Peter Ralston

‘De grootste uitdaging bij het bereiken van een staat van niet-weten is dat we altijd naar iets zoeken.’ Citaten van non-dualist en vechtsporter Peter Ralston.

Redactie en titels Hans van Dam.

Dwaalgids > Advaita > Philip Renard


Uit The Book of Not Knowing, Peter Ralston 2010:


Ingegraven

Wat we niet beseffen is dat we ons zo diep in deze opvattingen en overtuigingen hebben ingegraven dat ze onherkenbaar zijn. Onze kernovertuigingen doen zich aan ons voor als de werkelijkheid. (1:10)


Weten is beperken

Ons zogenaamde weten is een gesloten circuit dat grenzen stelt aan ons denken en aan de wijze waarop we ons verbinden en in de wereld zijn. (1:12)


Openheid

“Weten” kan nuttig zijn, maar leren niet te weten leidt tot een onvoorstelbare openheid die men alleen maar kan ervaren. (1:13)


Negatieve term

Merk bijvoorbeeld op dat ik noodgedwongen de negatieve term niet-weten gebruik. In onze cultuur benoemen we wat ons interesseert, en kennelijk hebben we weinig belangstelling voor de staat van bewustzijn die vooraf gaat aan begrip. We noemen het denigrerend “domheid” of, wat sympathieker, onwetendheid. (1:14)


De hoogste les

We moeten weten, al was het alleen maar om te leren niet te weten. De hoogste les van het menselijk bewustzijn is te leren hoe niet te weten. Dat wil zeggen, hoe niet in te grijpen. (D.H. Lawrence, p15)


Geen mening

Als het manipuleren van meningen zoveel effect heeft – als we de beleving van ons zelf in de wereld grondig kunnen veranderen door simpelweg over te stappen op een nieuwe set meningen, stel je dan eens voor hoe het zou zijn om je helemaal van je meningen te ontdoen. Het komt nooit in ons op dat dit mogelijk is. In ons wanhopig streven om ons een beetje beter te voelen, vergeten we al te gemakkelijk dat, of we ons nou inbeelden dat we waardevol of waardeloos zijn, geen van beide gezichtspunten de waarheid vertegenwoordigt. Het zijn meningen. (2:16)


Mysterieus

In de spirituele beoefening wordt een vredige helderheid van geest nagestreefd, die de nieuweling mysterieus voorkomt. Als we deze geestestoestand nader inspecteren, vinden we aan de basis een simpele openheid, de bereidheid niet te weten. Dit aspect van wijsheid blijft meestal onopgemerkt, want wat volgelingen zoeken is kennis en antwoorden. Ze beseffen niet dat deze niet tot een waarheidservaring leiden. In plaats daarvan vermoeden ze dat de wijze in het bezit is van een of ander onmetelijk kennislichaam dat hij naar wens kan overdragen aan wie hij daartoe maar waardig acht. Los van eventuele kennis of inzichten waarover de wijze al dan niet beschikt, is zijn wijsheid eerder gebaseerd op het niets van niet-weten. Aangezien dit niet te begrijpen is, blijft dergelijke wijsheid voor de meeste mensen mysterieus. (2:30)


Eén en dezelfde

Hoe talrijk en gevarieerd de opvattingen ook zijn, het niet-weten is altijd hetzelfde. Het is maar één ervaring en het is altijd nu en altijd waar. (2:35)


Horror vacui

De menselijke geest hunkert nou eenmaal naar kennis, vooral daar waar die niet te vinden is. Bij ontstentenis van informatie bedenken we gewoon iets – we zullen geloven en veronderstellen. Deze neiging lijkt universeel te zijn – in iedere cultuur ontstaat een of ander geloof om het vacuüm van absolute “kennis” op te vullen. Elke subcultuur meent het laatste woord te hebben en werpt zich op als hoeder van de Waarheid. Velen zijn bereid hun opvattingen te vuur en te zwaard te verdedigen maar niemand wil toegeven dat hij de waarheid niet in pacht heeft. (3:11)


Gruwen

Weten wordt steevast hoger aangeslagen dan niet-weten. Op zijn best ziet men het niet-weten als een tijdelijk kwaad, op zijn ergst als een tekortkoming of defect. We gruwen van onwetendheid en vrezen domheid, en doen hard ons best om te voorkomen dat men ons voor het een of het ander houdt. (3:16)


Een staat van niet-weten

Niet-weten is zichzelf. Voordat er sprake kan zijn van weten moet er eerst ruimte voor zijn, een staat van niet-weten. … U en ik verkeren onophoudelijk in een staat van niet-weten, maar onze aandacht is gericht op wat we wel weten, dus we zijn ons niet bewust – en willen ons niet bewust zijn – van ons niet-weten. (3:16)


Het is zo

Niet-weten is niet slechts aanvaardbaar, het is “zo”; het is waar. (3:19)


Fundamentele ervaring

Bekijk de ervaring van niet-weten eens als een toestand op zich in plaats van de afwezigheid van iets dat we hoogachten. Wat als je het zag als een onschadelijke, zelfs heilzame conditie, zoals kalmte? Zonder te verwijzen naar weten, dus zonder “niet”, zou het gewoon een fundamentele ervaring zijn, zoiets als openheid, of niets, of vrijheid. Het zou als een lege ruimte zijn of een blanco canvas: de basis voor wat nog komen moet. (3:20)


Breder perspectief

Zo bezien kun je beter begrijpen hoe een dergelijke staat een breder perspectief zou verschaffen. Zonder de warboel van meningen en overtuigingen zijn we vrij van vooroordelen en vrij om om ons heen te kijken. We zitten niet langer vast in meningen en conventies en worden niet meer beperkt door ons culturele of persoonlijke verleden. (3:21)


