Patricia de Martelaere

‘Het scepticisme maakt plaats voor de perplexiteit.’ Citaten van hoogleraar, filosofe en schrijfster Patricia de Martelaere (1957-2009).

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Filosofie > Patricia de Martelaere


uit Het dubieuze denken, 1996:


Radicalisering van het scepticisme

De twintigste eeuw is de eeuw van de grootste sceptici, die zich echter, vreemd genoeg, geen sceptici meer wensen te noemen. De twintigste eeuw is het einde van het scepticisme, doordat hij er de extreme radicalisering van is. (82)


Perplexiteit

Het scepticisme maakt plaats voor de perplexiteit. De twijfel aan de betrouwbaarheid van de werking en de resultaten van de rede in bepaalde omstandigheden wordt nu een veralgemeende twijfel met betrekking tot het statuut van de rede zelf. (82)


Maatstaven zelf ongegrond

Het scepticisme resulteert niet zozeer meer uit het besef dat we feilbaar zijn, dat we ons vaak vergissen en dat we tekortschieten tegenover onze eigen normen van redelijkheid, maar veeleer uit het vermoeden dat deze normen zelf, als redelijke normen, niet betrouwbaar zijn en dat we dus niet eens op een afdoende manier kunnen bepalen of we ons vergissen, en wanneer. (82)


Duizelingwekkende diepte

Kon het traditionele scepticisme nog, op een karikaturale manier, worden omschreven als de verdacht rationalistisch aandoende stelling ‘Ik weet dat ik niets weet’, de hedendaagse komt, niet minder karikaturaal, neer op de stelling – voor zover dat dan nog een stelling is – ‘Ik weet niet of ik iets weet’ – waardoor de hele problematiek van het scepticisme tegelijk van de baan wordt geschoven en een duizelingwekkende diepte krijgt. (82)


Irrationeel

In tegenstelling tot het antieke academische en het moderne scepticisme, die beide, op hun manier, verenigbaar bleven met een vorm van ‘rationalisme’, voor zover steeds logische argumenten en redenen tot twijfel werden aangehaald, heeft het postmoderne scepticisme het redeneren voor of tegen de kennis helemaal opgegeven. (82)


Cynisme

Het vroegere pessimisme van een aantal, min of meer geïsoleerde filosofen ruimt nu plaats voor een vrij veralgemeend cynisme. Pessimisme is een gevolg van het conflict tussen gekoesterde idealen en feitelijke mogelijkheden; cynisme ontstaat wanneer de notie van idealen zelf lachwekkend en onbegrijpelijk wordt. (82)


Maatstaven gereduceerd tot feiten

In plaats van te worden gehanteerd als onaantastbare maatstaven van feiten, worden [epistemologische] idealen thans zelf beschreven als feiten, dat wil zeggen als contingente gegevenheden die geworteld zijn in de menselijke natuur, in de structuren van de taal of in de mechanismen van het onbewuste. (82,83)


Bron en drijfveer

Gold het scepticisme tot voor kort nog als een ziekelijke aberratie in de zoektocht naar wijsheid, [thans] wordt het herontdekt als niets minder dan de bron en de blijvende drijfveer van de westerse wijsbegeerte. (188)


Anti-epistemologisch referentiepunt

Ondanks het feit dat de meeste toonaangevende hedendaagse filosofen de hele kennisproblematiek als uitzichtloos en voorbijgestreefd beschouwen blijven ze […] duidelijk, elk op hun eigen manier, de uitzichtloosheid van de kennisproblematiek thematiseren. Stromingen als het deconstructivisme en het postmodernisme definiëren zich vanuit een anti-epistemologisch project, zonder daarom blijkbaar de epistemologie als referentiepunt te verliezen. (202)


