Niet-weten als passe-partout

De woorden voorbij; dwaalgesprek over niet-weten als moedersleutel voor tal van religieuze, spirituele en filosofische begrippen.

Tekst Hans van Dam, illustraties Lucienne van Dam.

weetnietkunde, dwaalgids niet-weten, alle interviews


Passe-partout

Non-dualiteit

‘Graag wil ik je wat begrippen en stellingen voorleggen, Hans, in de hoop dat je die kunt verhelderen vanuit je eigen spiritualiteit. Om meteen maar met de deur in huis te vallen: wat is non-dualiteit voor jou?’

‘Een moeilijk woord dat eindeloze vragen oproept.’

‘Wat voor vragen?’

‘Vragen zoals ‘wat is non-dualiteit voor jou’. ‘

‘Aha.’

‘Wat is non-dualiteit voor jou?’

‘De realiteit van de soetra’s en de upanishaden. De wereld zoals ze werkelijk is: één geheel, zonder onderscheid. De wereld die ik ben.’

‘Hallo meneer de Wereld.’

‘Herken jij jezelf daarin?’

‘Ik herken mezelf werkelijk nergens meer in.’

‘Niet?’

‘Zelfs niet in niet-herkennen.’

‘Voor jou staat non-dualiteit niet voor…?’

‘Nee, voor mij staat non-dualiteit niet voor de wereld zoals ze werkelijk is, één geheel, zonder onderscheid. Ik heb geen idee wat de wereld werkelijk is; niet dat ze eenvoudig is, niet dat ze tweevoudig is, niet dat ze niet-tweevoudig is, niet dat ze veelvoudig is, niet dat ze nulvoudig is, niet dat ze ontelbaar is, niet dat ze is, niet dat ze niet is. Ik heb ook geen idee meer wie ik werkelijk ben, niet dat ik samengesteld ben, niet dat ik enkelvoudig ben, niet dat ik werkelijk ben, niet dat ik onwerkelijk ben, niet dat ik niet ben. Laat staan dat ik de identiteit van deze twee onbekende grootheden, wereld en ik, durf bevestigen of zelfs maar ontkennen. Ik kan niet zeggen dat ik in de wereld ben, niet dat de wereld in mij is, niet dat ik de wereld ben, niet dat ik de wereld niet ben en ook niks anders. En ik zou niet anders meer willen.’

‘Je zegt eigenlijk ‘Ik heb geen idee wat non-dualiteit is’.’

‘Geen idee gaat mij te ver. Maar non-dualiteit in de zin van een wereld zoals ze werkelijk is, één geheel zonder onderscheid, zegt mij niets. Ik kan er met mijn verstand niet bij. Met mijn gevoel ook niet. Met mijn hart ook niet. Zelfs mijn intuïtie, mijn klompen, mijn pet en mijn water laten me in de steek. De enige manier waarop ik toegang tot het woord non-dualiteit kan krijgen is door het te vertalen in ‘geen onderscheid weten te maken’.’

‘Een soort onvermogen.’

‘Een soort niet weten. Mij zul je nooit horen zeggen dat de wereld één is en dat onderscheidingen slechts schijnbaar zijn. Wat weet ik daarvan? Hoe stel je zoiets vast? Ook het tegenovergestelde zal ik niet beweren. Maar ik zal de eerste zijn om toe te geven dat het me niet lukt om de onderscheidingen die zich onophoudelijk aan mij voordoen, ook maar enigszins te onderbouwen. Nooit. Niet dat ik weet. Er is er tenminste niet één die ik op dit moment zou willen verdedigen. Wat mij betreft zijn alle onderscheidingen grondeloos. Ook alle onderscheidingen die ik tot nog toe heb gebruikt en die ik in de rest van ons gesprek nog ga gebruiken. Ook het verschil tussen gegrond en grondeloos weet ik niet hard te maken.’

‘Dus waar hebben we het nog over.’

‘Precies. Het is in deze beperkte zin dat ik niets weet te onderscheiden, en dít is wat non-dualiteit voor mij betekent – als het dan per se iets moet betekenen.’

‘Non-dualiteit is voor jou niet…’

‘Non-dualiteit is voor mij niet de waarheid omtrent de werkelijkheid en mijzelf, maar het einde van ieder begrip – en onbegrip – omtrent de waarheid, de werkelijkheid en mijzelf.’

‘Daarmee heb je ‘non-dualiteit’ letterlijk vertaald in ‘niet-weten’.’

‘En in één moeite door onttrokken aan het domein van de metafysica.’

‘Waarom die moeite?’

‘Geen moeite. Weten kost mij moeite. Non-dualiteit kost mij moeite. Niet weten is voor mij moeiteloos. Niet weten is mij van binnenuit bekend – voor zover je in dit verband nog over bekendheid kunt spreken. Het is mijn eerste natuur, als ik al een natuur heb, of had dat moeten zijn als ik er geen heb. ‘Non-dualiteit’ daarentegen is koeterwaals. Wie verzint zoiets? Wie begrijpt zoiets? Begrijpen is het onbekende herleiden tot het bekende. Welnu, ik kan non-dualiteit alleen maar begrijpen als een eufemisme voor een radicaal niet weten.’


Passe-partout

passe partout 2

‘Denk je dat anderen bedoelen wat jij begrijpt?’

‘Dat moet je anderen vragen.’

‘Als jij je in hen verplaatst?’

‘Ik denk het niet, nee.’

‘Niet weten is een curieuze interpretatie van het begrip non-dualiteit, laten we eerlijk wezen.’

‘En niet alleen van het begrip non-dualiteit. Als ik al eens een woord of uitdrukking uit de spirituele en religieuze literatuur meen te begrijpen, dan is het meestal langs deze weg. Ik ben heus niet dom en ik heb moeilijke woorden met de paplepel ingegoten gekregen, maar zonder deze vertaalslag is het voor mij allemaal abacadabra. Gênant misschien, maar het is niet anders.’

‘Dus?’

‘Fungeert niet weten voor mij als een loper, een moedersleutel, een passe-partout voor ideeën uit heel verschillende spirituele en religieuze tradities.’

‘Wat voor tradities?’

‘Taoïsme, zen, boeddhisme, mystiek, soefisme, chassidisme, advaita…’

‘Wat voor ideeën?’

‘God, niet-oordelen, tao, geen-zelf, leegte, eenheid, prajnaparamita, je oorspronkelijke staat, onthechting, keuzeloos gewaarzijn…

‘Et cetera.’

‘Dit soort termen kan ik echt alleen maar begrijpen door ze te vertalen in niet weten.’

‘Noem dat maar begrijpen.’

‘Begrijpen tussen aanhalingstekens. Begrijpen als niet begrijpen. Het bekende herleiden tot het onbekende. Waar het in mijn beleving oorspronkelijk vandaan kwam.’

‘Lekker makkelijk.’

‘Een koud kunstje. Het koudste kunstje dat ik ken. De enige intellectuele activiteit waarvoor je niet stom genoeg kunt zijn. Tref ik het even. Tref jij het even. Waarom praat je niet met iemand die wél weet waar hij het over heeft?’

‘Ik ben nou hier.’

‘Nou ik nog.’

‘Wat?’

‘Grapje.’


Liefde

‘Men zegt dat verlichting onvoorwaardelijke liefde of openheid of ruimte is. Ik heb ook eens ergens gelezen dat ik de liefde niet ken omdat ik de liefde ben.’

‘Wat is je vraag?’

‘Hoe kijk jij daartegenaan vanuit niet weten?’

‘Onder liefde wordt in de spiritualiteit niet een persoonlijke gehechtheid of genegenheid of passie voor iets of iemand bedoeld, maar een onpersoonlijke, onthechte, objectloze, universele openheid voor wat zich maar aandient. Mij zegt dit niets totdat ik het vertaal in mijn eigen onvermogen om definitieve grenzen te trekken en tot onomstotelijke oordelen te komen.

Door dit onvermogen, door het radicale niet weten dat, of ik nou wil of niet, mijn hele denken doortrekt – en alleen daardoor – ontstaat er tegen de klippen van mijn eeuwige oordelen op, ruimte voor andere opvattingen, zienswijzen en verschijningsvormen dan degene die ik nou eenmaal schijn te verkiezen.

Als je nu denkt dat ik zonder aanzien des persoons de hele wereld omarm, zul je van een koude kermis thuiskomen. Het enige verschil met vroeger is dat ik geen gronden meer heb om iets, wat dan ook, of iemand, wie dan ook, radicaal af te wijzen.’

‘Waardoor je niets anders rest dan alles en allen radicaal te aanvaarden.’

‘Natuurlijk niet. Ook daarvoor ontbreekt iedere grond.’

‘Want grondeloosheid is onze enige grond.’

‘Ook voor die gedachte ontbreekt iedere grond.’

‘Want al onze gedachten zijn grondeloos.’

‘Deze ook.’

‘Is dat in een notendop jouw realisatie?’

‘Ik ben niet gerealiseerd en ik heb niets gerealiseerd en ik heb mij ook niet voor eens en altijd iets gerealiseerd – dus ook niet dat al mijn onderscheidingen en oordelen grondeloos zijn. Ik realiseer mij dit steeds opnieuw, nu en nu en nu. Niet in z’n algemeenheid, als absolute waarheid die altijd en overal en voor iedereen opgaat, maar alleen voor mezelf en alleen met betrekking tot de actuele gedachte, die tot mijn onuitsprekelijke verbijstering – en meestal tot mijn onuitsprekelijke genoegen – steeds weer in de lucht blijkt te hangen. Deze ook.

