Ruimtevrees

‘Niet-weten is wat mij overkwam terwijl ik zekerheid zocht.’ Dwaalgesprek over de nodeloze angst voor een grondeloos bestaan.

De Grote Bedrieger

‘Jij zegt dikwijls dat je niets weet, Hans, maar dan weet je toch dat je niets weet?’

‘Als mensen horen dat ik niets weet, worden ze altijd onrustig of lacherig of agressief. Ze gaan meteen bewijzen dat dat niet kan. Ze ervaren mijn ‘lege leer’ als een aanslag op hun eigen zekerheden. Maar ik ontken helemaal niks. Ik bevestig ook helemaal niks. En bovendien spreek ik alleen maar voor mezelf. Dus wat is het probleem?’

‘Ik heb dat ook. Ik lees jou niet graag. Ik word er onrustig van.’

‘Raar, die agitatie. Maar ook wel weer begrijpelijk. Het is niet plezierig om een gapend gat tegenover je te hebben. Voor mij ook niet. Daar krijg je hoogtevrees van. Dieptevrees. Gaten moeten opgevuld worden. Als ik zeg dat ik op het gebied van wezens- en levensvragen niets weet, maken mensen er daarom gauw een Socratisch niet-weten van: ‘Ik weet alleen maar dat ik niets weet’, of in de formulering van de non-dualist Jan van Delden: ‘Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker.’ Maar dat bedoel ik helemaal niet. Juist niet.’

‘Wat bedoel je dan wel?’

‘Gewoon, dat ik het allemaal niet meer weet. Dus ook niet dat ik het allemaal niet meer weet.’

‘Wat zeg je dan nog helemaal?’

‘Precies.’

‘Wat gebeurt er als je dat duidelijk probeert te maken?’

‘Wanneer het onderwerp niet weten op tafel komt, zetten mensen dus meteen hun kennisdetector aan, en als ze doorkrijgen dat er in de normale stand niks te vinden is, zetten ze hem in de hoogste stand. Ze willen me vangen. Op heterdaad betrappen. Als ik bijvoorbeeld zeg dat ik niet weet of ik iemand of niemand ben, dan zeggen ze dat ik dát toch weet. Maar dat weet ik ook niet. Of dat ik dan toch weet dat je niet kunt weten of je iemand of niemand bent. Maar dat weet ik ook niet. Of dat ik dan toch weet dat ik niet weet dat ik dat niet weet. Maar dat weet ik ook niet…’

‘Hoezo niet?’

‘Omdat het allemaal maar gedachten zijn. Hoe weet ik nou of ze waar zijn? Alleen maar omdat ik ze denk? Misschien worden ze mij wel ingefluisterd door de Grote Bedrieger. Misschien droom ik dit alles wel. Misschien…’

‘Denk je er ooit achter te komen of je iemand of niemand bent?’

‘Die vraag houdt mij totaal niet bezig.’

‘Maar het is het een of het ander.’

‘In een tweewaardige logica wel. In een vierwaardige logica heb je meer mogelijkheden. Daarin moet je zien vast te stellen of je iemand bent, niemand, iemand en niemand of iemand noch niemand. Dat is het tetralogische denkschema van de Indiërs. Volgens de nominalisten zijn ‘iemand’ en ‘niemand’ woorden zonder tegenhanger in de realiteit, en valt er helemaal niets te kiezen. Volgens de gestaltpsychologie kun je jezelf niet los zien van je omgeving en ‘ben’ je steeds iemand anders. Volgens de immanentieleer ben je niet iemand onder andere iemanden, en ook niet niemand in niemandsland, maar de ene god die alles is en in alles is. Je ziet, je kunt alle kanten op. Welke theorie spreekt je aan? Welke logica wil je hanteren?’

‘Dus je denkt niet dat je er ooit achter zult komen of je iemand of niemand bent.’

‘Ik kan niet eens in de vraag geloven, laat staan in een antwoord.’

Collateral damage

‘Hoe kom ik daar, in dat niet weten?’

‘Welk niet weten?’

‘Doe niet zo flauw.’

‘Ik zou het ook niet weten.’

‘Ik vraag je niet om me erheen te brengen, ik vraag je alleen maar om me de weg te wijzen.’

‘De weg naar niet weten!’

‘Je weet toch zeker wel hoe je er zelf gekomen bent?’

‘Weet jij hoe je hier gekomen bent?’

‘Met de bus.’

‘En die bus?’

‘Wat is daarmee?’

‘Hoe is die bus hier gekomen?’

‘Over de weg natuurlijk.’

‘Ik bedoel, waar komt die bus vandaan?’

‘Uit de fabriek natuurlijk.’

‘En die fabriek?’

‘Gebouwd door mensen.’

‘En die mensen?’

‘Geëvolueerd uit levenloze materie.’