Subversief

Het post-filosofische, postmoderne wereldbeeld, met zijn merkwaardige combinatie van ernstige onverschilligheid en frivole tragiek, leunt trouwens in meerdere opzichten aan bij de geest van het Griekse pyrronisme en, misschien meer nog, bij die van de Griekse cynici, die door het propageren van subversieve strategieën de ernst van het platoonse en aristotelische onderricht – alsook de ernst van iedere dogmatisch aangehangen overtuiging – hekelden. (204)


Ongebondenheid

[Peter Sloterdijk en Michel Onfray] zijn erom bekommerd de kynische [cynische] levenshouding te propageren als een anti-theoretische, anti-filosofische vorm van bijna lichamelijke, natuurlijke wijsheid, die zich uit in een onverschilligheid en een ongebondenheid […] die tegelijk de kenmerken heeft van een sterk persoonlijk engagement en een haarscherp inzicht. Hoofddoel hierbij is, naast het contesteren van iedere gevestigde orde en het aansporen tot alertheid en nooit aflatende kritiek, het bereiken van een soort onverstoorbare persoonlijke gemoedsrust, een onherleidbaar innerlijk geluk. Hierin, en in de opschorting van het theoretisch oordeel, ligt de overeenkomst met het pyrronisme, dat misschien kan omschreven worden als een bravere, minder rebellerende en meer verinnerlijkte vorm van kynisme. (205)


Hond

Niet voor niets is de term kynisme etymologisch verwant met kynologie of hondenliefhebberij en koos de Griekse kynicus zich als uitdrukkelijk embleem de hond: het hele kynisme, alsook in zekere zin het pyrronisme, berust op een opvatting van de mens als een wezen dat er beter aan zou doen zijn natuurlijke verwantschap met het dier niet al te krampachtig te verloochenen. (205)


Naturalisme

Het teruggrijpen naar deze stromingen vanuit het hedendaagse post-epistemologische klimaat wijst er misschien ook op dat het ‘einde van de filosofie’ geen nihilistische catastrofe hoeft in te luiden, maar een terugkeer naar een pre-filosofisch – hoewel daarom niet minder naïef – naturalisme. (205)


Dieren zijn niet sceptisch

Dergelijk naturalisme maakt meteen ook duidelijk in welke zin het meest radicale scepticisme tegelijk een radicale overstijging van het scepticisme is, die in niets nog verwijst naar de hele problematiek van de kennis. Dieren houden zich immers niet bezig met het rationeel gerechtvaardigd zijn van hun overtuigingen, maar net zo min zijn ze sceptisch of twijfelen ze aan hun zekerheden. (205,206)


Wijsheid voor de wijsbegeerte

De mens heeft van zichzelf een theoretisch, getormenteerd dier gemaakt, dat per se meer wil weten. Dat de mens desondanks een dier blijft dat niet meer kán weten en dat dus in de theorie alleen maar uitzichtloos zichzelf kan kwellen is een vermoeden dat de westerse filosofie thans doet terugkeren naar een zekerheid vóór het scepticisme, een wijsheid vóór de wijsbegeerte. (206)


uit Wereldvreemdheid, 2000:


Het Unheimliche

Kunst, zo opgevat, is essentieel vervreemdend, omdat ze de schijn van de vertrouwdheid doorbreekt en ons terugbrengt naar waar we altijd al waren: ‘thuis’ – maar dan in een wereld van onmenselijke krachten. Het ‘Unheimliche’ is onze eerste en laatste verblijfplaats – het is, veeleer dan het infantiele of het primitieve, het ultieme, de voedingsbodem waaruit alles ontspringt en die alles uiteindelijk opnieuw zal opslokken. (79)


Bezielde deeltjes

Een merkwaardige ontwikkeling in de hedendaagse wetenschappen is wel dat de fysica van de allerkleinste deeltjes – de quantumfysica – idealistischer is geworden dan de wetenschap van de menselijke geest, die neigt naar het materialisme: men heeft het er zonder blikken of blozen over de ‘keuzen’ en de ‘iniatieven’ van quantumdeeltjes, terwijl men hogerop de geest iedere autonomie zou willen ontzeggen. Een materialisme met betrekking tot de geest blijkt geheel te kunnen worden ondervangen door een idealisme met betrekking tot de stof: we hebben geen aparte geest meer die in volkomen vrijheid onze keuzen maakt, maar in plaats daarvan zijn nu onze allerkleinste onderdelen vrij en – waarom niet, sommigen aarzelen niet het te zeggen – bezield. (88)