Het aanvaarden en afwijzen gaat dus gewoon door, maar zonder het heilige gelijk of de knagende twijfel waarmee het vroeger gepaard ging. Zelfs tegen andermans heilige gelijk heb ik niets fundamenteels meer in te brengen.’

‘Ook daarvoor heb je ruimte.’

‘Maak het nou niet mooier dan het is.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Ik sta erbij en ik kijk ernaar.’

”Hi hi hi, ha ha ha…’

‘Maar om dat nou onvoorwaardelijke liefde of openheid te noemen?’


Neutraliteit

‘Wat dacht je van neutraliteit, niet-oordelen, keuzeloos gewaar zijn?’

‘Nee, dank je.’

‘Ook niet?’

‘In ieder geval niet als ideologie.’

‘Ideologie?’

‘In hoeverre ben je onpartijdig als je je sterk maakt voor neutraliteit? Ben je wel keuzevrij als je ervoor kiest keuzeloos gewaar te zijn? Berust de instructie om niet te oordelen niet op een veroordeling van het oordelen?’

‘Op die manier.’

‘Maar wie zijn oordelen onderzoekt en daarbij keer op keer moet vaststellen dat hij geen poot heeft om op te staan, komt wellicht tot iets fundamentelers. Een heroriëntatie, een transformatie, een metamorfose van zijn denken, dat zichzelf vanaf dat moment consequent bejegent als een pathologische leugenaar. Consequent; dus ook wanneer het beweert dat het zichzelf consequent bejegent als een pathologische leugenaar.’

‘Dat wil zeggen…’

‘Nooit meer onvoorwaardelijk in je eigen redeneringen en oordelen geloven. Ook niet in deze. Steeds de relativiteit ervan inzien. Ook van deze. Een kritische paranoia voor, en paranoïde kritiek van, al je mentale hokjes, hekjes en haakjes. Ook van deze. Een facetoog voor de tienduizend alternatieven. Ook voor deze.’

‘Dat is dus niet hetzelfde als willens en wetens stoppen met oordelen.’

‘Ik heb nog nooit iemand gezien die willens en wetens is gestopt met oordelen. Ik heb sowieso nog nooit iemand gezien die niet meer oordeelt. Behalve de doden misschien. Wel een heleboel mensen die het uit alle macht hebben geprobeerd. Als er iets is wat de zogenaamde verlichten en de zogenaamde onverlichten verenigt dan is het wel dat ze maar blijven oordelen. Dat ze nooit ofte nimmer zonder voorkeuren zijn. Jezus hing liever niet aan het kruis. Osho reed liever niet in een Trabant. Ramana Maharshi liet zich liever niet behandelen voor zijn tumor.’

‘En Hans van Dam?’

‘Houdt niet van koude, niet van drukte en niet van koude drukte.’

‘Wat is dan nog het verschil?’

‘Waartussen?’

‘Jou en mij?’

‘Dat ik het onvoorwaardelijke vertrouwen in mijn eigen gedachten ben kwijtgeraakt. Ook in deze. Daarvoor in de plaats is een onvoorwaardelijk wantrouwen van mijn gedachten gekomen. Ook van deze.

Onvermijdelijk ben ik daarmee ook het onvoorwaardelijke vertrouwen kwijtgeraakt in de persoon Hans van Dam die verantwoordelijk zou zijn voor al zijn gedachten. Het spreekt voor mij niet langer vanzelf dat er zo iemand is, laat staan dat al die rare gedachten van hem zijn. Waarmee niet gezegd is dat er niet zo iemand is of dat die gedachten niet van hem zijn of dat ze van iets of iemand anders zijn of van god of van het leven zelf of van niets of niemand, of wat dan ook. Dat zijn allemaal maar gedachten. Ook dit is maar een gedachte.’

‘Wat spreekt wél vanzelf?’

‘Niets spreekt vanzelf.’

‘Behalve dat niets vanzelf spreekt.’

‘Ook niet.’

‘Kortom…’

‘Ik oordeel als vanouds en als vanzelf, maar ik geloof er niet meer in. Ook hierin niet. Ik voel me er niet meer verantwoordelijk voor. Ook hiervoor niet.’

‘Alle oordelen zijn tussen haakjes komen te staan.’

‘Dit oordeel ook.’

‘Mij lijkt dat een prima zaak.’

‘Kan best wezen, maar dat is opnieuw een oordeel.’

‘Dat op zijn beurt tussen haakjes staat?’

‘Voor mij wel.’

‘Voor mij eerlijk gezegd niet.’

‘Geeft niks.’

‘Ook weer tussen haakjes zeker.’

‘Wat dacht je dan.’

‘Ook weer tussen haakjes zeker.’

‘Nou en of.’

‘Enzovoort.’

‘Hemelpoort.’

‘Wat?’

‘Kindermoord, bodemsoort, konterfoort.’

‘Heb jij soms last van rijmdwang?’

‘Zwabbergast met lijmtang.’


Geest en zelf

‘En hoe zit het met begrippen als de Geest en het Zelf?’

‘Het op het eerste gezicht bizarre zenboeddhistische idee dat alles ‘geest’ of ‘zelf’ is, wordt voor mij pas begrijpelijk wanneer ik probeer vast te stellen waar mijn geest of ikzelf ophoud en de realiteit begint. Dan ontdek ik dat ik de objectieve werkelijkheid helemaal niet passief registreer, zoals een spiegel of een camera, maar actief vormgeef door middel van mijn zintuigen en de categorieën van mijn verstand. Er is daarbuiten geen kleur of geur of klank of smaak of warmte of kou. Er is daarbuiten geen hier of daar of vroeger of later of oorzaak of gevolg. Hiermee dringt de subjectieve geest als een vloedgolf de buitenwereld binnen om uiteindelijk het hele objectieve domein op te slokken.’

‘En geen-geest?’

‘Hetzelfde verhaal in omgekeerde richting. Er zijn hierbinnen geen zintuigafdrukken van en gedachten over de buitenwereld; er is alleen maar kleur en geur en klank en smaak en warmte en kou en hier en daar en oorzaak en gevolg. Daarmee dringt de buitenwereld als een vloedgolf de zogenaamde binnenwereld binnen om uiteindelijk het hele subjectieve domein van de geest op te slokken.’

‘Weer twee variaties op ‘geen onderscheid weten te maken’.’

‘En het wordt nog erger. Want als er geen daarbuiten is, waar komen die geuren en kleuren dan wel vandaan? En als er geen hierbinnen is, waarin verschijnen ze dan wel? Of omgekeerd: als er geen hierbinnen is, waar komen die geuren en kleuren dan wel vandaan? En als er geen daarbuiten is, waarin verschijnen ze dan wel? Wat betekent ‘hierbinnen’ nog zonder daarbuiten? Wat betekent ‘daarbuiten’ nog zonder hierbinnen? Wat betekent ‘geest’ nog zonder wereld? Wat betekent ‘wereld’ nog zonder geest? Wat is een subject zonder object? Wat is een object zonder subject? Wat is nog het verschil tussen de waarnemer, het waarnemen, de waarneming en het waargenomene? Wat is nog het verschil tussen de kenner, het kennen, de kennis en het gekende? Waar hebben we het in vredesnaam nog over?’

‘Over het ene, zou ik zeggen.’

‘Wat betekent ‘het ene’ nog zonder het vele?’

‘Het absolute dan?’

‘Wat betekent ‘het absolute’ nog zonder het relatieve?’

‘De hoogste werkelijkheid?’

‘Wat betekent ‘de hoogste werkelijkheid’ nog zonder een gewone of een laagste?’

‘Toch maar weer non-dualiteit?’

‘Wat betekent ‘non-dualiteit’ nog zonder dualiteit?’

‘Niet-weten dan maar?’

‘Wat betekent ‘niet weten’ nog zonder weten?’

‘Tja.’

‘Wat betekent een woord zonder zijn tegenpool?’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Ik vraag niet eens naar de waarheid, ik vraag alleen maar om een definitie.’

‘Ik zou het nog steeds niet weten.’

‘Wat betekenen al deze vragen nog? Moeten we ze nog wel willen beantwoorden? Vragen we eigenlijk nog wel iets of wordt de taal hier voorbij de grenzen van haar elasticiteit opgerekt?’

‘Daar vraag je me wat.’

‘Zo verloor ik de een na de ander alle peilers van het gezonde verstand: waarnemer, waarnemen, waarneming en waargenomene, kenner, kennen, kennis en gekende, ik en wereld, hierbinnen en daarbuiten, subject en object; maar ook die van geest en geen-geest, zelf en geen-zelf, het ene en het absolute en de hoogste werkelijkheid en non-dualiteit en niet te vergeten niet-weten.’

‘Tjemig.’

‘Dus daar sta je dan…’

‘Met je goede gedrag…’

‘En je geleende praatjes.’

‘Dat bewijst het eens te meer.’

‘Wat bewijst het eens te meer?’

‘Dat de waarheid voorbij de woorden is.’

‘Hoe kom je daar nou weer bij?’

‘Eh… gelezen.’

‘Welke waarheid?’

‘Wou jij beweren dat er geen waarheid is?’

‘Dat zou toch weer een waarheid zijn.’

‘Jij bent een wel bron van inspiratie, zeg.’

‘Je bent zo weer van me af.’

‘En dan?’

‘Kun je in mijn afwezigheid weer naar hartelust illusies gaan zitten trekken.’

‘Conclusies.’

‘Dat zeg ik.’