Eeuwige strijd

De staat van niet-weten is de moeder van openheid, nieuwsgierigheid, authenticiteit en vrijheid. Zijn aard is vormeloos bewustzijn, onbegrensde mogelijkheid, onvervalste eerlijkheid. Niet-weten is een natuurlijk en gezond aspect van het leven, maar in onze cultuur hebben we geen grond van waaruit het begrepen kan worden. Een negatieve houding aannemen ten opzichte van een fundamenteel gegeven is dom en schadelijk. Door het leven gaan alsof niet-weten een kwalijke zaak is – terwijl op ieder moment het niet-weten waar en aanwezig is – waar leidt dat toe? Tot een eeuwige strijd. Tot een verstoorde verhouding met onze ware aard. (3:22)


Ontzettend vreemd

Meestal vind ik de wereld zo ontzettend vreemd en alles daarin zo verrassend. Waarom zou er groen gras en vloeibaar water zijn en waarom heb ik handen en voeten? (Don John Chapman, p63)


Dagenlang worstelen

Ik organiseer intensieve contemplatiebijeenkomsten waarin ik de deelnemers aanmoedig om zich bewust te worden van hun ware aard. Dagenlang worstelen ze om hun eigen “weten” “wie” ze zijn te overwinnen. Wat ze ook proberen, hun geest blijft maar “kennis” opdissen in de vorm van ideeën, beelden, verlangens, associaties, gevoelens, intuïties en andere geestesproducten, zowel subtiel als doorzichtig. Herhaaldelijk zeg ik ze dat ze het echt niet weten, en dat ware openheid onbereikbaar is totdat ze het niet-weten aan den lijve ervaren. (4:11)


Fysieke ervaring

Natuurlijk leidt een dergelijke opdracht niet rechtstreeks tot een ervaring van niet-weten. Hij zorgt er alleen voor dat ze in de juiste richting blijven kijken. Als iemand het dan eindelijk begrijpt, is het haast een fysieke ervaring dat hij, over welke kennis hij ook beschikt en wat zijn geest hem ook voortovert, het op de keper beschouwd niet weet. (4:12)


Moed

Het vraagt moed om te zeggen: Ik heb net gedaan alsof ik wist wat alle anderen schijnen te weten, maar eigenlijk is dat niet zo. Het vraagt moed om het niet-weten te omarmen als een reële en actuele ervaring. (4:30)


Niet iets

De grootste uitdaging bij het bereiken van een staat van niet-weten is dat we altijd naar iets zoeken. Wanneer je je afvraagt wat is de staat van niet-weten is, zul je zoeken naar iets dat die staat is. Probeer het maar eens en kijk wat er gebeurt. Ofschoon er echt een staat van niet-weten is, bestaat hij nergens uit, dus eigenlijk is er niets. (4:31)


Leeg

Niet-weten is wat niet gekend wordt. Het is wat niet op enige wijze waargenomen of ervaren wordt, dus men vindt niets. Het is open, ongevuld, leeg in zekere zin. (4:32)


Aannames

We houden er vele opvattingen op na die we voor vanzelfsprekend houden en aanzien voor de feiten des levens of de werkelijkheid. Misschien nemen we aan dat kinderen onschuldig zijn, dat de mensheid vooruitgang boekt, dat denken is wat ik denken noem, dat emoties zijn wat we denken dat ze zijn en een onvermijdelijk aspect van het mens-zijn, dat liefde universeel is, ziekte genezen kan worden, alle “goede” godsdiensten op waarheid berusten en tegengestelde geloofsopvattingen op zijn gunstigst van onwetendheid getuigen, dat dieren emoties hebben, dat iets wat in een boek staat wel waar zal zijn, dat mijn zelf uniek en betekenisvol is, dat niet-weten slecht is. Deze en talloze andere, soortgelijke “waarheden” zijn slechts meningen, maar we gaan er vanuit dat ze kloppen. (6:9)


Toedekking

Als we een boom zien, beelden we ons in dat we de boom alleen maar waar-nemen maar in feite interpreteren of “kennen” we hem tot boom. Misschien zien we een of ander object maar zodra we het object als boom interpreteren zien we iets dat er eerder niet was. Dit is een conceptuele toedekking van hetgeen wordt waargenomen, zonder welke we geen “boom” zouden zien. We beseffen niet dat we in een volledig conceptuele werkelijkheid leven, net zomin als een vis onderkent dat hij omgeven wordt door water. (6:18)


Bron

Onze gedachten en gevoelens bepalen bijna alles wat we doen en “zijn”, maar waar komen onze gedachten en gevoelens vandaan? We nemen aan dat het ons “ware ik” is dat ze voortbrengt, maar zelfs als dit waar zou zijn, ervaren we deze bron niet persoonlijk, en ook niet wat er allemaal komt kijken bij het scheppen van datgene wat we herkennen als een idee of emotie. (8:2)


Maar wat verzinnen

Misschien was je zelfbeeld in het begin nogal eenvoudig en a-specifiek, maar in de loop der tijd werd het uitgebouwd tot een ingewikkeld mechanisme. Maar hoe ingewikkeld je zelfbeeld ook wordt, het blijft een feit dat je diep vanbinnen nog steeds niet weet wat jij, het leven en de werkelijkheid nou eigenlijk zijn. Deze essentiële aspecten van je eigen bestaan niet kennen, verleid je ertoe dan maar wat te verzinnen om deze leegte in je bewustzijn op te vullen. Aangezien je ten diepste niet-weet hoe je ontstaan bent, blijf je niettemin ondergedompeld in een onvermijdelijk en ononderbroken niet-weten. (8:27)


Fundamentele vragen

Wat is het leven? Wat is de ware aard van het bestaan, van de werkelijkheid? Wat gebeurt er nou echt als we sterven? Bestaat God of niet? Wat betekent het om te zijn, om te bestaan? We kennen het antwoord op geen van deze vragen. Onze ervaringen leren ons er niets over. Op de meest fundamentele vragen hebben we geen oprecht antwoord. We weten het gewoon niet. Dit feit wordt verborgen, over het hoofd gezien, begraven of genegeerd maar dat maakt het niet minder waar, en diep vanbinnen weet iedereen dat hij het niet weet. (8:31)