Kip of ei

Men kan de geest verklaren als een verschijningsvorm van de materie, maar dan lijkt datgene wat uit de materie komt er in zekere zin ook al in gezeten te moeten hebben. Maar als het erin zat, waar komt het dan vandaan, hoe is het erin gekomen, en als het er altijd al in was, is het dan niet nog oorspronkelijker dan de materie, en moeten we de materie dan niet zelf opvatten als een verschijningsvorm van de geest? (88)


Het laatste woord

Misschien is dit inderdaad het laatste woord: wat dualisten en idealisten toeschrijven aan de kracht van de geest, noemen materialisten ‘tot op heden onverklaard’ – en wat ze zeggen is eigenlijk hetzelfde, namelijk: niets. (89)


Niets meer te zeggen

De kunstenaar heeft niet ‘meer te zeggen’ dan de gewone mens, en in geen geval is hij een interessantere persoonlijkheid – hij is, integendeel, iemand die niet meer spreekt in eigen naam (die dus niets meer te zeggen heeft) en die het persoonlijke voortdurend overstijgt. (114)


Bodemloze leegte

Al het menselijke, persoonlijke, emotionele en intellectuele moet er namelijk onverbiddelijk uit; al onze herinneringen, gedachten, gevoelens en verlangens moeten een na een tot stilstand worden gebracht en als het ware worden uitgewist, zodat wij, geheel ontdaan van alle ‘software’, onszelf kunnen terugvinden als de bodemloze leegte die wij wezenlijk zijn. (150)


uit Wat blijft, 2002:


Cultureel relativisme

Het nihilisme, het ongefundeerd zijn van alles wat waardevol zou kunnen zijn […] is nog lang niet voorbij. Integendeel, het is versterkt door een ander soort nihilisme, dat voortkomt uit een cultureel relativisme en verbonden is met het postmodernisme. (16,17)


Geen externe maatstaven

De tijd van het geloof in de Waarheid is voorbij, zeggen postmodernisten […]. In plaats daarvan zitten we met een veelheid van verschillende discoursen, dat van de wetenschap, dat van de religie, dat van de kunst, dat van primitieve culturen, die elk hun eigen interne geldigheid hebben en niet volgens externe maatstaven met elkaar kunnen worden vergeleken. (17)


Dit taalspel of dat

Treden we tot een discours toe, dan spelen we het spel volgens de regels die ons daar worden aangereikt. Treden we niet toe, dan spelen we gewoon niet mee en geven we de voorkeur aan een ander taalspel. (17)


Te nemen of te laten

De waarheid van de wetenschap is niet méér waar dan die van de religie, ze vertrekt gewoon vanuit andere basisvooronderstellingen die, net als die van de religie, te nemen of te laten zijn. (17)


Verstoken van ieder fundament

Net zo in de moraal: we engageren ons op een niet-rationele manier met een bepaald waardensysteem […] dat echter, op zich beschouwd, even arbitrair is als ieder waardensysteem. Zowel waarheid als waarde is cultureel variabel en dus verstoken van ieder fundament. (17)


Een groot verlies

[In de woorden van Darwin:] ‘We zullen soorten moeten gaan bekijken als kunstmatige categorieën die alleen maar voor ons gemak in het leven zijn geroepen. Dit is misschien geen al te vrolijk vooruitzicht, maar we zullen wel verlost zijn van het nutteloze zoeken naar de onontdekte en ook niet te ontdekken essentie van het begrip soort.’ Maar wat nog het minst vrolijk is aan dit vooruitzicht wordt door Darwin vooralsnog, in The Origin of Species, strategisch verzwegen: dat het ook geen enkele zin meer zal hebben te zoeken naar onze eigen essentie, wat door de mens allerminst wordt ervaren als een verlossing, maar integendeel als een groot verlies. (20)


Hetzelfde?