Maya

‘Over illusies gesproken Hans, wat maak jij daarvan?’

‘Waarvan?’

‘Maya.’

‘Het idee van maya behoort tot dezelfde categorie als de begrippen geest, geen-geest, zelf en geen-zelf. Het berust op dezelfde constatering, namelijk dat het naïeve dualistische wereldbeeld van een subjectieve waarnemer wiens bewustzijn een natuurgetrouwe afspiegeling is van een objectief bestaande buitenwereld, bij nader inzien geen stand houdt. Dat wereldbeeld is een illusie, maya, die zo sterk is dat hij je zelfs nadat je hem hebt doorzien nog blijft begoochelen. Net zoals filmfiguren voor het oog blijven bewegen, ook als je weet dat de film uit onbeweeglijke beeldjes bestaat.’

‘Is dát dan niet de waarheid waar we net naar zochten?’

‘Wat?’

‘Dat de werkelijkheid een illusie is.’

‘Jij met je werkelijkheid.’

‘Ik noem het toch een illusie?’

‘Jij met je waarheid.’

‘Dat is ook geen antwoord.’

‘Was het dan een vraag?’

‘Is juist het illusoir zijn van de duale werkelijkheid niet de hoogste werkelijkheid?’

‘Welke hoogste werkelijkheid?’

‘De non-duale werkelijkheid waarin de illusie van de duale werkelijkheid verschijnt.’

‘Jij met je non-dualiteit.’

‘Maar…’

‘Je leest teveel.’

‘Dat is ook geen antwoord.’

‘Ongelooflijk hoe levende twijfel aan het dualistische denken in jou stante pede versteent tot de dode zekerheid van een non-dualistische kosmologie.’

‘Maar is juist het illusoir zijn van de duale werkelijkheid niet de hoogste werkelijkheid?’

‘Als de werkelijkheid een illusie is, dan ook de illusie.’

‘De illusie is ook een illusie?’

‘Wel als hij tot de werkelijkheid behoort.’

‘En als hij niet tot de werkelijkheid behoort?’

‘Dan helemaal.’

‘Waarom?’

‘Omdat hij dan niet tot de werkelijkheid behoort, suffie.’

‘Maar wat is dan nog het verschil tussen werkelijkheid en illusie?’

‘Dat zou ik ook weleens willen weten.’

‘Daarmee komt de duiding van de werkelijkheid als illusie compleet op losse schroeven te staan!’

‘Net als de duiding van de illusie als werkelijkheid.’

‘Ook dat nog.’

‘Om nog maar te zwijgen over de non-duale werkelijkheid waarin de illusie van de duale werkelijkheid zou verschijnen.’

‘Wat een desillusie.’

‘En is die wél reëel?’

‘Het begint me te duizelen.’

‘Als denkbeelden vergruizelen…’

‘Zeg dat wel.’

‘Conclusie?’

‘Hoe kan ik hier nou een conclusie uit trekken!’

‘Voilà.’

‘Jij maakt overal wel hele korte metten mee.’

‘Goeie definitie van verlichting.’

‘Wat?’

‘Overal korte metten mee maken.’

‘Hele korte metten.’

‘Metten kunnen mij niet kort genoeg zijn.’

‘Behalve als het om verlichting gaat.’

‘Vooral als het om verlichting gaat.’

‘Bedoel je dat we ook korte metten met verlichting moeten maken?’

‘Met wat?’

‘Jij bent zo subtiel als een olifant.’

‘Voor subtiliteiten verwijs ik je graag naar je soetra’s en upanishaden. Die zullen je linea recta naar hogere sferen mystificeren. Maar in de lege leer heeft raffinement geen plaats. Met niets kan men niet jongleren.’

‘Jong geleerd is oud gedaan.’

‘Jong geleerd is oud gedacht.’

‘Genade.’


maya


Genade

‘Genade ja. Daar moeten we het ook nog even over hebben.’

‘Hoezo?’

‘Ik doel op het dogma dat verlichting uiteindelijk niet het resultaat zou zijn van verdienste (goede daden) of inzet (meditatie) maar van genade.’

‘En wat maak jij daarvan?’

‘Voor mij betekent genade hooguit dat je maar hebt af te wachten of ooit het kwartje bij je zal vallen dat er wel nooit een kwartje bij je zal vallen. Aangezien niet weten uiteindelijk niet logisch is, kun je er redenerenderwijs niet komen. Je kunt niet weten dat je niets kunt weten, je kunt niet bewijzen dat je niets kunt bewijzen en het is niet evident dat niets evident is.’

‘Hoe kom je er dan wel?’

‘Zelf kwam ik tot niet weten toen ik het vertrouwen in het redeneren verloor. Dat was geen kwestie van opzeggen maar van kwijtraken. Hoe vaak het mij ook het bos in leidde, ik bleef heilig in mijn geredeneer geloven tot het op niet door mij verkozen of voorziene dag kennelijk ineens genoeg was. Het overkwam me zonder dat ik eropuit was. Ik had zelfs geen idee dat je het vertrouwen in je eigen denken zou kunnen verliezen, laat staan dat ik er doelbewust naar streefde. Integendeel, als het aan mij had gelegen zou ik er nog steeds in geloven.’

‘Genade dus. Met dank het aan het Ene.’

‘Aan het wat?’

‘Zeus, God, de Bron, Essentie…’

‘Ja, maak er maar weer een pappie van, en van jezelf een uitverkoren zoon. Een vaderfiguur die steeds het beste met je voorheeft, in wiens alomvattende armen je voorgoed veilig bent en voor wie je je mag uitputten in eeuwige dankbetuigingen zonder Hem ook maar één moment te vervelen.’

‘Niets zo fijn als jezelf uitputten in dankbetuigingen.’

‘Dat moet ik van je aannemen. Het enige wat zich bij mij heeft uitgeput is het streven. Dat is alles wat er is gebeurd. Het idee dat er iemand is die iets kan bereiken raakte tot op de draad versleten, om het eens met Nico Tydeman te zeggen. Evenals het idee dat er niemand is en dat er niets te bereiken valt, om het eens zonder Nico Tydeman te zeggen. Evenals het idee dat je je alleen maar open kunt stellen voor datgene wat oneindig veel groter is dan jijzelf. Evenals het idee dat jijzelf dat grotere bent. Evenals alle andere ideeën daarover of waarover dan ook. Inclusief het idee dat alle ideeën tot op de draad versleten raakten. Tot ik niet eens meer wilde weten hoe het nou eigenlijk zat.’

‘Genade dus.’

‘Niet-weten is genadeloos.’


een kwestie van geen kwestie


Alleen maar dit

‘In neo-advaita en in zen wordt het hogere vaak aangeduid met termen als ‘dit’ of ‘de zoheid der dingen’ of ‘het onzegbare’ of ‘het hier en nu’ of met zinnetjes als ‘het is wat het is’ of ‘ik ben die ik ben’. Een meester die roept: ‘Van de vroege morgen tot de late avond, alleen maar dit!’

‘Ja. Of non-verbaal, door een vinger op te steken, te schreeuwen, iets geks te doen zoals je sandalen op je hoofd leggen, met je wandelstok op de grond slaan of een kat doormidden hakken. Alleen weet ik niet of daar wel iets hogers mee wordt aangeduid.’

‘In jouw visie zijn het natuurlijk weer evenzovele uitdrukkingen van niet weten.’

‘Het is jouw visie dat dat mijn visie is.’

‘Touché.’

‘Maar je zult moeten toegeven dat een uitdrukking als ‘alleen maar dit’ of ‘het is wat het is’ niet per se op peilloos inzicht of transcendente wijsheid hoeft te duiden.’

‘Waarop dan wel?’

‘Peilloos onbegrip bijvoorbeeld.’

‘Transcendente dwaasheid.’

‘Waardoor je alleen nog maar om je heen kunt wijzen als een verbijsterd kind. Of je van aanwijzende voornaamwoorden moet bedienen als een afatische volwassene. Het kan natuurlijk ook zijn dat je net als ik alleen maar probeert te voorkomen dat je iets beweert omdat je het anders toch weer terug moet nemen. Nu ook weer.

Hoe het ook zij, zelf kan ik het ‘dit’ of het ‘tao’ of het ‘tat tvam asi’ of het ‘ik ben’ of het ‘zijn zelf’ niet begrijpen als een aanduiding van een of andere immanentie of transcendentie voorbij de woorden. In mijn beleving is het op z’n best een nodeloos onbeholpen uitdrukking van niet weten.’

‘Maar ja, jij ben dan ook niet wijs.’

‘Touché.’


Koans

‘Een voor de hand liggende vraag misschien: wat zijn koans voor jou?’

‘Een voor de hand liggend antwoord misschien: gesprekjes over niet weten. Om precies te zijn: demonstraties van niet zeggen. Net als mijn dwaalgesprekken. Maar uit een andere tijd en plaats. Ik bedoel daarmee: verouderd.’

‘Het ontbreekt je niet aan zelfvertrouwen.’

‘Dat heeft niets met zelfvertrouwen te maken. De meeste koans zijn zonder toelichting gewoon onleesbaar. Net zoals Middel-Nederlandse teksten voor een hedendaagse lezer. Iemand die ‘mu’ antwoordt op de vraag ‘heeft een hond de boeddhanatuur’ – wat moet je daar nou mee als Hollandse kaaskop?’

‘Een koan is een raadsel.’