De waarheid

Allerlei soorten meningen kunnen uitgewisseld, beweerd en weersproken worden, of blindelings overgenomen of met hand en tand verdedigd tot de dood erop volgt, simpelweg omdat we de waarheid niet onder ogen durven te zien – we weten niet, en anderen weten ook niet. (9:10)


Joost mag het weten

Psychologisch beschouwd, wie van ons kan zonder met zijn ogen te knipperen beweren dat het functioneren van zijn innerlijk hem volkomen duidelijk is? We lijken ons allemaal zorgen te maken over wat we diep vanbinnen op de meest geheime plekken in onszelf zullen aantreffen: joost mag weten wat er schuilgaat onder de oppervlakte van ons bewustzijn. Soms vrezen we iets kwalijks over onszelf te zullen ontdekken. Of we zijn bang dat anderen iets in ons ontdekken dat we liever verborgen houden. Als we eerlijk zijn en ons niet laten verblinden door een of ander dogma, is onzekerheid over wie we werkelijk zijn dan niet een algemeen menselijk verschijnsel? Er is veel onbekend. Mensen twijfelen aan zichzelf, zowel existentieel als psychologisch. Hoewel we menen te weten wie we zijn, moeten we ook toegeven dat we dat in vele opzichten helemaal niet weten. (9:16)


Het conceptuele domein

Als we over onszelf nadenken – en zelfs als we dat niet doen, want dit zelfbeeld blijft voortdurend aanwezig op de achtergrond – dienen zich steeds actuele concepten met betrekking tot onze identiteit aan. Dat is het ene moment, in de omgang met een intieme partner, misschien het gevoel een goed maar kwetsbaar mens te zijn. Op een ander moment of onder andere omstandigheden is het misschien de gedachte minderwaardig te zijn, in combinatie met een gevoel van twijfel over je vermogen om helder te communiceren. Zelfs overpeinzingen als “dit is mijn leven” of “ik ben hier” herbergen nog altijd een zelf. Er is geen eind aan het aantal gedachten, gevoelens en beelden dat kan opduiken. Maar hoe sterk, bekend of belangrijk ze ook lijken, ze bestaan uitsluitend in het conceptuele domein. (9:26)


Maar geen ziekte

Ook al schijnen we onmiskenbaar te bestaan, met als bewijs de ervaring die we precies op dit moment hebben, we kunnen niet ontkennen dat er ook iets onbekends is aan ons bestaan – eveneens precies op dit moment. Dit onbekende manifesteert zich in verschillende gedaantes – zoals gevoelens van twijfel, onoprechtheid, verwarring of incompleetheid – maar de uiteindelijke waarheid is dat we gewoon niet weten. … We weten niet, en dat is een feit – maar geen ziekte. (9:29)


Wie ben je nou echt?

Met andere woorden, afgezien van je gedachten, fantasieën, identificaties, reacties, oordelen en andere geestesproducten, wie ben je nou echt? Deze vraag wordt door bijna iedereen gesteld in een of andere vorm en met een verschillende mate van vasthoudendheid. Er kunnen allerlei antwoorden opkomen maar dikwijls wordt tenminste in het geheim toegegeven dat het antwoord luidt: Ik weet het niet. (10:30)


Als Harry nou Mike heet

Iemand zou zichzelf een zachtaardig persoon kunnen noemen die luistert naar de naam Harry, geboren is in Wyoming en gelooft in spiritualiteit. Dit mogen dan ware beweringen zijn maar is dit wie hij werkelijk is? Wat was hij voordat hij een naam kreeg? Wie is het die overal geboren had kunnen zijn, andere meningen had kunnen hebben of zichzelf had kunnen aanduiden met willekeurige welke emotionele of gedragsmatige eigenschappen? Bestaat hij soms niet als hij boos is of agressief? Zou hij ophouden te bestaan als bleek dat hij eigenlijk in Californië geboren is en Mike heet? (10:31)


Het getal vier

Als we je schedel zouden lichten en in je hersenen naar het getal vier zouden zoeken, denk je dan dat we een “4” zouden aantreffen? Welnee, alleen maar een hoop weefsel en bloed. En als we op zoek gaan naar je “ik”, wat denk je dat we zouden vinden? We hebben moeite om te bepalen waar we het ik moeten zoeken. Zoals gezegd kunnen we ons op het lichaam richten en zeggen dat dat het zelf is, maar hoe zit het dan met al het geestelijke? We kunnen ons op de begrippen richten en onszelf een stelsel van ideeën noemen maar dan moeten we toegeven dat we een verzinsel, een voorstelling zijn, niet meer dan een product van de geest. We kunnen ons op het bewustzijn richten en dat het zelf noemen, maar we hebben moeite om de bron en substantie ervan te localiseren. (11:1)


Waarnemen is scheppend

Tijdens het normale bewustzijn van je innerlijk lijken activiteiten als waarneming, beoordeling en reactie niet creatief maar simpelweg directe reacties op wat maar het geval is. We staan er niet bij stil dat de verhalen die we onszelf vertellen en de emoties die ze oproepen, een waarneming van de werkelijkheid in het leven roept die zonder deze activiteiten niet bestaat. Deze geestesactiviteiten beperken zich niet tot het passief waarnemen van een wereld; ze scheppen hem ook. (12:17)


Ook weer een bedenksel

Het is duidelijk dat we een eindeloze stroom van verhalen bedenken en vertellen, om onszelf te motiveren en te helpen onze plaats in de wereld te duiden. Je kunt deze verhalen en meningen zien als de inbakering van een onzichtbaar zelf opdat het zichtbaar wordt, vorm en stevigheid verkrijgt. Maar vergeet niet dat het idee dat er een zelf vormgegeven wordt, ook weer een bedenksel is. (12:21)


Bevrijden

Tenzij we inzien dat onze “waarnemingen” in feite constructies zijn, hebben we een onjuiste relatie tot hetgeen we waarnemen, en niet de mogelijkheid om ons van de hele zaak te bevrijden. (12:22)