Ontkiemende zaadjes ontwikkelen zich tot kanjers van bomen, kuikens komen tevoorschijn uit eieren en rupsen ontpoppen zich tot vlinders. De vraag rijst al snel op grond waarvan we al deze dingen eigenlijk nog ‘hetzelfde’ noemen, temeer daar we uit de biologie weten dat levende wezens na verloop van regelmatige perioden geen enkele cel meer gemeenschappelijk hebben met hun vorige gestalte. En het ergste van al is nog wel dat dit eveneens voor onszelf geldt. (38)


Dat ben ik

Dat ben ik,’ hoor je soms hoogbejaarde mensen beweren, terwijl ze met een knokige en bibberende vinger wijzen naar de pasgeboren baby op de foto – maar niemand kan dat natuurlijk in alle ernst geloven. (38)


Kunnen we onszelf nog wel kennen?

Het besef van de radicale veranderingen waaraan wij als persoon onderhevig zijn treft ons met verbijstering en afgrijzen. Want wie of wat zijn we nu eigenlijk in ons diepste zelf? Kunnen we onszelf nog wel kennen wanneer we tijdens dit kennen onmerkbaar blijken te veranderen? (38)


Onherkenbaar

Ook op onze gevoelens kunnen we in de regel geen staat maken: we leven in een opeenvolging van de meest uiteenlopende stemmingen, waaraan we betrekkelijk willoos zijn overgeleverd en waarin we niets meer herkennen van onze vorige stemming. Vreugde en verdriet, trots en schaamte, woede en genegenheid, ze maken van ons totaal verschillende en soms onherkenbare personen, telkens met een verschillende waarneming en een verschillende belevingswereld. (38,39)


Zonder richting en zonder doel

Op deze stroom drijven en dobberen we, als we al niet stuurloos heen en weer geslingerd worden, schijnbaar zonder richting en zonder doel. Want wat zou dan wel de bedoeling van het leven kunnen zijn? (39)


Differentie

In de hedendaagse filosofie, die niet voor niets een differentie- en deconstructiedenken wordt genoemd, wordt dit thema in diverse variaties voortdurend heropgenomen: het ‘ik’ is geen identiteit maar een onontwarbaar kluwen van interne verschillen (differentie). (50)


Kunstmatig

We kunnen onszelf niet kennen, om de eenvoudige reden dat we onszelf niet eens zijn. Wat we onze ‘persoonlijkheid’ of ons ‘karakter’ noemen is niets anders dan een artificiële afbakening […]. (50)


Oorspronkelijke mobiliteit

[Therapie zou] begrepen kunnen worden als een poging tot deconstructie met de bedoeling de patiënt te bevrijden uit zijn zelfgecreëerde gevangenis en in hem de oorspronkelijke mobiliteit te herstellen van een ik dat niet identiek is met zichzelf.(51)


Woeste rivier

De patiënt wordt verondersteld heldhaftig van het vlot af te springen dat hem gestrand houdt tegen de oever van een woeste rivier. Maar waarom zou hij de rivier moeten verkiezen boven het vlot? (51)


Opgeven

We kunnen misschien nog wel leven met het besef dat alle reddingsboeien alleen maar constructies zijn, maar we kunnen in de praktijk van de deconstructie onmogelijk zo ver gaan dat we al deze verzonnen reddingsboeien ook daadwerkelijk zouden opgeven. (52)