‘ ‘Het hangt in een boom en het tikt’ is een raadsel. ‘Waarom kwam Bodhidharma naar China’ is geheimtaal. Wil je überhaupt aan het daarin verstopte raadsel toekomen, zo daarvan al sprake is, dan ben je afhankelijk van de uitleg van een ingewijde. De uitleg die standaard meegeleverd wordt met een collectie koans als het Boek van Sereniteit is al even verouderd als de collectie zelf en behoeft op haar beurt uitleg, enzovoort. Zo blijf je aan de gang.’

‘Maar is het wel waar dat koans alleen maar over niet weten gaan? Heb je daar wel gelijk in?’

‘Natuurlijk heb ik daar geen gelijk in! In niet weten bestaat geen gelijk of ongelijk. Dat koans over niet weten gaan is gewoon een van de tienduizend visies op koans. Lees met dit idee in je achterhoofd eens een stelletje van die dingen. Laat de buiklach opborrelen en dan: weg ermee.’

‘Met die koans?’

‘Met die koans. Met de visie dat koans over niet weten gaan. Met deze gedachte. Met dit verhaal.’

‘Weg ermee?’

‘Dat is pas vrijheid.’

‘Hè?’

‘Luister. Ik zeg alleen maar wat er in me opkomt. Ik adem in en er komt lucht mee. Ik adem uit en er komen woorden mee. Snap jij het? Lucht in, woorden uit? Ik laat een wind en er komen geen woorden mee. Of ik versta ze niet. Wat denk jij?’

‘Wou jij zeggen dat het jouw zaak niet is wat je beweert?’

‘Ook dat is mijn zaak niet. Praten is gorgelen met gas. Ik weet niet hoe ik het doe, ik weet niet wat ik ermee voor heb, ik weet niet hoe ik ermee moet stoppen. Ik heb geen idee wat ik zeg, ook al denk ik misschien van wel. Voor zover ik kan nagaan zeg ik maar wat. Nu ook weer. Ik snap niet waar het allemaal vandaan komt. Ik snap niet wat het allemaal te betekenen heeft. Ik snap niet waar het allemaal blijft. Woorden klinken op, woorden sterven weg. Wat heb ik daarmee te maken?’

‘Je meent niet wat je zegt want jij bent niet degene die spreekt.’

‘Ook die uitspraak zou ik nooit voor mijn rekening nemen. Alleen op het moment zelf meen ik weleens wat ik zeg. Maar dat is zo voorbij. Voor ik het einde van een zin heb bereikt haal ik er meestal mijn schouders al over op. Voor mij is iedere uitspraak een afdankertje. Deze ook. Misschien heb jij er nog wat aan, als poetsdoek of stoplap. Misschien ook niet, maar ik hoef ze niet terug, dankjewel.’

‘Zou je kunnen zeggen dat jij alleen maar de getuige bent van het spreken? De kenner van het gekende?’

‘Heeft een hond de boeddhanatuur?’

‘Oei.’

‘Niet slecht.’

‘Wat zou jij zeggen?’

‘Doei.’


Spontaniteit

‘In het taoïsme, het zen-boeddhisme en de mindfulness-beweging kent men de idealen van spontaniteit en authenticiteit. De verlichte zou op ieder moment volledig afgestemd zijn op de actuele situatie en daardoor zonder nadenken steeds het juiste doen.’

‘Het is merkwaardig dat een traditie die niet-oordelen hoog in het vaandel heeft, tegelijkertijd de mond vol kan hebben van juist handelen.’

‘Is jouw handelen altijd afgestemd op de situatie, Hans?’

‘Op welke situatie?’

‘De situatie zoals die zich op ieder moment voordoet.’

‘Ik ben best bereid te doen wat de situatie van mij vraagt, maar de situatie vraagt mij nooit wat. Ik ken de situatie niet en de situatie kent mij niet. Iedere situatie laat zich op talloze manieren duiden en iedere duiding vraagt iets anders van mij. Maar welke nou de juiste is?’

‘Op die manier.’

‘Gesteld dat er een juiste is.’

‘Ja, waarom eigenlijk.’

‘Gesteld dat er een situatie is.’

‘Natuurlijk is er een situatie.’

‘Misschien alleen maar in je hoofd.’

‘Het moet niet veel gekker worden.’

‘Wacht maar.’

‘Ben jij weleens berekenend?’

‘Alleen als de situatie dat van mij vraagt.’

‘Ik bedoel, speel jij weleens spelletjes?’

‘Meestal speel ik dat ik mezelf ben.’

‘Speel je dat of ben je dat?’

‘Misschien wel beide.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Of geen van beide.’

‘Dat kan ook nog.’

‘Als het maar spontaan is, wou je zeggen.’

‘Wat betekent spontaniteit voor jou?’

‘Gewoon maar wat doen?’

‘Is dat beter dan doelgericht handelen?’

‘In welk opzicht?’

‘In ieder opzicht.’

‘Niets is beter in ieder opzicht.’

‘Nee, dat zal wel niet.’

‘En waarom zou gewoon maar wat doen niet doelgericht kunnen zijn?’

‘Gewoon maar wat doen impliceert een zekere willekeur.’

‘Doelgericht handelen net zo goed. Alleen in een eerder stadium. Als je goed oplet zul je merken dat je doelstellingen steeds voortkomen uit een beperkte blik. Een kokervisie. Kijk door een andere koker en er dient zich een ander doel aan. Spontaan.’

‘Wat is daar willekeurig aan?’

‘Die koker natuurlijk.’

‘Hoe dan?’

‘De visie heiligt het doel maar wat heiligt de visie?’

‘En zonder koker?’

‘Tja.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Zie nou eerst maar eens uit die koker te komen.’

‘Heeft de verlichte rechtstreeks toegang tot de onbemiddelde werkelijkheid?’

‘Dat er een onbemiddelde werkelijkheid zou zijn, is een visie.’

‘Een kokervisie zeker.’

‘Jij zegt het.’

‘Volgens mij is iedere visie een kokervisie.’

‘Deze dan ook.’

‘En spontaniteit is gewoon maar wat doen?’

‘Of laten.’

‘Want het gaat zoals het gaat.’

‘Wat alleen maar een chique manier is om te zeggen dat je er geen vat op hebt. Dat je het niet vat.’

‘Zeker als je Hans van Dam heet.’

‘Geef het kind maar een naam.’


Transmissie

‘Wat is transmissie volgens jou?’

‘In zen bijvoorbeeld?’

‘Nou?’

‘Iemand in een kimono scheert iemand anders in een kimono met veel omhaal kaal.’

‘Wat wordt er daarbij overgedragen?’

‘Weet ik veel. Kwastjes. Slabbetjes. Glimlachjes. Knikjes. Buiginkjes. Titels. Rechten. Plichten. Pseudoniemen. Eufemismen. Oorkondes van wat geen ore hore konde.’

‘Ik bedoel symbolisch.’

‘Een brevet van onvermogen, zou ik zeggen.’

‘Niet de dharma?’

‘Dat is de dharma.’

‘Wat is de dharma?’

‘Dat je absoluut niet meer weet wat je moet zeggen.’

‘Omdat de waarheid voorbij de woorden is?’

‘De wat?’

‘Ik had het kunnen weten.’

‘Geweldig niet, zo’n passe-partiet?’

‘En natuurlijk is het weer allemaal niet waar wat je zegt.’

‘En ook niet onwaar.’

‘En natuurlijk heb je weer geen gelijk.’

‘En ook geen ongelijk.’

‘En ondertussen heb je het toch maar mooi gezegd.’

‘De nar komt overal mee weg.’

‘Voor straf wordt hij nooit serieus genomen.’

‘Voor de nar is dat de hoogste beloning.’

‘En voor jou?’

‘Ik heb geen beloning meer nodig.’


Universele verlichting

‘Hoe kijk jij aan tegen het idee dat je niet verlicht kunt worden omdat je het al bent?’

‘Ach ja. Het dogma van de universele verlichting. Wat moet ik ervan zeggen. Ik weet niet eens wat verlichting is. Tenzij verlichting niet weten is. Maar ook daarover zijn de lichtmatrozen het niet eens. Het enige wat ik van het dogma van de universele verlichting kan maken is dat je eigenlijk niet weet, nooit geweten hebt en nooit zult weten – dit ook niet.’

‘Niet weten hoeft niet bereikt te worden want je hebt nooit iets geweten.’

‘Dit ook niet.’

‘Dit ook niet.’

‘Maar dat spreekt toch vanzelf? Het is het vermelden niet waard. Binnen het verhaal van niet weten is het een wassen neus. Een open deur. Een poortloze poort, binnen zonder kloppen. In andere tradities kennelijk niet.’

‘En je ‘oorspronkelijke staat’?’

‘Komt op hetzelfde neer.’

‘Hetzelfde als wat?’

‘Als het dogma van de universele verlichting.’

‘Hoe dan?’

‘ ‘Je oorspronkelijke staat’ verwijst naar het idee van verlichting als een terugkeer naar je ‘ware aard’, het ‘gezicht dat je had voor je ouders werden geboren’.’

‘Het tijdloze, universele bewustzijn.’

‘Vul maar in, lik maar uit.’

‘Hoe begrijp jij dat?’

‘Eerst weet je niets; naarmate je ouder wordt meen je steeds meer te weten en uiteindelijk besef je dat al je kennis ongegrond is, dat je nog steeds niets weet, dit ook niet. Zodat je sinds je geboorte, gesteld dat je geboren bent tenminste, in termen van absolute waarheden en universele waarden geen snars bent opgeschoten. Nog steeds een onbeschreven blad bent. Een spiegel zonder stof. Ruimte zonder spiegel. Een maagd zonder vlies.’