Ter zake

Elk idee dat elk mens heeft, of ooit gehad heeft, is een uitvinding. Het is een begripsmatige constructie van iemand. Als constructie dient elk idee een bepaald doel maar zij had ook anders kunnen zijn. Als een jongeman zichzelf bijvoorbeeld gerust wil stellen wanneer hij voor de beproeving staat een meisje mee uit te vragen, maakt hij zichzelf misschien wijs dat zij een vriendelijk mens is die hem niet wreed zal afwijzen. Maar hij kan haar op talloze manieren neutraliseren. Hij kan zichzelf ervan overtuigen dat haar reactie een weerspiegeling is van haar persoonlijkheid – met andere woorden, een afwijzing zegt iets over haar, niet over hem. Beide perspectieven helpen hem de moed te vinden haar te benaderen. Ze zijn ter zake, maar verschillend. (12:24)


Ontrafelen

Om ons in de richting van ons ware zijn te bewegen, moeten we onophoudelijk alert zijn op iedere aanname en mening, onze verzinsels nauwgezet bestuderen en deze ficties stuk voor stuk ontrafelen. (12:33)


Veel werk

Het is veel werk om ons verstand ontvankelijk te maken voor de enorme omvang en ware aard van onze zelf-bedenksels, met inbegrip van alles waarmee we ons identificeren en alles dat we identificeren als het zelf. (12:35)


Gevangen

We schieten niet erg op met het onderzoek naar de geldigheid van onze wensen en verlangens, onze angsten en onze weerzin, omdat we zo druk zijn eraan te voldoen. … In onze haast om voor onszelf te zorgen, in plaats van simpelweg onszelf te zijn, zitten we zonder het te weten gevangen in een gevecht om ons zelfbeeld, onze meningen, onze conditioneringen en wat we verder nog maar als aspecten van onszelf beschouwen, in stand te houden. (12:35; 12:36)


Zonder aannames

Een deel van onze weerstand is misschien te wijten aan het feit dat onze verhalen en meningen ons schijnen te helpen onze plaats in deze wereld te bevestigen. We zeggen, “Kennis is macht.” Weten wat alles is en hoe we ons moeten gedragen en wat het allemaal betekent is belangrijk voor ons – dergelijke zekerheid heeft een kalmerend effect. Maar toegeven dat onze aannames over de werkelijkheid in feite alleen maar aannames zijn? … Dan worden we bang. Niet-weten kan aanvoelen als ronddrijven in een verontrustend ongedefinieerde werkelijkheid. Omdat we niet gewend zijn aan niet-weten, hebben we geen idee van de vrijheid die ons wacht wanneer we het leven aangaan zonder aannames. (12:32)


Vervalsen

We blijven onbewust van het feit dat we geneigd zijn binnenkomende informatie te verdraaien om haar aan te passen aan wat we geloven en dat dit ons bij de waarheid weghoudt. (12:40)


Niet nodig

Ofschoon onze door overtuigingen gedomineerde ervaring consistent en goedaardig schijnt, lijden we ernstig aan de gevolgen van deze conceptuele overheersing. Alleen zien we dit lijden aan voor een intrinsieke eigenschap van het leven of de werkelijkheid, wat het niet is. (12:41)


Dagdromen

Ons voordoen als een spirituele zoeker geeft een gevoel van eigenwaarde en een transcendent wereldbeeld. Onszelf neerzetten als een worstelende patiënt die een therapie ondergaat, geeft hoop op een betere toekomst. Lid worden van een religieuze orde maakt van ons een “kind” dat zich laat gidsen door een “ouder” zodat we onszelf kunnen zien als iemand met een goede en speciale band met God. (12:48)


Onherroepelijk

We mogen misschien de grootste leugenaar of de eerlijkste persoon op aarde zijn, we ontkomen er eenvoudig niet aan de werkelijkheid te verdraaien. Als we vergeten dat alle voorstellingen, negatieve en positieve, hoe “nauwkeurig” ook, verzinsels zijn, raken we er onherroepelijk in verstrikt. (13:8)


Draaglijk

Niemand wil zichzelf zien als onhandig, laf of idioot. In de loop der tijd wordt het verhaal over de gebeurtenissen en omstandigheden net zolang bijgesteld tot het draaglijk is. (13:22)


Held

Een van de meest gebruikelijke “hertellingen” van dergelijke herinneringen legt de schuld voor onze negatieve ervaringen bij anderen. Zodra dit gebeurd is, voelen we ons meteen een stuk beter. Ons zelfbeeld is intact, en hoewel de zware beproeving nog steeds onaangenaam in de herinnering ligt, is ons aandeel daarin lang niet zo slecht als voorheen – misschien zijn we zelfs wel de held van het verhaal geworden, of op zijn ergst het slachtoffer van anderen of van onvermijdelijke omstandigheden. (13:22)


Ongrijpbaar

Maar de waarheid is dat het “ware zelf” dat we hopen te ontdekken – dat we hopen “waar te nemen” en dus te interpreteren en te “kennen” – niet bestaat. Het zijn “ziet” zichzelf niet. De waargenomen waarnemer is niets meer dan een waarneming. Het zelf dat we kunnen kennen is een laagje verf op een onzichtbare man. Het is een ballonhuidje van concepten. Zonder het huidje is er niets. Zoals je wel ziet kunnen we het niet zonder beeldspraak stellen bij het brengen van het onzinnige nieuws dat er geen “grijpbaar” of representeerbaar “waar zelf” bestaat. ((14:10)


Geen er

Ben je er dan eenmaal, dan blijkt er geen er te zijn. (Gertrude Stein, p 254)


Door en door conceptueel

Het zelf is zelf altijd een conceptuele gebeurtenis – een zelf hebben, als een zelf leven, een zelf delen met anderen. Ik doel hier niet op wat we denken over het zelf, of wat we ons voorstellen als het zelf, al maakt dat er zeker deel van uit. Ik bedoel dat de aanwezigheid en het bewustzijn van een zelf een conceptuele activiteit is. Zelfs je eerlijkste zelf, en zelfs je meest onmiddellijke en aanwezige gevoel van het zelf-op-dit-moment zijn conceptuele gebeurtenissen. (14:12)