Fictie, idee, transcendentaal ego of constructie

Voor Hume geldt iedere idee van een ik dat méér zou zijn zonder meer als een fictie. Kant maakt er, meer eerbiedwaardig, een ‘noumenale idee’ van, naast de ideeën van de Wereld en die van God, en bedoelt hiermee een idee die gevormd wordt door de structuren van het kennende verstand maar verstoken is van iedere ervaringsinhoud. Husserl spreekt van het transcendentale ego, Derrida noemt het een constructie. (52)


uit Een verlangen naar ontroostbaarheid, 2003:


Androïden

Maar denken [mensen] wel écht? Zijn ze in werkelijkheid geen perfect nagemaakte androïden, spookachtige omhulsels zonder een echt bewustzijnsleven? Wie zal het zeggen? ‘In plaats van eindeloos hierover te redetwisten,’ merkt Turing op, ‘is het gebruikelijker zich aan de beleefde conventie te houden dat iedereen denkt. (27)


Bestaat de stam wel?

Zonder de taal zouden we niet echt dingen zien, maar onderhevig zijn aan een veelheid van vage, vervloeiende en volstrekt onbeschrijfbare indrukken. Groot, rechtop, stam, kruin, bladeren, groen, bruin… het zijn allemaal woorden voor ‘iets’ dat als bruut ervaringsgegeven geen begin of einde, geen vaste eigenschappen en geen identiteit vertoont. Waar eindigt de stam en begint de kruin, waar gaat de stam over in de wortels (bestaat een ‘stam’ wel?), waarom behoort de stam tot de boom en bijvoorbeeld de boom niet tot de grond? (29)


Niet dopen maar verwekken

De taal geeft niet simpelweg ‘namen’ aan de dingen; ze doet de dingen bestaan, ze geeft ze vaste grenzen en maakt ze tot ‘dingen’. Benoemen is niet dopen (een naam geven aan wat er al is), maar verwekken (een nieuw wezen doen ontstaan). Wat we ‘zien’, zowel fysisch als mentaal, is van meet af aan door woorden gestructureerd. De taal bepaalt ons beeld van de werkelijkheid. (29)


Absoluut dwingend

De taal lijkt dus wezenlijk te berusten op een vorm van culturele conventie; maar dan een conventie waarvan de verbintenissen door diegenen die haar aangaan op geen enkel ogenblik als ‘conventioneel’, maar veeleer als absoluut dwingend worden ervaren. (30)


Gruwelijke pijnen

‘Hij heeft pijn,’ zegt de bezorgde moeder van de baby die ligt te brullen en te kronkelen in de wieg; maar van de rustige, stille baby, die inwendig misschien de gruwelijkste pijnen heeft, zegt ze met een glimlach: ‘Hij is tevreden.’ (31)


Privé

Mentale ervaringen zijn bij uitstek ‘onbeschrijfbaar’ omdat ze bij uitstek ‘privé’. In feite kan echter, in een afgeleide zin, onze hele ervaring van de werkelijkheid ‘mentaal’ en dus ‘privé’ zijn. In feite kan echter, in een afgeleide zin, onze hele ervaring van de werkelijkheid ‘mentaal’ en dus ‘privé’ worden genoemd. Twee mensen die voor een zelfde voorwerp staan zien nooit hetzelfde; ze zien vanuit een verschillend standpunt, met verschillende netvliezen en verschillende hersenimpulsen. (31)


Collectief wereld-beeld

We zien nooit letterlijk dezelfde dingen en toch benoemen we ze op
precies dezelfde manier. De taal gaat dus in feite over het
onmogelijke: dat wat voor alle sprekers hetzelfde is, een
gemeenschappelijke ervaringswereld. De taal gaat over dat wat er niet
is (dingen), maar wordt daardoor precies zélf datgene waarover ze niet kan spreken. Door haar bestaan vormt de
taal voor ons het ‘gemeenschappelijke’, een soort collectief
wereld-beeld van een ‘wereld’ die, als gegeven, zelf niet collectief.
Veeleer dan een gemeenschappelijke ervaringswereld te veronderstellen is de taal zélf onze enige echt gemeenschappelijke ervaringswereld. (31)