‘Want er zijn geen absolute waarheden.’

‘Toch weer een absolute waarheid gevonden?’

‘Want alles is relatief.’

‘Toch weer een absolute waarheid gevonden?’

‘Je hoeft er niet naar terug te keren, naar je oorspronkelijke staat van niet weten, want je bent er nooit weggeweest.’

‘Toch weer een absolute waarheid gevonden?’


Geleidelijk of plotseling

‘Volgens sommigen is verlichting iets wat je steeds dichter benadert naarmate je jezelf vervolmaakt. Volgens anderen is het een kwestie van alles of niets. Eerst ben je pertinent niet verlicht en dan ineens, door een woord, een gebaar of een op zichzelf genomen onbeduidende gebeurtenis zoals de kreet van een pauw, pertinent wel. Wat maak jij daarvan?’

‘Bij geleidelijke verlichting denk ik aan een zoeker die langzamerhand steeds meer van zijn zekerheden kwijtraakt – zekerheden omtrent de vraag wie hij is, wat waarneming is, wat de wereld is, wat zijn plaats in de wereld is, wat liefde is, wat gezondheid is, wat ziekte is, wat leven is, wat dood is, wat denken, taal en logica zijn, hoe hij moet leven, waarnaar hij moet streven, et cetera. Naarmate er meer zekerheden wegvallen, komt hij steeds dichter bij het verdwijnpunt dat niet weten heet – dat op het punt van verdwijnen zelfs geen niet weten meer mag heten omdat het mee verdwijnt.

Bij plotselinge verlichting denk ik aan het principiële verschil tussen weten, hoe weinig ook, en niet weten. Zolang je nog vaste grond onder je voeten hebt, al is het maar de sceptische overtuiging dat er niets te weten valt, woon je nog in het weten. Net zoals de reeks 1, 1/2, 1/4, … het getal 0 wel benadert maar nooit bereikt. Een echte dummy word je pas wanneer je radicaal stopt met rekenen en eindelijk die ellenlange staartdeling kwijtraakt die je al die jaren achter je aan hebt gesleept. Dan pas is je boek werkelijk leeg. Ook de gedachte dat je dan eindelijk een echte dummy bent wiens boek werkelijk leeg is, staat er niet meer in.’

‘Geleidelijk betekent volgens jou rustig aan je stoelpoten zagen. Plotseling is alleen het moment dat je door je stoel zakt.’

‘Zo je wilt. Maar wat mij betreft is dit opnieuw een non-issue. De hele kwestie berust op het idee dat er zoiets is als verlichting en iemand die verlicht kan worden en een weg om van de ene toestand naar de andere te gaan. Zonder die uitgangspunten blijft er niets van over. Waarmee ik niet wil zeggen dat er niet zoiets is als verlichting en niemand die verlicht kan worden en geen weg om van de ene toestand naar de andere te gaan; dat is alleen maar een andere plek in hetzelfde moeras.’

‘Het is een schijnprobleem veroorzaakt door essentialistisch denken.’

‘Denken in termen van schijnproblemen veroorzaakt door essentialistisch denken is essentialistisch denken en veroorzaakt schijnproblemen.’

‘Juist.’

‘En schijnoplossingen natuurlijk.’

‘Hoe moeten we dan denken?’

‘Zie je wel?’

‘Er is alleen maar niet-weten.’

‘Zie je wel?’


Eeuwige Wijsheid

‘Zou je kunnen zeggen dat niet-weten de lingua franca, de universele taal, het Esperanto van de spiritualiteit is?’

‘Je kunt zeggen wat je wilt. We leven in een vrij land. Als je maar niet denkt dat het waar is omdat je het zegt of dat je het zegt omdat het waar is.’

‘Toch krijg ik de indruk dat niet weten voor jou de kern van alle spiritualiteit en religie vormt.’

‘Kern?’

‘Als in Perennial Wisdom.’

‘Niet weten is niet fundamenteler dan andere verhalen. Het is niet de universele taal van de spiritualiteit. Het is geen fundamenteel verhaal. Het is geen universele taal. Geen Esperanto en geen Desperanto. Niet dat ik weet.’

‘Volgens de traditie van de Eeuwige Wijsheid zijn er bepaalde oerwaarheden en oerwaarden waar alle tradities het over eens zijn…’

‘Te weten?’

‘Nou…’

‘Het enige waar alle tradities het over eens zijn is de lege leer.’

‘Nergens over dus.’

‘Niet zo cynisch. Zo’n beetje de grootste uitvinding in de geschiedenis van de wiskunde is het getal nul.’

‘Volgens het Universalisme …’

‘Babylonische spraakverwarring is de universele taal van de spiritualiteit. Kijk maar eens wat boeken in. Klik maar eens wat websites aan. Loop maar eens wat kerken, synagogen, moskeeën, zendo’s, sangha’s, satsangs binnen. Luister maar eens in de open lucht. Alle vogeltjes zingen door elkaar. Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is. En een van die vogeltjes ben ik. Tjiep tjiep tjiep.’

‘Toch is niet weten je leidmotief.’

‘Niet weten is toevallig mijn moedertaal. Daarom is het alleen maar logisch dat ik termen uit andere tradities herleid tot die van niet weten. Het is aan anderen om mijn termen te herleiden tot die van hun eigen traditie als ze daar behoefte aan hebben.’

‘Je zegt er wel wat bij.’

‘Daar ben ik ook bang voor.’

‘Mij bekruipt steeds meer het gevoel dat je er gewoon, eh…’

‘Wat?’

‘Dat je er gewoon, eh… niets van begrepen hebt.’

‘Waarvan?’

‘Van spiritualiteit. Religie. Verbondenheid. Liefde. Verlichting.’

‘Dat is nou net wat ik je de hele tijd duidelijk probeer te maken.’

‘Wat?’

‘Dat ik niets werkelijk begrijp. Dat ik werkelijk niets begrijp.’

‘Ik bedoel, volgens mij sla je gewoon de plank mis.’

‘Ik bedoel, welke plank.’

‘Wou jij beweren dat er geen plank is?’

‘Dat zou nog steeds een plank zijn.’

‘Wat voor plank?’

‘Dezelfde plank als altijd.’

‘Te weten?’

‘De plank voor je kop.’


Zeg dat dan meteen

Hieronder nogmaals het idee van niet-weten als passe-partout voor spirituele en religieuze begrippen en uitspraken, maar nu in de vorm van korte, op zichzelf staande dwaalgesprekjes.

sleutel uitgelicht


De via negativa

‘Waartoe zijn wij op aarde?’
‘Om het goddelijke in onszelf te ontdekken, Hans.’
‘Hoe moeten wij volgens jou het goddelijke benaderen?’
‘Het goddelijke laat zich alleen langs de via negativa benaderen.’
‘Langs de wat?’
‘De negatieve weg.’ Niet dit, niet dat.’ Neti neti.’
‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Je geeft een opsomming van allerlei begrippen of tegenstellingen waaraan het onzegbare ongelijk is.’
‘Geef eens een voorbeeld.’
‘God is liefde noch haat, één noch veel, begrensd noch onbegrensd, persoonlijk noch onpersoonlijk, menselijk noch onmenselijk, bestaand noch onbestaand.’
‘Wat is god dan wel?’
‘Tja.’
‘Is dat wat hij is of weet je het niet?’
‘Als ik het wist zou ik de via negativa niet bewandelen.’
‘Dus eigenlijk is de via negativa een stijlfiguur om duidelijk te maken dat je iets niet weet?’
‘Het is een methode om boven het bekende uit te stijgen.’
‘Is ‘een methode om boven het bekende uit te stijgen’ niet gewoon het volgende eufemisme voor ‘ik weet het eigenlijk niet’?’
‘Ik weet het eigenlijk niet.’
‘Dat ook al niet?’

‘Zeg dat dan meteen.’


Op de vleugels van de wind

‘Wat heeft religie jou geleerd?’
‘Dat Gods wegen wonderbaarlijk zijn, Hans.’
‘Pardon?’
‘Ik bedoel dat mijn eindige verstand te klein is om het oneindige te kunnen bevatten.’
‘Hè?’
‘Ik heb het over het numineuze.’
‘Het wat?’
‘Dat het leven één groot mysterie is.’
‘Wat bedoel je nou toch?’
‘ ‘Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen.’ ‘
‘Wie zegt dat?’
‘Romeinen 11.’33.’
‘En?’
‘ ‘De wind is heel snel en behendig: je weet niet vanwaar hij komt en waar hij heen wil.’ Deze wind is de allerinnerlijkste mens, de verborgen, hoogste mens, naar Gods beeld en godsvormig.’ Die gaat ver boven alle begrip uit en boven alles wat we met ons werkende verstand kunnen bedenken.’ Op de vleugels van de wind wiekt de geest steeds boven zichzelf uit, hoger dan ooit een adelaar opvloog in de richting van de liefelijke zon of het vuur opsteeg naar de hemel: zo wiekt de geest op naar de goddelijke duisternis, zoals Job zei: ‘Zo is voor de mens de weg verborgen en is gehuld in duisternis; op naar de duisternis van de onbekendheid van God, daar waar Hij is boven alles wat men Hem kan toeschrijven, daar waar Hij naamloos, vormloos, beeldloos is boven alle zijnswijzen en boven al het zijn uit.’ ‘
‘Wie zegt dat nou weer?’
‘De veertiende-eeuwse Rijnlandse mysticus Johannes Tauber.’
‘Hij klinkt als een geestelijke.’
‘Hij wás een geestelijke.’
‘Zo plechtstatig.’
‘Mooi, hè?’
‘In zijn tijd misschien.’
‘Voor mij zijn het tijdloze woorden.’
‘Andermans woorden.’
‘Woorden zijn woorden.’
‘Zeg het eens in je eigen woorden.’
‘Ik… hoe onbegrijpelijk… de mens… mond vol tanden… lege handen… niets dan vraagtekens… tjemig…’
‘Volgens mij bedoel je gewoon dat je niks van het leven snapt.’