‘En die evolutie?’

‘En die materie?’

‘God…’

‘En die God?’

‘Nou dan.’

‘Ieder antwoord leidt tot nieuwe vragen.’

‘Een onvermijdelijke regressie die gewis in het ongewisse eindigt.’

‘Waardoor ik ten diepste niet weet hoe ik hier gekomen ben.’

‘Ten diepste niet.’

‘En jij weet ten diepste niet hoe je tot niet-weten gekomen bent.’

‘Ik kan niet eens in de vraag geloven, laat staan in een antwoord.’

‘Dat zei je net ook al.’

‘Zie je het patroon?’

‘En als je toch antwoord moest geven? Ten oppervlakkigste, zeg maar?’

‘Een beroemde uitspraak van John Lennon luidt: ‘Life is what happens to you while you’re busy making other plans.’ Rare uitspraak trouwens. Wie zegt dat die plannenmakerij je niet net zo goed overkomt? Maar goed; niet-weten is wat mij overkwam terwijl ik zekerheid zocht. Kun je daarmee uit de voeten?’

Een universeel geloof

‘Ik zoek ook zekerheid.’

‘Wie niet.’

‘Maar niet-weten heb ik nog niet gevonden.’

‘Niet-weten kun je niet vinden.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat het een kwestie van verliezen is.’

‘Waarvan?’

‘Van antwoorden. Van vragen. Van woorden. Van zekerheden. Van onzekerheden. Van zin. Van onzin.’

‘Denk jij dan nooit eens dat je iets weet?’

‘Aan de lopende band. Nu bijvoorbeeld weer dat ik aan de lopende band iets denk te weten.’

‘Nou dan.’

‘Maar geloof ik zo’n gedachte? Belangrijker nog, voor hoelang?’

‘Op die manier.’

‘Praktisch iedereen gelooft zijn gedachten onvoorwaardelijk. De meeste mensen denken dat ze iemand zijn: een persoon, die gedachten produceert. Ze denken dat hun gedachten aan hun brein ontspringen, of aan hun geest, of aan een andere permanente structuur, waarvan de gedachte een symptoom is, een product, een openbaring. Zoals stoom uit een ketel of stank uit een riool of beelden uit een projector. Ook denken ze dat hun gedachten een natuurgetrouwe afspiegeling zijn van een andere permanente structuur die ze de werkelijkheid noemen.’

‘En volgens jou is dat niet zo?’

‘Dat weet ik ook al niet. Het valt niet te bewijzen dat het zo is en het valt niet te bewijzen dat het niet zo is. Het valt zelfs niet te bewijzen dat het niet valt te bewijzen. Probeer het maar eens.’

‘Ik geloof je zo ook wel.’

‘En dat is precies het verschil.’

‘Wat is precies het verschil?’

‘Voor mij is het geen vraag waar mijn gedachten vandaan komen en wat ze voorstellen. Voor jou ook niet, vermoed ik. Maar voor mij is het geen vraag omdat ik geen antwoord meer verwacht, en voor jou is het geen vraag omdat het antwoord vanzelf spreekt.’

‘Inderdaad.’

‘Als er een gedachte in mij opkomt dan neem ik niet aan dat die afkomstig is uit een of andere vaste structuur zoals mijn ‘geest’, mijn ‘ziel’, mijn ‘persona’, mijn ‘geheugen’ of mijn ‘brein’. Ik neem niet aan dat de gedachte in kwestie ‘mij’ laat weten hoe ‘ik’ ergens over denk of hoe ‘de werkelijkheid’ eruit ziet. Voor mij is het gewoon een gedachte, wat dat ook moge wezen. Ook dit is maar zo’n gedachte.

Gedachten zijn notoir vluchtig en als je niet veronderstelt dat ze iets betekenen of ergens over gaan of ergens voor staan dan ben je er over het algemeen zo mee klaar. Of zij met jou, wie zal het zeggen. Dat geldt ook voor deze gedachten. Jij denkt misschien dat ik juiste of belangwekkende of onbeduidende of onjuiste dingen beweer over verlichting of over een hogere realiteit of over niet weten of over mezelf, maar ik niet. Ik denk ook niet van niet. Ik weet alleen maar niet.’

‘Zeker weten?’

‘Probeer je me te vangen?’

‘Ik wil alleen maar controleren of je zeker weet dat je gedachten nergens over gaan.’

‘Heb ik gezegd dat mijn gedachten nergens over gaan? Ik heb gezegd dat ik niet aanneem dat mijn gedachten ergens over gaan. Ik neem ook niet aan dat ze nergens over gaan. Niets neem ik aan over mijn gedachten. Zelfs niet dat ik er niets over aanneem. Ook dit zijn maar gedachten. Weg ermee. En weg ook met het ‘weg ermee’.’