Onbestaand

Wij hebben dus niet, alles welbeschouwd, enerzijds de taal (de woorden) en anderzijds de werkelijkheid (de beelden die we van de buitenwereld of van onszelf ontvangen). Onze beelden zijn taal-beelden, en voor zover ze dat niet meer zijn, zijn ze onbeschrijfbaar, onbeschikbaar en vrijwel equivalent met onbestaand. (32)


Echt

Wanneer wij proberen onder de taal door te graven naar wat echt is, los van de taal, stuiten wij op een onarticuleerbare rest van confuse privé-gegevens, waarover niet meer kan worden gesproken, maar waar alleen nog krampachtig naar kan worden gewezen: dit, dát daar, dát is wat ik bedoel. (33)


Stilzwijgen

Hoe de werkelijkheid eruit ziet zonder taal kunnen wij in de meest letterlijke zin van het woord niet zeggen. De filosofie, op zoek naar het echte Zijn of de zuivere Idee, kan alleen nog maar, wild gesticulerend, een paar primitieve klanken uitstoten alvorens in algeheel mystiek stilzwijgen te vervallen. (33)


Roman

Een rechtstreekse toegang tot het ‘begrijpen’ van de ander of het ‘zijn’ van de wereld hebben wij niet, evenmin als wij een toegang zouden hebben tot de wereld van de roman los van de woorden waarin hij is beschreven. (35)


De wereld lezen

Eigenlijk is ook onze échte, onze ‘werkelijke’ wereld voor ons alleen maar een soort romanwereld, een wereld van ‘horen zeggen’. Wij zijn allemaal ‘lezers’ van de werkelijkheid, noeste ontcijferaars van tekens. Wij zien de wereld niet echt, wij lezen hem door de woorden heen, onze beelden zijn gevormd door de woorden. (35)


Droom of bedrog

Alles wat wij over onszelf als slapende, als dromende of als onbewuste weten, kunnen we slechts weten als bewustzijn. Zelfs wie zich bij de eerste oogopslag na het ontwaken onmiddellijk zijn eigen droom voor de geest haalt, kan nooit met zekerheid weten of hij ook diezelfde droom, zoals hij die zich herinnert, als slapende heeft gehad. Sterker nog: dromen laten ons meestal achter met het gevoel dat ze niet zijn zoals we ze ons herinneren, zelfs al herinneren we ze ons helemaal, en kunnen we met geen mogelijkheid zeggen in welk opzicht ze meer of anders zijn geweest. (41)


Niets

En woorden hebben geen betekenis, ze maken betekenis door onderscheidingen aan te brengen in een geheel waarin alles hetzelfde, alles iets anders, alles onuitsprekelijk en alles niets is. (42)


Geen boodschap

De wereld is een droom, ondecodeerbaar omdat er niet alleen geen code is, maar zelfs geen boodschap. Als talige wezens zijn we allemaal een soort halve blinden: we ‘zien’ alleen maar door de woorden van anderen heen (en woorden zijn altijd van anderen). ‘Beelden’ zijn voor ons niet datgene wat woorden beschrijven, maar datgene wat woorden ons, voor het eerst, laten zien. (43)


uit Nachtboek van een slapeloze, 2006:


Wie ben ik dan wel?

Mijn benen zijn moe, mijn armen zijn moe, mijn hand is moe. Maar ik ben niet moe. En daar zijn we dan bij die vervelende vraag wie ‘ik’ dan wel ben, als ik niet mijn benen ben, mijn armen of mijn handen, noch al wat daar tussenin ligt. (…) Zelfs niet mijn hoofd, hoewel ik bij dat laatste toch wel mijn twijfels heb. (Nee, ik ben mijn hoofd niet, maar ik ben er wel van overtuigd dat ik in mijn hoofd woon, ergens in de streek vlak achter de ogen. En met de heel verre uiteinden, voeten en tenen, voel ik me nauwelijks nog verbonden – ik moet zeggen dat mijn voeten me eigenlijk volkomen koud laten.) (21)