‘Of niet soms.’
‘Daar kon je weleens gelijk in hebben, Hans.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Kant noch wal

‘Waar kun je Gods woord beluisteren?’
‘Niet in de bijbel, als je het mij vraagt.’
‘Waar wel?’
‘In jezelf, Hans.’
‘O?’
‘God spreekt in de mislukking van het denken.’
‘Wie zegt dat?’
‘Immanuel Kant.’
‘Wat kan hij daarmee bedoeld hebben?’
‘Dat God groter…’
‘Over wiens denken had hij het, denk je?’
‘Zijn eigen denken, zou ik denken.’
‘Zou hij zijn eigen denken als mislukt hebben beschouwd?’
‘Daar lijkt het wel op.’
‘Wanneer zeg je dat je denken mislukt is?’
‘Als het… als het…’
‘Goed gezegd.’
‘Als het nietszeggend is?’
‘Wat betekent het dat god spreekt in de mislukking van het denken?’
‘Dat Hij… dat Hij…’
‘Goed gezegd.’
‘Dat Hij niets zegt?’
‘Heeft god gezegd dat hij een hij is?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of een zij?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of een het?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Heeft god gezegd dat hij bestaat?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of dat hij niet bestaat?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Of dat hij spreekt in de mislukking van het denken?’
‘Dat is te zeggen…’
‘Of dat hij daarin zwijgt?’
‘Niet dat ik weet.’
‘Wie spreekt er hier met mij?’
‘Ik?’
‘En wat zegt ik steeds?’
‘Ik zegt steeds ‘niet dat ik weet’.’
‘Zegt ik dat of weet ik dat?’
‘Ik weet het niet, ik zegt maar wat.’
‘Wie of wat spreekt er in de mislukking van jouw denken?’
‘Ik zou het echt niet weten.’
‘Spreekt de mislukking van jouw denken niet voor zich?’
‘Tja.’
‘Maar wat ze nou wil zeggen?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Je oorspronkelijke staat

‘Wat is verlichting volgens jou?’
‘Terugkeren naar je oorspronkelijke staat, Hans.’
‘Bedoel je dat je al eerder verlicht bent geweest?’
‘Zo kun je het ook zeggen.’
‘Wanneer dan?’
‘Als baby.’
‘Was jij een verlichte baby?’
‘Niet ik in het bijzonder; alle baby’s zijn verlicht.’
‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Prereflexief denken. Geen onderscheid maken. Niet oordelen. Eén zijn met de wereld.’
‘Maakt een baby geen onderscheid of weet hij geen onderscheid te maken?’
‘Nou…’
‘Oordeelt hij niet of weet hij niet te oordelen?’
‘Voor zover ik weet…’
‘Is hij één met de wereld of weet hij het verschil niet tussen zichzelf en zijn moeder en de dingen om zich heen?’
‘Hij weet het niet, denk ik.’
‘Herinner je je dat of gis je maar wat?’
‘Herinneren is een groot woord…’
‘Dus ‘verlichting is terugkeren naar je oorspronkelijke staat’ betekent zoveel als ‘toen wist ik misschien geen onderscheid te maken en nou weer niet; toen wist ik misschien niet te oordelen en nou weer niet; toen wist ik misschien het verschil tussen mijzelf en de rest niet en nou weer niet’?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Niemand hier

‘Hoe is het nou met je?’
‘Met wie?’
‘Pardon?’
‘Niemand hier, Hans.’
‘Daar gaan we weer.’
‘Ik pretendeer niet origineel te zijn.’
‘Maar wat bedoel je er precies mee?’
‘Ik ben niet-iemand, niemand. Ik besta niet echt. ‘Ik’ bestaat niet. ‘Ik’ is een wijze van spreken. ‘Ik’ is een illusie.’
‘Hoe kom je tot die gedachte?’
‘Wie zou ik moeten zijn? Mijn naam? Die is toevallig. Mijn herinneringen? Die zijn vluchtig. Mijn persoonlijkheid? Die verandert voortdurend. Mijn lichaam? Idem dito. Mijn werk, mijn prestaties, mijn rollen, mijn netwerk? Allemaal zo veranderlijk als het weer.’
‘Je kunt geen vaste, onveranderlijke kern ontdekken.’
‘Precies.’
‘Dus eigenlijk weet je niet wie je bent?’
‘Jawel, ik ben niemand.’
‘Is een wolk niets?’
‘Een wolk is een wolk.’
‘Is een wolk een illusie?’
‘Een wolk is… een wolk?’
‘Ook al kun je er geen vaste, onveranderlijke kern in ontdekken?’
‘Hm.’
‘Als het niet heet is, is het dan koud?’
‘Natuurlijk niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het net zo goed warm of lauw kan zijn.’
‘Als je niet iemand bent, ben je dan niemand?’

‘Dus met ‘niemand hier’ bedoel je eigenlijk ‘ik weet niet wie of wat of dat ik ben’?’
‘Ik zou het anders ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Het is wat het is

‘Wat is het leven?’
‘Het is wat het is, Hans.’
‘Wat dat ook moge wezen?’
‘Precies.’
‘Maar je weet niet wat het wezen mag?’
‘Nee, anders had ik dat wel gezegd.’
‘Dus je weet niet wat het is?’
‘Ik veronderstel van niet.’
‘En wat bedoel je precies met ‘het’?’
‘Als ik dat wist had ik het wel benoemd.’
‘Dus eigenlijk zei je twee keer niks.’
‘Van jou geleerd.’
‘Het is wat.’
‘Nee, het is wat het is.’
‘In de zin van ‘Ik weet niet wat datgene wat ik niet weet te benoemen wezen mag’?’
‘Klinkt belachelijk.’
‘Wat weet je van ‘het’ in de zin ‘het regent’?’
‘Niks.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het niet naar een of andere entiteit verwijst.’
‘Waar verwijst het wel naar?’
‘Het is gewoon een hulpwoord.’
‘En ‘het’ in de zin ‘het is wat het is’?’
‘Wat is daarmee?’
‘Verwijst dat naar een of andere entiteit?’
‘Als ik ja zeg vraag je me natuurlijk meteen hoe ik dat weet…’
‘Hoe weet je dat?’
‘En naar welke entiteit het dan wel verwijst.’
‘En naar welke entiteit verwijst het dan wel?’
‘Maar dat weet ik ook al niet.’
‘Wat weet je eigenlijk wel?’

‘Zeg dat dan meteen.’


Sum qui sum*

‘Wie ben jij?’
‘Ik ben die ik ben, Hans.’
‘Het onderwerp is gelijk aan het gezegde.’
‘Nou je het zegt.’
‘Zoiets heet een tautologie.’
‘Een tautologie?’
‘Een manier om niets te zeggen zonder in leugens te vervallen.’
‘O.’
‘Dat was precies de bedoeling, wou je zeggen.’
‘Ik wou alleen maar mijn zelfidentiteit bevestigen.’
‘Je wat?’
‘Het onverloochenbare feit dat ik zelfidentiek ben.’
‘Nou nou.’
‘Dat ik uniek ben en alleen aan mezelf gelijk.’
‘Dat is een aardappel ook.’
‘Aardappels hebben geen zelfbewustzijn.’
‘Dat denken ze van ons ook.’
‘Alles wat ik over mezelf zeg is teveel gezegd.’
‘Ik ben die ik ben niet?’
‘Je moet toch wat.’
‘Van wie?’
‘Vind jij soms dat we moeten zwijgen?’
‘Waarover?’

‘Waarom?’

‘Wat maakt het uit wat ik vind?’

‘Ik bedoel, wie ben ik?’

‘Of liever, wie ben jij?’

‘Volgens mij vind jij dat we moeten zwijgen.’
‘Nee, ik weet alleen niet meer wat ik moet zeggen.’
‘Zeg dat dan meteen.’


* Wijze waarop Jahweh zichzelf omschrijft in Exodus 3:14; ook wel
vertaald als ‘Ik ben die ik zijn zal’ of ‘Ik zal zijn wie ik zijn zal’.’


Alleen maar dit

‘Wat is werkelijk?’
‘Alleen maar dit, Hans.’
‘Wat bedoel je met ‘dit’?’
‘Alles wat ik nu gewaar word.’
‘Wat is het dat je nu gewaar wordt?’
‘Als ik dat wist zou ik het wel zeggen.’
‘Maar je weet het niet?’
‘Nee.’
‘Je weet alleen maar dat het is?’
‘Nee, ik weet alleen maar wat ik nu gewaar word.’
‘Maar niet wat het is dat je nu gewaar wordt?’
‘Nee, maar dat doet er ook niet toe.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat het toch een illusie is.’
‘Maar dat weet je dan weer wel?’

