.

“Jullie zouden dolgraag weten wie ik toch wel ben, en uit welke geestelijke school ik kom, wie mijn leraren zijn geweest, waar ik vandaan kom en nog een heleboel dingen die allemaal even oninteressant zijn. Sommigen denken dat ik wel een verlichte moet zijn, omdat immers de abt me gevraagd heeft jullie toe te spreken.

Anderen denken dat ze een oude gek voor zich zien die zich op een schandalige en beledigende manier gedraagt en die je met stokslagen naar buiten moet jagen, omdat hij de woorden noch de mannen uit het verleden respecteert die door de traditie vereerd worden, noch de woorden en de mannen van vandaag hoewel ze een verheven reputatie hebben. Zo kijken jullie alleen maar naar het omhulsel, naar de buitenkant, de vorm van de dingen en daardoor ontdekken jullie niet de ware man in jezelf.”