Zonder oorzaak

En als er nu eens helemaal geen oorzaak was? Wat indien dit hele gebeuren niet alleen onvoorspelbaar was (zoals aardbevingen of vulkaanuitbarstingen), maar ook volkomen onverklaarbaar, dat wil zeggen niet eens het resultaat van ongekende oorzaken (die men later wel zal achterhalen), niet gehoorzamend aan vaste wetmatigheden, zelfs niet in kleine druk geschreven in Gods grote handpalm, maar geheel willekeurig, als het eerste woord van een gedicht, de laatste woorden van een stervende. (38)


Nergens nog werkelijk

Ik kijk naar mijn handen op dit bureau, mijn voeten op het linoleum: Als ik eenmaal afwezig ben uit deze ruimte, verdwenen van de plaats waar dit lichaam zich bevindt, ik zou niets anders meer willen doen dan weggaan, overal weg, zo snel dat ik op geen enkele plaats nog werkelijk ben. (73)


Hekserij

Als ik denk aan de dood, dan lijkt het griezelig, monsterachtig, ongelooflijk; niet dat deze hand, waarmee ik nu deze dingen schrijf, later zal verrotten als een appel, maar dat hij nu zo snel, zo levendig, zo vlot beweegt: het lijkt hekserij, magie. Het ontstellende, huiveringwekkend bevreemdende is niet dat maden en wormen uit deze huid zullen breken zonder dat deze hand (nu zo waakzaam, zo snel geïrriteerd door muggen, kleine vliegjes) een vinger zal verroeren; het onvoorstelbare, angstaanjagende zijn de aders die nu kloppen, de poriën die ademen, de zenuwen en spieren die samentrekken, trillen, de verbindingen met dit hoofd – later een uitgevreten schedel, dat alles in beweging tovert. Mijn hand is een dier, een afschuwelijk snel bewegend insect, een parasiet van het leven in mijn hoofd. (78)


Voor altijd verborgen

Een dagboek dat alles zou verklaren? Wist je dan niet, mijn domme wederhelft, dat dagboeken immers nooit de waarheid bevatten? Lees daarom rustig verder, wanneer en zo vaak je maar wil – waar het om gaat kom je toch nooit te weten. En zelfs als ik werkelijk zo dwaas en zo dapper was geweest om alles, maar dan ook alles, neer te schrijven wat zich in mijn ellendige hersenpan afspeelt, dan nog zou voor jou, net als voor mijzelf overigens, het wezenlijke voor altijd verborgen blijven. (83)


Lamgeslagen

En ik sta hier, roerloos, lamgeslagen – alles in mij valt als een schietlood naar beneden – ik versteen, ik schiet wortel. Kom nou, zeg ik tot mijzelf, nu overdrijf je, nu doe je het erom – je speelt dat je een rol speelt in een Zweedse psychologische film, of dat je door Kafka op dit kruispunt werd geschreven. Maar of ik nu speel dat ik onmogelijk verder kan bewegen of werkelijk onmogelijk verder kan bewegen, dat verandert niets aan het feit dat deze wereld, gefilmd, geschreven of geleefd, van dien aard is dat er onmogelijk verder in kan worden bewogen.


Ik vind het niet

En als je mij dan zou vragen, zoals je soms in interviews aan schrijvers, dichters of genieën vraagt: hoe ik het leven vind? Ik zou zeggen: niet, ik vind het leven niet – zoals je een voorwerp niet kunt vinden dat je lange tijd hebt gezocht, of zoals je geen woorden kunt vinden voor dingen als de verlatenheid na de liefde, de goddeloze vreemdheid van alle dingen. (86)


Waarom?