Wegrennen

Ken uzelf? Als ik mezelf kende, zou ik maken dat ik wegkwam. (Goethe, p260)


Radar

Een bliepje op een radarscherm vertegenwoordigt een voorwerp, verschaft zeer beperkte en indirecte informatie over dat object. Als het om radar gaat, is het ons duidelijk dat we geen vliegtuig zien en dat de bliep ons niet vertelt hoe het object eruit ziet, of iets anders, behalve zijn locatie. We laten alleen maar radiogolven terugkaatsen door een of ander object en zien welk effect het heeft op ons scherm. We kunnen de indirectheid van dit proces vatten omdat we weten dat het vliegtuig enorm verschilt van dat kleine lichtvlekje dat we te zien krijgen. Zo gaat het met al onze waarnemingen. Het is alleen maar omdat we er zo aan gewend zijn, en omdat we geen andere hebben, dat we ze aanzien voor de werkelijkheid. (16:52)


Niet eens het licht

Het oog ziet niet het voorwerp zelf dat het waarneemt. Aangezien het oog functioneert door lichtpatronen op te pikken, ziet het alleen maar het licht dat door het voorwerp wordt weerkaatst. We zien dus niet het voorwerp maar het licht. We zien niet eens het licht dat door het voorwerp wordt geabsorbeerd maar dat het afstoot. Aangezien het licht het oog raakt en zenuwen prikkelt die we ontvangen als een patroon dat we interpreteren, zien we niet eens licht. Bovendien ontvangen we alleen de data die het gezichtsvermogen als een indirect waarnemingsproces kan verschaffen – we horen het voorwerp niet, we kunnen zijn gewicht, textuur of temperatuur niet voelen, of het van binnen bekijken, en zo voort. (16:53)


Nooit het ding zelf

Ieder aspect van het object dat niet doorgegeven kan worden door een van de waarnemingskanalen, kan niet gekend worden via de waarneming. Het allerbelangrijkste hieraan is echter dat we nooit iets rechtstreeks waarnemen. We interpreteren de waarneming van geprikkelde zenuwpatronen. Deze activiteit is niet het object. We hebben geen direct contact met of waarneming van het object zelf. Dit geldt voor elk van onze zintuigen. Dus nemen we nooit het ding zelf waar. (16:54)


Zelfs het denken niet

Dit geldt voor het horen, ruiken, proeven, tasten, zelfs het denken. Misschien vatten we dat onze waarnemingen van de objectieve wereld indirect zijn, maar gaan we er nog steeds vanuit dat ons denken en voelen direct zijn omdat ze in ons zijn. Maar wat we waarnemen in ons eigen hoofd heeft net zomin een rechtstreekse verbinding met de ware aard van de werkelijkheid als onze waarneming van een voorwerp. (16:55)


Onoverbrugbaar

Denk maar niet dat wat we niet kunnen waarnemen met ons eigen zintuigen wel waargenomen kan worden met een ander zintuig dat nog uitgevonden moet worden, of dat wat ons ontgaat, meer van hetzelfde is. Bovenstaande voorbeelden onthullen weliswaar de grenzen van onze waarneming maar zelfs al konden we oneindig veel informatie waarnemen, dan zou het probleem nog niet opgelost zijn. Onze waarneming zou nog steeds oneindig indirect zijn. Het is een feit dat ons bewustzijn geen contact heeft met de ware aard van de werkelijkheid. Het feit dat waarneming indirect is, impliceert dat geen enkele mate of methode van waarneming de kloof kan overbruggen. (16:57)


Niet door waarneming of ervaring

Begint het tot je door te dringen? De waarheid kan niet gevonden worden door waarneming of ervaring. (16:61)


Oneindige mogelijkheid

In onze ervaring, zodra we iets laten zijn voor-zichzelf en als-zichzelf, wordt het onbekend. Dit is de vrijheid van niet-weten. Binnen dit niet-weten bevindt zich openheid, oneindige mogelijkheid. Wat zich onder andere onmiddellijk aandient zijn de mogelijkheden tegengesteld aan welke interpretatie voor-mij ik er op dit moment ook maar aan geef. (16:79)


Hoe zou het zijn?

Hoe zou het zijn om niet als een of andere vaste vorm te bestaan?
Hoe zou het zijn om geen meningen of overtuigingen te hebben?
Hoe zou het zijn om niet langer te zijn wie je bent, om geen verleden te hebben, geen relaties?
Hoe zou het zijn om niet gehecht te zijn aan je emoties, reacties, waarnemingen, gevoelens, stemmingen of houdingen?
Hoe zou het zijn om geen ideeën over jezelf te hebben, geen zelfbeeld, geen zelfrespect, geen gevoel van eigenwaarde, geen doel?
Hoe zou het zijn om je zelfbeeld niet te hoeven onderhouden, om geen leven te hoeven leiden, om niets te hoeven zijn of doen?
Hoe zou het zijn om niets in stand te hoeven houden, niets dat je “ik” noemt?
Hoe zou het zijn om niet te hoeven overleven in het algemeen of te hoeven overleven als dit of dat in het bijzonder?
Hoe zou het zijn om niemand meer te hoeven zijn? (16:79)


Gewoon een voorwerp

Als iemand een pistool op ons richt hebben we waarschijnlijk een extreem emotionele reactie. Het pistool heeft veel betekenis voor ons, in dit geval gevaar. Maar dat is niet iets van het voorwerp zelf. Alles waarmee we het associëren en dat we liefhebben of vrezen is wat het voor ons betekent. Gezien voor-zichzelf en als-zichzelf is het niet mooi, lelijk, gevaarlijk, machtig, bedreigend, slecht, goed, strak, weerzinwekkend of welke andere eigenschap we het ook mogen toedichten. Het is gewoon een voorwerp. Maar wie kan het zo zien? (17:30)