‘Nou?’
‘Omdat het een illusie zou kunnen zijn.’
‘Maar dat weet je ook niet?’
‘Strikt genomen niet, nee.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik het illusoire ervan niet gewaar wordt.’
‘Je denkt het alleen maar.’
‘Ik denk het.’
‘Wat weet je eigenlijk wel?’
‘Ik weet alleen maar wat ik nu gewaar wordt.’
‘Denk je dat nou nog steeds?’
‘Nou…’
‘En wat bedoel je eigenlijk met ‘alleen maar’?’
‘Dat er niets anders is?’
‘Hoe weet je dat?’
‘Ik zou niet weten wat er anders moest zijn dan dit wat ik nu gewaar wordt.’
‘Volgt uit het feit dat jij niet weet wat er anders moest zijn dan dit wat je nu gewaar wordt dat er niets anders is dan dit wat je nu gewaar wordt?’
‘Strikt genomen niet, nee.’
‘Dus ‘alleen maar dit’ betekent zoveel als ‘ik weet niet wat er is en wat het is en of het is en of er verder nog iets is’?’

‘Zeg dat dan meteen.’


Alles is één

‘Wat is volgens jou de hoogste waarheid?’
‘Dat alles één is, Hans.’
‘Heb je het nageteld?’
‘Je weet heus wel wat ik bedoel.’
‘Daar zou ik maar niet van uitgaan.’
‘Zoals je zelf altijd zegt: hoe langer je erover nadenkt, hoe vager het onderscheid tussen de dingen onderling en tussen jou en de rest van de wereld.’
‘Ik kan wel zoveel zeggen.’
‘Dan neem ik het zelf wel voor mijn rekening.’
‘Heb jij daadwerkelijk vastgesteld dat er geen principieel onderscheid is tussen de dingen onderling en tussen jou en de rest van de wereld, of heb je het onderscheid nog niet kunnen vinden?’
‘Hoe stel je zoiets vast?’
‘Dat weet je ook al niet?’
‘Eerlijk gezegd niet, nee.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Oké, ik heb geen principieel onderscheid kunnen vinden tussen de dingen onderling en tussen mij en de rest van de wereld, wat niet betekent dat het er niet is.’
‘Wat betekent het wel?’
‘Het betekent dat de dingen best weleens één zouden kunnen zijn.’
‘Of niet natuurlijk.’
‘In ieder geval kun je de mogelijkheid niet uitsluiten.’
‘Als het niet regent, is het dan droog?’
‘Nou?’
‘Niet als het sneeuwt.’
‘Flauw.’
‘Of hagelt.’
‘Tja.’
‘Of mist.’

‘Dus?’
‘Wat was de vraag ook alweer?’
‘Wat het betekent dat je geen principieel onderscheid tussen de dingen onderling en tussen jou en de wereld hebt kunnen vinden.’
‘Ik wéét niet of het wat betekent.’
‘Nou, ik ook niet.’
‘Maar ik heb het wel erváren.’
‘Wat heb je ervaren?’
‘Tijdens het mediteren heb ik meerdere malen de eenheid van het universum gevoeld. Een schitterende ervaring! Pure bliss! De hoogste waarheid!’
‘Wat ervaar je op dit moment?’
‘Gewoon.’
‘Geen eenheid.’
‘Niet op dit moment.’
‘Is dat dan niet de hoogste waarheid?’
‘Hoezo?’
‘Je ervaart het toch?’

‘Of niet soms?’

‘Lastig hè, al die verschillende ervaringen?’
‘Ook als eenheid niet ervaren wordt blijft ze de drager van de dualiteit.’
‘Ook als dualiteit niet ervaren wordt blijft ze de drager van de eenheid.’
‘Dan weet ik het ook niet meer.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Onuitsprekelijk

‘Waarom wil je me de waarheid niet vertellen?’
‘Omdat de Waarheid zich niet in woorden laat uitdrukken, Hans.’
‘Bedoel je dat je niet weet hoe je het moet zeggen?’
‘Precies.’
‘Waarom spreek je dan toch van waarheid?’
‘Je moet toch wat.’
‘Maar je had net zo goed iets anders kunnen zeggen?’
‘Zoals?’
‘Het hoogste?’
‘Waarom niet?’
‘God?’
‘Natuurlijk.’
‘De leugen?’ Het laagste?’ De duivel?’
‘Strikt genomen wel, ja.’
‘Want eigenlijk weet je niet hoe je het moet zeggen.’
‘Dat zeg ik.’
‘En eigenlijk weet je ook niet wat het is dat je niet weet te zeggen.’
‘Je drijft het wel op de spits.’
‘En is het wel iets of is het veeleer niets?’
‘Ja, hoe weet ik dat nou.’
‘Ook dat weet je niet?’
‘Strikt genomen niet, nee.’
‘En ruim genomen?’
‘Ook niet.’
‘Wat is de waarheid dan wel?’
‘De waarheid ken je niet, die ben je.’
‘Zou je ook iets anders kunnen zijn?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Waar hebben we het dan over?’
‘Ik bedoel, de waarheid lééf je.’
‘Zou je ook iets anders kunnen leven?’
‘Ik zou niet weten hoe.’
‘Want ieder leven is een waar leven?’
‘Wat zou het anders kunnen zijn?’
‘Begrijp ik het goed dat het volgens jou onmogelijk is om in onwaarheid te leven?’
‘Nogmaals, ik zou niet weten hoe.’
‘Dan vraag ik je nogmaals, waar hebben we het nog over?’
‘Ik weet het niet.’
‘Wat betekent het dan nog om de waarheid te leven?’
‘Ik weet het niet.’
‘Ik bedoel, als er toch geen alternatief is?’
‘Ik weet het niet.’
‘Ben je je tong verloren?’
‘Ik ben met stomheid geslagen.’
‘Is dit wat je bedoelt met ‘de waarheid laat zich niet in woorden uitdrukken’?’
‘Ik weet het niet.’
‘Zeg dat dan meteen.’


De wijsheid voorbij

‘Prajna bevat geen gnosis, Hans.’
‘Doe maar duur.’
‘Dat is Sanskriet.’
‘Waarheid verzekerd.’
‘Zo voelt het wel een beetje.’
‘Maar wat het nou betekent?’
‘Het hoogste inzicht is gespeend van kennis.’
‘Wie zegt dat?’
‘Sengzhao, Chinese wijsgeer, vijfde eeuw na Christus.’
‘En wat betekent het?’
‘Dat de hoogste waarheid geen inhoud heeft.’
‘Pardon?’
‘Het gaat hier om een… eh… leer zonder lering… alleen het derde oog… onzegbaar…’
‘Waar heb je het toch over?’
‘De wijsheid voorbij alle wijsheid…’
‘De wat?’
‘Eh… dat we, eh… niks zeker… hoegenaamd niks, eh… weten… zonder woorden… zogezegd.’
‘Zeker weten?’
‘Nee.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Prajnaparamita

”In de stroom van Wijsheid gaat de verlichte voorbij alle Wijsheid.”
‘De Hartsoetra.’
‘Wie kent hem niet.’
‘En waar komt de verlichte dan uit volgens jou?’
‘Weet je dat dan niet, Hans?’
‘Help me eens op weg.’
‘Bij Prajnaparamita, Volmaakte Wijsheid.’
‘Wat is volmaakte wijsheid?’
‘Het Hoogste Inzicht.’
‘Wat is het hoogste inzicht?’
‘De Diepste Waarheid.’
‘Wat is de diepste waarheid?’
‘Datgene wat geen oor kan horen en geen oog kan zien.’
‘Wat is het dat geen oor kan horen en geen oog kan zien?’
‘De Wijsheid voorbij alle Wijsheid.’
‘Dus als de verlichte in de stroom van wijsheid voorbij alle wijsheid gaat dan vindt hij daar de wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Precies.’
‘Wie had dat kunnen denken.’
‘Alleen Boeddha.’
‘Maar wat is toch die wijsheid voorbij alle wijsheid?’
‘Wijsheid zonder kennis dus. Zonder object. Zonder inhoud. Zonder weten.
‘Waaraan ontleent deze lege wijsheid zijn karakter van wijsheid?’
‘Aan niet-weten, zou ik zeggen. De Wijsheid voorbij alle Wijsheid is een zuiver niet-weten. Niet-weten is de exclusieve kenmodus van de Wijsheid voorbij alle Wijsheid.’
‘Voorbij alle wijsheid gaan betekent al het weten achter je laten?’
‘Precies.’
‘Hoe weet je dat eigenlijk?’
‘Dat staat in de Hartsoetra.’
‘En als de Hartsoetra het nou bij het verkeerde eind heeft?’
‘Miljoenen beschouwden en beschouwen de Hartsoetra als het laatste woord.’
‘Dat geldt voor zoveel teksten.’
‘Tja.’
‘Je hebt het dus niet zelf ondervonden?’
‘Hm.’
‘Nou?’
‘Nog niet, maar…’
‘Ja of nee?’
‘Nee.’
‘Dus eigenlijk weet je het niet?’
‘Ik heb al zo vaak…’
‘Dus eigenlijk weet je het niet?’
‘Ik vermoed…’
‘Als je zegt: ‘In de stroom van wijsheid gaat de verlichte voorbij alle wijsheid’ bedoel je alleen maar dat de verlichte misschien niets weet, maar dat je dat eigenlijk ook niet weet?’

‘Zeg dat dan meteen.’