Simone aldoor: waarom, waarom dit, waarom dat, waarom niet anders, en waarom dit antwoord, en alle verdere antwoorden: waarom? Als ik naar haar blijf luisteren, zoals de liefhebbende vader past, en probeer te antwoorden op het waarom van ronde appelen, lange komkommers en warme zonnen, dan lijkt het of ik steeds meer in een vreemde wereld terechtkom, een wereld die niet alleen onkenbaar is (wat is mij aan kennis gelegen) maar ook ten volle onbewoonbaar. En om dit walgelijk wankelen van alle dingen tot staan te brengen zeg ik uiteindelijk, bars en boos: daarom! (86)


Al even vreemd

Ook dit, het enige waarvan je denkt zeker te kunnen zijn, de eigen gevoelens, wat zich afspeelt binnen de eigen huid, blijkt uiteindelijk onbetrouwbaar te zijn, even misleidend als dromen die echt lijken. Je denkt een bevoorrechte toegang te hebben tot het eigen gemoed, onomstootbaar te weten wat je voelt, en voor wie, en hoe je je voelt, goed of slecht of middelmatig, maar uiteindelijk blijkt alles even vreemd te zijn als, binnenin, dat andere lichaam, de maagsappen, de darmkronkels, de klierafscheidingen. (90)


Waar in dit lichaam

Vaak weet ik, letterlijk, niet meer waar mijn hoofd staat. Het lijkt gezonken te zijn tot de hoogte van mijn navel; alles daarboven is onbewoond, alles daaronder te zwaar om te verplaatsen. Waar woon ik? Waar, in dit lichaam, heb ik mijn bed, mijn rustplaats? (98)


Geen vracht, geen waarde

En nu blijkt het leven opeens niets te zijn, geen bezit, maar ook geen vracht, geen waarde, maar ook geen doem. Het leven, dat is zoals de planten leven, rechtop en in de diepte, zonder veel beslissing, zonder veel beweging, water en zuurstof opnemen, stoffen omzetten in andere stoffen, groeien, bloeien, vruchten afwerpen en verwelken. Daar is niets heuglijks aan, maar ook niets bedroevends, niets veelbetekenends, maar ook niets overbodigs. (101)


Niet hier en niet ginds

Ik ben niet waar ik ben, en ook waar ik niet ben, ben ik niet, ik ben niet hier en ook niet ginds, ik val overal tussenin – en dit is de enige manier, het enige middel om afwezig te zijn en toch niet elders, nergens en toch bij iets aanwezig. (113)


In zichzelf verstrikt

En elk beeld, elk gegeven staat op zichzelf, verwijst naar niets, al wat op het doek verschijnt is los van banden en betekenis, heeft geen vooraf en geen vervolg; elk onderdeel is losgerukt, zelfstandig en nietszeggend, als de achterkant van een stukje uit een legpuzzel. Ik knipper met de ogen, frons de wenkbrauwen, tracht het hoofd rechtop te houden en de draad van het gebeuren op te nemen. Maar de tijd is als een kluwen wol in de klauwen van een jonge kat: verward, onontwarbaar, in zichzelf verstrikt. Er is niets wat nog kan worden begrepen. (121)


Wat weten wij ervan?

En dan is er het raadselachtige, eensklaps onverstaanbare in de betekenis van woorden als ´huis´, ´boek´, ´gebak´. En ook zijn er ogenblikken waarop ik me niets meer kan herinneren, niet alleen van de week daarvoor of de dag van gisteren, maar ook van een ogenblik tevoren: wat was het gebaar dat ik maakte voor ik me deze vraag stelde? Ik zit op kantoor, aan tafel of op het toilet: hoe ben ik hier gekomen, wat heeft mij hierheen gebracht? Ik weet wel, dit zijn allemaal ´bijverschijnselen´ van de tabletten en de whisky. Maar wat als de wereld, los van dit alles, werkelijk was zoals ik hem nu zie – losgeslagen, verbrijzeld, onontwarbaar? Wat weten wij ervan, hoe de wereld werkelijk is? (126)