Niet van jou

Aan de andere kant, wat zou er gebeuren als je niet meer aannam dat je het unieke en onmisbare middelpunt van het universum bent? Eenmaal bevrijd van deze aanname is het heel goed denkbaar dat je jezelf ziet als een schepping, als een instrument, als een mechanisme om het Zijn uit te drukken – volkomen overbodig in en van zichzelf. Verandering zou weleens de norm kunnen worden en allerlei reactiepatronen zouden vanzelf verdwijnen omdat je nergens meer aan vastzit, je nergens meer mee identificeert, alleen nog maar bent. Je zou zonder enige terughoudendheid allerlei aspecten van jezelf ter discussie durven stellen aangezien ze niet noodzakelijk zijn, noch van “jou”. (17:43)


Allemaal geloof

Gedurende ons hele leven hebben talloze mensen ons geprobeerd te vertellen wat we moeten geloven, wat goed is en wat fout. Maar niemand zei erbij dat het niet de waarheid was, alleen maar iets wat ze geloofden. Niemand zei erbij dat dit totaal verschillende dingen zijn. In de meeste gevallen werd er alleen maar wat beweerd in plaats van een mogelijkheid aangereikt. (18:6)


Dogma

Door een dogma aan te nemen kun je je verantwoordelijkheid ontlopen. Wat een opluchting. Je laat je vertellen wat je moet doen, wat je bestemming is, waar je terecht zult komen, wat goed en slecht is en je gelooft dat alles bekend is. (18:16)


Afleidingsmanoeuvres

Om te beginnen onderstreept onze behoefte om te geloven alleen maar het feit dat we niet weten. … Tot onze verbijstering weten we niet hoe we ontstaan zijn, of waarom, of hoe we moeten leven. Dat is veel om niet te weten, iets wat we liever negeren door ons achter een of ander geloof te verschuilen – religieus, wetenschappelijk, filosofisch – of voor ons uitschuiven door ons te verliezen in allerlei afleidingsmanoeuvres. (18:19)


De leegte opvullen

De kwestie wordt nog pregnanter door de welhaast universele verdenking dat “ik weleens de enige zou kunnen zijn die niet snapt waar het in het leven om draait en niet weet hoe hij zich moet gedragen.” We durven het aan niemand toe te geven en zoeken wanhopig naar iets om de leegte mee op te vullen, voor ons eigen psychologische evenwicht en om erbij te horen. (18:20)


Diep vanbinnen

Als we eerlijk zijn moeten de meesten van ons toegeven dat we ons diep vanbinnen nog steeds onwetend, kwetsbaar en leeg voelen. Hoewel onze overtuigingen ons oppervlakkig gezien steun bieden, blijven we ons diep bewust dat we geen stap dichter bij de waarheid over onszelf zijn gekomen. (18:22)


Dichterbij

Zelfs als we geen vaste grond of “antwoord” vinden om onze aandacht op te richten wanneer we een geloof achter ons laten, moeten we inzien dat deze toestand ons dichter bij onszelf brengt, niet verder ervandaan. (18:38)


Ze zeggen

Dat we het meeste van wat we geloven niet zelf hebben ondervonden, geldt voor ieder van ons. Dit betekent dat het waarschijnlijk ook geldt voor degenen van wie we onze ideeën hebben overgenomen – geruchten over wetenschappelijke ontdekkingen, roddel en achterklap, conditioneringen binnen het gezin, politieke gemeenplaatsen of godsdienstige opvattingen. De kans is bijzonder groot dat degenen die deze ideeën doorgaven het eigenlijk ook niet weten. Op een zeldzame uitzondering na, hebben ze geen persoonlijke ervaring met hetgeen ze beweren. In de meeste gevallen geloven we wat anderen geloven. (18:46)


Openheid

Zodra je probeert de werkelijkheid achter de illusie van de ideeën waar te nemen, zul je waarschijnlijk falen. Je zult alleen maar op de proppen komen met een volgend perspectief of denkbeeld … Waar we naar op zoek zijn is de openheid die eigen is aan niet-weten, niet naar iets nieuws om in te geloven. (18:51)


Elimineren

Het is tijd om alles wat je gelooft te elimineren. (18:52)


God

Heb je God persoonlijk en rechtstreeks ervaren, of dat hij niet bestaat? Nee? Dan is alles wat je dienaangaande gelooft niet meer dan een geloof. Weet je zeker dat er leven na de dood is, dat alle godsdiensten in essentie identiek zijn of dat de jouwe de enige ware is? Wie zegt dat? Weet je zeker dat gezondheidsvoeding gezond is, dat iedere cultus verdacht is, dat de rede alle problemen kan oplossen, of wat het ook maar is dat je gelooft? Onderken ieder geloof als geloof en bevrijd je ervan. (18:56)


Moleculen

Je zou jezelf bijvoorbeeld kunnen vragen: “Heb ik persoonlijk ervaring met moleculen?” Nee? Dan is alles wat je over moleculen gelooft een geloof. (18:58)


Vrijheid

Iedere keer dat we een geloof herkennen en elimineren, ontstaat er een nieuwe ervaring. Zodra we ons van het geloof bevrijd hebben, ervaren we een gevoel van levendigheid, openheid en vrijheid – een beetje of veel afhankelijk van de mate waarin het geloof ons leven beïnvloedde. Dit gevoel kan voorafgegaan worden door weerstand of angst voor verlies of mogelijk pijn, maar dan komt er een gevoel van vrijheid voor in de plaats. (18:61)


Oneindige mogelijkheden

In de ruimte van niet-weten ontstaan oneindige mogelijkheden. (18:62)


Enorm

Beeld je eens in wat er zou gebeuren als je het meeste wat je gelooft loslaat, of alles. Je gevoel van openheid en mogelijkheid zou enorm zijn, net als je gevoel van niet-weten. (18:63)