Continuïteit

‘Maar als dezelfde gedachten nou steeds terugkeren? Is dat dan niet voldoende bewijs voor een onderliggende structuur die deze gedachten voortbrengt en een achterliggende werkelijkheid die de gedachten informeert?’

‘Zou best kunnen, maar hoe wou je dat verifiëren? Hoe weet je bijvoorbeeld of een gedachte werkelijk voor de zoveelste keer langskomt of dat dat alleen maar zo lijkt?’

‘Als we zo gaan beginnen…’

‘Ooit een déjà vu gehad?’

‘Toen ik voor de eerste keer Rome bezocht en plaatsnam op een terras had ik sterk de indruk dat ik daar al eens eerder had gezeten. Maar dat kon niet want ik was nog nooit in Rome geweest.’

‘Zou op dezelfde manier een gebeurtenis die je al voor de duizendste keer mee denkt te maken – opstaan, plassen, koppijn, een dwanggedachte – ook niet een déjà vu kunnen zijn? Een valse herinnering? Suggestie?’

‘In principe wel, ja. Maar dat weet je toch helemaal niet?’

‘Nee, dat weet je niet. En dat het niet zo is, weet je ook niet. Of al die woorden wel meer zijn dan hokjes om jezelf en de dingen in op te sluiten, weet je ook niet. Of ‘hokje’ en ‘jezelf’ en ‘de dingen’ en ‘opsluiten’ op hun beurt geen hokjes zijn, weet je ook niet. Conclusie?’

‘Volgens mij ben jij knettergek.’

‘Ik zou hetzelfde van jou kunnen zeggen.’

‘Ik vind het zo… theoretisch allemaal.’

‘Alsof zeggen dat het theoretisch is niet theoretisch is.’

‘Ik erváár toch continuïteit?’

‘En?’

‘Dat is mij genoeg.’

‘Wat zeur je dan?’

‘Ik bedoel, wat doe je dan hier?’

‘Zeg eens wat.’

‘Misschien is het mij toch niet genoeg.’

‘Zelf ervaar ik ook continuïteit. Het is een van de grote raadselen van het bestaan dat we ondanks talloze onderbrekingen en verschuivingen van perspectief dag en nacht continuïteit ervaren. Een droom bijvoorbeeld begint altijd middenin maar wanneer sta je daar – in de droom – ooit bij stil? Stel jij je iedere droom de vraag: ‘Hoe ben ik hier nou weer terecht gekomen?’ Welnee. Het komt niet eens in je op. Natuurlijk ben je daar en natuurlijk zijn precies dit de omstandigheden waarin je verkeert. Hoe zou je nou niet daar kunnen zijn en niet in precies deze omstandigheden kunnen verkeren?

Vraag jij je weleens af, in de droom, hoe het kan dat je in de vorige droom tien jaar jonger was of van een ander geslacht, ras, soort of karakter? Ben je gek; jij bent jij en er is nooit een andere jij geweest dan deze ene, wiens bestaan onbetwijfelbaar is en geen verklaring behoeft. De droom begint en alles spreekt vanzelf. Wie je in die droom ook bent. Tien, twintig, honderd dromen per nacht. Iedere nacht weer. En nooit het gevoel dat er iets niet klopt. Zo krachtig zijn de wanen die het brein voortbrengt. Gesteld dat het wanen zijn. Gesteld dat het brein ze voortbrengt. Gesteld dat je een brein hebt. Gesteld dat er een jij is. Gesteld dat dit hele verhaal niet een van die wanen is.

Toen je als kind in de wereld verscheen, of toen de wereld in jou verscheen – wie zal het zeggen – dacht je toen: ‘Verrek, waar komt dit ineens allemaal vandaan?’ Nee hè? Je was er en je bent er nog steeds en je bent er nooit niet geweest, niet dat je weet, want toen was je er nog niet, en je zult er ook nooit niet meer zijn, niet dat je weet, want dan ben je er niet meer, dus het zal wel kloppen allemaal.

Ook overdag valt een mens onophoudelijk in en uit standpunten, ideeën, verhalen, gesprekken, gebeurtenissen, teksten, televisieprogramma’s, noem maar op, zonder begin of einde. Van de ene ‘werkelijkheid’ in de andere. De ‘realiteiten’ wisselen elkaar in noodtempo af en je merkt het niet eens. Je gelooft het allemaal. Onvoorwaardelijk. Elke waarneming. Ieder verhaal. Elk televisiebeeld. Iedere gedachte. Nu deze weer. Dag en nacht: zap, zap, zap. Onderbreking na onderbreking en je blijft maar continuïteit ervaren. Je blijft maar jezelf en de wereld blijft maar de wereld. Wie is hier nou gek?’

Een gapend gat

‘Het begint me een beetje te duizelen.’

‘Omdat je in de afgrond kijkt.’