Sunyata

‘Wat is spiritualiteit voor jou?’
‘Sunyata, Hans.’
‘Insgelijks.’
‘Je weet toch wel wat sunyata betekent?’
‘Proost?’
‘Proost!’
‘Een groet, dan?’
‘Een groet!’
‘Of was het nou een belediging…’
‘Sunyata is Sanskriet voor leegte.’
‘Dat zeg ik.’
‘Je zei heel wat anders.’
‘Wat bedoel je precies met leegte?’
‘Dat niets is wat het lijkt.’
‘Wat is het dan wel?’
‘Een ding of een begrip is simpelweg alle andere dingen en begrippen waarvan het voor zijn bestaan afhankelijk is.’
‘En al die andere dingen en begrippen?’
‘Ook.’
‘Een ding of begrip is alle andere dingen en begrippen en alle andere dingen en begrippen zijn ook alle andere dingen en begrippen?’
‘Dat is sunyata.’
‘Dus eigenlijk betekent het dat je van niets weet wat het op zichzelf beschouwd is of wat je ervan kunt verwachten of wat je ervan moet denken?’
‘Nou, eh…’
‘Maar wel dát het is?’
‘Eh…’ niet als zodanig.’
‘Als het erop aankomt weet je van geen enkel ding of begrip wat het is of zelfs maar dat het is?’
‘Daar komt het wel op neer.’
‘Geldt dat misschien ook voor het begrip sunyata?’
‘Oei.’
‘Waar hebben we het dan nog over?’
‘Ik zou het ook niet weten.’
‘Zeg dat dan meteen.’


De weg en de waarheid

‘Wie ben jij?’
‘Ik ben de weg en de waarheid, Hans.’
‘Waarheen loopt die weg?’
‘Naar de waarheid natuurlijk.’
‘Waar heb je een weg voor nodig als je al de waarheid bent?’
‘Oeps.’
‘Nou?’
‘Oké, dan ben ik gewoon de waarheid.’
‘Wat is de leugen?’
‘Dat weet ik niet want ik ben de waarheid.’
‘Als je de leugen niet kent hoe weet je dan of je de waarheid bent?’
‘Omdat alles waarheid is.’
‘Wat betekent dat nog bij gebrek aan een tegenpool?’

‘Begrijp ik het goed dat de weg die jij zou zijn nergens heen gaat en dat de waarheid die jij zou zijn een nietszeggend eufemisme zonder tegenhanger is?’
‘Ik… weet niet wat ik zeg.’
‘Zeg dat dan meteen.’


De weg is het doel

‘Wat is de weg?’
‘Het doel, Hans.’
‘De weg is het doel?’
‘Mooi, hè?’
‘Sofisterij.’
‘Wat?’
‘Waarom zou de weg het doel zijn?’
‘Omdat de weg nou eenmaal nergens heen gaat.’
‘Hoe weet je dat de weg nergens heen gaat?’
‘Wablief?’
‘Heb je dat persoonlijk vastgesteld?’
‘Omdat… het komt mij voor… ze zeggen… het is toch logisch… wat zou er…’
‘Heb je iedere weg tot het einde toe afgelopen?’
‘Hoe kan dat nou.’
‘Wat klets je dan.’
‘Maar stel nou dat er inderdaad geen eindbestemming zou zijn.’
‘Stel.’
‘Wat kan het doel dan anders zijn dan de weg zelf?’
‘Wat betekent dat nou helemaal.’
‘Dat de weg zichzelf rechtvaardigt.’
‘In welk opzicht?’
‘Eh…’
‘Volgens welke gedachte?’
‘Nou…’
‘Wat is volgens jou het verschil tussen zelfrechtvaardigend en ongerechtvaardigd?’
‘Dat…’ weet ik eerlijk gezegd niet.’
‘Wat weet je eerlijk gezegd wel?’
‘Eerlijk gezegd niks.’
‘Is dat wat je bedoelt met ‘De weg is het doel’?’
‘Het lijkt er wel op.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Van het doek en de film

‘Wat is jouw ware aard?’
‘Ik ben het doek, niet de film, Hans.’
‘Pardon?’
‘Ik heb mezelf jarenlang geïdentificeerd met de hoofdrolspeler in de film van mijn leven maar nu besef ik dat het al die tijd alleen maar een film was.’
‘En jij?’
‘Ik ben alleen maar het doek waarop de film geprojecteerd wordt.’
‘Niet de toeschouwer?’
‘Eh…’
‘Niet de zaal?’
‘Eh…’
‘Niet het geheel van film, doek, zaal en publiek?’
‘Eh…’
‘Maar in geen geval de acteur.’
‘Dat bedoel ik.’
‘Hoe ben je tot die conclusie gekomen?’
‘Ik heb jarenlang naar mezelf gezocht. Wie ben ik? Wat is mijn wezen? Wat is het dat hetzelfde blijft doorheen alle veranderingen? Maar ik heb niets kunnen vinden. Niets dat aldoor hetzelfde blijft. Ik ben er niet in geslaagd te bepalen wie of wat ik ten diepste ben.’
‘En toen?’
‘Heb ik me een tijdje heel leeg gevoeld.’
‘En toen?’
‘Viel eindelijk het kwartje.’
‘Welk kwartje?’
‘Dat dát is wat ik ben.’
‘Wat?’
‘Leegte. Bewustzijn. Gewaarzijn. Het zijn zelf.’
‘O?’
‘Ik ben het onbepaalde en het onbepaalbare waarin alles verschijnt.’
‘En daarom zeg je dat je het doek bent en niet de film?’
‘Precies.’
‘En wat is het doek?’
‘Ik ben het doek.’
‘En wat betekent dat concreet?’
‘Dat ik… dat ik… dat ik…’
‘Nou?’
‘Omdat ik er niet achter kan komen wie…’
‘Ga door.’
‘Omdat ik geen idee heb hoe… of wat…’
‘Nou?’
‘Dat bedoel ik dus.’
‘Wat?’
‘Dat ik ten diepste niet weet wie of wat ik ben.’
‘Maar wel dat je bent?’

‘Wat schiet je ermee op jezelf het doek te noemen als je niets over het doek weet?’

‘Als je niet eens weet of het doek dat je bent wel bestaat?’

‘Als het een beetje tegenzit is dit gewoon de volgende film waarin jij de hoofdrol speelt.’
‘Welke film?’
‘De film waarin jij het doek blijkt te zijn, natuurlijk.’
‘Hè?’
‘Goeie titel.’
‘Wat?’
‘Of wat dacht je van ‘De man die zichzelf voor een doek aanzag’?’
‘Ik weet niet wie ik ben.’
‘Zeg dat dan meteen.’


* vergelijkbare uitspraken:

Ik ben het kennen, niet het gekende.
Ik ben het minnen, niet het beminde.
Ik ben het bewustzijn, niet de inhoud.
Ik ben de computer, niet de software.
Ik ben de geest, niet zijn gedachten.
Ik ben God, niet zijn schepping.
Ik ben het krijtbord, niet het krijt.
Ik ben het boek, niet de tekst.
Ik ben de leegte, niet de vorm.
Ik ben de lucht, niet de wolk.
Ik ben het nu, niet de tijd daarin.
Ik ben openheid, niet wat er binnenkomt.
Ik ben de ruimte, niet de dingen daarin.
Ik ben de spiegel, niet de weerspiegelingen.
Ik ben de stilte, niet het geluid.
Ik ben de televisie, niet het programma.
Ik ben de toeschouwer, niet het spektakel.
Ik ben het water, niet de golf.


Spontaniteit

‘Waaraan herkent men de verlichte?’
‘Aan zijn spontaniteit, Hans.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Zonder nadenken reageert hij onmiddellijk en trefzeker op iedere situatie.’
‘Waarom zou de verlichte niet meer nadenken?’
‘Dat heeft hij niet meer nodig.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat hij in één klap de juiste…’
‘De juiste?’
‘Omdat hij geen onderscheid meer maakt tussen…’
‘Maakt?’
‘Weet te maken.’
‘Omdat hij geen onderscheid meer weet te maken?’
‘Tussen juist en onjuist.’
‘Waarom is hij daarmee gestopt, denk je?’
‘Omdat hij er…’
‘Nou?’

‘Toch niet uitkwam?’

‘Dus?’
‘Kun je net zo goed het eerste het beste doen wat je invalt?’
‘Spontaniteit betekent gewoon maar wat doen want je moet toch wat?’
‘Daar lijkt het wel op.’
‘Zeg dat dan meteen.’


Zelfrealisatie

‘Eindelijk heb ik het zelf gerealiseerd!’
‘Wat heb je gedaan?’
‘Ik heb mijn ware zelf gevonden, Hans.’
‘Waar lag het?’
‘Overal, dat is nou net de grap.’
‘Ik kom niet meer bij.’
‘Idioot hè.’
‘Maar waarom zeg je dan dat je het gerealiseerd hebt?’
‘Zo zeg je dat nou eenmaal.’
‘Het klinkt in ieder geval goed.’
‘Dank je.’
‘Je zou haast denken dat je wat gepresteerd had.’
‘Vind je ook niet?’
‘Wat houdt dat ware zelf zoal in?’
‘Alles dus.’
‘En daar heb je al die jaren voor nodig gehad?’
‘Ik heb mijzelf en de wereld minutieus onderzocht en uiteindelijk moeten vaststellen dat er geen verschil is.’
‘Je kon de grens tussen binnenwereld en buitenwereld niet vinden?’
‘Precies.’
‘Begrijp ik het goed dat je gewoon niet meer weet waar jij ophoudt en waar de wereld begint?’
‘Dat kan ik niet tegenspreken.’
‘En dat je niet eens meer weet of er wel sprake is van een jij of een wereld?’
‘Nou…’
‘Als je zegt dat je het zelf hebt gerealiseerd, bedoel je eigenlijk alleen maar dat je geen idee meer hebt hoe het allemaal in elkaar steekt?’

‘Nou?’
‘Daar komt het wel op neer.’
‘Zeg dat dan meteen.’