De betekenis van een appel

Stel je voor dat je bestaan zichzelf is – dat je eigenlijke “zijn” voor zichzelf bestaat. Je zou kunnen zeggen: “je bent omdat je bent” of “je bestaat opdat je bestaat”. De enige manier waarop iets betekenis of waarde heeft is in relatie tot iets anders. Als we vragen, “Wat betekent een appel?” wat vragen we dan? Hier staan we met een mond vol tanden. We moeten ons afvragen wat we bedoelen met “Wat betekent een appel?” Tenzij we verwijzen naar iets anders dan het bestaan van de appel, heeft de vraag geen zin. Dit komt doordat de appel niets “betekent” door gewoon maar een appel te “zijn”. Wat betekent een persoon? Hoe bedoel je? Net als bij een appel slaat deze vraag nergens op. We betekenen niets door gewoon maar te zijn. Om onze betekenis vast te stellen moeten we onze plaats in de gemeenschap onderzoeken, of onze waarde of ons nut met betrekking tot iets anders. (19:44)


Zijn

Het is net zo absurd om te veronderstellen dat we iets verdienen, of waarde nodig hebben om gewoon maar te “zijn”. “Zijn” heeft geen betekenis. Het “is” alleen maar. Hieruit volgt dat we geen intrinsieke betekenis hebben: we zijn gewoon. (19:46)


Niet waardeloos

In onze cultuur klinkt dit negatief maar het is helemaal niet negatief. Integendeel, het is juist heel goed nieuws. “Betekenisloosheid” betekent niet dat er iets loos is of dat er sprake is van een negatieve betekenis. “Betekenisloosheid” betekent “zonder betekenis”. Vrij van betekenis. We zijn dus intrinsiek zonder betekenis. Dit besef maakt ogenblikkelijk een eind aan de zoektocht naar betekenis. Snap je dat? Misschien vind je het deprimerend om te horen dat je zonder zin bent maar het goede nieuws is dat je absoluut niet waardeloos kun zijn. Aangezien waarde een functie is van gebruik, wordt het kunstmatig op dingen toegepast; het is secundair en niet eigen aan wat dan ook. Dit betekent dat iemand op zichzelf genomen onmogelijk waardeloos kan zijn. (19:47)


Niet waardevol

Het betekent ook dat je niet waardevol kunt zijn. De hele kwestie van waarde en verdienste, van betekenis en gewicht, is een sociale aangelegenheid. Zij is niet van toepassing op het zijn zelf. Men is wat men is; dit zijn kan niet gemeten of gewogen worden of op een of andere manier beter of slechter zijn dan het is. Sterker nog, beter of slechter zijn helemaal niet van toepassing op het zijn zelf. Zou je ophouden te bestaan als iedereen je waardeloos vond? Zou je ontstaan als iedereen je geweldig vond? Natuurlijk niet. Bestond je al voordat je enig idee had van goed of slecht, zelfbewustzijn, kennis, waarde of welk oordeel dan ook? Natuurlijk bestond je al. Dus kun je onmogelijk een van deze dingen zijn. (19:48)


Afweging

De betekenis van ons leven is een afweging die we maken. Zij wordt bepaald door welke doelen of welk oogmerk of nut we ook voor ogen hebben, en hoe we handelen in dit opzicht. Maar hoeveel betekenis we ook ontwaren, als “zijnde” veranderen we niet – we blijven betekenisloos. (19:49)


Een of ander gevoel van niet-weten

We hebben gezien dat telkens als we naar binnen kijken, we worden geconfronteerd met een of ander gevoel van niet-weten. Het kan zich manifesteren als een gevoel van onwetendheid of als het ontbreken van benodigde informatie. Het kan zich manifesteren als het ontbreken van begrip of niet weten wie of wat we zijn. Het kan zich manifesteren als het vermoeden dat er onbekende aspecten aan ons zijn die niettemin onze reacties en ons gedrag beïnvloeden, of simpelweg als het gevoel dat er iets ontbreekt of niet klopt. Hoe het zich ook manifesteert, het komt erop neer dat we simpelweg niet-weten. (19:51)


Liever onecht

Hoe hard we het ook proberen te rechtvaardigen of negeren, als echt zijn betekent niet weten wat je moet doen, waar je voor staat, hoe je jezelf moet presenteren, zijn we toch maar liever onecht. (20:8)


Descartes

Hij begaf zich op het lange en moeilijke pad van de universele twijfel. Hij betwijfelde zijn cultuur en zijn religie. Hij betwijfelde wat men hem had onderwezen, wat hij had geleerd. Hij betwijfelde wat hij dacht en geloofde, wat hij waarnam, et cetera. Toen hij bijna de toestand van universele twijfel had bereikt, moest hij vaststellen dat hij niet kon betwijfelen dat hij twijfelde. Wanneer men beseft dat de daad van twijfelen boven alle twijfel verheven is (want als het twijfelen betwijfeld wordt, zou het geen twijfel meer zijn), blijft er niets anders over dan wat er gebeurt – een daad van twijfelen. Die is zichzelf, zogezegd. Dus zijn oorspronkelijke idee was meer iets van: ik twijfel dus ik twijfel. (20:11)


Geen handboek

Niemand bezit het definitieve handboek voor het leven en hoe het geleefd dient te worden. Elk van ons is vrijwel blanco op dat punt. Misschien hebben we heel wat geleerd en heeft men ons volgepompt met meningen en standpunten dienaangaande, maar dat doet niets af aan ons vermogen om vast te stellen dat we oorspronkelijk van niets weten; dat alles dat ons door het leven loodst van buitenaf komt, als niet-ik. (20:19)


Nu

Deze rauwe en onbemiddelde ervaring van jezelf of van het leven manifesteert zich als een actueel bewustzijn van het heden maar zelfs wat dat inhoud blijft onbekend. De geest probeert meteen te interpreteren wat er is en genereert aannames, een verleden, plannen, angsten, behoeften en wat al niet. Maar als je jezelf de tijd gunt om rustig in deze onbekende ervaring te weken zonder er iets anders van te maken, en zonder het verstand achterna te hollen in zijn streven alles meteen weer in een kenbare vorm te gieten, kan er een nieuw bewustzijn ontstaan. Dit bewustzijn is tegelijk bekend en onbekend. (21:11)