‘Bedoel je Hans van Dam?’

‘Ook.’

‘Wie dan nog meer?’

‘Jijzelf, de anderen, de tienduizend verschijnselen.’

‘De hele mikmak.’

‘Een gapend gat.’

‘In de zin van leegte, sunyata?’

‘In de zin van: je weet niet wat het is, je weet niet dat het is, je weet niet waar het ene ophoudt en het andere begint, je weet niet hoe het allemaal samenhangt, je weet niet waar het allemaal vandaan komt, je weet niet waar het allemaal heen gaat, je weet niet waar het allemaal voor dient, je weet niet dat het nergens voor dient, je weet niet wat je moet doen, je weet niet wat je moet laten, je weet niet of je kunt kiezen, je weet niet of je het ooit zult weten en je weet niet of je het niet kunt weten. Een gapend gat.’

‘Ik vind het best eng allemaal.’

‘Ach. Dit is ook maar weer een verhaal.’

‘Zeker weten?’

‘Zeker weten: dat is pas eng.’

‘Zeker weten?’

‘Je probeert me nog steeds te vangen.’

‘Verwijs je naar de zalige onwetendheid uit de bijbel? Als kinderen zult gij zijn?’

‘Dat riekt naar obscurantisme.’

‘Obscurantisme?’

‘Het idee dat je de mensen maar beter dom kunt houden.’

‘Maar je zei net zelf…’

‘Voor je het weet roep je weer op tot boekverbranding.’

‘Heb jij iets tegen boekverbranding?’

‘Je probeert me nog steeds te vangen.’

‘Ik kan het gewoon niet laten.’

‘Helpt het een beetje?’

‘Nee.’

‘Troost je, iederéén krijgt pleinvrees van mij.’

‘Agorafobie.’

‘Gauw wat lichtmasten erop!’

‘Een paar reclameborden!’

‘Prullenbakken!’

‘Platanen!’

‘Een kiosk!’

‘Een warenhuis!’

‘Bushokjes!’

‘Een parkeergarage!’

‘Appartementen!’

‘Heb jij daar dan geen last van?’

‘Niet in het minst.’

‘Omdat jij dat plein bent natuurlijk.’

Kauwgom voor de geest

‘Flauwekul.’

‘Wat?’

‘Al die metaforen. Voor je het weet ga je ze weer letterlijk nemen. ‘Ik ben het plein waarop het wereldgebeuren zich voltrekt.’ ‘Ik ben de afgrond waarin de grond verschijnt.’ ‘Ik ben het gat waarin het weten verdwijnt.”

‘Ik zat er net aan te denken.’

‘En dan moet je weer gaan uitleggen hoe het plein en het wereldgebeuren van elkaar verschillen en hoe ze met elkaar samenhangen en hoe ze ondanks en/of dankzij hun overeenkomsten en verschillen toch die ene vol-ledigheid vormen, die jij bent, maar ik ook, en hoe dat nou weer kan, en hoe het kan dat jij dat allemaal nog steeds niet ziet of voelt of ervaart maar ik wel, of omgekeerd, en wat je allemaal moet doen en laten onder leiding van wie wel en wie niet of liever zonder leiding om het eindelijk opnieuw of voor het eerst werkelijk of werkelijk voor het eerst in of onder of zonder ogen of oren te kunnen zien of horen of voelen of ervaren.’

‘Als dat zou kunnen…’

‘En hopsakee, weer een soetra erbij om je tanden op stuk te bijten.’

‘Leve het numineuze.’

‘Het rumineuze.’

‘Het lumineuze.’

‘Kauwgom voor de geest.’

‘Maar jij bent wel uitgekauwd.’

‘Weg ermee.’

‘Met die soetra’s, bedoel je?’

‘Daar komen we nooit meer van af.’

‘Met de geest?’

‘Zie er eerst maar eens aan te komen.’

‘Waarmee dan wel?’

‘Met die metaforen natuurlijk.’

‘Ach, natuurlijk.’

‘En weg ook met het weg ermee.’

‘Alweer?’

‘Zie je het patroon?’

‘Wat blijft er dan nog over?’

‘Waarvan?’

‘Niets, wou je zeggen.’

‘Alsof ik iets wou zeggen.’

‘Want er valt niets te zeggen.’

‘Dat hoor je mij niet zeggen.’

‘Brrr.’

‘Wat ril je nou?’

‘Dat komt door jou.’

‘Vat maar geen kou.’

‘ ’t Is maar een verhaal, wou je zeggen.’

‘Dat het maar een verhaal zou zijn, is ook maar een verhaal.’

‘Griezel.’

‘Een baksteen is geen kiezel.’

‘Waar slaat dat nou weer op.’

‘Mist is nog geen miezel.’

‘En dat van de man die geen onderscheid weet te maken.’

‘Jij gelooft ook alles.’