Het onbekende

Deze onbekende kwaliteit maakt zich op minstens twee manieren kenbaar. Aan de ene kant treedt zij op door de afwezigheid van identificatie of zekerheid – wat meestal automatisch gebeurt. Door onze aandacht te richten op de onmiddellijkheid van het moment voorafgaand aan iedere gedachte of interpretatie, krijgen we misschien het gevoel van iets onbeslists of onduidelijks, of dat er belangrijke informatie ontbreekt. Anderzijds zullen we het gevoel hebben dat zelfs het bekende in onze actuele ervaring van hetzelfde hier en nu nog onbekend is. We nemen misschien een lichaam waar, maar beseffen dat dit “lichaam” tevens onbekend is. We worden misschien onszelf of ons bewustzijn gewaar maar beseffen dat dit zelf en dit bewustzijn zelf onbekend zijn, of niet volledig bekend. Alles wat we gewaarworden raakt doordesemd van deze onbekende kwaliteit. Het is belangrijk om onszelf toe te staan bewust te blijven van het onbekende zowel als het bekende. Zodra de onbekende kwaliteit buitengesloten wordt, neemt de geest het over en overheerst onze hele ervaring. (21:13)


Leven als het onbekende

Leven als het onbekende is heel ongebruikelijk in onze cultuur. Heel weinig mensen hebben de moed de confrontatie met zichzelf aan te gaan en het onbekende onder ogen te zien. In de meeste mensen komt het eenvoudigweg niet op de wereld tegemoet te treden zonder meningen en interpretaties. Waarschijnlijk vinden ze dat absurd want het gaat gepaard met een gevoel van kwetsbaarheid, waar het verstand automatisch voor op de loop gaat. Maar hoe meer we vertrouwd raken met het onbekende, hoe gemakkelijker het wordt. Per slot van rekening is het al waar en altijd waar. (21:14)


Een zuiver niet-weten

Hoe vreemd het ook moge klinken, een authentiek niet-weten is de plaats waar een directe ervaring van de ware aard van het zijn kan aangrijpen. Het heeft er alles van weg, als je hier en nu onderzoekt wie of wat je bent en ontdekt dat je “het niet weet”, dat dat de waarheid is. Tegelijkertijd ervaar je aanwezigheid en bewustzijn, dus deze onbekende plaats van het zijn moet wel samenvallen met de plaats waar jij je op dit moment bevindt, hier. Je hoeft helemaal niet te weten wat je allemaal bent; je hoeft alleen maar te voelen wat je hier en nu ten diepste bent, ook al komt dat neer op een zuiver niet-weten. (21:15)


Bewust nastreven

Om een houding van openheid te bevorderen en in stand te houden moet je het niet-weten helemaal in je bewustzijn toelaten terwijl je contempleert. Deze staat van open verwondering staat haaks op de neiging van het verstand om antwoorden te zoeken – en dat is juist zijn bestaansrecht. Denk erom, de geest heeft tot taak informatie te verschaffen, niet een om een toestand van niet-weten op te wekken. Een dergelijke toestand heeft meer weg van “het verstand op nul” of “geen-geest”. Dit staat de overleving van het ik in de weg en roept weerstand op. Ook al is niet-weten een feit, het beleven ervan moet bewust nagestreefd worden want anders walst het verstand er zo overheen. (21:38)


Het niets als springplank

De diepe en oprechte bereidheid om niet te weten geeft ons het niets als springplank. Dit kan onze ervaring transformeren zonder onze waarneming te veranderen, want staande op het niets zien we alles vanuit een ander gezichtspunt. De dingen verliezen hun macht over ons omdat we inzien dat ze leeg en willekeurig zijn. (24:42)


Alle onderscheiding opheffen

En hoewel alle macht en vaardigheid voortkomt uit de onderscheidingen die we maken, moeten we ook onder ogen zien dat ware persoonlijke vrijheid alleen mogelijk is door alle onderscheidingen op te heffen. (24:27)


Betekenisloosheid

Betekenisloosheid is niet te verdragen voor het verstand. Het verzet zich ertegen, negeert het, onderdrukt het, overwint het, en ontkent het. Liever dan de betekenisloosheid onder ogen te zien zijn we geneigd troostrijke overtuigingen te zoeken die ons helpen zin te geven. (25:4)


Ook dat betekent niets

Het leven, het zelf en het universum zijn totaal betekenisloos. En het feit dat ze niets betekenen, betekent niets! (25:5)


Het is wat het is

Betekenisloosheid is niet iets negatiefs of slechts want dat zou toch weer een vorm van betekenis zijn. Het is gewoon wat het is, zoals het is. Betekenisloosheid duidt op de toestand zonder betekenis te zijn. Wijzelf zijn betekenisloos. Zolang wij betekenis najagen – proberen de zin van het leven te achterhalen en ernaar te leven – zullen zelfs de meest oprechte en intelligente inspanningen onverbiddelijk tot teleurstelling leiden. (25:5)


Waardevol noch waardeloos

De waarheid is dat je niet waardeloos kunt zijn omdat je nooit enige waarde gehad hebt. (25:6)


Geen idee

We hebben er simpelweg geen idee van waar we mee bezig zijn en wie of wat we eigenlijk zijn. (25:40)


Van exclusief naar inclusief

Bijvoorbeeld, in plaats van onszelf te identificeren met een exclusieve, individuele lichaam-geest, zouden we onszelf kunnen identificeren met de hele mensheid, of met het leven zelf, of zelfs met het Absolute Bewustzijn. Zo’n verschuiving van een persoonlijke naar een omvattende context leidt tot een transformatie van onze ervaring. (26:16)


Vrij

Vrijheid gaat eerder over vrij zijn van ons zelf dan vrij zijn om onszelf te zijn. (26:36)


Stollingsgesteente

Wat bijna iedereen over het hoofd ziet is dat iedere doorbraak, elk inzicht, tot nieuwe rotsformaties leidt die op hun beurt doorbroken moeten worden. (26:48)